|
|
|
|
| |
|
Alle
met * gemarkeerde
woorden kan men met hun verklaring terugvinden in de Woordenlijst
|
| |
DE
GERECHTELIJKE PROCEDURES ©
+
vragen
van leden m.b.t. procedures
Met
dank aan advocaat
Pascal Mortier,
Hoogstraat 53, 9000 Gent
(tel.
: 09 / 224 14 14 – fax : 09 / 225 55 65 – pascal.mortier@skynet.be)
|
|
| |
| |
Contactpersoon
van de V.Z.W.:
Etienne Verniers (van 10 tot
22 uur) :
tel. 09/ 339 17 30
GSM 0473/ 38 00 88
OF
E-MAIL
ONS
UW (ZELFS ANONIEME)
VRAGEN WORDEN KOSTELOOS BEANTWOORD!
Thans ontvangen we gemiddeld 1 mail per
dag.
|
OPMERKING : hier en daar werd een praktische
TIP geplaatst!
NOOT
VOORAF: de tekstgedeelten in groene kleur zijn enkel voor
juristen bedoeld.
straf bestraffing geldboete rijverbod
geldboete rijbewijs inleveren rijverbod
|
A. DE
OVERTREDER
|
a.
De
sanctionering (Procureur en Strafrechter,
wijzen van bestraffing en de straffen voor verkeersovertredingen)
1.
Vervolging - het Parket
1.1
Het Openbaar Ministerie * (O.M.)
(* = zie definitie in de woordenlijst),
of "Parket", vervolgt de strafbare
feiten. Het vordert de toepassing van de strafwet
en het staat tevens in voor de tenuitvoerlegging
van de strafrechtelijke uitspraken. Er zijn 27 parketten,
één per gerechtelijk arrondissement.
Aan het hoofd van het parket staat de procureur,
die wordt geholpen door substituten. Aan het hoofd
van elk parket bij de 5 Hoven van Beroep staat een
Procureur-Generaal.
De
leden van het O.M. of het Parket vormen de staande
magistratuur, te onderscheiden van de zittende magistratuur
(= rechters en griffiers). Ze
worden benoemd door de Koning (zijnde in feite de
regering, dus vooral de Minister van Justitie).
Elk
gerechtelijk arrondissement heeft één parket, waar
de politie alle criminele feiten via klachten en
processen-verbaal moet melden.
Aan
het hoofd van een parket staat een Procureur
des Konings, zelf bijgestaan door één of
meerdere substituten. De procureur zelf staat onder
het gezag van een procureur-generaal.
TIP:
zeker als het gaat om het overlijden van een naaste
of om zeer ernstige lichamelijke schade kan je
beroep doen op de dienst slachtofferonthaal; zo
kan je via een justitieassistent aan de substituut
van de procureur des konings die je dossier behandelt
vragen om je op de hoogte te houden van de stand
van zaken; zo kan je o.a. het strafdossier inzien
van zodra dit wordt vrijgegeven. Zie http://www.belgium.be/nl/justitie/Organisatie/justitiehuizen/slachtofferonthaal/
1.2
Gaat het om een lichte zaak, zoals een verkeersongeval,
dan voert de Procureur des Konings het onderzoek
zelf, met de hulp van de politiediensten. We spreken
hier van een opsporingsonderzoek. Na de afloop ervan
kan hij de verdachte rechtstreeks voor de strafrechter
brengen.
TIP:
Via uw advocaat kan u bijkomende
onderzoeksmaatregelen vragen. Uiteraard
moet u een afdoende reden hebben om een dergelijk
onderzoek te vragen, zoals ingeval van onduidelijkheid
omtrent de aansprakelijkheid voor het ongeval.
De Procureur des Konings zal in bepaalde gevallen,
zoals bij een dodelijk ongeval, een voertuig- en
een medische expertise bevelen. Deze expertises
hebben - zoals alle onderzoeksmaatregelen - tot
doel de oorzaken, omstandigheden en gevolgen van
de feiten (zijnde het ongeval of een ander misdrijf)
te verduidelijken, teneinde de verantwoordelijkheid
van de (mogelijke) beklaagden en de ernst van hun
daden te helpen bewijzen.
De
Procureur kan bij een zware zaak ook de Onderzoeksrechter*
“vorderen”, om bepaalde maatregelen te nemen.
Hier spreken we niet meer van een opsporings-
maar wel van een gerechtelijk onderzoek. Wanneer
een huiszoeking, aanhouding of telefoontap moeten
gebeuren, stelt de Procureur een onderzoeksrechter
aan. Deze "rechter" zoekt naar gegevens
zowel voor als tegen de verdachte; hij voert met
andere woorden een gerechtelijk onderzoek uit.
Is dit afgelopen, dan bezorgt hij het dossier
aan de procureur. Die gaat na welke artikels van
de strafwet werden overtreden en dagvaardt de
verdachte voor de raadkamer.
1.3
Het Parket treedt niet enkel op na een klacht bij
de politie, maar ook spontaan (uit eigen beweging).
Behoudens enkele gevallen (zoals smaad en eerroof)
kan de Procureur de vervolging ook na de klachtafstand
van de klager onverminderd verderzetten.
Nadat
de Procureur des Konings voldoende is ingelicht
kan hij echter steeds beslissen tot het seponeren
van de zaak, dit is tot het zonder
gevolg rangschikken van het hele dossier.
Seponering
gebeurt wanneer de verantwoordelijke overleden
is of spoorloos blijft. Het gebeurt ook vaak omdat
er andere prioriteiten zijn, zoals indien het
gaat om een zeer licht misdrijf (bvb. een voetganger
die net naast het zebrapad loopt) of indien vervolging
onbillijk zou zijn (bvb. wanneer een fietser door
zijn verkeersinbreuk zware letsels heeft opgelopen
en dus reeds is gesanctioneerd).
Seponering tast op geen enkele wijze de rechten
van de benadeelde aan.
|
2.
Bestraffing
alcohol te snel gereden alcoholintoxic
atie verkeersovertreding eerste graad tweede graad
overtreding derde graad verkeersinbreuk vierde graad
lichte of zware overtreding
2.1
De soorten verkeersinbreuken (overtredingen van
1° tot 4° graad en snelheidsovertredingen)
2.11
Met
ingang van 31 maart 2006 is een nieuwe verkeerswetgeving
van kracht. Deze is onmiddellijk van toepassing,
ook als het gaat om vroegere overtredingen.
De
huidige sanctionering is milder dan het systeem
dat voordien toepasselijk was.
2.12
Thans
is er geen sprake meer van "gewone" en "zware" overtredingen
(of verkeersinbreuken), maar wel van overtredingen
van de 1°, 2°, 3° of 4° graad.
De
indeling van de overtredingen in de categorieën
van de eerste tot vierde graad is vooral gebeurd
op grond van het gevaar voor lichamelijke letsels
dat de overtreding met zich kan brengen. Hoe groter
dit gevaar hoe erger de overtreding wordt geacht.
De geldboete bedraagt bij onmiddellijke inning (O.I.)
50,
100, 150, of 300 euro, naargelang de overtreding
van de 1°, 2°, 3° of 4° graad is (zie meer onder
onmiddellijke
inning, zijnde nr.
2.22 hieronder).
De wetgever heeft de hoogte van de sancties vooral
bepaald overeenkomstig het gevaar dat de verkeersovertreding
met zich brengt voor de veiligheid van personen.
De overtredingen van de vierde graad brengen de
veiligheid van personen rechtstreeks en in hoge
mate in gevaar, de overtredingen van de derde
graad brengen de veiligheid van personen rechtstreeks
in gevaar, en de overtredingen van de tweede graad
brengen de veiligheid van personen onrechtstreeks
in gevaar (hoewel bij deze categorie tevens het
gebruik van de parkeerplaats van gehandicapten
werd toegevoegd).
Voor snelheidsovertredingen geldt eenzelfde criterium
: hoe gevaarlijker, hoe zwaarder de straf.
Kritiek op dit criterium: men zou bovendien rekening
moeten houden met de zwaarte van de fout; het
negeren van een stopbevel vanwege een weinig goed
zichtbare politieagent (4° graad) door een
kortstondige onoplettendheid, zou minder zwaar
moeten worden bestraft dan opzettelijk
een voertuig parkeren op de autosnelweg (2°
graad).
Hierna
bespreken we de verkeersovertredingen van
de vierde tot
de eerste graad.
De volgende overtredingen behoren tot de 4°
graad, dus tot de zwaarste categorie:
a.
het negeren van een stopbevel van een bevoegd
persoon (art. 4 A.V.R.) ;
b. het aansporen van een bestuurder tot overdreven
snel rijden (art. 10.4 A.V.R.);
c. zich op een overweg (in het bijzonder voor
treinen) begeven wanneer de rode knipperlichten
branden (art. 20.3 A.V.R.) ;
d. op een autosnelweg of op een autoweg de dwarsverbinding
gebruiken, zich keren, of achteruitrijden (art.
21.4 en 22.2 A.V.R.) ;
e. snelheidswedstrijd op de openbare weg;
f.
naast enkele andere gevallen.
Het
Koninklijk besluit van 30 september 2005 (tot
aanwijzing van de overtredingen per graad van
de algemene reglementen genomen ter uitvoering
van de wet betreffende de politie over het wegverkeer)
omschrijft in art. 4 (zijnde tevens hoofdstuk
IV) de overtredingen
van de 4e graad meerbepaald
als volgt:
"Art. 4. De overtredingen op de hierna vermelde
bepalingen zijn overtredingen van de
vierde graad in de zin van artikel
29 § 1, eerste lid, van dezelfde wet :
1°
De volgende bevelen negeren van een bevoegd
persoon :
- de arm of de armen horizontaal uitgestrekt,
wat stoppen betekent voor de weggebruikers die
naderen uit richtingen welke deze aangewezen
door de arm of armen, dwarsen;
- het overdwars zwaaien met een rood licht,
wat stoppen betekent voor de bestuurders naar
wie het licht gekeerd is.
2° Het is verboden een bestuurder aan te sporen
of uit te dagen overdreven snel te rijden.
3° Het links inhalen van een gespan of van een
voertuig met meer dan twee wielen is verboden
bij het naderen van de top van een helling en
in bochten, wanneer de zichtbaarheid onvoldoende
is, behalve indien kan ingehaald worden zonder
de doorlopende witte streep te overschrijden
die het voor de tegenliggers bestemde deel van
de rijbaan aflijnt.
4° Het is verboden zich op een overweg te begeven
:
- wanneer de slagbomen in beweging of gesloten
zijn;
- wanneer de rode knipperlichten branden;
- wanneer het geluidssein werkt.
5° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden
:
- de dwarsverbindingen te gebruiken;
- te keren;
- achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde
rijrichting.
6° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan
of te laten parkeren op de overwegen.
7° Behoudens speciale toelating van de wettelijke
gemachtigde overheid zijn verboden op de openbare
weg, alle snelheids- en sportwedstrijden, inzonderheid
snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten
of -wedstrijden".
Deze
overtredingen geven dus - zoals daarnet gemeld
- aanleiding tot een boete bij onmiddellijke inning
van 300 € (zie verder onmiddellijke
inning).
De
verkeersinbreuken van de 3°
graad betreffen :
- het
niet opvolgen van een bevel van een bevoegd
persoon (behalve als het gaat om een stopbevel,
dat immers tot de 4° graad behoort) (art. 4.1
"A.V.R.", zijnde "het Koninklijk Besluit van
1 december 1975 houdende het algemeen reglement
op de politie van het wegverkeer en van het
gebruik van de openbare weg", kortweg de Wegcode
of het Algemeen Verkeersreglement, afgekort
A.V.R.)
-
het links kruisen i.p.v. rechts (art. 15.1 A.V.R.),
of op een andere wijze foutief kruisen
- op
een niet-toegelaten wijze inhalen (art. 16.5
en 16.7 en art. 17.2 A.V.R.)
-
voorafgaandelijk aan het indraaien naar links
niet nagaan of een andere weggebruiker al is
beginnen inhalen (art. 19.2.2° A.V.R.)
-
het niet verlenen van voorrang aan andere weggebruikers
bij het veranderen van richting (art. 19.3.3°
t.e.m. 19.5 A.V.R.)
-
het niet stapvoets rijden in een voetgangerszone
of een speelstraat (art. 22 sexies 2, al. 2
en art. 22 septies 2 A.V.R.)
-
het niet gebruiken van de lichten van het voertuig
(art. 30.1, 30.3.2°°, alinea 1, en 30.4 A.V.R.)
-
een voetganger in gevaar brengen (art. 40.1
AVR)
-
het negeren van het rood licht (art. 61.1.1°AVR)
-
en dergelijke.
Art.
3 van het voormelde K.B. van 30/9/05: "De
overtredingen op de hierna vermelde bepalingen
zijn overtredingen van de derde
graad in de zin van artikel 29 § 1, tweede lid,
van dezelfde wet:
1° De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg
geven aan de bevelen van de bevoegde personen.
2° Elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd
voertuig moet dit verplaatsen zodra hij daartoe
door een bevoegd persoon aangemaand wordt.
3° Wanneer de openbare weg twee of drie rijbanen
omvat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn,
inzonderheid door een effen grond, een niet
voor voertuigen toegankelijke ruimte, een verschil
in niveau, mogen de bestuurders de ten opzichte
van hun rijrichting links gelegen rijbaan niet
volgen, behoudens plaatselijke reglementering.
4° Het kruisen geschiedt rechts.
5° De bestuurder moet bij het kruisen een voldoende
zijdelingse afstand laten en, zonodig, naar
rechts uitwijken.
De bestuurder, waarvan het doorrijden belemmerd
wordt door een hindernis of door de aanwezigheid
van andere weggebruikers, moet vertragen en,
zonodig, stoppen om de tegemoetkomende weggebruikers
doorgang te verlenen.
6° Wanneer het kruisen of het inhalen wegens
de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan
uitgevoerd worden, mag de bestuurder de gelijkgrondse
berm volgen, op voorwaarde dat hij de weggebruikers
die zich daar bevinden, niet in gevaar brengt.
7° Het kruisen van spoorvoertuigen die de rijbaan
volgen, mag links geschieden, wanneer het rechts
niet kan wegens de engte van de doorgang of
de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd
voertuig of enige andere vaste hindernis en
op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers
niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.
8° Elke bestuurder die op het punt staat links
ingehaald te worden, moet zo ver mogelijk naar
rechts uitwijken en mag zijn snelheid niet opvoeren.
9° Links inhalen is verboden wanneer de bestuurder
de tegemoetkomende weggebruikers niet van ver
genoeg kan opmerken om het inhalen zonder gevaar
voor ongevallen uit te voeren.
10° Het links inhalen van een gespan of van
een voertuig met meer dan twee wielen is verboden:
- op een overweg gesignaleerd door het verkeersbord
A45 of A 47, behalve indien het een overweg
is met slagbomen of indien het verkeer er door
verkeerslichten wordt geregeld;
- wanneer de in te halen bestuurder zelf een
ander voertuig dan een fiets, een tweewielige
bromfiets of een tweewielige motorfiets inhaalt,
behalve wanneer de rijbaan drie of meer rijstroken
heeft die bestemd zijn voor het verkeer in de
gevolgde rijrichting;
- wanneer de in te halen bestuurder stopt voor
een oversteekplaats voor voetgangers of een
oversteekplaats voor fietsers en bestuurders
van tweewielige bromfietsen of deze oversteekplaatsen
nadert op plaatsen waar het verkeer niet geregeld
wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten.
11° Wanneer de bestuurder overeenkomstig artikel
19.2.2° van het besluit zich bij het afslaan
naar links mag begeven, moet hij
zich vooraf ervan vergewissen dat geen achterligger
reeds begonnen is in te halen; bovendien mag
hij de andere bestuurders die op normale wijze
rijden op de openbare weg die hij gaat verlaten,
niet in gevaar brengen.
12° De bestuurder die naar links afslaat moet
voorrang verlenen aan de tegenliggers op de
rijbaan die hij gaat verlaten.
13° De bestuurder die van richting verandert
moet voorrang verlenen aan de bestuurders en
aan de voetgangers die de andere delen van dezelfde
openbare weg volgen.
14° De bestuurder die van richting verandert
moet voorrang verlenen aan de voetgangers die
de rijbaan oversteken die hij gaat oprijden.
15° Binnen de woonerven en de erven mogen de
bestuurders de voetgangers niet in gevaar brengen
en ze niet hinderen; zo nodig moeten zij stoppen.
Zij moeten bovendien dubbel voorzichtig zijn
ten aanzien van kinderen.
16° De gebruikers van de wegen voorbehouden
voor voetgangers, fietsers en ruiters mogen
elkaar niet in gevaar brengen en niet hinderen.
Zij moeten dubbel voorzichtig zijn ten aanzien
van kinderen en ze mogen het verkeer niet nodeloos
belemmeren.
17° De bestuurders die in de voetgangerszones
rijden, moeten stapvoets rijden; ze moeten de
doorgang vrij laten voor de voetgangers en zonodig
stoppen. Ze mogen de voetgangers niet in gevaar
brengen en niet hinderen.
18° De bestuurders die in de speelstraten rijden,
moeten dit stapvoets doen; ze moeten de doorgang
vrij laten voor de voetgangers die spelen, hen
voorrang verlenen en er zo nodig voor stoppen.
Fietsers moeten zonodig afstappen. De bestuurders
mogen de voetgangers die spelen niet in gevaar
brengen en niet hinderen. Ze moeten bovendien
dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen.
19° Het niet gebruiken van de dim- of grootlichten
vooraan en de rode lichten achteraan voor motorvoertuigen
tussen het vallen van de avond en het aanbreken
van de dag en in alle omstandigheden wanneer
het niet meer mogelijk is duidelijk te zien
tot op een afstand van ongeveer 200 meter.
Het niet gebruiken van de twee witte lichten
vooraan en de rode lichten achteraan voor aanhangwagens
die met deze lichten moeten uitgerust zijn,
tussen het vallen van de avond en het aanbreken
van de dag en in alle omstandigheden wanneer
het niet meer mogelijk is duidelijk te zien
tot op een afstand van ongeveer 200 meter.
20° Tussen het vallen van de avond en het aanbreken
van de dag en in alle omstandigheden wanneer
het niet meer mogelijk is duidelijk te zien
tot op een afstand van ongeveer 200 meter moeten,
buiten de lichten voorgeschreven in artikel
30.1. of 30.3. van het besluit, bij voertuigen
die meer dan 2,50 meter breed zijn de omtreklichten
worden gebruikt.
Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan
weerszijden en, in voorkomend geval, aan de
uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig
geplaatst.
21° Zodra het speciaal geluidstoestel het naderen
van een prioritair voertuig aankondigt, moet
elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrijmaken
en voorrang verlenen; zo nodig moet hij stoppen.
22° De bestuurders moeten dubbel voorzichtig
zijn bij het naderen van een voertuig, gesignaleerd
zoals bepaald in artikel 39bis van het besluit.
Zij moeten bovendien hun snelheid aanzienlijk
matigen en zo nodig stoppen wanneer de bestuurder
van het aldus gesignaleerde voertuig al de richtingaanwijzers
doet werken en hiermee beduidt dat de kinderen
gaan in- of uitstappen.
23° De bestuurder mag de voetgangers niet in
gevaar brengen die :
- zich bevinden op een trottoir, een deel van
de openbare weg voorbehouden voor het verkeer
van voetgangers door het verkeersbord D9 of
D10, een berm of een vluchtheuvel;
- zich bevinden op een openbare weg gesignaleerd
door de verkeersborden F99a of F99b of ingericht
als speelstraat;
- zich bevinden in een zone afgebakend door
de verkeersborden F12a en F12b of F103 en F105;
- op de rijbaan gaan onder de in het besluit
voorziene voorwaarden.
24° De bestuurder moet zijn snelheid matigen
wanneer hij rijdt langs een autocar, een autobus,
een trolleybus, een minibus of een spoorvoertuig
die stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.
25° Bij afwezigheid van een vluchtheuvel aan
de halteplaats van een voertuig voor gemeenschappelijk
vervoer, moet de bestuurder die rijdt langs
de kant waar de reizigers in- of uitstappen,
dezen de gelegenheid laten in alle veiligheid
het voertuig, het trottoir, het deel van de
openbare weg voorbehouden voor het verkeer van
voetgangers door het verkeersbord D9 of de
berm te bereiken. Daartoe moet hij stoppen om
het in- en uitstappen mogelijk te maken en hij
mag slechts opnieuw vertrekken met matige snelheid.
26° Op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt
door een bevoegd persoon of door verkeerslichten,
moet de bestuurder, zelfs wanneer het verkeer
in zijn rijrichting is opengesteld, de voetgangers
die zich regelmatig op de rijbaan hebben begeven,
de gelegenheid laten het oversteken met een
normale gang te beëindigen.
Bovendien, zo er op die plaatsen een oversteekplaats
voor voetgangers is, moet de bestuurder in ieder
geval stoppen voor de oversteekplaats voor voetgangers
wanneer het verkeer in zijn rijrichting gesloten
is.
27° Op plaatsen waar het verkeer niet geregeld
wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten,
mag de bestuurder een oversteekplaats voor voetgangers
slechts met matige snelheid naderen. Hij moet
voorrang verlenen aan de voetgangers die er
zich op bevinden of op het punt staan zich erop
te begeven.
28° Het is de weggebruikers verboden te breken
door een groep kinderen, scholieren, personen
met een handicap of bejaarden :
- ofwel in rijen, vergezeld van een leider;
- ofwel die de rijbaan oversteekt onder de controle
van een jeugdverkeersbrigade, van een leider
of van een gemachtigd opzichter.
29° De weggebruikers moeten de aanwijzingen
opvolgen die ter beveiliging van het oversteken
van kinderen, scholieren, personen met een handicap
of bejaarden door daartoe gemachtigde opzichters
worden gegeven.
30° De bestuurder van een auto of van een motorfiets
mag een fietser of bestuurder van een tweewielige
bromfiets die zich op de openbare weg bevindt
onder de in dit reglement voorziene voorwaarden
niet in gevaar brengen.
Hij moet dubbel voorzichtig zijn ten aanzien
van fietsende kinderen en bejaarden.
Hij moet een zijdelingse afstand van ten minst
een meter laten tussen zijn voertuig en de fietser
of bestuurder van een tweewielige bromfiets.
Hij mag een oversteekplaats voor fietsers en
bestuurders van tweewielige bromfietsen slechts
met matige snelheid naderen teneinde de weggebruikers
die er zich op bevinden, niet in gevaar te brengen
en ze niet te hinderen
wanneer zij het oversteken van de rijbaan met
normale snelheid beëindigen.
Zo nodig moet hij stoppen om ze te laten doorrijden.
31° Het is de weggebruikers verboden te breken
:
- door een afdeling van een militaire colonne
bestaande uit een op mars zijnde troep of een
voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt
door bevoegde personen of door daartoe gemachtigde
militairen;
- door een stoet, een groep voetgangers, een
samenkomst naar aanleiding van een cultureel,
sportief of toeristisch evenement of een processie;
- door een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd
of aan een niet gemotoriseerde sportwedstrijd
of -competitie.
32° Bij het naderen van een groep renners die
aan een wielerwedstrijd deelnemen, moet elke
bestuurder onmiddellijk uitwijken en stoppen.
33° De weggebruikers moeten de aanwijzingen
opvolgen die gegeven worden :
- ter vergemakkelijking van de beweging der
legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;
- om de veiligheid te verzekeren :
van culturele, sportieve en toeristische evenementen
van wielerwedstrijden en van niet gemotoriseerde
sportwedstrijden of -competities, door daartoe
gemachtigde signaalgevers;
van de groepen fietsers en groepen motorfietsers
door wegkapiteins;
van de groepen voetgangers en groepen ruiters,
door groepsleiders;
van het personeel van de werken op de openbare
weg door de werfopzichters.
34° Voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren
in de zin van het Europees Verdrag betreffende
het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen
over de weg (ADR) en zijn bijlagen, ondertekend
te Geneve op 30 september 1957 en goedgekeurd
bij de wet van 10 augustus 1960, en die krachtens
dat Verdrag of krachtens verordeningsbepalingen
van intern recht voorzien moeten zijn van een
oranje bord, moeten, behalve in geval van noodzaak,
de autosnelwegen volgen.
35° De toegang tot de openbare wegen of delen
van openbare wegen, voorzien van de verkeersborden
C24a, b, of c is verboden aan de bestuurders
van voertuigen die de gevaarlijke goederen vervoeren
welke, door de voor vervoer
van gevaarlijke goederen bevoegde Ministers
zijn bepaald.
36° Het rood licht negeren. Rood licht betekent
dat het verboden is de stopstreep of, zo er
geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf,
voorbij te rijden.
37° Wanneer een of meer bijkomende lichten in
de vorm van een of meer groene pijlen tegelijk
met lid 2, 4° en 5°
een rood licht branden, betekenen de pijlen
dat alleen in de richtingen die door de pijlen
worden aangeduid mag voortgereden worden, op
voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de
bestuurders die op regelmatige wijze uit andere
richtingen komen en aan de voetgangers.
38° Tweekleurige verkeerslichten die boven rijstroken
van de rijbaan geplaatst zijn, hebben de volgende
betekenis :
- het rode licht dat de vorm heeft van een kruis,
betekent verboden richting op de strook voor
de bestuurders naar wie het gericht is;
39° Het verkeersbord C1 niet in acht nemen.
40° Het verkeersbord C24a niet in acht nemen.
41° Het verkeersbord C24b niet in acht nemen.
42° Het verkeersbord C24c niet in acht nemen.
43° Het verkeersbord C35 niet in acht nemen.
44° Het verkeersbord C39 niet in acht nemen.
45° Een doorlopende streep betekent dat het
iedere bestuurder verboden is deze te overschrijden.
Bovendien is het verboden links van een doorlopende
streep te rijden wanneer deze de twee rijrichtingen
scheidt.
46° Het overschrijden van de oranje doorlopende
streep of de doorlopende streep gevormd door
oranje spijkers op korte en regelmatige afstanden
van elkaar geplaatst".
Deze
overtredingen van de derde graad geven aanleiding
tot een boete bij onmiddellijke inning van 150
€ (zie meer daarover verder onder nr. 2.22,
onmiddellijke
inning).
De
verkeersovertredingen van de 2°
graad worden opgesomd in
art. 2 van het K.B. van 30/9/05:
1°
Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig
te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen
op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter
te laten of te laten vallen, hetzij door er
rook of stoom te verspreiden, hetzij door er
enige belemmering aan te brengen.
2° Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen,
en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige
kennis en rijvaardigheid bezitten.
Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen
uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of
zijn dieren goed in de hand hebben.
3° Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of
geparkeerd is, mag de bestuurder geen gebruik
maken van een draagbare telefoon die hij in
de hand houdt.
4° Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen
zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere
weggebruikers, in 't bijzonder de meest kwetsbaren,
de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid,
haar belemmering, de verkeersdichtheid, het
zicht, de staat van de weg, de staat en de lading
van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak
zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.
De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen
stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.
5° De bestuurder die de snelheid van zijn voertuig
aanzienlijk wil verminderen, moet dit voornemen
kenbaar maken door middel van de stoplichten
wanneer het voertuig ervan voorzien is of, zoniet,
en indien mogelijk, door een teken met de arm.
6° Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij
trek-, last- en rijdieren of vee op de openbare
weg nadert. Hij moet stoppen indien deze dieren
tekenen van angst vertonen.
7° Elke weggebruiker moet voorrang verlenen
aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich
zo snel mogelijk van de sporen verwijderen.
8° De bestuurder die een kruispunt oprijdt moet
dubbel voorzichtig zijn ten einde elk ongeval
te voorkomen.
9° Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan
de bestuurder die op een regelmatige manier
van rechts komt, behalve indien hij rijdt op
een rotonde.
De bestuurder moet evenwel voorrang verlenen
aan iedere bestuurder die rijdt op de openbare
weg of de rijbaan die hij oprijdt:
- wanneer hij uit een openbare weg of een rijbaan
met een verkeersbord B 1 (omgekeerde driehoek)
of met een verkeersbord B 5 (stop) komt;
- wanneer hij uit een aardeweg of een pad op
een openbare weg met een rijbaan komt.
10° De bestuurder die voorrang heeft, verliest
deze voorrang wanneer hij zijn voertuig opnieuw
in beweging brengt, na gestopt te hebben.
11° De bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren,
moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers.
12° De bestuurder die voorrang moet verlenen,
mag slechts verder rijden indien hij zulks kan
doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op
de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid
en de afstand waarop zij zich bevinden.
13° Het inhalen geschiedt links.
Het inhalen geschiedt echter rechts wanneer
de in te halen bestuurder te kennen heeft gegeven
dat hij voornemens is links af te slaan of zijn
voertuig op te stellen aan de linkerkant van
de openbare weg en zich naar links begeven heeft
om deze beweging uit te voeren.
14° Het inhalen van spoorvoertuigen die de rijbaan
volgen geschiedt rechts, zowel wanneer die voertuigen
in beweging zijn of stilstaan om reizigers te
laten in- of uitstappen.
Het inhalen mag evenwel links geschieden wanneer
het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang
of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd
voertuig of enige andere vaste hindernis en
op voorwaarde dat de tegemoetkomende weggebruikers
niet gehinderd of in gevaar gebracht worden.
Het inhalen mag eveneens links geschieden op
rijbanen met eenrichtingsverkeer, wanneer de
behoeften van het verkeer het rechtvaardigen.
15° Buiten de bebouwde kommen moeten de bestuurders
van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten
massa van meer dan 7,5 ton of langer dan 7 meter,
onderling een afstand houden van ten minste
50 meter.
16° De bestuurder die naar rechts afslaat moet
zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de
rijbaan blijven.
De bestuurder mag zich evenwel naar links begeven
wanneer hij wegens de plaatsgesteldheid en de
afmetingen van het voertuig of de lading niet
bij de rechterrand van de rijbaan kan blijven.
17° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden
een voertuig te laten stilstaan of te parkeren,
behalve op de parkeerstroken, aangewezen door
het verkeersbord E9a.
18° Op de wegen voorbehouden voor voetgangers,
fietsers en ruiters is alleen het verkeer toegestaan
van de categorieën van weggebruikers waarvan
het symbool afgebeeld is op de verkeersborden
die bij de toegang geplaatst zijn en van de
categorieën van weggebruikers die opgesomd zijn
in artikel 22quinquies 1, tweede lid van het
besluit.
19° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan
of te laten parkeren op elke plaats waar het
duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor
de andere weggebruikers of waar het hun onnodig
zou kunnen hinderen, inzonderheid :
- op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen,
op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke
reglementering;
- op de fietspaden en op minder dan 3 meter
van de plaats waar de fietsers en bestuurders
van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het
fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden
of de rijbaan te verlaten om op het fietspad
te rijden;
- op de oversteekplaatsen voor voetgangers,
op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders
van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan
op minder dan 3 meter voor deze oversteekplaatsen;
- op de rijbaan in de onderbruggingen, in de
tunnels en behoudens plaatselijke reglementering
onder de bruggen;
- op de rijbaan nabij de top van een helling
en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende
is.
20° Het is verboden een voertuig te parkeren
:
- op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers
en bestuurders van tweewielige bromfietsen op
de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis
te gaan of te rijden;
- op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen
zou belemmerd worden;
- wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder
dan 3 meter breed zou worden;
21° Het is verboden een voertuig te parkeren
op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien
in artikel 70.2.1.3° c, behalve voor de voertuigen
gebruikt door personen met een handicap die
in het bezit zijn van een speciale kaart zoals
bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3.
22° De grootlichten moeten echter gedoofd en
door de dimlichten vervangen worden :
- bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker,
op de nodige afstand opdat deze laatste zijn
weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen
voortzetten;
- bij het naderen van een spoorvoertuig of een
boot waarvan de bestuurder of de stuurman door
de grootlichten zou kunnen verblind worden;
- wanneer het voertuig een ander voertuig op
minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer
het inhaalt.
Wanneer het motorvoertuig of de aanhangwagen
voorzien is van achtermistlichten, moeten deze
lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval
die de zichtbaarheid verminderen tot minder
dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen.
23° De lading van een voertuig moet zodanig
geschikt en zo nodig vastgemaakt, overdekt worden
met een dekzeil of met een net dat ze :
- de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan
hinderen;
- geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde
personen, en de andere weggebruikers kan vormen;
- geen schade kan veroorzaken aan de openbare
weg, aan zijn aanhorigheden, aan de erin liggende
kunstwerken of aan de openbare- of prive-eigendommen;
- niet op de openbare weg kan slepen of vallen;
- de stabiliteit van het voertuig niet in het
gedrang kan brengen;
- de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer
niet onzichtbaar kan maken.
24° De ladingen van graangewassen, vlas, stro,
paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten
overdekt worden met een dekzeil of met een net.
Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer
binnen een straal van 25 km van de plaats van
lading, voor zover het niet langs een autosnelweg
geschiedt.
25° Bestaat de lading uit lange stukken, dan
moeten deze onderling en ook aan het voertuig
zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het
schommelen niet buiten de grootste zijomtrek
van het voertuig komen.
26° Al wat dient om de lading vast te maken
of te beschutten zoals kettingen, dekzeilen,
netten, enz. moet de lading nauw omsluiten.
27° Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering
moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet
worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste
zijomtrek van het voertuig.
28° Het vast oranjegeel licht betekent dat het
verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep
is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden,
tenzij de bestuurder bij het aangaan van dat
licht, zo dicht genaderd is, dat hij niet meer
op voldoende veilige wijze kan stoppen;
zo dit licht bij een kruispunt geplaatst is,
mag de bestuurder, die de stopstreep of het
licht in dergelijke omstandigheden voorbijgereden
is, het kruispunt evenwel slechts oversteken
op voorwaarde de andere weggebruikers niet in
gevaar te brengen.
[29° Wanneer een of meer bijkomende lichten
in de vorm van een of meer groene pijlen tegelijk
met een oranjegeel licht branden, betekenen
de pijlen dat alleen in de richtingen die door
de pijlen worden aangeduid mag voortgereden
worden, op voorwaarde dat voorrang verleend
wordt aan de bestuurders die op regelmatige
wijze uit andere richtingen komen en
aan de voetgangers.]
30° Het verkeersbord B1 niet in acht nemen.
31° Het verkeersbord B5 niet in acht nemen.
Alle andere overtredingen, dus alle overtredingen
die niet uitdrukkelijk in de opsomming van het
K.B. van 30/9/05 voorkomen, behoren tot de 1°
graad. Voor deze inbreuken is
bij onmiddellijke inning (O.I.) dus een boete
van 50 € verschuldigd.
2.13
Snelheidsovertredingen
zijn door de wetgever uitdrukkelijk als afzonderlijke
categorie beschouwd (zie hierna, nr. 2.222).
2.14
De sanctionering door de Politierechtbank
(geldboete - rijverbod) wordt hierna onder 2.44
Rechterlijke
veroordeling besproken.
2.2
Onmiddellijke inning en minnelijke schikking
2.21
Wanneer de politie tegen u een snelheidsovertreding
of een andere verkeersinbreuk heeft vastgesteld,
volgt meestal een uitnodiging om een welbepaalde
geldboete te betalen.
Doorgaans
maakt u het volgende mee: de verkeerspolitie steekt
een verzoek tot betaling van een geldboete onder
uw ruitenwisser of zij stuurt u een "antwoordformulier"
op, u betaalt, en u daarna hoort u niets meer van
de hele zaak. U heeft betaald volgens de regeling
van de onmiddellijke inning
(O.I.), zoals meestal het geval is (zie hieronder
nr. 2.22
).
De
betaling van de boete vanwege de politie gebeurde
vroeger door middel van boetezegels (gekocht in
het postkantoor), maar sinds april 2006 door middel
van een overschrijving.
Bepaalde
overtredingen zijn niet vatbaar voor onmiddellijke
inning en komen dus steeds voor de Politierechtbank
(zie verder nr. 2.41);
dit gebeurt ook als u de geldboete niet (of niet
tijdig) betaalt, en u kan inderdaad een goede reden
hebben om de overtreding te betwisten (zie verder
nr. 2.23
en vooral 2.42).
2.22
De hoogte van de geldboete
bij onmiddellijke inning wordt uiteraard bepaald
door de ernst van de overtreding.
2.221
De geldboete bedraagt 50,
100, 150, of 300 euro per overtreding,
naargelang deze van de 1°, 2°, 3° of 4° graad is.
Art.
3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003
(betreffende de inning en de consignatie van een
som bij de vaststelling van de overtredingen van
de wet betreffende de politie over het wegverkeer
en zijn uitvoeringsbesluiten), zoals gewijzigd
in september 2005, voorziet vanaf 31 maart 2006
de
volgende bedragen van onmiddellijke inning:
"1°(...)
- 100 euro voor de overtredingen van de tweede
graad;
- 150 euro voor de overtredingen van de derde
graad;
- 300 euro voor de overtredingen van de vierde
graad".
Hetzelfde
art. 3 eindigt als volgt: "3° De overige overtredingen
van de reglementen uitgevaardigd op grond van
de wet betreffende de politie over het wegverkeer
kunnen aanleiding geven tot de inning van een
som van 50 euro per overtreding".
2.222 Voor snelheidsovertredingen
geldt een afzonderlijk regime:
a.
1 tot 10 km/u. te snel: 50 euro
(basisbedrag);
b.
per bijkomende km. te snel: 5
euro (in principe) of 10 euro (in de bebouwde
kom, en dergelijke) erbij.
Het
zopas aangehaalde art. 3 van het Koninklijk
besluit van 22 december 2003 bepaalt:
"2°
Het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid
bepaald in de reglementen uitgevaardigd op grond
van de wet betreffende de politie over het wegverkeer
kan, per overtreding, aanleiding geven tot de
inning van de volgende som :
- voor de eerste 10 kilometer per uur boven
de toegelaten maximumsnelheid bedraagt de som
50 euro;
- binnen de bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving,
woonerf en erf wordt boven de eerste 10 km/u.
boven de toegelaten maximumsnelheid de som van
50 euro met telkens 10 euro vermeerderd voor
elke bijkomende kilometer per uur waarmee de
toegelaten maximumsnelheid wordt overschreden;
- in alle andere gevallen wordt boven de eerste
10 kilometer per uur boven de toegelaten maximumsnelheid
de som van 50 euro vermeerderd met telkens 5
euro voor elke bijkomende kilometer per uur
waarmee de toegelaten maximumsnelheid wordt
overschreden".
Bij
voorbeeld: wie in een "zone 30"
38 km./u. heeft gereden betaalt bij onmiddellijke
inning 50 euro; indien hij daar
46 km./u. heeft gereden zal hij (50 euro als basis
+ daarbovenop 6 km x 10 euro of 60 euro =) 110
euro betalen; bedroeg de snelheid
daar 58 km./u., dan loopt het prijskaartje op
tot (50 + 180 =) 230 euro.
Wie op de autosnelweg 138 heeft gereden zal (50
+ 40 =) 90 euro moeten betalen;
was de snelheid 158 dan betaalt men (50 + 140
=) 190 euro.
OPMERKING:
de snelheidsmeting moet voldoen aan bepaalde
wettelijke voorschriften en zij is bovendien
onderworpen aan een foutmarge.
De snelheidsmeters werken op basis van het meten
van de mate van samendrukking van de lucht door
het voertuig: hoe sneller het rijdt, hoe meer
het de lucht samendrukt (zie het Doppler - effect).
De snelheidsmeting kan derhalve in positieve
of negatieve zin worden beïnvloed door de temperatuur,
de eventuele neerslag,..., en zo kan een foutieve
meting van de snelheid ontstaan.
Art.
62 Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende
de politie over het wegverkeer, gecoördineerd
op 16 maart 1968): "(...) De automatisch
werkende toestellen, gebruikt om toezicht
te houden op de naleving van deze wet en haar
uitvoeringsbesluiten, moeten goedgekeurd of
gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten,
invoerders of verdelers die de goedkeuring
of homologatie aanvragen, overeenkomstig de
bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien
bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen
kunnen worden vastgesteld".
In meerdere gevallen
kan worden betwist dat de snelheidsovertreding
op een geldige wijze werd vastgesteld of dat
er wel sprake is van een snelheidsovertreding.
In dit kader moet vooral rekening worden gehouden
met het Koninklijk Besluit van 11 oktober
1997 "betreffende de goedkeuring en homologatie
van de automatisch werkende toestellen gebruikt
om toezicht te houden op de naleving van de
wet betreffende de politie over het wegverkeer
en haar uitvoeringsbesluiten" (gepubliceerd
in het Belgisch Staatsblad op 24 oktober 1997,
in werking getreden op 3 november 1997).
Zo
voorziet art. 2.1 van dit K.B. dat de meettoestellen
onderworpen zijn aan 1° de modelgoedkeuring,
2° de eerste ijk, 3° de herijk, en 4° de technische
controle bedoeld in de wet van 16 juni 1970
betreffende de meeteenheden en het K.B. van
20 december 1972.
HOOFDSTUK
I. - Meettoestellen
Artikel 1. Toepassingsgebied
1.1. Hoofdstuk I geldt voor de toestellen voorzien
in 1.2. die gebruikt worden om toezicht te houden
op de naleving van de wet betreffende de politie
over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart
1968 en haar uitvoeringsbesluiten.
1.2.1. De toestellen die rechtstreeks of onrechtstreeks
de snelheid van voertuigen meten, in dit besluit
en zijn bijlagen 1 tot 3 "snelheidsmeters" genoemd,
zijn onderworpen aan de goedkeuring bedoeld
in artikel 2.
1.2.2. De installatie van vaste uitrustingen
die het voorbijrijden van de verkeerslichten
kunnen vaststellen en die werken in samenhang
met de snelheidsmeters, is onderworpen aan de
homologatie bedoeld in artikel 3.
Art. 2. Goedkeuring
Modelgoedkeuring - Eerste ijk - Herijk - Technische
controle
2.1. De meettoestellen zijn onderworpen aan
de modelgoedkeuring, aan de eerste ijk, aan
de herijk en aan de technische controle, bedoeld
in de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden,
de meetstandaarden en de meetwerktuigen en het
koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende
gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van
16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, meetstandaarden
en meetwerktuigen, en tot vaststelling van de
toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van
deze wet, over de meetwerktuigen.
2.2. Om de modelgoedkeuring en de aanvaardingsmerken
zowel bij de eerste ijk als bij de herijk en
de technische controle te kunnen verkrijgen,
moeten de meettoestellen voldoen aan de voorschriften
bepaald in de bijlagen bij dit besluit.
Art.
2.2 van het K.B. van 11 oktober 1997 stelt dat
de meettoestellen moeten voldoen aan de voorschriften
in de bijlagen N. In deze bijlagen
zijn allerlei technische voorschriften vastgelegd
voor de snelheidsmeters, die de volgende foutmarges
mogen opleveren :
a.
wanneer de snelheid wordt gemeten onder de
referentiewaarden voorzien in N1, art. 7.2.1,
moet de fout in de aanduiding van de gemeten
snelheid kleiner zijn dan 3 km boven of onder
de werkelijke snelheid tot 100 km/u en dan
3% boven of onder de werkelijke snelheid van
meer dan 100 km/u (art. 7.2.3 en 7.4 van N1)
; hierbij wordt opgemerkt dat één van de referentiewaarden
20° C is, naast een relatieve vochtigheid
van 50 à 70 %, zodat de snelheidsmeting in
werkelijkheid vaak onder deze referentiewaarden
gebeurt ;
b.
bovendien voorziet art. 7.2.5 van N1 dat ingevolge
de wijziging van allerlei factoren (zoals
de verlaging van de voedingsspanning, een
ander inhalend voertuig dat sneller rijdt,
e.d.) de gemeten snelheid een afwijking
mag vertonen van
6 km/u voor snelheden tot 100 km/u
en zelfs van 6 % voor snelheden boven de 100
km/u.
Gelet
op het bovenstaande is het logisch dat geen
snelheidsovertreding afdoende wordt bewezen
wanneer de meting van de flitspaal op een autosnelweg
een resultaat geeft van 127 km/u (zijnde van
minder dan 6 % boven 120 km/u). Hetzelfde geldt
wanneer de gemeten snelheid 35 km/u was in een
zone waar 30 km/u toegelaten was. De meeste
parketten vermelden dan ook terecht naast de
gemeten snelheid de gecorrigeerde snelheid,
zijnde deze waarbij de gemeten snelheid wordt
verminderd met 6 km/u (tot 100 km/u) of met
6 % (boven 100 km/u).
Het
Hof van Cassatie heeft (op 5 april 2006) overwogen
dat art. 4 van bijlage 2 bij het K.B. van 11
oktober 1997 bepaalt dat de persoon die het
meettoestel bedient een specifieke opleiding
moet hebben genoten en dat de snelheidsovertreding
vastgesteld door een politie-agent die voormelde
opleiding niet heeft gekregen dus geen bewijskracht
bezit.
Lagere
rechtbanken hebben talloze keren de snelheidsmeting
ongeldig of zonder bewijskracht verklaard, omdat
het gebruikte toestel niet voldeed aan de voorschriften
van het voormelde K.B. of dat dit niet kon worden
afgeleid uit het proces-verbaal.
MAAR
het hoogste Hof heeft op 12/03/2002 beslist
dat ook met een nog niet geijkt toestel geldig
een snelheidsovertreding kan worden geconstateerd.
TIP:
dus wanneer niet kan worden nagegaan
of de snelheidsmeter voldoet aan de technische
voorschriften (bvb. omdat de verbalisanten
de identificatie van het meettoestel niet
hebben vermeld) of wanneer de gemeten snelheid
slechts 5 km/u (of slechts 7 km/u op de autosnelwegen)
hoger was dan de toegelaten snelheid, dan
kan u mogelijks ontsnappen aan een geldboete.
OPMERKING:
wie meer dan 40 (of 30) km. per uur te snel
heeft gereden kan niet genieten
van het systeem van onmiddellijke inning en
wordt dus steeds voor de Politierechtbank
gedagvaard door toedoen van het Parket (zie
verder Rechterlijke
veroordeling, onder nr. 2.41
en ook nr. 2.44,2°).
2.223
Bij lichte alcoholintoxicatie
*, dit is van minstens 0,22 mg/l - zijnde milligram
alcohol per liter longlucht - (overeenstemmend met
0,5 pro mille - zijnde 0,5 gram alcohol per liter
bloed - ) maar minder dan 0,35 mg/l (of 0,8 gr./l.),
beloopt de onmiddellijke inning 137,50 euro.
Maar:
was de alcoholintoxicatie zwaar, dan is het systeem
van onmiddellijke inning niet toepasselijk en
wordt men dus voor de Politierechtbank gedagvaard.
Voor
meer gegevens zie verder Rechterlijke
veroordeling,
onder nr. 2.44,3°.
2.23
Wanneer de overtreder zijn onmiddellijke inning
niet betaalt, wordt zijn dossier overgemaakt aan
het Parket. De Procureur des Konings ( of in werkelijkheid
één van zijn substituten) ziet het dossier na; hij
kan seponeren, maar doorgaans stelt hij een minnelijke
schikking voor.
Deze
valt in principe 10 euro duurder uit dan de onmiddellijke
inning; ze kan gekoppeld worden aan bepaalde voorwaarden,
bijvoorbeeld de voorwaarde dat de benadeelden vóór
een bepaalde datum volledig moeten vergoed zijn.
Wie betaalt, wordt niet verder vervolgd door het
Parket.
Negen
van de tien minnelijke schikkingen worden betaald.
2.24
Wie
een minnelijke schikking betaalt, kan niet meer
strafrechtelijk worden vervolgd, tenzij het Openbaar
Ministerie het omgekeerde meedeelt binnen de maand
vanaf de betaling (zie
art. 65 §2 Wegverkeerswet,
zijnde
de wetten betreffende de politie over het wegverkeer,
gecoördineerd op 16 maart 1968).
Wie
niet betaalt, wordt voor de politierechtbank gedagvaard.
Het
gaat om 1 tot 2 procent van de (niet-betaalde) onmiddellijke
inningen.
TIP:
U
kan een goede reden hebben om de minnelijke schikking
te weigeren: er werd in werkelijkheid
helemaal geen overtreding begaan, of u reed niet
met deze auto op het ogenblik van de verkeersovertreding,
of de opgelegde boete is onredelijk hoog wanneer
men rekening houdt met de concrete gegevens en/of
met uw slechte financiële toestand,... Maak uw
argumenten dan schriftelijk kenbaar aan de Procureur
des Konings, bijvoorbeeld via het antwoordformulier
dat u moet terugsturen naar de politie. Zeker
als u dekking in rechtsbijstand geniet kan u vervolgens,
zo nodig, verkiezen dat de zaak met de bijstand
van uw advocaat wordt gepleit voor de Politierechtbank
(zie verder nr. 2.4 Rechterlijke
veroordeling).
2.25
Let
op: het Parket (de Procureur des Konings) kan ook
voor een lichte overtreding overgaan tot dagvaarding
voor de Politierechtbank; zo ook kan het een zware
overtreding seponeren (zonder verder gevolg laten).
Het beslist daarover autonoom.
2.3
Politierechtbank
2.31
Voor
verkeersinbreuken en andere overtredingen is de
Politierechtbank
bevoegd, nl. deze zetelend in strafzaken (S.Z.).
De
politierechtbank zetelend in strafzaken neemt
kennis van zogenaamde overtredingen, zijnde misdrijven*
die bestraft kunnen worden met maximaal 8 dagen
gevangenisstraf. Tevens neemt ze kennis van inbreuken
op bepaalde bijzondere wetten, zoals wetten op
het verkeer, het Veldwetboek, het Boswetboek,
de wet tot beteugeling van de dronkenschap, wetten
op de riviervisserij, provincie- en gemeenteverordeningen.
Voor
zwaardere misdrijven, zoals voor opzettelijke slagen
of verwondingen, is de Rechtbank van Eerste Aanleg
zetelend in strafzaken, doorgaans "Correctionele
Rechtbank" genoemd, bevoegd. Ingeval een
benadeelde zich tegen de beklaagde burgerlijke partij
stelt voor een strafrechtbank, zal deze niet enkel
oordelen over de bestraffing maar ook over de eis
tot schadevergoeding; enkel inzover de schade het
gevolg is van het misdrijf begaan door de beklaagde
kan vergoeding worden toegekend.
Het
hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank
S.Z. wordt behandeld door de Correctionele Rechtbank,
en het hoger beroep tegen een vonnis van de Correctionele
Rechtbank door het Hof van Beroep.
Artikel
137 en 138 Wetboek van Strafvordering:
-
art. 137 Wb. Sv. :"De politierechtbank neemt kennis
van de overtredingen"
- art. 138 Wb. Sv. : "Onverminderd het recht van
de procureur des Konings om een opsporingsonderzoek
in te stellen of een gerechtelijk onderzoek te
vorderen inzake wanbedrijven, neemt zij bovendien
kennis
(1° ... )
6° van de misdrijven omschreven in de
wetten en verordeningen op (...) de wegen te land
en te water en het wegverkeer;
6°bis van de wanbedrijven omschreven
in de artikelen 418 tot 420bis van het Strafwetboek,
wanneer de doding, de slagen of verwondingen het
gevolg zijn van een verkeersongeval;
6°ter van de wanbedrijven omschreven
in artikel 22 van de wet van 21 november 1989
betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen".
2.32
De
Politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken (B.Z.)
is bevoegd voor alle vorderingen die ontstaan uit
een verkeersongeval; zij kan niet oordelen over
de bestraffing maar enkel over de eis tot schadevergoeding.
Art.
601bis Gerechtelijk Wetboek: "De politierechtbank
neemt kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen
tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval
zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een
plaats die niet toegankelijk is voor het publiek".
Het
hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechtbank
B.Z. wordt behandeld door de Rechtbank
van Eerste Aanleg.
2.4
Rechterlijke veroordeling
2.41
Door middel van een dagvaarding
door de Procureur des Konings ("Pro Justitia") wordt
u voor de Politierechtbank gebracht.
Dit
gebeurt voornamelijk in de volgende twee gevallen:
1°
u hebt de minnelijke schikking niet betaald;
2° u
heeft een misdrijf begaan dat niet vatbaar is voor
een onmiddellijke inning, zijnde vooral een overtreding
van de vierde graad of een te hoge overschrijding
(met meer dan 30 of 40 km. per uur) van de toegelaten
snelheid; dan wordt u steeds gedagvaard (zonder
dat een voorafgaande regeling volgens de onmiddellijke
inning en de minnelijke schikking mogelijk is).
Art.
4 van het zopas aangehaalde Koninklijk besluit
van 22 december 2003 (Belgisch Staatsblad 2005-09-30,
art. 2, 002; inwerkingtreding : 31-03-2006):
"
De onmiddellijke inning is uitgesloten :
1° indien de overtreder minder dan 18 jaar oud
is;
2° indien één der overtredingen die bij dezelfde
gelegenheid worden vastgesteld geen aanleiding
kan geven tot deze procedure;
3° indien de overtreder een woonplaats of vaste
verblijfplaats in België heeft :
- wanneer de totale som van de inning meer bedraagt
dan 300 euro. De overtreding bedoeld in artikel
3, 4°, van dit besluit wordt niet in aanmerking
genomen voor de berekening van voornoemde maximumsom.
Of
- wanneer een snelheidsbeperking met meer dan
40 kilometer per uur wordt overtreden. Of
- wanneer een snelheidsbeperking met meer dan
30 kilometer per uur wordt overtreden binnen de
bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving,
woonerf en erf. Of
- wanneer een overtreding van de derde graad tegelijkertijd
wordt vastgesteld met een andere overtreding.
Of
- wanneer een overtreding van de vierde graad
wordt vastgesteld".
2.42
Het eerste geval - niet betalen - spruit niet enkel
voort uit onwil of zo, maar soms ook uit het terecht
niet akkoord kunnen gaan met de boete.
Bij
de onmiddellijke inning wordt de geldboete immers
vastgelegd zonder rekening te houden met de concrete
feiten.
Zo
wordt geen rekening gehouden met uw financiële toestand;
zo wordt evenmin rekening gehouden met het feit
dat u de snelheidsovertreding heeft begaan toen
deze geen enkel gevaar kon opleveren (bvb. rond
middernacht, op een plaats waar geen fietsers of
voetgangers kunnen worden aangereden); zo wordt
ook geen rekening gehouden met vergissingen door
de politie, die u zo ten onrechte een geldboete
heeft opgelegd.
U
kunt er dus soms belang bij hebben de boete volgens
de minnelijke schikking niet te
betalen. In een dergelijk geval zal de geldboete
worden bepaald door de Politierechter,
die uiteraard wel rekening zal houden met alle concrete
gegevens. Mogelijks bekomt u zelfs vrijspraak (bijvoorbeeld
op grond van twijfel).
Noot:
houd er wel rekening mee dat u bij veroordeling,
zelfs met opschorting, naast de boete tevens de
gerechtskosten (meestal ongeveer 30 euro) en een
bijdrage van € 137,50 aan het fonds voor hulp
aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden
moet betalen.
Het
is dus vaak beter om de onmiddellijke inning te
aanvaarden, ook al zijn er verzachtende omstandigheden;
terecht wordt dit als onrechtvaardig aangevoeld,
omdat men wegens voormelde bijdrage geen beoordeling
door een rechter kan bekomen hoewel dit aangewezen
is.
2.43
De Politierechter geniet trouwens
een zéér ruime beoordelingsvrijheid.
1°
Doorgaans voorziet de wet enkel een grote "vork"
waarbinnen de Politiererechter zijn strafmaat mag
bepalen (bijvoorbeeld "een geldboete van 10
tot 250 euro").
2°
De wet bepaalt bovendien dat hij verzachtende
omstandigheden kan aannemen, zonder de geldboete
tot beneden de 1 euro te kunnen herleiden.
Art.
29 § 4 Gecoördineerde Wetten van 16 maart 1968
betreffende de Politie over het Wegverkeer (zoals
gewijzigd bij Wet van 20/7/05):
§
4. In geval van verzachtende omstandigheden
kan de geldboete verminderd worden, zonder dat
ze minder dan één euro mag bedragen.
Indien voor dezelfde feiten een verval van het
recht tot sturen en een geldboete wordt uitgesproken,
dan kan de rechter de geldboete verminderen met
de door de betrokkene te betalen kosten van de
herstelonderzoeken en -examens en de erelonen
van de geneesheer en psycholoog, zonder dat ze
minder dan één euro mag bedragen.
Zo
ook kan hij een geldboete beneden het wettelijk
minimum uitspreken als de overtreder "zijn precaire
financiële situatie bewijst" (art. 195 Wetboek
van Strafvordering, zoals gewijzigd door art. 27
van de Wet van 20 juli 2005).
3°
In de meeste gevallen verleent de rechter trouwens
uitstel van de tenuitvoerlegging voor een deel
van de geldboete ; dit betekent dat dit deel van
de geldboete slechts voorwaardelijk en dus niet
effectief moet worden betaald. Indien de geldboete
bvb. 200 € is, waarvan 3/4° met uitstel, dan moet
in werkelijkheid slechts 50 € worden betaald (evenwel
thans te vermenigvuldigen met 5,5, dus 275 € effectief).
4° Wanneer een effectieve straf om bepaalde redenen
niet billijk is, maar de overtreding wel bewezen
is, dan kan de rechter zijn uitspraak opschorten.
Dit betekent in feite dat de veroordeling onbepaald
wordt uitgesteld met de bedoeling dat de mogelijkheid
om te bestraffen verjaart. Op die wijze wordt de
overtreder dus helemaal niet bestraft. De burgerlijke
partij zal daarentegen wel vergoeding kunnen bekomen,
aangezien tezelfdertijd wordt aangenomen dat de
overtreding bewezen is.
TIP:
Gelet op de ruime bevoegdheid van de Rechtbank
om de sanctionering te bepalen is het van het
grootste belang dat u aan de Rechter alle nuttige
bewijsstukken voor een milde
bestraffing voorlegt, zoals:
- wat
de sanctionering in het algemeen betreft: bewijzen
die aantonen waarom uw verkeersinbreuk minder
erg is als op het eerste zicht lijkt (bvb. foto's
van de struiken die het zicht hebben belemmerd)
- wat
de geldboete betreft: bewijzen van uw slechte
financiële toestand (bvb. fiscale aanslagbiljetten
of andere inkomstenbewijzen, bewijzen van leningen
en andere belangrijke uitgaven, ...)
- wat
het eventuele rijverbod betreft: het bewijs
dat u om beroepsredenen het gebruik van een
auto nodig heeft (bvb. attest van uw werkgever
ter zake).
NOOT: specifiek wat de mildering van het rijverbod
betreft zie hieronder nr. 3.
2.44
Meerbepaald zijn thans de volgende sancties in de
wet voorzien :
1°
De verkeersovertredingen
van de eerste tot en met de vierde graad
(voor betekenis hiervan zie hoger
nr. 2.12) dienen door de Rechter te worden
gesanctioneerd als volgt (zie het K.B. van 30
september 2005, in werking tredend vanaf 31 maart
2006) :
a.
eerste graad (zijnde alle overtredingen
die niet tot de tweede t.e.m. de vierde graad
behoren) : een geldboete van 10 tot 250 € -
evenwel te vermenigvuldigen met 5,5 – ;
b. tweede graad : geldboete
van 20 tot 250 € (uiteraard eveneens x 5,5)
; mogelijkheid van een rijverbod ; verdubbeling
ingeval van herhaling ;
c. derde graad : geldboete
van 30 tot 500 € (x 5,5) ; een mogelijkheid
van een rijverbod ; verdubbeling bij herhaling
;
d. vierde graad : geldboete
van 40 tot 500 € (x 5,5) ; een verplicht rijverbod
van 8 dagen tot 5 jaar, maar “wanneer de
rechter het verval van het recht tot sturen
niet uitspreekt motiveert hij deze beslissing”
; verdubbeling van de sancties bij herhaling
binnen het jaar van de veroordeling.
Art.
29 § 1 en 2 Wegverkeerswet (zijnde
de wetten betreffende de politie over het wegverkeer,
gecoördineerd op 16 maart 1968):
"§
1. De Koning kan overtredingen van de reglementen
uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde
wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks
in gevaar brengen en die van die aard zijn dat
ze bij een ongeval bijna onvermijdbaar leiden
tot fysieke schade en overtredingen die bestaan
uit het negeren van een stopbevel van een bevoegd
persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als
overtredingen van de vierde
graad. Deze overtredingen worden gestraft met
een geldboete van 40 euro tot 500 euro
en met een verval van het recht
tot het besturen van een motorvoertuig voor
een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste
vijf jaar. Wanneer de rechter het verval van
het recht tot sturen niet uitspreekt,
motiveert hij deze beslissing.
De Koning kan overtredingen van de reglementen
uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde
wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks
in gevaar brengen en overtredingen die bestaan
uit het negeren van een bevel van een bevoegd
persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als
overtredingen van de derde
graad. Deze overtredingen worden gestraft met
een geldboete van 30 euro tot 500 euro.
De Koning kan overtredingen van de reglementen
uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde
wetten die de veiligheid van personen onrechtstreeks
in gevaar brengen en de overtredingen die bestaan
uit het onrechtmatig gebruiken van parkeerfaciliteiten
voor personen met een handicap, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als
zodanig aanwijzen als overtredingen van de tweede
graad. Deze overtredingen worden gestraft met
een geldboete van 20 euro tot 250 euro".
(Wet
van juli 2005, inwerkingtreding : 31-03-2006)
"§ 1bis. Elk besluit genomen ter uitvoering
van § 1 van dit artikel dat niet bij wet wordt
bekrachtigd binnen 12 maanden na de inwerkingtreding
ervan, houdt op uitwerking te hebben".
"§ 2. De andere overtredingen van de reglementen
uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde
wetten zijn overtredingen van de eerste
graad en worden gestraft met een geldboete van
10 euro tot 250 euro.
Het in voormelde reglementen omschreven parkeren
met beperkte parkeertijd, betalend parkeren
en parkeren op plaatsen voorbehouden aan bewoners
worden niet strafrechtelijk bestraft, behoudens
het halfmaandelijks beurtelings parkeren, de
beperking van het langdurig parkeren, en bedrog
met de parkeerschijf".
(Het niet meer strafrechtelijk bestrafte parkeren
bedoeld in het tweede lid kan, tot een datum
bepaald door de Koning, door de agenten van
politie worden vastgesteld met het oog op de
vestiging van een parkeerretributie of -belasting,
verschuldigd krachtens de wet van 22 februari
1965 waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan
parkeergeld op motorrijtuigen in te voeren)
(Wet 1 april 2006, inwerkingtreding 10-05-2006).
2°
Snelheidsovertreding
Aangaande de geldboete bij een snelheidsovertreding
voorziet de wet enkel maar dat de rechter een
geldboete moet opleggen tussen de 10
en 500 €, rekening houdend “met
het aantal kilometer per uur waarmee de toegelaten
maximumsnelheid wordt overschreden”. Bij
herhaling binnen het jaar wordt de geldboete
verdubbeld.
De rechter moet bovendien een rijverbod
opleggen van 8 dagen tot 5 jaar 1° indien de
snelheid is overschreden met meer dan 30 km/uur
in de bebouwde kom, in de zone 30, in een schoolomgeving,
of in een woonerf, en 2° in alle andere gevallen
indien de toegelaten snelheid met meer dan 40
km/uur is overschreden. Maar “wanneer de
rechter het verval niet uitspreekt motiveert
hij deze beslissing”.
Art.
29 § 3 Wegverkeerswet:
§
3. Het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid
bepaald in de reglementen uitgevaardigd op
grond van deze gecoördineerde wetten wordt
gestraft met een geldboete van 10 euro tot
500 euro.
De rechter houdt rekening met het aantal kilometer
per uur waarmee de toegelaten maximumsnelheid
wordt overschreden.
De volgende overtredingen worden bovendien
gestraft met een verval van het recht tot
het besturen van een motorvoertuig voor een
duur van ten minste acht dagen en ten hoogste
vijf jaar :
- het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid
met meer dan 40 kilometer per uur, of :
- het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid
met meer dan 30 kilometer per uur binnen een
bebouwde kom, in een zone 30, schoolomgeving,
erf of woonerf.
Wanneer de rechter het verval van het recht
tot sturen niet uitspreekt, motiveert
hij deze beslissing.
Noot: zie ook de OPMERKING bij nr. 2.222 hierboven
(is de snelheidsmeting wel op wettelijke wijze
vastgesteld?).
3°
Alcoholintoxicatie
Naargelang de ernst van het alcoholmisbruik wordt
het volgende onderscheid in de straffen gemaakt
:
a.
intoxicatie van meer dan 0,5 maar minder dan
0,8 pro mille (overeenstemmend met 0,22 tot
0,35 mg / l UAL - zie Woordenlijst onder
"Alcoholintoxicatie")
: een geldboete van 25 tot 500 € (x 5,5) en
mogelijks een rijverbod ;
b. een intoxicatie van meer dan 0,8 pro mille
of sturen onder de invloed van drugs: een geldboete
van 200 tot 2.000 € (x5,5), meer de mogelijkheid
van een rijverbod van minstens 8 dagen ; bij
herhaling binnen de drie jaar: een gevangenisstraf
van één maand tot twee jaar en/of een geldboete
van 400 tot 5.000 € alsook een verplicht rijverbod
van minstens drie maanden meer een verplicht
geneeskundig en psychologisch onderzoek ;
c. bij weigering van ademtest, ademanalyse,
bloedproef of drugtest, of bij sturen ondanks
het verbod ertoe na een adem-, bloed- of drugtest
: dezelfde sanctionering als hierboven onder
b.
Art.
34 van de Wegverkeerswet
(zijnde de wetten betreffende de politie over
het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968)
:
"§
1. Met geldboete van 25 frank tot 500 (euro)
wordt gestraft hij die op een openbare plaats
een voertuig of een rijdier bestuurt, of een
bestuurder begeleidt met het oog op de scholing,
terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie
van ten minste 0,22 milligram en minder dan
0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire
lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie
van ten minste 0,5 gram en minder dan 0,8 gram
per liter bloed aangeeft.
§ 2. (...) met geldboete van 200 (euro) tot
2 000 (euro) (...), wordt gestraft :
1° hij die op een openbare plaats een voertuig
of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt
met het oog op de scholing, terwijl de ademanalyse
een alcoholconcentratie van ten minste 0,35
milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht
meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie
van ten minste 0,8 gram per liter bloed aangeeft;
2° hij die op een openbare plaats een voertuig
of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt
met het oog op de scholing, gedurende de tijd
dat dit hem krachtens artikel 60 verboden is;
3° hij die geweigerd heeft zich te onderwerpen
aan de ademtest of aan de ademanalyse, bedoeld
in de artikelen 59 en 60, of, zonder wettige
reden, geweigerd heeft (de bloedproef bedoeld
in artikel 63, § 1, 1° en 2°) te laten nemen;
4° hij die het rijbewijs of het als zodanig
geldend bewijs waarvan hij houder is, in de
gevallen bedoeld in artikel 61, niet heeft afgegeven,
of het ingehouden voertuig of rijdier heeft
bestuurd".
"Met gevangenisstraf
van een maand tot twee jaar en met geldboete
van 400 frank tot 5 000 (euro) of met een van
die straffen alleen (en het verval van het recht
tot het besturen van een motorvoertuig voor
een duur van ten minste drie maanden en ten
hoogste vijf jaar of voorgoed), wordt gestraft
hij die, na een veroordeling met toepassing
van artikel 34, § 2 of artikel 35, een van deze
bepalingen binnen drie jaar opnieuw overtreedt.
In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar
na de tweede veroordeling, kunnen de hierboven
bepaalde gevangenisstraffen en geldboeten worden
verdubbeld".
Art.
38 § 3: "De rechter kan het herstel in het recht
tot sturen afhankelijk maken van het slagen
voor een of meer van de hiernavermelde (examens
en onderzoeken) :
1° een theoretisch (examen);
2° een praktisch (examen);
3° een geneeskundig onderzoek;
4° een psychologisch onderzoek (...)".
Algemeen
overzicht aangaande alcoholintoxicatie:
1)
tenminste 0,5 en minder dan 0,8 promille
:
- minimum 3 uur rijverbod
- een onmiddellijke inning van 137,50 €
- bij procedure voor de rechtbank kan de
rechter een boete van € 137,50 tot € 2.750
opleggen, meer een verval van het recht
tot sturen.
2) tenminste 0,8 en minder dan 1,2 promille
:
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk
rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken,
gedurende in principe 15 dagen (zie meer
hieronder nr. 3.1 - Rijverbod)
- een minnelijke schikking van 400 €
- bij procedure voor de rechtbank: een boete
van 1.100 tot 11.000 €, meer mogelijks een
verval van het recht tot sturen.
3) tenminste 1,2 en minder dan 1,5 promille:
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk
rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken,
gedurende in principe 15 dagen (zie meer
hieronder nr. 3.1)
- een minnelijke schikking van 550 €
- bij procedure voor de rechtbank: een boete
van 1.100 tot 11.000 €, meer mogelijks een
verval van het recht tot sturen.
4)
tenminste 1,5 en minder dan 1,6 promille
:
- minimum 6 uur rijverbod; ingeval van gevaarlijk
rijgedrag: rijbewijs onmiddellijk ingetrokken,
gedurende in principe 15 dagen (zie meer
hieronder nr. 3.1)
- geen onmiddellijke inning mogelijk en
dus steeds dagvaarding voor de Politierechtbank;
deze kan een boete van 1.100 tot € 11.000
€ opleggen, meer een verval van het recht
tot sturen.
5)
1,6 promille of meer, of rijden in staat
van dronkenschap of soortgelijke staat door
het gebruik van drugs of geneesmiddelen:
- minimum 6 uur rijverbod; bovendien wordt
het rijbewijs voor minstens 15 dagen onmiddellijk
ingetrokken
-geen onmiddellijke inning mogelijk en dus
steeds dagvaarding voor de Politierechtbank;
deze kan een boete van 1.100 tot € 11.000
€ opleggen, meer een verval van het recht
tot sturen van 1 maand tot 5 jaar of definitief.
6) Herhaling van rijden onder invloed vanaf
0,8 promille of van rijden in staat van
dronkenschap of soortgelijke staat door
het gebruik van drugs of geneesmiddelen:
- minimum 6 uur rijverbod; bovendien wordt
het rijbewijs voor minstens 15 dagen onmiddellijk
ingetrokken
- geen onmiddellijke inning mogelijk en
dus steeds dagvaarding voor de Politierechtbank;
deze kan een boete van 2.200 tot 22.000
€ opleggen, meer een verval van het recht
tot sturen van 1 maand tot 5 jaar of definitief.
Noot:
alle voormelde boetebedragen zijn de effectief
te betalen bedragen, dus nà vermenigvuldiging
met 5,5.
4°
Sturen zonder rijbewijs
: een geldboete van 200 tot 2.000 €, meer de mogelijkheid
van een rijverbod ; bij herhaling binnen het jaar
verdubbeling van deze sancties.
5°
Sturen
zonder verzekering
: gevangenis van 15 dagen tot 6 maanden en/of
een geldboete van 100 tot 1.000 €, meer mogelijks
een rijverbod.
6°
Vluchtmisdrijf
:
*
zonder gewonden : gevangenis van 15 dagen tot
6 maanden en/of een geldboete van 200 tot 2.000
€, meer de mogelijkheid van een rijverbod;
* met gewonden of doden : gevangenis van 15
dagen tot 2 jaar en/of een geldboete van 400
tot 5.000 € en een verplicht rijverbod van minstens
drie maanden.
Art.
33.Wet 09-06-1965, art. 3> § 1. Met gevangenisstraf
(van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete
van 200 (euro) tot 2.000 (euro)) of met een
van die straffen alleen wordt gestraft
1° elke bestuurder van een voertuig of van een
dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier
oorzaak van, dan wel aanleiding tot een ongeval
op een openbare plaats is geweest,
2° hij die wetend dat hij zelf oorzaak van,
dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op
een openbare plaats is geweest,
de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen
te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet
aan zijn schuld te wijten is.
§ 2. (Heeft het ongeval voor een ander slagen,
verwondingen of de dood tot gevolg gehad, dan
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf
van vijftien dagen tot twee jaar en met een
geldboete van 400 euro tot 5 000 euro of met
een van die straffen alleen en met het verval
van het recht tot het besturen van een motorvoertuig
voor een duur van ten minste drie maanden en
ten hoogste vijf jaren of voorgoed.)
7°
Bij bepaalde combinaties
van overtredingen zijn specifieke (uiteraard hogere)
sancties voorzien:
a.
doding samen met intoxicatie (of dronkenschap/drugs)
of met niet-toegelaten snelheid : verplicht rijverbod
gedurende 3 maanden, meer de vier verplichte onderzoeken
(1°
een theoretisch examen, 2° een praktisch examen,
3° een geneeskundig onderzoek, en 4° een psychologisch
onderzoek);
bij herhaling wordt de 3 maanden rijverbod gebracht
op 1 jaar ;
b. verwondingen + intoxicatie (of dronkenschap/drugs)
bij herhaling : verplicht rijverbod gedurende
6 maanden, meer alle (= voormelde 4) onderzoeken.
8°
Een inbreuk op de technische
eisen (K.B. van 15 maart 1968),
zoals het rijden met een voertuig dat niet is
gekeurd : gevangenis van 8 dagen tot 3 maanden
en/of een geldboete van 10 tot 10.000 € ; bij
herhaling binnen de twee jaar minstens het dubbele.
9°
Vermeldenswaardig is nog de vaststelling dat inbreuken
op het betalend parkeren
(inbegrepen blauwe zone en bewonersparkeren)
niet langer strafbaar zijn. Maar inbreuken op
de wettelijke duurtijd om te mogen parkeren op
een bepaalde plaats (zijnde het verbod om langer
dan 24 uur op eenzelfde plaats te parkeren, het
halfmaandelijks beurtelings parkeren en bedrog
met parkeerschijf) blijven strafbaar.
Let
wel op: de inbreuken op het betalend parkeren
vallen thans niet meer onder de strafwetgeving,
maar worden (bijna steeds) beteugeld via de gemeentelijke
administratieve sancties.
2.45
De beklaagde die op strafrechtelijk
gebied wordt veroordeeld zal niet alleen de geldboete
zelf moeten betalen, maar tevens de wettelijke bijdragen
en de gedingkosten. Deze bedragen samen vaak meer
dan de eigenlijke geldboete, vooral omdat meestal
een deel van de geldboete met uitstel wordt opgelegd
(en dus niet effectief moet worden betaald).
De
veroordeelde moet naast de boete tevens de gerechtskosten,
zijnde meestal ongeveer 50 euro, en een bijdrage
van 137,50 € aan het Fonds voor hulp aan slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden betalen. Als de uitgesproken
geldboete zelf dus 50 euro is, waarvan de helft
met uitstel, dan moet de veroordeelde betalen:
(50 € : 2 =) 25 € effectieve geldboete x 5,5 =
137,50 euro geldboete, meer bvb. 47,20 € gerechtskosten
+ 137,50 € wettelijke bijdrage aan het Fonds,
hetzij in totaal 322,20 €.
Een
paar maanden na de veroordeling stuurt de griffie
u een afrekening. Pas daarna moet u de verschuldigde
som betalen.
TIP1:
Veel
rechtsbijstandverzekeraars zijn bereid de gedingkosten
en soms zelfs de wettelijke bijdragen (maar uiteraard
nooit de geldboete) terug te betalen aan de veroordeelde.
U moet het wel vragen !
TIP2:
u
kan, zo nodig, afbetalingstermijnen vragen bij
de griffie.
2.46
Noot:
dronkenschap en andere inbreuken kunnen aanleiding
geven tot het moeten terugbetalen van de schadevergoedingen
aan de BA-verzekeraar: zie De
terugvordering door de B.A.-verzekeraar (regresvordering
of verhaal van de verzekeringsmaatschappij).
2.5
Het
normale verloop van een strafrechtelijke procedure
is
als volgt:
1°
u begaat een misdrijf, bvb. een verkeersovertreding
van de vierde graad ; daarvan wordt proces-verbaal
(P.V.) opgesteld door de politie (verbalisanten);
2° de heer Procureur des Konings neemt kennis
van het P.V. en van de andere delen van het strafdossier;
op basis hiervan maakt hij zijn dagvaarding ("Pro
Justitia") op, waarbij hij aangeeft welke wetsinbreuken
volgens hem door u zijn begaan ;
3° dit exploot van dagvaarding wordt door toedoen
van de gerechtsdeurwaarder aan u betekend ; dit
houdt in principe in dat de gerechtsdeurwaarder
aan u het origineel van het dagvaardingsexploot
afgeeft, maar het is ook goed mogelijk dat hij
het origineel eenvoudigweg in uw brievenbus dropt
;
4° u raadpleegt een advocaat (naar vrije keuze),
meestal op kosten van uw rechtsbijstandsverzekeraar
; uw advocaat pleit de zaak op de zitting, waar
u uiteraard eveneens aanwezig mag of soms moet
zijn ;
5° de rechter spreekt zijn vonnis uit onmiddellijk
na de pleidooien of op een latere datum ; hij
kan ook bijkomende onderzoeksmaatregelen bevelen
vooraleer een definitieve uitspraak te verlenen
;
6° eens het eindvonnis is geveld kan men daarvan
een afschrift (kopie) aanvragen bij de griffie
;
7° hoger beroep is slechts mogelijk gedurende
15 dagen te rekenen vanaf de dag van het vonnis.
TIP
1:
als u dekking in rechtsbijstand* geniet kan
u zich voor uw strafrechtelijke verdediging
voor de Politierechter kosteloos laten bijstaan
door een advocaat (naar uw vrije keuze).
TIP
2:
als u zelf aan de Politierechter bepaalde inlichtingen
wenst te geven, laat dan aan uw advocaat weten
dat u de zitting van de Politierechtbank wenst
bij te wonen; overigens blijkt
de persoonlijke uitleg van de betrokkene rechtstreeks
aan de Politierechter, oog in oog, vaak geloofwaardiger
en overtuigender te zijn dan het pleidooi van
zijn advocaat. De beste verdediging
berust op een goede samenwerking tussen advocaat
en cliënt.
b.
Rijverbod
3.
Intrekking van het rijbewijs en verval van het recht
te sturen
3.1
Intrekking van het rijbewijs door de Procureur
In
meerdere gevallen, zoals bij dronkenschap* en bij
overdreven snelheid, kan de Procureur des Konings
beslissen tot de onmiddellijke “intrekking van
het rijbewijs”.
TIP:
U kunt in elk geval met de Procureur een afspraak
maken om hem ervan te trachten te overtuigen dat
u uw voertuig werkelijk nodig heeft, zodat u verzoekt
om de intrekking van het rijbewijs ongedaan te
maken. Een dergelijk verzoek wordt in de praktijk
vaak ingewilligd!
Daarentegen
voorziet de wet ook dat de eerste termijn van intrekking
kan worden verlengd.
Art.
56, tweede lid, 1°, van de Wegverkeerswet (zijnde
de wetten betreffende de politie over het wegverkeer,
gecoördineerd op 16 maart 1968) voorzag dat de
eerste termijn van intrekking van 15 dagen door
het O.M. kon worden verlengd met eenzelfde termijn;
bij art. 25 van de wet van 7 februari 2003 werd
de termijn gebracht op één maand.
Of
de Procureur wel bevoegd is om het rijbewijs langdurig
in te trekken werd aangevochten. Het Arbitragehof
heeft op 22 september 2004 beslist als volgt:
gelet op de doelstelling van de maatregel, nl.
het tijdelijk verwijderen uit het verkeer van
gevaarlijke bestuurders, en op de daaruit voortvloeiende
noodzaak om snel, zonder rechterlijke toetsing,
te kunnen optreden, is het verantwoord dat het
O.M. zelf kan beslissen tot onmiddellijke intrekking
van het rijbewijs; maar de verlenging van de eerste
termijn (van toen nog 15 dagen) met eenzelfde
termijn zonder dat de tussenkomst van een rechter
is voorzien is strijdig met art. 10 en 11 van
de grondwet.
De
wet van 20 juli 2005 voorziet thans dat de Procureur
het rijbewijs voor maximaal 15 dagen mag intrekken,
en dat de verlenging van deze termijn enkel door
de Politierechter kan worden opgelegd.
De
wet van 20 juli 2005 wijzigt art. 55bis. § 1 van
de gecoördineerde wetten
van 16 maart 1968 betreffende de politie over
het wegverkeer meerbepaald als volgt:
"
De procureur des Konings kan een beschikking tot
verlenging van de intrekking met ten hoogste drie
maanden vorderen voor de politierechtbank".
Deze
wet is pas sinds 1 februari 2006 van kracht. Zij
maakt het de Procureur zeer moeilijk om het rijbewijs
te laten intrekken gedurende meer dan 15 dagen.
3.2 Rijverbod door een vonnis
Het
werkelijk aantal dagen van intrekking van het rijbewijs
wordt nadien in mindering gebracht van het aantal
dagen “vervallenverklaring van het recht tot
sturen” waartoe de bestuurder wordt veroordeeld
bij vonnis.
Bij
de veroordeling is de rechter gebonden door de wettelijk
vastgelegde voorwaarden en duurtijden betreffende
het eigenlijke verval van het recht te sturen (zie
hoger Rechterlijke
veroordeling tot geldboete en rijverbod
nr.
2.44)
en betreffende de oplegging van proeven (nl. 1°
een theoretisch examen, 2° een praktisch examen,
3° een geneeskundig onderzoek, en/of 4° een psychologisch
onderzoek - zie
hoger Rechterlijke
veroordeling tot geldboete en rijverbod
nr. 2.44,
3° en 7°).
Bij
een dergelijk vonnis zal rekening worden gehouden
met de concrete gegevens (zie hierboven); zo zal
de rechter bij de vastlegging van de duurtijd van
het rijverbod (zijnde het verval van het recht om
te sturen) rekening houden met het beroep van de
beklaagde, bijvoorbeeld met het feit dat deze beklaagde
een taxichauffeur of vrachtwagenbestuurder is -
voor wie een langdurig rijverbod inkomensverlies
en mogelijks zelfs ontslag betekent -.
De
wet voorziet dat het rijverbod mag worden opgelegd
met de volgende mildering:
a.
enkel voor deze categorie van voertuigen waarmee
de verkeersinbreuk is begaan en hoger
b.
gedeeltelijk met uitstel.
Art. 41 van
de Wegverkeerswet van 16 maart 1968 (inwerkingtreding
: 01-03-2004): "In de gevallen waarin de rechter
in toepassing van deze wet een verval van het
recht tot sturen uitspreekt, moet hij, indien
hij gebruik wenst te maken van artikel 8, § 1
van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting,
het uitstel en de probatie een effectief gedeelte
opleggen van minimum acht dagen"
Art.
45, al. 2 WVW, zoals gewijzigd op 20 juli 2005
: "De rechter kan
het verval van het recht tot sturen beperken tot
de categorieën van voertuigen die hij aangeeft
overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door
de Koning krachtens artikel 26.
Wanneer de overtreding met een motorvoertuig werd
begaan, moet het verval ten minste betrekking
hebben op de categorie van voertuigen waarmee
de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot
verval, werd begaan".(W 2005-07-20, art. 12, 014
; inwerkingtreding : 31-03-2006).
3.3
Periode van het rijverbod
Werd
u veroordeeld tot een rijverbod dan kan u met (de
griffie van) het Parket bespreken gedurende welke
periode u uw rijbewijs moet afgeven. Neem hiervoor
contact op met de griffie ongeveer een maand na
uw veroordeling.
TIP:
Werd u bij het vonnis bijvoorbeeld veroordeeld
tot een rijverbod van 1 maand (zijnde 30 dagen)
en verkeert u gedurende de volledige maand juli
toch in het buitenland, dan zal u vaak kunnen
bekomen dat het rijverbod wordt toegepast in de
loop van juli.
Onderneemt
u niets, dan voorziet art.
40 van
de Wegverkeerswet (zijnde de wetten betreffende
de politie over het wegverkeer, gecoördineerd
op 16 maart 1968) : "Elk
verval dat als straf is uitgesproken, gaat in
de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie
de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan".
|
B.
DE BENADEELDE
|
c.
Hoe
bekomt een slachtoffer informatie van het Parket
?
4.
De hoedanigheid van
benadeelde persoon
Deze hoedanigheid kan u bekomen door gewoon een
verklaring af te leggen op het secretariaat van
het Parket*. Meestal doet uw advocaat daarvoor het
nodige. Van zodra u de hoedanigheid van benadeelde
heeft bekomen wordt u door het Parket op de hoogte
gebracht van de seponering * ofwel van de datum
waarop de zaak wordt ingeleid voor de strafrechtbank.
Om
het strafdossier te mogen inzien of om het te
laten fotokopiëren door de griffie moet u vooraf
een schriftelijke toelating daarvoor van het Parket
bekomen. Deze
toelating kan u aanvragen samen met de verklaring
van benadeelde. Maar ze wordt vaak pas ongeveer
een jaar na het ongeval gegeven!
|
d.
Hoe
kan men schadevergoeding vorderen ?
NOOT:
de
mogelijke vergoedingen,
dus de verschillende soorten vergoedingen die men
na een verkeersongeval kan bekomen, worden in een
afzonderlijk hoofdstuk besproken.
5.
Hoe kan ik de vergoeding van
mijn schade bekomen ?
5.1
In veruit de meeste gevallen wordt de schade geregeld
in der minne (
= bij: overeenstemming, overeenkomst, akkoord, minnelijke
regeling).
Dit
gebeurt in de praktijk meestal als volgt:
-
na de eenzijdige expertise van de wagen en/of
de letsels en na kennisname van uw bewijsstukken
wordt de afrekening betreffende de schade opgesteld
door de verzekeringsmaatschappij die de schade
moet vergoeden
- daarna
stuurt deze verzekeringsmaatschappij voormelde
schade-afrekening naar u; dit gebeurt vaak via
omwegen, bij voorbeeld : zij stuurt het voorstel
tot schaderegeling naar uw rechtsbijstandsverzekeraar,
deze stuurt het door naar uw verzekeringsmakelaar,
en zo komt het uiteindelijk bij u terecht;
- u
ontvangt dit schaderegelingsvoorstel wellicht
samen met een overeenkomst van dading (vaststelling),
met het verzoek deze te willen ondertekenen
- als
u deze overeenkomst ondertekent en terugzendt,
kan u niet meer terug: het bedrag van de schadevergoeding
kan niet meer worden gewijzigd!
- ongeveer
een maand na deze terugzending ontvangt u het
overeengekomen bedrag.
Wanneer
u de schaderegeling van de verzekeringsmaatschappij
wil controleren (en vervolgens eventueel wil betwisten),
dan dient u een advocaat aan te stellen (op kosten
van de verzekeraar rechtsbijstand). Als deze advocaat
ook van oordeel is dat het voorstel tot schaderegeling
moet worden betwist, dan zal hij eerst onderhandelen
en zo naar een minnelijke regeling streven; zo nodig
zal hij uiteindelijk een burgerlijke * vordering
voor de bevoegde rechter instellen.
Opmerkingen:
- de rechtsbijstandsverzekeraar moet best eerst
expliciet haar instemming met de tussenkomst van
een advocaat geven; zij zal dit uiteraard met
tegenzin doen (zie Aanstelling
van een advocaat en Praktische
adviezen,
nr. 19);
- u kan een provisionele kwitantie * wel steeds
zonder risico en dus zonder raadpleging van een
advocaat ondertekenen;
- de schadelijder beslist altijd zelf in laatste
instantie of hij al dan niet akkoord gaat met
een schaderegelingsvoorstel van tegenpartij; zijn
advocaat moet de beslissing van zijn cliënt steeds
respecteren.
5.2
De burgerlijke vordering (zijnde de eis tot schadevergoeding)
als gevolg van een verkeersongeval kan vooral op
de volgende twee wijzen worden gesteld:
a.
ofwel via burgerlijke-partijstelling*
tegen de beklaagde, voor de Politierechtbank*
zetelend in strafzaken; dit gebeurt meestal
op de inleidende zitting, of eventueel na rechtstreekse
dagvaarding* (zie verder onder nr. 7);
deze burgerlijke-partijstelling kan sinds enige
tijd ook gebeuren nadat de beklaagde (dus de aansprakelijke)
definitief is veroordeeld door de strafrechtbank;
b.
ofwel door middel van dagvaarding*
(of een verzoekschrift tot vrijwillige verschijning)
voor de Politierechtbank zetelend in burgerlijke
zaken.
Art.
4, al. 2 e.v. van de Voorafgaande Titel van het
Wetboek van Strafvordering (zoals gewijzigd bij
de wet van april 2005): "De rechter bij wie
de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt
ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs
bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling,
wanneer de zaak wat die belangen betreft niet
in staat van wijzen is.
Onverminderd het recht om de zaak, conform de
artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk
Wetboek, bij de burgerlijke rechter aanhangig
te maken, kan eenieder die door het strafbaar
feit schade heeft geleden, nadien door middel
van een ter griffie ingediend verzoekschrift,
in zoveel exemplaren als er betrokken partijen
zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat
uitspraak heeft gedaan over de strafvordering,
uitspraak doet over de burgerlijke belangen.
Dat verzoekschrift geldt als burgerlijke-partijstelling.
Het verzoekschrift wordt door de griffier ter
kennis van de partijen en, in voorkomend geval,
van de advocaten gebracht onder vermelding van
plaats, dag en uur van de zitting waarop de zaak
wordt behandeld.
(Wanneer uitspraak is gedaan over de strafvordering,)
kan elke in het geding zijnde partij de rechter
bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, verzoeken
termijnen vast te stellen voor de overzending
en de indiening van de stukken, alsmede de conclusies,
en de rechtsdag te bepalen". (zoals gewijzigd
bij de wet van december 2005, met inwerkingtreding
vanaf 9 januari 2006).
De
vordering tot schadevergoeding kan dus voor de
strafrechtbank worden gebracht; dit kan gebeuren
in de loop van de strafrechtelijke procedure,
ofwel erna, dus na de strafrechtelijke veroordeling
van de beklaagde. U mag dus wachten totdat de
strafrechtbank bij vonnis de beklaagde heeft veroordeeld,
om pas daarna voor deze rechtbank schadevergoeding
te vorderen tegen de veroordeelde. Deze werkwijze
is soms aangewezen.
Ten anderen kan de vordering tot schadeloosstelling
ook worden gebracht voor de burgerlijke rechtbank,
tegen de beklaagde en/of zijn B.A.-verzekeraar.
Hoe de procedure moet worden gevoerd laat u uiteraard
volledig over aan uw advocaat.
5.3
Betreffende verkeersongevallen gebeurt de burgerlijke-partijstelling
in de praktijk voor de Politierechtbank zetelend
in Strafzaken, en dit ofwel vóór de strafrechtelijke
uitspraak ofwel nadien (bij toepassing van art.
4 Voorafgaandelijke Titel Wetboek van Strafvordering).
Meer
in het algemeen kan burgerlijke-partijstelling ook
gebeuren voor de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht
(Raadkamer, of in hoger beroep Kamer van Inbeschuldigingstelling);
maar dit is niet van belang in zaken van verkeersongevallen.
Bovendien
kan de benadeelde in de meeste gevallen enkel via
een procedure voor de burgerlijke rechter vergoeding
vorderen van een verzekeringsmaatschappij (zie ook
hierna nr. 6).
6.
Zwakke weggebruiker
Wanneer
de benadeelde zich wenst te beroepen op de wetgeving
betreffende de zwakke weggebruikers *
kan hij zich enkel wenden tot de Politierechtbank
zetelend in burgerlijke zaken. Deze wetgeving
voorziet dat alle verkeersslachtoffers, uitgezonderd
de voertuigbestuurder, gerechtigd zijn op schadevergoeding
vanwege de BA-verzekeraar* van een betrokken motorrijtuig*;
dus ook als het ongeval uitsluitend veroorzaakt
is door de zwakke weggebruiker zelf (zie uitgebreider
bij Vergoedingen,
onder nr 6a, de
wet op de zwakke weggebruikers).
7. Burgerlijke
partij
7.1
Daarentegen kan de vordering van de burgerlijke
partij voor de Politierechtbank zetelend in strafzaken
(of voor een andere strafrechtbank) enkel worden
ingewilligd in zover de schade voortvloeit uit een
misdrijf begaan door de beklaagde. Het gebeurt trouwens
regelmatig dat op het eerste zicht geen betwisting
betreffende de aansprakelijkheid mogelijk blijkt
te zijn, maar dat nadien wel degelijk ernstige betwistingen
rijzen.
Vaak
stelt de burgerlijke partij (= benadeelde) zijn
burgerlijke vordering op de inleidende zitting van
de Strafrechtbank.
Dit
heeft het voordeel dat de benadeelde kan argumenteren
waarom de beklaagde wel degelijk (volledig) verantwoordelijk
voor het ongeval moet worden geacht.
7.2
Wanneer het Parket de andere betrokkene (de aanrijder)
vervolgt, kunnen de benadeelden hun burgerlijke
vordering ook stellen nadat de beklaagde werd veroordeeld;
de strafrechtbank moet de behandeling van de burgerlijke
belangen immers ambtshalve aanhouden.
TIP:
Men kan zich thans dus ook burgerlijke partij
stellen voor de Politierechtbank zetelend in strafzaken
nadat het vonnis op strafrechtelijk
gebied definitief is geworden. De
burgerlijke partijstelling op de inleidende zitting
voor
de strafrechter is trouwens vaak niet aangewezen.
7.3
Vooral wanneer het Parket de zaak heeft geseponeerd
of wanneer het volgens u per vergissing u en niet
de andere heeft gedagvaard, kan het aangewezen zijn
om zich burgerlijke partij te stellen via een rechtstreekse
dagvaarding voor de strafrechtbank (zijnde
de Politierechtbank of de Correctionele Rechtbank).
Bij een dergelijke rechtstreekse dagvaarding wordt
de persoon die volgens u de dader is voor de strafrechter
gebracht, die dan ook kan oordelen over de passende
bestraffing en schadevergoeding.
TIP:
Zo kan u de andere betrokkene bij het ongeval
zowel strafrechtelijk als burgerrechtelijk laten
veroordelen.
Bijvoorbeeld:
de heer Procureur des Konings (het Parket) dagvaardt
u wegens een verkeersinbreuk; uw advocaat laat weten
dat volgens hem niet uzelf maar wel tegenpartij
het verkeersongeval heeft veroorzaakt; hij stelt
de rechtstreekse dagvaarding tegen de tegenpartij
op, en deze wordt via de gerechtsdeurwaarder betekend;
zo wordt tegenpartij evenzeer als uzelf een beklaagde
voor de (politie- of correctionele) rechtbank, die
op deze wijze de tegenpartij kan veroordelen zowel
op strafrechtelijk gebied (bvb. een geldboete en
rijverbod) als op burgerrechtelijk gebied (dus om
aan u of anderen een schadevergoeding te betalen)
...
8.
Verjaring
van de strafvordering (alsook van
de burgerlijke vordering en
van
de straffen)
8.1
De verjaringstermijnen
8.11
Wanneer men spreekt van de verjaring van een misdrijf,
bedoelt men in werkelijkheid de verjaring van de
strafvordering voor de (strafbare) feiten. Van zodra
de strafvordering is verjaard kan de beschuldigde
niet meer worden veroordeeld voor de begane misdrijven
; mogelijks kan hij dan wel nog worden veroordeeld
tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit
zijn misdrijf, maar dit wordt elders besproken (zie
De
verjaring van de vordering tot schadevergoeding).
Het
gaat hier om een ingewikkelde aangelegenheid, zeker
nu de wetgever de laatste jaren meerdere wetswijzigingen
betreffende de verjaring heeft doorgevoerd.
Om
na te gaan of een misdrijf (zijnde een strafbaar
feit, inbegrepen een verkeersovertreding) verjaard
is moet men de volgende stappen zetten :
- 1°
wat zijn de strafbare feiten en als welk misdrijf
kunnen zij worden gecatalogeerd ?; immers, de
verjaringstermijn is verschillend naargelang de
categorie van misdrijven (zie verder onder nr.
8.12);
- 2°
wat is de wettelijke verjaringstermijn voor dit
misdrijf ? ;
- 3°
wat is de laatst nuttige stuitingsdaad geweest
? ;
- 4°
op welke datum zou de verjaring zijn tussengekomen,
wel rekening gehouden met de stuiting maar niet
met de schorsing ? ;
- 5°
wat is de duur van de schorsing geweest ? ; tel
deze duur bij de voormelde datum van de verjaring
zonder schorsing ; bekomt men op die wijze een
datum in de toekomst, dan is er nog geen verjaring;
- 6°
op welke dag kan ten vroegste het vonnis worden
geveld?.
Bovenstaande
stappen voor de berekening van de verjaringsduur
worden hieronder uitgelegd, vanzelfsprekend vooral
binnen het kader van de verkeersovertredingen (en
de onopzettelijke slagen of verwondingen).
8.12
De belangrijkste verjaringstermijnen die binnen
het kader van verkeersongevallen van belang zijn
worden hieronder opgesomd.
Artikel 68 van de Wet betreffende de politie over
het wegverkeer van 16 maart 1968 (Verkeerswet):
"De strafvordering die het gevolg is van een overtreding
van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan
vastgestelde besluiten, verjaart door verloop
van een jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding
is begaan".
Deze
rechtsregel vervolgt dat de verjaringstermijn
evenwel drie jaar te rekenen van de dag waarop
de overtreding is begaan bedraagt
voor overtredingen van artikel 30, § 1 (en § 3),
33, 34, § 2(, 35 en 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6°),
zijnde voor bepaalde inbreuken inzake het rijbewijs,
vluchtmisdrijf, alcoholconcentratie van ten minste
0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire
lucht of dronkenschap en soortgelijke.
Voor
onopzettelijke slagen of verwondingen is de verjaringstermijn
5 jaar.
De
belangrijkste verjaringstermijnen inzake wegverkeer
zijn meerbepaald de volgende :
a.
in principe één jaar (voor
de snelheidsovertredingen en voor de overtredingen
van de eerste tot de vierde graad, meer bepaalde
inbreuken betreffende het rijbewijs, e.a.) ;
b.
drie jaar voor :
*
rijden zonder rijbewijs (art. 30.1.1 van de
Wegverkeerswet), een valse verklaring bij de
afgifte van het rijbewijs (art. 30.1.3) en het
rijden met lichaamsgebreken of met een aandoening
(art. 30.1.4) ;
* rijden ondanks onmiddellijke intrekking van
het rijbewijs (art. 30.3 Wegverkeerswet) ;
* vluchtmisdrijf (ongeacht of al dan niet met
slagen of dood) (art. 33) ;
* alcoholintoxicatie van minstens 0,35 mg/l
(= 0,8 pro mille) (bij lagere intocixatie: één
jaar), rijden na verbod wegens intoxicatie,
weigering van de alcoholintoxicatietest, de
niet-afgifte van het rijbewijs zoals bepaald
bij art. 61 Wegverkeerswet, en dronkenschap
(art. 34.2 en 35 Wegverkeerswet) ;
* een persoon die duidelijke tekens van alcoholintoxicatie
vertoont aanzetten tot sturen of begeleiden,
of hem een voertuig toevertrouwen (art. 37 WVW)
;
c.
vijf jaar voor :
*
wanbedrijven (en gecorrectionaliseerde misdaden),
zoals i.h.b. onvrijwillige slagen of verwondingen
(art. 420 Strafwetboek), ook als dit de dood
tot gevolg heeft (art. 419 Strafwetboek) ;
* niet-verzekerd rijden (art. 22 W.A.M.) ;
* inbreuken betreffende de technische eisen
aan het voertuig (zoals autoschouwing) (Wet
van 21 juni 1985) ;
* inbreuken (zoals het rijden zonder vervoersbewijs)
betreffende spoorwegen (Wet van 4 april 1895)
en betreffende het andere openbaar vervoer (K.B.
15 september 1976).
De
meeste verkeersovertredingen verjaren dus na 1 jaar
(te rekenen vanaf deze overtreding).
8.13
Elk misdrijf behoudt zijn eigen verjaringstermijn,
ook bij eendaadse samenloop en bij samenhang. Zo
kan de rechter tegenover de beklaagde moeten constateren
dat bepaalde tenlasteleggingen zijn verjaard en
andere niet, hoewel het gaat om één
en hetzelfde ongeval.
Bijvoorbeeld
: een dronken bestuurder heeft op
15 april 2008 een
STOP-bord genegeerd en daardoor een motorfietser
omvergereden; voor de onopzettelijke slagen beloopt
de verjaringstermijn 5 jaar, voor de dronkenschap
3 jaar, en 1 jaar voor de andere verkeersovertredingen
(niet stoppen en een voorzienbare hindernis aanrijden).
Voor
deze verkeersovertredingen moet de beklaagde dus
zijn veroordeeld ten laatste binnen het jaar.
Evenwel
is er :
8.2
De verlenging van de verjaringstermijn
door schorsing en/of stuiting
De
verjaringstermijnen worden om uiteenlopende redenen
geschorst (waardoor de verjaring tijdelijk
niet meer verderloopt) of gestuit (waardoor
de verjaringstermijn opnieuw vanaf nul herbegint).
8.21
Bij stuiting wordt de lopende verjaring
onderbroken en herbegint de verjaringstermijn opnieuw
(dus voor een duur die gelijk is aan de oorspronkelijke
verjaringstermijn). De stuiting van de verjaring
kan slechts één keer worden toegepast
en zij moet gebeuren voordat de eerste verjaringstermijn
verstreken is.
Er
bestaan slechts twee soorten stuitingsdaden, nl.
:
a.
daden van onderzoek : elke daad
gesteld door een bevoegd persoon om het strafdossier
samen te stellen ; voorbeelden: een proces-verbaal
van de politie – een kantschrift van een
parketmagistraat om aan de gemeente inlichtingen
te vragen – een vraag van een parketmagistraat
aan een vertaler om bepaalde stukken te vertalen
– de behandeling van de zaak ter zitting
– een tussenvonnis om aan de partijen toe
te laten bijkomende bewijzen voor te leggen;
het
is belangrijk dat de onderzoeksdaad is gesteld
door een persoon die wettelijk bevoegd is om
het onderzoek te verrichten, zoals de rechter,
een parketmagistraat, en de politie ; zo kunnen
niet worden beschouwd als daden van onderzoek
en zullen zij dus niet de verjaring stuiten:
de neerlegging van een verslag door de gerechtsdeskundige,
de overmaking van een dossier door een griffier,
en soortgelijke daden door personen die niet
bevoegd zijn voor onderzoeksdaden;
b.
daden van vervolging : een bevoegd
persoon oefent de strafvervolging uit of zet deze
verder; bvb.: de dagvaarding door de Procureur
des Konings, de beslissing door de rechter om
de zaak te verdagen, de rechtstreekse dagvaarding
door een burgerlijke partij, het hoger beroep
aangetekend door het Openbaar Ministerie, het
vonnis zelf, de opdracht tot betekening van een
verstekvonnis en deze betekening zelf.
Art.
22. Wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande
Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.
Sv.): "De verjaring van de strafvordering
wordt slechts gestuit door daden van onderzoek
of van vervolging, verricht binnen (de in artikel
21 bepaalde termijn).
Met die daden begint een nieuwe termijn van
gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van
personen die daarbij niet betrokken waren".
Een
voorbeeld : een verkeersovertreding (met verjaringstermijn
van één jaar) wordt begaan op 15
april 2008. Op 10 april 2009 wordt de laatste
stuitingsdaad binnen de eerste termijn van één
jaar gesteld ; op 10 april 2010 is het misdrijf
verjaard en kan de Politierechtbank dus geen veroordeling
meer uitspreken.
Wordt de beklaagde door de Politierechtbank bvb.
pas op 29 maart 2010 veroordeeld, dan zal hij
voor de verkeersovertreding moeten worden vrijgesproken
als hij hoger beroep aantekent. Immers, de beroepstermijn
is 15 dagen, te vermeerderen met de meerdere dagen
nodig om de zitting in hoger beroep te laten doorgaan.
8.22
Bij
schorsing loopt de verjaring niet
verder gedurende een zekere termijn. De schorsing
is dus enkel maar een soort oponthoud in de loop
van de verjaring, nl. vanaf het ontstaan van de
grond van schorsing totdat deze grond wegvalt (waarna
de verjaring weer verder loopt).
Van
schorsing is sprake wanneer een wettelijk beletsel
bestaat om de strafvordering in te stellen of uit
te oefenen, of wanneer de wet schorsing voorziet.
Voorbeelden
van gronden van schorsing van de verjaring :
a.
de behandeling van een exceptie (verweer) van
onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid
opgeworpen door de beklaagde, de burgelijke partij
of de burgerlijk aansprakelijke partij (maar niet
door het Openbaar Ministerie) ; de voorwaarde
is wel dat de exceptie wordt verworpen (art. 24,
al. 2 V.T. Sv.) ;
b. tevens schorsing vanaf de dag dat de zaak wegens
een prejudicieel geschil wordt verwezen naar het
hiervoor bevoegde rechtscollege (i.h.b. het Grondwettelijk
Hof) tot de dag waarop dit rechtscollege haar
uitspraak ter kennis heeft gebracht aan de rechtbank
;
c. indien de rechtbank een veroordeling opschort
op grond van de Probatiewet wordt de verjaring
geschorst vanaf de dag waarop het vonnis in kracht
van gewijsde is getreden, over de volledige duurtijd
van de vastgelegde proefperiode ;
d. tevens schorsing gedurende de buitengewone
termijn van verzet, nl. vanaf het verstrijken
van de gewone termijn van verzet (15 dagen na
de betekening van het verstekvonnis) tot de dag
waarop het verzet is aangetekend ; deze schorsing
werkt ook t.a.v. de andere mededaders en medeplichtingen
aan dezelfde of samenhangende feiten ;
e. tenslotte ook schorsing bij cassatieberoep,
nl. vanaf de dag van de bestreden uitspraak tot
de dag waarop het cassatie-arrest wordt geveld,
en mits het cassatieberoep ontvankelijk wordt
verklaard.
Zo
wordt de verjaring geschorst door een klacht wegens
valsheid (van de getuigenis of van het proces-verbaal),
een verweer door de beklaagde betreffende de ontvankelijkheid
van de strafvordering of betreffende de bevoegdheid
van de rechtbank, de buitengewone verzetstermijn,
het cassatieberoep, …
Anders
dan bij stuiting kan de schorsing gebeuren buiten
de oorspronkelijke verjaringstermijn, dus binnen
de termijn die werd toegevoegd ingevolge stuiting.
Art. 24. "De verjaring van de strafvordering
is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer
er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling
of de uitoefening van de strafvordering verhindert.
Gedurende de behandeling van een door de verdachte,
de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk
aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht
opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid
of nietigheid is de strafvordering geschorst.
Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond
verklaart of indien de beslissing over de exceptie
bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring
niet geschorst."
8.23
Om dus te berekenen of men voor een bepaald misdrijf
(i.h.b. een verkeersinbreuk) nog kan worden veroordeeld
dient men eerst de verjaringsduur te bepalen rekening
gehouden met de laatste nuttige stuitingsdaad maar
niet met de schorsingsgronden en dient men vervolgens
daarbij het aantal dagen van schorsing te tellen.
In
het hierboven gegeven voorbeeld zou de verjaring
zijn tussengekomen op 10 april 2010. Veronderstel
evenwel dat schorsing van de verjaring is gebeurd
vanaf 1 januari t.e.m. 1 februari 2010, dan wordt
kwestieuze termijn verlengd met 31 dagen (zodat
in het voorbeeld pas verjaring tussenkomt op 10
april 2008 + 31 dagen, hetzij op 11 mei 2010).
8.3
Eigenschappen
van de verjaring van de strafvordering
Bovenstaande
verjaringsregels, inbegrepen deze betreffende de
schorsing en de stuiting, werken t.a.v. het misdrijf
en dus niet t.a.v. de daders (met andere woorden
de stuiting van de verjaring werkt in rem
en niet in personam). Duidelijker gesteld
: de rechter moet niet nagaan of het misdrijf verjaard
is tegenover die welbepaalde persoon, maar wel of
de begane misdrijven op zichzelf verjaard zijn (zie
het zopas aangehaalde art. 22 : "... zelfs
ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken
waren").
Een
praktisch voorbeeld : A wordt beschuldigd van
een snelheidsovertreding ; hij laat verstek gaan
en de zitting na zijn verzet gaat door 18 maand
na de snelheidsovertreding ; op deze zitting laat
hij weten dat niet hijzelf maar zijn vrouw de
overtreding heeft begaan ; hoewel tegen deze vrouw
nooit een vervolging werd ingesteld, kan deze
toch niet argumenteren dat tegenover haar de verjaringstermijn
is overschreden (want de verjaring werkt enkel
t.a.v. de feiten, dus de misdrijven, en niet t.a.v.
personen).
Bovendien
heeft de stuiting van de verjaring voor een welbepaald
misdrijf dezelfde gevolgen voor alle misdrijven
die met dit welbepaald misdrijf nauw zijn verbonden
door intrinsieke samenhang.
8.4
De verjaring van de burgerlijke
vordering
Zolang
de strafvordering niet is verjaard is dit evenmin
het geval voor de burgerlijke vordering (tot schadevergoeding).
Art. 26 : "De burgerlijke rechtsvordering
volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels
van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere
wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering
tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet
verjaren vóór de strafvordering."
Zolang
er op strafrechtelijk gebied geen definitieve veroordeling
is gevallen, wordt de burgerlijke vordering geschorst.
De burgerlijke rechtbank (in het bijzonder de Politierechtbank
zetelend in burgerlijke zaken of de Rechtbank van
Eerste Aanleg) kan daarom niet over uw vordering
tot schadevergoeding oordelen zolang er op strafrechtelijk
gebied geen uitspraak is tussengekomen ("le
criminel tient le civil en état").
Art.
4, alinea 1 van de Voorafgaande Titel van het
Wetboek van Strafvordering: "De burgerlijke
rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde
rechters vervolgd worden als de strafvordering.
Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in
dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief
is beslist over de strafvordering die vóór of
gedurende de burgerlijke rechtsvordering is
ingesteld".
Een
belangrijke uitzondering : een onderzoeksmaatregel,
zoals de aanstelling van een gerechtsdeskundige*,
kan wel worden toegekend door de burgerlijke rechtbank,
hoewel nog geen strafrechtelijk vonnis is geveld
(zie art. 19, al. 2 Gerechtelijk Wetboek).
Let
op: soms is de vordering tot schadevergoeding
wel verjaard tegenover de dader maar niet tegenover
diens B.A.-verzekeraar, of omgekeerd.
Als
de benadeelde zich burgerlijke partij heeft gesteld
voor de strafrechter, voordat de strafvordering
vervallen is door verjaring, verjaart zijn burgerlijke
vordering niet meer. Het kan dus gebeuren dat de
strafrechter alle tenlasteleggingen verjaard verklaart,
maar op burgerrechtelijk gebied toch moet oordelen
over de schadevergoeding.
Zie
over de verjaring van de vordering tot schadevergoeding
het hoofdstuk "Mogelijke vergoedingen" onder nr.
12.
De verjaring van de vordering tot schadevergoeding.
8.5
De verjaring van de opgelegde
straffen
Daarnaast
kunnen de straffen die door de
rechter werden uitgesproken verjaren.
Art. 92 van het Strafwetboek (S.W.) van 8 juni
1867: Correctionele straffen verjaren door verloop
van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening
van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen
vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in
eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden
bestreden bij wege van hoger beroep.
Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven
gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.
Art. 93 S.W.: Politiestraffen verjaren door verloop
van een jaar, te rekenen van de tijdstippen, in
het vorige artikel vastgesteld.
Art. 94 S.W.: De straffen (...) van geldboete
en van bijzondere verbeurdverklaring verjaren
door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde
termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens
misdaden, wanbedrijven of overtredingen.
|
e.
Hoe
verloopt een gerechtelijke
procedure ?
9.
De bevoegde rechtbanken
De
Politierechtbank -
zetelend in strafzaken ofwel in burgerlijke zaken
- is bevoegd op het gebied van verkeersongevallen,
zijnde het onderwerp dat op deze website wordt behandeld.
In hoger beroep worden dergelijke zaken behandeld
door de Rechtbank van Eerste Aanleg, zijnde deze
zetelend ofwel in strafzaken (en dan "Correctionele
Rechtbank" genoemd) ofwel in burgerlijke zaken (en
dan eenvoudigweg "Rechtbank van Eerste Aanleg" genoemd).
Naargelang
het geval kunnen voor burgerlijke zaken echter meerdere
andere rechtbanken bevoegd zijn, in het bijzonder
het Vredegerecht, de Rechtbank van Eerste Aanleg,
de Rechtbank van Koophandel en de Arbeidsrechtbank.
Bij hoogdringendheid, bvb. wanneer zonder verder
uitstel een gerechtsdeskundige* moet worden aangesteld,
kan men een procedure in kort geding (voor de Voorzitter)
aanvatten.
10.
De verschillende stappen in
de afhandeling van een burgerlijke procedure
Het normale verloop van een
burgerlijke (d.w.z. niet-strafrechtelijke)
zaak, voor één van de zopas opgesomde rechtbanken,
kan als volgt worden geschetst (art. 735 tot 754
Gerechtelijk Wetboek) :
1°
onderhandelingen
(= nastreven van een minnelijke regeling) ;
2°
via een exploot van dagvaarding (betekend door
een gerechtsdeurwaarder) of via een akte tot vrijwillige
verschijning (waarvan de volledige tekst gezamenlijk
door de betrokken advocaten is opgesteld) wordt
de zaak ingeleid
voor de bevoegde rechtbank ;
3°
op de inleidende zitting (normalerwijze ongeveer
2 weken na de dagvaarding) wordt de zaak meestal
naar de rol verzonden, d.w.z. onbepaald
uitgesteld ; ofwel wordt op deze zitting
de procedurekalender vastgelegd en wordt dus geregeld
tegen welke data de conclusies van de partijen
moeten zijn meegedeeld;
belangrijkste
uitzonderingen :
-op
de inleidende zitting kan een gedeeltelijke
uitspraak, zoals de toekenning van een provisionele
vergoeding (dus een voorschot) of de aanstelling
van een gerechtsdeskundige, worden bekomen ingeval
terzake slechts korte debatten nodig zijn ;
-een volledige beoordeling en dus een definitieve
uitspraak kan worden bekomen ingeval tegenpartij
verstek * laat gaan (dus niet optreedt als partij)
;
-in zover er een akkoord tussen de partijen
bestaat moet de rechter dit in principe respecteren
;
4°
de eiser, die de dagvaarding heeft uitgestuurd
en die een bedrag of iets anders vordert, moet
eerst alle aangewende bewijsstukken overmaken
aan tegenpartij, de verweerder ; aan deze vraagt
hij tezelfdertijd om te concluderen
(d.w.z. de argumenten schriftelijk kenbaar te
maken) binnen de wettelijke termijn, zijnde één
maand ; in de praktijk verleent (de advocaat van)
eiser aan (de advocaat van) verweerder een langere
termijn, nl. van minstens 2 maanden;
5°
blijkt tegenpartij na deze termijn nog niet te
hebben geconcludeerd, dan zal eiser de regeling
van de procedure (een "rechtsdag")
aanvragen (indien dit nog niet op de inleidende
zitting zou zijn geregeld); dit betekent dat hij
een verzoekschrift neerlegt ter griffie, waarbij
hij aan de voorzitter verzoekt om de data vast
te leggen tegen dewelke de betrokken partijen
uiterlijk moeten hebben geconcludeerd en om tevens
de datum van de pleitzitting te bepalen (ofwel
om enkel de datum vast te leggen tegen dewelke
tegenpartij moet hebben geconcludeerd);
6° meestal volgt
relatief kort daarna de uitspraak waarbij voormeld
verzoek wordt ingewilligd;
7°
zou een partij zijn conclusie
niet ter griffie hebben neergelegd voor de einddatum
daarvoor voorzien in deze uitspraak, dan wordt
de - te laat overgemaakte - conclusie uit de debatten
geweerd, dus als onbestaande beschouwd ; maar
meestal zal de advocaat van de andere partij uit
confraternaliteit aan de voorzitter vragen om
deze zware sanctie achterwege te laten;
8°
op de pleitzitting
mogen de partijen enige mondelinge toelichting
geven ; indien de aansprakelijkheid niet (meer)
wordt betwist, dan wordt meestal geen dergelijke
mondelinge uitleg meer gegeven en dan verwijzen
de partijen louter naar de bewijsstukken en de
conclusies;
9°
(meestal meerdere maanden later:) vonnis;
10°
eventueel : hoger beroep
; de termijn om hoger beroep te mogen aantekenen
is één maand, te rekenen vanaf de dag waarop het
vonnis (via gerechtsdeurwaarder) is betekend;
Let
wel op
: tegen de uitspraak van een strafrechtbank
mogen de beklaagden én de benadeelden (die zich
burgerlijke partij hebben gesteld) slechts hoger
beroep aantekenen gedurende een termijn van 15
dagen, te rekenen vanaf de datum van
het vonnis (en dus zonder dat betekening nodig
is !)
11°
in hoger beroep wordt de zaak volledig opnieuw
beoordeeld (in de mate dat hoger beroep is aangetekend);
12°
in uitzonderlijke gevallen, die geen betrekking
mogen hebben op de feiten, kan na het hoger beroep
nog cassatieberoep worden aangetekend.
Noten:
1.
Op om het even welk ogenblik kunnen de partijen
het geschil tussen hen en de hangende procedure
vrijwillig beëindigen (ook bvb. na de pleitzitting
in hoger beroep); dit kan meerbepaald doordat
de partijen een dading * sluiten, zijnde een
overeenkomst die definitief de rechten en plichten
van de partijen tegenover elkaar vastlegt, bij
wederzijdse toegevingen, en die zo een einde
maakt aan het geschil.
2.
De vordering van een benadeelde die zich burgerlijke
partij heeft gesteld voor de Strafrechtbank
volgt niet de regels van de burgerlijke procedure
maar wel deze van de strafrechtelijke procedure.
Naar
boven
|
C.
DE VERDEDIGING
(van de benadeelde of van de overtreder)
|
f.
De aanstelling van
een advocaat
11. Voor velen is het tussenroepen van
een eigen raadsman (= advocaat) nog steeds een grote
stap.
11.1
Het nut van een advocaat
Besef
dat enkel deskundige begeleiding vanwege een vertrouwenspersoon
voldoende waarborgen op een passende schadevergoeding
biedt. Wie anders dan een advocaat met ervaring
op het gebied van schadeloosstellingen kan op
een degelijke wijze een voorstel tot minnelijke
regeling beoordelen ?
Meestal
bezit uw makelaar - ondanks zijn beste bedoelingen
- ter zake niet voldoende juridische kennis noch
tijd; in zekere mate geldt dit ook voor (de dossierbeheerder
van) de rechtsbijstandverzekeraar, die er bovendien
alle belang bij heeft dat de verzekerde geen -
dure - gerechtelijke procedure aanvat...
Van
groot belang is wel dat u vertrouwen heeft in
uw advocaat (vooral wat diens kennis en inzet
betreft) en dat u goed kan samenwerken met uw
advocaat. Deze moet voldoende naar u luisteren,
moet u degelijk adviseren, en moet u uitleggen
wat u moet en (niet) mag doen, welke bewijsstukken
nodig zijn en waarom, hoe alles zal verlopen,
...
11.2 Betaling
van het honorarium door uw rechtsbijstandsverzekeraar
Besef
trouwens dat de kosten van een advocaat - in de
meeste gevallen - volledig worden betaald
door uw rechtsbijstandverzekeraar. Zie
ook : Uw
advocaat en uw rechtsbijstandsverzekeraar.
Het
is thans wel meestal zo dat de rechtsbijstandverzekeraars
zich lange tijd tussen u en uw advocaat wringen,
met de voorgehouden nobele bedoeling de afhandeling
in der minne na te streven maar met als werkelijke
hoofdbedoeling hun uitgaven beperkt te houden.
11.3 Wetteksten
betreffende de tussenkomst van een advocaat op kosten
van de rechtsbijstandsverzekeraar
Art.
92 en 93 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst,
afgekort “W.L.O.”, bespreken de
verplichtingen van de rechtsbijstandverzekeraar.
Art.
92 W.L.O.: “Vrije keuze van raadslieden.
In elke verzekeringsovereenkomst inzake rechtsbijstand
moet uitdrukkelijk ten minste worden bepaald dat:
1° wanneer moet worden overgegaan tot een gerechtelijke
of administratieve procedure, de verzekerde vrij
is in de keuze van een advocaat of van iedere
andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft
krachtens de op de procedure toepasselijke wet
om zijn belangen te verdedigen, te vertegenwoordigen
of te behartigen ;
2° telkens er zich een belangenconflict met zijn
verzekeraar voordoet, de verzekerde vrij is in
de keuze van een advocaat of zo hij er de voorkeur
aan geeft, iedere andere persoon die de vereiste
kwalificaties heeft krachtens de op de procedure
toepasselijke wet om zijn belangen te verdedigen”.
De
rechtsbijstandverzekeraar heeft dus de verplichting
om u toe te staan dat u op haar kosten een advocaat
tussenroept, naar uw eigen vrije keuze aangeduid,
van zodra een procedure moet worden gevoerd of van
zodra een belangenconflict met de verzekeringsmaatschappij
bestaat. Maar meestal werpt de rechtsbijstandsverzekeraar
zo lang mogelijk op dat zijzelf al het nodige zal
doen om uw belangen te verdedigen en dat u dus -
voorlopig (?) - geen advocaat nodig heeft...
Art.
93 W.L.O. : “Recht van de verzekeraar
om dekking te weigeren.
De
verzekerde, bij verschil van mening met zijn verzekeraar
over de gedragslijn die zal worden gevolgd voor
de regeling van het schadegeval en na kennisgeving
door de verzekeraar van diens standpunt of van
diens weigering om de stelling van de verzekerde
te volgen, heeft het recht een advocaat van zijn
keuze te raadplegen onverminderd de mogelijkheid
om een rechtsvordering in te stellen.
Zo de advocaat het standpunt van de verzekeraar
bevestigt wordt aan de verzekerde de helft terugbetaald
van de kosten en honoraria van deze raadpleging.
Indien tegen het advies van deze advocaat de verzekerde
op zijn kosten een procedure begint en een beter
resultaat bekomt dan hetgeen hij zou hebben bekomen
indien hij het standpunt van de verzekeraar zou
hebben gevolgd, is de verzekeraar die de stelling
van de verzekerde niet heeft willen volgen gehouden
zijn dekking te verlenen en de kosten van de raadpleging
terug te betalen die ten laste van de verzekerde
zouden zijn gebleven.
Indien
de geraadpleegde advocaat de stelling van de verzekerde
bevestigt, is de verzekeraar, ongeacht de afloop
van de procedure, ertoe gehouden zijn dekking
te verlenen met inbegrip van de kosten
en de honoraria van de raadpleging”.
De
rechtsbijstandverzekeraar moet volgens de wet in
elk geval alle kosten van een gerechtelijke procedure
dragen van zodra uw advocaat "de stelling van
de verzekerde bevestigt"; dus van zodra uw
advocaat van oordeel is dat u terecht een vordering
stelt en hiervoor (eventueel) een gerechtelijke
procedure wenst te voeren moet uw rechtsbijstandsverzekeraar
de kosten van verdediging betalen (art. 93, laatste
alinea, W.L.O.). Ook de kosten van het juridisch
advies en dergelijke moeten dan door de rechtsbijstandverzekeraar
worden gedragen.
Soms
beweert een rechtsbijstandsverzekeraar dat zij enkel
maar de helft van de kosten van verdediging, zoals
de kosten voor uw advocaat en voor uw raadsgeneesheer,
moet betalen als uw advocaat geen beter resultaat
behaalt. Maar de wet is duidelijk: uw rechtsbijstandsverzekeraar
moet niet slechts de helft maar wel de totaliteit
van deze verdedigingskosten betalen; de enige voorwaarde
is dat uw advocaat met uw zienswijze akkoord gaat
(bvb. dat uw advocaat laat weten dat volgens hem
een gerechtelijke procedure inderdaad gerechtvaardigd
is).
De
verzekeringsmaatschappij mag overigens geen advocaat
aan u opdringen: u mag volledig naar uw eigen vrije
keuze een advocaat aanduiden. Art. 92 W.L.O. waarborgt
aan het slachtoffer immers de volledige vrije
keuze van advocaat.
TIP:
Maak daarvan ten volle gebruik. Laat de keuze
niet over aan de verzekeringsmaatschappij. Stel
zelf een advocaat aan, die kennis en ervaring
bezit aangaande het specifieke terrein van het
recht dat van toepassing is voor u.
Ook
advocaten kunnen tegenwoordig niet àl de nieuwe
wetgeving en rechtspraak kennen.
11.4 De
terugbetaling van de advocatenkosten door de verliezende
partij
*
Geniet
u geen dekking in rechtsbijstand, dan dient u rekening
te houden met de nieuwe regeling betreffende de
terugbetaling van de advocatenkosten
(Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid
van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad
van 31 mei 2007, tweede editie, en Koninklijk
besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van
het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld
in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek", van
kracht vanaf 1/1/08).
Bij
deze regeling wordt de
verliezende partij veroordeeld tot een zeker bedrag,
als forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen
van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Deze tegemoetkoming (dus gedeeltelijke terugbetaling)
wordt aangeduid met de term "rechtsplegingsvergoeding",
die als gedingkosten worden beschouwd.
TITEL
IV – UITGAVEN EN KOSTEN
Artikel
1017 Gerechtelijk Wetboek: "Tenzij bijzondere
wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis,
zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde
partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst
tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend
is, wordt de (arbeidsongevallenverzekeraar)
steeds in de kosten verwezen.
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de
rechter het raadzaam oordeelt (...).
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing
inzake kosten steeds aangehouden".
Artikel 1018: "De kosten omvatten:
(...)6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald
in artikel 1022;
(...)"
Art.
1022: "De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire
tegemoetkoming in de kosten en erelonen van
de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
(...)
Op
verzoek van een van de partijen en op een met
bijzondere redenen omklede beslissing, kan de
rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel
die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde
maximum- en minimumbedragen te overschrijden.
Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening
met :
- de financiële draagkracht van de verliezende
partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor
de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
(...)".
*
Het
Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling
van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld
in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" (van
kracht vanaf 1/1/08) heeft de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding
vastgelegd.
Art.
10 K.B. (Koninklijk
besluit van 26 oktober 2007):
"Treden in werking op 1 januari 2008 :
- De artikelen 1 tot en met 13 van de wet van
21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van
de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat
- Dit besluit".
Deze
forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen
van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij
(zie art. 1022 Gerechtelijk Wetboek) verschilt naargelang
de volgende gegevens :
a.
eerst wordt een onderscheid gemaakt naargelang
de som van de vordering ; het
gaat hier om de hoofdsom vermeerderd met de vergoedende
intrest (maar niet met de gedingkosten), volgens
de laatste conclusie (zie art. 618 Ger. W. en
ook art. 557 tot 562 Ger. W.) ; naargelang de
hoogte van voormelde som zijn categorieën van
rechtsplegingsvergoeding voorzien (per schijf);
Art.
2 K.B. : (...)
Voor de toepassing van dit artikel wordt het
bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig
de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk
Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid
en de aanleg. (...)
Art. 560 Ger.W.: Wanneer een of meer eisers
optreden tegen een of meer verweerders, wordt
de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde
som, ongeacht ieders aandeel daarin.
Art.
618 Ger.W.: De regels gesteld bij de artikelen
557 tot 562 gelden voor het bepalen van de
aanleg.
Indien de vordering in de loop van het geding
gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door
de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.
b.
elk van deze categorieën van rechtplegingsvergoeding
bestaat uit 3 bedragen, nl. 1° een basisbedrag,
zijnde de rechtsplegingsvergoeding die doorgaans
dient te worden toegekend, 2° een minimumbedrag,
die zal worden toegepast wanneer het geschil zeer
eenvoudig kon worden opgelost of wanneer verstek
werd verleend (omdat de tegenpartij niet is verschenen),
en 3° een maximumbedrag, dat
enkel wordt toegestaan wanneer de zaak moeilijk
en complex is geweest ; de
toe te kennen rechtsplegingsvergoeding werd door
de wetgever met telkens een grote vork bepaald,
met als geringste bedrag 75 €
en als hoogste 30.000 €; maar
zelfs als de vordering meerdere miljoenen euro
bedraagt kan de rechter de rechtsplegingvergoeding
bepalen op (het minimum t.b.v.) 1.000 €;
c.
de rechter moet bij de bepaling van de hoogte
van de rechtsplegingsvergoeding meerbepaald rekening
houden 1° met de financiële draagkracht van de
verliezende partij (om het bedrag van de vergoeding
te verminderen), 2° met de complexiteit van de
zaak, 3° met de contractueel bepaalde vergoedingen
voor de in het gelijk gestelde partij, en 4° met
het kennelijk onredelijk karakter van de situatie
(zie art. 1022 Ger. W.);
d.
voormelde
bedragen van de rechtsplegingsvergoeding zijn
gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
De
bedragen van de RPV (rechtsplegingsvergoeding)
zijn meerbepaald:
| Vordering |
Basisbedrag |
Minimum |
Maximum |
|
*
tot 250,00 € |
150,00
€ |
75,00
€ |
300,00
€ |
| *
van
250,01 tot 750,00 € |
200,00
€ |
125,00
€ |
500,00
€ |
| *
van
750,01 tot 2.500,00 € |
400,00
€ |
200,00
€ |
1.000,00
€ |
| *
van
2.500,01 tot 5.000,00 € |
650,00
€ |
375,00
€ |
1.500,00
€ |
| *
van
5.000,01 tot 10.000,00 € |
900,00
€ |
500,00
€ |
2.000,00
€ |
| *
van
10.000,01 tot 20.000,00 € |
1.100,00
€ |
625,00
€ |
2.500,00
€ |
| *
van
20.000,01 tot 40.000,00 € |
2.000,00
€ |
1.000,00
€ |
4.000,00
€ |
| *
van
40.000,01 tot 60.000,00 € |
2.500,00
€ |
1.000,00
€ |
5.000,00
€ |
| *
van
60.000,01 € tot 100.000 € |
3.000,00
€ |
1.000,00
€ |
6.000,00
€ |
| *
van
100.000,01 tot 250.000 € |
5.000,00
€ |
1.000,00
€ |
10.000,00
€ |
| *
van
250.000,01 tot 500.000 € |
7.000,00
€ |
1.000,00
€ |
14.000,00
€ |
| *
van
500.000,01 tot 1.000.000 € |
10.000,00
€ |
1.000,00
€ |
20.000,00
€ |
| *
meer
dan 1.000.000 € |
15.000,00
€ |
1.000,00
€ |
30.000,00
€ |
| * Niet
in geld waardeerbaar |
1.200,00
€ |
75,00
€ |
10.000,00
€ |
Koninklijk
besluit van 26 oktober 2007
tot
vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding:
Art.
3 K.B.: "Voor de geschillen die betrekking
hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen
bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding
1.200 euro, het minimum bedrag 75 euro en
het maximum bedrag 10.000 euro" .
Art. 6 K.B.: "Wanneer de zaak wordt afgesloten
met een beslissing gewezen bij verstek, en
geen enkele in het ongelijk gestelde partij
ooit is verschenen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding
dat van de minimumvergoeding".
Conform art. 8 van het voormelde KB van 26 oktober
2007 worden de rechtsplegingsvergoedingen verhoogd
(of veminderd) met 10 % telkens het indexcijfer
van de consumptieprijzen stijgt (of daalt) met
10 punten t.o.v. het indexcijfer 105,78 (basis
2004). Het indexcijfer van februari 2011 is
116,33, zodat de rechtsplegingsvergoedingen
vanaf 1 maart 2011 worden verhoogd met 10 %.
De situatie na deze verhoging: 150 wordt 165,00
€,75 wordt 82,50 €, 300 wordt 330,00
€, enzoverder.
Bij volledige betaling vóór inschrijving
op de rol: geen rechtsplegingsvergoeding.
Bij volledige betaling na inschrijving op de rol:
1/4 van het basisbedrag, met een maximum van 1.100
€.
*
Merkwaardig
is het feit dat de wetgever voormelde rechtsplegingsvergoeding
ook heeft voorzien voor burgerlijke vorderingen
bij een strafrechtelijke procedure (terwijl voordien
geen R.P.V. bestond bij een strafrechtelijke procedure).
Indien klacht met burgerlijke-partijstelling voor
de onderzoeksrechter werd ingediend of wanneer
een burgerlijke partij een vordering heeft gesteld
tegen de beklaagde (d.m.v. burgerlijke-partijstelling
of d.m.v. rechtstreekse dagvaarding), dan moet
de verliezende partij dus ook bovenstaande R.P.V.
betalen (art. 128, 162bis, 194, 211 en 369bis
van het Wetboek van Strafvordering).
Uitzondering: wordt de beklaagde vrijgesproken,
dan moet de benadeelde enkel de R.P.V. betalen
als hij de strafrechtelijke procedure zelf in
gang heeft gezet.
WETBOEK
VAN STRAFVORDERING
Artikel 128: "Indien de raadkamer van oordeel
is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf,
noch een overtreding oplevert, of dat tegen
de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat,
verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.
In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid
door de burgerlijke partijstelling in handen
van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke
partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggstelde
betalen van de vergoeding bedoeld in artikel
1022 van het Gerechtelijk Wetboek".
[…]
Art. 162bis : "Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken
tegen de beklaagde en tegen de personen die
voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk
zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de
burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding
bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk
Wetboek.
De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft
gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld,
zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde
betalen van de vergoeding bedoeld in artikel
1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
De vergoeding wordt bepaald door het vonnis".
*
In
strijd met het bovenstaande moet worden beklemtoond
dat de rechtsplegingsvergoedingen véél lager liggen
voor arbeidsrechtelijke geschillen.
Dan ligt het basisbedrag maar tussen 36,46 en
291,50 €, terwijl het hoogste maximumbedrag slechts
331,50 € bedraagt.
*
Art.
13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de
nieuwe wettelijke bepalingen ook van toepassing
zijn op hangende zaken.
TIP Dus
moet de rechtsplegingsvergoeding onmiddellijk
worden gevorderd door uw advocaat, ook voor
zaken die reeds jaren geleden zijn ingeleid.
*
Art.
1 van het K.B. van 26 oktober 2007 bepaalt bovendien
: “De bedragen worden vastgelegd per aanleg”.
Volgt na een procedure in eerste aanleg hoger
beroep, dan zal de twee keer verliezende partij
twee keer de rechtsplegingsvergoeding moeten betalen.
*
Als
slotbedenking willen wij opmerken dat een voldoende
ruime dekking in rechtsbijstand
thans nog meer nodig is dan vroeger.
Wie,
wellicht tegen zijn eigen verwachtingen in, in
het ongelijk wordt gesteld moet thans ook de hoge
RPV betalen aan de tegenpartij ; als hij dekking
in rechtsbijstand geniet moet hij dit uiteraard
niet zelf betalen, maar in de andere gevallen
komt hij mogelijks voor een onvoorziene en zware
uitgave te staan.
Ook
wanneer u uiteindelijk toch in het gelijk wordt
gesteld kan het goed zijn dat uzelf de staat van
ereloon en kosten van uw advocaat geheel of gedeeltelijk
moet betalen ; vooreerst is het goed mogelijk
dat tegenpartij onvermogend is, wat vaak pas kan
worden vastgesteld nadat de hele procedure achter
de rug is (nl. na de betekening van het vonnis
en na het begin van gedwongen uitvoering via gerechtsdeurwaarder)
; vervolgens dekt de aan u toegekende RPV meestal
slechts een deel van de staat van ereloon en kosten
van uw advocaat. In soortgelijke gevallen zal
u ongetwijfeld blij zijn dat de rechtsbijstandsverzekeraar
de advocatenkosten moet dragen.
12.
Wanneer
dient u een advocaat aan te stellen ?
U
mag dus, hopelijk op kosten van een rechtsbijstandverzekeraar*,
een advocaat naar vrije keuze aanstellen.
Deze
aanstelling is niet enkel
nodig om een gerechtelijke
procedure te voeren voor het bekomen
van een vergoeding; zij is
tevens nodig:
1°
voor de strafrechtelijke
verdediging (bvb. wegens een snelheidsovertreding,
dronkenschap of een andere verkeersinbreuk)
;
2° om na te gaan
of u toch niet gerechtigd
is op bepaalde
vergoedingen, rekening gehouden met de
voorliggende bewijzen en met de wettelijke bepalingen
;
3° om een
gerechtsdeskundige* te laten
aanstellen ;
4° om na te gaan
op welke schadebedragen
u redelijkerwijze gerechtigd is, en om over
de passende schadevergoeding onderhandelingen
te voeren.
TIP:
al te vaak menen bepaalde personen dat zij geen
recht zouden hebben op de bijstand van een advocaat,
op kosten van hun rechtsbijstandsverzekeraar.
Ook wie vervolgd wordt voor een verkeersinbreuk
(zoals dronkenschap achter het stuur, door een
rood verkeerslicht rijden, en zo meer), of wie
als passagier recht
heeft op vergoeding voor lichamelijke letsels,
kan een advocaat aanstellen op kosten van de
rechtsbijstandsverzekering afgesloten samen
met de autoverzekering.
Besef
dat u vaak wel enig geduld zal moeten oefenen
vooraleer uw rechtsbijstandsverzekeraar de aanstelling
van uw advocaat zal willen aanvaarden.
Zie
ook:
C.
Praktische
adviezen aan het slachtoffer, onder 18.
Uw advocaat
t.e.m.
20. Rechtsbijstand
13. Vervanging
van uw advocaat
Soms
zijn er afdoende redenen om uw advocaat
te vervangen : hij reageert niet of slechts
zeer sporadisch, hij blijkt de juridische materie
onvoldoende te kennen (hij blijkt bvb. verkeerde
informatie te hebben gegeven over een belangrijk
punt), hij heeft een ernstige beroepsfout gemaakt,
of dergelijke.
De
beste werkwijze om uw advocaat te vervangen door
een andere is wellicht als volgt:
1°
u contacteert onmiddellijk uw nieuwe advocaat;
2°
deze ziet na of er wel voldoende redenen zijn
om uw eerste advocaat aan de kant te schuiven;
3°
zo ja, dan vraagt hij aan de rechtsbijstandverzekeraar
de toelating om uw eerste advocaat op te volgen;
deze toelating wordt meestal verleend;
4°
hij neemt zelf contact op met uw eerste advocaat,
die alle nuttige stukken van zijn dossier overmaakt
aan uw nieuwe (= opvolgende) advocaat.
|
|
g.
U verschijnt zelf voor de Rechtbank...
14.
Meestal verschijnt u niet in persoon voor de rechtbank,
daar u doorgaans gerechtigd is op kosteloze bijstand
van een advocaat (zie hoger onder nr 12, aanstelling
van een advocaat).
Het kan evenwel gebeuren dat u verplicht is of verkiest
zelf te verschijnen voor de rechter, in het bijzonder
als beklaagde, als eiser of verweerder, of als getuige.
Dan
gaat u het best als volgt te werk :
-u
noteert de gegevens (plaats en tijdstip) van de
zitting in uw agenda
-de dag voor deze zitting contacteert u uw advocaat
of de griffie (voor 16 uur), om te vernemen of
de zitting wel doorgaat
-op de dag van de zitting neemt u de kennisgeving
betreffende de zitting (zijnde de dagvaarding
of oproepingsbrief) mee
-aan de inkom van elk gerechtsgebouw is er een
infobalie, waar u kan vernemen waar de zitting
precies doorgaat
-in de zittingszaal toont u voormelde kennisgeving
en uw identiteitskaart aan de zittingsdeurwaarder
(dit is de persoon die geen toga draagt, en die
vanuit uw standpunt rechts vooraan zit of die
rondloopt)
-van zodra u wordt aangesproken door de rechter
of van zodra u hem mag toespreken staat u recht
; de voorzitter zit vooraan in het midden, en
hij wordt aangesproken met "Meneer/Mevrouw de
voorzitter/politierechter/vrederechter".
Enkele
praktische bemerkingen :
- wees
op tijd (zoniet zou bvb. de zitting uitgesteld
kunnen zijn of zou u verstek * kunnen oplopen)
- vuile
of slordige kledij is uit den bozen
- aan
de griffier kan u een attest vragen, als bewijs
voor uw werkgever
- een
getuige heeft recht op een verschijningsvergoeding
(een - matig - vast bedrag) en een reiskostenvergoeding
(per afgelegde km) ; eveneens aan te vragen
bij de griffie
- de
zitting is openbaar en mag dus door iedereen
volledig worden bijgewoond (behoudens enkele
uitzonderingen).
OPMERKING:
wie zichzelf (dus zonder advocaat) verdedigt
heeft geen recht op rechtsplegingsvergoeding
vanwege de tegenpartij, die evenwel van u wel
rechtsplegingsvergoeding kan vorderen als hij
wordt bijgestaan door een advocaat (en als hij
de zaak wint) - zie hierboven onder nr 11.4
(bij "aanstelling
van een advocaat").
TIP:
meestal
moet de beklaagde die wordt bijgestaan door
een advocaat niet persoonlijk aanwezig zijn
op de zitting; maar in vele
gevallen is het toch nuttig dat de beklaagde
zelf voor de strafrechter verschijnt (samen
met zijn advocaat): zo kan hij zijn spijt betuigen,
zo kan hij oog in oog met de rechter bepaalde
niet te bewijzen verduidelijkingen geven, zo
kan hij nagaan inhoever zijn advocaat alles
correct uiteenzet, ... Bespreek tijdig uw aanwezigheid
ter zitting met uw advocaat.
|
|
| |
MET
BIJZONDERE DANK AAN:
Mtr.
Pascal Mortier
advocaat te Gent
pascal.mortier@skynet.be
|
|
| |
| |
Vragen
van leden
met betrekking tot procedures
1)
Lid:
"Mijn
verzekeringsmaatschappij en ook mijn makelaar
hebben mij gevraagd het nodige te doen voor de
burgerlijke partijstelling op de zitting die volgende
week doorgaat. Mijn advocaat zelf wil dit echter
niet doen, omdat hij nog niet alle bewijsstukken
betreffende mijn medische kosten heeft. Wie moet
ik geloven ?"
V.Z.W.: Uw advocaat. De burgerlijke
vordering kan immers op meerdere manieren worden
ingesteld, en de burgerlijke-partijstelling
voor de strafrechter is slechts één van de meerdere
wijzen om schadevergoeding te bekomen. Deze
werkwijze heeft in principe geen zin indien
de volledige schadevergoeding toch nog niet
kan worden bepaald. De belangrijkste uitzonderingen
op dit principe : men wenst zo spoedig mogelijk
een gerechtsdeskundige aan te stellen, of men
wenst een provisie te bekomen en de tegenpartij
verzet zich daartegen. Zie hoger onder nr. 5
en 7 (Hoe
kan men schadevergoeding vorderen?).
2)
Lid: “Toen ik mijn
auto wilde parkeren, werd ik achteraan aangereden
door een dronken man. Deze is ongeveer een half
jaar later overleden, trouwens zonder bezittingen
na te laten. Het Parket heeft mij laten weten
dat het de zaak zonder gevolg heeft gerangschikt.
De verzekeringsmaatschappij van de overleden persoon
gaat ermee akkoord dat mijn auto een totaal verlies
is, maar zij kent mij daarvoor slechts een totale
vergoeding toe van 12.400 € (afgerond). Wat mijn
whiplash betreft, heeft de raadsgeneesheer van
de verzekeringsmaatschappij slechts 2 % blijvende
invaliditeit (B.I.) toegekend. Voor mijn lichamelijke
schade, medische kosten inbegrepen, zou ik tevreden
moeten zijn met een totale vergoeding van 2.673
€. Volgens mijn rechtsbijstand zou ik zowel de
vergoeding voor de voertuigschade als deze voor
mijn lichamelijke letsels moeten aanvaarden, omdat
volgens haar de voorgestelde bedragen meer dan
voldoende zijn. Kunnen jullie mij raad geven ?”.
V.Z.W.
: De gestelde problematiek vormt een goede samenvatting
van de meest voorkomende problemen inzake vergoeding
voor een schadegeval. Het past de onderscheiden
problemen één voor één te bespreken.
1.
Door het overlijden van de beklaagde vervalt
de strafvordering. De heer Procureur des Konings
kon dan ook niets anders doen dan het dossier
zonder gevolg te rangschikken. Dit neemt uiteraard
niet weg dat de benadeelden al hun rechten behouden.
2.
U geniet dekking in rechtsbijstand, zodat u
met alle middelen uw recht op volledige schadeloosstelling
kan nastreven. Uw rechtsbijstandverzekeraar
heeft niet het recht om zelf te beslissen of
u al dan niet het voorstel tot schaderegeling
vanwege de vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij
moet aanvaarden ; deze beslissing komt enkel
toe aan de advocaat die u zelf heeft gekozen
(zie hoger aanstelling
van een advocaat, onder
nr. 11.3).
3.
Betreffende de raming van de voertuigschade,
in het bijzonder van de vervangingswaarde, dringt
de aanstelling van een eigen raadgevende voertuigexpert
zich op. Zie terzake meer uitgebreid in het
hoofdstuk “Voertuigschade”,
meerbepaald de nummers 2, 5, en 13 t.e.m. 15.
4.
Bovendien hebt u de bijstand nodig van een eigen
raadsgeneesheer, die de medische besluiten van
de raadsgeneesheer van de verzekeringsmaatschappij
zal nazien en desgevallend zal aanvechten. Voor
nadere informatie daaromtrent, zie het hoofdstuk
“De
medische expertise”,
onder nr. 3.
5.
In elk geval zal u na het advies van uw voertuigexpert
en na het advies van uw raadsgeneesheer een
eigen advocaat moeten raadplegen. Wie anders
kan immers, op onpartijdige wijze en met de
nodige ervaring en kennis, bepalen op welke
schadevergoeding u werkelijk gerechtigd is ?
Zie hieromtrent meer uitgebreid hoger aanstelling
van een advocaat, onder
nr. 11.1.
Overigens, de aanstelling van een advocaat is
ook nodig van zodra een gerechtelijke expertise,
zijnde in het bijzonder een medische of een
voertuigexpertise, dient door te gaan.
|
|
|
|
| |
| |
DE
MOGELIJKE VERGOEDINGEN
©
+
vragen
van leden m.b.t. vergoedingen
Met
dank aan : Mr. Pascal Mortier,
advocaat, Hoogstraat 53, 9000 te Gent
(tel. : 09 / 224 14 14 – fax : 09 / 225 55 65)
NOOT
VOORAF: de tekstgedeelten in groene kleur zijn
enkel bedoeld om verdere juridische opzoekingen
te vergemakkelijken; niet-juristen dienen omzichtig
om te gaan met deze teksten.
A.
Inleiding
1.
Eerste
raad: een advocaat
U
mag niet lichtzinnig omgaan met de enige mogelijke
compensatie voor al uw leed en verliezen die voortvloeien
uit het ongeval. Daaromtrent
dient u dan ook volledig te vertrouwen op uw advocaat,
die u wettelijk trouwens steeds volledig vrij mag
kiezen. Doe beroep op een betrouwbare, gespecialiseerde
en ervaren advocaat.
2.
Inhoud
van dit hoofdstuk (41 blzn.)
In
dit hoofdstuk worden de diverse gronden
om vergoeding te bekomen voor de lichamelijke
en de voertuigschade besproken.
In
dit hoofdstuk worden dus enkel de verschillende
mogelijkheden om schadevergoeding (of andere uitkeringen)
te vorderen besproken (dus de vraag: wat zijn
de voorwaarden om recht te hebben op bepaalde
vergoedingen). De vergoedingsbedragen waarop u
gerechtigd is komen niet aan bod in dit hoofdstuk,
maar wel in de hoofdstukken
Lichamelijke
schade en
Voertuigschade
.
2.1
In nr. 3
t.e.m. 5
worden de rechtsgronden betreffende alle soorten
schade besproken en in nr. 6
de rechtsgronden op dewelke men vergoeding voor
lichamelijke schade kan vorderen. Er bestaan heel
wat gronden om vergoeding te bekomen, zoals:
2.2
Daarna gaan we na in welke gevallen de verzekeringsmaatschappij
de bedragen die zij heeft uitbetaald aan de benadeelden
mag terugvorderen van de foutieve
bestuurder (zie nr 7 tot 10
- De
terugvordering door de B.A.-verzekeraar (regres)).
2.3
Vervolgens worden enkele principes
betreffende de uitbetaling van de vergoeding door
de verzekeringsmaatschappij uiteengezet
(nr. 11).
2.4
Tot slot enkele bedenkingen
over het (complexe) vergoedingssysteem.
|
|
B.
Gevallen
van vergoedbaarheid van
alle schade (dus
zowel de voertuig- en andere stoffelijke
schade als de lichamelijke schade)
rechtspraak recht op schadevergoeding
rechtspraak lichamelijke schade letselschade wettelijke
vergoeding wet vergoeding en de schadevergoeding
3.
Burgerlijke
aansprakelijkheid
(B.A.)
De
belangrijkste rechtsgrond om vergoeding te bekomen
voor de voertuig- en andere stoffelijke schade wordt
gevormd door de gemeenrechtelijke of burgerlijke
aansprakelijkheid *.
3.1
FOUTAANSPRAKELIJKHEID
In
het bijzonder past het uit te weiden over de niet-contractuele,
gemeenrechtelijke aansprakelijkheid (wat
de contractuele aansprakelijkheid betreft: zie hieronder
nr 3.6). Volgens art. 1382 en 1383 van het
Burgerlijk Wetboek moet iedereen die door zijn fout
schade heeft veroorzaakt daarvoor de passende vergoeding
betalen aan de benadeelde. Er bestaan dus 3 voorwaarden:
fout (van een derde) + schade (geleden door de benadeelde)
+ oorzakelijk verband tussen beide. "Potje breken
is potje betalen".
Met
fout zijn onvoorzichtigheid en nalatigheid gelijk
gesteld. Een zeer lichte fout volstaat om volledig
aansprakelijk te zijn.
Het
typevoorbeeld : wie een ander voertuig aanrijdt
(= schade) door een verkeersregel te miskennen (=
fout) moet alle hieruit voortvloeiende ( = oorzakelijk
verband) schade vergoeden aan de benadeelden. Het
volstaat dat dit ongeval werd veroorzaakt door een
kortstondige, lichte onoplettendheid.
Art.
1382 van het Burgerlijk Wetboek (afgekort “B.W.”)
: “Elke daad van de mens, waardoor aan een
ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene
door wiens schuld de schade is ontstaan, deze
te vergoeden”.
Art. 1383 B.W. : “Ieder is aansprakelijk niet
alleen voor de schade welke hij door zijn daad,
maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid
of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt”.
Meestal
is er geen discussie over het eigenlijke bestaan
van schade, maar wel:
- over
hoe het ongeval is gebeurd en dus over wie van
de betrokken weggebruikers een verkeersovertreding
of andere fout heeft begaan
- over
hoe groot deze en de andere fouten zijn (en
dus welk deel van de aansprakelijkheid voor
het ongeval door elk van de betrokkenen moet
worden gedragen), wanneer elk van de twee betrokken
weggebruikers een fout hebben begaan (zie ook
verder onder 3.4 verdeling
van aansprakelijkheid)
- over
de omvang van de schade
- over
het oorzakelijk verband tussen de fout en de
schade
- over
de toe te kennen schadevergoeding.
Wat
het voormelde oorzakelijk (of causaal) verband
betreft een voorbeeld: wanneer een stomdronken
man in zijn auto voor de rode lichten stilstaat
en hij wordt achteraan aangereden door een
onaandachtige vrachtwagenbestuurder, dan
staat zijn fout (dronkenschap) - uiteraard
- niet in oorzakelijk verband met de aanrijding.
Zo ook kan men betwisten dat het verkeersongeval
of bepaalde schade (mede) is veroorzaakt
door de overdreven snelheid, door het niet
voldoende aan de rechterkant rijden, of
dergelijke.
3.2 SCHADE
DOOR EEN GEBREKKIGE ZAAK
Een
andere vorm van burgerlijke aansprakelijkheid (afgekort
“B.A.”) betreft de schade ingevolge een gebrekkige
zaak. U is bvb. ook gerechtigd op volledige
schadevergoeding indien u is aangereden door een
auto waarvan de remmen niet werkten. Hier speelt
de eventuele fout van de aanrijder geen rol.
Art.
1384, al. 1 B.W. : “Men is aansprakelijk (…)
voor de schade welke (…) veroorzaakt wordt door
de daad (...) van zaken die men onder zijn bewaring
heeft”.
Minder
belangrijk in onderhavige context is de aansprakelijkheid
voor een kind of een dier dat schade toebrengt aan
een derde.
Art. 1385 B.W. : “De eigenaar van een dier,
of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die
zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade
die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder
zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt
was”.
3.3 AANSPRAKELIJKHEID
VAN DE OVERHEID
Ook
de overheid, zoals de gemeente,
kan aansprakelijk zijn voor het verkeersongeval.
Zij moet zorgen voor verkeersveilige wegen; zij
is bovendien aansprakelijk als de weg gebrekkig
is. Wordt daardoor een schadegeval teweeggebracht,
dan zal de overheid deze schade in principe moeten
vergoeden. Bvb. bij stuurcontroleverlies ingevolge
een onvoorzienbare gladde materie op de weg of ingevolge
een waterplas (die is ontstaan doordat de rioolroosters
volledig verstopt zijn).
3.4
GEDEELDE
AANSPRAKELIJKHEID
Het
past hier te wijzen op de regels van de verdeling
van aansprakelijkheid.
Hiervan is sprake wanneer uzelf niet voor 100% aansprakelijk
is voor de schade (dus wanneer er buiten u nog een
andere oorzaak voor de schade bestaat).
Een
paar voorbeelden:
Vb.1
U had aan tegenpartij voorrang moeten verlenen,
maar tegenpartij zou minder zware letsels hebben
opgelopen indien zij de veiligheidsgordel wel
had omgegespt.
Vb.2
De
vrachtwagen kon uw plots wegrijdende auto onmogelijk
ontwijken; maar zij blijkt volgens de tachograafschijf
20 km per uur meer dan de toegelaten snelheid
van 50 km per uur te hebben gereden ; daardoor
werd de schade vergroot.
Hoe
lost men dit op? 1° Eerst gaat men het oorzakelijk
verband na; in Vb.1: enkel de hoofdwonde maar
niet de andere schade staat in oorzakelijk verband
met het niet-dragen van de gordel ; in Vb.2:
zowel de schade aan de vrachtwagen als deze
aan uw auto zouden minder groot zijn geweest
indien de vrachtauto 50 km per uur had gereden.
2° Vervolgens wordt het aandeel in de aansprakelijkheid
geraamd; zowel in Vb.1 als in Vb.2 blijkt u
de zwaarste fout te hebben begaan (blijkt uw
fout dus voor het grootste deel aan de basis
van het ongeval te liggen); het aandeel van
uw aansprakelijkheid wordt door de rechter in
beide gevallen bepaald op 2/3° (en dit van tegenpartij
dus op 1/3°). 3° Dit aandeel wordt tenslotte
toegepast op de schadevergoeding; in Vb.1 zal
tegenpartij slechts 2/3° van de vergoeding bekomen
voor de schade die in verband staat met de hoofdletsels;
in Vb.2 zal de schade aan de vrachtwagen maar
voor 2/3° worden vergoed, en zal u voor 1/3°
schadevergoeding bekomen.
Wellicht
in minstens de helft van de vonnissen waarbij wordt
geoordeeld over de aansprakelijkheidsbetwisting
wordt de aansprakelijkheid verdeeld.
3.5 HOOFDBEGINSEL:
VOLLEDIGE SCHADELOOSSTELLING
Het
hoofdprincipe van de gemeenrechtelijke schadevergoeding
(overeenkomstig art. 1382 e.v. B.W.): de benadeelde
heeft recht op integrale schadeloosstelling
voor alle, ook onrechtstreekse,
schade. Alle werkelijke schade wordt volledig vergoed
(maar ook niets meer dan dat).
Zo
moeten o.a. de volgende onrechtstreekse schadeposten
volledig worden vergoed door de
aansprakelijke: de verminderde kansen op tewerkstelling
ingevolge de littekens in het aangezicht (van bvb.
een actrice), de depressie veroorzaakt door het
ongeval, de verplaatsingen van naaste familieleden
naar het ziekenhuis, het moeten annuleren van een
reis, en andere lichamelijke
schade ingevolge
het ongeval; ook: het niet kunnen gebruiken van
uw voertuig (zie hierover gebruiksderving)
en andere onrechtstreekse voertuigschade,
...
Voormeld
hoofdprincipe houdt tevens in dat er maar één mogelijke,
zowel de laagste als de hoogste, vergoeding voor
lichamelijke of andere schade bestaat:
(enkel maar één keer) de volledige vergoeding van
al de schade, ook al is deze schade het gevolg van
opzettelijke slagen en verwondingen (of een moord).
Daarentegen moest in het Romeinse Recht de dader
ingeval van opzet 2 keer het bedrag van de schadevergoeding
uitbetalen ...
In
beginsel is de rechtsgrond van de vordering zonder
belang: de schade moet volledig worden vergoed aan
het slachtoffer, ongeacht of de vordering gebaseerd
is op de burgerlijke
aansprakelijkheid,
op de
wetgeving betreffende de zwakke
weggebruikers
(art. 29bis WAM), op de
verplichtingen van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds,
op een medische
of andere fout,
of op een verkeersinbreuk (samen met art.
1382 Burgerlijk Wetboek).
Wel is het slachtoffer in bepaalde gevallen enkel
gerechtigd op een vergoeding die forfaitair (dus
niet volgens de werkelijkheid) wordt bepaald, zoals
bij toepassing van het
arbeidsongevallenrecht
of van een sommenverzekering.
Voor
nadere informatie aangaande de vergoedingsbedragen:
zie
de hoofdstukken
Lichamelijke
schade
Voertuigschade
.
3.6
CONTRACTUELE
AANSPRAKELIJKHEID
De
andere tak van de burgerlijke aansprakelijkheid
is de contractuele
aansprakelijkheid. Hierop kan
onder bepaalde voorwaarden beroep worden gedaan
tegenover de verkoper van een voertuig met een gebrek,
tegenover de hersteller van uw wagen, tegenover
de leasingmaatschappij, tegenover de uitbater van
een bewaakte parking, en zo meer.
De
algemene regels van de contractuele aansprakelijkheid
vindt men in het Burgerlijk Wetboek.
Artikel
1101: Een contract is een overeenkomst waarbij
een of meer personen zich jegens een of meer andere
verbinden iets te geven, te doen,
of niet te doen.
Art.
1147: De schuldenaar wordt, indien daartoe grond
bestaat, veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding,
hetzij wegens niet uitvoering van de verbintenis,
hetzij wegens vertraging in de uitvoering, (...)
en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is.
Art. 1149: De aan de schuldeiser verschuldigde
schadevergoeding bestaat, in het algemeen, in
het verlies dat hij heeft geleden
en in de winst die hij heeft moeten derven
(...)
Art.
1315: Hij die de uitvoering van een verbintenis
vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen.
Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn,
het bewijs leveren van de betaling of van het
feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft
teweeggebracht.
Art.
1641: De verkoper is gehouden tot vrijwaring voor
de verborgen gebreken
van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken
tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die
dit gebruik zodanig verminderen dat de koper,
indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet
of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht.
Art.
1648: De rechtsvordering op grond
van koopvernietigende gebreken moet door de koper
worden ingesteld binnen een korte tijd,
al naar de aard van de koopvernietigende gebreken
en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten
is.
Daarnaast
zijn nog heel wat andere rechtsregels van toepassing!
Van
groot belang is hier: niet wachten met het raadplegen
van een advocaat.
3.7 B.A.-VERZEKERING
Meestal
is bij een verkeersongeval de burgerlijke aansprakelijkheid
gedekt door een verzekering (zie verder onder nr.
5, vooral nr. 5.3, en zie ook nr. 7, in het kader
van het regres).
Dus als u als gevolg van een fout (bvb. onvoorzichtigheid)
of van een gebrek aan uw voertuig (bvb. niet werkende
remmen) verplicht is de schade van de benadeelde
te vergoeden, dan zal u deze schadevergoeding niet
zelf moeten betalen ; deze vergoeding zal meerbepaald
in werkelijkheid worden betaald door uw B.A.-verzekeraar,
ook W.A.M.-verzekeraar genoemd (zijnde “wettelijke
aansprakelijkheid voor motorrijtuigen”-verzekeraar).
*
4.
Het Gemeenschappelijk
Motorwaarborgfonds
Alle
schade veroorzaakt door een motorrijtuig*, dus zowel
schade aan zaken (ook “stoffelijke schade” genoemd)
als schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels,
wordt vooral in de volgende gevallen vergoed door
het Gemeenschappelijk
Motorwaarborgfonds ("G.M.W.F.",
"Waarborgfonds"
of "FONDS")
:
- het
ongeval is veroorzaakt door een niet-verzekerd
of gestolen motorrijtuig*
;
- er
is geen vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappij,
omdat de verzekeringsplicht niet werd nageleefd
(bvb. niet-betaling van de premie) of omdat deze
onderneming niet kon worden geïdentificeerd;
-
de schade is het gevolg van een toevallig feit
(= overmacht) waardoor de B.A.-verzekeraar
* niet hoeft te vergoeden
- (NIEUW
!): schade door een niet-geïdentificeerd
voertuig dat naast de stoffelijke schade ook een
"aanzienlijk
lichamelijk letsel" aan
enige betrokkene heeft veroorzaakt.
Zo
zal het GMWF de schadevergoeding uitbetalen wanneer
de andere bestuurder u heeft aangereden ingevolge
een plotse hartaanval (= overmacht).
Art.
19bis-11, §1 van de wet van 21 november 1989 betreffende
de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen, kortweg "W.A.M."
: “Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding
bekomen van de schade die door een motorrijtuig
is veroorzaakt : (…)
3°)
wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot
die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig
feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat
het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat ;
4°) wanneer in geval van diefstal,
geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding
kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de
wettelijk geoorloofde uitsluiting ;(…)
7°)(NIEUW!)
wanneer aanzienlijk lichamelijk letsel door enige
benadeelde werd opgelopen in een ongeval waarbij
materiële schade werd veroorzaakt door een
niet-geïdentificeerd voertuig;
8°)
wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot
die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht
niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming
binnen twee maanden na het ongeval niet
kan geïdentificeerd worden”.
Dit
laatste geval mag niet worden verward met het
geval van niet-identificatie van de het motorrijtuig,
in welk geval in principe - nl. behalve bij "aanzienlijk
lichamelijk letsel"
- enkel de lichamelijke schade wordt vergoed (zie
verder onder nr 6b,
de verplichtingen van
het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds
).
Maar: indien verscheidene voertuigen bij het ongeval
zijn betrokken, zonder dat kan worden uitgemaakt
welk voertuig aansprakelijk is, dan wordt de schadevergoeding
van elke schuldloze benadeelde onder gelijke delen
verdeeld onder de B.A.-verzekeraars van de bestuurders.
Bovendien moet worden opgemerkt dat 7°)
hierboven pas werd ingevoerd door de
Wet van 8 juni 2008 "houdende diverse bepalingen",
Belgisch Staatsblad van 16/6/08. Art. 17 van deze
recente wet bepaalt :
« § 3. In het
geval bedoeld bij artikel 19bis -11, § 1,
7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan
op het Belgische grondgebied, kan de Koning de
verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding
van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.
Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten
wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk
lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen
in een ongeval waarbij materiële schade werd
veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd
voertuig.
Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel,
een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval,
ofwel :
1. de dood van de benadeelde;
2. een bestendige invaliditeit van 15 % of meer;
3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of
meer;
4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer
heeft veroorzaakt.
De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk
letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader
bepalen of de lijst ervan aanvullen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van
toepassing op de gevolgen van de ongevallen die
zich hebben voorgedaan voor zijn inwerkingtreding.
»
Het GMWF vermeldt op zijn website wie, naargelang
het geval, gerechtigd is op tegemoetkomingen ( http://www.fcga-gmwf.be/accnl.html
).
Het
GMWF zal alle geleden schade volledig vergoeden,
overeenkomstig art. 1382 Burgerlijk Wetboek (zie
hierover hoger nr. 3, de
burgerlijke aansprakelijkheid).
Vanaf
19/01/2003 is de vrijstelling voor materiële schade
van 247,89 € of 10.000 frank (per schadegeval en
per benadeelde persoon) niet meer van toepassing.
*
5.
Verzekeringen
Inzover
men een bepaalde verzekeringspolis
heeft afgesloten, kan men
uiteraard beroep doen op de contractuele verbintenissen
van de verzekeringsmaatschappij. Lees steeds zeer
grondig de polis, om te weten onder welke voorwaarden
en binnen welke perken bepaalde risico's worden
gedekt. Raadpleeg tijdig uw verzekeringsmakelaar.
5.1 FAMILIALE
VERZEKERING
De
familiale verzekering,
ook de verzekering "B.A.* gezin" of "B.A. Privé-leven"
genoemd, werd wettelijk geregeld bij het Koninklijk
Besluit van 12 januari 1984. Hierbij werden uiteraard
enkel de minimumvereisten vastgelegd, terwijl heel
wat polissen ruimere dekkingen bieden;
gelieve dus de polis na te lezen of een degelijke
makelaar in te schakelen.
Volgens
het voormelde K.B. moeten (minstens) als verzekerden
beschouwd worden:
1°
de verzekeringnemer en zijn samenwonende echtgenoot,
voor zover de verzekeringnemer in België zijn
hoofdverblijf heeft;
2° alle bij de verzekeringnemer inwonende personen
met inbegrip van de studerenden zelfs indien
zij om studieredenen buiten het hoofdverblijf
van de verzekeringnemer verblijven,
3° het huispersoneel en de gezinshelp(st)er
wanneer zij handelen in de privé-dienst van
een verzekerde;
4° al wie, buiten elke beroepswerkzaamheid,
kosteloos of bezoldigd, belast is met de bewaking
van de met de verzekeringnemer samenwonende
kinderen en van de aan de verzekeringnemer toebehorende
en in de waarborg begrepen dieren, telkens als
zijn aansprakelijkheid ingevolge deze bewaking
in het geding komt.
De
familiale verzekeraar moet de schade geleden door
een derde volledig vergoeden wanneer deze schade
is veroorzaakt door een foutieve handeling vanwege
een verzekerde; bijvoorbeeld: tijdens het gebruik
van een fiets of een ander voorwerp, door een huisdier,
door het woonhuis, en zo meer.
Een
paar concrete voorbeelden: ik loop uit onoplettendheid
tegen een Chinese vaas van mijn buur; mijn kind
schopt met zijn bal een fietser omver, die daarbij
letsels en bril- en fietsschade oploopt; mijn
echtgenote heeft per fiets de buitenspiegel van
een geparkeerde wagen afgereden. Deze schade zal
telkens worden gedekt door de familiale verzekering.
De dekking geldt ook in het buitenland. Bvb. op
het Spaanse caravanpark bijt uw hond in het gezicht
van de baby van de buren; u stoot in een toeristische
winkel een rek omver.
Zijn
uitgesloten: opzettelijke schade (bvb. iemand een
vuistslag geven), schade veroorzaakt in het kader
van het beroepsleven, contractuele* aansprakelijkheid,
eigen schade, e.a.
Bovendien
geldt meestal een vrijstelling ("franchise").
Die vrijstelling is gekoppeld aan het indexcijfer
van de consumptieprijzen; ze bedraagt momenteel
ongeveer 225 euro.
De dekking door een familiale verzekeringspolis
kost ongeveer 60 euro per jaar, rechtsbijstandverzekering
inbegrepen.
5.2
AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING
Vele
beroepsmensen zullen een aansprakelijkheidsverzekering
afsluiten. Deze verzekering zal dan binnen de polisvoorwaarden
de schade dekken die door verzekerde in het kader
van zijn beroepsuitoefening werd begaan.
Bijvoorbeeld:
een garagist heeft vergeten de remblokjes terug
te plaatsen, met een aanrijding tot gevolg; hij
heeft verkeerde olie ingegoten, met ernstige motorschade
tot gevolg; hij heeft de distributieriem onjuist
geplaatst; en zo meer . De schadelijke gevolgen
van dergelijke fouten zijn verzekerbaar.
5.3
W.A.M.-VERZEKERING
Verzekering
voor de B.A. inzake motorrijtuigen.
Een motorrijtuig (waaronder een auto en een bromfiets)
mag enkel in het publieke verkeer worden gebracht
nadat de burgerlijke aansprakelijkheid terzake geldig
werd verzekerd.
Art.
2, §1 van de wet van 21 november 1989 betreffende
de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake
motorrijtuigen, kortweg “W.A.M.”
: “Tot het verkeer op de openbare weg en op
terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek
of slechts voor een zeker aantal personen die
het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen
alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen
geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst
die aan de bepalingen van deze wet voldoet en
waarvan de werking niet is geschorst”.
Als
u met uw voertuig schade toebrengt aan een derde,
kan deze trouwens rechtstreeks tegen uw B.A.-verzekeraar
een vordering tot schadevergoeding instellen; in
de praktijk weet de schadeveroorzaker zelf dus meestal
niets over dergelijke vordering (zie ook nr 3.7
hierboven).
5.4
VERZEKERING
EIGEN SCHADE
5.41
De verzekering eigen schade, brand en/of diefstal
(samen de zogenaamde omniumverzekering).
In principe moet de schuldige bestuurder zelf de
schade veroorzaakt aan zijn eigen voertuig dragen.
Daarvan wordt afgeweken in de omniumverzekering,
binnen de perken vastgelegd in de polisvoorwaarden.
Als uw voertuig uitbrandt, gestolen wordt of door
uw eigen fout beschadigd wordt, zal uw omniumverzekeraar
niettemin uw voertuigschade vergoeden. Maar de voorwaarden
vermeld in de polis beperken uw recht op schadeloosstelling.
Lees
dus uw polis goed na: welke schadeposten worden
niet vergoed, hoe wordt de vergoeding voor de
wel gedekte schadeposten berekend, wanneer is
er uitsluiting van dekking, enz.
Vaak wordt geen dekking verleend van zodra u een
zekere alcoholintoxicatie had en zeker van zodra
u dronken was...
5.42
De verzekering eigen schade (omnium) voorziet dat
de begroting van de voertuigschade gebeurt ofwel
op forfaitaire wijze ofwel overeenkomstig de werkelijke
schade.
Bij
omnium-verzekering met forfaitaire vergoeding
wordt niet gesteund op de werkelijke waarde, maar
op de contractuele of aangenomen waarde,
dus op de waarde die bij het sluiten van de polis
is overeengekomen.
De vergoeding voor de vervangingswaarde ("waarde
vóór ongeval") van uw voertuig dat een totaal
verlies is zal dan gebeuren volgens deze overeengekomen
waarde (en dus niet volgens de werkelijke waarde),
bij voorbeeld als volgt :
-
is het voertuig maximaal 6 maanden oud, dan
vergoeding volgens de volledige aangenomen waarde,
bvb. 20.000 €;
-
daarna een degressieve afschrijving van bvb.
16 %; zo zal de vervangingswaarde worden bepaald
op (20.000 - 16 % =) 16.800 € na 1 jaar afschrijving
(dus als de auto 1 jaar en 6 maanden is), op
(16.800 € - 16 % =) 14.112 € na 2 jaar afschrijving,
op 11.854 € na 3 jaren afschrijving, en zo verder.
Dus:
werd een omniumverzekering tegen aangenomen waarde
gesloten, dan kan er in feite nooit een echte
discussie omtrent de vervangingswaarde ontstaan;
immers, enkel de leeftijd van het voertuig (samengenomen
met de polisvoorwaarden) bepaalt dan de vergoeding.
Daarentegen
zal bij een omnium-verzekering met vergoeding
volgens de werkelijke waarde
deze waarde in concreto moeten worden vastgesteld
(door een voertuigexpert). Dan zal de vervangingswaarde
van het voertuig worden begroot overeenkomstig
het gemeen recht, dus overeenkomstig de werkelijke
waarde op de dag van het ongeval; hier geldt m.a.w.
de werkelijke vervangingswaarde
en hier kan een tegenexpertise nuttig zijn (zie
de zienswijze van de voertuigexpert betwisten).
Opmerking:
werd uw omnium verzekerd voertuig beschadigd
door de fout van een ander persoon, dan dient
u uiteraard volledig te worden vergoed,
overeenkomstig de regels van
de burgerlijke
aansprakelijkheid (B.A.). M.a.w.,
als u geen fout heeft aan het ongeval, heeft
uw omniumverzekering geen belang; de aansprakelijke
moet u immers volledig vergoeden. U kan dan
toch soms enig nut hebben om de uitbetaling
conform de polis te vragen aan uw omniumverzekeraar,
bvb. omdat de aangenomen waarde hoger is dan
de werkelijke vervangingswaarde.
Zie
ook : Betwistingen
omtrent de voertuigschade
5.5 PERSOONSVERZEKERING
Er
zijn daarnaast meerdere vormen van
persoonsverzekering (zijnde een verzekering
tegen een risico op het vlak van het leven, het
lichaam of de gezinssituatie); de belangrijkste:
verzekering overlijden (ongeacht de oorzaak), verzekering
gewaarborgd inkomen (verleent een periodieke rente,
zijnde meestal een maandelijkse uitkering, bij tijdelijke
en blijvende ongeschiktheid om te werken), verzekering
gezondheidszorgen (dekt de medische kosten), en
de verzekering lichamelijke ongevallen (L.O.) (dekt
de nadelige gevolgen van de aantasting van het lichaam,
inbegrepen het overlijden, door een ongeval).
Hierbij
denken we aan de verzekering lichamelijke schade
ongevallen verkeer, ook verzekering inzittenden
of verzekering verkeersongevallen genoemd. Deze
verzekering speelt thans in feite enkel nog voor
de lichamelijke letsels van de foutieve bestuurder
zelf (sinds de wet op de zwakke weggebruikers).
Daarnaast
is er de verzekering persoonlijke ongevallen.
Om te vermijden dat een tijdelijke arbeidsongeschiktheid
(T.A.O.) en eventueel blijvende invaliditeit (B.I.)
een te zwaar verlies aan inkomsten met zich zou
brengen, zijn vooral veel zelfstandigen verzekerd
tegen persoonlijke ongevallen. De verzekerde zal
dan bij een ongeval -maar niet bij ziekte die
niet het gevolg is van een ongeval! - een vergoeding
per dag T.A.O ontvangen en daarna een globale
som in evenredigheid met de graad van B.I.
Hierbij
aansluitend wordt ook gewezen op ruimere verzekeringen
tegen inkomstenverlies, zoals de verzekering gewaarborgd
inkomen. Hierdoor wordt bij ziekte of ongeval
(een deel van) het inkomstenverlies van de verzekerde
vergoed.
Tevens
vermelden we de
ziektekostenverzekering (betreffende de
medische uitgaven).
Zo
dekt de hospitalisatieverzekering alle opleggen
betreffende de verpleging, de medische zorgen voor
en na de ziekenhuisopname, ziekenvervoer,...
De
ongevallenverzekeraar komt tussen in die kosten
die niet door uw ziekenfonds betaald worden. Bovendien
kunnen de polisvoorwaarden de volgende waarborgen
voorzien:
-kapitaal
bij overlijden;
-vergoeding bij blijvende en/of tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
-tussenkomst in geneeskosten.
Lees
steeds zeer goed de polis na: wordt enkel dekking
verleend bij een ongeval, dus niet bij ziekte?;
welke uitsluitingen en andere beperkingen zijn
voorzien?; welke vergoedingen zullen worden
betaald?; en welke niet...
5.6
VERZEKERING
RECHTSBIJSTAND
Tenslotte
is er de rechtsbijstandsverzekering,
die mogelijks samen met de familiale of de B.A.-verzekering
werd afgesloten. Deze soort verzekering wordt uitgebreid
besproken in Praktische
adviezen om de volledige vergoeding voor uw lichamelijke
schade te bekomen,
onder nr. 20.
|
|
| |
C.
Gevallen van vergoedbaarheid
van (uitsluitend)
de
lichamelijke
schade
6.
Hier bestaat het recht op vergoeding in dezelfde
gevallen als hierboven
onder b.
reeds werd uiteengezet.
Maar
er bestaan nog meerdere bijkomende
rechtsgronden waarop men zich kan
steunen om vergoeding te bekomen voor de letselschade
(= lichamelijke schade) , nl.:
|
6a.
De wet op de zwakke
weggebruikers * (art. 29bis
WAM)
Indien
het gaat om een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig
* (vrachtwagen, auto, bromfiets,...) of een spoorvoertuig
( tram of trein) is "betrokken", dan heeft
een zwakke weggebruiker recht op de volledige vergoeding
van zijn lichamelijke schade. (6a)
De
zwakke weggebruiker is elke persoon behalve de bestuurder
van een motorrijtuig. Een voetganger, een fietser,
een passagier in de auto, en dergelijke, zijn derhalve
een zwakke weggebruiker, die dus recht heeft op
vergoeding voor zijn lichamelijke schade.
De
te vergoeden schade omvat de morele en materiële
schade ingevolge de opgelopen letsels of ingevolge
het overlijden van het slachtoffer; zij omvat tevens
de medische kosten, ook voor functionele prothesen,
en de kledijschade. Deze schade moet meerbepaald
worden vergoed door de B.A.-verzekeraar van het
betrokken motorrijtuig ; dit blijft zelfs zo als
het ongeval te wijten is aan overmacht.
Maar
de vergoedbare schade omvat niet de andere stoffelijke
schade dan de kledijschade (bvb. rugzak, GSM, fiets,
...); hiervoor kan dus uitsluitend vergoeding worden
bekomen als een andere persoon burgerlijk aansprakelijk
is (zie hierboven nr. 3).
Zijn
- als enigen - uitgesloten
van vergoeding op basis van kwestieuze wet:
a.
de bestuurder van een betrokken motorrijtuig;
b.
het slachtoffer dat ouder is dan 14 jaar en dat
bovendien het ongeval en de gevolgen ervan heeft
gewild (vóór
maart 2001: indien het ongeval uitsluitend te
wijten is aan een onverschoonbare fout, dus een
opzettelijke en roekeloze daad, begaan door een
slachtoffer van minstens 15 jaar); dus
enkel een opzettelijke daad waarvan de gevolgen
voorzien werden en gewild zijn kan worden uitgesloten.
Zo
bestaat het recht op integrale vergoeding voor de
lichamelijke schade, inbegrepen de medische uitgaven
en de kledijschade, voor de voetganger die dronken
de weg oploopt, voor de passagier die de veiligheidsgordel
niet heeft omgegespt, of voor de ruiter die ingevolge
zijn onvoorzichtigheid wordt omvergereden.
De
wet op de zwakke weggebruikers, zijnde art.
29 bis van de wet van 21 november
1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen, kortweg “W.A.M.”
: “§1. Bij een verkeersongeval waarbij een
of meer motorrijtuigen betrokken zijn, (…) wordt,
met uitzondering van de stoffelijke schade en
de schade geleden door de bestuurder van elk van
de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden
door de slachtoffers en hun rechthebbenden en
voortvloeiend uit lichamelijke letsels
of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade,
hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de
aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder
of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig
deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing
indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt
door de bestuurder.
Bij
een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is
betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust
de verplichting tot schadevergoeding die in het
voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van
het motorrijtuig. (…)
Slachtoffers
die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn
gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen
op de bepalingen van het eerste lid.
Deze
vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig
de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering
in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover
daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.
§2.
De bestuurder van een motorrijtuig
en zijn rechthebbenden kunnen zich niet
beroepen op de bepalingen van dit artikel,
tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende
van een slachtoffer dat geen bestuurder was en
op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk
heeft veroorzaakt”.
Let
op : de zwakke weggebruiker dient wel zelf
de schade te vergoeden die hij ingevolge zijn fout
of onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt aan de autobestuurder
of aan een andere persoon. In zo een geval de familiale
verzekering verwittigen !
Voor
een praktisch voorbeeld: zie hieronder "vragen
van leden
", nl. vraag 2).
|
6b.
Gemeenschappelijk
Motorwaarborgfonds
De
lichamelijke schade, ook deze van de niet-foutieve
autobestuurder, wordt vergoed door het Gemeenschappelijk
Motorwaarborgfonds (G.M.W.F.), indien de
schade is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd
motorrijtuig.
Art. 19bis-11, §1 W.A.M. : “Elke benadeelde
kan van het Fonds (= Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds)
de vergoeding bekomen van de schade die door een
motorrijtuig is veroorzaakt :
(…)
7°) indien het motorrijtuig dat
het ongeval heeft veroorzaakt, niet
kan worden geïdentificeerd; in
dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld
van de aansprakelijke persoon ;(…)".
Zoals
reeds gezegd (zie hierboven onder nr. 4),
wordt de schade ingevolge lichamelijke letsels ook
in meerdere andere gevallen vergoed door het GMWF,
bijvoorbeeld wanneer de vergoedingsplichtige verzekeraar
niet kan worden geïdentificeerd (niet te verwarren
met het zonet aangehaalde geval van niet-identificatie
van het motorrijtuig), of wanneer het ongeval is
veroorzaakt door een niet-verzekerd motorrijtuig
of door overmacht.
|
6c.
Arbeidsongevallenuitkeringen
a.
De werknemer die bij een arbeidsongeval (ook "werkongeval"
genoemd) - dus tijdens de beroepsuitoefening of
op weg van of naar het werk - lichamelijke letsels
oploopt, is gerechtigd op arbeidsongevallenuitkeringen.
Deze
zijn 1° vergoeding van de medische en aanverwante
kosten en 2° forfaitaire uitkeringen voor de professionele
materiële schade.
1° Volledige vergoeding van de medische
en aanverwante kosten en meestal aan 0,2479 €
per km voor de belangrijkste verplaatsingen ingevolge
het arbeidsongeval.
Art.
28. arbeidsongevallenwet van 10 april 1971:
"De getroffene heeft recht op de geneeskundige,
heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen
en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning,
op de prothesen en orthopedische toestellen
die ingevolge het ongeval nodig zijn".
Art.
36 van het Koninklijk Besluit van 21 december
1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen
van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971:
"De
getroffene heeft ten laste van de verzekeringsonderneming
recht op vergoeding van de kosten voor verplaatsing
die voortvloeien uit het ongeval, telkens als
hij zich moet verplaatsen hetzij:
1° op verzoek van de verzekeringsonderneming
of elke persoon die in zijn naam optreedt;
2° op verzoek van de rechtbank of van de arbeidsinspecteur;
3° op verzoek van de door de rechter aangeduide
expert of van de bemiddelende geneesheer bedoeld
in artikel 64bis van de wet ;
4° op verzoek van het Fonds;
5° op zijn verzoek, met toelating van de verzekeringsonderneming
of van het Fonds;
6° met het oog op een wedertewerkstelling volgens
de modaliteiten vermeld in artikel 23 van de
wet;
7° om (.....) medische redenen.
Zo de verplaatsing gebeurt met behulp van een
gemeenschappelijk vervoermiddel worden de werkelijke
reiskosten terugbetaald.
Gebeurt de verplaatsing met behulp van een ander
vervoermiddel en bedraagt de af te leggen afstand
tenminste 5 km vanaf de woonplaats, dan worden
de reiskosten vergoed tegen 0,2479 euro per
kilometer.
Zo
de verplaatsing gebeurt met behulp van een gemeenschappelijk
vervoermiddel worden de werkelijke reiskosten
terugbetaald.
Gebeurt de verplaatsing met behulp van een ander
vervoermiddel en bedraagt de af te leggen afstand
tenminste 5 km vanaf de woonplaats, dan worden
de reiskosten vergoed tegen 0,2479 euro per
kilometer".
2°
Forfaitaire uitkeringen voor de professionele
materiële schade*, in evenredigheid met de graden
van arbeidsongeschiktheid.
Art.
22 Arbeidsongevallenwet: Wanneer het ongeval
een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid
veroorzaakt, heeft de getroffene, vanaf de dag
die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid,
recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan
90 pct. van het gemiddeld dagbedrag
Voor de dag waarop het ongeval zich voordoet
of de arbeidsongeschiktheid aanvangt, is de
vergoeding gelijk aan het normaal dagloon, verminderd
met het loon dat de getroffene eventueel heeft
verdiend.
Art.
23. Ingeval de tijdelijke arbeidsongeschiktheid
gedeeltelijk is of wordt, kan de verzekeringsonderneming
aan de werkgever vragen de mogelijkheid van
een wedertewerkstelling te onderzoeken, hetzij
in het beroep dat de getroffene voor het ongeval
uitoefende, hetzij in een passend beroep dat
voorlopig aan de getroffene kan worden opgedragen.
De wedertewerkstelling kan slechts gebeuren
na een gunstig advies van de arbeidsgeneesheer
wanneer dit advies voorgeschreven wordt in het
algemeen reglement voor de arbeidsbescherming
of wanneer de getroffene zichzelf niet geschikt
acht om het werk te hervatten.
Indien de getroffene de wedertewerkstelling
aanvaardt, heeft hij recht op een vergoeding
die gelijk is aan het verschil tussen het loon
verdiend vóór het ongeval en het loon dat hij
ingevolge zijn wedertewerkstelling ontvangt.
De getroffene geniet, tot de dag van zijn volledige
wedertewerkstelling of van de consolidatie,
de vergoeding voor tijdelijke, algehele arbeidsongeschiktheid:
1° wanneer hij niet opnieuw te werk wordt gesteld
maar zich onderwerpt aan een behandeling, die
hem met het oog op zijn wederaanpassing wordt
voorgesteld;
2° wanneer hij niet opnieuw aan het werk wordt
gesteld en hem geen behandeling met het oog
op zijn wederaanpassing wordt voorgesteld;
3° wanneer hij de hem aangeboden wedertewerkstelling
of de voorgestelde behandeling om een geldige
reden weigert of stopzet.
Ingeval de getroffene zonder geldige reden de
hem aangeboden wedertewerkstelling weigert of
voortijdig verlaat, heeft hij recht op een vergoeding
die overeenstemt met zijn graad van arbeidsongeschiktheid,
berekend naar zijn arbeidsmogelijkheden in zijn
oorspronkelijk of voorlopig aangeboden beroep.
Ingeval de getroffene zonder geldige redenen
de behandeling die hem met het oog op zijn wederaanpassing
wordt voorgesteld, weigert of voortijdig verlaat,
dan heeft hij recht op een vergoeding die overeenstemt
met zijn graad van arbeidsongeschiktheid, berekend
naar zijn arbeidsmogelijkheden in zijn oorspronkelijk
beroep of in een voorlopig beroep dat hem op
de wijze bepaald in het eerste lid, schriftelijk
toegekend wordt voor het geval hij de behandeling
zou volgen.
Gedurende de tijd nodig om de procedure van
wedertewerkstelling, beschreven in dit artikel,
te volgen heeft de getroffene recht op vergoeding
voor tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid.
Art.
24. Indien de verzekeringsonderneming de getroffene
genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid
bij een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van
meer dan zeven dagen, geeft de verzekeringsonderneming
van deze beslissing aan de getroffene kennis
volgens de nadere regels bepaald door de Koning.
Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid meer
dan dertig dagen bedraagt, wordt de beslissing
van de verzekeringsonderneming tot genezenverklaring
zonder blijvende arbeidsongeschiktheid van de
getroffene gestaafd door een medisch getuigschrift
opgesteld door een geneesheer geraadpleegd door
de getroffene of door de raadsgeneesheer van
de verzekeringsonderneming volgens het model
bepaald door de Koning. Indien de getroffene
zonder kennisgeving van een geldige reden en
na een aangetekende ingebrekestelling door de
verzekeringsonderneming afwezig blijft op het
onderzoek bij de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming,
kan de verzekeringsonderneming de getroffene
in kennis stellen van zijn beslissing tot genezenverklaring.
Indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is
of wordt, vervangt een jaarlijkse vergoeding
van 100 pct. berekend op het basisloon en de
graad van de ongeschiktheid, de dagelijkse vergoeding
vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig
karakter vertoont; dit vertrekpunt wordt vastgesteld
bij een overeenkomst tussen partijen of bij
een in kracht van gewijsde gegane beslissing.
In afwijking op de bepalingen van het vorig
lid wordt deze jaarlijkse vergoeding verminderd
met 50 pct., indien de graad van ongeschiktheid
minder dan 5 pct. bedraagt en met 25 pct. verminderd
indien de graad van ongeschiktheid 5 pct. of
meer, maar minder dan 10 pct. bedraagt.
(Indien de toestand van de getroffene volstrekt
de geregelde hulp van een ander persoon vergt,
kan hij aanspraak maken op een bijkomende jaarlijkse
vergoeding, die vastgesteld wordt in functie
van de noodzakelijkheid van deze hulp op basis
van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimumloon
zoals het op het ogenblik dat de ongeschiktheid
een bestendig karakter vertoont, is vastgesteld
bij een collectieve arbeidsovereenkomst die
afgesloten is in de Nationale Arbeidsraad voor
een voltijdse werknemer die minstens eenentwintig
en een half jaar oud is en die ten minste zes
maanden anciënniteit heeft in de onderneming
die hem tewerkstelt.
Het jaarlijks bedrag van deze bijkomende vergoeding
mag het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld
maandelijks minimumloon, vermenigvuldigd met
12, niet overschrijden.
Als het gebruik van een prothese of een orthopedisch
toestel dat ten laste genomen wordt door de
verzekeringsonderneming en waarin niet voorzien
werd op het ogenblik van de regeling van het
arbeidsongeval, een weerslag heeft op de graad
van behoefte aan de geregelde hulp van een ander
persoon, kan deze graad herzien worden door
een overeenkomst tussen partijen of door een
in kracht van gewijsde gegane beslissing, zelfs
na het verstrijken van de termijn bedoeld in
artikel 72.
Bij opneming van de getroffene, ten laste van
de verzekeringsonderneming, in een ziekenhuis
zoals omschreven in artikel 2 van de bij koninklijk
besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wetgeving
op de ziekenhuizen is de vergoeding voor de
hulp van derden, bedoeld in vorig lid, niet
meer verschuldigd vanaf de 91e dag ononderbroken
opneming.
Bij het verstrijken van de herzieningstermijn,
bedoeld bij artikel 72 wordt de jaarlijkse vergoeding
door een lijfrente vervangen.
3°
Andere schade (zoals morele schade, huishoudelijke
schade, auto- of kledijschade) wordt niet
vergoed door de arbeidsongevallenverzekeraar.
Gaat het om een arbeidsongeval van of naar het
werk (arbeidswegongeval),
dan kan u voor deze andere schade wel vergoeding
vorderen op basis van de burgerlijke aansprakelijkheid
(zie hierboven nr 3. de
burgerlijke aansprakelijkheid) of op
basis van de wet op de zwakke weggebruikers (zie
hierboven nr 6.a, zwakke
weggebruikers).
Zie ook hieronder "vragen
van leden",
nl. vraag 1), aangaande iemand
die tijdens de arbeidsweg werd aangereden.
b.
Gaat
| | | |