<%@LANGUAGE="JAVASCRIPT" CODEPAGE="1252"%> voertuigexpert
 
V.Z.W. VERKEERSSLACHTOFFERS
Vereniging voor bijstand na een ongeval
Word geen tweede keer slachtoffer! Vraag tijdig Inlichtingen! Wij helpen U verder!
Juridisch - Voertuigtechnisch - Medisch
 
- Naar HOMEPAGE
Doel e-mail ons Contactpersonen Woordenlijst A-D / E-O / P-Z
Tips na een ongeval
Procedures
Vergoedingen
 
Voertuigschade
Lichamelijke schade
Psychologische hulp
 
Klachten
Adressen
Links
 
Woordenlijst
Heet van de naald
 
Inhoudstafel
 
E-mail onze V.Z.W.
DE VOERTUIGSCHADE ©

Alle met * gemarkeerde woorden kan men met hun verklaring terugvinden in de Woordenlijst



BETWISTINGEN OMTRENT DE VOERTUIGSCHADE

+ vragen van leden m.b.t. voertuigschade & vergoeding

 

 

Overzicht

 

De expert van de verzekeringsmaatschappij laat weten dat mijn voertuig een totaal verlies is en dat de vervangingswaarde ("waarde vóór ongeval") maar 10.000 € bedraagt. Hoe kan ik de besluiten van de verzekeringsdeskundige betwisten? zie nr. 12. en 13.

Wanneer kan men spreken van een (economisch of technisch) totaal verlies (zie nr. 1. Totaal verlies)? En op welke vergoeding voor de vervangingswaarde (zie nr. 5. vervangingswaarde en wrakwaarde) en voor bijkomende schade heb ik recht bij totaal verlies (zie hierna nr. 2 en 5 e.v.) ?

Indien mijn voertuig daarentegen herstelbaar is, welke bedragen kan ik vragen (zie nr. 3. De herstelling van het voertuig) ?

Kan ik steeds de B.T.W. op de vervangingswaarde of op de herstellingsprijs vorderen (zie nr. 6. B.T.W.) ? En hoe zit het met de gebruiksderving (nr. 7.), de stallingskosten (nr. 8), en de andere kosten (fiscale zegels, B.I.V., autolening,...) (nr 9) ?

Waarom zijn de schadebedragen voorgesteld door de verzekeringsmaatschappijen lager dan de bedragen waarop ik recht heb volgens het Belgische recht? - zie Vergoeding van uw voertuigschade door de verzekeringsmaatschapij (nr. 10. de verzekeringsexpert, 11. de R.D.R.-overeenkomst (en de E.O.), en 12. de zienswijze van de voertuigexpert betwisten).

Zie ook : vergoeding op basis van een eigen (omnium)verzekering


 

 

Noten vooraf:

a. om te weten of u wel recht heeft op vergoeding van uw voertuigschade: zie Gevallen van vergoedbaarheid van voertuigschade

b. wie volledige vergoeding voor de voertuigschade wil bekomen moet in vele gevallen het voertuig bewaren totdat een tegensprekelijke expertise is doorgegaan - zie Tips na een ongeval , nr. 1 (vooral 1.3)

c. Gaat het om een omnium verzekerd voertuig, zie dan tevens omniumverzekering (zijnde Vergoedingen, nr. 5.4).

 

a. Totaal verlies

1. Vaak zal uw auto, motorfiets, fiets,... te erg beschadigd zijn om nog te kunnen worden hersteld. Er bestaan twee soorten van totaal verlies:

a. wanneer het voertuig onmogelijk nog in een voldoende goede staat kan worden hersteld spreekt men van een technisch totaal verlies;

b. indien het om financiële redenen niet meer verantwoord is de herstellingen te laten uitvoeren, dan spreekt men van een economisch totaal verlies.

Deze tweede vorm van totaal verlies komt begrijpelijkerwijze veruit het meest voor in de praktijk. Vaak is het technisch nog mogelijk het voertuig te herstellen maar is dit niet aangewezen volgens het gezond verstand. De bepalende factoren daarvoor zijn vooral de herstellingskosten , de vervangingswaarde * en de wrakwaarde * (zie de bespreking van deze begrippen verder onder nr. 5).

De experts van de verzekeringsmaatschappij maken doorgaans een brute berekening om te beslissen of het gaat om een economisch totaal verlies, nl. : als de herstellingskosten hoger belopen dan het bedrag van de waarde vóór ongeval verminderd met de wrakwaarde. Als de herstellingskosten bvb. 8.000 € (meer B.T.W.) belopen, en als de vervangingswaarde wordt geraamd op 10.000 €, dan zal de voertuigexpert beslissen tot een (economisch) totaal verlies van zodra hij voor het wrak een bod ontvangt van meer dan (10.000 - 8.000 =) 2.000 €. Want dan valt totaal verlies en dus vervanging van het voertuig goedkoper uit dan herstelling.

De wrakwaarde is in de praktijk de hoogste prijs die voor de restanten wordt bekomen.

Let op: in de meeste gevallen is de voertuigexpert die de door u geleden autoschade beoordeelt en raamt in werkelijkheid aangesteld door de verzekeringsmaatschappij die de vergoeding moet betalen aan u; deze expert is dus zeker niet onpartijdig! Zie verder onder d. !

De rechtspraak neemt bij twijfel of het al dan niet gaat om een (economisch of technisch) totaal verlies vaak argumenten aan die steunen op de redelijkheid en de billijkheid. Gaat het bijvoorbeeld om een man van 80 jaar die nog een paar jaar met zijn autootje wil rijden, om een old timer, of dergelijke meer, dan zal men moeilijker totaal verlies toestaan.

Wanneer de verzekeringsexpert besluit tot een totaal verlies, terwijl uzelf herstelling verkiest, kan het toch aangeraden zijn dat u de duiding totaal verlies niet aanvecht (en omgekeerd): zie hieronder nr 4, opmerking 2.

2. Bij totaal verlies van het voertuig (om technische of economische overwegingen) is de schadelijder gerechtigd op de volgende vergoedingen (aan de hand van een vrij willekeurig voorbeeld):

  • vervangingswaarde* (“waarde vóór ongeval”): 10.000,00 €
  • 21 % B.T.W. op dit bedrag: 2.100,00 €
  • min de wrakprijs (reeds aan u betaald door de wrakopkoper): - 2.100,00 €
  • belasting op de inverkeersstelling (B.I.V.): 123,95 €
  • sleepkosten volgens factuur (B.T.W. inbegrepen): 150,00 €
  • gebruiksdervingsvergoeding (ook "onbruikbaarheidsvergoeding" of "stilligschade" genoemd), nl.:
    • wachttijd*, zijnde het aantal dagen waarin de benadeelde in het ongewisse is gebleven over de duiding totaal verlies, aan 800 fr. of juister 20€ per dag, dus 10 dagen wachttijd x 20€: 200 €
    • vervangings- of mutatieduur : 30 dagen x 20 €=: 600 €
  • admistratie-, correspondentie-, telefoon- en aanverwante kosten, naar billijkheid: 70,00
    -----------------
  • totaal in hoofdsom: 11.143,95 €
  • de vergoedende intrest (doorgaans aan de wettelijke rentevoet*, thans 3,75 %, of soms aan 5 %), vanaf de dag van het ongeval tot de dag van de daadwerkelijke betaling; bvb. betaling na een half jaar : 392 €
    -----------------
  • totaal op de dag van de betaling: 11.535,95 €
  • bovendien nog de eventuele kosten voor de financiering van het voertuig en mogelijks andere schadeposten.

Deze diverse schadeposten worden verder uitgebreid besproken onder nr. 5 e.v. " Enkele bijzondere schadeposten ".

Voor alle duidelijkheid: voormelde wrakprijs t.b.v. 2.100 € wordt aan de schadelijder uitbetaald door de wrakopkoper, zodat zij niet meer in rekening kan worden gebracht tegenover de aansprakelijke (dus tegenover de B.A.-verzekeraar*) - zie hierna nr. 5.3.

Is er een verzekering eigen schade, zie dan bovendien Omniumverzekering.


b.
De herstelling van het voertuig 

3. Wordt het voertuig herstelbaar geacht (en dus niet als een totaal verlies beschouwd), dan heeft de benadeelde recht op de volgende vergoedingen :

  • herstellingsprijs: 10.000,00 €
  • 21 % B.T.W. op dit bedrag: 2.100,00 €
  • sleepkosten: 150,00 €
  • vergoeding van de gebruiksderving , nl.:
    • wachttijd van 10 dagen x 20 €= 200 €
    • herstellingsduur (zijnde het aantal kalenderdagen nodig om het voertuig terug te herstellen) van 8 dagen x 20 €=: 160 €
  • admistratie-, correspondentie-, telefoon- en aanverwante kosten, naar billijkheid: 70,00 €
    -----------------
  • totaal in hoofdsom: 12.680 €
  • de vergoedende interest (aan de wettelijke rente *, of soms aan 5 %), vanaf de dag van het ongeval tot de dag van de daadwerkelijke betaling; bvb. betaling na een half jaar: 443,69 €
    ----------------
  • totaal verschuldigd op de dag van de betaling: 13.120,63 €

4. Opmerking 1 : de benadeelde kan vragen dat zijn auto zo goed mogelijk terug in de vroegere staat wordt hersteld; hij dient dan ook niet in te stemmen met het gebruik van minder degelijke piratenonderdelen, en nog minder met het oplappen i.p.v. het degelijk herstellen.

Opmerking 2 : volgens de berekening hierboven onder nr. 2 bekomt u bij totaal verlies slechts een vergoeding van 11.597,95 €. U ontvangt dan wel bovendien 2.100 € van de wrakkoper, hetzij in totaal 13.697,95 €, maar daartegenover staat natuurlijk dat u bij herstelling eveneens uw voertuig mag behouden.

Opmerking 3: zowel bij totaal verlies als bij herstelbaarheid van het voertuig heeft de benadeelde het volste recht om zijn wagen te verkopen (zie ook verder nr. 5.3); ook dan behoudt hij het recht op volledige vergoeding, B.T.W. inbegrepen.

Opmerking 4: als uw fiets werd beschadigd gelden grosso modo dezelfde principes; ook dan heeft u recht 1° op een degelijke herstelling ofwel op de werkelijke vervangingswaarde, 2° op een zekere vergoeding voor gebruiksderving (aan 5 € per dag) en voor bewaring (stalling), en 3° op vergoeding van de administratiekosten. Bij betwisting over de herstellingsprijs of de vervangingswaarde van de fiets zal ook hier normalerwijze een tegensprekelijke expertise moeten doorgaan (zie hierover verder nr. 13 e.v.)

Opmerking 5: de KEUZE tussen totaal verlies dan wel herstelbaarheid ligt in eerste instantie niet bij u maar wel bij de vergoedingsplichtige, dus bij de B.A.-verzekeraar. Deze mag dus de goedkoopste van de 2 oplossingen kiezen. Maar kiest hij voor totaal verlies, dan moet hij ook de bijkomende schadeposten vergoeden, zoals bvb. de B.I.V. en de mutatieduurvergoeding (van in principe 15 dagen x 20 euro).

En dat u persoonlijk na de duiding totaal verlies toch tot herstelling overgaat is uw volste recht.

Art. 83 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, afgekort “W.L.O.” : “De benadeelde beschikt vrij over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding. Het bedrag van de schadevergoeding mag niet verschillen naar gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken”. Dus ongeacht of een benadeelde zijn beschadigde wagen al dan niet niet laat herstellen noch vervangt door een ander voertuig, hij behoudt het recht op dezelfde schadevergoeding, ook wat de B.T.W. betreft. De verzekeringsmaatschappij mag dus aan u niet vragen of u het beschadigde voertuig wel heeft vervangen of hersteld; dit is immers van geen belang.
Zie ook hierna onder nr. 5.3, laatste gedachtestreep, en wat de BTW betreft hierna onder nr 6.1.



c. De belangrijkste schadeposten

Overzicht:


5. De vervangingswaarde (en de wrakwaarde) autoschade

5.1 Wanneer het om technische of economische redenen niet verantwoord is het voertuig te herstellen, is er sprake van totaal verlies (zie hoger nr. 1). In dit geval dienen de vervangingswaarde en de wrakwaarde te worden bepaald.

5.2 De verzekeringsdeskundigen spreken niet van vervangingswaarde maar van “waarde voor ongeval”; zij bedoelen daarmee dat deze waarde hoofdzakelijk wordt bepaald door een forfaitair afschrijvingspercentage op de aankoopprijs en door de prijzen voor gelijkaardige wagens op de tweedehandsmarkt. Bij een dergelijke berekening van de vervangingswaarde gaan de verzekeringsexperts regelmatig uit van nadelige en dus onaanvaardbare uitgangspunten:

a. deze expert vertrekt meestal van de werkelijke aankoopprijs na aftrek van de genoten korting; vaak kan de benadeelde echter niet meer een dergelijke korting genieten en moet hij in werkelijkheid een hogere prijs betalen voor een soortgelijk nieuw voertuig;

b. het toegepaste afschrijvingspercentage blijkt vaak hoger te liggen dan redelijk is, zodat uiteraard het eindresultaat negatief uitvalt;

c. bij de vergelijking met de prijzen geldend op de tweedehands markt wordt er geen rekening mee gehouden dat vele tweedehandse auto’s in slechte staat verkeren en zelfs beschadigd zijn, terwijl uw voertuig op de dag van het ongeval integendeel in goede staat van onderhoud en bewaring verkeerde en dus een merkelijk hogere waarde had dan de gemiddelde prijs op de tweedehandsmarkt; bovendien vragen de experten van de verzekeringsmaatschappij vaak aan enkele professionele opkopers van tweedehandse wagens welke prijs zij zouden willen betalen voor een dergelijk voertuig, terwijl niet deze aankoopprijs maar wel hun (hogere) verkoopprijs voor u van tel is;

d. soms zwaait de verzekeringsexpert met een “officiële” uitgave van gemiddelde prijzen op de tweedehandsmarkt, maar ook deze gemiddelden liggen om dezelfde redenen te laag.

U kan daarentegen vergoeding eisen overeenkomstig de correct berekende werkelijke vervangingswaarde. Het juiste criterium om de vervangingswaarde (door de verzekeringsdeskundigen steevast "waarde voor ongeval" genoemd) te bepalen kan worden beschreven als volgt:

wat is de gebruikswaarde, zijnde de waarde bepaald vanuit het standpunt van de gebruiker, die zijn voertuig heeft aangekocht volgens zijn behoeften en wensen, die het degelijk heeft onderhouden en bewaard, en die de volledige voorgeschiedenis van het voertuig kent ? De vervangingswaarde is m.a.w. de geldsom die noodzakelijk dient te worden uitgegeven voor de aanschaf van een volledig gelijkaardig voertuig, dus van hetzelfde merk en type, en met dezelfde waarborgen, ouderdom, afgelegde afstand, eigenschappen, toebehoren, en staat van onderhoud en van bewaring.

De cataloguswaarde volgens bepaalde boekjes, de handelswaarde op de tweedehands markt en de aankoopprijs leveren derhalve slechts in beperkte mate een aanwijzing op voor de werkelijke gebruikswaarde van de wagen op de dag van het ongeval. Dit is zeker zo indien uw voertuig goed onderhouden is en/of weinig km. heeft afgelegd.

Zie ook "vragen van leden ", o.a. betreffende de berekening van de vervangingswaarde.

5.3 De wrakwaarde, de beste verkoopprijs voor de restanten, zal in de meeste gevallen worden bepaald door toedoen van de voertuigexpert van de verzekeringsmaatschappij. Deze deskundige zal in de praktijk meerdere professionele wrakopkopers contacteren met de vraag om binnen een zekere termijn (bvb. 1 maand) schriftelijk een bod uit te brengen op het wrak; na deze termijn wordt het wrak toegewezen aan de hoogste bieder. Het hoogste bod is de wrakwaarde.

Maar u is en blijft eigenaar van het voertuig / wrak tot aan de verkoop ervan. U heeft dus bepaalde verplichtingen.Van zodra u het hoogste bod vernomen heeft, moet u deze hoogste bieder verzoeken het wrak af te halen; doe dit bij voorkeur per aangetekende brief of per fax, met opgave van de plaats van afhaling en van de wijze waarop de wrakprijs aan u kan worden betaald.

Mogelijke verwikkelingen:

- de voertuigexpert laat alles maar aanmodderen of hij handelt niet correct; dan: hem contacteren en tevens uw makelaar of uw B.A.-verzekeraar (en/of uw rechtsbijstandverzekeraar) verwittigen; zo nodig: de expert aangetekend aanmanen;

- eerst is sprake van herstelling van uw auto, maar opeens wordt een zeer hoog wrakbod kenbaar gemaakt waardoor tot economisch totaal verlies* moet worden besloten; deze situatie biedt het voordeel dat u een hogere vergoeding kan bekomen voor de gebruiksderving, die immers loopt totdat u weet dat uw auto onherstelbaar is, meer de vervangingsduur (zie nr 7 hierna);

- de wrakopkoper die het hoogste bod heeft ingediend wordt door u gecontacteerd, maar hij daagt niet op binnen de week; dan: hem per aangetekende brief aanmanen + de voertuigexpert verwittigen; let op: wanneer de garage kosten voor de stalling aanrekent zal u deze mogelijks slechts gedeeltelijk kunnen recupereren, want de schadeveroorzaker en diens B.A.-verzekeraar moeten enkel de schade vergoeden die redelijkerwijze als een gevolg van het ongeval kan worden aangenomen;

- de wrakopkoper heeft het wrak meegenomen zonder te betalen; u is onvoorzichtig geweest; zorg ervoor dat ten laatste bij de afhaling wordt betaald aan uzelf of aan een gevolmachtigde (bvb. de garagist bij wie het wrak staat);

- u vindt een hoger wrakbod dan dit vanwege de verzekeringsexpert of u verkiest het wrak niet te verkopen (maar gedeeltelijk of geheel zelf te gebruiken, bvb. voor herstelling): u is en blijft eigenaar van het wrak, en u beslist dus zelf of u het verkoopt en zo ja aan wie - zie ook hierboven onder nr. 4, opmerking 5.

5.4 Hoe moet de wrakprijs worden afgetrokken van de vervangingswaarde?

Eerst moet de vervangingswaarde (zie hierboven nr 5.2), inclusief de verschuldigde BTW (zie hieronder nr 6), worden bepaald. Deze waarde, bvb. 12.100 euro (BTW inbegrepen), wordt vanaf de dag van het ongeval vermeerderd met vergoedende intrest, die doorgaans aan de wettelijke rentevoet wordt bepaald.

Omdat u het wrak behoudt (en dus kan verkopen) wordt de prijs ervoor of juister de waarde van dit wrak afgetrokken. De af te trekken wrakprijs mag niet worden verhoogd met BTW, omdat uzelf als schadelijder geen enkel baat heeft bij deze BTW (het principe van de zogenaamde "voordeeltoerekening" speelt hier); overigens wordt het wrak meestal opgekocht door een handelaar, die de BTW uiteindelijk niet moet dragen. De (negatieve) intrest op de af te trekken wrakprijs kan trouwens maar beginnen vanaf de dag waarop u de betaling van deze wrakprijs heeft ontvangen; maar meestal wordt gemakshalve hier eveneens de dag van het ongeval aangenomen.

Een praktisch voorbeeld (zie ook het meer gedetailleerde voorbeeld hierboven onder nr. 2 Totaal verlies):

a) vervangingswaarde t.b.v. 10.000 meer BTW erop (21%): 12.100
meer intrest vanaf datum ongeval, bvb. 430 €

b) meer sleepkosten, B.I.V., gebruiksdervingsvergoeding, administratie- en aanverwante kosten, en zo meer, bvb. samen t.b.v.: 600

c) totaal (a+b): 13.130

d) min de wrakprijs: - 1.000
meer (negatieve) intrest vanaf datum verkoop, bvb. - 30 €

e) te betalen aan u: 12.100


Of vereenvoudigd:

a. voertuigschade tbv 12100 + 600 - 1000 €: 11.700 €
b. meer vergoedende intrest vanaf datum ongeval : 385 €
c. te betalen aan u: 12.085 €


6.
De B.T.W. autoschade schade aan voertuig

6.1 In principe is de schadeveroorzaker niet alleen het bedrag van de vervangingswaarde of van de herstellingsprijs zelf verschuldigd, maar tevens het bedrag van de B.T.W. daarop.

Dit recht op het B.T.W.-bedrag bestaat in alle gevallen; dus ook indien de schadelijder na het ongeval zijn voertuig niet laat herstellen noch vervangt door een ander voertuig, ofwel het vervangt door een tweedehands voertuig (waarop slechts de BTW over de "marge", dus de winst, verschuldigd is). De verzekeringsmaatschappij mag derhalve niet aan u vragen dat u de herstellingsfactuur moet toesturen of dat u de aankoop van een vervangende wagen moet bewijzen.

Dit werd wettelijk vastgelegd. Art. 83 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, afgekort “W.L.O.”, luidt: “ De benadeelde beschikt vrij over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding. Het bedrag van de schadevergoeding mag niet verschillen naar gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken”.

De indicatieve tabel vermeldt in dezelfde zin: "In geval van totaal verlies heeft de schadelijder, niet BTW-plichtige, recht op de BTW ongeacht of hij de hem toekomende schadevergoeding al dan niet gebruikt voor de vervanging van het vernielde voertuig dan wel voor de vervanging door een tweedehandswagen waarop bij de aankoop geen BTW verschuldigd is of slechts de BTW op het verschil tussen de verkoop- en inkoopprijs van de garagist.

De BTW moet worden vergoed tegen het tarief dat van kracht is op het ogenblik van de vervanging van het voertuig.

Indien het voertuig van een niet BTW-plichtige bij een ongeval wordt beschadigd heeft de schadelijder recht op de BTW ongeacht of hij al dan niet de herstelling laat uitvoeren".

DUS:
- uw wagen is totaal verlies, en u vervangt hem door een tweedehands voertuig: toch recht op BTW berekend op de werkelijke
vervangingswaarde
- uw wagen is totaal verlies, maar u vervangt hem niet: toch recht op BTW berekend op de werkelijke vervangingswaarde
- uw wagen is geen totaal verlies maar u vervangt hem toch: recht op BTW op de normale herstellingsprijs
- uw wagen wordt door uzelf hersteld: toch recht op de normale herstellingsprijs, BTW inbegrepen (of bij herstelling na duiding totaal verlies toch recht op BTW berekend op de werkelijke vervangingswaarde).

Vanzelfsprekend hebben de B.T.W. -plichtigen die 50 % (respectievelijk 100%) van de B.T.W. op de aankoopprijs of op de herstellingsprijs kunnen recupereren slechts recht op 50 % (respectievelijk 0%) van het B.T.W.-bedrag. Dus indien u de helft (of de totaliteit) van het BTW-bedrag fiscaal mag aftrekken, zal de aansprakelijke u uiteraard slechts de helft (resp. 0%) van het BTW-bedrag moeten betalen.

Ter herinnering: de wrakprijs die van uw schadevergoeding wordt afgetrokken is zonder BTW (zie hierboven nr 5.4).

 


7.
De gebruiksderving

7.1 Het aantal dagen dat het voertuig als gevolg van het ongeval niet kon worden gebruikt noemt men de gebruiksdervingsduur (ook "onbruikbaarheid" of "stilligschade" genoemd). Voor deze volledige periode heeft de benadeelde recht op een vergoeding, die voor een auto meestal wordt bepaald op 20 € (800 fr.) per dag (zie de juiste dagvergoedingen verder onder nr. 7.4).

De voorwaarde is dan wel dat deze derving van het gebruik van de auto wel degelijk een gevolg is van het ongeval, en bvb. niet van de nalatigheid van de benadeelde zelf.

Zo zal de gebruiksderving niet worden vergoed in de mate dat zij voortvloeit uit het nodeloos twijfelen van de benadeelde om het voertuig te laten herstellen of om een gerechtsdeskundige* te laten aanstellen.
Van zodra u weet (of moet beseffen) dat uw voertuig een totaal verlies is, mag u in principe niet meer wachten om een vervangend voertuig aan te kopen. Wacht u daarmee toch nog, bvb. omdat u een hogere vervangingswaarde wil bekomen voor het vernielde voertuig, dan zal dit niet als een voldoende reden van uitstel van aankoop van een vervangende wagen worden beschouwd en dan zal u voor de duurtijd van deze nodeloze gebruiksderving geen vergoeding kunnen bekomen.

Heeft de benadeelde daarentegen met de nodige zorg de betwistingen verdergezet, dan kan hij in bepaalde gevallen een vergoeding voor gebruiksderving bekomen van bvb. 200 dagen x 20 €= 4.000 €, of zelfs meer.

In feite is het principe eenvoudig : u beschikt gedurende een aantal dagen niet over uw auto zonder dat u daaraan fout heeft en voor deze periode heeft u recht op 20 euro per dag; maar nodeloze vertragingen door u moet u zelf dragen.

Let wel op: de vervanging(sduur) heeft niets te maken met de duur van bewaring van het beschadigde voertuig; in de meeste gevallen is het noodzakelijk om de beschadigde wagen in ongewijzigde staat te bewaren totdat de nodige tegensprekelijke vaststellingen zijn gebeurd; dit is totdat het onderzoek door de twee experten (deze van tegenpartij en deze van uzelf) gezamenlijk ofwel door de gerechtsdeskundige achter de rug is.
Soms mag het voertuig voordien worden weggemaakt, nl. als er voor de tegensprekelijke voertuigexpertise voldoende andere goede bewijzen bestaan (bvb. een gedetailleerd herstellingsbestek van de verzekeringsexpert, foto's, door de 2 partijen aanvaarde testresultaten, en/of dergelijke). Dit moet u bespreken met uw eigen expert en desgevallend met uw advocaat.


7.2
De gebruiksderving kan worden onderverdeeld als volgt:

a. vanaf de dag van het ongeval tot de dag waarop de voertuigexpert de herstellingsprijs of de duiding totaal verlies heeft kenbaar gemaakt loopt de wachttijd; deze bestaat niet wanneer de benadeelde onmiddellijk wist (of moest weten) dat zijn voertuig een totaal verlies betreft;

b.
de verdere gebruiksderving verschilt naargelang het al dan niet gaat om een totaal verlies:

  • herstellingsduur, zijnde het aantal weekdagen nodig om het voertuig na volledige herstelling terug te kunnen beginnen gebruiken;
  • vervangings- of mutatieduur: van zodra het voertuig als een totaal verlies moet worden beschouwd, tot de dag waarop het vervangende voertuig kan worden gebruikt (d.w.z. na aankoop, leveringstermijn en administratieve formaliteiten).

Indien de schadelijder bij totaal verlies niet de juiste vervangingsduur kan aantonen, zal deze duur worden bepaald op 15 dagen.

De indicatieve tabel schrijft voor:

"Wachtdagen - Als het voertuig niet buiten gebruik is: 1 dag; anders het aantal dagen tussen het ongeval en de eerste expertise.

Vervangdagen: het bewezen aantal dagen of forfaitair 15 dagen".

Bij totaal verlies zal in de meeste gevallen 3 dagen wachttijd + 15 dagen vervangingsduur = 18 dagen gebruiksderving worden toegekend. Maar als deze termijn in werkelijkheid langer was heeft u recht op vergoeding voor de volledige termijn.

De gebruiksdervingsduur bij herstellingen is meestal korter. Deze duurtijd wegens de uit te voeren herstellingen wordt door de voertuigexpert in zijn verslag vermeld, uitgedrukt in werkdagen. Vakantie- en soortgelijke dagen die in deze herstellingstermijn vallen moeten hier uiteraard worden bijgeteld om de werkelijke duurtijd van de gebruiksderving wegens herstellingen te kennen. Bvb. 3 dagen wachttijd + 2,5 dagen herstelling + 2 weekenddagen (waarop de garagist niet werkt) = 7,5 dagen gebruiksderving x 20 euro = 150 euro gebruiksdervingsvergoeding.

Een voorbeeld. B rijdt op 24 december 2010 tegen de geparkeerde wagen van A. Nog diezelfde dag geeft A het schadegeval aan bij zijn B.A.-verzekeraar. Zijn wagen wordt getakeld naar zijn garagist ; deze twijfelt eraan of het niet gaat om een totaal verlies, omdat de auto reeds 6 jaar oud is en omdat de herstellingskosten zwaar zullen uitvallen.

Pas op 3 januari 2011 onderzoekt de expert van de verzekeringsmaatschappij het voertuig. De expert raamt de herstellingskosten, in samenspraak met de garagist, op 6.000 € meer B.T.W. Hij vraagt aan een vijftal professionele verkopers van tweedehandse auto’s om een bod uit te brengen op het beschadigde voertuig, en dit binnen de 2 weken.

Op 1 februari 2011 ontvangt A een brief van de voertuigexpert, die daarbij het volgende meedeelt :

* de herstellingskosten worden geraamd op 6.000 € meer B.T.W. ;
* de vervangingswaarde wordt geschat op 8.000 € meer B.T.W. ;
* het hoogste wrakbod is afkomstig van garage Y en bedraagt 3.000 € ;
* het voertuig wordt dus beschouwd als zijnde een totaal verlies (omdat dit goedkoper uitvalt dan de herstelling van de auto) ;
* wil zo spoedig mogelijk het beschadigde voertuig, dus het wrak, verkopen aan de hoogste bieder, zijnde garage Y.

Pas bij de kennisname van dit bericht van de voertuigexpert stopt de wachttijd, zijnde de gebruiksderving die bestaat uit het moeten wachten op het standpunt van de expert.

Vanaf dan begint tezelfdertijd de vervangingsduur. A bestelt reeds op 3 februari 2011 een zeer gelijkaardige auto. Deze wordt geleverd op 20 april 2011. Na de afhandeling van de administratieve formaliteiten (ook voor de B.A.-verzekering) kan A de nieuwe wagen beginnen gebruiken op 24 april 2011. Vanaf deze datum stopt de vervangingsduur.

De vergoedbare gebruiksderving loopt dus vanaf 24 december 2010 tot 24 april 2011, zijnde gedurende niet minder dan 122 dagen.

In principe zou de vergoeding dienen te worden begroot op 122 dagen x 20 € = 2.440 € (meer intrest vanaf de datum van het ongeval of vanaf de gemiddelde datum). Maar dit zal toch zeker niet steeds het geval zijn :

* een deel van de rechters zal geneigd zijn om de totale som te verminderen ; daarbij kan overwogen worden dat de normale vergoeding van 20 €/dag is vastgelegd in de veronderstelling dat de gebruiksderving slechts een relatief korte termijn zou duren ; daartegenover kan worden gesteld dat de schadelijder op geen enkel ogenblik, althans tot 1 februari 2011 (datum kennisname zienswijze expert), kon vermoeden dat hij zó lang het gebruik van een auto zou moeten missen ;
* zou A vanaf bvb. 2 februari 2011 een auto hebben gehuurd tegen 30 €/dag, dan dient hij geen vrede te nemen met een vergoeding tegen maar 20 €/dag ;
* inzover de schadelijder A vertragingen zou hebben veroorzaakt, bvb. door niet tijdig de nodige documenten toe te sturen aan de expert, dan kan hij in die mate geen aanspraak maken op vergoeding voor de gebruiksderving ; algemener gesteld : de schadelijder kan geen vergoeding bekomen voor de schade die aan hemzelf te wijten is.

Heeft A gedurende een zekere tijd de auto van zijn echtgenote kunnen gebruiken, dan mag de vergoedingsplichtige dit niet inroepen. M.a.w., ook al heeft A de wagen mogen gebruiken van een familielid of vriend, dan nog behoudt hij het recht op de volledige gebruiksdervingsvergoeding.


7.3
De gebruiksdervingsduur kan vooral in de volgende twee gevallen sterk oplopen:

a. het gaat om een totaal verlies, u koopt een soortgelijk voertuig aan als het beschadigde voertuig, maar de leveringstermijn beloopt meerdere maanden;

b. er blijft betwisting bestaan omtrent de juiste herstellingsprijs of omtrent de duiding totaal verlies, zodat een gerechtsdeskundige dient te worden aangesteld en zodat moet worden gewacht tot de dag waarop deze deskundige de auto kan onderzoeken; pas op deze dag eindigt de wachttijd normalerwijze.

Een voorbeeld. B rijdt op 24 december 2010 tegen de geparkeerde wagen van A. Nog diezelfde dag geeft A het schadegeval aan bij zijn B.A.-verzekeraar. Zijn wagen wordt getakeld naar zijn garagist ; deze twijfelt eraan of het niet gaat om een totaal verlies, omdat de auto reeds 6 jaar oud is en omdat de herstellingskosten zwaar zullen uitvallen.

Pas op 3 januari 2011 onderzoekt de expert van de verzekeringsmaatschappij het voertuig. De expert raamt de herstellingskosten, in samenspraak met de garagist, op 6.000 € meer B.T.W. Hij vraagt aan een vijftal professionele verkopers van tweedehandse auto’s om een bod uit te brengen op het beschadigde voertuig, en dit binnen de 2 weken.

Op 1 februari 2011 ontvangt A een brief van de voertuigexpert, die daarbij het volgende meedeelt :

* de herstellingskosten worden geraamd om 6.000 € meer B.T.W. ;
* de vervangingswaarde wordt geschat op 8.000 € meer B.T.W. ;
* het hoogste wrakbod bedraagt 3.000 € ;
* het voertuig wordt dus beschouwd als zijnde een totaal verlies (omdat dit goedkoper uitvalt dan de herstelling van de auto) ;
* wil zo spoedig mogelijk het beschadigde voertuig, dus het wrak, verkopen aan de hoogste bieder, zijnde garage Y.


Pas bij de kennisname van dit bericht van de voertuigexpert stopt de wachttijd, zijnde de gebruiksderving die bestaat uit het moeten wachten op het standpunt van de expert.

Vanaf dan begint tezelfdertijd de vervangingsduur. A bestelt reeds op 3 februari 2011 een zeer gelijkaardige auto. Deze wordt geleverd op 20 april 2011. Na de afhandeling van de administratieve formaliteiten (ook voor de B.A.-verzekering) kan A de nieuwe wagen beginnen gebruiken op 24 april 2011. Vanaf deze datum stopt de vervangingsduur.

De vergoedbare gebruiksderving loopt dus vanaf 24 december 2010 tot 24 april 2011, zijnde gedurende niet minder dan 122 dagen.

In principe zou de vergoeding dienen te worden begroot op 122 dagen x 20 € = 2.440 € (meer intrest vanaf de datum van het ongeval of vanaf de gemiddelde datum). Maar dit zal toch zeker niet steeds het geval zijn :

* een deel van de rechters zal geneigd zijn om de totale som te verminderen ; daarbij kan overwogen worden dat de normale vergoeding van 20 €/dag is vastgelegd in de veronderstelling dat de gebruiksderving slechts een relatief korte termijn zou duren ; daartegenover kan worden gesteld dat de schadelijder op geen enkel ogenblik, althans tot 1 februari 2011 (datum kennisname zienswijze expert), kon vermoeden dat hij zó lang het gebruik van een auto zou moeten missen ;
* zou A vanaf bvb. 2 februari 2011 een auto hebben gehuurd tegen 30 €/dag, dan dient hij geen vrede te nemen met een vergoeding tegen maar 20 €/dag ;
* inzover de schadelijder A vertragingen zou hebben veroorzaakt, bvb. door niet tijdig de nodige documenten toe te sturen aan de expert, dan kan hij in die mate geen aanspraak maken op vergoeding voor de gebruiksderving ; algemener gesteld : de schadelijder kan geen vergoeding bekomen voor de schade die aan hemzelf te wijten is.

Heeft A gedurende een zekere tijd de auto van zijn echtgenote kunnen gebruiken, dan mag de vergoedingsplichtige dit niet inroepen. M.a.w., ook al heeft A een vervangingswagen mogen gebruiken van een familielid of vriend, dan nog behoudt hij het recht op de volledige gebruiksdervingsvergoeding.

7.4 De gebruiksdervingsvergoeding kan enkel op vrij ruwe wijze worden geraamd, zodat deze schadepost moet worden begroot op basis van forfaitaire vergoedingen.

De verenigingen van Belgische Magistraten hebben voor de belangrijkste categorieën van voertuigen de volgende forfaitaire vergoeding per dag gebruiksderving vastgelegd.

Deze "officieuze" tarieven voor de gebruiksdervingsvergoeding, die vrij algemeen door de rechters worden toegekend, zijn (per dag):

  • fiets : 5 € (per dag van gebruiksderving)
  • bromfiets (minder dan 50 cc) : 6,50 €
  • motorfiets tussen 50 en 450 cc : 9 €
  • motorfiets van meer dan 450 cc : 15 €
  • personenwagen (ook bij professioneel gebruik en bij leasing): 20 euro
  • stationwagen : 25 €
  • huurwagen (niet-leasing) : 46 €
  • lichte vrachtwagen :
    • - minder dan 2 ton netto laadvermogen : 37,5 €
    • - bijkomende vergoeding per ton netto laadvermogen hoger dan 2 ton(bovenop voormelde 37,5 €) : + 7,5 € (per bijkomende ton)
  • vrachtwagen :
    • tot 3 ton netto laadvermogen : 46 €
    • per bijkomende ton netto laadvermogen : + 10 € (per ton)
      • indien de eigenaar slechts 1 vrachtwagen bezit : 62 €
      • oplegger van een vrachtwagen : 87 €

Daarnaast hebben de Verenigingen van Magistraten van België nog meerdere andere tarieven voor de gebruiksderving voorzien, zoals voor autobussen (naargelang het aantal zitplaatsen), een ziekenwagen, en zo meer.

Meerbepaald voorziet de indicatieve tabel:

Gebruiksderving per dag:

aanhangwagen van een personenwagen (per dag gebruiksderving)

< 500 kg : 10 €
> 500 kg : 15 €


mobilhome : 50 €
caravan : 24 €

taxi grote maatschappijen : 46 €
taxi zelfstandige uitbater : 59,50 €

tankwagen:

< 3,5 ton netto laadvermogen : 112 €
> 3,5 ton netto laadvermogen : 112 € + 10 € per bijkomende ton


kraanwagen : 149 €
betonwagen : 174 €
landbouwtractor : 37,50 €
tractorvrachtwagen 163 pk trekker € : 112 €

oplegger vrachtwagen : 87 €
ziekenwagen : 87 €

autobus :

< 50 plaatsen : 45 €
50 tot en met 60 plaatsen : 89,50 €
> 60 plaatsen : 112 €
> 70 plaatsen : 136,50 €
> 80 plaatsen : 174 €

autocar :

< 31 zitplaatsen : 45 €

31 t.e.m. 38 zitplaatsen : 89,50 €

> 38 zitplaatsen : 112 €

> 44 zitplaatsen : 136,50 €

> 50 zitplaatsen : 174 €

Let op: de verzekeringsmaatschappijen hebben een eigen lijst van forfaitaire vergoedingen van de gebruiksderving opgesteld, die vanzelfsprekend lager zijn dan de officiële vergoedingen zoals hierboven vermeld. Zo wordt de gebruiksderving bij totaal verlies van een auto binnen hun R.D.R.-regeling slechts vergoed aan 1 of 3 dagen wachttijd + 6 dagen (i.p.v. 15 dagen volgens de indicatieve tabel) vervangingsduur = 7 of 9 dagen, en dan nog slechts aan 13 € (i.p.v. 20 €) per dag. Deze begroting volgens de R.D.R.-regeling is voor u uiteraard niet bindend; enkel de wet (art. 1382 B.W.) is voor u bindend.


7.5
Voormelde forfaitaire bedragen per dag gebruiksderving gelden in principe niet indien de benadeelde een vervangingsvoertuig heeft gehuurd. In een dergelijk geval is hij gerechtigd op vergoeding overeenkomstig de betaalde huurprijs (uiteraard mits voorlegging van de nodige bewijzen).

Wegens de besparingen ingevolge het niet moeten gebruiken van het eigen voertuig wordt de vergoeding voor de huurprijs in de meeste gevallen verminderd met een zeker percentage, bvb. met 10 %. De indicatieve tabel voorziet: "Bij de huur van een voertuig kan een besparing voor het niet gebruiken van het eigen voertuig worden toegekend gelijk aan 10 % van de huurfactuur".

Een bijkomende aftrek zal gebeuren wanneer het gehuurde vervangingsvoertuig van een duurdere klasse is dan de beschadigde wagen.

 

 

8. De stallingkosten

Hier gelden ongeveer dezelfde regels als voor de gebruiksderving. Zo bestaat het recht op vergoeding voor de stallingskosten (ook bewaringskosten of staangeld genoemd) slechts in de mate dat zij nodig waren en dat zij niet zijn aangegroeid door de nalatigheid vanwege de benadeelde zelf.

Tevens mag de garagist geen overdreven hoge vergoeding voor de bewaring van het voertuig vragen. In dit kader rijst vaak de vraag of de benadeelde na een zekere tijd niet had moeten overgaan tot het huren van een garagebox, wat immers heel wat goedkoper uitvalt. Daartegenover kan worden gesteld dat de benadeelde op voorhand nooit kon vermoeden hoelang de betwistingen nog zouden aanslepen en dat hij dan ook niet moet overgaan tot het huren van een garagebox voor bvb. één jaar, zeker niet nu dit gepaard gaat met bijkomende sleepkosten.

Een ander twistpunt betreft de vraag of de garagist wel kosten voor de stalling mag aanrekenen. Dit wordt bvb. niet aangenomen wanneer de duur van de stalling vrij beperkt is gebleven (bvb. 20 dagen) en wanneer de benadeelde bovendien bij deze garagist zijn voertuig laat herstellen of een vervangende auto aankoopt.

Zorg in elk geval niet alleen voor de stallingsfacturen maar tevens voor de nodige betalingsbewijzen, zeker nu de rechtbanken argwanend zijn geworden ingevolge de ervaring dat soms fictieve facturen van stalling worden opgesteld.


9.
De andere kosten (fiscale zegels, B.I.V., financieringskosten, e.a.)

9.1 De motorrijtuigen of de aanhangwagens die bij een ongeval schade hebben opgelopen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de remmen, moeten vóór hun hergebruik gekeurd worden bij de automobielinspectie. Die keuringskosten kunnen worden teruggevorderd.

Deze schouwing is ook nodig voor de voertuigen die als totaal verlies beschouwd werden, maar dan blijven de schouwingskosten ten laste van de schadelijder (die ondanks de duiding totaal verlies toch de herstellingen laat uitvoeren).

9.2 Bij de ingebruikname van uw nieuw of tweedehands voertuig heeft u wellicht de volgende belastingen moeten betalen:

a. samen met de eerste verkeersbelasting: de belasting op de inverkeerstelling, kortweg B.I.V. (waarvan het bedrag afhankelijk was van het motorvermogen en voor tweedehandse voertuigen tevens van het aantal jaren gebruik);

b. in sommige gevallen bovendien de eenmalige voor dieselvoertuigen.

Deze bedragen kan u gedeeltelijk van de aansprakelijke terugvorderen ingeval van totaal verlies.
Bvb.: u betaalt 1.000 € voor de BIV en de accijnscompenserende belasting samen, bij de ingebruikname van uw Mercedes op 1/9/10; deze auto wordt totaal verlies ("perte totale", soms "pertotal" genoemd) op 1/9/11; een jaar na de ingebruikname van uw Mercedes moet u dus opnieuw BIV betalen, terwijl u normaal gezien 10 jaar lang met uw Mercedes zou blijven rijden; u kan voormelde som van 1.000 € terugvorderen in evenredigheid met de normale gebruiksduur van uw wagen, dus voor 9/10°. Dus t.b.v. (1.000 € : 10 jaar normale gebruiksduur x 9 jaar resterende gebruiksduur =) 900 euro.

NOOT: De belasting bij de inschrijving van de nummerplaat, de "inschrijvingstaks", werd afgeschaft met ingang van 1 januari 2006 (Koninklijk besluit van 19 december 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen).

9.3 Of en inhoever financieringskosten ten laste van de aansprakelijke kunnen worden gelegd hangt af van meerdere factoren. Bovendien bestaat er geen eensluidende rechtspraak terzake.

Maar onder bepaalde voorwaarden is vergoeding daarvoor zeker verantwoord. Bij voorbeeld: de personenwagen van X is net 1 week oud als zij totaal wordt vernield door de fout van Y; de aankoop is gebeurd dankzij een lening die 36 maanden loopt, en waarvoor X 1.040 euro per maand terugbetaalt; deze som is samengesteld uit 1.000 euro kapitaalaflossingen en 40 euro interest; na het ongeval moet X voor de aankoop van zijn vervangende wagen opnieuw een autolening aangaan, bvb. terug aan 1.040 euro per maand. Het is logisch dat de kosten voor het afsluiten van de 2° autolening en de interesten van 36 maanden aan 40 euro worden beschouwd als bijkomende schade ingevolge het ongeval (en dus aan X moeten worden vergoed).

9.4 Bovendien zijn de kosten van voorlopige herstelling vergoedbaar als zij gering zijn, als zij noodzakelijk waren om de wagen terug te mogen gebruiken, en als zij verantwoord waren gelet op de datum waarop de expertise mocht worden verwacht.

Een voorbeeld: mits het wat rechtkloppen van uw motorkap kan u terug met uw auto rijden; de kosten van deze voorlopige herstelling bedragen slechts 80 euro; de autoëxpert had u laten weten dat hij binnen 7 dagen uw wagen zou komen expertiseren. Kwestieuze kosten zijn gerechtvaardigd: u heeft immers de schade (in het bijzonder 6 dagen gebruiksderving x 20 euro) beperkt.

9.5 Vanzelfsprekend zijn ook de kosten van sleping (= depannage = takeling) vergoedbaar. Wel de factuur voorleggen.

9.6 Alle andere bijkomende uitgaven veroorzaakt door het ongeval moeten eveneens worden vergoed door de aanrijder (of diens B.A.-verzekeraar*). Zie daarover o.a. het hoofdstuk "lichamelijke schade", nr 9.23 kosten en uitgaven (m.b.t. administratie- en aanverwante kosten, kledijschade, en verplaatsingskosten).

9.7 Het bovenstaande is louter de toepassing van het hoofdprincipe van de vergoeding naar Belgisch recht: de benadeelde heeft recht op integrale vergoeding van alle uitgaven en andere schade. Hij heeft ook niet méér dan dit recht.

Enerzijds is de benadeelde gerechtigd op volledige vergoeding voor alle kosten en uitgaven en alle andere schade die het rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg zijn van het ongeval.

Anderzijds mag de vergoeding voor dergelijke uitgaven de schadelijder niet verrijken en moet zij dus in verhouding staan met de werkelijk geleden schade. Als het totaal vernielde voertuig bijvoorbeeld 5 jaar oud is, kan de schadelijder normalerwijze slechts ongeveer de helft bekomen van de B.I.V. en van de fiscale zegels die hij heeft betaald bij de ingebruikname van het vernielde voertuig. Immers, normalerwijze - dus zonder het ongeval - had hij zijn voertuig na 10 jaar toch moeten vervangen (en had hij dus na 10 jaar autogebruik, zijnde 5 jaar na het ongeval, toch BIV en fiscale zegels moeten betalen).

Tezelfdertijd moet rekening worden gehouden met de goede trouw en met de schadebeperkingsplicht van de schadelijder.

Een voorbeeld: wanneer de benadeelde de stallingskosten (of de huur van een vervangingsvoertuig) nodeloos laat oplopen, doordat hij het voertuig niet laat herstellen (en het evenmin vervangt door een nieuwe wagen), dan zal hij in die mate geen vergoeding voor deze kosten ontvangen. Deze kosten zijn niet meer verantwoord, en ze zijn trouwens niet langer veroorzaakt door het verkeersongeval maar wel door de onwil of nalatigheid van het slachtoffer zelf.

 

d. De voertuigexpertise

10. De expertise door de verzekeringsexpert

Bijna altijd wordt het beschadigde voertuig enkele dagen na het ongeval onderzocht door een voertuigexpert aangesteld door de verzekeringsmaatschappij. Deze deelt kort daarna zijn persoonlijke zienswijze (besluiten) mee, nl. :

  • ofwel meent hij dat het gaat om een (technisch of economisch) totaal verlies; dan raamt hij de waarde vóór ongeval en dan zal hij ook het hoogste wrakbod meedelen;
  • ofwel beslist hij dat de herstelling aangewezen is; dan raamt hij de herstellingsprijs.

Op basis van deze besluiten van de voertuigexpert zal de vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij aan u een schade-afrekening toesturen. Dit mag u niet zo maar voor akkoord ondertekenen (zie hieronder).


11.
De overeenkomsten gesloten tussen de verzekeringsmaatschappijen

Vooraleer te kunnen verduidelijken hoe de voertuigschade in de praktijk wordt geraamd, past het enige uitleg te verstrekken over de R.D.R.- en de expertise-overeenkomst (RDR staat voor "Règlement direct/directe regeling"). Deze tweevoudige overeenkomst werd gesloten tussen de meeste Belgische verzekeringsmaatschappijen; de verzekerden zelf zijn door deze twee overeenkomsten dus helemaal niet gebonden. Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen, heeft het toepassingsgebied van de Expertise- en RDR-overeenkomst sterk uitgebreid vanaf 1 juli 2007:

a. de expertise-overeenkomst: de verzekeringsexpert van de verzekeraar van de benadeelde, de "directe expert", kan de schade begroten zonder tussenkomst van de expert van de tegenpartij zolang de voertuigschade maximaal 8.500 euro beloopt; voor schade van minder dan 250 euro, zijnde 1,5% van de gevallen, hoeft geen expertise plaats te vinden;

b. de RDR-overeenkomst: tot 25.000 euro - i.p.v. vroeger 8.500 € - kan de verzekeraar van het slachtoffer zelf, de "directe verzekeraar" genoemd, zijn verzekerde vergoeden (terwijl deze vergoeding vanzelfsprekend normaal gezien door de verzekeraar van de aansprakelijke zou moeten worden betaald!).

Dus in principe is het de verzekeraar van de benadeelde zelf (en dus niet de B.A.-verzekeraar van de foutieve autobestuurder) die een deskundige aanstelt en die vervolgens de benadeelde, zijn verzekerde, vergoedt.

 

De praktische draagwijdte van deze twee overeenkomsten kan worden samengevat als volgt:

a. in de meeste gevallen wordt de benadeelde vergoed door zijn eigen B.A.-verzekeraar*; hier wijkt men dus af van het wettelijke principe dat de schade moet worden vergoed door de aansprakelijke of door zijn verzekeringsmaatschappij;

b. het is de verzekeringsmaatschappij van de benadeelde zelf (en dus niet van de aansprakelijke) die een voertuigexpert aanstelt om de schade te ramen;

c. er worden forfaitaire schadebedragen toegepast, die systematisch lager liggen dan de schadebedragen die gebruikelijk zijn (zijnde deze volgens de meerderheid van de rechtspraak);
bijvoorbeeld: bij totaal verlies vergoedt de verzekeringsmaatschappij slechts een vervangingsduur van 6 dagen x 500 fr. = 3.000 fr. of 74,37 €; maar volgens het Belgische recht (meerbepaald volgens de indicatieve tabel) moet de werkelijke vervangingsduur worden toegepast (in principe met een minimum van 15 dagen) en wordt bovendien een hogere vergoeding per dag gebruiksderving toegekend (zie de tarieven hiervan hierboven, onder nr. 7.4)
.

Zie de volledige tekst en de gebruikte formulieren onder Assuralia


12.
De besluiten van de voertuigexpertise zo maar aanvaarden ?

Voormelde expertise-overeenkomst biedt voor de verzekeringsmaatschappijen uiteraard bepaalde voordelen. De benadeelde verkeert in de waan dat de schade wordt geschat door een expert die zijn belangen verdedigt. In werkelijkheid treedt deze expert op voor de verzekeringsmaatschappij die de schade zal moeten vergoeden. Hierbij dient voor ogen te worden gehouden dat verzekeringsdeskundigen die gemiddeld genomen een hogere schaderaming toestaan dan hun collega’s het reële risico lopen te worden ontslagen door de verzekeringsmaatschappij!

"De verzekeringsdeskundige deelt mij mee dat mijn voertuig een totaal verlies zou zijn en dat de "waarde voor ongeval" 8.000 €, BTW in, zou zijn; is dit wel juist?"
OF: "Mijn voertuighersteller zegt mij dat de herstellingen niet op een degelijke wijze kunnen gebeuren als ze volgens het bestek van de expert moeten worden uitgevoerd; hoe kan ik dit bestek aanvechten?"

Het gebeurt inderdaad zeer vaak dat de verzekeringsexpert een voertuig ten onrechte als een totaal verlies dan wel als herstelbaar beschouwt, en dat hij een te lage herstellingsprijs of een te lage vervangingswaarde vooropstelt. Voormelde standpunten van de verzekeringsexpert hoeft u niet zomaar te aanvaarden. Soms kan u een hogere vergoeding bekomen op een eenvoudige wijze. Bvb.: u verstuurt naar de expert een gemotiveerde protestbrief, en zo mogelijk voegt u daarbij bewijsstukken die aangebracht zijn door uw garagist (of via internet, uit autotijdschriften,...). Zie ook Klachten, om te weten hoe u een protestbrief dient op te stellen. Soms volstaat zelfs een eenvoudig telefonisch protest, zeker wanneer men goede argumenten heeft.

Maar vaak volstaat dit niet: de voertuigexpert weigert een voldoende hoge vergoeding (of totaal verlies of dergelijke) toe te staan. Dan doet u er goed aan om een tegenexpertise te vragen, dus om een eigen raadgevende voertuigexpert aan te stellen; deze tegenexpert onderzoekt in welke mate de zienswijze van de verzekeringsexpert al dan niet kan worden aanvaard (zie hierna nr 13 en 15).

Het is steeds aangewezen om het standpunt van de verzekeringsexpert voorafgaandelijk te laten nazien door uw garagist en eventueel, zo nodig, door een eigen raadgevende voertuigdeskundige.

Als er geen minnelijke regeling betreffende uw voertuigschade mogelijk is, rijst de vraag:

 

e. Hoe betwist u de zienswijze van de verzekeringsexpert ?


13.
Arbitrage aanvaarden ?

Bij voormelde twee overeenkomsten is tevens voorzien dat een arbitrage* (* = zie definitie in de woordenlijst) zal doorgaan indien de benadeelde het standpunt van de verzekeringsexpert niet wil aanvaarden.
Bij een dergelijke arbitrage volgens de R.D.R. wordt in de praktijk naar de benadeelde een lijst van 3 tot 5 verzekeringsexperten gestuurd met het verzoek één van deze experten te kiezen; na deze keuze zullen de aangeduide expert en de verzekeringsexpert samen definitief beslissen, zonder dat nog enige betwisting mogelijk blijft.

Vaak is het niet aangeraden om het voorstel tot een dergelijke arbitrage te aanvaarden: voormelde lijst van (meestal 3 tot 5) autoëxperten wordt opgemaakt door de verzekeringsexpert zelf, die begrijpelijkerwijze enkel experten aan u voorstelt die hij goed kent en die dus niet volledig onpartijdig kunnen oordelen.

De benadeelde doet er meestal goed aan om zelf een raadgevende expert (een "technisch raadsman") te kiezen in wie hij zijn volle vertrouwen kan stellen. Dus niet een deskundige die voorkomt op de lijst vanwege de verzekeringsexpert.
Deze zelf gekozen tegenexpert zal mogelijks tot een overeenstemming met de verzekeringsexpert komen.

Is dit niet het geval, dan zal een tegensprekelijke expertise moeten doorgaan. Deze tegensprekelijke expertise gebeurt ofwel als arbitrage (zie hierboven) ofwel als gerechtelijke expertise (zie nr. 15); de keuze tussen deze 2 vormen van tegensprekelijke expertise laat u het best over aan uw eigen raadgevende deskundige.

Kortom, u kan de oplossing van de betwistingen via een arbitrage aanvaarden mits u zelf uw - onafhankelijke - expert mag kiezen en mits deze expert zelf ook voorstander is van een arbitrage.

Wordt geen arbitrage overeengekomen, dan moet een gerechtelijke expertise doorgaan.

 

 

14. Soorten experten

In dit kader wordt verduidelijkt dat er meerdere soorten experten zijn:

  1. veruit de meerderheid is een verzekeringsexpert, die in dienst van een verzekeringsmaatschappij werkt, als zelfstandige of als bediende;
  2. zeer uitzonderlijk vindt men een onafhankelijke voertuigdeskundige (die nooit in opdracht van een verzekeringsmaatschappij optreedt);
  3. voor de beoordeling en eventuele betwisting van de standpunten van de verzekeringsdeskundige doet u beroep op een tegenexpert, zijnde een raadgevende voertuigdeskundige (of "technisch raadsman");
  4. een expert aangesteld door een rechterlijke uitspraak (meestal een vonnis van de Politierechtbank) wordt een gerechtsdeskundige* genoemd.

    Steeds meer letten de rechtbanken erop dat uitsluitend onafhankelijke voertuigdeskundigen worden aangesteld om een gerechtelijke expertise uit te voeren.

 



15.
Hoe concreet de betwisting afhandelen? - gerechtelijke expertise

De verdere betwisting verloopt meestal als volgt:

u waarschuwt (eventueel via uw makelaar) uw rechtsbijstandverzekeraar* van uw voornemen om het standpunt van de voertuigexpert van de verzekeringsmaatschappij aan te vechten; tezelfdertijd neemt u reeds contact op met een voertuigexpert die uw belangen zal behartigen, zijnde uw raadgevende voertuigdeskundige;

deze zal normalerwijze wachten om te beginnen optreden totdat hij daarvoor de schriftelijke toelating heeft bekomen vanwege de rechtsbijstandsverzekeraar, die immers zijn staat van ereloon en kosten moet dragen;

na deze toelating onderzoekt de raadgevende voertuigexpert het voertuig en deelt hij zijn persoonlijk standpunt mee aan de verzekeringsexpert; op die wijze wordt vaak een minnelijke regeling bereikt, evt. via arbitrage;

is dit niet het geval en wordt een arbitrage niet wenselijk geacht, dan zal een definitieve beslissing moeten worden bekomen door middel van de aanstelling van een gerechtsdeskundige* door de (politie)rechtbank; hiervoor dient u uiteraard een advocaat in te schakelen, die overigens volledig vrij door uzelf wordt gekozen;

deze advocaat wacht eveneens op de toelating van de verzekeraar van de rechtsbijstand (die zijn staat van ereloon en kosten en alle andere uitgaven ingevolge de gerechtelijke procedure zal moeten betalen);

uw advocaat verzamelt alle nodige stukken en inlichtingen (zie ook hieronder nr. 17); vervolgens maakt hij een dagvaarding* op, waarbij wordt gevorderd dat op de inleidende zitting een gerechtsdeskundige wordt aangesteld en een zeker schadebedrag (of een provisie) wordt toegekend;

deze vorderingen worden meestal ingewilligd, op de inleidende zitting of op een zitting die enkele weken later doorgaat;

onmiddellijk nadat het vonnis is geveld, wordt de aangestelde gerechtsdeskundige aangeschreven met het verzoek zijn opdracht uit te voeren;

deze deskundige roept de partijen schriftelijk op om de expertisebijeenkomst bij te wonen;

10° op deze bijeenkomst noteert hij de onderscheiden standpunten van de aanwezigen en onderzoekt hij de beschadigde wagen; in dit kader zal uw standpunt vanzelfsprekend vooral worden verdedigd door uw raadgevende voertuigexpert en in zekere mate ook door uw advocaat;
meestal wordt de wagen na dit onderzoek volledig vrijgegeven, zodat het voertuig vanaf dan mag worden verkocht of hersteld en zodat vanaf dan de wachttijd* ophoudt;

11° daarna moet het voorverslag van de gerechtsdeskundige worden afgewacht; op dit voorverslag mogen opmerkingen worden geformuleerd, inzover nodig, en dit meestal gedurende een termijn van ongeveer één maand;

12° de gerechtsdeskundige maakt zijn eindverslag over, waarbij de opmerkingen worden besproken; vanaf de neerlegging van dit eindverslag is hij volledig ontheven van zijn gerechtelijke opdracht.

 

In sommige gevallen is het nodig om nadien een nieuwe of aanvullende gerechtelijke expertise te vragen ; het verzoek daartoe zal echter vaak worden afgewezen door de rechtbank, terwijl in de andere gevallen de nieuwe gerechtsdeskundige vaak tot dezelfde besluiten zal komen als de eerste ; derhalve dient een nieuwe of aanvullende expertise enkel in uitzonderlijke gevallen te worden nagestreefd.

 


f. Voortzetting van de procedure (na de arbitrage of de gerechtelijke expertise)

16. De deskundigen, inbegrepen de gerechtsdeskundigen, hebben enkel tot taak de nodige adviezen op technisch gebied en dus niet op juridisch vlak te geven.

Na de gerechtelijke expertise kunnen dus nog allerlei betwistingen overblijven, zoals omtrent de vergoeding voor de gebruiksderving en/of de stallingkosten.
In dit kader wordt herinnerd aan de vergoedingen waarop u werkelijk gerechtigd bent en waarover betwistingen kunnen blijven bestaan (zie hierboven, o.a nr. 2 of 3). Dergelijke overblijvende betwistingen zullen zo nodig via de verderzetting van de gerechtelijke procedure moeten worden opgelost.

17. Om de vordering betreffende de voertuigschadevergoeding nauwkeurig en gemotiveerd te kunnen opstellen, is het belangrijk de volgende stukken te bezorgen (aan uw advocaat): facturen, betalingsbewijzen, en/of andere bewijsstukken betreffende alle posten die teruggevorderd worden (depannage, stalling, ...) - het verslag van de voertuigexpert - het BTW-attest van het slachtoffer - alle brieven vanwege de auto-expert evenals de eventuele antwoordbrieven - bij totaal verlies bovendien: het bewijs van de BIV (betaling eerste verkeersbelasting) betreffende het vernielde voertuig, de bestelbon, aankoopfactuur èn inschrijvingsbewijs van het eventuele nieuwe voertuig, en de bewijzen betreffende de autolening meer minstens één bewijs van (terug)betaling van de financieringslasten (aangaande zowel het vernielde als het vervangende voertuig).

 

Welke bewijsstukken nodig zijn hangt vooreerst af van de vraag of het voertuig al dan niet een totaal verlies is. Hieronder volgt een zo volledig mogelijke opsomming; meestal zijn niet ál deze stukken nodig.

 

 

ALGEMENE LIJST VAN NUTTIGE BEWIJSSTUKKEN M.B.T. DE VOERTUIGSCHADE – BIJ HERSTELBAARHEID

Hieronder vindt u de lijst van nuttige bewijzen bij herstelbaarheid van het voertuig, dus wanneer uw voertuig niet als een totaal verlies wordt beschouwd.
-Goed leesbare- fotokopies van de bewijsstukken volstaan voor uw advocaat.

A. ALGEMEEN

a. het aanrijdingsformulier ;

b. het bericht van de rijkswacht, waarbij de voornaamste gegevens m.b.t. het strafdossier worden weergegeven (in het bijzonder de identiteit van tegenpartij, het nummer van het proces-verbaal, …) ;

c. een kopie van uw eigen verklaring aan de politie ;

d. verklaringen van getuigen m.b.t. belangrijke gegevens, zoals m.b.t. het verloop van het ongeval (en de aansprakelijkheid), m.b.t. de kledijschade ten gevolge van het ongeval, m.b.t. beschadiging van bepaalde inhoud van het voertuig, e.d.m. ;

e. een brief vanwege de rechtsbijstandsverzekeraar (zodat deze kan worden aangeschreven door uw advocaat).

B. STUKKEN M.B.T. HET BESCHADIGDE VOERTUIG

f. bewijs van de betaling van de premie voor de B.A.-verzekering die aan het lopen was op de dag van het ongeval ;

g. recente onderhouds- en herstellingsfacturen ;

h. indien autokeuring door de schade diende te gebeuren: het schouwingsbewijs en het bewijs van betaling;

i. sleepkostenfactuur ;

j. factuur m.b.t. de kosten van stalling vanwege de garagist en het bewijs van betaling van de stallingskosten;

k. factuur m.b.t. de huur van een vervangingsvoertuig (met verduidelijking van de huurperiode, de huurprijs, e.d.);

l. het expertiseverslag m.b.t. de voertuigschade ;

m. alle brieven van en naar de voertuigdeskundigen ;

n. de herstellingsbestekken en de herstellingsfactuur ;

o. de bewijzen van de betalingen van de stallingskosten, van de sleepkosten, van de herstellingen, en dergelijke.

C. ANDERE STUKKEN

p. bewijzen van de kledijschade en aanverwante schade, zoals beschadigde bril, inhoud voertuig, vernield uurwerk, … : foto’s, zo mogelijk een getuigenverklaring, het aankoopbewijs, de factuur betreffende de herstelling of betreffende de aankoop van een nieuwe bril, broek, …, en dergelijke ; zo mogelijk de facturen terzake overmaken, of desnoods een bestek vanwege de verkoper ;

q. en alle andere bewijzen m.b.t. gedane kosten of andere geleden schade ten gevolge van het ongeval.

 

ALGEMENE LIJST VAN NUTTIGE BEWIJSSTUKKEN M.B.T. DE VOERTUIGSCHADE – BIJ TOTAAL VERLIES

Hieronder vindt u de lijst van nuttige bewijzen bij totaal verlies van het voertuig. Fotokopies van de bewijsstukken volstaan.

A. ALGEMEEN

a. het aanrijdingsformulier ;

b. het bericht van de rijkswacht, waarbij de voornaamste gegevens m.b.t. het strafdossier worden weergegeven (in het bijzonder de identiteit van tegenpartij, het nummer van het proces-verbaal, …) ;

c. een kopie van uw eigen verklaring aan de politie ;

d. verklaringen van getuigen m.b.t. belangrijke gegevens, zoals m.b.t. het verloop van het ongeval (en de aansprakelijkheid), m.b.t. de kledijschade ten gevolge van het ongeval, m.b.t. beschadiging van bepaalde inhoud van het voertuig, e.d.m. ;

e. een brief vanwege de rechtsbijstandsverzekeraar (zodat deze kan worden aangeschreven door uw advocaat).

B. STUKKEN M.B.T. HET VERNIELDE VOERTUIG

f. aankoopfactuur van het beschadigde voertuig ;

g. inschrijvingsbewijs van het beschadigde voertuig ;

h. bewijs van financiering van het vernielde voertuig en bewijs van de eerste 3 betalingen aan de kredietinstelling;

i. bewijs van betaling van de belasting bij aankoop, nl. de belasting op de inverkeersstelling (B.I.V.) en deze voor dieselvoertuigen (die samen met de eerste verkeersbelasting moeten worden betaald) ;

j. bewijs van de betaling van de premie voor de B.A.-verzekering die aan het lopen was op de dag van het ongeval ;

k. recente onderhouds- en herstellingsfacturen ;

l. het schouwingsbewijs ;

m. sleepkostenfactuur ;

n. factuur m.b.t. de kosten van stalling, vanwege de garagist;

o. gedetailleerde factuur m.b.t. de huur van een vervangingsvoertuig en bewijs van betaling van deze huurprijs;

p. het expertiseverslag m.b.t. de voertuigschade;

q. alle brieven van en naar de voertuigdeskundigen;

r. verkoopfactuur van het wrak.

C. BEWIJSSTUKKEN BETREFFENDE HET VERVANGENDE VOERTUIG

s. de bestelbon betreffende de aankoop van het vervangende voertuig (aangekocht na het ongeval);

t. de aankoopfactuur van het vervangende voertuig;

u. bewijs van financiering van het voertuig aangekocht na het ongeval en bewijs van de eerste 3 betalingen aan de kredietinstelling;

D. ANDERE STUKKEN

v. bewijzen van de kledijschade en aanverwante schade, zoals beschadigde bril, inhoud voertuig, vernield uurwerk, … : foto’s, zo mogelijk een getuigenverklaring, het aankoopbewijs, de factuur betreffende de herstelling of betreffende de aankoop van een nieuwe bril, broek, …, en dergelijke ; zo mogelijk de facturen terzake overmaken, of desnoods een bestek vanwege de verkoper ;

w. en alle andere bewijzen m.b.t. gedane kosten of andere geleden schade ten gevolge van het ongeval.

 

 

© Pascal Mortier

advocaat te Gent

 

 

 

 

V.Z.W. VERKEERSSLACHTOFFERS kan jullie enkel dienen dankzij onze bereidwillige medewerkers. Onze V.Z.W. ontvangt geen enkele subsidie noch sponsoring. Onze enige inkomsten zijn de lidgelden. Op vandaag tellen wij minder dan 10 leden.

Je wordt lid (voor een jaar) door storting van slechts 15 € op bankrekening 979-9574501-24 (IBAN: BE81 9799 5745 0124 - BIC: ARSPBE22).

 

 

Om te weten onder welke voorwaarden vergoeding voor de voertuigschade (en de lichamelijke letsels) kan worden bekomen:

zie Gevallen waarin u vergoeding van voertuigschade kan vorderen.

 

 


Vragen van leden
betreffende vergoeding (bij totaal verlies of herstelling)
van uw voertuig

 

Lid: "De verzekeringsexpert en mijn garagist zijn na enige discussie overeengekomen wat de herstellingsprijs betreft. Is alles nu in orde ?"

V.Z.W.: De herstellingsprijs vormt slechts één bestanddeel van de volledige schadebegroting (zie hoger De herstelling van het voertuig, zijnde nr. 3 en 4). Er kunnen derhalve nog steeds betwistingen van juridische aard overblijven, meerbepaald aangaande de gebruiksderving, de stalling of andere schadeposten. De verzekeringsmaatschappijen vergoeden in principe enkel volgens de richtlijnen van hun eigen RDR-systeem; maar u heeft recht op volledige vergoeding van alle schade (zoals bepaald in art. 1382 Burgerlijk Wetboek).

 

Lid: "De expert van de verzekeringsmaatschappij heeft laten weten dat mijn auto een perte totale zou zijn. Hij schat de vervangingswaarde op 5.000,00 € (meer B.T.W.) , maar er moet 1.000,00 € voor het wrak worden afgetrokken. Volgens mijn garagist zou een goede herstelling 4.500,00 € kosten (meer B.T.W.). Mag ik herstellen ?"

V.Z.W.: Daar u eigenaar is en blijft van het voertuig, beslist u uiteraard volledig autonoom of u het voertuig al dan niet herstelt. Dit heeft geen enkele invloed op de omvang van de vergoeding. U blijft derhalve gerechtigd op 5.000,00 € + 1.050,00 € (21 % B.T.W.) min 1.000,00 € (wrakwaarde) = 5.050,00 €, meer bepaalde bijkomende schadeposten (sleepkosten, B.I.V., administratiekosten, intresten, …).

Tevens moet men zich afvragen of de vervangingswaarde niet te laag werd geraamd door de verzekeringsexpert, aangezien dit zeer vaak het geval is (zie hoger vervangingswaarde en wrakwaarde, zijnde nr. 5). In dit kader doet u er dan ook goed aan een eigen raadgevende voertuigexpert (technisch raadsman) aan te stellen ; deze zal wellicht tot een hogere vervangingswaarde komen, zodat het voertuig toch als herstelbaar (en dus niet meer als een totaal verlies) moet worden beschouwd.

De verzekeringsmaatschappij moet trouwens voor ogen houden dat bij totaal verlies bijkomende schadeposten ontstaan, zoals B.I.V. en fiscale zegels inschrijving nummerplaat en eventueel ook een langere gebruiksderving en meer stallingskosten. Zie :

Dit doet uiteraard de weegschaal doorwegen in de richting van herstelbaarheid.

 

Lid: "Na mijn opmerkingen heeft de expert van mijn maatschappij de waarde vóór ongeval verhoogd met 500,00 €. Maar ik ga daarmee nog steeds niet akkoord. De expert heeft mij een lijst gegeven met vier namen van andere voertuigexperten en hij vraagt mij één van deze vier aan te duiden. Wie moet ik kiezen ?"

V.Z.W.: Geen enkele van deze vier personen. Het is aangeraden om zelf een onafhankelijke voertuigexpert aan te duiden, die zijn eigen onderzoek zal voeren.

Indien u één van de vier experts zou aanduiden, dan wordt met deze expert een arbitrage georganiseerd, wat onvoldoende waarborgen voor een objectieve beoordeling biedt. Zie hoger "Hoe kan u de zienswijze van de verzekeringsexpert betwisten ?"(nr. 13, 14, en 15).

 

Lid: "Graag had ik meer informatie bekomen over de schaderegeling wanneer een auto als “ totaal verlies “ wordt beschouwd door de expert .

Om de waarde vóór het ongeval van de auto te bepalen kan de expert of de rechtbank vertrekken van ofwel de cataloluguswaarde dan wel de vervangingswaarde van de auto . Welke berekeningen dient men te maken enerzijds , vertrekkend van de cataloguswaarde en anderzijds , vertrekkend van de vervangingswaarde om zodoende de waarde van de auto vóór het ongeval te bepalen ?

Het zou mij ten zeerste verheugen mocht u mij hiermee kunnen helpen."



V.Z.W.: De raming van de vervangingswaarde (“waarde vóór ongeval”) van een voertuig gebeurt op uiteenlopende wijzen.

Vooreerst past het enigszins te verduidelijken wat de vergoedbare vervangingswaarde is. Deze benadert zeer dicht de gebruikswaarde voor de eigenaar. Zij slaat niet zozeer op de verkoopwaarde van het voertuig op de dag van het ongeval, omdat de eigenaar geenszins de bedoeling had zijn voertuig te verkopen. Bij de bepaling van de vervangingswaarde moet rekening worden gehouden met alle concrete elementen van het voertuig, zoals : de (al dan niet) goede staat van onderhoud en van bewaring, het (al dan niet hoge) aantal gereden kilometers, alle toebehoren, de ouderdom van het voertuig, e.d. Soms kan ook de leeftijd van de eigenaar-schadelijder een rol spelen : gaat het bvb. om een man van 86 jaar die nog af en toe rondrijdt met een zeven jaar oude wagen, dan zal men minder rap tot een totaal verlies moeten besluiten.

In de praktijk kijken de verzekeringsdeskundigen grotendeels naar de werkelijk betaalde aankoopprijs ; daarop passen zij een degressief afschrijvingspercentage toe, bvb. van 17 of 18 % (mede afhankelijk van de vraag of het gaat om een diesel- of een benzinewagen). Maar gaat het om een auto van bvb. 5 jaar oud, dan zou de aankoopprijs vooreerst moeten worden geherwaardeerd, dus moeten worden vermeerderd overeenkomstig het indexcijfer, of juister overeenkomstig de ondertussen toegenomen aankoopprijs voor een soortgelijk voertuig.

Een gerechtsdeskundige die als voertuigexpert wordt aangesteld om de vervangingswaarde te schatten zal doorgaans als volgt te werk gaan. Eerst zal hij het voertuig nauwkeurig beschrijven : opties, type, staat van onderhoud en van bewaring, e.d. Vervolgens zal hij nagaan wat de huidige catalogusprijs is voor een soortgelijk voertuig ofwel zal hij, wanneer dit type van voertuig bvb. niet meer wordt gefabriceerd, de historische aankoopprijs verhogen met een percentage overeenkomstig de stijging van het indexcijfer. Daarna past hij daarop een degressieve afschrijving toe. Tevens zal hij aan enkele gespecialiseerde handelaren van tweedehandse voertuigen vragen welke prijs zij zouden kunnen bekomen voor een soortgelijk voertuig, dus voor een voertuig met die ouderdom, met die opties, en zo meer ; wanneer bvb. zes handelaren reageren zal de gerechtsdeskundige daarvan een gemiddelde maken, en soms zal hij de hoogste en laagste prijs weglaten (zeker wanneer die prijs abnormaal lijkt te zijn).

Soms, maar de laatste tijd minder, wordt ook rekening gehouden met de afgelegde afstand ; maar nu de wagens niet meer worden vervangen omwille van de afgelegde afstand, wordt steeds minder met deze afstand rekening gehouden bij de bepaling van de vervangingswaarde.

Er bestaat dus wel degelijk een vrij belangrijk verschil naargelang men zich moet steunen op de raming van een verzekeringsdeskundige dan wel op een raming door een gerechtsdeskundige. De verzekeringsmaatschappijen weten ook dat het uitlokken van een gerechtelijke expertise om de juiste vervangingswaarde te bepalen omslachtig en duur uitvalt en dat de meeste mensen zich een dergelijke procedure ontzien.

Overigens is het ook zo dat bij een minnelijke regeling met de verzekeringsmaatschappijen bovendien allerlei bijkomende schadeposten achterwege worden gelaten. Dit alles werd trouwens omstandig uiteengezet op onze website :
http://users.skynet.be/vzw-verkeersslachtoffers/voertuig-expertise.html#bijzonder .


Lid: "Vier jaar geleden werd ik aangereden door een werkelijk onvoorzichtige autobestuurder. Mijn motorfiets was totaal vernield. Maar het ergste waren de lichamelijke letsels van mijn vrouw. Mijn verzekeraar rechtsbijstand liet van in het begin weten dat zij alles zou regelen, en ik had geen enkele reden om daaraan te twijfelen. Maar ook later, toen duidelijk werd dat de voorgestelde schadevergoeding al te laag lag, bleef mijn rechtsbijstandverzekeraar weigeren om een voertuigexpert en een advocaat in te schakelen. Ik heb uiteindelijk het bedrag voorgesteld door tegenpartij moeten aanvaarden, ook omdat mijn makelaar mij dit vroeg. Ik wilde vanzelfsprekend niet zelf de zware kosten voor mijn verdediging betalen. Ik blijf mij nog steeds bekocht voelen. Hoe kan ik dit in de toekomst vermijden ?"

V.Z.W.: Een verzekeringsmaatschappij streeft, zoals elke handelsonderneming, winst na. Specifiek van een rechtsbijstandsverzekeraar mag een loyale bereidwilligheid om haar contractuele verbintenissen na te leven worden verwacht. Is dit niet het geval, zoals u heeft meegemaakt, dan doet u er goed aan om eerst via uw makelaar de nodige argumenten kenbaar te maken aan uw rechtsbijstandsverzekeraar. Lukt dit niet, dan kan u aan uw advocaat vragen om uw verzekeraar rechtsbijstand aan te manen.

Blijft deze Oost-Indisch doof, dan kan u klacht neerleggen bij de Ombudsdienst voor de Verzekeringsondernemingen (zie de rubriek Klachten).

 

 

 

CONTACTEER EEN VAN ONZE CONTACTPERSONEN (ZIE ONDERAAN DEZE BLADZIJDE) OF e-mail ons BIJ PRAKTISCHE PROBLEMEN. KOSTELOOS EN MET PLEZIER HELPEN WIJ U !

 

Word lid van de V.Z.W. door storting van slechts 15 €/jaar

op bankrekening 979-9574501-24 (IBAN: BE81 9799 5745 0124 - BIC: ARSPBE22)!

 

 Naar boven

 

 
   
Naar pagina top
Uw rechtsbijstandsverzekering dekt alle kosten van Uw verdediging
 
HZetel: Persijzerstraat 77, 9080 Lochristi
Etienne Verniers van 10 tot 22 uur
H 
09/ 339 17 30
H
H
0473/ 38 00 88
H