Franciscus van Assisi

Interreligieuze dialoog in de middeleeuwen
Franciscus van Assisi (1182-1226)

door André Janssen, o.f.m.


Interreligieuze dialoog was zeker niet vanzelfsprekend in de middeleeuwen en zeker niet in de periode van de kruistochten. Franciscus van Assisi heeft tijdens zijn korte leven niet minder dan drie kruistochten meegemaakt: de derde (1189-1192), de vierde (1202-1204) en de vijfde (1219-1221). Toen op 2 oktober 1187 Saladin Jeruzalem veroverde, werd in het Westen de kruistochtideologie weer tot haar hoogste niveau aange-zwengeld.

In die periode van verhoogd vijanddenken kiezen Franciscus en enkele broeders nochtans voor een heel andere richting. Zij nemen als uitgangspunt voor hun leven onder andere deze tekst uit het evangelie van Mattëus: 'Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen.' (16,24). Een zeer geladen tekst, want hij werd ook gebruikt als het kruis samen met het zwaard de kruisridders werd opgelegd bij hun kruistochtgelofte. Maar Franciscus en de broeders verbinden die tekst niet met het zwaard, maar met de vredeszending uit het evangelie van Lucas: 'Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen reiszak, geen brood, geen geld en geen extra kleren. (…) Als je bij iemand in huis komt, zeg dan eerst "Vrede aan dit huis"'. (hfdst. 9 en 10) Voor hen is deze weerloze armoede een voorwaarde om de evangelische vrede te kunnen verkondigen. En het kruis is voor hen een symbool van die weerloze armoede in plaats van een overwinningsteken.

Aanvankelijk gingen de broeders de evangelische vrede verkondigen in de middeleeuwse christelijke wereld, die verscheurd werd door talrijke onderlinge twisten tussen de steden, maar ook door het groeiend standenverschil dat ontstond door de beginnende geldeconomie. Maar ook de moslims, de vijanden bij uitstek, vallen volgens hen binnen die evangelische vrede. Hier laten zij een totaal andere stem horen binnen het georganiseerd vijanddenken en de georganiseerde diabolisering. Franciscus is bovendien zelf in 1219 naar de troepen van de christenen gegaan, die toen Damiate aan het belegeren waren. Daar heeft hij zelfs een ontmoeting met de belegerde sultan Melek El Khamel kunnen bewerkstelligen. Zijn optreden heeft wel niet geleid tot beëindiging van de kruistocht, maar hij heeft wel grote indruk gemaakt op de kruisvaarders. Het is niet toevallig dat de toenmalige leider van het kruistochtleger, Johannes van Brienne, later begraven wilde worden in franciscaanse habijt naast Franciscus in Assisi.

Uit de regel

Franciscus heeft duidelijk in zijn tijd een andere stem laten horen. De beste getuigenis daarvan is nog zijn regel, die hij later aan de broeders geeft en waarin hij beschrijft hoe zij zich moeten gedragen als zij 'naar de Saracenen of andere ongelovigen gaan'. Dit hoofdstuk begint met een tekst uit het evangelie: 'Zie, Ik zend jullie als schapen tussen wolven.' (Mt. 10,16) De klemtoon ligt hier niet op het woord 'wolven', maar op 'schapen'. De vraag is namelijk hoe je een eventueel agressieve vijand (wolf) benadert en tot vrede uitnodigt. Niet door zelf achterdochtig en tegen-agressief te zijn. Dan weerspiegel je maar zijn achterdocht en zijn agressiviteit. Dan zit je in de nabootsende rivaliteit (René Girard), die alleen maar leidt tot de vicieuze cirkel van steeds groter geweld. Franciscus vraagt een ander gedrag er tegenover te stellen en zachtmoedig te zijn zoals een lam en eenvoudig als duiven. Door zulk ander gedrag te tonen, een gedrag dat de achterdochtige ander zeker niet verwacht, schep je een soort tussenruimte tussen de ander en jou, een tussenruimte waarin de ander voor zichzelf ruimte krijgt om zijn eigen gedrag ook eens te bekijken in plaats van onmiddellijk emotioneel te reageren.

Die evangelische aansporing vertaalde hij in zeer concreet gedrag. Zo lezen we verder: 'De broeders nu die gaan, kunnen op twee manieren geestelijk onder hen leven. De ene manier is dat zij geen conflicten of woordenstrijd aangaan, maar ieder menselijk schepsel onderdanig zijn omwille van God en belijden dat ze christen zijn.' In deze zin wordt veel gezegd. Eerst iets over 'geestelijk onder hen leven'. Om de draagwijdte ervan te beseffen verwijzen we naar een andere tekst uit diezelfde regel, die de diepere zin van de franciscaanse armoede in het licht stelt: 'Overal waar broeders in kluizenarijen of andere plaatsen zijn, moeten zij ervoor uitkijken zich een plaats toe te eigenen of iemand die te ontzeggen. En wie er ook naar hen toekomt, vriend of tegenstander, dief of bandiet, moet vriendelijk ontvangen worden.' (7,13-14)

Franciscus wilde geen eigenaar zijn, omdat een eigenaar grenzen stelt en zo anderen kan buitensluiten. Eigendom splitst de mensen in hoger en lager, meer en minder. Wie geen eigenaar is, staat altijd op gelijke voet met iedereen, niet alleen met zwervers maar zelfs met dieven en rovers. Ik stel altijd dat in de beginperiode van de minderbroedersorde in die kleine verlaten schuurtjes er eventjes, gedurende één nacht, universele broederschap werd gesticht en gevierd. Die ervaring van universele broederschap moeten we ook horen achter de uitdrukking 'geestelijk onder hen leven'. Zich toe-eigenen is namelijk tegen de Geest, omdat het leidt tot splitsingen. De consequentie ervan tegenover andere culturen en godsdiensten is dan ook verregaand. Ook hier geen toe-eigenen! Dit betekent hier dat Franciscus zich zijn eigen identiteit als christen niet wil toeëigenen, d.i. hij wil ze niet verdedigen in een woordenstrijd, d.i. in een theologische discussie. (Zie 1Tim. 6,4) Dit is voor hem evangelische armoede, namelijk op weg gaan en niets meenemen, geen stok, geen reiszak, geen geld. Zijn identiteit is niet zijn bezit en daarom wil hij afzien van iedere vorm van verdedigen of ontzeggen. Zo kan hij ook verzaken aan gevoelens van meerwaarde. Hij hoeft zich ook niet op te stellen als de bezitter van dé waarheid. Hij laat de waarheid in het midden, hier in vele betekenissen van het woord. Hij laat ze als het ware in de tussenruimte staan. Zo ver gaat voor hem de evangelische armoede. Zo ver gaat voor hem de evangelische vrede.

Deze houding is nochtans geen verloochening van de eigen identiteit. Franciscus wil uitdrukkelijk dat de broeders hun identiteit bekend maken en zeggen dat ze christen zijn. Maar hierbij laat hij weer tussenruimte. Dit laatste gebeurt door 'ondergeschikt te zijn aan ieder menselijk schepsel' (1Petr. 2,13 ) Nadruk ligt op 'ieder', dat geldt dus ook voor moslims en andere ongelovigen. Geïnspireerd door de brief van Petrus vraagt hij de broeders uitdrukkelijk ook tussen de moslims te leven als een 'ondergeschikte'. Heel concreet werd dat uitgedrukt in dienende taken die zij op zich namen, waardoor ze trouwens levensonderhoud konden ontvangen. De geschapen tussenruimte wordt ingevuld met een gedrag dat eerbied uitdrukt en de waarde van de ander in het licht stelt. Zo laat het de ander met zijn eigen identiteit in zijn 'recht' en kan zulk gedrag de angst en achterdocht bij de ander neutraliseren.
We wijzen verder nog op de uitdrukking 'omwille van God'. Deze houding van evangelische armoede doet uiteindelijke recht aan God zelf. Het is dus niet zo maar een communicatieve strategie, maar het hoort bij het wezenlijke van God zelf. Bovendien wordt hier het gemeenschappelijke tussen christenen en moslims, het bindende tussen de twee partijen, in het licht gesteld. Er is enerzijds de tussenruimte die afstand houdt, maar anderzijds is er de band. In deze spanning kan misschien een verdere dialoog ontstaan.

Wat die verdere dialoog betreft, zegt Franciscus in de regel: 'De andere manier is dat zij, als ze zien dat dit de Heer behaagt, hun het woord van God verkondigen.' Verkondiging wordt dus niet uitgesloten, maar dit is geen menselijke beslissing. Uitdrukkelijk staat er: 'als ze zien dat dit de Heer behaagt'. Het is een verdere uitwerking van het vorige 'omwille van God'. Iedere menselijke toe-eigening, iedere machtswil, iedere veroveringsdrang, iedere angst en iedere verdedigingsreflex moeten uitgesloten blijven. Het gaat uiteindelijk om de Ene, en alleen Hij mag in de tussenruimte aanwezig zijn. Of beter, die Ene is zelf de tussenruimte.


Verdere literatuur:

Jan Hoeberichts, Franciscus en de islam, Van Gorcum, Assen, 1994.