|
|
DE
VOERTUIGSCHADE © |
|
Alle
met *
gemarkeerde woorden kan men met hun verklaring terugvinden
in de Woordenlijst |
BETWISTINGEN
OMTRENT DE VOERTUIGSCHADE
+
vragen
van leden m.b.t. voertuigschade &
vergoeding |
Noten
vooraf:
a.
om te weten of u wel recht heeft
op vergoeding van uw voertuigschade: zie Gevallen
van vergoedbaarheid van voertuigschade
b.
wie volledige vergoeding voor de
voertuigschade wil bekomen moet in vele gevallen het voertuig
bewaren totdat een tegensprekelijke expertise is doorgegaan
- zie Tips
na een ongeval , nr. 1 (vooral 1.3)
c.
Gaat
het om een omnium verzekerd voertuig, zie dan tevens omniumverzekering
(zijnde Vergoedingen,
nr. 5.4).
|
a.
Totaal
verlies
1.
Vaak zal uw auto, motorfiets, fiets,... te erg beschadigd
zijn om nog te kunnen worden hersteld. Er bestaan twee soorten
van totaal verlies:
a.
wanneer het voertuig onmogelijk nog in een voldoende goede
staat kan worden hersteld spreekt men van een technisch
totaal verlies;
b.
indien het om financiële redenen niet meer verantwoord
is de herstellingen te laten uitvoeren, dan spreekt men
van een economisch totaal verlies.
Deze
tweede vorm van totaal verlies komt begrijpelijkerwijze
veruit het meest voor in de praktijk. Vaak is het technisch
nog mogelijk het voertuig te herstellen maar is dit niet
aangewezen volgens het gezond verstand. De bepalende factoren
daarvoor zijn vooral de herstellingskosten , de vervangingswaarde
* en de wrakwaarde * (zie de bespreking van deze begrippen
verder onder nr. 5).
De experts van de verzekeringsmaatschappij maken doorgaans
een brute berekening om te beslissen of het gaat om een economisch
totaal verlies, nl. : als de herstellingskosten hoger belopen
dan het bedrag van de waarde vóór ongeval verminderd
met de wrakwaarde. Als de herstellingskosten bvb. 8.000 €
(meer B.T.W.) belopen, en als de vervangingswaarde
wordt geraamd op 10.000 €, dan zal de voertuigexpert
beslissen tot een (economisch) totaal verlies van zodra hij
voor het wrak een bod ontvangt van meer dan (10.000 - 8.000
=) 2.000 €. Want dan valt totaal verlies en dus vervanging
van het voertuig goedkoper uit dan herstelling.
De
wrakwaarde
is in de praktijk de hoogste prijs die voor de restanten wordt
bekomen.
Let
op: in de meeste gevallen is de voertuigexpert die de door
u geleden autoschade beoordeelt en raamt in werkelijkheid
aangesteld door de verzekeringsmaatschappij die de vergoeding
moet betalen aan u; deze expert is dus zeker niet onpartijdig!
Zie
verder onder
d. !
De
rechtspraak neemt bij twijfel of het al dan niet gaat om een
(economisch of technisch) totaal verlies vaak argumenten aan
die steunen op de redelijkheid en de billijkheid. Gaat
het bijvoorbeeld om een man van 80 jaar die nog een paar jaar
met zijn autootje wil rijden, om een old timer, of dergelijke
meer, dan zal men moeilijker totaal verlies toestaan.
Wanneer
de verzekeringsexpert besluit tot een totaal verlies, terwijl
uzelf herstelling verkiest, kan het toch aangeraden zijn
dat u de duiding totaal verlies niet aanvecht (en omgekeerd):
zie hieronder nr 4, opmerking 2.
2.
Bij totaal verlies van het voertuig (om technische
of economische overwegingen) is de schadelijder gerechtigd
op de volgende vergoedingen (aan de hand van een vrij willekeurig
voorbeeld):
- vervangingswaarde*
(“waarde vóór ongeval”):
10.000,00 €
-
21 % B.T.W.
op dit bedrag: 2.100,00 €
-
min de wrakprijs (reeds aan u betaald door de wrakopkoper):
- 2.100,00 €
-
belasting op de inverkeersstelling (B.I.V.):
123,95 €
-
sleepkosten volgens factuur (B.T.W. inbegrepen): 150,00
€
-
gebruiksdervingsvergoeding
(ook "onbruikbaarheidsvergoeding" of "stilligschade"
genoemd), nl.:
-
wachttijd*, zijnde het aantal dagen
waarin de benadeelde in het ongewisse is gebleven over
de duiding totaal verlies, aan 800
fr. of juister 20€ per dag, dus 10 dagen
wachttijd x 20€: 200
€
-
vervangings- of mutatieduur
: 30 dagen x 20 €=:
600 €
-
admistratie-, correspondentie-, telefoon- en aanverwante
kosten, naar billijkheid: 70,00
€
-----------------
-
totaal in hoofdsom: 11.143,95 €
-
de vergoedende intrest (doorgaans aan de wettelijke rentevoet*,
thans 3,75 %, of soms aan 5 %), vanaf de dag van het ongeval
tot de dag van de daadwerkelijke betaling; bvb. betaling
na een half jaar : 392 €
-----------------
-
totaal op de dag van de betaling: 11.535,95
€
-
bovendien nog de eventuele kosten voor de financiering van
het voertuig en mogelijks andere schadeposten.
Deze
diverse schadeposten worden verder uitgebreid besproken onder
nr. 5 e.v. "
Enkele bijzondere
schadeposten
".
Voor
alle duidelijkheid: voormelde wrakprijs t.b.v. 2.100 €
wordt aan de schadelijder uitbetaald door de wrakopkoper,
zodat zij niet meer in rekening kan worden gebracht tegenover
de aansprakelijke (dus tegenover de B.A.-verzekeraar*) - zie
hierna nr. 5.3.
Is
er een verzekering eigen schade, zie dan bovendien
Omniumverzekering.
|
b.
De herstelling van het voertuig
|
3.
Wordt het voertuig herstelbaar geacht (en dus niet als een
totaal verlies beschouwd), dan heeft de benadeelde recht op
de volgende vergoedingen :
-
herstellingsprijs: 10.000,00 €
-
21 % B.T.W. op dit bedrag: 2.100,00
€
-
sleepkosten: 150,00 €
- vergoeding
van de gebruiksderving
, nl.:
-
wachttijd van 10 dagen x 20 €=
200 €
-
herstellingsduur (zijnde het aantal kalenderdagen nodig
om het voertuig terug te herstellen) van 8 dagen x 20
€=: 160 €
-
admistratie-, correspondentie-, telefoon- en aanverwante
kosten, naar billijkheid: 70,00 €
-----------------
-
totaal in hoofdsom: 12.680 €
-
de vergoedende interest (aan de wettelijke rente *, of soms
aan 5 %), vanaf de dag van het ongeval tot de dag van de
daadwerkelijke betaling; bvb. betaling na een half jaar:
443,69 €
----------------
-
totaal verschuldigd op de dag van de betaling: 13.120,63
€
4.
Opmerking 1 : de benadeelde kan vragen dat zijn auto zo
goed mogelijk terug in de vroegere staat wordt hersteld; hij
dient dan ook niet in te stemmen met het gebruik van minder
degelijke piratenonderdelen, en nog minder met het oplappen
i.p.v. het degelijk herstellen.
Opmerking
2 : volgens de berekening hierboven onder nr. 2 bekomt u bij
totaal verlies slechts een vergoeding
van 11.597,95 €. U
ontvangt dan wel bovendien 2.100 €
van de wrakkoper, hetzij in totaal 13.697,95
€, maar daartegenover staat natuurlijk dat u bij herstelling
eveneens uw voertuig mag behouden.
Opmerking
3: zowel bij totaal verlies als bij herstelbaarheid van het
voertuig heeft de benadeelde het volste recht om zijn wagen
te verkopen
(zie ook verder nr. 5.3); ook dan behoudt hij het recht
op volledige vergoeding, B.T.W. inbegrepen.
Opmerking
4: als uw fiets werd beschadigd gelden grosso
modo dezelfde principes; ook dan heeft u recht 1° op een
degelijke herstelling ofwel op de werkelijke vervangingswaarde,
2° op een zekere vergoeding voor gebruiksderving (aan
5 € per dag) en voor bewaring (stalling), en 3° op
vergoeding van de administratiekosten. Bij betwisting over
de herstellingsprijs of de vervangingswaarde van de fiets
zal ook hier normalerwijze een tegensprekelijke expertise
moeten doorgaan (zie hierover verder nr. 13 e.v.)
Opmerking
5: de KEUZE tussen totaal verlies dan wel herstelbaarheid
ligt in eerste instantie niet bij u maar
wel bij de vergoedingsplichtige, dus bij de B.A.-verzekeraar.
Deze mag dus de goedkoopste van de 2 oplossingen kiezen. Maar
kiest hij voor totaal verlies, dan moet hij ook de bijkomende
schadeposten vergoeden, zoals bvb. de B.I.V. en de mutatieduurvergoeding
(van in principe 15 dagen x 20 euro).
En
dat u persoonlijk na de duiding totaal verlies toch tot herstelling
overgaat is uw volste recht.
Art.
83 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst,
afgekort “W.L.O.” : “De benadeelde beschikt
vrij over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding.
Het bedrag van de schadevergoeding mag niet verschillen naar
gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken”.
Dus
ongeacht of een benadeelde zijn beschadigde wagen al dan niet
niet laat herstellen noch vervangt door een ander voertuig,
hij behoudt het recht op dezelfde schadevergoeding, ook wat
de B.T.W. betreft. De verzekeringsmaatschappij mag dus aan
u niet vragen of u het beschadigde voertuig wel heeft vervangen
of hersteld; dit is immers van geen belang.
Zie
ook hierna onder nr. 5.3, laatste gedachtestreep, en wat de
BTW betreft hierna onder nr 6.1. |
c.
De
belangrijkste schadeposten
Overzicht:
|
|
5.
De
vervangingswaarde (en de wrakwaarde) autoschade
5.1 Wanneer het om technische of economische redenen niet
verantwoord is het voertuig te herstellen, is er sprake van
totaal verlies (zie
hoger nr. 1). In dit geval dienen de vervangingswaarde
en de wrakwaarde te worden bepaald.
5.2 De verzekeringsdeskundigen spreken niet van vervangingswaarde
maar van “waarde voor ongeval”;
zij bedoelen daarmee dat deze waarde hoofdzakelijk wordt bepaald
door een forfaitair afschrijvingspercentage op de aankoopprijs
en door de prijzen voor gelijkaardige wagens op de tweedehandsmarkt.
Bij een dergelijke berekening van de vervangingswaarde gaan
de verzekeringsexperts regelmatig uit van nadelige en dus
onaanvaardbare uitgangspunten:
a.
deze expert vertrekt meestal van de werkelijke aankoopprijs
na aftrek van de genoten korting; vaak kan de benadeelde
echter niet meer een dergelijke korting genieten en moet
hij in werkelijkheid een hogere prijs betalen voor een soortgelijk
nieuw voertuig;
b.
het toegepaste afschrijvingspercentage blijkt vaak hoger
te liggen dan redelijk is, zodat uiteraard het eindresultaat
negatief uitvalt;
c.
bij de vergelijking met de prijzen geldend op de tweedehands
markt wordt er geen rekening mee gehouden dat vele tweedehandse
auto’s in slechte staat verkeren en zelfs beschadigd
zijn, terwijl uw voertuig op de dag van het ongeval integendeel
in goede staat van onderhoud en bewaring verkeerde en dus
een merkelijk hogere waarde had dan de gemiddelde prijs
op de tweedehandsmarkt; bovendien vragen de experten van
de verzekeringsmaatschappij vaak aan enkele professionele
opkopers van tweedehandse wagens welke prijs zij zouden
willen betalen voor een dergelijk voertuig, terwijl niet
deze aankoopprijs maar wel hun (hogere) verkoopprijs
voor u van tel is;
d.
soms zwaait de verzekeringsexpert met een “officiële”
uitgave van gemiddelde prijzen op de tweedehandsmarkt, maar
ook deze gemiddelden liggen om dezelfde redenen te laag.
U kan daarentegen vergoeding eisen overeenkomstig
de correct berekende werkelijke vervangingswaarde. Het juiste
criterium om de vervangingswaarde (door
de verzekeringsdeskundigen steevast "waarde voor ongeval"
genoemd) te bepalen kan
worden beschreven als volgt:
wat
is de gebruikswaarde, zijnde de waarde bepaald vanuit het
standpunt van de gebruiker, die zijn voertuig heeft aangekocht
volgens zijn behoeften en wensen, die het degelijk heeft onderhouden
en bewaard, en die de volledige voorgeschiedenis van het voertuig
kent ? De vervangingswaarde is m.a.w. de geldsom die
noodzakelijk dient te worden uitgegeven voor de aanschaf van
een volledig gelijkaardig voertuig, dus van hetzelfde merk
en type, en met dezelfde waarborgen, ouderdom, afgelegde afstand,
eigenschappen, toebehoren, en staat van onderhoud en van bewaring.
De cataloguswaarde volgens bepaalde
boekjes, de handelswaarde op de tweedehands markt en de
aankoopprijs leveren derhalve slechts in beperkte mate een
aanwijzing op voor de werkelijke gebruikswaarde van de wagen
op de dag van het ongeval. Dit is zeker zo indien uw voertuig
goed onderhouden is en/of weinig km. heeft afgelegd.
Zie ook "vragen
van leden
", o.a. betreffende de berekening van de vervangingswaarde.
5.3 De wrakwaarde, de beste verkoopprijs
voor de restanten, zal in de meeste gevallen worden bepaald
door toedoen van de voertuigexpert van de verzekeringsmaatschappij.
Deze deskundige zal in de praktijk meerdere professionele
wrakopkopers contacteren met de vraag om binnen een zekere
termijn (bvb. 1 maand) schriftelijk een bod uit te brengen
op het wrak; na deze termijn wordt het wrak toegewezen aan
de hoogste bieder. Het hoogste bod is de wrakwaarde.
Maar u is en blijft eigenaar van het voertuig / wrak tot
aan de verkoop ervan. U heeft dus bepaalde verplichtingen.Van
zodra u het hoogste bod vernomen heeft, moet u deze hoogste
bieder verzoeken het wrak af te halen; doe dit bij voorkeur
per aangetekende brief of per fax, met opgave van de plaats
van afhaling en van de wijze waarop de wrakprijs aan u kan
worden betaald.
Mogelijke
verwikkelingen:
-
de voertuigexpert laat alles maar aanmodderen of hij handelt
niet correct; dan: hem contacteren en tevens uw makelaar
of uw B.A.-verzekeraar (en/of uw rechtsbijstandverzekeraar)
verwittigen; zo nodig: de expert aangetekend aanmanen;
-
eerst is sprake van herstelling van uw auto, maar opeens
wordt een zeer hoog wrakbod kenbaar gemaakt waardoor tot
economisch totaal verlies* moet worden besloten; deze situatie
biedt het voordeel dat u een hogere vergoeding kan bekomen
voor de gebruiksderving, die immers loopt totdat u weet
dat uw auto onherstelbaar is, meer de vervangingsduur (zie
nr 7 hierna);
-
de wrakopkoper die het hoogste bod heeft ingediend wordt
door u gecontacteerd, maar hij daagt niet op binnen de week;
dan: hem per aangetekende brief aanmanen + de voertuigexpert
verwittigen; let op: wanneer de garage kosten voor de stalling
aanrekent zal u deze mogelijks slechts gedeeltelijk kunnen
recupereren, want de schadeveroorzaker en diens B.A.-verzekeraar
moeten enkel de schade vergoeden die redelijkerwijze als
een gevolg van het ongeval kan worden aangenomen;
-
de wrakopkoper heeft het wrak meegenomen zonder te betalen;
u is onvoorzichtig geweest; zorg ervoor dat ten laatste
bij de afhaling wordt betaald aan uzelf of aan een gevolmachtigde
(bvb. de garagist bij wie het wrak staat);
-
u vindt een hoger wrakbod dan dit vanwege de verzekeringsexpert
of u verkiest het wrak niet te verkopen (maar gedeeltelijk
of geheel zelf te gebruiken, bvb. voor herstelling): u is
en blijft eigenaar van het wrak, en u beslist dus zelf of
u het verkoopt en zo ja aan wie - zie ook hierboven onder
nr. 4, opmerking 5.
5.4
Hoe moet de wrakprijs worden afgetrokken van de vervangingswaarde?
Eerst
moet de vervangingswaarde (zie hierboven nr 5.2), inclusief
de verschuldigde BTW (zie hieronder nr 6), worden bepaald.
Deze waarde, bvb. 12.100 euro (BTW inbegrepen), wordt vanaf
de dag van het ongeval vermeerderd met vergoedende intrest,
die doorgaans aan de wettelijke rentevoet wordt bepaald.
Omdat
u het wrak behoudt (en dus kan verkopen) wordt de prijs ervoor
of juister de waarde van dit wrak afgetrokken. De af te trekken
wrakprijs mag niet worden verhoogd met BTW,
omdat uzelf als schadelijder geen enkel baat heeft bij deze
BTW (het principe van de zogenaamde "voordeeltoerekening"
speelt hier); overigens wordt het wrak meestal opgekocht door
een handelaar, die de BTW uiteindelijk niet moet dragen. De
(negatieve) intrest op de af te trekken wrakprijs kan trouwens
maar beginnen vanaf de dag waarop u de betaling van deze wrakprijs
heeft ontvangen; maar meestal wordt gemakshalve hier eveneens
de dag van het ongeval aangenomen.
Een
praktisch voorbeeld (zie ook het meer gedetailleerde voorbeeld
hierboven onder nr. 2 Totaal
verlies):
a)
vervangingswaarde t.b.v. 10.000 meer BTW erop (21%): 12.100
€
meer
intrest vanaf datum ongeval, bvb. 430 €
b)
meer sleepkosten, B.I.V., gebruiksdervingsvergoeding, administratie-
en aanverwante kosten, en zo meer, bvb. samen t.b.v.: 600
€
c)
totaal (a+b): 13.130
€
d)
min de wrakprijs: - 1.000
€
meer
(negatieve) intrest vanaf datum verkoop, bvb. -
30 €
e)
te betalen aan u:
12.100 €
Of vereenvoudigd:
a.
voertuigschade tbv 12100 + 600 - 1000 €: 11.700
€
b. meer vergoedende intrest vanaf datum ongeval : 385
€
c. te betalen aan u: 12.085 €
6. De B.T.W.
autoschade schade aan voertuig
6.1 In principe is de schadeveroorzaker niet alleen het bedrag
van de vervangingswaarde of van de herstellingsprijs zelf
verschuldigd, maar tevens het bedrag van de B.T.W. daarop.
Dit recht op het B.T.W.-bedrag bestaat in alle
gevallen; dus ook indien de schadelijder na
het ongeval zijn voertuig niet laat herstellen noch vervangt
door een ander voertuig, ofwel het vervangt door een tweedehands
voertuig (waarop slechts de BTW over de "marge",
dus de winst, verschuldigd is). De verzekeringsmaatschappij
mag derhalve niet aan u vragen dat u de herstellingsfactuur
moet toesturen of dat u de aankoop van een vervangende wagen
moet bewijzen.
Dit
werd wettelijk vastgelegd. Art. 83 van de wet van 25 juni
1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, afgekort “W.L.O.”,
luidt: “ De benadeelde beschikt
vrij over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding.
Het bedrag van de schadevergoeding mag niet verschillen
naar gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal
maken”.
De
indicatieve tabel vermeldt in dezelfde zin: "In
geval van totaal verlies heeft de schadelijder, niet BTW-plichtige,
recht op de BTW ongeacht of hij de hem toekomende schadevergoeding
al dan niet gebruikt voor de vervanging van het vernielde
voertuig dan wel voor de vervanging door een tweedehandswagen
waarop bij de aankoop geen BTW verschuldigd is of slechts
de BTW op het verschil tussen de verkoop- en inkoopprijs
van de garagist.
De
BTW moet worden vergoed tegen het tarief dat van kracht
is op het ogenblik van de vervanging van het voertuig.
Indien
het voertuig van een niet BTW-plichtige bij een ongeval
wordt beschadigd heeft de schadelijder recht op de BTW ongeacht
of hij al dan niet de herstelling laat uitvoeren".
DUS:
- uw wagen is totaal verlies, en u vervangt hem door een tweedehands
voertuig: toch recht op BTW berekend op de werkelijke vervangingswaarde
- uw wagen is totaal verlies, maar u vervangt hem niet: toch
recht op BTW berekend op de werkelijke vervangingswaarde
- uw wagen is geen totaal verlies maar u vervangt hem toch:
recht op BTW op de normale herstellingsprijs
- uw wagen wordt door uzelf hersteld: toch recht op de normale
herstellingsprijs, BTW inbegrepen (of bij herstelling na duiding
totaal verlies toch recht op BTW berekend op de werkelijke
vervangingswaarde).
Vanzelfsprekend hebben de B.T.W. -plichtigen die 50 % (respectievelijk
100%) van de B.T.W. op de aankoopprijs of op de herstellingsprijs
kunnen recupereren slechts recht op 50 % (respectievelijk
0%) van het B.T.W.-bedrag. Dus indien u de helft (of de
totaliteit) van het BTW-bedrag fiscaal mag aftrekken, zal
de aansprakelijke u uiteraard slechts de helft (resp. 0%)
van het BTW-bedrag moeten betalen.
Ter herinnering: de wrakprijs die van uw schadevergoeding
wordt afgetrokken is zonder BTW (zie
hierboven nr 5.4).
7. De
gebruiksderving
7.1
Het aantal dagen dat het voertuig als gevolg van het ongeval
niet kon worden gebruikt noemt men de gebruiksdervingsduur
(ook "onbruikbaarheid" of "stilligschade"
genoemd). Voor deze volledige periode heeft de benadeelde
recht op een vergoeding, die voor een auto meestal wordt bepaald
op 20 € (800 fr.) per dag (zie de juiste dagvergoedingen
verder onder nr. 7.4).
De
voorwaarde is dan wel dat deze derving van het gebruik van
de auto wel degelijk een gevolg is van het ongeval, en bvb.
niet van de nalatigheid van de benadeelde zelf.
Zo
zal de gebruiksderving niet worden vergoed in de mate dat
zij voortvloeit uit het nodeloos twijfelen van de benadeelde
om het voertuig te laten herstellen of om een gerechtsdeskundige*
te laten aanstellen.
Van zodra u weet (of moet beseffen) dat uw voertuig een
totaal verlies is, mag u in principe niet meer wachten om
een vervangend voertuig aan te kopen. Wacht u daarmee toch
nog, bvb. omdat u een hogere vervangingswaarde wil bekomen
voor het vernielde voertuig, dan zal dit niet als een voldoende
reden van uitstel van aankoop van een vervangende wagen
worden beschouwd en dan zal u voor de duurtijd van deze
nodeloze gebruiksderving geen vergoeding kunnen bekomen.
Heeft
de benadeelde daarentegen met de nodige zorg de betwistingen
verdergezet, dan kan hij in bepaalde gevallen een vergoeding
voor gebruiksderving bekomen van bvb. 200 dagen x 20 €=
4.000 €, of zelfs meer.
In
feite is het principe eenvoudig : u beschikt gedurende een
aantal dagen niet over uw auto zonder dat u daaraan fout heeft
en voor deze periode heeft u recht op 20 euro per dag; maar
nodeloze vertragingen door u moet u zelf dragen.
Let
wel op: de vervanging(sduur) heeft niets te maken met de duur
van bewaring van het beschadigde voertuig; in de meeste gevallen
is het noodzakelijk om de beschadigde wagen in ongewijzigde
staat te bewaren totdat de nodige tegensprekelijke vaststellingen
zijn gebeurd; dit is totdat het onderzoek door de twee experten
(deze van tegenpartij en deze van uzelf) gezamenlijk ofwel
door de gerechtsdeskundige achter de rug is.
Soms mag het voertuig voordien worden weggemaakt, nl. als
er voor de tegensprekelijke voertuigexpertise voldoende andere
goede bewijzen bestaan (bvb. een gedetailleerd herstellingsbestek
van de verzekeringsexpert, foto's, door de 2 partijen aanvaarde
testresultaten, en/of dergelijke). Dit moet u bespreken met
uw eigen expert en desgevallend met uw advocaat.
7.2 De gebruiksderving
kan worden onderverdeeld als volgt:
a.
vanaf de dag van het ongeval tot de dag waarop de voertuigexpert
de herstellingsprijs of de duiding totaal verlies heeft
kenbaar gemaakt loopt de wachttijd; deze
bestaat niet wanneer de benadeelde onmiddellijk wist (of
moest weten) dat zijn voertuig een totaal verlies betreft;
b. de verdere gebruiksderving verschilt
naargelang het al dan niet gaat om een totaal verlies:
- herstellingsduur,
zijnde het aantal weekdagen nodig om het voertuig na volledige
herstelling terug te kunnen beginnen gebruiken;
- vervangings-
of mutatieduur: van zodra het voertuig
als een totaal verlies moet worden beschouwd, tot de dag
waarop het vervangende voertuig kan worden gebruikt (d.w.z.
na aankoop, leveringstermijn en administratieve formaliteiten).
Indien de schadelijder bij totaal verlies niet de juiste
vervangingsduur kan aantonen, zal deze duur worden bepaald
op 15 dagen.
De
indicatieve tabel schrijft voor:
"Wachtdagen
- Als het voertuig niet buiten gebruik is: 1 dag; anders
het aantal dagen tussen het ongeval en de eerste expertise.
Vervangdagen:
het bewezen aantal dagen of forfaitair 15 dagen".
Bij
totaal verlies zal in de meeste gevallen 3 dagen wachttijd
+ 15 dagen vervangingsduur = 18 dagen gebruiksderving worden
toegekend. Maar als deze termijn in werkelijkheid langer
was heeft u recht op vergoeding voor de volledige termijn.
De
gebruiksdervingsduur bij herstellingen is meestal korter.
Deze duurtijd wegens de uit te voeren herstellingen wordt
door de voertuigexpert in zijn verslag vermeld, uitgedrukt
in werkdagen. Vakantie- en soortgelijke dagen die in deze
herstellingstermijn vallen moeten hier uiteraard worden
bijgeteld om de werkelijke duurtijd van de gebruiksderving
wegens herstellingen te kennen. Bvb. 3 dagen wachttijd +
2,5 dagen herstelling + 2 weekenddagen (waarop de garagist
niet werkt) = 7,5 dagen gebruiksderving x 20 euro = 150
euro gebruiksdervingsvergoeding.
Een
voorbeeld. B rijdt op 24 december 2010 tegen de geparkeerde
wagen van A. Nog diezelfde dag geeft A het schadegeval
aan bij zijn B.A.-verzekeraar. Zijn wagen wordt getakeld
naar zijn garagist ; deze twijfelt eraan of het niet gaat
om een totaal verlies, omdat de auto reeds 6 jaar oud
is en omdat de herstellingskosten zwaar zullen uitvallen.
Pas
op 3 januari 2011 onderzoekt de expert van de verzekeringsmaatschappij
het voertuig. De expert raamt de herstellingskosten, in
samenspraak met de garagist, op 6.000 € meer B.T.W.
Hij vraagt aan een vijftal professionele verkopers van
tweedehandse auto’s om een bod uit te brengen op
het beschadigde voertuig, en dit binnen de 2 weken.
Op
1 februari 2011 ontvangt A een brief van de voertuigexpert,
die daarbij het volgende meedeelt :
*
de herstellingskosten worden geraamd op 6.000 € meer
B.T.W. ;
* de vervangingswaarde wordt geschat op 8.000 € meer
B.T.W. ;
* het hoogste wrakbod is afkomstig van garage Y en bedraagt
3.000 € ;
* het voertuig wordt dus beschouwd als zijnde een totaal
verlies (omdat dit goedkoper uitvalt dan de herstelling
van de auto) ;
* wil zo spoedig mogelijk het beschadigde voertuig, dus
het wrak, verkopen aan de hoogste bieder, zijnde garage
Y.
Pas bij de kennisname van dit bericht van de voertuigexpert
stopt de wachttijd, zijnde de gebruiksderving die bestaat
uit het moeten wachten op het standpunt van de expert.
Vanaf
dan begint tezelfdertijd de vervangingsduur. A bestelt
reeds op 3 februari 2011 een zeer gelijkaardige auto.
Deze wordt geleverd op 20 april 2011. Na de afhandeling
van de administratieve formaliteiten (ook voor de B.A.-verzekering)
kan A de nieuwe wagen beginnen gebruiken op 24 april 2011.
Vanaf deze datum stopt de vervangingsduur.
De
vergoedbare gebruiksderving loopt dus vanaf 24 december
2010 tot 24 april 2011, zijnde gedurende niet minder dan
122 dagen.
In
principe zou de vergoeding dienen te worden begroot op
122 dagen x 20 € = 2.440 € (meer intrest vanaf
de datum van het ongeval of vanaf de gemiddelde datum).
Maar dit zal toch zeker niet steeds het geval zijn :
*
een deel van de rechters zal geneigd zijn om de totale
som te verminderen ; daarbij kan overwogen worden dat
de normale vergoeding van 20 €/dag is vastgelegd
in de veronderstelling dat de gebruiksderving slechts
een relatief korte termijn zou duren ; daartegenover kan
worden gesteld dat de schadelijder op geen enkel ogenblik,
althans tot 1 februari 2011 (datum kennisname zienswijze
expert), kon vermoeden dat hij zó lang het gebruik
van een auto zou moeten missen ;
* zou A vanaf bvb. 2 februari 2011 een auto hebben gehuurd
tegen 30 €/dag, dan dient hij geen vrede te nemen
met een vergoeding tegen maar 20 €/dag ;
* inzover de schadelijder A vertragingen zou hebben veroorzaakt,
bvb. door niet tijdig de nodige documenten toe te sturen
aan de expert, dan kan hij in die mate geen aanspraak
maken op vergoeding voor de gebruiksderving ; algemener
gesteld : de schadelijder kan geen vergoeding bekomen
voor de schade die aan hemzelf te wijten is.
Heeft
A gedurende een zekere tijd de auto van zijn echtgenote
kunnen gebruiken, dan mag de vergoedingsplichtige dit niet
inroepen. M.a.w., ook al heeft A de wagen mogen gebruiken
van een familielid of vriend, dan nog behoudt hij het recht
op de volledige gebruiksdervingsvergoeding.
7.3 De
gebruiksdervingsduur kan vooral in de volgende twee gevallen
sterk oplopen:
a.
het gaat om een totaal verlies, u koopt een soortgelijk
voertuig aan als het beschadigde voertuig, maar de leveringstermijn
beloopt meerdere maanden;
b.
er blijft betwisting bestaan omtrent de juiste herstellingsprijs
of omtrent de duiding totaal verlies, zodat een gerechtsdeskundige
dient te worden aangesteld en zodat moet worden gewacht
tot de dag waarop deze deskundige de auto kan onderzoeken;
pas op deze dag eindigt de wachttijd normalerwijze.
Een
voorbeeld. B rijdt op 24 december 2010 tegen de geparkeerde
wagen van A. Nog diezelfde dag geeft A het schadegeval
aan bij zijn B.A.-verzekeraar. Zijn wagen wordt getakeld
naar zijn garagist ; deze twijfelt eraan of het niet gaat
om een totaal verlies, omdat de auto reeds 6 jaar oud
is en omdat de herstellingskosten zwaar zullen uitvallen.
Pas
op 3 januari 2011 onderzoekt de expert van de verzekeringsmaatschappij
het voertuig. De expert raamt de herstellingskosten, in
samenspraak met de garagist, op 6.000 € meer B.T.W.
Hij vraagt aan een vijftal professionele verkopers van
tweedehandse auto’s om een bod uit te brengen op
het beschadigde voertuig, en dit binnen de 2 weken.
Op
1 februari 2011 ontvangt A een brief van de voertuigexpert,
die daarbij het volgende meedeelt :
*
de herstellingskosten worden geraamd om 6.000 € meer
B.T.W. ;
* de vervangingswaarde wordt geschat op 8.000 € meer
B.T.W. ;
* het hoogste wrakbod bedraagt 3.000 € ;
* het voertuig wordt dus beschouwd als zijnde een totaal
verlies (omdat dit goedkoper uitvalt dan de herstelling
van de auto) ;
* wil zo spoedig mogelijk het beschadigde voertuig, dus
het wrak, verkopen aan de hoogste bieder, zijnde garage
Y.
Pas bij de kennisname van dit bericht van de voertuigexpert
stopt de wachttijd, zijnde de gebruiksderving die bestaat
uit het moeten wachten op het standpunt van de expert.
Vanaf
dan begint tezelfdertijd de vervangingsduur. A bestelt
reeds op 3 februari 2011 een zeer gelijkaardige auto.
Deze wordt geleverd op 20 april 2011. Na de afhandeling
van de administratieve formaliteiten (ook voor de B.A.-verzekering)
kan A de nieuwe wagen beginnen gebruiken op 24 april 2011.
Vanaf deze datum stopt de vervangingsduur.
De
vergoedbare gebruiksderving loopt dus vanaf 24 december
2010 tot 24 april 2011, zijnde gedurende niet minder dan
122 dagen.
In
principe zou de vergoeding dienen te worden begroot op
122 dagen x 20 € = 2.440 € (meer intrest vanaf
de datum van het ongeval of vanaf de gemiddelde datum).
Maar dit zal toch zeker niet steeds het geval zijn :
*
een deel van de rechters zal geneigd zijn om de totale
som te verminderen ; daarbij kan overwogen worden dat
de normale vergoeding van 20 €/dag is vastgelegd
in de veronderstelling dat de gebruiksderving slechts
een relatief korte termijn zou duren ; daartegenover kan
worden gesteld dat de schadelijder op geen enkel ogenblik,
althans tot 1 februari 2011 (datum kennisname zienswijze
expert), kon vermoeden dat hij zó lang het gebruik
van een auto zou moeten missen ;
* zou A vanaf bvb. 2 februari 2011 een auto hebben gehuurd
tegen 30 €/dag, dan dient hij geen vrede te nemen
met een vergoeding tegen maar 20 €/dag ;
* inzover de schadelijder A vertragingen zou hebben veroorzaakt,
bvb. door niet tijdig de nodige documenten toe te sturen
aan de expert, dan kan hij in die mate geen aanspraak
maken op vergoeding voor de gebruiksderving ; algemener
gesteld : de schadelijder kan geen vergoeding bekomen
voor de schade die aan hemzelf te wijten is.
Heeft
A gedurende een zekere tijd de auto van zijn echtgenote
kunnen gebruiken, dan mag de vergoedingsplichtige dit
niet inroepen. M.a.w., ook al heeft A een vervangingswagen
mogen gebruiken van een familielid of vriend, dan nog
behoudt hij het recht op de volledige gebruiksdervingsvergoeding.
7.4
De gebruiksdervingsvergoeding kan enkel op
vrij ruwe wijze worden geraamd, zodat deze schadepost moet
worden begroot op basis van forfaitaire vergoedingen.
De verenigingen van Belgische Magistraten hebben voor de belangrijkste
categorieën van voertuigen de volgende forfaitaire vergoeding
per dag gebruiksderving vastgelegd.
Deze
"officieuze" tarieven voor de gebruiksdervingsvergoeding,
die vrij algemeen door de rechters worden toegekend, zijn
(per dag):
-
fiets : 5 € (per dag van gebruiksderving)
-
bromfiets (minder dan 50 cc) : 6,50 €
-
motorfiets tussen 50 en 450 cc : 9 €
-
motorfiets van meer dan 450 cc : 15 €
- personenwagen
(ook
bij professioneel gebruik en bij leasing):
20 euro
-
stationwagen : 25 €
-
huurwagen (niet-leasing) : 46 €
-
lichte vrachtwagen :
-
- minder dan 2 ton netto laadvermogen : 37,5 €
-
- bijkomende vergoeding per ton netto laadvermogen hoger
dan 2 ton(bovenop voormelde 37,5 €) : + 7,5 €
(per bijkomende ton)
-
vrachtwagen :
-
tot 3 ton netto laadvermogen : 46 €
-
per bijkomende ton netto laadvermogen : + 10 €
(per ton)
-
indien de eigenaar slechts 1 vrachtwagen bezit :
62 €
-
oplegger van een vrachtwagen : 87 €
Daarnaast hebben de Verenigingen van
Magistraten van België nog meerdere andere tarieven voor
de gebruiksderving voorzien, zoals voor autobussen (naargelang
het aantal zitplaatsen), een ziekenwagen, en zo meer.
Meerbepaald
voorziet de indicatieve tabel:
Gebruiksderving per dag:
aanhangwagen
van een personenwagen (per dag gebruiksderving)
< 500 kg : 10 €
> 500 kg : 15 €
mobilhome : 50 €
caravan : 24 €
taxi
grote maatschappijen : 46 €
taxi zelfstandige uitbater : 59,50 €
tankwagen:
< 3,5 ton netto laadvermogen : 112 €
> 3,5 ton netto laadvermogen : 112 € + 10 €
per bijkomende ton
kraanwagen : 149 €
betonwagen : 174 €
landbouwtractor : 37,50 €
tractorvrachtwagen 163 pk trekker € : 112 €
oplegger vrachtwagen : 87 €
ziekenwagen : 87 €
autobus :
< 50 plaatsen : 45 €
50 tot en met 60 plaatsen : 89,50 €
> 60 plaatsen : 112 €
> 70 plaatsen : 136,50 €
> 80 plaatsen : 174 €
autocar
:
<
31 zitplaatsen : 45 €
31 t.e.m. 38 zitplaatsen : 89,50 €
>
38 zitplaatsen : 112 €
>
44 zitplaatsen : 136,50 €
>
50 zitplaatsen : 174 €
Let
op: de verzekeringsmaatschappijen hebben een eigen
lijst van forfaitaire vergoedingen van de gebruiksderving
opgesteld, die vanzelfsprekend lager zijn dan de officiële
vergoedingen zoals hierboven vermeld. Zo wordt de gebruiksderving
bij totaal verlies van een auto binnen hun R.D.R.-regeling
slechts vergoed aan 1 of 3 dagen wachttijd + 6 dagen (i.p.v.
15 dagen volgens de indicatieve tabel) vervangingsduur
= 7 of 9 dagen, en dan nog slechts aan 13 € (i.p.v. 20
€) per dag. Deze begroting volgens de R.D.R.-regeling
is voor u uiteraard niet bindend; enkel de wet (art. 1382
B.W.) is voor u bindend.
7.5
Voormelde forfaitaire bedragen per dag gebruiksderving gelden
in principe niet indien de benadeelde een vervangingsvoertuig
heeft gehuurd. In een dergelijk geval is
hij gerechtigd op vergoeding overeenkomstig de betaalde huurprijs
(uiteraard mits voorlegging van de nodige bewijzen).
Wegens
de besparingen ingevolge het niet moeten gebruiken van het
eigen voertuig wordt de vergoeding voor de huurprijs in de
meeste gevallen verminderd met een zeker percentage, bvb.
met 10 %. De indicatieve tabel voorziet: "Bij
de huur van een voertuig kan een besparing voor het niet gebruiken
van het eigen voertuig worden toegekend gelijk aan 10 % van
de huurfactuur".
Een
bijkomende aftrek zal gebeuren wanneer het gehuurde vervangingsvoertuig
van een duurdere klasse is dan de beschadigde wagen.
|
| |
|
8.
De stallingkosten
Hier gelden ongeveer dezelfde regels als voor de gebruiksderving.
Zo bestaat het recht op vergoeding voor de stallingskosten
(ook bewaringskosten of staangeld genoemd) slechts in de mate
dat zij nodig waren en dat zij niet zijn aangegroeid door
de nalatigheid vanwege de benadeelde zelf.
Tevens mag de garagist geen overdreven hoge vergoeding voor
de bewaring van het voertuig vragen. In dit kader rijst vaak
de vraag of de benadeelde na een zekere tijd niet had moeten
overgaan tot het huren van een garagebox, wat immers heel
wat goedkoper uitvalt. Daartegenover kan worden gesteld dat
de benadeelde op voorhand nooit kon vermoeden hoelang de betwistingen
nog zouden aanslepen en dat hij dan ook niet moet overgaan
tot het huren van een garagebox voor bvb. één
jaar, zeker niet nu dit gepaard gaat met bijkomende sleepkosten.
Een
ander twistpunt betreft de vraag of de garagist wel kosten
voor de stalling mag aanrekenen. Dit wordt bvb. niet aangenomen
wanneer de duur van de stalling vrij beperkt is gebleven (bvb.
20 dagen) en wanneer de benadeelde bovendien bij deze garagist
zijn voertuig laat herstellen of een vervangende auto aankoopt.
Zorg
in elk geval niet alleen voor de stallingsfacturen maar tevens
voor de nodige betalingsbewijzen, zeker nu de rechtbanken
argwanend zijn geworden ingevolge de ervaring dat soms fictieve
facturen van stalling worden opgesteld.
9. De
andere kosten (fiscale zegels, B.I.V., financieringskosten,
e.a.)
9.1 De
motorrijtuigen of de aanhangwagens die bij een ongeval schade
hebben
opgelopen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging
of de remmen, moeten vóór hun hergebruik gekeurd
worden bij de automobielinspectie. Die keuringskosten
kunnen worden teruggevorderd.
Deze
schouwing is ook nodig voor de voertuigen die als totaal
verlies beschouwd werden, maar dan blijven de schouwingskosten
ten laste van de schadelijder (die ondanks de duiding totaal
verlies toch de herstellingen laat uitvoeren).
9.2
Bij de ingebruikname van uw nieuw of tweedehands voertuig
heeft u wellicht de volgende belastingen moeten betalen:
a.
samen met de eerste verkeersbelasting: de belasting op de
inverkeerstelling, kortweg B.I.V. (waarvan
het bedrag afhankelijk was van het motorvermogen en voor
tweedehandse voertuigen tevens van het aantal jaren gebruik);
b.
in sommige gevallen bovendien de eenmalige voor dieselvoertuigen.
Deze
bedragen kan u gedeeltelijk van de aansprakelijke terugvorderen
ingeval van totaal verlies.
Bvb.: u betaalt 1.000 € voor de BIV en de accijnscompenserende
belasting samen, bij de ingebruikname van uw Mercedes op 1/9/10;
deze auto wordt totaal verlies ("perte totale",
soms "pertotal" genoemd) op 1/9/11; een jaar na
de ingebruikname van uw Mercedes moet u dus opnieuw BIV betalen,
terwijl u normaal gezien 10 jaar lang met uw Mercedes zou
blijven rijden; u kan voormelde som van 1.000 € terugvorderen
in evenredigheid met de normale gebruiksduur van uw wagen,
dus voor 9/10°. Dus t.b.v. (1.000 €
: 10 jaar normale gebruiksduur x 9 jaar resterende gebruiksduur
=) 900 euro.
NOOT:
De belasting bij de inschrijving van de nummerplaat, de
"inschrijvingstaks", werd afgeschaft met ingang
van 1 januari 2006
(Koninklijk
besluit van 19 december 2005 tot wijziging van het koninklijk
besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van
voertuigen).
9.3 Of en inhoever financieringskosten ten
laste van de aansprakelijke kunnen worden gelegd hangt af
van meerdere factoren. Bovendien bestaat er geen eensluidende
rechtspraak terzake.
Maar
onder bepaalde voorwaarden is vergoeding daarvoor zeker verantwoord.
Bij voorbeeld: de personenwagen van X is net 1 week oud als
zij totaal wordt vernield door de fout van Y; de aankoop is
gebeurd dankzij een lening die 36 maanden loopt, en waarvoor
X 1.040 euro per maand terugbetaalt; deze som is samengesteld
uit 1.000 euro kapitaalaflossingen en 40 euro interest; na
het ongeval moet X voor de aankoop van zijn vervangende wagen
opnieuw een autolening aangaan, bvb. terug aan 1.040 euro
per maand. Het is logisch dat de kosten voor het afsluiten
van de 2° autolening en de interesten van 36 maanden aan
40 euro worden beschouwd als bijkomende schade ingevolge het
ongeval (en dus aan X moeten worden vergoed).
9.4
Bovendien zijn de kosten van voorlopige herstelling
vergoedbaar als zij gering zijn, als zij noodzakelijk
waren om de wagen terug te mogen gebruiken, en als zij verantwoord
waren gelet op de datum waarop de expertise mocht worden verwacht.
Een
voorbeeld: mits het wat rechtkloppen van uw motorkap kan u
terug met uw auto rijden; de kosten van deze voorlopige herstelling
bedragen slechts 80 euro; de autoëxpert had u laten weten
dat hij binnen 7 dagen uw wagen zou komen expertiseren. Kwestieuze
kosten zijn gerechtvaardigd: u heeft immers de schade (in
het bijzonder 6 dagen gebruiksderving x 20 euro) beperkt.
9.5
Vanzelfsprekend zijn ook de kosten van sleping (= depannage
= takeling) vergoedbaar. Wel de factuur voorleggen.
9.6
Alle andere bijkomende uitgaven veroorzaakt
door het ongeval moeten eveneens worden vergoed door de aanrijder
(of diens B.A.-verzekeraar*). Zie daarover o.a. het
hoofdstuk "lichamelijke schade", nr 9.23 kosten
en uitgaven (m.b.t. administratie- en aanverwante
kosten, kledijschade, en verplaatsingskosten).
9.7 Het bovenstaande is louter
de toepassing van het hoofdprincipe van de vergoeding naar
Belgisch recht: de benadeelde heeft recht op integrale vergoeding
van alle uitgaven en andere schade. Hij heeft ook niet méér
dan dit recht.
Enerzijds
is de benadeelde gerechtigd op volledige vergoeding voor alle
kosten en uitgaven en alle andere schade die het rechtstreeks
of onrechtstreeks gevolg zijn van het ongeval.
Anderzijds
mag de vergoeding voor dergelijke uitgaven de schadelijder
niet verrijken en moet zij dus in verhouding staan met de
werkelijk geleden schade. Als het totaal vernielde voertuig
bijvoorbeeld 5 jaar oud is, kan de schadelijder normalerwijze
slechts ongeveer de helft
bekomen van de B.I.V. en van de fiscale zegels die
hij heeft betaald bij de ingebruikname van het vernielde voertuig.
Immers, normalerwijze - dus zonder het ongeval - had hij zijn
voertuig na 10 jaar toch moeten vervangen (en had hij dus
na 10 jaar autogebruik, zijnde 5 jaar na het ongeval, toch
BIV en fiscale zegels moeten betalen).
Tezelfdertijd moet rekening
worden gehouden met de goede trouw en met de schadebeperkingsplicht
van de schadelijder.
Een
voorbeeld: wanneer de benadeelde de stallingskosten (of de
huur van een vervangingsvoertuig) nodeloos laat oplopen, doordat
hij het voertuig niet laat herstellen (en het evenmin vervangt
door een nieuwe wagen), dan zal hij in die mate geen vergoeding
voor deze kosten ontvangen. Deze kosten zijn niet meer verantwoord,
en ze zijn trouwens niet langer veroorzaakt door het verkeersongeval
maar wel door de onwil of nalatigheid van het slachtoffer
zelf.
d.
De voertuigexpertise
10.
De
expertise door de verzekeringsexpert
Bijna
altijd wordt het beschadigde voertuig enkele dagen na het
ongeval onderzocht door een voertuigexpert aangesteld door
de verzekeringsmaatschappij. Deze deelt kort daarna zijn persoonlijke
zienswijze (besluiten) mee, nl. :
-
ofwel meent hij dat het gaat om een (technisch of economisch)
totaal verlies; dan raamt hij de waarde vóór
ongeval en dan zal hij ook het hoogste wrakbod meedelen;
-
ofwel beslist hij dat de herstelling aangewezen is; dan
raamt hij de herstellingsprijs.
Op basis van deze besluiten van de voertuigexpert zal de
vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij aan u een schade-afrekening
toesturen. Dit mag u niet zo maar voor akkoord ondertekenen
(zie hieronder).
11. De
overeenkomsten gesloten tussen de verzekeringsmaatschappijen
Vooraleer
te kunnen verduidelijken hoe de voertuigschade in de praktijk
wordt geraamd, past het enige uitleg te verstrekken over de
R.D.R.- en de expertise-overeenkomst (RDR
staat voor "Règlement direct/directe regeling").
Deze tweevoudige overeenkomst werd gesloten tussen de meeste
Belgische verzekeringsmaatschappijen; de verzekerden zelf
zijn door deze twee overeenkomsten dus helemaal niet gebonden.
Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen,
heeft het toepassingsgebied van de Expertise- en RDR-overeenkomst
sterk uitgebreid vanaf 1 juli 2007:
a.
de expertise-overeenkomst: de verzekeringsexpert van de
verzekeraar van de benadeelde, de "directe expert",
kan de schade begroten zonder tussenkomst van de expert
van de tegenpartij zolang de voertuigschade maximaal 8.500
euro beloopt; voor
schade van minder dan 250 euro, zijnde 1,5% van de gevallen,
hoeft geen expertise plaats te vinden;
b.
de RDR-overeenkomst: tot 25.000 euro - i.p.v. vroeger
8.500 € - kan de verzekeraar van het slachtoffer zelf,
de "directe verzekeraar" genoemd, zijn verzekerde
vergoeden (terwijl deze vergoeding vanzelfsprekend normaal
gezien door de verzekeraar van de aansprakelijke zou moeten
worden betaald!).
Dus
in principe is het de verzekeraar van de benadeelde zelf
(en dus niet de B.A.-verzekeraar van de foutieve autobestuurder)
die een deskundige aanstelt en die vervolgens de benadeelde,
zijn verzekerde, vergoedt.
De praktische draagwijdte van deze twee overeenkomsten kan
worden samengevat als volgt:
a.
in
de meeste gevallen wordt de benadeelde vergoed door zijn
eigen B.A.-verzekeraar*; hier wijkt men dus af van het wettelijke
principe dat de schade moet worden vergoed door de aansprakelijke
of door zijn verzekeringsmaatschappij;
b.
het is de verzekeringsmaatschappij van de benadeelde zelf
(en dus niet van de aansprakelijke) die een voertuigexpert
aanstelt om de schade te ramen;
c.
er
worden forfaitaire schadebedragen toegepast, die systematisch
lager liggen dan de schadebedragen die gebruikelijk zijn
(zijnde deze volgens de meerderheid van de rechtspraak);
bijvoorbeeld:
bij totaal verlies vergoedt de verzekeringsmaatschappij
slechts een vervangingsduur van 6 dagen x 500 fr. = 3.000
fr. of 74,37 €; maar volgens het Belgische recht (meerbepaald
volgens de indicatieve tabel) moet de werkelijke vervangingsduur
worden toegepast (in principe met een minimum van 15 dagen)
en wordt bovendien een hogere vergoeding per dag gebruiksderving
toegekend (zie de tarieven hiervan hierboven, onder nr.
7.4).
Zie
de volledige tekst en de gebruikte formulieren onder Assuralia
12. De
besluiten van de voertuigexpertise zo maar aanvaarden ?
Voormelde
expertise-overeenkomst biedt voor de verzekeringsmaatschappijen
uiteraard bepaalde voordelen. De
benadeelde verkeert in de waan dat de schade wordt geschat
door een expert die zijn belangen verdedigt. In werkelijkheid
treedt deze expert op voor de verzekeringsmaatschappij die
de schade zal moeten vergoeden. Hierbij dient voor ogen te
worden gehouden dat verzekeringsdeskundigen die gemiddeld
genomen een hogere schaderaming toestaan dan hun collega’s
het reële risico lopen te worden ontslagen door de verzekeringsmaatschappij!
"De
verzekeringsdeskundige deelt mij mee dat mijn voertuig een
totaal verlies zou zijn en dat de "waarde voor ongeval"
8.000 €, BTW in, zou zijn; is dit wel juist?"
OF: "Mijn voertuighersteller zegt mij dat de herstellingen
niet op een degelijke wijze kunnen gebeuren als ze volgens
het bestek van de expert moeten worden uitgevoerd; hoe kan
ik dit bestek aanvechten?"
Het
gebeurt inderdaad zeer vaak dat de verzekeringsexpert een
voertuig ten onrechte als een totaal verlies dan wel als herstelbaar
beschouwt, en dat hij een te lage herstellingsprijs of een
te lage vervangingswaarde vooropstelt. Voormelde standpunten
van de verzekeringsexpert hoeft u niet zomaar te aanvaarden.
Soms kan u een hogere vergoeding bekomen op een eenvoudige
wijze. Bvb.: u verstuurt naar de expert een gemotiveerde protestbrief,
en zo mogelijk voegt u daarbij bewijsstukken die aangebracht
zijn door uw garagist (of via internet, uit autotijdschriften,...).
Zie
ook Klachten,
om te weten hoe u een protestbrief dient op te stellen.
Soms
volstaat zelfs een eenvoudig telefonisch protest, zeker wanneer
men goede argumenten heeft.
Maar
vaak volstaat dit niet: de voertuigexpert weigert een voldoende
hoge vergoeding (of totaal verlies of dergelijke) toe te staan.
Dan doet u er goed aan om een tegenexpertise te vragen, dus
om een eigen raadgevende voertuigexpert aan te stellen; deze
tegenexpert onderzoekt in welke mate de zienswijze van de
verzekeringsexpert al dan niet kan worden aanvaard (zie hierna
nr 13 en 15).
Het is steeds aangewezen om het standpunt van de verzekeringsexpert
voorafgaandelijk te laten nazien door uw garagist en eventueel,
zo nodig, door een eigen raadgevende voertuigdeskundige.
Als
er geen minnelijke regeling betreffende uw voertuigschade
mogelijk is, rijst de vraag:
|
| |
| e.
Hoe betwist u de zienswijze van de verzekeringsexpert
? |
13. Arbitrage
aanvaarden ?
Bij
voormelde twee overeenkomsten is tevens voorzien dat een
arbitrage* (*
= zie definitie in de woordenlijst)
zal doorgaan indien de benadeelde het standpunt van de verzekeringsexpert
niet wil aanvaarden.
Bij een dergelijke arbitrage volgens de R.D.R. wordt in de
praktijk naar de benadeelde een lijst van 3 tot 5 verzekeringsexperten
gestuurd met het verzoek één van deze experten
te kiezen; na deze keuze zullen de aangeduide expert en de
verzekeringsexpert samen definitief beslissen, zonder dat
nog enige betwisting mogelijk blijft.
Vaak is het niet aangeraden om het voorstel
tot een dergelijke arbitrage te aanvaarden: voormelde lijst
van (meestal 3 tot 5) autoëxperten wordt opgemaakt door
de verzekeringsexpert zelf, die begrijpelijkerwijze enkel
experten aan u voorstelt die hij goed kent en die dus niet
volledig onpartijdig kunnen oordelen.
De benadeelde doet er meestal goed aan om zelf een raadgevende
expert (een "technisch raadsman") te kiezen in wie
hij zijn volle vertrouwen kan stellen. Dus niet een deskundige
die voorkomt op de lijst vanwege de verzekeringsexpert.
Deze zelf gekozen tegenexpert zal mogelijks tot een overeenstemming
met de verzekeringsexpert komen.
Is
dit niet het geval, dan zal een tegensprekelijke expertise
moeten doorgaan. Deze tegensprekelijke expertise gebeurt ofwel
als arbitrage (zie hierboven) ofwel als gerechtelijke expertise
(zie nr. 15); de keuze tussen deze 2 vormen van tegensprekelijke
expertise laat u het best over aan uw eigen raadgevende deskundige.
Kortom,
u kan de oplossing van de betwistingen via een arbitrage aanvaarden
mits u zelf uw - onafhankelijke - expert mag kiezen en mits
deze expert zelf ook voorstander is van een arbitrage.
Wordt
geen arbitrage overeengekomen, dan moet een gerechtelijke
expertise doorgaan.
14.
Soorten
experten
In
dit kader wordt verduidelijkt dat er meerdere
soorten experten zijn:
-
veruit de meerderheid is een verzekeringsexpert,
die in dienst van een verzekeringsmaatschappij werkt,
als zelfstandige of als bediende;
-
zeer uitzonderlijk vindt men een onafhankelijke
voertuigdeskundige (die nooit in opdracht van een
verzekeringsmaatschappij optreedt);
- voor
de beoordeling en eventuele betwisting van de standpunten
van de verzekeringsdeskundige doet u beroep op een
tegenexpert, zijnde een raadgevende voertuigdeskundige
(of "technisch raadsman");
-
een expert aangesteld door een rechterlijke uitspraak
(meestal een vonnis van de Politierechtbank) wordt
een gerechtsdeskundige* genoemd.
Steeds meer letten de rechtbanken erop dat uitsluitend
onafhankelijke voertuigdeskundigen worden aangesteld
om een gerechtelijke expertise uit te voeren.
|
15. Hoe
concreet de betwisting afhandelen? - gerechtelijke expertise
De
verdere betwisting verloopt meestal als volgt:
1°
u waarschuwt (eventueel via uw makelaar) uw rechtsbijstandverzekeraar*
van uw voornemen om het standpunt van de voertuigexpert
van de verzekeringsmaatschappij aan te vechten; tezelfdertijd
neemt u reeds contact op met een voertuigexpert die uw belangen
zal behartigen, zijnde uw raadgevende voertuigdeskundige;
2°
deze zal normalerwijze wachten om te beginnen optreden totdat
hij daarvoor de schriftelijke toelating heeft bekomen vanwege
de rechtsbijstandsverzekeraar, die immers zijn staat van
ereloon en kosten moet dragen;
3°
na deze toelating onderzoekt de raadgevende voertuigexpert
het voertuig en deelt hij zijn persoonlijk standpunt mee
aan de verzekeringsexpert; op die wijze wordt vaak een minnelijke
regeling bereikt, evt. via arbitrage;
4°
is dit niet het geval en wordt een arbitrage niet wenselijk
geacht, dan zal een definitieve beslissing moeten worden
bekomen door middel van de aanstelling van een gerechtsdeskundige*
door de (politie)rechtbank; hiervoor dient u uiteraard een
advocaat in te schakelen, die overigens volledig vrij door
uzelf wordt gekozen;
5°
deze advocaat wacht eveneens op de toelating van de verzekeraar
van de rechtsbijstand (die zijn staat van ereloon en kosten
en alle andere uitgaven ingevolge de gerechtelijke procedure
zal moeten betalen);
6°
uw advocaat verzamelt alle nodige stukken en inlichtingen
(zie ook hieronder nr. 17); vervolgens maakt hij een dagvaarding*
op, waarbij wordt gevorderd dat op de inleidende zitting
een gerechtsdeskundige wordt aangesteld en een zeker schadebedrag
(of een provisie) wordt toegekend;
7°
deze vorderingen worden meestal ingewilligd, op de inleidende
zitting of op een zitting die enkele weken later doorgaat;
8°
onmiddellijk nadat het vonnis is geveld,
wordt de aangestelde gerechtsdeskundige aangeschreven met
het verzoek zijn opdracht uit te voeren;
9°
deze deskundige roept de partijen schriftelijk op om de
expertisebijeenkomst bij te wonen;
10°
op deze bijeenkomst noteert hij de onderscheiden standpunten
van de aanwezigen en onderzoekt hij de beschadigde wagen;
in dit kader zal uw standpunt vanzelfsprekend vooral worden
verdedigd door uw raadgevende voertuigexpert en in zekere
mate ook door uw advocaat;
meestal wordt de wagen na dit onderzoek volledig vrijgegeven,
zodat het voertuig vanaf dan mag worden verkocht of hersteld
en zodat vanaf dan de wachttijd* ophoudt;
11°
daarna moet het voorverslag van de gerechtsdeskundige
worden afgewacht; op dit voorverslag mogen opmerkingen worden
geformuleerd, inzover nodig, en dit meestal gedurende een
termijn van ongeveer één maand;
12°
de gerechtsdeskundige maakt zijn eindverslag
over, waarbij de opmerkingen worden besproken; vanaf de
neerlegging van dit eindverslag is hij volledig ontheven
van zijn gerechtelijke opdracht.
In
sommige gevallen is het nodig om nadien een nieuwe
of aanvullende gerechtelijke expertise te vragen
; het verzoek daartoe zal echter vaak worden afgewezen
door de rechtbank, terwijl in de andere gevallen de nieuwe
gerechtsdeskundige vaak tot dezelfde besluiten zal komen
als de eerste ; derhalve dient een nieuwe of aanvullende
expertise enkel in uitzonderlijke gevallen te worden nagestreefd.
|
f. Voortzetting
van de procedure (na
de arbitrage of de gerechtelijke expertise) |
16.
De deskundigen, inbegrepen de gerechtsdeskundigen, hebben
enkel tot taak de nodige adviezen op technisch gebied en dus
niet op juridisch vlak te geven.
Na de gerechtelijke expertise kunnen dus nog allerlei betwistingen
overblijven, zoals omtrent de vergoeding voor de gebruiksderving
en/of de stallingkosten.
In dit kader wordt herinnerd aan de vergoedingen waarop u
werkelijk gerechtigd bent en waarover betwistingen kunnen
blijven bestaan (zie hierboven, o.a nr. 2 of 3). Dergelijke
overblijvende betwistingen zullen zo nodig via de verderzetting
van de gerechtelijke procedure moeten worden opgelost.
17.
Om de vordering betreffende de voertuigschadevergoeding nauwkeurig
en gemotiveerd te kunnen opstellen, is het belangrijk de volgende
stukken te bezorgen (aan uw advocaat): facturen,
betalingsbewijzen, en/of andere bewijsstukken betreffende
alle posten die teruggevorderd worden (depannage, stalling,
...) - het verslag van de voertuigexpert - het BTW-attest
van het slachtoffer - alle brieven vanwege de auto-expert
evenals de eventuele antwoordbrieven - bij totaal verlies
bovendien: het bewijs van de BIV (betaling eerste verkeersbelasting)
betreffende het vernielde voertuig, de bestelbon, aankoopfactuur
èn inschrijvingsbewijs van het eventuele nieuwe voertuig,
en de bewijzen betreffende de autolening meer minstens één
bewijs van (terug)betaling van de financieringslasten (aangaande
zowel het vernielde als het vervangende voertuig).
Welke bewijsstukken nodig zijn hangt vooreerst
af van de vraag of het voertuig al dan niet een totaal verlies
is. Hieronder volgt een zo volledig mogelijke opsomming;
meestal zijn niet ál deze stukken nodig.
ALGEMENE LIJST VAN NUTTIGE BEWIJSSTUKKEN
M.B.T. DE VOERTUIGSCHADE – BIJ HERSTELBAARHEID
Hieronder
vindt u de lijst van nuttige bewijzen bij herstelbaarheid
van het voertuig, dus wanneer uw voertuig niet als
een totaal verlies wordt beschouwd.
-Goed leesbare- fotokopies van de bewijsstukken
volstaan voor uw advocaat.
A. ALGEMEEN
a. het aanrijdingsformulier ;
b. het bericht van de rijkswacht,
waarbij de voornaamste gegevens m.b.t. het strafdossier
worden weergegeven (in het bijzonder de identiteit
van tegenpartij, het nummer van het proces-verbaal,
…) ;
c. een kopie van uw eigen verklaring
aan de politie ;
d. verklaringen van getuigen m.b.t. belangrijke
gegevens, zoals m.b.t. het verloop van het ongeval
(en de aansprakelijkheid), m.b.t. de kledijschade
ten gevolge van het ongeval, m.b.t. beschadiging
van bepaalde inhoud van het voertuig, e.d.m. ;
e. een brief vanwege de rechtsbijstandsverzekeraar
(zodat deze kan worden aangeschreven door uw advocaat).
B. STUKKEN M.B.T. HET BESCHADIGDE
VOERTUIG
f. bewijs van de betaling van de
premie voor de B.A.-verzekering die aan het lopen
was op de dag van het ongeval ;
g. recente onderhouds- en herstellingsfacturen
;
h. indien autokeuring door de schade
diende te gebeuren: het schouwingsbewijs en het
bewijs van betaling;
i. sleepkostenfactuur ;
j. factuur m.b.t. de kosten van
stalling vanwege de garagist en het bewijs van betaling
van de stallingskosten;
k. factuur m.b.t. de huur van een
vervangingsvoertuig (met verduidelijking van de
huurperiode, de huurprijs, e.d.);
l. het expertiseverslag m.b.t.
de voertuigschade ;
m. alle brieven van en naar de
voertuigdeskundigen ;
n. de herstellingsbestekken en
de herstellingsfactuur ;
o. de bewijzen van de betalingen
van de stallingskosten, van de sleepkosten, van
de herstellingen, en dergelijke.
C. ANDERE STUKKEN
p. bewijzen van de kledijschade
en aanverwante schade, zoals beschadigde bril, inhoud
voertuig, vernield uurwerk, … : foto’s,
zo mogelijk een getuigenverklaring, het aankoopbewijs,
de factuur betreffende de herstelling of betreffende
de aankoop van een nieuwe bril, broek, …,
en dergelijke ; zo mogelijk de facturen terzake
overmaken, of desnoods een bestek vanwege de verkoper
;
q. en alle andere bewijzen m.b.t.
gedane kosten of andere geleden schade ten gevolge
van het ongeval.
ALGEMENE LIJST VAN NUTTIGE BEWIJSSTUKKEN M.B.T.
DE VOERTUIGSCHADE – BIJ TOTAAL VERLIES
Hieronder
vindt u de lijst van nuttige bewijzen bij totaal
verlies van het voertuig. Fotokopies van de bewijsstukken
volstaan.
A. ALGEMEEN
a. het aanrijdingsformulier ;
b. het bericht van de rijkswacht, waarbij de voornaamste
gegevens m.b.t. het strafdossier worden weergegeven
(in het bijzonder de identiteit van tegenpartij,
het nummer van het proces-verbaal, …) ;
c. een kopie van uw eigen verklaring aan de politie
;
d. verklaringen van getuigen m.b.t. belangrijke
gegevens, zoals m.b.t. het verloop van het ongeval
(en de aansprakelijkheid), m.b.t. de kledijschade
ten gevolge van het ongeval, m.b.t. beschadiging
van bepaalde inhoud van het voertuig, e.d.m. ;
e. een brief vanwege de rechtsbijstandsverzekeraar
(zodat deze kan worden aangeschreven door uw advocaat).
B. STUKKEN M.B.T. HET VERNIELDE VOERTUIG
f. aankoopfactuur van het beschadigde voertuig
;
g. inschrijvingsbewijs van het beschadigde voertuig
;
h. bewijs van financiering van het vernielde voertuig
en bewijs van de eerste 3 betalingen aan de kredietinstelling;
i. bewijs van betaling van de belasting bij aankoop,
nl. de belasting op de inverkeersstelling (B.I.V.)
en deze voor dieselvoertuigen (die samen met de
eerste verkeersbelasting moeten worden betaald)
;
j. bewijs van de betaling van de premie voor de
B.A.-verzekering die aan het lopen was op de dag
van het ongeval ;
k. recente onderhouds- en herstellingsfacturen
;
l. het schouwingsbewijs ;
m. sleepkostenfactuur ;
n. factuur m.b.t. de kosten van stalling, vanwege
de garagist;
o. gedetailleerde factuur m.b.t. de huur van een
vervangingsvoertuig en bewijs van betaling van deze
huurprijs;
p. het expertiseverslag m.b.t. de voertuigschade;
q. alle brieven van en naar de voertuigdeskundigen;
r. verkoopfactuur van het wrak.
C. BEWIJSSTUKKEN BETREFFENDE HET VERVANGENDE VOERTUIG
s. de bestelbon betreffende de aankoop van het
vervangende voertuig (aangekocht na het ongeval);
t. de aankoopfactuur van het vervangende voertuig;
u. bewijs van financiering van het voertuig aangekocht
na het ongeval en bewijs van de eerste 3 betalingen
aan de kredietinstelling;
D. ANDERE STUKKEN
v. bewijzen van de kledijschade en aanverwante
schade, zoals beschadigde bril, inhoud voertuig,
vernield uurwerk, … : foto’s, zo mogelijk
een getuigenverklaring, het aankoopbewijs, de factuur
betreffende de herstelling of betreffende de aankoop
van een nieuwe bril, broek, …, en dergelijke
; zo mogelijk de facturen terzake overmaken, of
desnoods een bestek vanwege de verkoper ;
w. en alle andere bewijzen m.b.t. gedane kosten
of andere geleden schade ten gevolge van het ongeval.
|
©
Pascal
Mortier
advocaat
te Gent
|
V.Z.W.
VERKEERSSLACHTOFFERS kan jullie enkel dienen dankzij
onze bereidwillige medewerkers. Onze V.Z.W. ontvangt
geen enkele subsidie noch sponsoring. Onze enige
inkomsten zijn de lidgelden. Op vandaag tellen wij
minder dan 10 leden.
Je
wordt lid (voor
een jaar) door storting van
slechts 15
€ op bankrekening
979-9574501-24
(IBAN: BE81 9799 5745 0124 - BIC:
ARSPBE22).
|
|
Vragen van leden betreffende
vergoeding (bij totaal verlies of herstelling)
van uw voertuig
Lid:
"De verzekeringsexpert en mijn
garagist zijn na enige discussie overeengekomen wat de herstellingsprijs
betreft. Is alles nu in orde ?"
V.Z.W.: De herstellingsprijs vormt slechts
één bestanddeel van de volledige schadebegroting
(zie
hoger De
herstelling van het voertuig,
zijnde
nr. 3 en 4). Er kunnen derhalve nog steeds betwistingen
van juridische aard overblijven, meerbepaald aangaande
de gebruiksderving, de stalling of andere schadeposten.
De verzekeringsmaatschappijen vergoeden in principe enkel
volgens de richtlijnen van hun eigen RDR-systeem; maar
u heeft recht op volledige vergoeding van alle schade
(zoals bepaald in art. 1382 Burgerlijk Wetboek).
Lid:
"De expert van de verzekeringsmaatschappij
heeft laten weten dat mijn auto een perte totale zou zijn.
Hij schat de
vervangingswaarde op 5.000,00 € (meer B.T.W.)
, maar er moet 1.000,00 € voor het wrak worden afgetrokken.
Volgens mijn garagist zou een goede herstelling 4.500,00
€ kosten (meer B.T.W.). Mag ik herstellen ?"
V.Z.W.: Daar u eigenaar is en blijft
van het voertuig, beslist u uiteraard volledig autonoom
of u het voertuig al dan niet herstelt. Dit heeft geen
enkele invloed op de omvang van de vergoeding. U blijft
derhalve gerechtigd op 5.000,00 € + 1.050,00 €
(21 % B.T.W.) min 1.000,00 € (wrakwaarde) = 5.050,00
€, meer bepaalde bijkomende schadeposten (sleepkosten,
B.I.V., administratiekosten, intresten, …).
Tevens moet men zich afvragen of de vervangingswaarde
niet te laag werd geraamd door de verzekeringsexpert,
aangezien dit zeer vaak het geval is
(zie hoger vervangingswaarde
en wrakwaarde, zijnde
nr. 5). In dit kader doet u er dan ook goed aan
een eigen raadgevende voertuigexpert (technisch raadsman)
aan te stellen ; deze zal wellicht tot een hogere vervangingswaarde
komen, zodat het voertuig toch als herstelbaar (en dus
niet meer als een totaal verlies) moet worden beschouwd.
De verzekeringsmaatschappij moet trouwens voor ogen houden
dat bij totaal verlies bijkomende schadeposten ontstaan,
zoals B.I.V. en fiscale zegels inschrijving nummerplaat
en eventueel ook een langere gebruiksderving en meer stallingskosten.
Zie :
Dit
doet uiteraard de weegschaal doorwegen in de richting van
herstelbaarheid.
Lid:
"Na mijn opmerkingen heeft de
expert van mijn maatschappij de waarde vóór
ongeval verhoogd met 500,00 €. Maar ik ga daarmee nog
steeds niet akkoord. De expert heeft mij een lijst gegeven
met vier namen van andere voertuigexperten en hij vraagt
mij één van deze vier aan te duiden. Wie moet
ik kiezen ?"
V.Z.W.: Geen enkele van deze vier personen.
Het is aangeraden om zelf een onafhankelijke voertuigexpert
aan te duiden, die zijn eigen onderzoek zal voeren.
Indien u één van de vier experts zou aanduiden,
dan wordt met deze expert een arbitrage georganiseerd,
wat onvoldoende waarborgen voor een objectieve beoordeling
biedt. Zie
hoger "Hoe
kan u de zienswijze van de verzekeringsexpert betwisten
?"(nr.
13,
14,
en 15).
Lid:
"Graag
had ik meer informatie bekomen over de schaderegeling wanneer
een auto als “ totaal verlies “ wordt beschouwd
door de expert .
Om
de waarde vóór het ongeval van de auto te
bepalen kan de expert of de rechtbank vertrekken van ofwel
de cataloluguswaarde dan wel de vervangingswaarde van de
auto . Welke berekeningen dient men te maken enerzijds ,
vertrekkend van de cataloguswaarde en anderzijds , vertrekkend
van de vervangingswaarde om zodoende de waarde van de auto
vóór het ongeval te bepalen ?
Het
zou mij ten zeerste verheugen mocht u mij hiermee kunnen
helpen."
V.Z.W.:
De raming van de vervangingswaarde (“waarde vóór
ongeval”) van een voertuig gebeurt op uiteenlopende
wijzen.
Vooreerst
past het enigszins te verduidelijken wat de vergoedbare
vervangingswaarde is. Deze benadert zeer dicht de gebruikswaarde
voor de eigenaar. Zij slaat niet zozeer op de verkoopwaarde
van het voertuig op de dag van het ongeval, omdat de eigenaar
geenszins de bedoeling had zijn voertuig te verkopen.
Bij de bepaling van de vervangingswaarde moet rekening
worden gehouden met alle concrete elementen van het voertuig,
zoals : de (al dan niet) goede staat van onderhoud en
van bewaring, het (al dan niet hoge) aantal gereden kilometers,
alle toebehoren, de ouderdom van het voertuig, e.d. Soms
kan ook de leeftijd van de eigenaar-schadelijder een rol
spelen : gaat het bvb. om een man van 86 jaar die nog
af en toe rondrijdt met een zeven jaar oude wagen, dan
zal men minder rap tot een totaal verlies moeten besluiten.
In
de praktijk kijken de verzekeringsdeskundigen grotendeels
naar de werkelijk betaalde aankoopprijs ; daarop passen
zij een degressief afschrijvingspercentage toe, bvb. van
17 of 18 % (mede afhankelijk van de vraag of het gaat
om een diesel- of een benzinewagen). Maar gaat het om
een auto van bvb. 5 jaar oud, dan zou de aankoopprijs
vooreerst moeten worden geherwaardeerd, dus moeten worden
vermeerderd overeenkomstig het indexcijfer, of juister
overeenkomstig de ondertussen toegenomen aankoopprijs
voor een soortgelijk voertuig.
Een
gerechtsdeskundige die als voertuigexpert wordt aangesteld
om de vervangingswaarde te schatten zal doorgaans als
volgt te werk gaan. Eerst zal hij het voertuig nauwkeurig
beschrijven : opties, type, staat van onderhoud en van
bewaring, e.d. Vervolgens zal hij nagaan wat de huidige
catalogusprijs is voor een soortgelijk voertuig ofwel
zal hij, wanneer dit type van voertuig bvb. niet meer
wordt gefabriceerd, de historische aankoopprijs verhogen
met een percentage overeenkomstig de stijging van het
indexcijfer. Daarna past hij daarop een degressieve afschrijving
toe. Tevens zal hij aan enkele gespecialiseerde handelaren
van tweedehandse voertuigen vragen welke prijs zij zouden
kunnen bekomen voor een soortgelijk voertuig, dus voor
een voertuig met die ouderdom, met die opties, en zo meer
; wanneer bvb. zes handelaren reageren zal de gerechtsdeskundige
daarvan een gemiddelde maken, en soms zal hij de hoogste
en laagste prijs weglaten (zeker wanneer die prijs abnormaal
lijkt te zijn).
Soms,
maar de laatste tijd minder, wordt ook rekening gehouden
met de afgelegde afstand ; maar nu de wagens niet meer
worden vervangen omwille van de afgelegde afstand, wordt
steeds minder met deze afstand rekening gehouden bij de
bepaling van de vervangingswaarde.
Er
bestaat dus wel degelijk een vrij belangrijk verschil
naargelang men zich moet steunen op de raming van een
verzekeringsdeskundige dan wel op een raming door een
gerechtsdeskundige. De verzekeringsmaatschappijen weten
ook dat het uitlokken van een gerechtelijke expertise
om de juiste vervangingswaarde te bepalen omslachtig en
duur uitvalt en dat de meeste mensen zich een dergelijke
procedure ontzien.
Overigens
is het ook zo dat bij een minnelijke regeling met de verzekeringsmaatschappijen
bovendien allerlei bijkomende schadeposten achterwege
worden gelaten. Dit alles werd trouwens omstandig uiteengezet
op onze website :
http://users.skynet.be/vzw-verkeersslachtoffers/voertuig-expertise.html#bijzonder
.
Lid:
"Vier jaar geleden werd ik
aangereden door een werkelijk onvoorzichtige autobestuurder.
Mijn motorfiets was totaal vernield. Maar het ergste waren
de lichamelijke letsels van mijn vrouw. Mijn verzekeraar
rechtsbijstand
liet van in het begin weten dat zij alles zou regelen,
en ik had geen enkele reden om daaraan te twijfelen. Maar
ook later, toen duidelijk werd dat de voorgestelde schadevergoeding
al te laag lag, bleef mijn rechtsbijstandverzekeraar weigeren
om een voertuigexpert en een advocaat in te schakelen.
Ik heb uiteindelijk het bedrag voorgesteld door tegenpartij
moeten aanvaarden, ook omdat mijn makelaar mij dit vroeg.
Ik wilde vanzelfsprekend niet zelf de zware kosten voor
mijn verdediging betalen. Ik blijf mij nog steeds bekocht
voelen. Hoe kan ik dit in de toekomst vermijden ?"
V.Z.W.: Een verzekeringsmaatschappij
streeft, zoals elke handelsonderneming, winst na. Specifiek
van een rechtsbijstandsverzekeraar mag een loyale bereidwilligheid
om haar contractuele verbintenissen na te leven worden
verwacht. Is dit niet het geval, zoals u heeft meegemaakt,
dan doet u er goed aan om eerst via uw makelaar de nodige
argumenten kenbaar te maken aan uw rechtsbijstandsverzekeraar.
Lukt dit niet, dan kan u aan uw advocaat vragen om uw
verzekeraar rechtsbijstand aan te manen.
Blijft deze Oost-Indisch doof, dan kan u klacht neerleggen
bij de Ombudsdienst voor de Verzekeringsondernemingen
(zie de rubriek Klachten).
|
CONTACTEER EEN VAN ONZE CONTACTPERSONEN
(ZIE ONDERAAN DEZE BLADZIJDE) OF
e-mail
ons BIJ PRAKTISCHE PROBLEMEN.
KOSTELOOS EN MET PLEZIER HELPEN WIJ U !
Word
lid van de V.Z.W. door storting van slechts 15 €/jaar
op
bankrekening 979-9574501-24
(IBAN: BE81 9799 5745 0124 - BIC: ARSPBE22)!
|
|
|
|
|
 |
|