<%@LANGUAGE="JAVASCRIPT" CODEPAGE="1252"%> gerechtelijke procedures
 
V.Z.W. VERKEERSSLACHTOFFERS
Vereniging voor bijstand na een ongeval
Word geen tweede keer slachtoffer! Vraag tijdig Inlichtingen! Wij helpen U verder!
Juridisch - Voertuigtechnisch - Medisch
 
- Naar HOMEPAGE
Doel E-mail Contactpersonen Woordenlijst A-D / E-O / P-Z
Tips na een ongeval
Procedures
Vergoedingen
 
Voertuigschade
Lichamelijke schade
Psychologische hulp
 
Klachten
Adressen
Links
 
Woordenlijst
Heet van de naald
 
Inhoudstafel
 
E-mail onze V.Z.W.
 
Alle met * gemarkeerde woorden kan men met hun verklaring terugvinden in de Woordenlijst
 

 

DE GERECHTELIJKE PROCEDURES ©

+ vragen van leden m.b.t. procedures

Met dank aan advocaat Pascal Mortier, Hoogstraat 53, 9000 Gent
(tel. : 09 / 224 14 14 – fax : 09 / 225 55 65 – pascal.mortier@skynet.be)

 

 

 
 

 

 

Samenvatting

 

 

 

A. DE OVERTREDER (21 blzn.)

De verschillende verkeersovertredingen worden besproken onder bestraffing.

Meestal wordt een geldboete betaald via onmiddellijke inning, desgevallend via de minnelijke schikking geformuleerd door toedoen van het Parket; dan bedraagt de geldboete minstens 50 en maximaal 300 euro (zie hieronder nr. 2.2 onmiddellijke inning - voor snelheidsovertreding zie nr. 2.222).

Dit systeem van onmiddellijke inning bestaat echter in welbepaalde gevallen niet, zodat dergelijke overtredingen moeten worden beoordeeld door de Politierechter (zie hierna nr. 2.3 Politierechtbank en nr. 2.4 Rechterlijke veroordeling).

De belangrijkste sancties voor verkeersinbreuken zijn een geldboete en een rijverbod (verval van het recht te sturen), die soms gepaard gaat met proeven (zie nr. 2.44). De sancties in de wet voorzien voor alcoholintoxicatie, vluchtmisdrijf, snelheidsovertreding of een andere overtreding worden hierna onder nr. 2.2 onmiddellijke inning en 2.44 (bij Rechterlijke veroordeling) omstandig uitgelegd.

Ter afronding wordt het verloop van de strafrechtelijke procedure weergegeven (nr. 2.5). Ook de verjaring van de strafvordering komt aan bod.

 

Het overzicht volgens de Inhoudstafel :

a. De sanctionering (Procureur en Strafrechter, wijzen van bestraffing en de straffen voor verkeersovertredingen)

b. Rijverbod : nr. 3

 

 

B. DE BENADEELDE (8 blzn)

Daarnaast rijst de vraag hoe een benadeelde de passende schadevergoeding kan vorderen en hoe een gerechtelijke procedure tot het bekomen van de passende vergoeding verloopt.

c. De hoedanigheid van benadeelde persoon : nr. 4

d. Hoe kan u schadevergoeding vorderen?

e. het verloop van de gerechtelijke procedure

 

 

C. DE VERDEDIGING (7 blzn)

U kan een advocaat raadplegen, op kosten van uw rechtsbijstandverzekeraar.

  • f. aanstelling van een advocaat : nr. 11 - 13

    11.1 Het nut van een advocaat

    11.2 Betaling van het honorarium door uw rechtsbijstandsverzekeraar

    11.3 Wetteksten betreffende de tussenkomst van een advocaat

    11.4 De terugbetaling van de advocatenkosten door de verliezende partij

    12. Wanneer dient u een advocaat aan te stellen ?

    13. Vervanging van uw advocaat

  • u verschijnt zelf voor de rechtbank... : nr. 14

 

 

(DAARNA: DE MOGELIJKE VERGOEDINGEN)

 

 

 

 

Contactpersoon van de V.Z.W.:


Etienne Verniers (van 10 tot 22 uur) :

tel. 09/ 339 17 30
GSM 0473/ 38 00 88


OF


E-MAIL ONS

UW (ZELFS ANONIEME) VRAGEN WORDEN KOSTELOOS BEANTWOORD!

Thans ontvangen we gemiddeld 1 mail per dag.

 

 

 

OPMERKING : hier en daar werd een praktische TIP geplaatst!

NOOT VOORAF: de tekstgedeelten in groene kleur zijn enkel voor juristen bedoeld.

straf bestraffing geldboete rijverbod geldboete rijbewijs inleveren rijverbod

 

A. DE OVERTREDER

 


a.
De sanctionering (Procureur en Strafrechter, wijzen van bestraffing en de straffen voor verkeersovertredingen)


1. Vervolging - het Parket

1.1 Het Openbaar Ministerie * (O.M.) (* = zie definitie in de woordenlijst), of "Parket", vervolgt de strafbare feiten. Het vordert de toepassing van de strafwet en het staat tevens in voor de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke uitspraken. Er zijn 27 parketten, één per gerechtelijk arrondissement. Aan het hoofd van het parket staat de procureur, die wordt geholpen door substituten. Aan het hoofd van elk parket bij de 5 Hoven van Beroep staat een Procureur-Generaal.

De leden van het O.M. of het Parket vormen de staande magistratuur, te onderscheiden van de zittende magistratuur (= rechters en griffiers). Ze worden benoemd door de Koning (zijnde in feite de regering, dus vooral de Minister van Justitie).

Elk gerechtelijk arrondissement heeft één parket, waar de politie alle criminele feiten via klachten en processen-verbaal moet melden.

Aan het hoofd van een parket staat een Procureur des Konings, zelf bijgestaan door één of meerdere substituten. De procureur zelf staat onder het gezag van een procureur-generaal.

TIP: zeker als het gaat om het overlijden van een naaste of om zeer ernstige lichamelijke schade kan je beroep doen op de dienst slachtofferonthaal; zo kan je via een justitieassistent aan de substituut van de procureur des konings die je dossier behandelt vragen om je op de hoogte te houden van de stand van zaken; zo kan je o.a. het strafdossier inzien van zodra dit wordt vrijgegeven. Zie http://www.belgium.be/nl/justitie/Organisatie/justitiehuizen/slachtofferonthaal/

1.2 Gaat het om een lichte zaak, zoals een verkeersongeval, dan voert de Procureur des Konings het onderzoek zelf, met de hulp van de politiediensten. We spreken hier van een opsporingsonderzoek. Na de afloop ervan kan hij de verdachte rechtstreeks voor de strafrechter brengen.

TIP: Via uw advocaat kan u bijkomende onderzoeksmaatregelen vragen. Uiteraard moet u een afdoende reden hebben om een dergelijk onderzoek te vragen, zoals ingeval van onduidelijkheid omtrent de aansprakelijkheid voor het ongeval.

De Procureur des Konings zal in bepaalde gevallen, zoals bij een dodelijk ongeval, een voertuig- en een medische expertise bevelen. Deze expertises hebben - zoals alle onderzoeksmaatregelen - tot doel de oorzaken, omstandigheden en gevolgen van de feiten (zijnde het ongeval of een ander misdrijf) te verduidelijken, teneinde de verantwoordelijkheid van de (mogelijke) beklaagden en de ernst van hun daden te helpen bewijzen.

De Procureur kan bij een zware zaak ook de Onderzoeksrechter* “vorderen”, om bepaalde maatregelen te nemen. Hier spreken we niet meer van een opsporings- maar wel van een gerechtelijk onderzoek. Wanneer een huiszoeking, aanhouding of telefoontap moeten gebeuren, stelt de Procureur een onderzoeksrechter aan. Deze "rechter" zoekt naar gegevens zowel voor als tegen de verdachte; hij voert met andere woorden een gerechtelijk onderzoek uit. Is dit afgelopen, dan bezorgt hij het dossier aan de procureur. Die gaat na welke artikels van de strafwet werden overtreden en dagvaardt de verdachte voor de raadkamer.

1.3 Het Parket treedt niet enkel op na een klacht bij de politie, maar ook spontaan (uit eigen beweging). Behoudens enkele gevallen (zoals smaad en eerroof) kan de Procureur de vervolging ook na de klachtafstand van de klager onverminderd verderzetten.

Nadat de Procureur des Konings voldoende is ingelicht kan hij echter steeds beslissen tot het seponeren van de zaak, dit is tot het zonder gevolg rangschikken van het hele dossier.

Seponering gebeurt wanneer de verantwoordelijke overleden is of spoorloos blijft. Het gebeurt ook vaak omdat er andere prioriteiten zijn, zoals indien het gaat om een zeer licht misdrijf (bvb. een voetganger die net naast het zebrapad loopt) of indien vervolging onbillijk zou zijn (bvb. wanneer een fietser door zijn verkeersinbreuk zware letsels heeft opgelopen en dus reeds is gesanctioneerd).

Seponering tast op geen enkele wijze de rechten van de benadeelde aan.

 

2. Bestraffing
alcohol te snel gereden alcoholintoxic atie verkeersovertreding eerste graad tweede graad overtreding derde graad verkeersinbreuk vierde graad lichte of zware overtreding

2.1 De soorten verkeersinbreuken (overtredingen van 1° tot 4° graad en snelheidsovertredingen)

2.11 Met ingang van 31 maart 2006 is een nieuwe verkeerswetgeving van kracht. Deze is onmiddellijk van toepassing, ook als het gaat om vroegere overtredingen.

De huidige sanctionering is milder dan het systeem dat voordien toepasselijk was.

2.12 Thans is er geen sprake meer van "gewone" en "zware" overtredingen (of verkeersinbreuken), maar wel van overtredingen van de 1°, 2°, 3° of 4° graad.

De indeling van de overtredingen in de categorieën van de eerste tot vierde graad is vooral gebeurd op grond van het gevaar voor lichamelijke letsels dat de overtreding met zich kan brengen. Hoe groter dit gevaar hoe erger de overtreding wordt geacht.
De geldboete bedraagt bij onmiddellijke inning (O.I.)
50, 100, 150, of 300 euro, naargelang de overtreding van de 1°, 2°, 3° of 4° graad is (zie meer onder onmiddellijke inning, zijnde nr. 2.22 hieronder).

De wetgever heeft de hoogte van de sancties vooral bepaald overeenkomstig het gevaar dat de verkeersovertreding met zich brengt voor de veiligheid van personen. De overtredingen van de vierde graad brengen de veiligheid van personen rechtstreeks en in hoge mate in gevaar, de overtredingen van de derde graad brengen de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar, en de overtredingen van de tweede graad brengen de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar (hoewel bij deze categorie tevens het gebruik van de parkeerplaats van gehandicapten werd toegevoegd).
Voor snelheidsovertredingen geldt eenzelfde criterium : hoe gevaarlijker, hoe zwaarder de straf.
Kritiek op dit criterium: men zou bovendien rekening moeten houden met de zwaarte van de fout; het negeren van een stopbevel vanwege een weinig goed zichtbare politieagent (4° graad) door een kortstondige onoplettendheid, zou minder zwaar moeten worden bestraft dan
opzettelijk een voertuig parkeren op de autosnelweg (2° graad).

 

Hierna bespreken we de verkeersovertredingen van de vierde tot de eerste graad.

De volgende overtredingen behoren tot de 4° graad, dus tot de zwaarste categorie:

a. het negeren van een stopbevel van een bevoegd persoon (art. 4 A.V.R.) ;
b. het aansporen van een bestuurder tot overdreven snel rijden (art. 10.4 A.V.R.);
c. zich op een overweg (in het bijzonder voor treinen) begeven wanneer de rode knipperlichten branden (art. 20.3 A.V.R.) ;
d. op een autosnelweg of op een autoweg de dwarsverbinding gebruiken, zich keren, of achteruitrijden (art. 21.4 en 22.2 A.V.R.) ;
e. snelheidswedstrijd op de openbare weg;

f. naast enkele andere gevallen.

Het Koninklijk besluit van 30 september 2005 (tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer) omschrijft in art. 4 (zijnde tevens hoofdstuk IV) de overtredingen van de 4e graad meerbepaald als volgt:

"Art. 4. De overtredingen op de hierna vermelde bepalingen zijn overtredingen van de vierde graad in de zin van artikel 29 § 1, eerste lid, van dezelfde wet :

1° De volgende bevelen negeren van een bevoegd persoon :
- de arm of de armen horizontaal uitgestrekt, wat stoppen betekent voor de weggebruikers die naderen uit richtingen welke deze aangewezen door de arm of armen, dwarsen;
- het overdwars zwaaien met een rood licht, wat stoppen betekent voor de bestuurders naar wie het licht gekeerd is.
2° Het is verboden een bestuurder aan te sporen of uit te dagen overdreven snel te rijden.
3° Het links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden bij het naderen van de top van een helling en in bochten, wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is, behalve indien kan ingehaald worden zonder de doorlopende witte streep te overschrijden die het voor de tegenliggers bestemde deel van de rijbaan aflijnt.
4° Het is verboden zich op een overweg te begeven :
- wanneer de slagbomen in beweging of gesloten zijn;
- wanneer de rode knipperlichten branden;
- wanneer het geluidssein werkt.
5° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden :
- de dwarsverbindingen te gebruiken;
- te keren;
- achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde rijrichting.
6° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op de overwegen.
7° Behoudens speciale toelating van de wettelijke gemachtigde overheid zijn verboden op de openbare weg, alle snelheids- en sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden".

Deze overtredingen geven dus - zoals daarnet gemeld - aanleiding tot een boete bij onmiddellijke inning van 300 € (zie verder onmiddellijke inning).

 

De verkeersinbreuken van de 3° graad betreffen :

  • het niet opvolgen van een bevel van een bevoegd persoon (behalve als het gaat om een stopbevel, dat immers tot de 4° graad behoort) (art. 4.1 "A.V.R.", zijnde "het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg", kortweg de Wegcode of het Algemeen Verkeersreglement, afgekort A.V.R.)
  • het links kruisen i.p.v. rechts (art. 15.1 A.V.R.), of op een andere wijze foutief kruisen
  • op een niet-toegelaten wijze inhalen (art. 16.5 en 16.7 en art. 17.2 A.V.R.)
  • voorafgaandelijk aan het indraaien naar links niet nagaan of een andere weggebruiker al is beginnen inhalen (art. 19.2.2° A.V.R.)
  • het niet verlenen van voorrang aan andere weggebruikers bij het veranderen van richting (art. 19.3.3° t.e.m. 19.5 A.V.R.)
  • het niet stapvoets rijden in een voetgangerszone of een speelstraat (art. 22 sexies 2, al. 2 en art. 22 septies 2 A.V.R.)
  • het niet gebruiken van de lichten van het voertuig (art. 30.1, 30.3.2°°, alinea 1, en 30.4 A.V.R.)
  • een voetganger in gevaar brengen (art. 40.1 AVR)
  • het negeren van het rood licht (art. 61.1.1°AVR)
  • en dergelijke.

Art. 3 van het voormelde K.B. van 30/9/05: "De overtredingen op de hierna vermelde bepalingen zijn overtredingen van de derde graad in de zin van artikel 29 § 1, tweede lid, van dezelfde wet:

1° De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen.
2° Elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig moet dit verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon aangemaand wordt.
3° Wanneer de openbare weg twee of drie rijbanen omvat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, inzonderheid door een effen grond, een niet voor voertuigen toegankelijke ruimte, een verschil in niveau, mogen de bestuurders de ten opzichte van hun rijrichting links gelegen rijbaan niet volgen, behoudens plaatselijke reglementering.
4° Het kruisen geschiedt rechts.
5° De bestuurder moet bij het kruisen een voldoende zijdelingse afstand laten en, zonodig, naar rechts uitwijken.
De bestuurder, waarvan het doorrijden belemmerd wordt door een hindernis of door de aanwezigheid van andere weggebruikers, moet vertragen en, zonodig, stoppen om de tegemoetkomende weggebruikers doorgang te verlenen.
6° Wanneer het kruisen of het inhalen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan uitgevoerd worden, mag de bestuurder de gelijkgrondse berm volgen, op voorwaarde dat hij de weggebruikers die zich daar bevinden, niet in gevaar brengt.
7° Het kruisen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen, mag links geschieden, wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of enige andere vaste hindernis en op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.
8° Elke bestuurder die op het punt staat links ingehaald te worden, moet zo ver mogelijk naar rechts uitwijken en mag zijn snelheid niet opvoeren.
9° Links inhalen is verboden wanneer de bestuurder de tegemoetkomende weggebruikers niet van ver genoeg kan opmerken om het inhalen zonder gevaar voor ongevallen uit te voeren.
10° Het links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden:
- op een overweg gesignaleerd door het verkeersbord A45 of A 47, behalve indien het een overweg is met slagbomen of indien het verkeer er door verkeerslichten wordt geregeld;
- wanneer de in te halen bestuurder zelf een ander voertuig dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets inhaalt, behalve wanneer de rijbaan drie of meer rijstroken heeft die bestemd zijn voor het verkeer in de
gevolgde rijrichting;
- wanneer de in te halen bestuurder stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen of deze oversteekplaatsen nadert op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten.
11° Wanneer de bestuurder overeenkomstig artikel 19.2.2° van het besluit zich bij het afslaan naar links mag begeven, moet hij
zich vooraf ervan vergewissen dat geen achterligger reeds begonnen is in te halen; bovendien mag hij de andere bestuurders die op normale wijze rijden op de openbare weg die hij gaat verlaten, niet in gevaar brengen.
12° De bestuurder die naar links afslaat moet voorrang verlenen aan de tegenliggers op de rijbaan die hij gaat verlaten.
13° De bestuurder die van richting verandert moet voorrang verlenen aan de bestuurders en aan de voetgangers die de andere delen van dezelfde openbare weg volgen.
14° De bestuurder die van richting verandert moet voorrang verlenen aan de voetgangers die de rijbaan oversteken die hij gaat oprijden.
15° Binnen de woonerven en de erven mogen de bestuurders de voetgangers niet in gevaar brengen en ze niet hinderen; zo nodig moeten zij stoppen. Zij moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.
16° De gebruikers van de wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters mogen elkaar niet in gevaar brengen en niet hinderen. Zij moeten dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen en ze mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren.
17° De bestuurders die in de voetgangerszones rijden, moeten stapvoets rijden; ze moeten de doorgang vrij laten voor de voetgangers en zonodig stoppen. Ze mogen de voetgangers niet in gevaar brengen en niet hinderen.
18° De bestuurders die in de speelstraten rijden, moeten dit stapvoets doen; ze moeten de doorgang vrij laten voor de voetgangers die spelen, hen voorrang verlenen en er zo nodig voor stoppen. Fietsers moeten zonodig afstappen. De bestuurders mogen de voetgangers die spelen niet in gevaar brengen en niet hinderen. Ze moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.
19° Het niet gebruiken van de dim- of grootlichten vooraan en de rode lichten achteraan voor motorvoertuigen tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter.
Het niet gebruiken van de twee witte lichten vooraan en de rode lichten achteraan voor aanhangwagens die met deze lichten moeten uitgerust zijn, tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter.
20° Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter moeten, buiten de lichten voorgeschreven in artikel 30.1. of 30.3. van het besluit, bij voertuigen die meer dan 2,50 meter breed zijn de omtreklichten worden gebruikt.
Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst.
21° Zodra het speciaal geluidstoestel het naderen van een prioritair voertuig aankondigt, moet elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrijmaken en voorrang verlenen; zo nodig moet hij stoppen.
22° De bestuurders moeten dubbel voorzichtig zijn bij het naderen van een voertuig, gesignaleerd zoals bepaald in artikel 39bis van het besluit. Zij moeten bovendien hun snelheid aanzienlijk matigen en zo nodig stoppen wanneer de bestuurder van het aldus gesignaleerde voertuig al de richtingaanwijzers doet werken en hiermee beduidt dat de kinderen gaan in- of uitstappen.
23° De bestuurder mag de voetgangers niet in gevaar brengen die :
- zich bevinden op een trottoir, een deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9 of D10, een berm of een vluchtheuvel;
- zich bevinden op een openbare weg gesignaleerd door de verkeersborden F99a of F99b of ingericht als speelstraat;
- zich bevinden in een zone afgebakend door de verkeersborden F12a en F12b of F103 en F105;
- op de rijbaan gaan onder de in het besluit voorziene voorwaarden.
24° De bestuurder moet zijn snelheid matigen wanneer hij rijdt langs een autocar, een autobus, een trolleybus, een minibus of een spoorvoertuig die stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.
25° Bij afwezigheid van een vluchtheuvel aan de halteplaats van een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer, moet de bestuurder die rijdt langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen, dezen de gelegenheid laten in alle veiligheid het voertuig, het trottoir, het deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9 of de
berm te bereiken. Daartoe moet hij stoppen om het in- en uitstappen mogelijk te maken en hij mag slechts opnieuw vertrekken met matige snelheid.
26° Op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, moet de bestuurder, zelfs wanneer het verkeer in zijn rijrichting is opengesteld, de voetgangers die zich regelmatig op de rijbaan hebben begeven, de gelegenheid laten het oversteken met een normale gang te beëindigen.
Bovendien, zo er op die plaatsen een oversteekplaats voor voetgangers is, moet de bestuurder in ieder geval stoppen voor de oversteekplaats voor voetgangers wanneer het verkeer in zijn rijrichting gesloten is.
27° Op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, mag de bestuurder een oversteekplaats voor voetgangers slechts met matige snelheid naderen. Hij moet voorrang verlenen aan de voetgangers die er zich op bevinden of op het punt staan zich erop te begeven.
28° Het is de weggebruikers verboden te breken door een groep kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden :
- ofwel in rijen, vergezeld van een leider;
- ofwel die de rijbaan oversteekt onder de controle van een jeugdverkeersbrigade, van een leider of van een gemachtigd opzichter.
29° De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die ter beveiliging van het oversteken van kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden door daartoe gemachtigde opzichters worden gegeven.
30° De bestuurder van een auto of van een motorfiets mag een fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets die zich op de openbare weg bevindt onder de in dit reglement voorziene voorwaarden niet in gevaar brengen.
Hij moet dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van fietsende kinderen en bejaarden.
Hij moet een zijdelingse afstand van ten minst een meter laten tussen zijn voertuig en de fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets.
Hij mag een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen slechts met matige snelheid naderen teneinde de weggebruikers die er zich op bevinden, niet in gevaar te brengen en ze niet te hinderen
wanneer zij het oversteken van de rijbaan met normale snelheid beëindigen.
Zo nodig moet hij stoppen om ze te laten doorrijden.
31° Het is de weggebruikers verboden te breken :
- door een afdeling van een militaire colonne bestaande uit een op mars zijnde troep of een voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt door bevoegde personen of door daartoe gemachtigde militairen;
- door een stoet, een groep voetgangers, een samenkomst naar aanleiding van een cultureel, sportief of toeristisch evenement of een processie;
- door een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd of aan een niet gemotoriseerde sportwedstrijd of -competitie.
32° Bij het naderen van een groep renners die aan een wielerwedstrijd deelnemen, moet elke bestuurder onmiddellijk uitwijken en stoppen.
33° De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die gegeven worden :
- ter vergemakkelijking van de beweging der legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;
- om de veiligheid te verzekeren :
van culturele, sportieve en toeristische evenementen van wielerwedstrijden en van niet gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, door daartoe gemachtigde signaalgevers;
van de groepen fietsers en groepen motorfietsers door wegkapiteins;
van de groepen voetgangers en groepen ruiters, door groepsleiders;
van het personeel van de werken op de openbare weg door de werfopzichters.
34° Voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren in de zin van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) en zijn bijlagen, ondertekend te Geneve op 30 september 1957 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, en die krachtens dat Verdrag of krachtens verordeningsbepalingen van intern recht voorzien moeten zijn van een oranje bord, moeten, behalve in geval van noodzaak, de autosnelwegen volgen.
35° De toegang tot de openbare wegen of delen van openbare wegen, voorzien van de verkeersborden C24a, b, of c is verboden aan de bestuurders van voertuigen die de gevaarlijke goederen vervoeren welke, door de voor vervoer
van gevaarlijke goederen bevoegde Ministers zijn bepaald.
36° Het rood licht negeren. Rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden.
37° Wanneer een of meer bijkomende lichten in de vorm van een of meer groene pijlen tegelijk met lid 2, 4° en 5°
een rood licht branden, betekenen de pijlen dat alleen in de richtingen die door de pijlen worden aangeduid mag voortgereden worden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen en aan de voetgangers.
38° Tweekleurige verkeerslichten die boven rijstroken van de rijbaan geplaatst zijn, hebben de volgende betekenis :
- het rode licht dat de vorm heeft van een kruis, betekent verboden richting op de strook voor de bestuurders naar wie het gericht is;
39° Het verkeersbord C1 niet in acht nemen.
40° Het verkeersbord C24a niet in acht nemen.
41° Het verkeersbord C24b niet in acht nemen.
42° Het verkeersbord C24c niet in acht nemen.
43° Het verkeersbord C35 niet in acht nemen.
44° Het verkeersbord C39 niet in acht nemen.
45° Een doorlopende streep betekent dat het iedere bestuurder verboden is deze te overschrijden.
Bovendien is het verboden links van een doorlopende streep te rijden wanneer deze de twee rijrichtingen scheidt.
46° Het overschrijden van de oranje doorlopende streep of de doorlopende streep gevormd door oranje spijkers op korte en regelmatige afstanden van elkaar geplaatst
".

Deze overtredingen van de derde graad geven aanleiding tot een boete bij onmiddellijke inning van 150 € (zie meer daarover verder onder nr. 2.22, onmiddellijke inning).

 

De verkeersovertredingen van de 2° graad worden opgesomd in art. 2 van het K.B. van 30/9/05:

1° Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen.
2° Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.
Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben.
3° Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen gebruik maken van een draagbare telefoon die hij in de hand houdt.
4° Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in 't bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.
De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.
5° De bestuurder die de snelheid van zijn voertuig aanzienlijk wil verminderen, moet dit voornemen kenbaar maken door middel van de stoplichten wanneer het voertuig ervan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm.
6° Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij trek-, last- en rijdieren of vee op de openbare weg nadert. Hij moet stoppen indien deze dieren tekenen van angst vertonen.
7° Elke weggebruiker moet voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen.
8° De bestuurder die een kruispunt oprijdt moet dubbel voorzichtig zijn ten einde elk ongeval te voorkomen.
9° Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan de bestuurder die op een regelmatige manier van rechts komt, behalve indien hij rijdt op een rotonde.
De bestuurder moet evenwel voorrang verlenen aan iedere bestuurder die rijdt op de openbare weg of de rijbaan die hij oprijdt:
- wanneer hij uit een openbare weg of een rijbaan met een verkeersbord B 1 (omgekeerde driehoek) of met een verkeersbord B 5 (stop) komt;
- wanneer hij uit een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan komt.
10° De bestuurder die voorrang heeft, verliest deze voorrang wanneer hij zijn voertuig opnieuw in beweging brengt, na gestopt te hebben.
11° De bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers.
12° De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verder rijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden.
13° Het inhalen geschiedt links.
Het inhalen geschiedt echter rechts wanneer de in te halen bestuurder te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is links af te slaan of zijn voertuig op te stellen aan de linkerkant van de openbare weg en zich naar links begeven heeft om deze beweging uit te voeren.
14° Het inhalen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen geschiedt rechts, zowel wanneer die voertuigen in beweging zijn of stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.
Het inhalen mag evenwel links geschieden wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of enige andere vaste hindernis en op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.
Het inhalen mag eveneens links geschieden op rijbanen met eenrichtingsverkeer, wanneer de behoeften van het verkeer het rechtvaardigen.
15° Buiten de bebouwde kommen moeten de bestuurders van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton of langer dan 7 meter, onderling een afstand houden van ten minste 50 meter.
16° De bestuurder die naar rechts afslaat moet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan blijven.
De bestuurder mag zich evenwel naar links begeven wanneer hij wegens de plaatsgesteldheid en de afmetingen van het voertuig of de lading niet bij de rechterrand van de rijbaan kan blijven.
17° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E9a.
18° Op de wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters is alleen het verkeer toegestaan van de categorieën van weggebruikers waarvan het symbool afgebeeld is op de verkeersborden die bij de toegang geplaatst zijn en van de categorieën van weggebruikers die opgesomd zijn in artikel 22quinquies 1, tweede lid van het besluit.
19° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :
- op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;
- op de fietspaden en op minder dan 3 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
- op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 3 meter voor deze oversteekplaatsen;
- op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen;
- op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is.
20° Het is verboden een voertuig te parkeren :
- op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;
- op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
- wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;
21° Het is verboden een voertuig te parkeren op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c, behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3.
22° De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden :
- bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten;
- bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;
- wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt.
Wanneer het motorvoertuig of de aanhangwagen voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen.
23° De lading van een voertuig moet zodanig geschikt en zo nodig vastgemaakt, overdekt worden met een dekzeil of met een net dat ze :
- de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;
- geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen, en de andere weggebruikers kan vormen;
- geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, aan zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare- of prive-eigendommen;
- niet op de openbare weg kan slepen of vallen;
- de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;
- de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.
24° De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net. Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt.
25° Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.
26° Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten zoals kettingen, dekzeilen, netten, enz. moet de lading nauw omsluiten.
27° Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.
28° Het vast oranjegeel licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden, tenzij de bestuurder bij het aangaan van dat licht, zo dicht genaderd is, dat hij niet meer op voldoende veilige wijze kan stoppen;
zo dit licht bij een kruispunt geplaatst is, mag de bestuurder, die de stopstreep of het licht in dergelijke omstandigheden voorbijgereden is, het kruispunt evenwel slechts oversteken op voorwaarde de andere weggebruikers niet in gevaar te brengen.
[29° Wanneer een of meer bijkomende lichten in de vorm van een of meer groene pijlen tegelijk met een oranjegeel licht branden, betekenen de pijlen dat alleen in de richtingen die door de pijlen worden aangeduid mag voortgereden worden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen en
aan de voetgangers.]
30° Het verkeersbord B1 niet in acht nemen.
31° Het verkeersbord B5 niet in acht nemen.

Alle andere overtredingen, dus alle overtredingen die niet uitdrukkelijk in de opsomming van het K.B. van 30/9/05 voorkomen, behoren tot de 1° graad. Voor deze inbreuken is bij onmiddellijke inning (O.I.) dus een boete van 50 € verschuldigd.

 

2.13 Snelheidsovertredingen zijn door de wetgever uitdrukkelijk als afzonderlijke categorie beschouwd (zie hierna, nr. 2.222).

2.14 De sanctionering door de Politierechtbank (geldboete - rijverbod) wordt hierna onder 2.44 Rechterlijke veroordeling besproken.

 

2.2 Onmiddellijke inning en minnelijke schikking

2.21 Wanneer de politie tegen u een snelheidsovertreding of een andere verkeersinbreuk heeft vastgesteld, volgt meestal een uitnodiging om een welbepaalde geldboete te betalen.

Doorgaans maakt u het volgende mee: de verkeerspolitie steekt een verzoek tot betaling van een geldboete onder uw ruitenwisser of zij stuurt u een "antwoordformulier" op, u betaalt, en u daarna hoort u niets meer van de hele zaak. U heeft betaald volgens de regeling van de onmiddellijke inning (O.I.), zoals meestal het geval is (zie hieronder nr. 2.22 ).

De betaling van de boete vanwege de politie gebeurde vroeger door middel van boetezegels (gekocht in het postkantoor), maar sinds april 2006 door middel van een overschrijving.

Bepaalde overtredingen zijn niet vatbaar voor onmiddellijke inning en komen dus steeds voor de Politierechtbank (zie verder nr. 2.41); dit gebeurt ook als u de geldboete niet (of niet tijdig) betaalt, en u kan inderdaad een goede reden hebben om de overtreding te betwisten (zie verder nr. 2.23 en vooral 2.42).

2.22 De hoogte van de geldboete bij onmiddellijke inning wordt uiteraard bepaald door de ernst van de overtreding.

2.221 De geldboete bedraagt 50, 100, 150, of 300 euro per overtreding, naargelang deze van de 1°, 2°, 3° of 4° graad is.

Art. 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 (betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van de overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en zijn uitvoeringsbesluiten), zoals gewijzigd in september 2005, voorziet vanaf 31 maart 2006 de volgende bedragen van onmiddellijke inning:

"1°(...)
- 100 euro voor de overtredingen van de tweede graad;
- 150 euro voor de overtredingen van de derde graad;
- 300 euro voor de overtredingen van de vierde graad".

Hetzelfde art. 3 eindigt als volgt: "3° De overige overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van de wet betreffende de politie over het wegverkeer kunnen aanleiding geven tot de inning van een som van 50 euro per overtreding".


2.222 Voor snelheidsovertredingen geldt een afzonderlijk regime:

a. 1 tot 10 km/u. te snel: 50 euro (basisbedrag);

b. per bijkomende km. te snel: 5 euro (in principe) of 10 euro (in de bebouwde kom, en dergelijke) erbij.

Het zopas aangehaalde art. 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 bepaalt:

"2° Het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid bepaald in de reglementen uitgevaardigd op grond van de wet betreffende de politie over het wegverkeer kan, per overtreding, aanleiding geven tot de inning van de volgende som :
- voor de eerste 10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid bedraagt de som 50 euro;
- binnen de bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, woonerf en erf wordt boven de eerste 10 km/u. boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro met telkens 10 euro vermeerderd voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden;
- in alle andere gevallen wordt boven de eerste 10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid de som van 50 euro vermeerderd met telkens 5 euro voor elke bijkomende kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden"
.

Bij voorbeeld: wie in een "zone 30" 38 km./u. heeft gereden betaalt bij onmiddellijke inning 50 euro; indien hij daar 46 km./u. heeft gereden zal hij (50 euro als basis + daarbovenop 6 km x 10 euro of 60 euro =) 110 euro betalen; bedroeg de snelheid daar 58 km./u., dan loopt het prijskaartje op tot (50 + 180 =) 230 euro.
Wie op de autosnelweg 138 heeft gereden zal (50 + 40 =) 90 euro moeten betalen; was de snelheid 158 dan betaalt men (50 + 140 =) 190 euro.

OPMERKING: de snelheidsmeting moet voldoen aan bepaalde wettelijke voorschriften en zij is bovendien onderworpen aan een foutmarge.

De snelheidsmeters werken op basis van het meten van de mate van samendrukking van de lucht door het voertuig: hoe sneller het rijdt, hoe meer het de lucht samendrukt (zie het Doppler - effect). De snelheidsmeting kan derhalve in positieve of negatieve zin worden beïnvloed door de temperatuur, de eventuele neerslag,..., en zo kan een foutieve meting van de snelheid ontstaan.

Art. 62 Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968): "(...) De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moeten goedgekeurd of gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de goedkeuring of homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kunnen worden vastgesteld".

In meerdere gevallen kan worden betwist dat de snelheidsovertreding op een geldige wijze werd vastgesteld of dat er wel sprake is van een snelheidsovertreding. In dit kader moet vooral rekening worden gehouden met het Koninklijk Besluit van 11 oktober 1997 "betreffende de goedkeuring en homologatie van de automatisch werkende toestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten" (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 24 oktober 1997, in werking getreden op 3 november 1997).

Zo voorziet art. 2.1 van dit K.B. dat de meettoestellen onderworpen zijn aan 1° de modelgoedkeuring, 2° de eerste ijk, 3° de herijk, en 4° de technische controle bedoeld in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden en het K.B. van 20 december 1972.

 

HOOFDSTUK I. - Meettoestellen

Artikel 1. Toepassingsgebied

1.1. Hoofdstuk I geldt voor de toestellen voorzien in 1.2. die gebruikt worden om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en haar uitvoeringsbesluiten.
1.2.1. De toestellen die rechtstreeks of onrechtstreeks de snelheid van voertuigen meten, in dit besluit en zijn bijlagen 1 tot 3 "snelheidsmeters" genoemd, zijn onderworpen aan de goedkeuring bedoeld in artikel 2.
1.2.2. De installatie van vaste uitrustingen die het voorbijrijden van de verkeerslichten kunnen vaststellen en die werken in samenhang met de snelheidsmeters, is onderworpen aan de homologatie bedoeld in artikel 3.

Art. 2. Goedkeuring

Modelgoedkeuring - Eerste ijk - Herijk - Technische controle
2.1. De meettoestellen zijn onderworpen aan de modelgoedkeuring, aan de eerste ijk, aan de herijk en aan de technische controle, bedoeld in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, meetstandaarden en meetwerktuigen, en tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen.
2.2. Om de modelgoedkeuring en de aanvaardingsmerken zowel bij de eerste ijk als bij de herijk en de technische controle te kunnen verkrijgen, moeten de meettoestellen voldoen aan de voorschriften bepaald in de bijlagen bij dit besluit.

Art. 2.2 van het K.B. van 11 oktober 1997 stelt dat de meettoestellen moeten voldoen aan de voorschriften in de bijlagen N. In deze bijlagen zijn allerlei technische voorschriften vastgelegd voor de snelheidsmeters, die de volgende foutmarges mogen opleveren :

a. wanneer de snelheid wordt gemeten onder de referentiewaarden voorzien in N1, art. 7.2.1, moet de fout in de aanduiding van de gemeten snelheid kleiner zijn dan 3 km boven of onder de werkelijke snelheid tot 100 km/u en dan 3% boven of onder de werkelijke snelheid van meer dan 100 km/u (art. 7.2.3 en 7.4 van N1) ; hierbij wordt opgemerkt dat één van de referentiewaarden 20° C is, naast een relatieve vochtigheid van 50 à 70 %, zodat de snelheidsmeting in werkelijkheid vaak onder deze referentiewaarden gebeurt ;

b. bovendien voorziet art. 7.2.5 van N1 dat ingevolge de wijziging van allerlei factoren (zoals de verlaging van de voedingsspanning, een ander inhalend voertuig dat sneller rijdt, e.d.) de gemeten snelheid een afwijking mag vertonen van 6 km/u voor snelheden tot 100 km/u en zelfs van 6 % voor snelheden boven de 100 km/u.

Gelet op het bovenstaande is het logisch dat geen snelheidsovertreding afdoende wordt bewezen wanneer de meting van de flitspaal op een autosnelweg een resultaat geeft van 127 km/u (zijnde van minder dan 6 % boven 120 km/u). Hetzelfde geldt wanneer de gemeten snelheid 35 km/u was in een zone waar 30 km/u toegelaten was. De meeste parketten vermelden dan ook terecht naast de gemeten snelheid de gecorrigeerde snelheid, zijnde deze waarbij de gemeten snelheid wordt verminderd met 6 km/u (tot 100 km/u) of met 6 % (boven 100 km/u).

Het Hof van Cassatie heeft (op 5 april 2006) overwogen dat art. 4 van bijlage 2 bij het K.B. van 11 oktober 1997 bepaalt dat de persoon die het meettoestel bedient een specifieke opleiding moet hebben genoten en dat de snelheidsovertreding vastgesteld door een politie-agent die voormelde opleiding niet heeft gekregen dus geen bewijskracht bezit.

Lagere rechtbanken hebben talloze keren de snelheidsmeting ongeldig of zonder bewijskracht verklaard, omdat het gebruikte toestel niet voldeed aan de voorschriften van het voormelde K.B. of dat dit niet kon worden afgeleid uit het proces-verbaal.

MAAR het hoogste Hof heeft op 12/03/2002 beslist dat ook met een nog niet geijkt toestel geldig een snelheidsovertreding kan worden geconstateerd.

TIP: dus wanneer niet kan worden nagegaan of de snelheidsmeter voldoet aan de technische voorschriften (bvb. omdat de verbalisanten de identificatie van het meettoestel niet hebben vermeld) of wanneer de gemeten snelheid slechts 5 km/u (of slechts 7 km/u op de autosnelwegen) hoger was dan de toegelaten snelheid, dan kan u mogelijks ontsnappen aan een geldboete.

OPMERKING: wie meer dan 40 (of 30) km. per uur te snel heeft gereden kan niet genieten van het systeem van onmiddellijke inning en wordt dus steeds voor de Politierechtbank gedagvaard door toedoen van het Parket (zie verder Rechterlijke veroordeling, onder nr. 2.41 en ook nr. 2.44,2°).

2.223 Bij lichte alcoholintoxicatie *, dit is van minstens 0,22 mg/l - zijnde milligram alcohol per liter longlucht - (overeenstemmend met 0,5 pro mille - zijnde 0,5 gram alcohol per liter bloed - ) maar minder dan 0,35 mg/l (of 0,8 gr./l.), beloopt de onmiddellijke inning 137,50 euro.

Maar: was de alcoholintoxicatie zwaar, dan is het systeem van onmiddellijke inning niet toepasselijk en wordt men dus voor de Politierechtbank gedagvaard.

Voor meer gegevens zie verder Rechterlijke veroordeling, onder nr. 2.44,3°.

 

2.23 Wanneer de overtreder zijn onmiddellijke inning niet betaalt, wordt zijn dossier overgemaakt aan het Parket. De Procureur des Konings ( of in werkelijkheid één van zijn substituten) ziet het dossier na; hij kan seponeren, maar doorgaans stelt hij een minnelijke schikking voor.

Deze valt in principe 10 euro duurder uit dan de onmiddellijke inning; ze kan gekoppeld worden aan bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat de benadeelden vóór een bepaalde datum volledig moeten vergoed zijn. Wie betaalt, wordt niet verder vervolgd door het Parket.

Negen van de tien minnelijke schikkingen worden betaald.

 

2.24 Wie een minnelijke schikking betaalt, kan niet meer strafrechtelijk worden vervolgd, tenzij het Openbaar Ministerie het omgekeerde meedeelt binnen de maand vanaf de betaling (zie art. 65 §2 Wegverkeerswet, zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968).

Wie niet betaalt, wordt voor de politierechtbank gedagvaard. Het gaat om 1 tot 2 procent van de (niet-betaalde) onmiddellijke inningen.

TIP: U kan een goede reden hebben om de minnelijke schikking te weigeren: er werd in werkelijkheid helemaal geen overtreding begaan, of u reed niet met deze auto op het ogenblik van de verkeersovertreding, of de opgelegde boete is onredelijk hoog wanneer men rekening houdt met de concrete gegevens en/of met uw slechte financiële toestand,... Maak uw argumenten dan schriftelijk kenbaar aan de Procureur des Konings, bijvoorbeeld via het antwoordformulier dat u moet terugsturen naar de politie. Zeker als u dekking in rechtsbijstand geniet kan u vervolgens, zo nodig, verkiezen dat de zaak met de bijstand van uw advocaat wordt gepleit voor de Politierechtbank (zie verder nr. 2.4 Rechterlijke veroordeling).

2.25 Let op: het Parket (de Procureur des Konings) kan ook voor een lichte overtreding overgaan tot dagvaarding voor de Politierechtbank; zo ook kan het een zware overtreding seponeren (zonder verder gevolg laten). Het beslist daarover autonoom.

 

2.3 Politierechtbank

2.31 Voor verkeersinbreuken en andere overtredingen is de Politierechtbank bevoegd, nl. deze zetelend in strafzaken (S.Z.).

De politierechtbank zetelend in strafzaken neemt kennis van zogenaamde overtredingen, zijnde misdrijven* die bestraft kunnen worden met maximaal 8 dagen gevangenisstraf. Tevens neemt ze kennis van inbreuken op bepaalde bijzondere wetten, zoals wetten op het verkeer, het Veldwetboek, het Boswetboek, de wet tot beteugeling van de dronkenschap, wetten op de riviervisserij, provincie- en gemeenteverordeningen.

Voor zwaardere misdrijven, zoals voor opzettelijke slagen of verwondingen, is de Rechtbank van Eerste Aanleg zetelend in strafzaken, doorgaans "Correctionele Rechtbank" genoemd, bevoegd. Ingeval een benadeelde zich tegen de beklaagde burgerlijke partij stelt voor een strafrechtbank, zal deze niet enkel oordelen over de bestraffing maar ook over de eis tot schadevergoeding; enkel inzover de schade het gevolg is van het misdrijf begaan door de beklaagde kan vergoeding worden toegekend.

Het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank S.Z. wordt behandeld door de Correctionele Rechtbank, en het hoger beroep tegen een vonnis van de Correctionele Rechtbank door het Hof van Beroep.

Artikel 137 en 138 Wetboek van Strafvordering:

- art. 137 Wb. Sv. :"De politierechtbank neemt kennis van de overtredingen"

- art. 138 Wb. Sv. : "Onverminderd het recht van de procureur des Konings om een opsporingsonderzoek in te stellen of een gerechtelijk onderzoek te vorderen inzake wanbedrijven, neemt zij bovendien kennis
( ... )
van de misdrijven omschreven in de wetten en verordeningen op (...) de wegen te land en te water en het wegverkeer;
6°bis van de wanbedrijven omschreven in de artikelen 418 tot 420bis van het Strafwetboek, wanneer de doding, de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval;
6°ter van de wanbedrijven omschreven in artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen"
.

2.32 De Politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken (B.Z.) is bevoegd voor alle vorderingen die ontstaan uit een verkeersongeval; zij kan niet oordelen over de bestraffing maar enkel over de eis tot schadevergoeding.

Art. 601bis Gerechtelijk Wetboek: "De politierechtbank neemt kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek".

Het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank B.Z. wordt behandeld door de Rechtbank van Eerste Aanleg.



2.4 Rechterlijke veroordeling

2.41 Door middel van een dagvaarding door de Procureur des Konings ("Pro Justitia") wordt u voor de Politierechtbank gebracht.

Dit gebeurt voornamelijk in de volgende twee gevallen:

1° u hebt de minnelijke schikking niet betaald;

u heeft een misdrijf begaan dat niet vatbaar is voor een onmiddellijke inning, zijnde vooral een overtreding van de vierde graad of een te hoge overschrijding (met meer dan 30 of 40 km. per uur) van de toegelaten snelheid; dan wordt u steeds gedagvaard (zonder dat een voorafgaande regeling volgens de onmiddellijke inning en de minnelijke schikking mogelijk is).

Art. 4 van het zopas aangehaalde Koninklijk besluit van 22 december 2003 (Belgisch Staatsblad 2005-09-30, art. 2, 002; inwerkingtreding : 31-03-2006):

" De onmiddellijke inning is uitgesloten :
1° indien de overtreder minder dan 18 jaar oud is;
2° indien één der overtredingen die bij dezelfde gelegenheid worden vastgesteld geen aanleiding kan geven tot deze procedure;
3° indien de overtreder een woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft :
- wanneer de totale som van de inning meer bedraagt dan 300 euro. De overtreding bedoeld in artikel 3, 4°, van dit besluit wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van voornoemde maximumsom. Of
- wanneer een snelheidsbeperking met meer dan 40 kilometer per uur wordt overtreden. Of
- wanneer een snelheidsbeperking met meer dan 30 kilometer per uur wordt overtreden binnen de bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, woonerf en erf. Of
- wanneer een overtreding van de derde graad tegelijkertijd wordt vastgesteld met een andere overtreding. Of
- wanneer een overtreding van de vierde graad wordt vastgesteld".

 

2.42 Het eerste geval - niet betalen - spruit niet enkel voort uit onwil of zo, maar soms ook uit het terecht niet akkoord kunnen gaan met de boete.

Bij de onmiddellijke inning wordt de geldboete immers vastgelegd zonder rekening te houden met de concrete feiten.

Zo wordt geen rekening gehouden met uw financiële toestand; zo wordt evenmin rekening gehouden met het feit dat u de snelheidsovertreding heeft begaan toen deze geen enkel gevaar kon opleveren (bvb. rond middernacht, op een plaats waar geen fietsers of voetgangers kunnen worden aangereden); zo wordt ook geen rekening gehouden met vergissingen door de politie, die u zo ten onrechte een geldboete heeft opgelegd.

U kunt er dus soms belang bij hebben de boete volgens de minnelijke schikking niet te betalen. In een dergelijk geval zal de geldboete worden bepaald door de Politierechter, die uiteraard wel rekening zal houden met alle concrete gegevens. Mogelijks bekomt u zelfs vrijspraak (bijvoorbeeld op grond van twijfel).

Noot: houd er wel rekening mee dat u bij veroordeling, zelfs met opschorting, naast de boete tevens de gerechtskosten (meestal ongeveer 30 euro) en een bijdrage van € 137,50 aan het fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden moet betalen.
Het is dus vaak beter om de onmiddellijke inning te aanvaarden, ook al zijn er verzachtende omstandigheden; terecht wordt dit als onrechtvaardig aangevoeld, omdat men wegens voormelde bijdrage geen beoordeling door een rechter kan bekomen hoewel dit aangewezen is.

2.43 De Politierechter geniet trouwens een zéér ruime beoordelingsvrijheid.

1° Doorgaans voorziet de wet enkel een grote "vork" waarbinnen de Politiererechter zijn strafmaat mag bepalen (bijvoorbeeld "een geldboete van 10 tot 250 euro").

2° De wet bepaalt bovendien dat hij verzachtende omstandigheden kan aannemen, zonder de geldboete tot beneden de 1 euro te kunnen herleiden.

Art. 29 § 4 Gecoördineerde Wetten van 16 maart 1968 betreffende de Politie over het Wegverkeer (zoals gewijzigd bij Wet van 20/7/05):

§ 4. In geval van verzachtende omstandigheden kan de geldboete verminderd worden, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.
Indien voor dezelfde feiten een verval van het recht tot sturen en een geldboete wordt uitgesproken, dan kan de rechter de geldboete verminderen met de door de betrokkene te betalen kosten van de herstelonderzoeken en -examens en de erelonen van de geneesheer en psycholoog, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.

Zo ook kan hij een geldboete beneden het wettelijk minimum uitspreken als de overtreder "zijn precaire financiële situatie bewijst" (art. 195 Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door art. 27 van de Wet van 20 juli 2005).

3° In de meeste gevallen verleent de rechter trouwens uitstel van de tenuitvoerlegging voor een deel van de geldboete ; dit betekent dat dit deel van de geldboete slechts voorwaardelijk en dus niet effectief moet worden betaald. Indien de geldboete bvb. 200 € is, waarvan 3/4° met uitstel, dan moet in werkelijkheid slechts 50 € worden betaald (evenwel thans te vermenigvuldigen met 5,5, dus 275 € effectief).

4° Wanneer een effectieve straf om bepaalde redenen niet billijk is, maar de overtreding wel bewezen is, dan kan de rechter zijn uitspraak opschorten. Dit betekent in feite dat de veroordeling onbepaald wordt uitgesteld met de bedoeling dat de mogelijkheid om te bestraffen verjaart. Op die wijze wordt de overtreder dus helemaal niet bestraft. De burgerlijke partij zal daarentegen wel vergoeding kunnen bekomen, aangezien tezelfdertijd wordt aangenomen dat de overtreding bewezen is.

TIP: Gelet op de ruime bevoegdheid van de Rechtbank om de sanctionering te bepalen is het van het grootste belang dat u aan de Rechter alle nuttige bewijsstukken voor een milde bestraffing voorlegt, zoals:

  • wat de sanctionering in het algemeen betreft: bewijzen die aantonen waarom uw verkeersinbreuk minder erg is als op het eerste zicht lijkt (bvb. foto's van de struiken die het zicht hebben belemmerd)
  • wat de geldboete betreft: bewijzen van uw slechte financiële toestand (bvb. fiscale aanslagbiljetten of andere inkomstenbewijzen, bewijzen van leningen en andere belangrijke uitgaven, ...)
  • wat het eventuele rijverbod betreft: het bewijs dat u om beroepsredenen het gebruik van een auto nodig heeft (bvb. attest van uw werkgever ter zake).

NOOT: specifiek wat de mildering van het rijverbod betreft zie hieronder nr. 3.

2.44 Meerbepaald zijn thans de volgende sancties in de wet voorzien :

De verkeersovertredingen van de eerste tot en met de vierde graad (voor betekenis hiervan zie hoger nr. 2.12) dienen door de Rechter te worden gesanctioneerd als volgt (zie het K.B. van 30 september 2005, in werking tredend vanaf 31 maart 2006) :

a. eerste graad (zijnde alle overtredingen die niet tot de tweede t.e.m. de vierde graad behoren) : een geldboete van 10 tot 250 € - evenwel te vermenigvuldigen met 5,5 – ;
b. tweede graad : geldboete van 20 tot 250 € (uiteraard eveneens x 5,5) ; mogelijkheid van een rijverbod ; verdubbeling ingeval van herhaling ;
c. derde graad : geldboete van 30 tot 500 € (x 5,5) ; een mogelijkheid van een rijverbod ; verdubbeling bij herhaling ;
d. vierde graad : geldboete van 40 tot 500 € (x 5,5) ; een verplicht rijverbod van 8 dagen tot 5 jaar, maar “wanneer de rechter het verval van het recht tot sturen niet uitspreekt motiveert hij deze beslissing” ; verdubbeling van de sancties bij herhaling binnen het jaar van de veroordeling.

 

Art. 29 § 1 en 2 Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968):

"§ 1. De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die van die aard zijn dat ze bij een ongeval bijna onvermijdbaar leiden tot fysieke schade en overtredingen die bestaan uit het negeren van een stopbevel van een bevoegd persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de vierde graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 40 euro tot 500 euro en met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Wanneer de rechter het verval van het recht tot sturen niet uitspreekt, motiveert hij deze beslissing.
De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en overtredingen die bestaan uit het negeren van een bevel van een bevoegd persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de derde graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 30 euro tot 500 euro.
De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar brengen en de overtredingen die bestaan uit het onrechtmatig gebruiken van parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de tweede graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 20 euro tot 250 euro". (Wet van juli 2005, inwerkingtreding : 31-03-2006)

"§ 1bis. Elk besluit genomen ter uitvoering van § 1 van dit artikel dat niet bij wet wordt bekrachtigd binnen 12 maanden na de inwerkingtreding ervan, houdt op uitwerking te hebben".

"§ 2. De andere overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten zijn overtredingen van de eerste graad en worden gestraft met een geldboete van 10 euro tot 250 euro.
Het in voormelde reglementen omschreven parkeren met beperkte parkeertijd, betalend parkeren en parkeren op plaatsen voorbehouden aan bewoners worden niet strafrechtelijk bestraft, behoudens het halfmaandelijks beurtelings parkeren, de beperking van het langdurig parkeren, en bedrog met de parkeerschijf".
(Het niet meer strafrechtelijk bestrafte parkeren bedoeld in het tweede lid kan, tot een datum bepaald door de Koning, door de agenten van politie worden vastgesteld met het oog op de vestiging van een parkeerretributie of -belasting, verschuldigd krachtens de wet van 22 februari 1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren) (Wet 1 april 2006, inwerkingtreding 10-05-2006).

 

Snelheidsovertreding

Aangaande de geldboete bij een snelheidsovertreding voorziet de wet enkel maar dat de rechter een geldboete moet opleggen tussen de 10 en 500 €, rekening houdend “met het aantal kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden”. Bij herhaling binnen het jaar wordt de geldboete verdubbeld.

De rechter moet bovendien een rijverbod opleggen van 8 dagen tot 5 jaar 1° indien de snelheid is overschreden met meer dan 30 km/uur in de bebouwde kom, in de zone 30, in een schoolomgeving, of in een woonerf, en 2° in alle andere gevallen indien de toegelaten snelheid met meer dan 40 km/uur is overschreden. Maar “wanneer de rechter het verval niet uitspreekt motiveert hij deze beslissing”.

Art. 29 § 3 Wegverkeerswet:

§ 3. Het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid bepaald in de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten wordt gestraft met een geldboete van 10 euro tot 500 euro.
De rechter houdt rekening met het aantal kilometer per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden.
De volgende overtredingen worden bovendien gestraft met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar :
- het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur, of :
- het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur binnen een bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving, erf of woonerf.
Wanneer de rechter het verval van het recht tot sturen niet uitspreekt, motiveert hij deze beslissing.

Noot: zie ook de OPMERKING bij nr. 2.222 hierboven (is de snelheidsmeting wel op wettelijke wijze vastgesteld?).

 

Alcoholintoxicatie

Naargelang de ernst van het alcoholmisbruik wordt het volgende onderscheid in de straffen gemaakt :

a. intoxicatie van meer dan 0,5 maar minder dan 0,8 pro mille (overeenstemmend met 0,22 tot 0,35 mg / l UAL - zie Woordenlijst onder "Alcoholintoxicatie") : een geldboete van 25 tot 500 € (x 5,5) en mogelijks een rijverbod ;
b. een intoxicatie van meer dan 0,8 pro mille of sturen onder de invloed van drugs: een geldboete van 200 tot 2.000 € (x5,5), meer de mogelijkheid van een rijverbod van minstens 8 dagen ; bij herhaling binnen de drie jaar: een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en/of een geldboete van 400 tot 5.000 € alsook een verplicht rijverbod van minstens drie maanden meer een verplicht geneeskundig en psychologisch onderzoek ;
c. bij weigering van ademtest, ademanalyse, bloedproef of drugtest, of bij sturen ondanks het verbod ertoe na een adem-, bloed- of drugtest : dezelfde sanctionering als hierboven onder b.

Art. 34 van de Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968) :

"§ 1. Met geldboete van 25 frank tot 500 (euro) wordt gestraft hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt, of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram en minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram per liter bloed aangeeft.
§ 2. (...) met geldboete van 200 (euro) tot 2 000 (euro) (...), wordt gestraft :
1° hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft;
2° hij die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, gedurende de tijd dat dit hem krachtens artikel 60 verboden is;
3° hij die geweigerd heeft zich te onderwerpen aan de ademtest of aan de ademanalyse, bedoeld in de artikelen 59 en 60, of, zonder wettige reden, geweigerd heeft (de bloedproef bedoeld in artikel 63, § 1, 1° en 2°) te laten nemen;
4° hij die het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs waarvan hij houder is, in de gevallen bedoeld in artikel 61, niet heeft afgegeven, of het ingehouden voertuig of rijdier heeft bestuurd".

"Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van 400 frank tot 5 000 (euro) of met een van die straffen alleen (en het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of voorgoed), wordt gestraft hij die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 of artikel 35, een van deze bepalingen binnen drie jaar opnieuw overtreedt.
In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na de tweede veroordeling, kunnen de hierboven bepaalde gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld".

Art. 38 § 3: "De rechter kan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor een of meer van de hiernavermelde (examens en onderzoeken) :
1° een theoretisch (examen);
2° een praktisch (examen);
3° een geneeskundig onderzoek;
4° een psychologisch onderzoek (...)".

Algemeen overzicht aangaande alcoholintoxicatie:

1) tenminste 0,5 en minder dan 0,8 promille :
- minimum 3 uur rijverbod
- een onmiddellijke inning van 137,50 €
- bij procedure voor de rechtbank kan de rechter een boete van € 137,50 tot € 2.750 opleggen, meer een verval van het recht tot sturen.

2) tenminste 0,8 en minder dan 1,2 promille :
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken, gedurende in principe 15 dagen (zie meer hieronder nr. 3.1 -
Rijverbod)
- een minnelijke schikking van 400 €
- bij procedure voor de rechtbank: een boete van 1.100 tot 11.000 €, meer mogelijks een verval van het recht tot sturen.

3) tenminste 1,2 en minder dan 1,5 promille:
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken, gedurende in principe 15 dagen (zie meer hieronder nr. 3.1)
- een minnelijke schikking van 550 €
- bij procedure voor de rechtbank: een boete van 1.100 tot 11.000 €, meer mogelijks een verval van het recht tot sturen.

4) tenminste 1,5 en minder dan 1,6 promille :
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken, gedurende in principe 15 dagen (zie meer hieronder nr. 3.1)
- geen onmiddellijke inning mogelijk en dus steeds dagvaarding voor de Politierechtbank; deze kan een boete van 1.100 tot € 11.000 € opleggen, meer een verval van het recht tot sturen.

5) 1,6 promille of meer, of rijden in staat van dronkenschap of soortgelijke staat door het gebruik van drugs of geneesmiddelen:
- minimum 6 uur rijverbod; bovendien wordt het rijbewijs voor minstens 15 dagen onmiddellijk ingetrokken
-geen onmiddellijke inning mogelijk en dus steeds dagvaarding voor de Politierechtbank; deze kan een boete van 1.100 tot € 11.000 € opleggen, meer een verval van het recht tot sturen van 1 maand tot 5 jaar of definitief.


6) Herhaling van rijden onder invloed vanaf 0,8 promille of van rijden in staat van dronkenschap of soortgelijke staat door het gebruik van drugs of geneesmiddelen:
- minimum 6 uur rijverbod; bovendien wordt het rijbewijs voor minstens 15 dagen onmiddellijk ingetrokken
- geen onmiddellijke inning mogelijk en dus steeds dagvaarding voor de Politierechtbank; deze kan een boete van 2.200 tot 22.000 € opleggen, meer een verval van het recht tot sturen van 1 maand tot 5 jaar of definitief.

Noot: alle voormelde boetebedragen zijn de effectief te betalen bedragen, dus nà vermenigvuldiging met 5,5.

Sturen zonder rijbewijs : een geldboete van 200 tot 2.000 €, meer de mogelijkheid van een rijverbod ; bij herhaling binnen het jaar verdubbeling van deze sancties.

Sturen zonder verzekering : gevangenis van 15 dagen tot 6 maanden en/of een geldboete van 100 tot 1.000 €, meer mogelijks een rijverbod.

Vluchtmisdrijf :

* zonder gewonden : gevangenis van 15 dagen tot 6 maanden en/of een geldboete van 200 tot 2.000 €, meer de mogelijkheid van een rijverbod;
* met gewonden of doden : gevangenis van 15 dagen tot 2 jaar en/of een geldboete van 400 tot 5.000 € en een verplicht rijverbod van minstens drie maanden.

Art. 33.Wet 09-06-1965, art. 3> § 1. Met gevangenisstraf (van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200 (euro) tot 2.000 (euro)) of met een van die straffen alleen wordt gestraft
1° elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak van, dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest,
2° hij die wetend dat hij zelf oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest,
de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.
§ 2. (Heeft het ongeval voor een ander slagen, verwondingen of de dood tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5 000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaren of voorgoed.)

Bij bepaalde combinaties van overtredingen zijn specifieke (uiteraard hogere) sancties voorzien:

a. doding samen met intoxicatie (of dronkenschap/drugs) of met niet-toegelaten snelheid : verplicht rijverbod gedurende 3 maanden, meer de vier verplichte onderzoeken (1° een theoretisch examen, 2° een praktisch examen, 3° een geneeskundig onderzoek, en 4° een psychologisch onderzoek); bij herhaling wordt de 3 maanden rijverbod gebracht op 1 jaar ;
b. verwondingen + intoxicatie (of dronkenschap/drugs) bij herhaling : verplicht rijverbod gedurende 6 maanden, meer alle (= voormelde 4) onderzoeken.

Een inbreuk op de technische eisen (K.B. van 15 maart 1968), zoals het rijden met een voertuig dat niet is gekeurd : gevangenis van 8 dagen tot 3 maanden en/of een geldboete van 10 tot 10.000 € ; bij herhaling binnen de twee jaar minstens het dubbele.

Vermeldenswaardig is nog de vaststelling dat inbreuken op het betalend parkeren (inbegrepen blauwe zone en bewonersparkeren) niet langer strafbaar zijn. Maar inbreuken op de wettelijke duurtijd om te mogen parkeren op een bepaalde plaats (zijnde het verbod om langer dan 24 uur op eenzelfde plaats te parkeren, het halfmaandelijks beurtelings parkeren en bedrog met parkeerschijf) blijven strafbaar.

Let wel op: de inbreuken op het betalend parkeren vallen thans niet meer onder de strafwetgeving, maar worden (bijna steeds) beteugeld via de gemeentelijke administratieve sancties.

2.45 De beklaagde die op strafrechtelijk gebied wordt veroordeeld zal niet alleen de geldboete zelf moeten betalen, maar tevens de wettelijke bijdragen en de gedingkosten. Deze bedragen samen vaak meer dan de eigenlijke geldboete, vooral omdat meestal een deel van de geldboete met uitstel wordt opgelegd (en dus niet effectief moet worden betaald).

De veroordeelde moet naast de boete tevens de gerechtskosten, zijnde meestal ongeveer 50 euro, en een bijdrage van 137,50 € aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betalen. Als de uitgesproken geldboete zelf dus 50 euro is, waarvan de helft met uitstel, dan moet de veroordeelde betalen: (50 € : 2 =) 25 € effectieve geldboete x 5,5 = 137,50 euro geldboete, meer bvb. 47,20 € gerechtskosten + 137,50 € wettelijke bijdrage aan het Fonds, hetzij in totaal 322,20 €.

Een paar maanden na de veroordeling stuurt de griffie u een afrekening. Pas daarna moet u de verschuldigde som betalen.

TIP1: Veel rechtsbijstandverzekeraars zijn bereid de gedingkosten en soms zelfs de wettelijke bijdragen (maar uiteraard nooit de geldboete) terug te betalen aan de veroordeelde. U moet het wel vragen !
TIP2: u kan, zo nodig, afbetalingstermijnen vragen bij de griffie.

2.46 Noot: dronkenschap en andere inbreuken kunnen aanleiding geven tot het moeten terugbetalen van de schadevergoedingen aan de BA-verzekeraar: zie De terugvordering door de B.A.-verzekeraar (regresvordering of verhaal van de verzekeringsmaatschappij).

 

2.5 Het normale verloop van een strafrechtelijke procedure

is als volgt:

1° u begaat een misdrijf, bvb. een verkeersovertreding van de vierde graad ; daarvan wordt proces-verbaal (P.V.) opgesteld door de politie (verbalisanten);
2° de heer Procureur des Konings neemt kennis van het P.V. en van de andere delen van het strafdossier; op basis hiervan maakt hij zijn dagvaarding ("Pro Justitia") op, waarbij hij aangeeft welke wetsinbreuken volgens hem door u zijn begaan ;
3° dit exploot van dagvaarding wordt door toedoen van de gerechtsdeurwaarder aan u betekend ; dit houdt in principe in dat de gerechtsdeurwaarder aan u het origineel van het dagvaardingsexploot afgeeft, maar het is ook goed mogelijk dat hij het origineel eenvoudigweg in uw brievenbus dropt ;
4° u raadpleegt een advocaat (naar vrije keuze), meestal op kosten van uw rechtsbijstandsverzekeraar ; uw advocaat pleit de zaak op de zitting, waar u uiteraard eveneens aanwezig mag of soms moet zijn ;
5° de rechter spreekt zijn vonnis uit onmiddellijk na de pleidooien of op een latere datum ; hij kan ook bijkomende onderzoeksmaatregelen bevelen vooraleer een definitieve uitspraak te verlenen ;
6° eens het eindvonnis is geveld kan men daarvan een afschrift (kopie) aanvragen bij de griffie ;
7° hoger beroep is slechts mogelijk gedurende 15 dagen te rekenen vanaf de dag van het vonnis.

TIP 1: als u dekking in rechtsbijstand* geniet kan u zich voor uw strafrechtelijke verdediging voor de Politierechter kosteloos laten bijstaan door een advocaat (naar uw vrije keuze).

TIP 2: als u zelf aan de Politierechter bepaalde inlichtingen wenst te geven, laat dan aan uw advocaat weten dat u de zitting van de Politierechtbank wenst bij te wonen; overigens blijkt de persoonlijke uitleg van de betrokkene rechtstreeks aan de Politierechter, oog in oog, vaak geloofwaardiger en overtuigender te zijn dan het pleidooi van zijn advocaat. De beste verdediging berust op een goede samenwerking tussen advocaat en cliënt.

 

 

b. Rijverbod

 

3. Intrekking van het rijbewijs en verval van het recht te sturen

 

3.1 Intrekking van het rijbewijs door de Procureur

In meerdere gevallen, zoals bij dronkenschap* en bij overdreven snelheid, kan de Procureur des Konings beslissen tot de onmiddellijke “intrekking van het rijbewijs”.

TIP: U kunt in elk geval met de Procureur een afspraak maken om hem ervan te trachten te overtuigen dat u uw voertuig werkelijk nodig heeft, zodat u verzoekt om de intrekking van het rijbewijs ongedaan te maken. Een dergelijk verzoek wordt in de praktijk vaak ingewilligd!

Daarentegen voorziet de wet ook dat de eerste termijn van intrekking kan worden verlengd.

Art. 56, tweede lid, 1°, van de Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968) voorzag dat de eerste termijn van intrekking van 15 dagen door het O.M. kon worden verlengd met eenzelfde termijn; bij art. 25 van de wet van 7 februari 2003 werd de termijn gebracht op één maand.

Of de Procureur wel bevoegd is om het rijbewijs langdurig in te trekken werd aangevochten. Het Arbitragehof heeft op 22 september 2004 beslist als volgt: gelet op de doelstelling van de maatregel, nl. het tijdelijk verwijderen uit het verkeer van gevaarlijke bestuurders, en op de daaruit voortvloeiende noodzaak om snel, zonder rechterlijke toetsing, te kunnen optreden, is het verantwoord dat het O.M. zelf kan beslissen tot onmiddellijke intrekking van het rijbewijs; maar de verlenging van de eerste termijn (van toen nog 15 dagen) met eenzelfde termijn zonder dat de tussenkomst van een rechter is voorzien is strijdig met art. 10 en 11 van de grondwet.

De wet van 20 juli 2005 voorziet thans dat de Procureur het rijbewijs voor maximaal 15 dagen mag intrekken, en dat de verlenging van deze termijn enkel door de Politierechter kan worden opgelegd.

De wet van 20 juli 2005 wijzigt art. 55bis. § 1 van de gecoördineerde wetten
van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer meerbepaald als volgt:

" De procureur des Konings kan een beschikking tot verlenging van de intrekking met ten hoogste drie maanden vorderen voor de politierechtbank".

Deze wet is pas sinds 1 februari 2006 van kracht. Zij maakt het de Procureur zeer moeilijk om het rijbewijs te laten intrekken gedurende meer dan 15 dagen.

 

3.2 Rijverbod door een vonnis

Het werkelijk aantal dagen van intrekking van het rijbewijs wordt nadien in mindering gebracht van het aantal dagen “vervallenverklaring van het recht tot sturen” waartoe de bestuurder wordt veroordeeld bij vonnis.

Bij de veroordeling is de rechter gebonden door de wettelijk vastgelegde voorwaarden en duurtijden betreffende het eigenlijke verval van het recht te sturen (zie hoger Rechterlijke veroordeling tot geldboete en rijverbod nr. 2.44) en betreffende de oplegging van proeven (nl. 1° een theoretisch examen, 2° een praktisch examen, 3° een geneeskundig onderzoek, en/of 4° een psychologisch onderzoek - zie hoger Rechterlijke veroordeling tot geldboete en rijverbod nr. 2.44, 3° en 7°).

Bij een dergelijk vonnis zal rekening worden gehouden met de concrete gegevens (zie hierboven); zo zal de rechter bij de vastlegging van de duurtijd van het rijverbod (zijnde het verval van het recht om te sturen) rekening houden met het beroep van de beklaagde, bijvoorbeeld met het feit dat deze beklaagde een taxichauffeur of vrachtwagenbestuurder is - voor wie een langdurig rijverbod inkomensverlies en mogelijks zelfs ontslag betekent -.

De wet voorziet dat het rijverbod mag worden opgelegd met de volgende mildering:

a. enkel voor deze categorie van voertuigen waarmee de verkeersinbreuk is begaan en hoger

b. gedeeltelijk met uitstel.

Art. 41 van de Wegverkeerswet van 16 maart 1968 (inwerkingtreding : 01-03-2004): "In de gevallen waarin de rechter in toepassing van deze wet een verval van het recht tot sturen uitspreekt, moet hij, indien hij gebruik wenst te maken van artikel 8, § 1 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie een effectief gedeelte opleggen van minimum acht dagen"

A
rt. 45, al. 2 WVW, zoals gewijzigd op 20 juli 2005 : "De rechter kan het verval van het recht tot sturen beperken tot de categorieën van voertuigen die hij aangeeft overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26.
Wanneer de overtreding met een motorvoertuig werd begaan, moet het verval ten minste betrekking hebben op de categorie van voertuigen waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot verval, werd begaan".(W 2005-07-20, art. 12, 014 ; inwerkingtreding : 31-03-2006).

 

3.3 Periode van het rijverbod

Werd u veroordeeld tot een rijverbod dan kan u met (de griffie van) het Parket bespreken gedurende welke periode u uw rijbewijs moet afgeven. Neem hiervoor contact op met de griffie ongeveer een maand na uw veroordeling.

TIP: Werd u bij het vonnis bijvoorbeeld veroordeeld tot een rijverbod van 1 maand (zijnde 30 dagen) en verkeert u gedurende de volledige maand juli toch in het buitenland, dan zal u vaak kunnen bekomen dat het rijverbod wordt toegepast in de loop van juli.

Onderneemt u niets, dan voorziet art. 40 van de Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968) : "Elk verval dat als straf is uitgesproken, gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan".

 

 

 

B. DE BENADEELDE

 

 

c. Hoe bekomt een slachtoffer informatie van het Parket ?

 

4. De hoedanigheid van benadeelde persoon

Deze hoedanigheid kan u bekomen door gewoon een verklaring af te leggen op het secretariaat van het Parket*. Meestal doet uw advocaat daarvoor het nodige. Van zodra u de hoedanigheid van benadeelde heeft bekomen wordt u door het Parket op de hoogte gebracht van de seponering * ofwel van de datum waarop de zaak wordt ingeleid voor de strafrechtbank.

Om het strafdossier te mogen inzien of om het te laten fotokopiëren door de griffie moet u vooraf een schriftelijke toelating daarvoor van het Parket bekomen. Deze toelating kan u aanvragen samen met de verklaring van benadeelde. Maar ze wordt vaak pas ongeveer een jaar na het ongeval gegeven!

 

 

d. Hoe kan men schadevergoeding vorderen ?

NOOT: de mogelijke vergoedingen, dus de verschillende soorten vergoedingen die men na een verkeersongeval kan bekomen, worden in een afzonderlijk hoofdstuk besproken.

5. Hoe kan ik de vergoeding van mijn schade bekomen ?

5.1 In veruit de meeste gevallen wordt de schade geregeld in der minne ( = bij: overeenstemming, overeenkomst, akkoord, minnelijke regeling).

Dit gebeurt in de praktijk meestal als volgt:

  • na de eenzijdige expertise van de wagen en/of de letsels en na kennisname van uw bewijsstukken wordt de afrekening betreffende de schade opgesteld door de verzekeringsmaatschappij die de schade moet vergoeden
  • daarna stuurt deze verzekeringsmaatschappij voormelde schade-afrekening naar u; dit gebeurt vaak via omwegen, bij voorbeeld : zij stuurt het voorstel tot schaderegeling naar uw rechtsbijstandsverzekeraar, deze stuurt het door naar uw verzekeringsmakelaar, en zo komt het uiteindelijk bij u terecht;
  • u ontvangt dit schaderegelingsvoorstel wellicht samen met een overeenkomst van dading (vaststelling), met het verzoek deze te willen ondertekenen
  • als u deze overeenkomst ondertekent en terugzendt, kan u niet meer terug: het bedrag van de schadevergoeding kan niet meer worden gewijzigd!
  • ongeveer een maand na deze terugzending ontvangt u het overeengekomen bedrag.

Wanneer u de schaderegeling van de verzekeringsmaatschappij wil controleren (en vervolgens eventueel wil betwisten), dan dient u een advocaat aan te stellen (op kosten van de verzekeraar rechtsbijstand). Als deze advocaat ook van oordeel is dat het voorstel tot schaderegeling moet worden betwist, dan zal hij eerst onderhandelen en zo naar een minnelijke regeling streven; zo nodig zal hij uiteindelijk een burgerlijke * vordering voor de bevoegde rechter instellen.

Opmerkingen:
- de rechtsbijstandsverzekeraar moet best eerst expliciet haar instemming met de tussenkomst van een advocaat geven; zij zal dit uiteraard met tegenzin doen (zie Aanstelling van een advocaat en Praktische adviezen, nr. 19);
- u kan een provisionele kwitantie * wel steeds zonder risico en dus zonder raadpleging van een advocaat ondertekenen;
- de schadelijder beslist altijd zelf in laatste instantie of hij al dan niet akkoord gaat met een schaderegelingsvoorstel van tegenpartij; zijn advocaat moet de beslissing van zijn cliënt steeds respecteren.

5.2 De burgerlijke vordering (zijnde de eis tot schadevergoeding) als gevolg van een verkeersongeval kan vooral op de volgende twee wijzen worden gesteld:

a. ofwel via burgerlijke-partijstelling* tegen de beklaagde, voor de Politierechtbank* zetelend in strafzaken; dit gebeurt meestal op de inleidende zitting, of eventueel na rechtstreekse dagvaarding* (zie verder onder nr. 7); deze burgerlijke-partijstelling kan sinds enige tijd ook gebeuren nadat de beklaagde (dus de aansprakelijke) definitief is veroordeeld door de strafrechtbank;

b. ofwel door middel van dagvaarding* (of een verzoekschrift tot vrijwillige verschijning) voor de Politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken.

Art. 4, al. 2 e.v. van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (zoals gewijzigd bij de wet van april 2005): "De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is.
Onverminderd het recht om de zaak, conform de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek, bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen.
Dat verzoekschrift geldt als burgerlijke-partijstelling.
Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van de advocaten gebracht onder vermelding van plaats, dag en uur van de zitting waarop de zaak wordt behandeld.
(Wanneer uitspraak is gedaan over de strafvordering,) kan elke in het geding zijnde partij de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, verzoeken termijnen vast te stellen voor de overzending en de indiening van de stukken, alsmede de conclusies, en de rechtsdag te bepalen
". (zoals gewijzigd bij de wet van december 2005, met inwerkingtreding vanaf 9 januari 2006).

De vordering tot schadevergoeding kan dus voor de strafrechtbank worden gebracht; dit kan gebeuren in de loop van de strafrechtelijke procedure, ofwel erna, dus na de strafrechtelijke veroordeling van de beklaagde. U mag dus wachten totdat de strafrechtbank bij vonnis de beklaagde heeft veroordeeld, om pas daarna voor deze rechtbank schadevergoeding te vorderen tegen de veroordeelde. Deze werkwijze is soms aangewezen.
Ten anderen kan de vordering tot schadeloosstelling ook worden gebracht voor de burgerlijke rechtbank, tegen de beklaagde en/of zijn B.A.-verzekeraar.
Hoe de procedure moet worden gevoerd laat u uiteraard volledig over aan uw advocaat.

5.3 Betreffende verkeersongevallen gebeurt de burgerlijke-partijstelling in de praktijk voor de Politierechtbank zetelend in Strafzaken, en dit ofwel vóór de strafrechtelijke uitspraak ofwel nadien (bij toepassing van art. 4 Voorafgaandelijke Titel Wetboek van Strafvordering).

Meer in het algemeen kan burgerlijke-partijstelling ook gebeuren voor de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht (Raadkamer, of in hoger beroep Kamer van Inbeschuldigingstelling); maar dit is niet van belang in zaken van verkeersongevallen.

Bovendien kan de benadeelde in de meeste gevallen enkel via een procedure voor de burgerlijke rechter vergoeding vorderen van een verzekeringsmaatschappij (zie ook hierna nr. 6).

 

6. Zwakke weggebruiker

Wanneer de benadeelde zich wenst te beroepen op de wetgeving betreffende de zwakke weggebruikers * kan hij zich enkel wenden tot de Politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken. Deze wetgeving voorziet dat alle verkeersslachtoffers, uitgezonderd de voertuigbestuurder, gerechtigd zijn op schadevergoeding vanwege de BA-verzekeraar* van een betrokken motorrijtuig*; dus ook als het ongeval uitsluitend veroorzaakt is door de zwakke weggebruiker zelf (zie uitgebreider bij Vergoedingen, onder nr 6a, de wet op de zwakke weggebruikers).

 


7. Burgerlijke partij

7.1 Daarentegen kan de vordering van de burgerlijke partij voor de Politierechtbank zetelend in strafzaken (of voor een andere strafrechtbank) enkel worden ingewilligd in zover de schade voortvloeit uit een misdrijf begaan door de beklaagde. Het gebeurt trouwens regelmatig dat op het eerste zicht geen betwisting betreffende de aansprakelijkheid mogelijk blijkt te zijn, maar dat nadien wel degelijk ernstige betwistingen rijzen.

Vaak stelt de burgerlijke partij (= benadeelde) zijn burgerlijke vordering op de inleidende zitting van de Strafrechtbank.

Dit heeft het voordeel dat de benadeelde kan argumenteren waarom de beklaagde wel degelijk (volledig) verantwoordelijk voor het ongeval moet worden geacht.

7.2 Wanneer het Parket de andere betrokkene (de aanrijder) vervolgt, kunnen de benadeelden hun burgerlijke vordering ook stellen nadat de beklaagde werd veroordeeld; de strafrechtbank moet de behandeling van de burgerlijke belangen immers ambtshalve aanhouden.

TIP: Men kan zich thans dus ook burgerlijke partij stellen voor de Politierechtbank zetelend in strafzaken nadat het vonnis op strafrechtelijk gebied definitief is geworden. De burgerlijke partijstelling op de inleidende zitting voor de strafrechter is trouwens vaak niet aangewezen.

7.3 Vooral wanneer het Parket de zaak heeft geseponeerd of wanneer het volgens u per vergissing u en niet de andere heeft gedagvaard, kan het aangewezen zijn om zich burgerlijke partij te stellen via een rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechtbank (zijnde de Politierechtbank of de Correctionele Rechtbank). Bij een dergelijke rechtstreekse dagvaarding wordt de persoon die volgens u de dader is voor de strafrechter gebracht, die dan ook kan oordelen over de passende bestraffing en schadevergoeding.

TIP: Zo kan u de andere betrokkene bij het ongeval zowel strafrechtelijk als burgerrechtelijk laten veroordelen.

Bijvoorbeeld: de heer Procureur des Konings (het Parket) dagvaardt u wegens een verkeersinbreuk; uw advocaat laat weten dat volgens hem niet uzelf maar wel tegenpartij het verkeersongeval heeft veroorzaakt; hij stelt de rechtstreekse dagvaarding tegen de tegenpartij op, en deze wordt via de gerechtsdeurwaarder betekend; zo wordt tegenpartij evenzeer als uzelf een beklaagde voor de (politie- of correctionele) rechtbank, die op deze wijze de tegenpartij kan veroordelen zowel op strafrechtelijk gebied (bvb. een geldboete en rijverbod) als op burgerrechtelijk gebied (dus om aan u of anderen een schadevergoeding te betalen) ...

 

8. Verjaring van de strafvordering (alsook van de burgerlijke vordering en van de straffen)

8.1 De verjaringstermijnen

8.11 Wanneer men spreekt van de verjaring van een misdrijf, bedoelt men in werkelijkheid de verjaring van de strafvordering voor de (strafbare) feiten. Van zodra de strafvordering is verjaard kan de beschuldigde niet meer worden veroordeeld voor de begane misdrijven ; mogelijks kan hij dan wel nog worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit zijn misdrijf, maar dit wordt elders besproken (zie De verjaring van de vordering tot schadevergoeding).

Het gaat hier om een ingewikkelde aangelegenheid, zeker nu de wetgever de laatste jaren meerdere wetswijzigingen betreffende de verjaring heeft doorgevoerd.

Om na te gaan of een misdrijf (zijnde een strafbaar feit, inbegrepen een verkeersovertreding) verjaard is moet men de volgende stappen zetten :

  • 1° wat zijn de strafbare feiten en als welk misdrijf kunnen zij worden gecatalogeerd ?; immers, de verjaringstermijn is verschillend naargelang de categorie van misdrijven (zie verder onder nr. 8.12);
  • 2° wat is de wettelijke verjaringstermijn voor dit misdrijf ? ;
  • 3° wat is de laatst nuttige stuitingsdaad geweest ? ;
  • 4° op welke datum zou de verjaring zijn tussengekomen, wel rekening gehouden met de stuiting maar niet met de schorsing ? ;
  • 5° wat is de duur van de schorsing geweest ? ; tel deze duur bij de voormelde datum van de verjaring zonder schorsing ; bekomt men op die wijze een datum in de toekomst, dan is er nog geen verjaring;
  • 6° op welke dag kan ten vroegste het vonnis worden geveld?.

Bovenstaande stappen voor de berekening van de verjaringsduur worden hieronder uitgelegd, vanzelfsprekend vooral binnen het kader van de verkeersovertredingen (en de onopzettelijke slagen of verwondingen).

8.12 De belangrijkste verjaringstermijnen die binnen het kader van verkeersongevallen van belang zijn worden hieronder opgesomd.

Artikel 68 van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer van 16 maart 1968 (Verkeerswet): "De strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van een jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan".

Deze rechtsregel vervolgt dat de verjaringstermijn evenwel drie jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan bedraagt voor overtredingen van artikel 30, § 1 (en § 3), 33, 34, § 2(, 35 en 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6°), zijnde voor bepaalde inbreuken inzake het rijbewijs, vluchtmisdrijf, alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht of dronkenschap en soortgelijke.

Voor onopzettelijke slagen of verwondingen is de verjaringstermijn 5 jaar.

De belangrijkste verjaringstermijnen inzake wegverkeer zijn meerbepaald de volgende :

a. in principe één jaar (voor de snelheidsovertredingen en voor de overtredingen van de eerste tot de vierde graad, meer bepaalde inbreuken betreffende het rijbewijs, e.a.) ;

b. drie jaar voor :

* rijden zonder rijbewijs (art. 30.1.1 van de Wegverkeerswet), een valse verklaring bij de afgifte van het rijbewijs (art. 30.1.3) en het rijden met lichaamsgebreken of met een aandoening (art. 30.1.4) ;
* rijden ondanks onmiddellijke intrekking van het rijbewijs (art. 30.3 Wegverkeerswet) ;
* vluchtmisdrijf (ongeacht of al dan niet met slagen of dood) (art. 33) ;
* alcoholintoxicatie van minstens 0,35 mg/l (= 0,8 pro mille) (bij lagere intocixatie: één jaar), rijden na verbod wegens intoxicatie, weigering van de alcoholintoxicatietest, de niet-afgifte van het rijbewijs zoals bepaald bij art. 61 Wegverkeerswet, en dronkenschap (art. 34.2 en 35 Wegverkeerswet) ;
* een persoon die duidelijke tekens van alcoholintoxicatie vertoont aanzetten tot sturen of begeleiden, of hem een voertuig toevertrouwen (art. 37 WVW) ;

c. vijf jaar voor :

* wanbedrijven (en gecorrectionaliseerde misdaden), zoals i.h.b. onvrijwillige slagen of verwondingen (art. 420 Strafwetboek), ook als dit de dood tot gevolg heeft (art. 419 Strafwetboek) ;
* niet-verzekerd rijden (art. 22 W.A.M.) ;
* inbreuken betreffende de technische eisen aan het voertuig (zoals autoschouwing) (Wet van 21 juni 1985) ;
* inbreuken (zoals het rijden zonder vervoersbewijs) betreffende spoorwegen (Wet van 4 april 1895) en betreffende het andere openbaar vervoer (K.B. 15 september 1976).

De meeste verkeersovertredingen verjaren dus na 1 jaar (te rekenen vanaf deze overtreding).

8.13 Elk misdrijf behoudt zijn eigen verjaringstermijn, ook bij eendaadse samenloop en bij samenhang. Zo kan de rechter tegenover de beklaagde moeten constateren dat bepaalde tenlasteleggingen zijn verjaard en andere niet, hoewel het gaat om één en hetzelfde ongeval.

Bijvoorbeeld : een dronken bestuurder heeft op 15 april 2008 een STOP-bord genegeerd en daardoor een motorfietser omvergereden; voor de onopzettelijke slagen beloopt de verjaringstermijn 5 jaar, voor de dronkenschap 3 jaar, en 1 jaar voor de andere verkeersovertredingen (niet stoppen en een voorzienbare hindernis aanrijden). Voor deze verkeersovertredingen moet de beklaagde dus zijn veroordeeld ten laatste binnen het jaar.

Evenwel is er :

8.2 De verlenging van de verjaringstermijn door schorsing en/of stuiting

De verjaringstermijnen worden om uiteenlopende redenen geschorst (waardoor de verjaring tijdelijk niet meer verderloopt) of gestuit (waardoor de verjaringstermijn opnieuw vanaf nul herbegint).

8.21 Bij stuiting wordt de lopende verjaring onderbroken en herbegint de verjaringstermijn opnieuw (dus voor een duur die gelijk is aan de oorspronkelijke verjaringstermijn). De stuiting van de verjaring kan slechts één keer worden toegepast en zij moet gebeuren voordat de eerste verjaringstermijn verstreken is.

Er bestaan slechts twee soorten stuitingsdaden, nl. :

a. daden van onderzoek : elke daad gesteld door een bevoegd persoon om het strafdossier samen te stellen ; voorbeelden: een proces-verbaal van de politie – een kantschrift van een parketmagistraat om aan de gemeente inlichtingen te vragen – een vraag van een parketmagistraat aan een vertaler om bepaalde stukken te vertalen – de behandeling van de zaak ter zitting – een tussenvonnis om aan de partijen toe te laten bijkomende bewijzen voor te leggen;

het is belangrijk dat de onderzoeksdaad is gesteld door een persoon die wettelijk bevoegd is om het onderzoek te verrichten, zoals de rechter, een parketmagistraat, en de politie ; zo kunnen niet worden beschouwd als daden van onderzoek en zullen zij dus niet de verjaring stuiten: de neerlegging van een verslag door de gerechtsdeskundige, de overmaking van een dossier door een griffier, en soortgelijke daden door personen die niet bevoegd zijn voor onderzoeksdaden;

b. daden van vervolging : een bevoegd persoon oefent de strafvervolging uit of zet deze verder; bvb.: de dagvaarding door de Procureur des Konings, de beslissing door de rechter om de zaak te verdagen, de rechtstreekse dagvaarding door een burgerlijke partij, het hoger beroep aangetekend door het Openbaar Ministerie, het vonnis zelf, de opdracht tot betekening van een verstekvonnis en deze betekening zelf.

Art. 22. Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T. Sv.): "De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen (de in artikel 21 bepaalde termijn).
Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren".

Een voorbeeld : een verkeersovertreding (met verjaringstermijn van één jaar) wordt begaan op 15 april 2008. Op 10 april 2009 wordt de laatste stuitingsdaad binnen de eerste termijn van één jaar gesteld ; op 10 april 2010 is het misdrijf verjaard en kan de Politierechtbank dus geen veroordeling meer uitspreken.
Wordt de beklaagde door de Politierechtbank bvb. pas op 29 maart 2010 veroordeeld, dan zal hij voor de verkeersovertreding moeten worden vrijgesproken als hij hoger beroep aantekent. Immers, de beroepstermijn is 15 dagen, te vermeerderen met de meerdere dagen nodig om de zitting in hoger beroep te laten doorgaan.

8.22 Bij schorsing loopt de verjaring niet verder gedurende een zekere termijn. De schorsing is dus enkel maar een soort oponthoud in de loop van de verjaring, nl. vanaf het ontstaan van de grond van schorsing totdat deze grond wegvalt (waarna de verjaring weer verder loopt).

Van schorsing is sprake wanneer een wettelijk beletsel bestaat om de strafvordering in te stellen of uit te oefenen, of wanneer de wet schorsing voorziet.

Voorbeelden van gronden van schorsing van de verjaring :

a. de behandeling van een exceptie (verweer) van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid opgeworpen door de beklaagde, de burgelijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij (maar niet door het Openbaar Ministerie) ; de voorwaarde is wel dat de exceptie wordt verworpen (art. 24, al. 2 V.T. Sv.) ;
b. tevens schorsing vanaf de dag dat de zaak wegens een prejudicieel geschil wordt verwezen naar het hiervoor bevoegde rechtscollege (i.h.b. het Grondwettelijk Hof) tot de dag waarop dit rechtscollege haar uitspraak ter kennis heeft gebracht aan de rechtbank ;
c. indien de rechtbank een veroordeling opschort op grond van de Probatiewet wordt de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnis in kracht van gewijsde is getreden, over de volledige duurtijd van de vastgelegde proefperiode ;
d. tevens schorsing gedurende de buitengewone termijn van verzet, nl. vanaf het verstrijken van de gewone termijn van verzet (15 dagen na de betekening van het verstekvonnis) tot de dag waarop het verzet is aangetekend ; deze schorsing werkt ook t.a.v. de andere mededaders en medeplichtingen aan dezelfde of samenhangende feiten ;
e. tenslotte ook schorsing bij cassatieberoep, nl. vanaf de dag van de bestreden uitspraak tot de dag waarop het cassatie-arrest wordt geveld, en mits het cassatieberoep ontvankelijk wordt verklaard.

Zo wordt de verjaring geschorst door een klacht wegens valsheid (van de getuigenis of van het proces-verbaal), een verweer door de beklaagde betreffende de ontvankelijkheid van de strafvordering of betreffende de bevoegdheid van de rechtbank, de buitengewone verzetstermijn, het cassatieberoep, …

Anders dan bij stuiting kan de schorsing gebeuren buiten de oorspronkelijke verjaringstermijn, dus binnen de termijn die werd toegevoegd ingevolge stuiting.


Art. 24. "De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert.
Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst."

 

8.23 Om dus te berekenen of men voor een bepaald misdrijf (i.h.b. een verkeersinbreuk) nog kan worden veroordeeld dient men eerst de verjaringsduur te bepalen rekening gehouden met de laatste nuttige stuitingsdaad maar niet met de schorsingsgronden en dient men vervolgens daarbij het aantal dagen van schorsing te tellen.

In het hierboven gegeven voorbeeld zou de verjaring zijn tussengekomen op 10 april 2010. Veronderstel evenwel dat schorsing van de verjaring is gebeurd vanaf 1 januari t.e.m. 1 februari 2010, dan wordt kwestieuze termijn verlengd met 31 dagen (zodat in het voorbeeld pas verjaring tussenkomt op 10 april 2008 + 31 dagen, hetzij op 11 mei 2010).

 

8.3 Eigenschappen van de verjaring van de strafvordering

Bovenstaande verjaringsregels, inbegrepen deze betreffende de schorsing en de stuiting, werken t.a.v. het misdrijf en dus niet t.a.v. de daders (met andere woorden de stuiting van de verjaring werkt in rem en niet in personam). Duidelijker gesteld : de rechter moet niet nagaan of het misdrijf verjaard is tegenover die welbepaalde persoon, maar wel of de begane misdrijven op zichzelf verjaard zijn (zie het zopas aangehaalde art. 22 : "... zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren").

Een praktisch voorbeeld : A wordt beschuldigd van een snelheidsovertreding ; hij laat verstek gaan en de zitting na zijn verzet gaat door 18 maand na de snelheidsovertreding ; op deze zitting laat hij weten dat niet hijzelf maar zijn vrouw de overtreding heeft begaan ; hoewel tegen deze vrouw nooit een vervolging werd ingesteld, kan deze toch niet argumenteren dat tegenover haar de verjaringstermijn is overschreden (want de verjaring werkt enkel t.a.v. de feiten, dus de misdrijven, en niet t.a.v. personen).

Bovendien heeft de stuiting van de verjaring voor een welbepaald misdrijf dezelfde gevolgen voor alle misdrijven die met dit welbepaald misdrijf nauw zijn verbonden door intrinsieke samenhang.

 

8.4 De verjaring van de burgerlijke vordering

Zolang de strafvordering niet is verjaard is dit evenmin het geval voor de burgerlijke vordering (tot schadevergoeding).

Art. 26 : "De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering."

 

Zolang er op strafrechtelijk gebied geen definitieve veroordeling is gevallen, wordt de burgerlijke vordering geschorst. De burgerlijke rechtbank (in het bijzonder de Politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken of de Rechtbank van Eerste Aanleg) kan daarom niet over uw vordering tot schadevergoeding oordelen zolang er op strafrechtelijk gebied geen uitspraak is tussengekomen ("le criminel tient le civil en état").

Art. 4, alinea 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering: "De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld".

Een belangrijke uitzondering : een onderzoeksmaatregel, zoals de aanstelling van een gerechtsdeskundige*, kan wel worden toegekend door de burgerlijke rechtbank, hoewel nog geen strafrechtelijk vonnis is geveld (zie art. 19, al. 2 Gerechtelijk Wetboek).

Let op: soms is de vordering tot schadevergoeding wel verjaard tegenover de dader maar niet tegenover diens B.A.-verzekeraar, of omgekeerd.

Als de benadeelde zich burgerlijke partij heeft gesteld voor de strafrechter, voordat de strafvordering vervallen is door verjaring, verjaart zijn burgerlijke vordering niet meer. Het kan dus gebeuren dat de strafrechter alle tenlasteleggingen verjaard verklaart, maar op burgerrechtelijk gebied toch moet oordelen over de schadevergoeding.

Zie over de verjaring van de vordering tot schadevergoeding het hoofdstuk "Mogelijke vergoedingen" onder nr. 12. De verjaring van de vordering tot schadevergoeding.

 

8.5 De verjaring van de opgelegde straffen

Daarnaast kunnen de straffen die door de rechter werden uitgesproken verjaren.


Art. 92 van het Strafwetboek (S.W.) van 8 juni 1867: Correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.
Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.

Art. 93 S.W.: Politiestraffen verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de tijdstippen, in het vorige artikel vastgesteld.

Art. 94 S.W.: De straffen (...) van geldboete en van bijzondere verbeurdverklaring verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.

 

 

e. Hoe verloopt een gerechtelijke procedure ?

 

9. De bevoegde rechtbanken

De Politierechtbank - zetelend in strafzaken ofwel in burgerlijke zaken - is bevoegd op het gebied van verkeersongevallen, zijnde het onderwerp dat op deze website wordt behandeld. In hoger beroep worden dergelijke zaken behandeld door de Rechtbank van Eerste Aanleg, zijnde deze zetelend ofwel in strafzaken (en dan "Correctionele Rechtbank" genoemd) ofwel in burgerlijke zaken (en dan eenvoudigweg "Rechtbank van Eerste Aanleg" genoemd).

Naargelang het geval kunnen voor burgerlijke zaken echter meerdere andere rechtbanken bevoegd zijn, in het bijzonder het Vredegerecht, de Rechtbank van Eerste Aanleg, de Rechtbank van Koophandel en de Arbeidsrechtbank. Bij hoogdringendheid, bvb. wanneer zonder verder uitstel een gerechtsdeskundige* moet worden aangesteld, kan men een procedure in kort geding (voor de Voorzitter) aanvatten.

 

10. De verschillende stappen in de afhandeling van een burgerlijke procedure

Het normale verloop van een burgerlijke (d.w.z. niet-strafrechtelijke) zaak, voor één van de zopas opgesomde rechtbanken, kan als volgt worden geschetst (art. 735 tot 754 Gerechtelijk Wetboek) :

onderhandelingen (= nastreven van een minnelijke regeling) ;

via een exploot van dagvaarding (betekend door een gerechtsdeurwaarder) of via een akte tot vrijwillige verschijning (waarvan de volledige tekst gezamenlijk door de betrokken advocaten is opgesteld) wordt de zaak ingeleid voor de bevoegde rechtbank ;

op de inleidende zitting (normalerwijze ongeveer 2 weken na de dagvaarding) wordt de zaak meestal naar de rol verzonden, d.w.z. onbepaald uitgesteld ; ofwel wordt op deze zitting de procedurekalender vastgelegd en wordt dus geregeld tegen welke data de conclusies van de partijen moeten zijn meegedeeld;

belangrijkste uitzonderingen :

-op de inleidende zitting kan een gedeeltelijke uitspraak, zoals de toekenning van een provisionele vergoeding (dus een voorschot) of de aanstelling van een gerechtsdeskundige, worden bekomen ingeval terzake slechts korte debatten nodig zijn ;
-een volledige beoordeling en dus een definitieve uitspraak kan worden bekomen ingeval tegenpartij verstek * laat gaan (dus niet optreedt als partij) ;
-in zover er een akkoord tussen de partijen bestaat moet de rechter dit in principe respecteren ;


de eiser, die de dagvaarding heeft uitgestuurd en die een bedrag of iets anders vordert, moet eerst alle aangewende bewijsstukken overmaken aan tegenpartij, de verweerder ; aan deze vraagt hij tezelfdertijd om te concluderen (d.w.z. de argumenten schriftelijk kenbaar te maken) binnen de wettelijke termijn, zijnde één maand ; in de praktijk verleent (de advocaat van) eiser aan (de advocaat van) verweerder een langere termijn, nl. van minstens 2 maanden;

blijkt tegenpartij na deze termijn nog niet te hebben geconcludeerd, dan zal eiser de regeling van de procedure (een "rechtsdag") aanvragen (indien dit nog niet op de inleidende zitting zou zijn geregeld); dit betekent dat hij een verzoekschrift neerlegt ter griffie, waarbij hij aan de voorzitter verzoekt om de data vast te leggen tegen dewelke de betrokken partijen uiterlijk moeten hebben geconcludeerd en om tevens de datum van de pleitzitting te bepalen (ofwel om enkel de datum vast te leggen tegen dewelke tegenpartij moet hebben geconcludeerd);


meestal volgt relatief kort daarna de uitspraak waarbij voormeld verzoek wordt ingewilligd;

zou een partij zijn conclusie niet ter griffie hebben neergelegd voor de einddatum daarvoor voorzien in deze uitspraak, dan wordt de - te laat overgemaakte - conclusie uit de debatten geweerd, dus als onbestaande beschouwd ; maar meestal zal de advocaat van de andere partij uit confraternaliteit aan de voorzitter vragen om deze zware sanctie achterwege te laten;

op de pleitzitting mogen de partijen enige mondelinge toelichting geven ; indien de aansprakelijkheid niet (meer) wordt betwist, dan wordt meestal geen dergelijke mondelinge uitleg meer gegeven en dan verwijzen de partijen louter naar de bewijsstukken en de conclusies;

(meestal meerdere maanden later:) vonnis;

10° eventueel : hoger beroep ; de termijn om hoger beroep te mogen aantekenen is één maand, te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis (via gerechtsdeurwaarder) is betekend;

Let wel op : tegen de uitspraak van een strafrechtbank mogen de beklaagden én de benadeelden (die zich burgerlijke partij hebben gesteld) slechts hoger beroep aantekenen gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de datum van het vonnis (en dus zonder dat betekening nodig is !)

11° in hoger beroep wordt de zaak volledig opnieuw beoordeeld (in de mate dat hoger beroep is aangetekend);

12° in uitzonderlijke gevallen, die geen betrekking mogen hebben op de feiten, kan na het hoger beroep nog cassatieberoep worden aangetekend.


Noten:

1. Op om het even welk ogenblik kunnen de partijen het geschil tussen hen en de hangende procedure vrijwillig beëindigen (ook bvb. na de pleitzitting in hoger beroep); dit kan meerbepaald doordat de partijen een dading * sluiten, zijnde een overeenkomst die definitief de rechten en plichten van de partijen tegenover elkaar vastlegt, bij wederzijdse toegevingen, en die zo een einde maakt aan het geschil.

2. De vordering van een benadeelde die zich burgerlijke partij heeft gesteld voor de Strafrechtbank volgt niet de regels van de burgerlijke procedure maar wel deze van de strafrechtelijke procedure.

 

 

Naar boven

 

C. DE VERDEDIGING (van de benadeelde of van de overtreder)


f
. De aanstelling van een advocaat


11.
Voor velen is het tussenroepen van een eigen raadsman (= advocaat) nog steeds een grote stap.


11.1
Het nut van een advocaat

Besef dat enkel deskundige begeleiding vanwege een vertrouwenspersoon voldoende waarborgen op een passende schadevergoeding biedt. Wie anders dan een advocaat met ervaring op het gebied van schadeloosstellingen kan op een degelijke wijze een voorstel tot minnelijke regeling beoordelen ?

Meestal bezit uw makelaar - ondanks zijn beste bedoelingen - ter zake niet voldoende juridische kennis noch tijd; in zekere mate geldt dit ook voor (de dossierbeheerder van) de rechtsbijstandverzekeraar, die er bovendien alle belang bij heeft dat de verzekerde geen - dure - gerechtelijke procedure aanvat...

Van groot belang is wel dat u vertrouwen heeft in uw advocaat (vooral wat diens kennis en inzet betreft) en dat u goed kan samenwerken met uw advocaat. Deze moet voldoende naar u luisteren, moet u degelijk adviseren, en moet u uitleggen wat u moet en (niet) mag doen, welke bewijsstukken nodig zijn en waarom, hoe alles zal verlopen, ...


11.2
Betaling van het honorarium door uw rechtsbijstandsverzekeraar

Besef trouwens dat de kosten van een advocaat - in de meeste gevallen - volledig worden betaald door uw rechtsbijstandverzekeraar. Zie ook : Uw advocaat en uw rechtsbijstandsverzekeraar.

Het is thans wel meestal zo dat de rechtsbijstandverzekeraars zich lange tijd tussen u en uw advocaat wringen, met de voorgehouden nobele bedoeling de afhandeling in der minne na te streven maar met als werkelijke hoofdbedoeling hun uitgaven beperkt te houden.


11.3
Wetteksten betreffende de tussenkomst van een advocaat op kosten van de rechtsbijstandsverzekeraar

Art. 92 en 93 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, afgekort “W.L.O.”, bespreken de verplichtingen van de rechtsbijstandverzekeraar.

Art. 92 W.L.O.: “Vrije keuze van raadslieden.

In elke verzekeringsovereenkomst inzake rechtsbijstand moet uitdrukkelijk ten minste worden bepaald dat:

1° wanneer moet worden overgegaan tot een gerechtelijke of administratieve procedure, de verzekerde vrij is in de keuze van een advocaat of van iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft krachtens de op de procedure toepasselijke wet om zijn belangen te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen ;
2° telkens er zich een belangenconflict met zijn verzekeraar voordoet, de verzekerde vrij is in de keuze van een advocaat of zo hij er de voorkeur aan geeft, iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft krachtens de op de procedure toepasselijke wet om zijn belangen te verdedigen
”.

De rechtsbijstandverzekeraar heeft dus de verplichting om u toe te staan dat u op haar kosten een advocaat tussenroept, naar uw eigen vrije keuze aangeduid, van zodra een procedure moet worden gevoerd of van zodra een belangenconflict met de verzekeringsmaatschappij bestaat. Maar meestal werpt de rechtsbijstandsverzekeraar zo lang mogelijk op dat zijzelf al het nodige zal doen om uw belangen te verdedigen en dat u dus - voorlopig (?) - geen advocaat nodig heeft...

Art. 93 W.L.O. : “Recht van de verzekeraar om dekking te weigeren.

De verzekerde, bij verschil van mening met zijn verzekeraar over de gedragslijn die zal worden gevolgd voor de regeling van het schadegeval en na kennisgeving door de verzekeraar van diens standpunt of van diens weigering om de stelling van de verzekerde te volgen, heeft het recht een advocaat van zijn keuze te raadplegen onverminderd de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen.
Zo de advocaat het standpunt van de verzekeraar bevestigt wordt aan de verzekerde de helft terugbetaald van de kosten en honoraria van deze raadpleging. Indien tegen het advies van deze advocaat de verzekerde op zijn kosten een procedure begint en een beter resultaat bekomt dan hetgeen hij zou hebben bekomen indien hij het standpunt van de verzekeraar zou hebben gevolgd, is de verzekeraar die de stelling van de verzekerde niet heeft willen volgen gehouden zijn dekking te verlenen en de kosten van de raadpleging terug te betalen die ten laste van de verzekerde zouden zijn gebleven.

Indien de geraadpleegde advocaat de stelling van de verzekerde bevestigt, is de verzekeraar, ongeacht de afloop van de procedure, ertoe gehouden zijn dekking te verlenen met inbegrip van de kosten en de honoraria van de raadpleging”.

De rechtsbijstandverzekeraar moet volgens de wet in elk geval alle kosten van een gerechtelijke procedure dragen van zodra uw advocaat "de stelling van de verzekerde bevestigt"; dus van zodra uw advocaat van oordeel is dat u terecht een vordering stelt en hiervoor (eventueel) een gerechtelijke procedure wenst te voeren moet uw rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van verdediging betalen (art. 93, laatste alinea, W.L.O.). Ook de kosten van het juridisch advies en dergelijke moeten dan door de rechtsbijstandverzekeraar worden gedragen.

Soms beweert een rechtsbijstandsverzekeraar dat zij enkel maar de helft van de kosten van verdediging, zoals de kosten voor uw advocaat en voor uw raadsgeneesheer, moet betalen als uw advocaat geen beter resultaat behaalt. Maar de wet is duidelijk: uw rechtsbijstandsverzekeraar moet niet slechts de helft maar wel de totaliteit van deze verdedigingskosten betalen; de enige voorwaarde is dat uw advocaat met uw zienswijze akkoord gaat (bvb. dat uw advocaat laat weten dat volgens hem een gerechtelijke procedure inderdaad gerechtvaardigd is).

De verzekeringsmaatschappij mag overigens geen advocaat aan u opdringen: u mag volledig naar uw eigen vrije keuze een advocaat aanduiden. Art. 92 W.L.O. waarborgt aan het slachtoffer immers de volledige vrije keuze van advocaat.

TIP: Maak daarvan ten volle gebruik. Laat de keuze niet over aan de verzekeringsmaatschappij. Stel zelf een advocaat aan, die kennis en ervaring bezit aangaande het specifieke terrein van het recht dat van toepassing is voor u.

Ook advocaten kunnen tegenwoordig niet àl de nieuwe wetgeving en rechtspraak kennen.


11.4
De terugbetaling van de advocatenkosten door de verliezende partij

* Geniet u geen dekking in rechtsbijstand, dan dient u rekening te houden met de nieuwe regeling betreffende de terugbetaling van de advocatenkosten (Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007, tweede editie, en Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek", van kracht vanaf 1/1/08).

Bij deze regeling wordt de verliezende partij veroordeeld tot een zeker bedrag, als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Deze tegemoetkoming (dus gedeeltelijke terugbetaling) wordt aangeduid met de term "rechtsplegingsvergoeding", die als gedingkosten worden beschouwd.


TITEL IV – UITGAVEN EN KOSTEN

Artikel 1017 Gerechtelijk Wetboek: "Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de (arbeidsongevallenverzekeraar) steeds in de kosten verwezen.
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt (...).
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden".

Artikel 1018: "De kosten omvatten:
(...)6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;
(...)"

Art. 1022: "De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. (...)

Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :
- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

(...)".

* Het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" (van kracht vanaf 1/1/08) heeft de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd.

Art. 10 K.B. (Koninklijk besluit van 26 oktober 2007): "Treden in werking op 1 januari 2008 :
- De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat
- Dit besluit".

Deze forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (zie art. 1022 Gerechtelijk Wetboek) verschilt naargelang de volgende gegevens :

a. eerst wordt een onderscheid gemaakt naargelang de som van de vordering ; het gaat hier om de hoofdsom vermeerderd met de vergoedende intrest (maar niet met de gedingkosten), volgens de laatste conclusie (zie art. 618 Ger. W. en ook art. 557 tot 562 Ger. W.) ; naargelang de hoogte van voormelde som zijn categorieën van rechtsplegingsvergoeding voorzien (per schijf);

Art. 2 K.B. : (...)
Voor de toepassing van dit artikel wordt het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. (...)

Art. 560 Ger.W.: Wanneer een of meer eisers optreden tegen een of meer verweerders, wordt de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde som, ongeacht ieders aandeel daarin.

Art. 618 Ger.W.: De regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 gelden voor het bepalen van de aanleg.
Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

b. elk van deze categorieën van rechtplegingsvergoeding bestaat uit 3 bedragen, nl. 1° een basisbedrag, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die doorgaans dient te worden toegekend, 2° een minimumbedrag, die zal worden toegepast wanneer het geschil zeer eenvoudig kon worden opgelost of wanneer verstek werd verleend (omdat de tegenpartij niet is verschenen), en 3° een maximumbedrag, dat enkel wordt toegestaan wanneer de zaak moeilijk en complex is geweest ; de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding werd door de wetgever met telkens een grote vork bepaald, met als geringste bedrag 75 € en als hoogste 30.000 €; maar zelfs als de vordering meerdere miljoenen euro bedraagt kan de rechter de rechtsplegingvergoeding bepalen op (het minimum t.b.v.) 1.000 €;

c. de rechter moet bij de bepaling van de hoogte van de rechtsplegingsvergoeding meerbepaald rekening houden 1° met de financiële draagkracht van de verliezende partij (om het bedrag van de vergoeding te verminderen), 2° met de complexiteit van de zaak, 3° met de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij, en 4° met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie (zie art. 1022 Ger. W.);

d. voormelde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

 

 

De bedragen van de RPV (rechtsplegingsvergoeding) zijn meerbepaald:

 
Vordering
Basisbedrag
Minimum
Maximum
* tot 250,00 €
150,00 €
75,00 €
300,00 €
*  van 250,01 tot 750,00 €
200,00 €
125,00 €
500,00 €
*  van 750,01 tot 2.500,00 €
400,00 €
200,00 €
1.000,00 €
*  van 2.500,01 tot 5.000,00 €
650,00 €
375,00 €
1.500,00 €
*  van 5.000,01 tot 10.000,00 €
900,00 €
500,00 €
2.000,00 €
*  van 10.000,01 tot 20.000,00 €
1.100,00 €
625,00 €
2.500,00 €
*  van 20.000,01 tot 40.000,00 €
2.000,00 €
1.000,00 €
4.000,00 €
*  van 40.000,01 tot 60.000,00 €
2.500,00 €
1.000,00 €
5.000,00 €
* van 60.000,01 € tot 100.000 €
3.000,00 €
1.000,00 €
6.000,00 €
*  van 100.000,01 tot 250.000 €
5.000,00 €
1.000,00 €
10.000,00 €
*  van 250.000,01 tot 500.000 €
7.000,00 €
1.000,00 €
14.000,00 €
*  van 500.000,01 tot 1.000.000 €
10.000,00 €
1.000,00 €
20.000,00 €
* meer dan 1.000.000 €
15.000,00 €
1.000,00 €
30.000,00 €
*  Niet in geld waardeerbaar
1.200,00 €
75,00 €
10.000,00 €

 

Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding:

Art. 3 K.B.: "Voor de geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro, het minimum bedrag 75 euro en het maximum bedrag 10.000 euro" .

Art. 6 K.B.: "Wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding".


Conform art. 8 van het voormelde KB van 26 oktober 2007 worden de rechtsplegingsvergoedingen verhoogd (of veminderd) met 10 % telkens het indexcijfer van de consumptieprijzen stijgt (of daalt) met 10 punten t.o.v. het indexcijfer 105,78 (basis 2004). Het indexcijfer van februari 2011 is 116,33, zodat de rechtsplegingsvergoedingen vanaf 1 maart 2011 worden verhoogd met 10 %. De situatie na deze verhoging: 150 wordt 165,00 €,75 wordt 82,50 €, 300 wordt 330,00 €, enzoverder.


Bij volledige betaling vóór inschrijving op de rol: geen rechtsplegingsvergoeding.
Bij volledige betaling na inschrijving op de rol: 1/4 van het basisbedrag, met een maximum van 1.100 €.

* Merkwaardig is het feit dat de wetgever voormelde rechtsplegingsvergoeding ook heeft voorzien voor burgerlijke vorderingen bij een strafrechtelijke procedure (terwijl voordien geen R.P.V. bestond bij een strafrechtelijke procedure). Indien klacht met burgerlijke-partijstelling voor de onderzoeksrechter werd ingediend of wanneer een burgerlijke partij een vordering heeft gesteld tegen de beklaagde (d.m.v. burgerlijke-partijstelling of d.m.v. rechtstreekse dagvaarding), dan moet de verliezende partij dus ook bovenstaande R.P.V. betalen (art. 128, 162bis, 194, 211 en 369bis van het Wetboek van Strafvordering).

Uitzondering: wordt de beklaagde vrijgesproken, dan moet de benadeelde enkel de R.P.V. betalen als hij de strafrechtelijke procedure zelf in gang heeft gezet.

WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Artikel 128: "Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.
In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggstelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek".

[…] Art. 162bis : "Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De vergoeding wordt bepaald door het vonnis".

* In strijd met het bovenstaande moet worden beklemtoond dat de rechtsplegingsvergoedingen véél lager liggen voor arbeidsrechtelijke geschillen. Dan ligt het basisbedrag maar tussen 36,46 en 291,50 €, terwijl het hoogste maximumbedrag slechts 331,50 € bedraagt.

* Art. 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de nieuwe wettelijke bepalingen ook van toepassing zijn op hangende zaken.

TIP Dus moet de rechtsplegingsvergoeding onmiddellijk worden gevorderd door uw advocaat, ook voor zaken die reeds jaren geleden zijn ingeleid.

* Art. 1 van het K.B. van 26 oktober 2007 bepaalt bovendien : “De bedragen worden vastgelegd per aanleg”. Volgt na een procedure in eerste aanleg hoger beroep, dan zal de twee keer verliezende partij twee keer de rechtsplegingsvergoeding moeten betalen.

* Als slotbedenking willen wij opmerken dat een voldoende ruime dekking in rechtsbijstand thans nog meer nodig is dan vroeger.

Wie, wellicht tegen zijn eigen verwachtingen in, in het ongelijk wordt gesteld moet thans ook de hoge RPV betalen aan de tegenpartij ; als hij dekking in rechtsbijstand geniet moet hij dit uiteraard niet zelf betalen, maar in de andere gevallen komt hij mogelijks voor een onvoorziene en zware uitgave te staan.

Ook wanneer u uiteindelijk toch in het gelijk wordt gesteld kan het goed zijn dat uzelf de staat van ereloon en kosten van uw advocaat geheel of gedeeltelijk moet betalen ; vooreerst is het goed mogelijk dat tegenpartij onvermogend is, wat vaak pas kan worden vastgesteld nadat de hele procedure achter de rug is (nl. na de betekening van het vonnis en na het begin van gedwongen uitvoering via gerechtsdeurwaarder) ; vervolgens dekt de aan u toegekende RPV meestal slechts een deel van de staat van ereloon en kosten van uw advocaat. In soortgelijke gevallen zal u ongetwijfeld blij zijn dat de rechtsbijstandsverzekeraar de advocatenkosten moet dragen.

 

12. Wanneer dient u een advocaat aan te stellen ?

U mag dus, hopelijk op kosten van een rechtsbijstandverzekeraar*, een advocaat naar vrije keuze aanstellen.

Deze aanstelling is niet enkel nodig om een gerechtelijke procedure te voeren voor het bekomen van een vergoeding; zij is tevens nodig:

voor de strafrechtelijke verdediging (bvb. wegens een snelheidsovertreding, dronkenschap of een andere verkeersinbreuk) ;
om na te gaan of u toch niet gerechtigd is op bepaalde vergoedingen, rekening gehouden met de voorliggende bewijzen en met de wettelijke bepalingen ;
om een gerechtsdeskundige* te laten aanstellen ;
om na te gaan op welke schadebedragen u redelijkerwijze gerechtigd is, en om over de passende schadevergoeding onderhandelingen te voeren.

TIP: al te vaak menen bepaalde personen dat zij geen recht zouden hebben op de bijstand van een advocaat, op kosten van hun rechtsbijstandsverzekeraar. Ook wie vervolgd wordt voor een verkeersinbreuk (zoals dronkenschap achter het stuur, door een rood verkeerslicht rijden, en zo meer), of wie als passagier recht heeft op vergoeding voor lichamelijke letsels, kan een advocaat aanstellen op kosten van de rechtsbijstandsverzekering afgesloten samen met de autoverzekering.

Besef dat u vaak wel enig geduld zal moeten oefenen vooraleer uw rechtsbijstandsverzekeraar de aanstelling van uw advocaat zal willen aanvaarden.

Zie ook: C. Praktische adviezen aan het slachtoffer, onder 18. Uw advocaat t.e.m. 20. Rechtsbijstand


13.
Vervanging van uw advocaat

Soms zijn er afdoende redenen om uw advocaat te vervangen : hij reageert niet of slechts zeer sporadisch, hij blijkt de juridische materie onvoldoende te kennen (hij blijkt bvb. verkeerde informatie te hebben gegeven over een belangrijk punt), hij heeft een ernstige beroepsfout gemaakt, of dergelijke.

De beste werkwijze om uw advocaat te vervangen door een andere is wellicht als volgt:

1° u contacteert onmiddellijk uw nieuwe advocaat;

2° deze ziet na of er wel voldoende redenen zijn om uw eerste advocaat aan de kant te schuiven;

3° zo ja, dan vraagt hij aan de rechtsbijstandverzekeraar de toelating om uw eerste advocaat op te volgen; deze toelating wordt meestal verleend;

4° hij neemt zelf contact op met uw eerste advocaat, die alle nuttige stukken van zijn dossier overmaakt aan uw nieuwe (= opvolgende) advocaat.

 

 


g. U verschijnt zelf voor de Rechtbank...

14. Meestal verschijnt u niet in persoon voor de rechtbank, daar u doorgaans gerechtigd is op kosteloze bijstand van een advocaat (zie hoger onder nr 12, aanstelling van een advocaat). Het kan evenwel gebeuren dat u verplicht is of verkiest zelf te verschijnen voor de rechter, in het bijzonder als beklaagde, als eiser of verweerder, of als getuige.

Dan gaat u het best als volgt te werk :

-u noteert de gegevens (plaats en tijdstip) van de zitting in uw agenda
-de dag voor deze zitting contacteert u uw advocaat of de griffie (voor 16 uur), om te vernemen of de zitting wel doorgaat
-op de dag van de zitting neemt u de kennisgeving betreffende de zitting (zijnde de dagvaarding of oproepingsbrief) mee
-aan de inkom van elk gerechtsgebouw is er een infobalie, waar u kan vernemen waar de zitting precies doorgaat
-in de zittingszaal toont u voormelde kennisgeving en uw identiteitskaart aan de zittingsdeurwaarder (dit is de persoon die geen toga draagt, en die vanuit uw standpunt rechts vooraan zit of die rondloopt)
-van zodra u wordt aangesproken door de rechter of van zodra u hem mag toespreken staat u recht ; de voorzitter zit vooraan in het midden, en hij wordt aangesproken met "Meneer/Mevrouw de voorzitter/politierechter/vrederechter".


Enkele praktische bemerkingen :

  • wees op tijd (zoniet zou bvb. de zitting uitgesteld kunnen zijn of zou u verstek * kunnen oplopen)
  • vuile of slordige kledij is uit den bozen
  • aan de griffier kan u een attest vragen, als bewijs voor uw werkgever
  • een getuige heeft recht op een verschijningsvergoeding (een - matig - vast bedrag) en een reiskostenvergoeding (per afgelegde km) ; eveneens aan te vragen bij de griffie
  • de zitting is openbaar en mag dus door iedereen volledig worden bijgewoond (behoudens enkele uitzonderingen).

OPMERKING: wie zichzelf (dus zonder advocaat) verdedigt heeft geen recht op rechtsplegingsvergoeding vanwege de tegenpartij, die evenwel van u wel rechtsplegingsvergoeding kan vorderen als hij wordt bijgestaan door een advocaat (en als hij de zaak wint) - zie hierboven onder nr 11.4 (bij "aanstelling van een advocaat").

TIP: meestal moet de beklaagde die wordt bijgestaan door een advocaat niet persoonlijk aanwezig zijn op de zitting; maar in vele gevallen is het toch nuttig dat de beklaagde zelf voor de strafrechter verschijnt (samen met zijn advocaat): zo kan hij zijn spijt betuigen, zo kan hij oog in oog met de rechter bepaalde niet te bewijzen verduidelijkingen geven, zo kan hij nagaan inhoever zijn advocaat alles correct uiteenzet, ... Bespreek tijdig uw aanwezigheid ter zitting met uw advocaat.

 

 

 
 

MET BIJZONDERE DANK AAN:

Mtr. Pascal Mortier

advocaat te Gent


pascal.mortier@skynet.be

 

 

 



Vragen van leden
met betrekking tot procedures

 

1) Lid: "Mijn verzekeringsmaatschappij en ook mijn makelaar hebben mij gevraagd het nodige te doen voor de burgerlijke partijstelling op de zitting die volgende week doorgaat. Mijn advocaat zelf wil dit echter niet doen, omdat hij nog niet alle bewijsstukken betreffende mijn medische kosten heeft. Wie moet ik geloven ?"

    V.Z.W.: Uw advocaat. De burgerlijke vordering kan immers op meerdere manieren worden ingesteld, en de burgerlijke-partijstelling voor de strafrechter is slechts één van de meerdere wijzen om schadevergoeding te bekomen. Deze werkwijze heeft in principe geen zin indien de volledige schadevergoeding toch nog niet kan worden bepaald. De belangrijkste uitzonderingen op dit principe : men wenst zo spoedig mogelijk een gerechtsdeskundige aan te stellen, of men wenst een provisie te bekomen en de tegenpartij verzet zich daartegen. Zie hoger onder nr. 5 en 7 (Hoe kan men schadevergoeding vorderen?).

     

2) Lid: “Toen ik mijn auto wilde parkeren, werd ik achteraan aangereden door een dronken man. Deze is ongeveer een half jaar later overleden, trouwens zonder bezittingen na te laten. Het Parket heeft mij laten weten dat het de zaak zonder gevolg heeft gerangschikt. De verzekeringsmaatschappij van de overleden persoon gaat ermee akkoord dat mijn auto een totaal verlies is, maar zij kent mij daarvoor slechts een totale vergoeding toe van 12.400 € (afgerond). Wat mijn whiplash betreft, heeft de raadsgeneesheer van de verzekeringsmaatschappij slechts 2 % blijvende invaliditeit (B.I.) toegekend. Voor mijn lichamelijke schade, medische kosten inbegrepen, zou ik tevreden moeten zijn met een totale vergoeding van 2.673 €. Volgens mijn rechtsbijstand zou ik zowel de vergoeding voor de voertuigschade als deze voor mijn lichamelijke letsels moeten aanvaarden, omdat volgens haar de voorgestelde bedragen meer dan voldoende zijn. Kunnen jullie mij raad geven ?”.

    V.Z.W. : De gestelde problematiek vormt een goede samenvatting van de meest voorkomende problemen inzake vergoeding voor een schadegeval. Het past de onderscheiden problemen één voor één te bespreken.

    1. Door het overlijden van de beklaagde vervalt de strafvordering. De heer Procureur des Konings kon dan ook niets anders doen dan het dossier zonder gevolg te rangschikken. Dit neemt uiteraard niet weg dat de benadeelden al hun rechten behouden.

    2. U geniet dekking in rechtsbijstand, zodat u met alle middelen uw recht op volledige schadeloosstelling kan nastreven. Uw rechtsbijstandverzekeraar heeft niet het recht om zelf te beslissen of u al dan niet het voorstel tot schaderegeling vanwege de vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij moet aanvaarden ; deze beslissing komt enkel toe aan de advocaat die u zelf heeft gekozen (zie hoger aanstelling van een advocaat, onder nr. 11.3).

    3. Betreffende de raming van de voertuigschade, in het bijzonder van de vervangingswaarde, dringt de aanstelling van een eigen raadgevende voertuigexpert zich op. Zie terzake meer uitgebreid in het hoofdstuk “Voertuigschade”, meerbepaald de nummers 2, 5, en 13 t.e.m. 15.

    4. Bovendien hebt u de bijstand nodig van een eigen raadsgeneesheer, die de medische besluiten van de raadsgeneesheer van de verzekeringsmaatschappij zal nazien en desgevallend zal aanvechten. Voor nadere informatie daaromtrent, zie het hoofdstuk “De medische expertise”, onder nr. 3.

    5. In elk geval zal u na het advies van uw voertuigexpert en na het advies van uw raadsgeneesheer een eigen advocaat moeten raadplegen. Wie anders kan immers, op onpartijdige wijze en met de nodige ervaring en kennis, bepalen op welke schadevergoeding u werkelijk gerechtigd is ? Zie hieromtrent meer uitgebreid hoger aanstelling van een advocaat, onder nr. 11.1.

    Overigens, de aanstelling van een advocaat is ook nodig van zodra een gerechtelijke expertise, zijnde in het bijzonder een medische of een voertuigexpertise, dient door te gaan.

     

 

 

     

Naar pagina top

 

* * *
*

 

 



DE MOGELIJKE VERGOEDINGEN
  ©

+ vragen van leden m.b.t. vergoedingen

Met dank aan : Mr. Pascal Mortier, advocaat, Hoogstraat 53, 9000 te Gent
(tel. : 09 / 224 14 14 – fax : 09 / 225 55 65)

NOOT VOORAF: de tekstgedeelten in groene kleur zijn enkel bedoeld om verdere juridische opzoekingen te vergemakkelijken; niet-juristen dienen omzichtig om te gaan met deze teksten.

 

A. Inleiding

 

1. Eerste raad: een advocaat

U mag niet lichtzinnig omgaan met de enige mogelijke compensatie voor al uw leed en verliezen die voortvloeien uit het ongeval. Daaromtrent dient u dan ook volledig te vertrouwen op uw advocaat, die u wettelijk trouwens steeds volledig vrij mag kiezen. Doe beroep op een betrouwbare, gespecialiseerde en ervaren advocaat.

 

2. Inhoud van dit hoofdstuk (41 blzn.)

In dit hoofdstuk worden de diverse gronden om vergoeding te bekomen voor de lichamelijke en de voertuigschade besproken.

In dit hoofdstuk worden dus enkel de verschillende mogelijkheden om schadevergoeding (of andere uitkeringen) te vorderen besproken (dus de vraag: wat zijn de voorwaarden om recht te hebben op bepaalde vergoedingen). De vergoedingsbedragen waarop u gerechtigd is komen niet aan bod in dit hoofdstuk, maar wel in de hoofdstukken Lichamelijke schade en Voertuigschade .

2.1 In nr. 3 t.e.m. 5 worden de rechtsgronden betreffende alle soorten schade besproken en in nr. 6 de rechtsgronden op dewelke men vergoeding voor lichamelijke schade kan vorderen. Er bestaan heel wat gronden om vergoeding te bekomen, zoals:

2.2 Daarna gaan we na in welke gevallen de verzekeringsmaatschappij de bedragen die zij heeft uitbetaald aan de benadeelden mag terugvorderen van de foutieve bestuurder (zie nr 7 tot 10 - De terugvordering door de B.A.-verzekeraar (regres)).

2.3 Vervolgens worden enkele principes betreffende de uitbetaling van de vergoeding door de verzekeringsmaatschappij uiteengezet (nr. 11).

2.4 Tot slot enkele bedenkingen over het (complexe) vergoedingssysteem.

 

 

 

 


B. Gevallen van vergoedbaarheid van alle schade (dus zowel de voertuig- en andere stoffelijke schade als de lichamelijke schade)

rechtspraak recht op schadevergoeding rechtspraak lichamelijke schade letselschade wettelijke vergoeding wet vergoeding en de schadevergoeding
3. Burgerlijke aansprakelijkheid (B.A.)

De belangrijkste rechtsgrond om vergoeding te bekomen voor de voertuig- en andere stoffelijke schade wordt gevormd door de gemeenrechtelijke of burgerlijke aansprakelijkheid *.


3.1
FOUTAANSPRAKELIJKHEID

In het bijzonder past het uit te weiden over de niet-contractuele, gemeenrechtelijke aansprakelijkheid (wat de contractuele aansprakelijkheid betreft: zie hieronder nr 3.6). Volgens art. 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek moet iedereen die door zijn fout schade heeft veroorzaakt daarvoor de passende vergoeding betalen aan de benadeelde. Er bestaan dus 3 voorwaarden: fout (van een derde) + schade (geleden door de benadeelde) + oorzakelijk verband tussen beide. "Potje breken is potje betalen".

Met fout zijn onvoorzichtigheid en nalatigheid gelijk gesteld. Een zeer lichte fout volstaat om volledig aansprakelijk te zijn.

Het typevoorbeeld : wie een ander voertuig aanrijdt (= schade) door een verkeersregel te miskennen (= fout) moet alle hieruit voortvloeiende ( = oorzakelijk verband) schade vergoeden aan de benadeelden. Het volstaat dat dit ongeval werd veroorzaakt door een kortstondige, lichte onoplettendheid.

Art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek (afgekort “B.W.”) : “Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden”.

Art. 1383 B.W. : “Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt”.

Meestal is er geen discussie over het eigenlijke bestaan van schade, maar wel:

  • over hoe het ongeval is gebeurd en dus over wie van de betrokken weggebruikers een verkeersovertreding of andere fout heeft begaan
  • over hoe groot deze en de andere fouten zijn (en dus welk deel van de aansprakelijkheid voor het ongeval door elk van de betrokkenen moet worden gedragen), wanneer elk van de twee betrokken weggebruikers een fout hebben begaan (zie ook verder onder 3.4 verdeling van aansprakelijkheid)
  • over de omvang van de schade
  • over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade
  • over de toe te kennen schadevergoeding.

    Wat het voormelde oorzakelijk (of causaal) verband betreft een voorbeeld: wanneer een stomdronken man in zijn auto voor de rode lichten stilstaat en hij wordt achteraan aangereden door een onaandachtige vrachtwagenbestuurder, dan staat zijn fout (dronkenschap) - uiteraard - niet in oorzakelijk verband met de aanrijding. Zo ook kan men betwisten dat het verkeersongeval of bepaalde schade (mede) is veroorzaakt door de overdreven snelheid, door het niet voldoende aan de rechterkant rijden, of dergelijke.


3.2
SCHADE DOOR EEN GEBREKKIGE ZAAK

Een andere vorm van burgerlijke aansprakelijkheid (afgekort “B.A.”) betreft de schade ingevolge een gebrekkige zaak. U is bvb. ook gerechtigd op volledige schadevergoeding indien u is aangereden door een auto waarvan de remmen niet werkten. Hier speelt de eventuele fout van de aanrijder geen rol.

Art. 1384, al. 1 B.W. : “Men is aansprakelijk (…) voor de schade welke (…) veroorzaakt wordt door de daad (...) van zaken die men onder zijn bewaring heeft”.

Minder belangrijk in onderhavige context is de aansprakelijkheid voor een kind of een dier dat schade toebrengt aan een derde.

Art. 1385 B.W. : “De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was”.


3.3
AANSPRAKELIJKHEID VAN DE OVERHEID

Ook de overheid, zoals de gemeente, kan aansprakelijk zijn voor het verkeersongeval. Zij moet zorgen voor verkeersveilige wegen; zij is bovendien aansprakelijk als de weg gebrekkig is. Wordt daardoor een schadegeval teweeggebracht, dan zal de overheid deze schade in principe moeten vergoeden. Bvb. bij stuurcontroleverlies ingevolge een onvoorzienbare gladde materie op de weg of ingevolge een waterplas (die is ontstaan doordat de rioolroosters volledig verstopt zijn).


3.4
GEDEELDE AANSPRAKELIJKHEID

Het past hier te wijzen op de regels van de verdeling van aansprakelijkheid. Hiervan is sprake wanneer uzelf niet voor 100% aansprakelijk is voor de schade (dus wanneer er buiten u nog een andere oorzaak voor de schade bestaat).

Een paar voorbeelden:

Vb.1 U had aan tegenpartij voorrang moeten verlenen, maar tegenpartij zou minder zware letsels hebben opgelopen indien zij de veiligheidsgordel wel had omgegespt.

Vb.2 De vrachtwagen kon uw plots wegrijdende auto onmogelijk ontwijken; maar zij blijkt volgens de tachograafschijf 20 km per uur meer dan de toegelaten snelheid van 50 km per uur te hebben gereden ; daardoor werd de schade vergroot.

Hoe lost men dit op? 1° Eerst gaat men het oorzakelijk verband na; in Vb.1: enkel de hoofdwonde maar niet de andere schade staat in oorzakelijk verband met het niet-dragen van de gordel ; in Vb.2: zowel de schade aan de vrachtwagen als deze aan uw auto zouden minder groot zijn geweest indien de vrachtauto 50 km per uur had gereden. 2° Vervolgens wordt het aandeel in de aansprakelijkheid geraamd; zowel in Vb.1 als in Vb.2 blijkt u de zwaarste fout te hebben begaan (blijkt uw fout dus voor het grootste deel aan de basis van het ongeval te liggen); het aandeel van uw aansprakelijkheid wordt door de rechter in beide gevallen bepaald op 2/3° (en dit van tegenpartij dus op 1/3°). 3° Dit aandeel wordt tenslotte toegepast op de schadevergoeding; in Vb.1 zal tegenpartij slechts 2/3° van de vergoeding bekomen voor de schade die in verband staat met de hoofdletsels; in Vb.2 zal de schade aan de vrachtwagen maar voor 2/3° worden vergoed, en zal u voor 1/3° schadevergoeding bekomen.

Wellicht in minstens de helft van de vonnissen waarbij wordt geoordeeld over de aansprakelijkheidsbetwisting wordt de aansprakelijkheid verdeeld.


3.5 HOOFDBEGINSEL: VOLLEDIGE SCHADELOOSSTELLING

Het hoofdprincipe van de gemeenrechtelijke schadevergoeding (overeenkomstig art. 1382 e.v. B.W.): de benadeelde heeft recht op integrale schadeloosstelling voor alle, ook onrechtstreekse, schade. Alle werkelijke schade wordt volledig vergoed (maar ook niets meer dan dat).

Zo moeten o.a. de volgende onrechtstreekse schadeposten volledig worden vergoed door de aansprakelijke: de verminderde kansen op tewerkstelling ingevolge de littekens in het aangezicht (van bvb. een actrice), de depressie veroorzaakt door het ongeval, de verplaatsingen van naaste familieleden naar het ziekenhuis, het moeten annuleren van een reis, en andere lichamelijke schade ingevolge het ongeval; ook: het niet kunnen gebruiken van uw voertuig (zie hierover gebruiksderving) en andere onrechtstreekse voertuigschade, ...

Voormeld hoofdprincipe houdt tevens in dat er maar één mogelijke, zowel de laagste als de hoogste, vergoeding voor lichamelijke of andere schade bestaat: (enkel maar één keer) de volledige vergoeding van al de schade, ook al is deze schade het gevolg van opzettelijke slagen en verwondingen (of een moord). Daarentegen moest in het Romeinse Recht de dader ingeval van opzet 2 keer het bedrag van de schadevergoeding uitbetalen ...

In beginsel is de rechtsgrond van de vordering zonder belang: de schade moet volledig worden vergoed aan het slachtoffer, ongeacht of de vordering gebaseerd is op de burgerlijke aansprakelijkheid, op de wetgeving betreffende de zwakke weggebruikers (art. 29bis WAM), op de verplichtingen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, op een medische of andere fout, of op een verkeersinbreuk (samen met art. 1382 Burgerlijk Wetboek). Wel is het slachtoffer in bepaalde gevallen enkel gerechtigd op een vergoeding die forfaitair (dus niet volgens de werkelijkheid) wordt bepaald, zoals bij toepassing van het arbeidsongevallenrecht of van een sommenverzekering.

 

Voor nadere informatie aangaande de vergoedingsbedragen: zie de hoofdstukken

Lichamelijke schade

Voertuigschade .

 

3.6 CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID

De andere tak van de burgerlijke aansprakelijkheid is de contractuele aansprakelijkheid. Hierop kan onder bepaalde voorwaarden beroep worden gedaan tegenover de verkoper van een voertuig met een gebrek, tegenover de hersteller van uw wagen, tegenover de leasingmaatschappij, tegenover de uitbater van een bewaakte parking, en zo meer.

De algemene regels van de contractuele aansprakelijkheid vindt men in het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1101: Een contract is een overeenkomst waarbij een of meer personen zich jegens een of meer andere verbinden iets te geven, te doen, of niet te doen.

Art. 1147: De schuldenaar wordt, indien daartoe grond bestaat, veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, (...) en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is.

Art. 1149: De aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding bestaat, in het algemeen, in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven (...)

Art. 1315: Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen.
Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Art. 1641: De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.

Art. 1648: De rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken moet door de koper worden ingesteld binnen een korte tijd, al naar de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is.

Daarnaast zijn nog heel wat andere rechtsregels van toepassing!

Van groot belang is hier: niet wachten met het raadplegen van een advocaat.


3.7
B.A.-VERZEKERING

Meestal is bij een verkeersongeval de burgerlijke aansprakelijkheid gedekt door een verzekering (zie verder onder nr. 5, vooral nr. 5.3, en zie ook nr. 7, in het kader van het regres).

Dus als u als gevolg van een fout (bvb. onvoorzichtigheid) of van een gebrek aan uw voertuig (bvb. niet werkende remmen) verplicht is de schade van de benadeelde te vergoeden, dan zal u deze schadevergoeding niet zelf moeten betalen ; deze vergoeding zal meerbepaald in werkelijkheid worden betaald door uw B.A.-verzekeraar, ook W.A.M.-verzekeraar genoemd (zijnde “wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen”-verzekeraar).

*

4. Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

Alle schade veroorzaakt door een motorrijtuig*, dus zowel schade aan zaken (ook “stoffelijke schade” genoemd) als schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels, wordt vooral in de volgende gevallen vergoed door het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds ("G.M.W.F.", "Waarborgfonds" of "FONDS") :

  • het ongeval is veroorzaakt door een niet-verzekerd of gestolen motorrijtuig* ;
  • er is geen vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij, omdat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd (bvb. niet-betaling van de premie) of omdat deze onderneming niet kon worden geïdentificeerd;
  • de schade is het gevolg van een toevallig feit (= overmacht) waardoor de B.A.-verzekeraar * niet hoeft te vergoeden
  • (NIEUW !): schade door een niet-geïdentificeerd voertuig dat naast de stoffelijke schade ook een "aanzienlijk lichamelijk letsel" aan enige betrokkene heeft veroorzaakt.

Zo zal het GMWF de schadevergoeding uitbetalen wanneer de andere bestuurder u heeft aangereden ingevolge een plotse hartaanval (= overmacht).

Art. 19bis-11, §1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, kortweg "W.A.M." : “Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt : (…)

3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat ;

4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting ;(…)

7°)(NIEUW!) wanneer aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde werd opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig;

8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden”.

Dit laatste geval mag niet worden verward met het geval van niet-identificatie van de het motorrijtuig, in welk geval in principe - nl. behalve bij "aanzienlijk lichamelijk letsel" - enkel de lichamelijke schade wordt vergoed (zie verder onder nr 6b, de verplichtingen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds ). Maar: indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken, zonder dat kan worden uitgemaakt welk voertuig aansprakelijk is, dan wordt de schadevergoeding van elke schuldloze benadeelde onder gelijke delen verdeeld onder de B.A.-verzekeraars van de bestuurders.


Bovendien moet worden opgemerkt dat 7°) hierboven pas werd ingevoerd door de Wet van 8 juni 2008 "houdende diverse bepalingen", Belgisch Staatsblad van 16/6/08. Art. 17 van deze recente wet bepaalt :

« § 3. In het geval bedoeld bij artikel 19bis -11, § 1, 7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, kan de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.
Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.
Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel :
1. de dood van de benadeelde;
2. een bestendige invaliditeit van 15 % of meer;
3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;
4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer
heeft veroorzaakt.
De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de gevolgen van de ongevallen die zich hebben voorgedaan voor zijn inwerkingtreding.
»


Het GMWF vermeldt op zijn website wie, naargelang het geval, gerechtigd is op tegemoetkomingen ( http://www.fcga-gmwf.be/accnl.html ).

Het GMWF zal alle geleden schade volledig vergoeden, overeenkomstig art. 1382 Burgerlijk Wetboek (zie hierover hoger nr. 3, de burgerlijke aansprakelijkheid).

Vanaf 19/01/2003 is de vrijstelling voor materiële schade van 247,89 € of 10.000 frank (per schadegeval en per benadeelde persoon) niet meer van toepassing.

*

5. Verzekeringen

Inzover men een bepaalde verzekeringspolis heeft afgesloten, kan men uiteraard beroep doen op de contractuele verbintenissen van de verzekeringsmaatschappij. Lees steeds zeer grondig de polis, om te weten onder welke voorwaarden en binnen welke perken bepaalde risico's worden gedekt. Raadpleeg tijdig uw verzekeringsmakelaar.


5.1
FAMILIALE VERZEKERING

De familiale verzekering, ook de verzekering "B.A.* gezin" of "B.A. Privé-leven" genoemd, werd wettelijk geregeld bij het Koninklijk Besluit van 12 januari 1984. Hierbij werden uiteraard enkel de minimumvereisten vastgelegd, terwijl heel wat polissen ruimere dekkingen bieden; gelieve dus de polis na te lezen of een degelijke makelaar in te schakelen.

Volgens het voormelde K.B. moeten (minstens) als verzekerden beschouwd worden:

1° de verzekeringnemer en zijn samenwonende echtgenoot, voor zover de verzekeringnemer in België zijn hoofdverblijf heeft;
2° alle bij de verzekeringnemer inwonende personen met inbegrip van de studerenden zelfs indien zij om studieredenen buiten het hoofdverblijf van de verzekeringnemer verblijven,
3° het huispersoneel en de gezinshelp(st)er wanneer zij handelen in de privé-dienst van een verzekerde;
4° al wie, buiten elke beroepswerkzaamheid, kosteloos of bezoldigd, belast is met de bewaking van de met de verzekeringnemer samenwonende kinderen en van de aan de verzekeringnemer toebehorende en in de waarborg begrepen dieren, telkens als zijn aansprakelijkheid ingevolge deze bewaking in het geding komt.

De familiale verzekeraar moet de schade geleden door een derde volledig vergoeden wanneer deze schade is veroorzaakt door een foutieve handeling vanwege een verzekerde; bijvoorbeeld: tijdens het gebruik van een fiets of een ander voorwerp, door een huisdier, door het woonhuis, en zo meer.

Een paar concrete voorbeelden: ik loop uit onoplettendheid tegen een Chinese vaas van mijn buur; mijn kind schopt met zijn bal een fietser omver, die daarbij letsels en bril- en fietsschade oploopt; mijn echtgenote heeft per fiets de buitenspiegel van een geparkeerde wagen afgereden. Deze schade zal telkens worden gedekt door de familiale verzekering.

De dekking geldt ook in het buitenland. Bvb. op het Spaanse caravanpark bijt uw hond in het gezicht van de baby van de buren; u stoot in een toeristische winkel een rek omver.

Zijn uitgesloten: opzettelijke schade (bvb. iemand een vuistslag geven), schade veroorzaakt in het kader van het beroepsleven, contractuele* aansprakelijkheid, eigen schade, e.a.

Bovendien geldt meestal een vrijstelling ("franchise"). Die vrijstelling is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen; ze bedraagt momenteel ongeveer 225 euro.

De dekking door een familiale verzekeringspolis kost ongeveer 60 euro per jaar, rechtsbijstandverzekering inbegrepen.


5.2
AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING

Vele beroepsmensen zullen een aansprakelijkheidsverzekering afsluiten. Deze verzekering zal dan binnen de polisvoorwaarden de schade dekken die door verzekerde in het kader van zijn beroepsuitoefening werd begaan.

Bijvoorbeeld: een garagist heeft vergeten de remblokjes terug te plaatsen, met een aanrijding tot gevolg; hij heeft verkeerde olie ingegoten, met ernstige motorschade tot gevolg; hij heeft de distributieriem onjuist geplaatst; en zo meer . De schadelijke gevolgen van dergelijke fouten zijn verzekerbaar.


5.3
W.A.M.-VERZEKERING

Verzekering voor de B.A. inzake motorrijtuigen. Een motorrijtuig (waaronder een auto en een bromfiets) mag enkel in het publieke verkeer worden gebracht nadat de burgerlijke aansprakelijkheid terzake geldig werd verzekerd.

Art. 2, §1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, kortweg “W.A.M.” : “Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst”.

Als u met uw voertuig schade toebrengt aan een derde, kan deze trouwens rechtstreeks tegen uw B.A.-verzekeraar een vordering tot schadevergoeding instellen; in de praktijk weet de schadeveroorzaker zelf dus meestal niets over dergelijke vordering (zie ook nr 3.7 hierboven).


5.4
VERZEKERING EIGEN SCHADE

5.41 De verzekering eigen schade, brand en/of diefstal (samen de zogenaamde omniumverzekering). In principe moet de schuldige bestuurder zelf de schade veroorzaakt aan zijn eigen voertuig dragen. Daarvan wordt afgeweken in de omniumverzekering, binnen de perken vastgelegd in de polisvoorwaarden. Als uw voertuig uitbrandt, gestolen wordt of door uw eigen fout beschadigd wordt, zal uw omniumverzekeraar niettemin uw voertuigschade vergoeden. Maar de voorwaarden vermeld in de polis beperken uw recht op schadeloosstelling.

Lees dus uw polis goed na: welke schadeposten worden niet vergoed, hoe wordt de vergoeding voor de wel gedekte schadeposten berekend, wanneer is er uitsluiting van dekking, enz.
Vaak wordt geen dekking verleend van zodra u een zekere alcoholintoxicatie had en zeker van zodra u dronken was...

5.42 De verzekering eigen schade (omnium) voorziet dat de begroting van de voertuigschade gebeurt ofwel op forfaitaire wijze ofwel overeenkomstig de werkelijke schade.

Bij omnium-verzekering met forfaitaire vergoeding wordt niet gesteund op de werkelijke waarde, maar op de contractuele of aangenomen waarde, dus op de waarde die bij het sluiten van de polis is overeengekomen.

De vergoeding voor de vervangingswaarde ("waarde vóór ongeval") van uw voertuig dat een totaal verlies is zal dan gebeuren volgens deze overeengekomen waarde (en dus niet volgens de werkelijke waarde), bij voorbeeld als volgt :

- is het voertuig maximaal 6 maanden oud, dan vergoeding volgens de volledige aangenomen waarde, bvb. 20.000 €;

- daarna een degressieve afschrijving van bvb. 16 %; zo zal de vervangingswaarde worden bepaald op (20.000 - 16 % =) 16.800 € na 1 jaar afschrijving (dus als de auto 1 jaar en 6 maanden is), op (16.800 € - 16 % =) 14.112 € na 2 jaar afschrijving, op 11.854 € na 3 jaren afschrijving, en zo verder.

Dus: werd een omniumverzekering tegen aangenomen waarde gesloten, dan kan er in feite nooit een echte discussie omtrent de vervangingswaarde ontstaan; immers, enkel de leeftijd van het voertuig (samengenomen met de polisvoorwaarden) bepaalt dan de vergoeding.

Daarentegen zal bij een omnium-verzekering met vergoeding volgens de werkelijke waarde deze waarde in concreto moeten worden vastgesteld (door een voertuigexpert). Dan zal de vervangingswaarde van het voertuig worden begroot overeenkomstig het gemeen recht, dus overeenkomstig de werkelijke waarde op de dag van het ongeval; hier geldt m.a.w. de werkelijke vervangingswaarde en hier kan een tegenexpertise nuttig zijn (zie de zienswijze van de voertuigexpert betwisten).

Opmerking: werd uw omnium verzekerd voertuig beschadigd door de fout van een ander persoon, dan dient u uiteraard volledig te worden vergoed, overeenkomstig de regels van de burgerlijke aansprakelijkheid (B.A.). M.a.w., als u geen fout heeft aan het ongeval, heeft uw omniumverzekering geen belang; de aansprakelijke moet u immers volledig vergoeden. U kan dan toch soms enig nut hebben om de uitbetaling conform de polis te vragen aan uw omniumverzekeraar, bvb. omdat de aangenomen waarde hoger is dan de werkelijke vervangingswaarde.

Zie ook : Betwistingen omtrent de voertuigschade


5.5
PERSOONSVERZEKERING

Er zijn daarnaast meerdere vormen van persoonsverzekering (zijnde een verzekering tegen een risico op het vlak van het leven, het lichaam of de gezinssituatie); de belangrijkste: verzekering overlijden (ongeacht de oorzaak), verzekering gewaarborgd inkomen (verleent een periodieke rente, zijnde meestal een maandelijkse uitkering, bij tijdelijke en blijvende ongeschiktheid om te werken), verzekering gezondheidszorgen (dekt de medische kosten), en de verzekering lichamelijke ongevallen (L.O.) (dekt de nadelige gevolgen van de aantasting van het lichaam, inbegrepen het overlijden, door een ongeval).

Hierbij denken we aan de verzekering lichamelijke schade ongevallen verkeer, ook verzekering inzittenden of verzekering verkeersongevallen genoemd. Deze verzekering speelt thans in feite enkel nog voor de lichamelijke letsels van de foutieve bestuurder zelf (sinds de wet op de zwakke weggebruikers).

Daarnaast is er de verzekering persoonlijke ongevallen. Om te vermijden dat een tijdelijke arbeidsongeschiktheid (T.A.O.) en eventueel blijvende invaliditeit (B.I.) een te zwaar verlies aan inkomsten met zich zou brengen, zijn vooral veel zelfstandigen verzekerd tegen persoonlijke ongevallen. De verzekerde zal dan bij een ongeval -maar niet bij ziekte die niet het gevolg is van een ongeval! - een vergoeding per dag T.A.O ontvangen en daarna een globale som in evenredigheid met de graad van B.I.

Hierbij aansluitend wordt ook gewezen op ruimere verzekeringen tegen inkomstenverlies, zoals de verzekering gewaarborgd inkomen. Hierdoor wordt bij ziekte of ongeval (een deel van) het inkomstenverlies van de verzekerde vergoed.

Tevens vermelden we de ziektekostenverzekering (betreffende de medische uitgaven).

Zo dekt de hospitalisatieverzekering alle opleggen betreffende de verpleging, de medische zorgen voor en na de ziekenhuisopname, ziekenvervoer,...

De ongevallenverzekeraar komt tussen in die kosten die niet door uw ziekenfonds betaald worden. Bovendien kunnen de polisvoorwaarden de volgende waarborgen voorzien:

-kapitaal bij overlijden;
-vergoeding bij blijvende en/of tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
-tussenkomst in geneeskosten.

Lees steeds zeer goed de polis na: wordt enkel dekking verleend bij een ongeval, dus niet bij ziekte?; welke uitsluitingen en andere beperkingen zijn voorzien?; welke vergoedingen zullen worden betaald?; en welke niet...


5.6
VERZEKERING RECHTSBIJSTAND

Tenslotte is er de rechtsbijstandsverzekering, die mogelijks samen met de familiale of de B.A.-verzekering werd afgesloten. Deze soort verzekering wordt uitgebreid besproken in Praktische adviezen om de volledige vergoeding voor uw lichamelijke schade te bekomen, onder nr. 20.

 

 

 

 


C. Gevallen van vergoedbaarheid van (uitsluitend)

de lichamelijke schade

 

6. Hier bestaat het recht op vergoeding in dezelfde gevallen als hierboven onder b. reeds werd uiteengezet.

Maar er bestaan nog meerdere bijkomende rechtsgronden waarop men zich kan steunen om vergoeding te bekomen voor de letselschade (= lichamelijke schade) , nl.:

 

 

 

6a. De wet op de zwakke weggebruikers * (art. 29bis WAM)

Indien het gaat om een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig * (vrachtwagen, auto, bromfiets,...) of een spoorvoertuig ( tram of trein) is "betrokken", dan heeft een zwakke weggebruiker recht op de volledige vergoeding van zijn lichamelijke schade. (6a)

De zwakke weggebruiker is elke persoon behalve de bestuurder van een motorrijtuig. Een voetganger, een fietser, een passagier in de auto, en dergelijke, zijn derhalve een zwakke weggebruiker, die dus recht heeft op vergoeding voor zijn lichamelijke schade.

De te vergoeden schade omvat de morele en materiële schade ingevolge de opgelopen letsels of ingevolge het overlijden van het slachtoffer; zij omvat tevens de medische kosten, ook voor functionele prothesen, en de kledijschade. Deze schade moet meerbepaald worden vergoed door de B.A.-verzekeraar van het betrokken motorrijtuig ; dit blijft zelfs zo als het ongeval te wijten is aan overmacht.

Maar de vergoedbare schade omvat niet de andere stoffelijke schade dan de kledijschade (bvb. rugzak, GSM, fiets, ...); hiervoor kan dus uitsluitend vergoeding worden bekomen als een andere persoon burgerlijk aansprakelijk is (zie hierboven nr. 3).

Zijn - als enigen - uitgesloten van vergoeding op basis van kwestieuze wet:

a. de bestuurder van een betrokken motorrijtuig;

b. het slachtoffer dat ouder is dan 14 jaar en dat bovendien het ongeval en de gevolgen ervan heeft gewild (vóór maart 2001: indien het ongeval uitsluitend te wijten is aan een onverschoonbare fout, dus een opzettelijke en roekeloze daad, begaan door een slachtoffer van minstens 15 jaar); dus enkel een opzettelijke daad waarvan de gevolgen voorzien werden en gewild zijn kan worden uitgesloten.

Zo bestaat het recht op integrale vergoeding voor de lichamelijke schade, inbegrepen de medische uitgaven en de kledijschade, voor de voetganger die dronken de weg oploopt, voor de passagier die de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt, of voor de ruiter die ingevolge zijn onvoorzichtigheid wordt omvergereden.

De wet op de zwakke weggebruikers, zijnde art. 29 bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, kortweg “W.A.M.” : “§1. Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, (…) wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.

Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig. (…)

Slachtoffers die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid.

Deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.

§2. De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt”.

Let op : de zwakke weggebruiker dient wel zelf de schade te vergoeden die hij ingevolge zijn fout of onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt aan de autobestuurder of aan een andere persoon. In zo een geval de familiale verzekering verwittigen !

Voor een praktisch voorbeeld: zie hieronder "vragen van leden ", nl. vraag 2).

 

6b. Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

De lichamelijke schade, ook deze van de niet-foutieve autobestuurder, wordt vergoed door het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds (G.M.W.F.), indien de schade is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd motorrijtuig.

Art. 19bis-11, §1 W.A.M. : “Elke benadeelde kan van het Fonds (= Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds) de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt :
(…)
7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon
;(…)".

Zoals reeds gezegd (zie hierboven onder nr. 4), wordt de schade ingevolge lichamelijke letsels ook in meerdere andere gevallen vergoed door het GMWF, bijvoorbeeld wanneer de vergoedingsplichtige verzekeraar niet kan worden geïdentificeerd (niet te verwarren met het zonet aangehaalde geval van niet-identificatie van het motorrijtuig), of wanneer het ongeval is veroorzaakt door een niet-verzekerd motorrijtuig of door overmacht.

 

 

6c. Arbeidsongevallenuitkeringen

a. De werknemer die bij een arbeidsongeval (ook "werkongeval" genoemd) - dus tijdens de beroepsuitoefening of op weg van of naar het werk - lichamelijke letsels oploopt, is gerechtigd op arbeidsongevallenuitkeringen.

Deze zijn 1° vergoeding van de medische en aanverwante kosten en 2° forfaitaire uitkeringen voor de professionele materiële schade.

1° Volledige vergoeding van de medische en aanverwante kosten en meestal aan 0,2479 € per km voor de belangrijkste verplaatsingen ingevolge het arbeidsongeval.

Art. 28. arbeidsongevallenwet van 10 april 1971: "De getroffene heeft recht op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn".

Art. 36 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971: "De getroffene heeft ten laste van de verzekeringsonderneming recht op vergoeding van de kosten voor verplaatsing die voortvloeien uit het ongeval, telkens als hij zich moet verplaatsen hetzij:
1° op verzoek van de verzekeringsonderneming of elke persoon die in zijn naam optreedt;
2° op verzoek van de rechtbank of van de arbeidsinspecteur;
3° op verzoek van de door de rechter aangeduide expert of van de bemiddelende geneesheer bedoeld in artikel 64bis van de wet ;
4° op verzoek van het Fonds;
5° op zijn verzoek, met toelating van de verzekeringsonderneming of van het Fonds;
6° met het oog op een wedertewerkstelling volgens de modaliteiten vermeld in artikel 23 van de wet;
7° om (.....) medische redenen.
Zo de verplaatsing gebeurt met behulp van een gemeenschappelijk vervoermiddel worden de werkelijke reiskosten terugbetaald.
Gebeurt de verplaatsing met behulp van een ander vervoermiddel en bedraagt de af te leggen afstand tenminste 5 km vanaf de woonplaats, dan worden de reiskosten vergoed tegen 0,2479 euro per kilometer.

Zo de verplaatsing gebeurt met behulp van een gemeenschappelijk vervoermiddel worden de werkelijke reiskosten terugbetaald.
Gebeurt de verplaatsing met behulp van een ander vervoermiddel en bedraagt de af te leggen afstand tenminste 5 km vanaf de woonplaats, dan worden de reiskosten vergoed tegen 0,2479 euro per kilometer".

 

2° Forfaitaire uitkeringen voor de professionele materiële schade*, in evenredigheid met de graden van arbeidsongeschiktheid.

Art. 22 Arbeidsongevallenwet: Wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, heeft de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag
Voor de dag waarop het ongeval zich voordoet of de arbeidsongeschiktheid aanvangt, is de vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd met het loon dat de getroffene eventueel heeft verdiend.

Art. 23. Ingeval de tijdelijke arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk is of wordt, kan de verzekeringsonderneming aan de werkgever vragen de mogelijkheid van een wedertewerkstelling te onderzoeken, hetzij in het beroep dat de getroffene voor het ongeval uitoefende, hetzij in een passend beroep dat voorlopig aan de getroffene kan worden opgedragen. De wedertewerkstelling kan slechts gebeuren na een gunstig advies van de arbeidsgeneesheer wanneer dit advies voorgeschreven wordt in het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming of wanneer de getroffene zichzelf niet geschikt acht om het werk te hervatten.
Indien de getroffene de wedertewerkstelling aanvaardt, heeft hij recht op een vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het loon verdiend vóór het ongeval en het loon dat hij ingevolge zijn wedertewerkstelling ontvangt.
De getroffene geniet, tot de dag van zijn volledige wedertewerkstelling of van de consolidatie, de vergoeding voor tijdelijke, algehele arbeidsongeschiktheid:
1° wanneer hij niet opnieuw te werk wordt gesteld maar zich onderwerpt aan een behandeling, die hem met het oog op zijn wederaanpassing wordt voorgesteld;
2° wanneer hij niet opnieuw aan het werk wordt gesteld en hem geen behandeling met het oog op zijn wederaanpassing wordt voorgesteld;
3° wanneer hij de hem aangeboden wedertewerkstelling of de voorgestelde behandeling om een geldige reden weigert of stopzet.
Ingeval de getroffene zonder geldige reden de hem aangeboden wedertewerkstelling weigert of voortijdig verlaat, heeft hij recht op een vergoeding die overeenstemt met zijn graad van arbeidsongeschiktheid, berekend naar zijn arbeidsmogelijkheden in zijn oorspronkelijk of voorlopig aangeboden beroep.
Ingeval de getroffene zonder geldige redenen de behandeling die hem met het oog op zijn wederaanpassing wordt voorgesteld, weigert of voortijdig verlaat, dan heeft hij recht op een vergoeding die overeenstemt met zijn graad van arbeidsongeschiktheid, berekend naar zijn arbeidsmogelijkheden in zijn oorspronkelijk beroep of in een voorlopig beroep dat hem op de wijze bepaald in het eerste lid, schriftelijk toegekend wordt voor het geval hij de behandeling zou volgen.
Gedurende de tijd nodig om de procedure van wedertewerkstelling, beschreven in dit artikel, te volgen heeft de getroffene recht op vergoeding voor tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid.

Art. 24. Indien de verzekeringsonderneming de getroffene genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid bij een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van meer dan zeven dagen, geeft de verzekeringsonderneming van deze beslissing aan de getroffene kennis volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid meer dan dertig dagen bedraagt, wordt de beslissing van de verzekeringsonderneming tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid van de getroffene gestaafd door een medisch getuigschrift opgesteld door een geneesheer geraadpleegd door de getroffene of door de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming volgens het model bepaald door de Koning. Indien de getroffene zonder kennisgeving van een geldige reden en na een aangetekende ingebrekestelling door de verzekeringsonderneming afwezig blijft op het onderzoek bij de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming, kan de verzekeringsonderneming de getroffene in kennis stellen van zijn beslissing tot genezenverklaring.
Indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is of wordt, vervangt een jaarlijkse vergoeding van 100 pct. berekend op het basisloon en de graad van de ongeschiktheid, de dagelijkse vergoeding vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont; dit vertrekpunt wordt vastgesteld bij een overeenkomst tussen partijen of bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing.
In afwijking op de bepalingen van het vorig lid wordt deze jaarlijkse vergoeding verminderd met 50 pct., indien de graad van ongeschiktheid minder dan 5 pct. bedraagt en met 25 pct. verminderd indien de graad van ongeschiktheid 5 pct. of meer, maar minder dan 10 pct. bedraagt.
(Indien de toestand van de getroffene volstrekt de geregelde hulp van een ander persoon vergt, kan hij aanspraak maken op een bijkomende jaarlijkse vergoeding, die vastgesteld wordt in functie van de noodzakelijkheid van deze hulp op basis van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon zoals het op het ogenblik dat de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont, is vastgesteld bij een collectieve arbeidsovereenkomst die afgesloten is in de Nationale Arbeidsraad voor een voltijdse werknemer die minstens eenentwintig en een half jaar oud is en die ten minste zes maanden anciënniteit heeft in de onderneming die hem tewerkstelt.
Het jaarlijks bedrag van deze bijkomende vergoeding mag het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon, vermenigvuldigd met 12, niet overschrijden.
Als het gebruik van een prothese of een orthopedisch toestel dat ten laste genomen wordt door de verzekeringsonderneming en waarin niet voorzien werd op het ogenblik van de regeling van het arbeidsongeval, een weerslag heeft op de graad van behoefte aan de geregelde hulp van een ander persoon, kan deze graad herzien worden door een overeenkomst tussen partijen of door een in kracht van gewijsde gegane beslissing, zelfs na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 72.
Bij opneming van de getroffene, ten laste van de verzekeringsonderneming, in een ziekenhuis zoals omschreven in artikel 2 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wetgeving op de ziekenhuizen is de vergoeding voor de hulp van derden, bedoeld in vorig lid, niet meer verschuldigd vanaf de 91e dag ononderbroken opneming.
Bij het verstrijken van de herzieningstermijn, bedoeld bij artikel 72 wordt de jaarlijkse vergoeding door een lijfrente vervangen.

3° Andere schade (zoals morele schade, huishoudelijke schade, auto- of kledijschade) wordt niet vergoed door de arbeidsongevallenverzekeraar.

Gaat het om een arbeidsongeval van of naar het werk (arbeidswegongeval), dan kan u voor deze andere schade wel vergoeding vorderen op basis van de burgerlijke aansprakelijkheid (zie hierboven nr 3. de burgerlijke aansprakelijkheid) of op basis van de wet op de zwakke weggebruikers (zie hierboven nr 6.a, zwakke weggebruikers). Zie ook hieronder "vragen van leden", nl. vraag 1), aangaande iemand die tijdens de arbeidsweg werd aangereden.

 

b. Gaat