Autisme en andere handicaps. |
|
|
 |
|
Frequent geassocieerde kenmerken
|
|
|
Er zijn echter andere kenmerken die vaak samen met autisme voorkomen.
Mentale handicap:
De meerderheid van kinderen met autisme hebben andere ontwikkelingsstoornissen die hun cognitief functioneren beïnvloeden. Zowat 55% heeft een ernstige mentale handicap, 25% heeft een licht mentale handicap. Slechts 20% is normaal begaafd.
Uit bepaalde studies van de laatste jaren blijkt dat de verhouding
normaal/minder begaafden nu bijna omgekeerd is. 75% van de mensen met
ASS zijn normaal of hoog begaafd. Mede het feit dat men nu vlugger
autisme gaat herkennen bij normaal/ of hoogbegaafde kinderen, heeft deze
ommekeer tot gevolg.
Taalstoornis:
Afwijkende en vertraagde ontwikkeling van grammatica en semantiek.
Reactie op zintuiglijke prikkels.
Vaak is er overgevoeligheid voor geluid, zeker bij jonge kinderen, en fascinatie door visuele prikkels zoals lichtstralen. Heel wat kinderen zijn ook schijnbaar ongevoelig voor pijn, warmte en koude.
Slaap-, eet- en drinkstoornissen.
Allerlei slaapstoornissen komen vaak voor, vooral in de vroege kinderjaren. Sommige kinderen eten alles, terwijl anderen zich beperken tot een dieet. Een aantal kinderen weigert zelfs gedurende periodes om vast voedsel tot zich te nemen.Excessief drinken is ook veel voorkomend.
Stemmingsstoornissen.
Stemmingsstoornissen komen heel frequent voor, en zijn meestal niet duidelijk gekoppeld aan externe gebeurtenissen.
Aandachtsstoornissen
Deze personen kunnen urenlang aandacht betonen voor iets wat hen fascineert, maar hun aandacht voor taken die hen niet boeien is zeer beperkt en/of fluctuerend.
Gedragsstoornissen.
Gedragsstoornissen zoals sociaal onaanvaardbaar toenaderingsgedrag, woede-aanvallen, agressie, destructief gedrag, gilbuien, weglopen, zelfverwonding enz…zijn vaak geassocieerd met pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Ze zijn vaak het gevolg van één of meer van volgende factoren:
- een beperkt begrijpen van sociale regels.
- Verwardheid en angst bij vreemde ervaringen.
- Interferentie met het repetitieve activiteitenpatroon
|
|
 |
1.Handicaps
|
 |
|
Hieronder vind je de meest
voorkomende kenmerken die samen met autisme kunnen voorkomen |
|
Epilepsie |
|
|
|
Alles wat een mens denkt en doet, wordt gestuurd door de hersenen.
Zonder die aansturing kan hij of zij zich niet bewegen, niet horen,
zien, ruiken of zelfs ademhalen. Hersenen bestaan uit miljarden
zenuwcellen die voortdurend boodschappen aan elkaar doorgeven. Dat
gebeurt via elektrische stroompjes (impulsen) en chemische stoffen
(neurotransmitters). Soms raakt dit systeem verstoord. Er treedt
'kortsluiting' op. Een epilepsieaanval is het gevolg van overmatige
elektrische aktiviteit in de hersenen, die het normale functioneren
tijdelijk verstoort. Deze functiestoornis uit zich dan in een aanval.
Pas wanneer iemand bij herhaling last heeft van dergelijke aanvallen kun
je zeggen dat hij of zij epilepsie heeft. De plaats in de hersenen waar
de storing begint, bepaalt wat voor soort aanval iemand krijgt.
Epilepsie komt vaak voor in combinatie met autisme, soms al van jongs af aan (bij veel van bovengenoemde syndromen).
Het kan ook in de puberteit pas beginnen. Soms blijft het beperkt tot een eenmalig epileptisch insult, maar vaak is het iets wat regelmatig terugkeert. Er zijn autistische kinderen die veel epileptische aanvallen hebben.
Ook zijn er kinderen die alleen absences hebben (het kan dan lijken of het autisme verergert, omdat het kind zich meer in zichzelf terugtrekt, terwijl het om absences gaat).
Soms krijgen kinderen medicatie voor de epilepsie (depakine); ouders merken wel op dat het autistische gedrag daardoor versterkt lijkt te worden.
Ook geven ouders soms aan dat in de aanloopfase naar een epileptische aanval, bij het opbouwen van de epileptische spanning het kind zich meer autistisch gedraagt. |
|
|
|
|
Ontwikkelingsdyspraxie |
|
|
|
|
Zoals het woord al aangeeft komt het neer op een stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van spieren en spiergroepen..
Het bewegingspatroon ligt bij deze kinderen op een voor de leeftijd te laag niveau. Eigenlijk zou je dus verwachten dat ze voor de leeftijd die ze hebben meer kunnen.
De schattingen over het voorkomen van deze omstandigheid zijn héél hoog. Uit de recente literatuur wordt regelmatig een percentage genoemd van zo’n 15% van alle kinderen.
Er is verder een zeer grote heterogeniteit wat wil zeggen dat er bij allerlei kinderen uiteenlopende problemen worden gevonden.
Wat precies de oorzaak is, is nog moeilijk te zeggen.
Een aantal dingen staat wel vast. Zo worden er bij onhandige kinderen relatief veel meer schrijf-en leerstoornissen gevonden dan bij “normale kinderen”. De leerproblemen worden deels veroorzaakt door motoriek, deels door leerproblemen in engere zin.
Het blijkt dat bij 50 % van de kinderen met DCD ook aandachtsproblemen worden gevonden. |
|
|
|
|
Dysfasie
|
|
|
Taalstoornis.
Met het letterlijk begrijpen van de taal en woordvinding problemen. |
|
|
|
|
Dyslexie
|
|
|
|
Dyslectische mensen nemen nieuwe informatie (klanken, woorden, tekst) langzamer in zich op dan anderen.
Dat heeft niks te maken met hun intelligentie.
Zij begrijpen dingen net zo goed als een ander en soms nog beter ook.
Veel bedrijfseigenaren en uitvinders zijn dyslectisch. Een op de twintig mensen heeft dyslexie.
Dyslexie is vooral merkbaar bij het lezen. Lezende hersens moeten snel veel letters verwerken. Het lukt vaak niet om de tekst dan ook nog te begrijpen. Bij het hardop lezen of schrijven gaat het vaak al helemaal mis.
|
| |
|
|
| |
NLD
De 'Onbekende' leerstoornis
|
|
| |
|
|
|
De non-verbale leerstoornis is in Nederland en België vrij onbekend, terwijl naar schatting vijf procent van van de leerlingen op gewone basisscholen en tien procent van leerlingen in het speciaal onderwijs in meer of mindere mate NLD hebben.
De kinderen lopen achter met rekenen en begrijpend lezen, terwijl het lezen zelf en spellen juist prima gaan.
Kinderen met een non-verbale leerstoornis (NLD) hebben een sterke voorkeur voor informatie die ze kunnen horen en (na)vertellen. Het aloude 'voorzingen' van de tafels door de juf werkte bij hen prima; leren uit een boek met veel plaatjes of via een druk computerscherm vinden ze lastig. Ze zijn gericht op details en missen het grotere verband. Nieuwe dingen zijn daardoor beangstigend. Ze kunnen sociaal onhandig zijn omdat ze non-verbale signalen niet begrijpen. In Amerika en Canada is NLD even bekend als dyslexie en hebben basisscholen inmiddels aangepaste lesprogramma's ontwikkeld voor deze kinderen.
NLD is aan te tonen met een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek. Zo'n onderzoek is echter tijdrovend en kostbaar. Inmiddels heeft kinderneuropsychologe drs. Annemaaike Serlier-van den Bergh een screeningsmethode om kinderen met een verhoogd risico op NLD eenvoudig op te sporen ontwikkeld. Wanneer een kind op school duidelijk slechter scoort in rekenen dan in spelling en technisch lezen, beantwoorden ouders en docent een veertigtal vragen zoals 'heeft het kind moeite met het begrijpen van oorzaakgevolg relaties?', 'stopte uw kind als baby alles in de mond?' en 'toont het kind enthousiasme voor nieuwe dingen?' De antwoorden geven een goed inzicht in hoeveel kenmerken van NLD een kind vertoont. Alleen bij kinderen met een hoog risico kan vervolgens het neuropsychologisch onderzoek volgen.
Karakteristieken van NLD
Meestal gaat NLD gepaard met andere stoornissen. Dit maakt dat de onderkenning van NLD soms problematisch kan verlopen en daarom specialistenwerk is.
Bedenk ook dat we allemaal wel eens last hebben van één of meer van de hieronder genoemde problemen. Dan hoeft er nog geen sprake te zijn van het NLD-syndroom. Bij een syndroom gaat het om een aantal bij elkaar behorende verschijnselen die tegelijk optreden en de normale ontwikkeling verstoren of belemmeren. NLD is een syndroom dat beschreven wordt in de neuropsychologie.
Navolgend zijn de karakteristieken van NLD weergegeven (ontleend aan het boek "the Source for Nonverbal Learning disorders" van Sue Thompson uitgeverij Linguisystems ISBN 0-7606-0163-1).
Een NLD-er heeft de meeste van deze eigenschappen in meer of mindere mate.
1. Het performale IQ is significant lager dan het verbale IQ
2. Vroege spraak en vocabulaire ontwikkeling
3. Opmerkelijk geheugen
4. Sterk oog voor details
5. Vroege leesontwikkeling, uitstekende spelling bekwaamheden
6. Welsprekend
7. Coördinatie problemen
8. Grote evenwichtsproblemen
9. Problemen met de fijne motoriek
10. Gebrekkig visueel geheugen
11. Slecht ruimtelijk inzicht
12. Ontbrekende vaardigheid om nonverbale communicatie te begrijpen
13. Moeite met verandering en nieuwe situaties
14. Significante defecten in sociale intelligentie en interactie
De drie kern probleemgebieden van NLD zijn:
a. Motorische problemen
b. Visueel, Ruimtelijk en organisatorische problemen
C. Sociale problemen
Engelse site |
| |
|
|
|
Down syndroom
|
|
|
|
|
|
Vaak wordt beweerd dat autisme heel zelden zou voorkomen bij mensen met het syndroom van Down. Door velen worden zij helaas nog steeds mongooltjes of mongoloïde; genoemd, omwille van de typische gelaatskenmerken van personen met dit syndroom.
Uit een recent onderzoek van de Nederlander Dr D.W. Kraijer, klinisch psycholoog en orthopedagoog, blijkt echter dat de combinatie autisme- en syndroom van Down veel vaker voorkomt dan me tot nu toe dacht.
Hij stelde vast dat bij ongeveer 6% van deze kinderen de diagnose autisme kon gesteld worden. Volgens Kraijer is het zo dat als mensen met het syndroom van Down autisme vertonen, het meestal om een betrekkelijk milde vorm gaat. Literatuurgegevens: Krayer, Pervasieve ontwikkelingsstoornissen bij mensen met het syndroom van Down. NTZ (21),nr3,164-178 |
|
 |
2.Gedragstoornissen
|
 |
|
Hier verdeel ik de gedragstoornissen in drie groepen:
-ADHD
-ODD (Oppositioneel opstandig gedrag)
-CD (gedragstoornis)
|
|
|
|
|
|
|
ADHD
|
|
|
|
aandacht tekort stoornis met hyperactiviteit
ADHD kan men verdelen in drie groepen:
-Aandacht tekort
Kinderen
met ADHD kunnen het moeilijk volhouden om hun aandacht op een taak te
richten, die aandacht vast te houden en zich niet door allerlei prikkels
te laten afleiden. Met 'prikkels' bedoelen we alles wat met de zintuigen
wordt waargenomen: alles wat we zien, horen, voelen, proeven en ruiken.
Kinderen met ADHD zijn minder goed in staat de onbelangrijke prikkels
naar de achtergrond van hun bewustzijn te dringen
-Hyperactiviteit
Kinderen met ADHD zijn, vooral op jonge leeftijd, voortdurend in
beweging. Ze hollen de hele dag en kunnen nauwelijks op hun plaats
blijven zitten. Ze zijn snel opgewonden en gauw gefrustreerd. De
kinderen voelen zelf vaak een grote onrust van binnen. Stil zitten en
rustig zijn vraagt van hen ongewoon veel energie.
Naarmate ze ouder worden, staat de hyperactiviteit minder op de
voorgrond. Er is dan meer sprake van 'kleine hyperactiviteit':
friemelen, wiebelen,draaien etc.
-Impulsiviteit
Kinderen
met ADHD zijn vaak heel impulsief. Ze geven antwoord voor ze de vraag
goed hebben gehoord of gelezen. Ze lopen zomaar van hun stoel. Ze
verkopen anderen een dreun voor ze het zelf in de gaten hebben. Ze doen,
kortom, voor ze nadenken over de gevolgen. Het ontbreekt hen als het
ware aan een innerlijke controle die de remfunctie van hun gedrag
regelt. Dat maakt het voor hen heel moeilijk om hun gedrag te plannen en
te organiseren |
|
|
|
|
|
|
ODD
|
|
|
|
Oppositioneel opstandig gedrag
OPPOSITIONAL DEFIANT
DISORDER (ODD) of Oppositioneel - opstandige gedragsstoornis. D.S.M.-IV
criteria: Een patroon met negativistisch, vijandig en openlijk
ongehoorzaam gedrag met een duur van ten minste zes maanden waarin vier
(of meer) van de volgende aanwezig zijn:
1. is vaak driftig
2. maakt vaak ruzie met volwassenen
3. is vaak opstandig of weigert zich te voegen naar verzoeken of regels
van volwassenen
4. ergert vaak met opzet anderen
5. geeft anderen vaak de schuld van eigen fouten of gedrag
6. is vaak prikkelbaar of ergert zich
7. is vaak boos en gepikeerd
8. is vaak hatelijk en wraakzuchtig
De gedragsstoornis
veroorzaakt beperkingen in het sociale, school - of beroepsmatige
functioneren.
Kinderen met ODD zijn dus
vaak tegen de draad in, hebben weinig geduld, lappen regels aan hun
laars of gaan er oeverloos over in discussie. Vaak vloeken ze en
gebruiken grove taal
|
|
|
|
|
|
|
CD
|
|
|
|
Gedragstoornis
CONDUCT
DISORDER (CD) of (Agressieve) Gedragsstoornis. D.S.M.-IV criteria: Net
als kinderen met een ODD zijn kinderen met een CD vaak opstandig en
ongehoorzaam. Hiernaast een zich herhalend en aanhouden gedragspatroon
waarbij de grondrechten van anderen of belangrijke bij de leeftijd
behorende sociale normen of regels worden overtreden, zoals
bijvoorbeeld: Liegen, pesten, intimideren, vechten, mishandelen (met
onder andere wapen) van mensen en dieren, stelen, eigendommen van
anderen vernielen, brand stichten, inbreken, weglopen van huis, blijft
‘s nachts weg en spijbelt. Van deze criteria dienen er drie of meer
aanwezig te zijn en dient de gedragsstoornis beperkingen in het sociale,
school - of beroepsmatige functioneren te veroorzaken
|
|
|
|
|
|
|
Zelfverwondingsgedrag:
|
|
|
|
|
|
Op 5 personen met autisme zijn er minstens 2, die zelfverwongingsgedrag (ZVG) vertonen. Zelfverwonding is niet ‘ autismespecifiek’:
Niet alle personen met autisme vertonen dit gedrag
wanneer zelfverwonding voorkomt moet niet meteen aan autisme gedacht worden
In die zin is zelfverwondingsgedrag dus te vergelijken met andere ‘non- specifieke’ problemen zoals zindelijkheids-, eet-, slaapproblemen, enz.
|
|
|
|
|
|
|
Gilles de la Tourette
|
|
|
|
|
|
De aandoening werd in de 19de eeuw beschreven door de Franse psychiater Georges Gilles de la Tourette.
Onder een tic verstaan we een korte beweging die geen bewust doel heeft. Tics kunnen in het gezicht voorkomen als bepaalde grimassen of trekkingen. Deze kom je het meest tegen. Andere hebben plotse bewegingen in hun schouders of armen. Ook langs de neus wrijven, in de handen klappen, huppelen en seksueel getinte gebaren horen
daar toe.
De heftigheid waarmee het voorkomt is erg wisselend. Zowel in de intensiteit als in de frequentie van optreden kom je die verschillen tegen. Er zijn ook tics waarbij geluiden worden gemaakt. Dat zijn dan bepaalde kuch – of snurk geluiden, neusophalen en cetera.
Ook kunnen er tics zijn waarbij er bepaalde woorden of zinnen worden gezegd, soms met schuttingtaal of met zomaar niet ter zake doende woorden.
De tics kunnen door het kind nogal eens in zekere mate worden onderdrukt op plaatsen waar dat niet gepast is, om in een vertrouwde omgeving in alle hevigheid terug te komen.
Ticstoornissen gaan vaak vergezeld van andere stoornissen die erger zijn dan de tic op zichzelf. Bij het syndroom van Gilles de la Tourette worden bij ongeveer de helft van de kinderen ook hyperactiviteit en concentratiestoornissen gezien. Anderzijds is het zo dat tics bij kinderen met adhd weinig voorkomen.
Het syndroom van Gilles de la Tourette is een dominant erfelijke aandoening,waarbij niet iedereen op een zelfde wijze de beschreven verschijnselen laat zien.(Bij een dominant erfelijke afwijking heb je 50% kans om de afwijking aan je kinderen door te geven)
Bij de behandeling speelt gedragstherapie, al of niet in combinatie met medicijnen,een essentiële rol. Straffen of belachelijk maken van kinderen met tics heeft geen enkel effect, zeker niet omdat door spanning de intensiteit en frequentie van de tic kan toenemen |
|
|
|
|