( André Snijers )
INHOUDSTABEL
1 Kenmerken
van deelbaarheid (voor natuurlijke
getallen)
4 Grootste gemeenschappelijke deler van
natuurlijke getallen
5 Kleinste gemeenschappelijk veelvoud van
natuurlijke getallen
6 Formule niet-opgaande deling
7 Rekenregels voor bewerkingen in Z
7.2 Optellen van 2 gehele getallen
7.3 Vermenigvuldigen van
gehele getallen
8 Rekenregels voor bewerkingen met breuken
10 Oplossen van vergelijkingen
10.1 Oplossen van
vergelijkingen van de vorm x + a = b
10.2 Oplossen van
vergelijkingen van de vorm a x = b
10.3 Algemene werkwijze voor
het oplossen van een vergelijking in x
11.1 Percent nemen van een
getal (uitrekenen percent)
11.2 Berekenen van het percent
(in percent zetten)
13.1 Onderlinge ligging van
rechten in het vlak
13.2 Middelloodlijn van een
lijnstuk
13.5 Bissectrice van een hoek
(deellijn)
14 Merkwaardige lijnen en hoeken in een cirkel
15.3 Even grote hoeken tekenen
16 Omtrek en oppervlakte van vlakke figuren
Een getal is deelbaar door:
2 : als het laatste cijfer van het getal deelbaar is door 2 (of het laatste cijfer 0, 2, 4, 6 of 8 is).
3: als de som van
de cijfers van het getal deelbaar is door 3.
4: als het getal
gevormd door de 2 laatste cijfers deelbaar is door 4.
5: als het laatste
cijfer van het getal deelbaar is door 5 (of het laatste cijfer 0 of 5 is).
8: als het getal
gevormd door de 3 laatste cijfers deelbaar is door 8.
9: als de som van
de cijfers van het getal deelbaar is door 9.
25: als het getal
gevormd door de 2 laatste cijfers deelbaar is door 25 (of het getal eindigt op
00, 25, 50, 75).
125: als het getal gevormd door de 3 laatste cijfers deelbaar is door 125.
Een priemgetal is een natuurlijk getal
dat juist twee verschillende delers heeft.
Voorbeelden: 2, 3, 5, 7,
11, 13, 17, 19, 23, 29, 31, 37, 41, 43, 47, …
Werkwijze
Voorbeeld

Ontbind 120 in
priemfactoren
120
2
60
2
30
2
15
3
5
5
1
120 = 2³ × 3 × 5
Werkwijze Voorbeeld
Ä
Ontbind elk getal in priemfactoren Ä
Maak het product van de gemeen–schappelijke
priemfactoren, elk met hun kleinste exponent. Dit product is de grootste
gemeen–schappelijke deler van de gegeven getallen.
Bepaal de ggd van 360 en 84
![]()
360 2 84 2
180 2 42 2
90 2 21 3
45 3 7 7
15 3 1
5 5
1
360
= 2³ × 3² × 5 84 = 2² × 3 × 7
ggd (360, 84) = 2² × 3 = 4 × 3 = 12
Werkwijze
Voorbeeld
Ä
Ontbind elk getal in priemfactoren
. Ä
Maak het product van alle verschillende
priemfactoren, elk met hun grootste exponent. Dit product is het kleinste gemeenschappelijk veelvoud van de gegeven getallen.
Bepaal kgv van 90 en 84
![]()
90 2 84 2
45 3 42 2
15 3 21 3
5 5 7 7
1 1
90 = 2 . 3² . 5 84 = 2² . 3 .
7
kgv (90,84) = 2² × 3² × 5 × 7
= 4 × 9 × 5 × 7
=
1 260
Deeltal = deler × quotiënt + rest met 0 <
rest < deler
of D
= d × q + r met 0 < r < d
+ (+
) wordt + -
(+ )
wordt -
+ (-
) wordt - -
(- )
wordt +
De twee termen
hebben
![]()
hetzelfde
toestandsteken verschillend
toestandsteken
- teken behouden -
teken van het getal met de
grootste absolute
waarde
- absolute waarden optellen - absolute
waarden aftrekken
(grootste absolute waarde – kleinste absolute
waarde)
Voorbeeld
6 + 3 = 9 (-6)
+ 3 = -3
(-6) + (-3) = -9 6
+ (-3) = 3
- teken bepalen
a.d.h.v. de tekenregel: +) × (+
= +
+) × ( - = -
- ) × (+ = -
- ) × ( - = +
- absolute waarden vermenigvuldigen
Opmerking aantal
negatieve factoren
![]()
![]()
![]()
product is
positief product is negatief
Voorbeeld
6 × 3 = 18 (-6)
× 3 = -18
(-6) × (-3) = 18 6
× (-3) = -18
- teken bepalen
a.d.h.v. de tekenregel: +) : (+
= +
+) : (- = -
-) : (+ = -
-) : (-
= +
- absolute waarden delen
Voorbeeld
6 : 3 = 2 (-6) : 3 = -2
(-6) : (-3) = 2 6
: (-3) = -2
Grondtal negatief is
Een macht wordt negatief en
Exponent oneven is
Een macht wordt positief: alle andere
gevallen
|
grondtal |
exponent |
macht |
|
+ |
even |
+ |
|
+ |
oneven |
+ |
|
- |
even |
+ |
|
- |
oneven |
- |
Voorbeeld
24
= 16 23
= 8
(-2)4
= 16 (-2)3
= -8
+ voor de
haken: haken en plusteken weglaten (invoeren) en alle tekens van de termen
behouden.
Voorbeelden + (a + b) = a + b
+ (-a – b) = -a - b
- voor de
haken: haken en minteken weglaten (invoeren) en elke term binnen de haakjes
vervangen door zijn tegengestelde.
Voorbeelden - (a + b) = - a – b
- (-a – b) = a + b
1. De
bewerkingen binnen de haken.
eerst
, dan
, daarna
.
2.
Machtsverheffingen
3.
Vierkantsworteltrekkingen
4.
Vermenigvuldigen en delen van links naar rechts.
5.
Optellen en aftrekken van links naar rechts.
1. Breuken
vereenvoudigen (zowel in getallen als in tekens)
2.
![]()
![]()
3. Breuken
gelijknamig maken (kgv van de noemers)
4. Tellers
optellen, noemer behouden
5. Resultaat
vereenvoudigen
1. Eerst voor het
toestandsteken zorgen (zie tekenregel van de
. van
gehele getallen)
2. teller
x teller
------------------------------ en dadelijk vereenvoudigen, niet eerst
vermenigvuldigen
noemer x
noemer
Opmerking
Het
is nutteloos om de breuken eerst gelijknamig te maken.
1. Eerst voor het
toestandsteken zorgen
2. Eerste breuk
vermenigvuldigen met het omgekeerde van de tweede breuk
Opmerking
De
omgekeerde breuk bekom je door teller en noemer te
wisselen.
Het gemiddelde van enige getallen = ![]()
Mediaan van
enige getallen: 1)
rangschik de getallen van klein naar groot
2)
aantal getallen is
![]()
even oneven
![]()
![]()
mediaan is het
rekenkundig mediaan
is het
gemiddelde van de twee middelste getal
middelste getallen
Je mag een term in het ene lid
weglaten, mits je het tegengestelde van deze term in het andere lid optelt.
Met symbolen : a + x = b
![]()
x = b - a
Je mag een van nul verschillende factor
in het ene lid weglaten, mits je met de omgekeerde factor in het andere lid
vermenigvuldigt.
(m.a.w
in het andere lid deelt door deze factor).
Met symbolen : a
x = b
x = ![]()
Werkwijze Voorbeeld
Ä Onbekende termen overbrengen naar het ene lid;
bekende termen naar het andere lid. Ä Beide leden uitwerken (=herleiden) Ä Factor bij x overbrengen Ä 2de lid uitwerken en/of
vereenvoudigen
3x - 8 = 19 – 6x
![]()
3x
+ 6x = 19 +
8
![]()
9x
= 27
![]()
x
=
![]()
![]()
x = 3
x . getal
Werkwijze: x % van een getal = -------------
100
8 . 300
Voorbeeld: 8% van 300 = ----------- = 24
100
Werkwijze: Je deelt het 1ste getal (behaalde, deel, …) door het 2de getal (totaal) en je vermenigvuldigt het daarna met 100.
Voorbeeld: Hoeveel % is 24 van 300 ?
24 . 100
------------ = 8 dus 8 %
Werkwijze : Om een getal te berekenen waarvan een zeker percent gegeven is past men de regel van drie toe waarbij het gezochte getal overeenkomt met 100%.
Voorbeeld : 8 % van een bedrag is 24. Wat is dit bedrag ?
8% 24
24
1% -------![]()
8
24
. 100
100% ----------- = 300
8
Werkwijze
1.
Duid de maat aan (het cijfer dat zich op de rang van de
eenheden bevindt, duidt de maat aan).
2.
Plaats een schuine streep achter in de kolom bij de gevraagde
eenheid.
3.
Het cijfer dat de maat aanduidt, schrijf je in de kolom van
de gegeven eenheid.
4.
De overige cijfers van het maatgetal schrijf je op gelijke
wijze in de andere kolommen (in elke kolom 1 cijfer). Bij tiendelige getallen
laat je de komma weg.
5.
Vul de kolom aan met nullen, indien nodig.
6.
Noteer de oplossing door alle cijfers uit de tabel over te
schrijven en vervang indien nodig, de schuine streep door een komma.
Voorbeelden 34,7
dam = ………………….. cm
23 cm = ……………
hm
|
km |
hm |
dam |
m |
dm |
cm |
mm |
|
|
3 |
4 |
7 |
0 |
0 / |
|
|
|
0 / |
0 |
0 |
2 |
3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dus 34,7
dam = 34 700 cm
23 cm = 0,002
3 hm
Opmerking
Deze
werkwijze geldt ook voor massa’s en inhoudsmaten.
Werkwijze
1. Duid de maat
aan (het getal gevormd door de cijfers op de rang van de tientallen en de
eenheden duidt de maat aan).
2. Plaats een
schuine streep achter in de kolom bij de gevraagde eenheid.
3. De cijfers die
de maat aanduiden, schrijf je in de kolom van de gegeven eenheid.
4. De overige
cijfers van het maatgetal schrijf je op gelijke wijze in de andere kolommen.
Noteer twee cijfers per kolom. Bij tiendelige getallen laat je de komma weg.
5. Vul de kolom
aan met nullen, indien nodig.
6. Noteer de
oplossing door alle cijfers uit de tabel over te schrijven en vervang indien
nodig, de schuine streep door een komma.
Opmerking
1ha = 1hm² 1 a = 1 dam² 1
ca = 1 m²
Voorbeelden 134,7
dam² = ………………….. cm²
3 cm² = …………… m²
|
km² |
hm²
ha |
dam² a |
m² ca |
dm² |
cm² |
mm² |
|||||||
|
|
|
|
1 |
3 |
4 |
7 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0/ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
0/ |
0 |
0 |
0 |
3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dus 134 dam² = 134 700 000 cm²
3 cm² = 0,000
3 m²
Werkwijze
1. Duid de maat
aan (het getal gevormd door de cijfers op de rang van de honderdtallen,
tientallen en de eenheden duidt de maat aan).
2. Plaats een
schuine streep achter in de kolom bij de gevraagde eenheid.
3. De cijfers die
de maat aanduiden, schrijf je in de kolom van de gegeven eenheid.
4. De overige
cijfers van het maatgetal schrijf je op gelijke wijze in de andere kolommen.
Noteer drie cijfers per kolom. Bij tiendelige getallen laat je de komma weg.
5. Vul de kolom
aan met nullen, indien nodig.
6. Noteer de
oplossing door alle cijfers uit de tabel over te schrijven en vervang indien
nodig, de schuine streep door een komma.
Opmerking
|
1 dm³ = 1 l |
0,52 cm³ =
………………………… dm³
|
km³ |
hm³ |
dam³ |
m³ |
dm³ |
cm³ |
mm³ |
||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
kl |
hl |
dal |
l |
dl |
cl |
ml |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
7 |
3 |
5 |
8 |
0 |
0/ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
0/ |
0 |
0 |
0 |
5 |
2 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dus 1 735,8 dm³ = 1 735 800 cm³
0,52 cm³ =
0,000 52 dm³
Voorbeeld:
a Evenwijdige
rechten zijn rechten van eenzelfde vlak die elkaar niet snijden
Voorbeeld:
a // b
a
b
Tekenen
van evenwijdige rechten met de geodriehoek

Op de geodriehoek staan lijnen evenwijdig met de
tekenzijde van de driehoek. Je gebruikt die om een rechte te tekenen evenwijdig
met rechte a.
a b

Loodrechte
rechten
Twee rechten staan loodrecht op elkaar als ze een rechte hoek vormen.
|

Tekenen van
loodrechte rechten met de geodriehoek bOp
de geodriehoek staat een rechte hoek.
We gebruiken die om een rechte
te
tekenen loodrecht op rechte a.

a
Definitie De middelloodlijn van een lijnstuk is de
loodlijn door het midden van dat lijnstuk.
Constructie van een middelloodlijn :
|
|
1. Zet de
passerpunt in grenspunt A en construeer met een straal langer |
|
|
2.
Zet de passerpunt in grenspunt B en trek met dezelfde |
|
|
3.
Teken rechte RP. Dit is de middelloodlijn
van [AB]. |
Definitie De zwaartelijn door een hoekpunt is een
rechte door dat hoekpunt en het midden van de overstaande zijde.

Definitie De hoogtelijn door een hoekpunt is een
rechte door dat hoekpunt en loodrecht op de drager van de overstaande zijde.

Opmerking
De hoogte is de afstand van een hoekpunt tot de overstaande
zijde.
Voorbeeld: de hoogte is d(A,BC) = |AV |
Definitie De bissectrice van een hoek is de rechte
door het hoekpunt die de hoek in twee gelijke hoeken verdeelt.
Constructie van
een bissectrice
|
|
1.
Zet de passerpunt in punt A en construeer met dezelfde willekeurige |
|
|
2.
Zet de passerpunt in punt P en teken met een straal langer dan de |
|
|
3.
Zet de passerpunt in punt Q en teken met eenzelfde straal een |
|
|
4.
Trek rechte AR.
Dit is de bissectrice van Â. |

Een straal van een cirkel is de lengte
van het lijnstuk bepaald door het middelpunt en een punt van de cirkel.
|MS| is de straal.
Een koorde van een cirkel is een
lijnstuk bepaald door twee verschillende punten van de cirkel.
[CD] is een koorde.
Een middellijn van een cirkel is een
rechte door het middelpunt van de cirkel.
m is een
middellijn.
De diameter is de lengte van een koorde
door het middelpunt.
|AB| is de diameter.
Opmerking: de diameter is het dubbele van de straal.
Een middelpuntshoek van een cirkel is
een hoek met als hoekpunt het middelpunt van de cirkel.
Ô is een middelpuntshoek.
Een omtrekshoek van een cirkel is een
hoek met als hoekpunt een punt van de cirkel en de benen snijden de cirkel.
Ŷ is een
omtrekshoek.
15.1 Hoek (per 1)
|
|
Nulhoek: een nulhoek is een hoek van 0°. |
|
|
Scherpe hoek: een
scherpe hoek is een hoek die groter is dan 0° en
kleiner dan 90°. |
|
|
Rechte hoek: een rechte
hoek is een hoek van 90°. |
|
|
Stompe hoek: een stompe hoek is een hoek die groter is
dan 90° en kleiner dan 180°. |
|
|
Gestrekte hoek: een gestrekte hoek is een hoek van
180°. |
|
|
Concave hoek: een concave hoek is een hoek die
groter is dan 180°. Dit noem je ook een inspringende hoek. |
|
|
Overstaande
hoeken:
overstaande hoeken zijn twee hoeken waarvan de
benen in elkaars verlengde liggen. Opmerking : overstaande
hoeken zijn gelijk Â1 en
Â3 zijn overstaande hoeken. |
|
|
Aanliggende hoeken: aanliggende hoeken zijn twee hoeken
met een gemeenschappelijk
been (en een gemeenschappelijk
hoekpunt). Het gemeenschappelijk been ligt
tussen de twee
andere benen. Â1 en Â2 zijn
aanliggende hoeken. |
|
|
Nevenhoeken: nevenhoeken zijn aanliggende hoeken
waarvan de som 180° is. Â1 en Â2 zijn
nevenhoeken. |
|
|
Complementaire hoeken: complementaire hoeken zijn twee
hoeken waarvan de som 90° is. Â
en Ê zijn
complementaire hoeken of Â
is het complement
van Ê of Ê is het complement van  |
|
|
Supplementaire hoeken: zijn twee hoeken waarvan de som 180° is. Opmerking:
nevenhoeken zijn een bijzonder geval van supplementaire hoeken. Â en Ê zijn supplementaire
hoeken of  is het supplement van Ê of Ê is het supplement van  |
Gegeven: hoek Ô

O
Gevraagd: Teken met behulp van een passer en lat een
hoek die even groot is als Ô.
Werkwijze:
1. Teken 1 been
van de nieuwe hoek. Noem het nieuwe hoekpunt M.
2. Zet passerpunt
in hoekpunt O en trek een boogje dat de 2 benen snijdt
Noem deze
snijpunten X en Y
3. Behoud de
passeropening en zet de passerpunt in het nieuwe hoekpunt en trek een boogje
dat het nieuwe been snijdt Noem dit snijpunt K
4. Pas met je passer de lengte van
[XY] af.
5. Zet de
passerpunt in K en trek een boogje dat het andere boogje snijdt.
Snijpunt noem je L
6. Teken [ML,
dit is het tweede been van de hoek.
Vlakke
figuren
|
Omtrek O |
Oppervlakte S |
|
Driehoek h b |
O = som
van de zijden |
|
|
Trapezium b h B |
O = som
van de zijden |
|
|
Parallellogram
s h b |
O = som
van de zijden = 2 × (sz + b) |
|
|
Rechthoek
b l |
O = 2 × (l + b) |
|