Psychologische
gevolgen van een (verkeers)ongeval
en wat eraan te doen.
1.
PSYCHISCHE
GEVOLGEN VAN EEN ONGEVAL
1.1 Een verkeersongeval : een schokkende gebeurtenis
Een verkeersongeval kan je erg verwarren en doen schrikken.
Een dergelijke schokkende gebeurtenis heeft een aantal kenmerken
:
-
het is een plotse storing in iemands leven,
- die gevoelens van hulpeloosheid en ontreddering met zich
meebrengt
- en die, rechtstreeks of onrechtstreeks, de betrokkene met
gevaar confronteert.
Zo’n gebeurtenis schudt alle verwachtingen over jezelf,
je dagelijkse leven en hoe de wereld in elkaar zit, grondig
door elkaar. Het opnieuw opbouwen van zekerheden en verwerken
van deze gebeurtenis duurt dan ook vaak lang en is niet eenvoudig.
Angstklachten, depressieve gevoelens, specificieke fobieën,
… klachten als desinteresse, vermoeidheid, daling van
libido, verlies van eetlust, periodes van wanhoop en in tranen
uitbarsten… net als angst voor de wagen, voor tunnels,
… zijn heel normaal na een verkeerstrauma.
1.2 PTSD
Als we het hebben over de psychische impact van verkeersongevallen,
moeten we het zeker ook hebben over een post-traumatische
stressstoornis (PTSS of PTSD).
De belangrijkste diagnostische criteria van een PTSD zijn
:
-
de betrokkene is blootgesteld aan een intense schokkende ervaring
;
- de gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd, bvb. in de
vorm van recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen,
akelige dromen of flashbacks ;
- aanhoudend vermijden van prikkels, zoals gedachten, gevoelens,
activiteiten die bij het trauma hoorden ;
- aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid, zoals
slaap- en concentratieproblemen, overmatige waakzaamheid en
schrikreacties ;
- duur van de stoornis langer dan een maand.
2.
DE PSYCHISCHE GEVOLGEN VOOR KINDEREN
2.1
Individuele verschillen
De manier waarop kinderen dit verwerken en de noden die ze
hebben, verschillen sterk van kind tot kind. Er spelen verschillende
factoren mee : hoe ernstig het kind het ongeval opvat, de
band van het kind met de betrokkenen, de persoonlijkheid en
de omgeving van het kind. Een kind kan een lichte aanrijding
als levensbedreigend beleven, als het bvb. al eerder betrokken
was bij een verkeersongeval en deze ervaring nu opnieuw beleeft.
2.2
Onmiddellijke opvang
De eerste opvang bepaalt mee hoe kinderen het ongeval op lange
termijn verwerken. Een goede eerste reactie van de volwassenen
die aanwezig zijn op de plaats van het ongeval is dan ook
onmisbaar.
Het kan immers een tijdje duren vooraleer de interventiediensten
ter plaatse zijn.
2.3
Kinderen letten op het gedrag van de volwassenen
Weet dat kinderen niet reageren als kleine volwassenen. Ze
worden niet geschokt door de echte ernst van de situatie,
maar wel door de reactie van volwassenen. Het is dan ook erg
belangrijk zelf niet in paniek te raken, maar zoveel mogelijk
rust en kalmte op het kind over te brengen.
Kinderen en jongeren zijn erg gevoelig voor de reacties van
de mensen rondom hen. Een zorgzame en begrijpende houding
van de omgeving is dus cruciaal. Onthoud zeker dat kinderen
en jongeren die betrokken zijn bij zelfs een lichte aanrijding
nood kunnen hebben aan jouw steun.
2.4
Bescherm het kind
Hoe langer het kind met het ongeval en de chaos er rond geconfronteerd
wordt, des te meer kans het loopt op bijkomend psychisch leed.
Let er bij ernstige ongevallen op dat het kind de zwaargewonde
slachtoffers niet meer kan zien. Hierin mag je zeker vriendelijk
maar kordaat zijn.
Het is goed mogelijk dat er meerdere kinderen zijn op de plaats
van het ongeval. Zorg ervoor dat alle kinderen worden opgevangen.
Vraag daarvoor anderen om hulp.
Zijn er bij het ongeval vertrouwde personen van het kind aanwezig,
dan is het belangrijk het kind niet onnodig van hen te scheiden.
Zijn ze zwaargewond, peil dan bij het kind of het graag bij
hen wil blijven. Hou het kind minstens eerlijk op de hoogte
van hoe het met die personen gesteld is. Bescherm het kind
tegen nieuwsgierige blikken, door het bvb. iets verder weg
te leiden. Wees op je hoede voor pers die soms erg snel na
het ongeval foto’s neemt, of een verdoken interview
afneemt. Beschrijf en leg aan het kind uit wat je doet en
wat er gebeurt, ook al heb je de indruk dat wat je zegt niet
doordringt.
3.
PSYCHOLOGISCHE
HULPVERLENING
3.1
Gesprekstherapie
Door middel van gesprekken kan je het verleden anders leren
bekijken. Om het verleden (bvb. een ongeval, een verlies ten
gevolge van een ongeval) te aanvaarden, moet je weten, begrijpen
en aanvaarden wat er gebeurd is.
Als je psychisch in de knoei zit, gaat dat nogal eens gepaard
met een behoorlijke knauw in je zelfvertrouwen en je eigenwaarde.
Een therapeut kan je helpen om je zelfvertrouwen geleidelijk
aan weer op te vijzelen, door je bewuster te maken van wie
en wat je bent.
3.2
Relaxatietherapie
Eén van de eenvoudigste technieken bij persoonlijke
problemen – eigenlijk kan iedereen daar baat bij hebben
– is de relaxatietraining. Hier leert je te ontspannen
in situaties waarin dit nodig is. Ze is bovendien eenvoudig
en voor iedereen haalbaar.
3.3
Gedragstherapie
Deze methode is geschikt voor het wegwerken van specifieke
fobieën en angsten. De bedoeling is dat ongeschikt of
beangstigend gedrag om te buigen tot sociaal aangepast gedrag.
Voor de behandeling start, dient eerst het probleemgedrag
met zijn verankeringssystemen gedetecteerd te worden via gedragsanalyse.
Voor elke cliënt moeten dan concrete gedragsdoelen nagestreefd
worden met aandacht voor eigen initiatief en autonomie.
3.4
EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing)
EMDR is een therapie voor mensen die last blijven houden van
de gevolgen van traumatische ervaringen. Dit kan zijn een
schokkende ervaring, zoals een verkeersongeval of een geweldmisdrijf.
Maar ook voor andere ervaringen die veel invloed hebben gehad
op de ontwikkeling van iemands leven zoals pesterijen of krenkingen
in de jeugd, die in het hier-en-nu nog steeds invloed hebben
kan de methode gebruikt worden.
De therapeut zal vragen aan de gebeurtenis terug te denken
inclusief de bijbehorende beelden, gedachten en gevoelens.
Eerst gebeurt dit om meer informatie over de traumatische
beleving te verzamelen. Daarna wordt het verwerkingsproces
opgestart. De therapeut zal vragen de gebeurtenis opnieuw
voor de geest te halen. Maar nu gebeurt dit in combinatie
met een afleidende stimulus. Doorgaans zal dat de hand van
de therapeut zijn. De therapeut zal vragen de aandacht hierop
te richten en daarna de hand op ongeveer 30 cm afstand, voor
het gezicht langs, heen en weer bewegen. Een andere methode
gebeurt door middel van een koptelefoon waarbij geluiden afwisselend
rechts en links worden aangeboden.
Na elke set wordt er even rust genomen. De therapeut zal de
cliënt dan vragen wat er in gedachten naar boven komt.
De EMDR procedure brengt doorgaans een stroom van gedachten
en beelden op gang, maar soms ook gevoelens en lichamelijke
sensaties. Vaak verandert er wat. De cliënt wordt na
elke set oogbewegingen gevraagd zich te concentreren op de
meest opvallende verandering, waarna er een nieuwe set volgt.
Griet
Declercq,
Psycholoog-psychotherapeut
Psychologiepraktijk
: Witherenlei 20, 9940 Ertvelde
0476/
673 723 of
09/ 344 25 43
www.psychowellness.be
|