De
V.Z.W. Verkeersslachtoffers ijvert ook voor allerlei wetswijzigingen.
Zo
heeft zij naar de bevoegde instanties geschreven om de volgende
wijzigingen aan de wet te vragen:
1.
Bij
een arbeidswegongeval (zijnde een verkeersongeval
van of naar het werk) bekomt het slachtoffer - hierna A genoemd
- een lagere vergoeding dan indien het niet zou gaan om een
arbeidsongeval. Dit lijkt toch niet rechtvaardig te zijn.
Meerbepaald moet A zich tevreden stellen met de forfaitaire
vergoeding van zijn professionele schade volgens het arbeidsongevallenrecht
en mag hij voor deze schadepost dus niet de integrale (en
hogere) schadeloosstelling volgens het gemeen recht (dus volgens
art. 1382 B.W.) vorderen. Deze regeling is opvallend nadelig
voor personen die minder dan 5 % B.A.O. hebben; dan zal A
niet alleen de plafonnering van de berekeningsbasis (het basisloon)
ondergaan, maar ook de halvering van de arbeidsongevallenuitkeringen
(ingevolge een besparingsmaatregel).
Voorstel van VZW Verkeersslachtofers:
het slachtoffer van een arbeidsongeval
bekomt steeds volledige vergoeding van zijn schade volgens
het gemeen recht. De plafonnering van het basisloon
en zeker de vermindering met 50% (tot minder dan 5% BAO) en
met 25% (van 5 tot minder dan 10 % BAO) moeten worden afgeschaft.
2.
Wat de gerechtelijke expertise betreft
moet worden geconstateerd dat de rechtbanken nog vaak een
expert als gerechtsdeskundige aanstellen
die daarbuiten dag in dag uit werkt voor de vergoedingsplichtige
verzekeringsmaatschappij, dus voor de tegenpartij van de benadeelde.
Vele benadeelden ervaren het, begrijpelijkerwijze, als onrechtvaardig
dat hun schadevergoeding wordt bepaald door een verzekeringsdeskundige,
zijnde een persoon wiens inkomen vooral afkomstig is van degene
die moet betalen.
Hoe
onafhankelijk kan zo een persoon zijn ?
Een
concreet voorbeeld. A wordt aangereden door B, die niet
tijdig heeft geremd. BM, de verzekeringsmaatschappij van
B, heeft drie voertuigexperten als bedienden in dienst,
en doet daarnaast regelmatig beroep op B.V.B.A. Expertisegroep
BE. De voertuigexpert-bediende van BM raamt de vervangingswaarde
van de totaal vernielde auto van A op 10.000 euro. A gaat
daarmee niet akkoord en stapt naar de rechter. Deze stelt
de zaakvoerder van BE aan als gerechtsdeskundige, en aldus
wordt het standpunt van BM, dus t.b.v. 10.000 euro, bevestigd.
Soortgelijke
omstandigheden komen uiteraard ook voor bij de aanstelling
van een gerechtsdeskundige-geneesheer, die de lichamelijke
schade van het slachtoffer moet evalueren.
De
huidige regeling voorzien in art. 966 e.v. Ger.W. (betreffende
de wraking) voldoet zeker niet; de gronden van wraking zijn
al te beperkt en worden door de rechtspraak bovendien te restrictief
geïnterpreteerd om voormelde belangenvermenging te vermijden.
De
rechters willen overigens soms niet inzien dat het niet aangewezen
is om als gerechtsdeskundige een persoon te benoemen die zijn
hoofdinkomen behaalt bij de vergoedingsplichtige tegenpartij
; zij merken trouwens op dat zij onmogelijk van al die experten
kunnen weten voor welke maatschappijen zij werken.
De
meeste praktische oplossing wordt
dan ook gevonden in de volgende reglementering : de
aangestelde gerechtsdeskundige moet vóór (of
ten laatste tezelfdertijd als) de aanvaarding van zijn gerechtelijke
opdracht schriftelijk bevestigen dat hij in de 12 maanden
voorafgaand aan het vonnis waarbij hij is aangesteld noch
rechtstreeks noch onrechtstreeks een expertise-opdracht heeft
aanvaard voor één van de partijen of voor één
van de vergoedingsplichtige verzekeringsmaatschappijen betrokken
in deze zaak. Heeft hij daarentegen wel minstens één
expertise-opdracht in voormelde periode verricht voor één
van de betrokkenen, dan moet hij zijn gerechtelijke opdracht
weigeren (zoals voorzien in art. 967 Ger.W.). Er kan een uitzondering
worden voorzien voor het geval dat alle partijen in het geding
expliciet laten weten dat zij zijn aanstelling toch aanvaarden.
Ingeval de aangestelde expert liegt (en dus tegen de werkelijkheid
in beweert dat hij geen expertise-opdrachten heeft verricht
voor een betrokkene) stelt hij zich bloot aan strafrechtelijke
vervolging.
3. Enkele
jaren geleden werd in de wet op de landverzekeringsovereenkomst
de volgende rechtsregel opgenomen (art. 84 W.L.O.) : een kwitantie
betekent voor de benadeelde niet dat hij van zijn rechten
afziet, en zij moet in elk geval de bestanddelen van de schade
vermelden. De verzekeringsmaatschappijen omzeilen deze regel
thans door aan de benadeelde niet meer een kwitantie maar
wel louter een dading voor te leggen ; deze
dading ontsnapt aan voormelde regeling voor de kwitanties
en legt op defintieve wijze de rechten van de benadeelde vast.
Wanneer deze een dading t.b.v. een zekere som, bvb. 10.000
euro, ondertekent kan hij nadien nooit meer een hogere vergoeding
vorderen.
Derhalve
zou ook de dading wettelijk moeten worden geregeld. Zo kan
worden voorzien dat de dading nauwgezet alle
bestanddelen van de schadevergoeding moet
bevatten en dat de benadeelde voor alle bestanddelen die niet
expliciet zijn opgesomd later toch nog schadevergoeding kan
vorderen.
Het
zou uiteraard nog beter zijn dat een definitieve minnelijke
regeling aangaande blijvende lichamelijke schade enkel geldig
zou zijn nà instemmend advies vanwege een vrij gekozen
advocaat, op kosten van de verzekeraar. Maar
wellicht is dit te hoog gegrepen…
4.
De voorwaarden onder dewelke de verzekeringsmaatschappij
regres (of verhaal) mag uitoefenen moeten strenger
worden gemaakt. Een voorbeeld : een jongen van 16 jaar rijdt
met een bromfiets die in feite 50 km/uur kan rijden, zodat
het in werkelijkheid gaat om een motorfiets ; hij is door
dit feit niet meer geldig verzekerd en hij zal bij een aanrijding
door zijn onvoorzichtigheid alles uit zijn eigen zak moeten
betalen. Een soortgelijk voorbeeld : indien een jongere van
17 jaar met zijn bromfiets een vriend vervoert kan hij hierdoor
geen verzekeringsdekking meer genieten, aangezien men 18 jaar
moet zijn om een andere persoon te vervoeren per bromfiets.
Het
spreekt vanzelf dat het hier gaat om onrechtvaardige toestanden
in het voordeel van de verzekeringsmaatschappij.
Ter
vergelijking : wanneer iemand dronken aan het stuur zit en
daarbij een verkeersongeval begaat, moet de verzekeringsmaatschappij
volgens de huidige wetgeving wel alle schade vergoeden aan
de benadeelden en kan zij enkel maar de schadevergoeding terugvorderen
indien zij bewijst dat de bestuurder wel degelijk dronken
was (en dus niet enkel onder invloed van drank) en dat bovendien
deze dronkenschap de werkelijke oorzaak van het ongeval is.
Dus iemand die na alcoholinname achter het stuur van een wagen
kruipt geniet een betere bescherming tegen de terugvordering
van de verzekeringsmaatschappij dan een jongere die rijdt
met een iets te rap rijdende bromfiets of met een passagier
; in dergelijke gevallen moet de verzekeringsmaatschappij
zelfs niet bewijzen dat er een oorzakelijk verband bestaat
met het ongeval.
Ons
voorstel:
regres wordt enkel toegestaan als de inbreuk de hoofdoorzaak
van het verkeersongeval uitmaakt. Als bijvoorbeeld het ongeval
voortvloeit uit de te jonge leeftijd, dus voornamelijk uit
een gemis aan rij-ervaring, dan kan het verhaalsrecht worden
uitgeoefend door de verzekeraar.
5.
Een brandend probleem betreft de verhouding
tussen de rechtsbijstandsverzekeraars en
de advocaten. Het is begrijpelijk dat een rechtsbijstandsverzekering
zo weinig mogelijk uitgaven wil doen (om alzo voldoende -
of nog meer - winst te behalen). Maar de laatste jaren moet
men vaststellen dat heel wat rechtsbijstandsverzekeraars de
tussenkomst van een advocaat blijven weigeren, zodat de benadeelde
geen onafhankelijk en degelijk advies omtrent zijn rechten
(vooral op schadevergoeding) kan bekomen.
Doorgaans
argumenteert de rechtsbijstandsverzekeraar dat zijzelf het
nodige doet, zodat de tussenkomst van een advocaat overbodig
is.
Maar
logischerwijze dient men het volgende voor ogen te houden
:
a.
voor de rechtsbijstandsverzekeraar is een goede zaak deze
die zo spoedig mogelijk wordt afgesloten, ongeacht het behaalde
resultaat voor de benadeelde-verzekerde ; m.a.w., hoe minder
kosten zij moet maken hoe beter ;
b.
zij bezit bovendien heel wat minder kennis en ervaring inzake
de passende schadevergoeding dan een advocaat die gespecialiseerd
is in de materie ;
c.
art. 93 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst voorziet
dat de benadeelde het advies mag inwinnen van een advocaat,
op kosten van de rechtsbijstandsverzekeraar; maar deze weigert
vaak om deze rechtsregels na te leven, dus om het ereloon
voor het advies te betalen.
Op
die wijze moet de benadeelde zich de laatste tijd vaak
tevreden stellen met een te lage schadevergoeding. In
dit kader kan erop worden gewezen dat het aantal rechtszaken
aangaande de schadevergoeding ingevolge een verkeersongeval
zeer sterk is gedaald op een tweetal jaren tijd, wellicht
naar minder dan de helft dan vóór een vijftal
jaren…
Het
past rekening te houden met de vaststelling dat de tussenkomst
van een advocaat hoge uitgaven met zich meebrengt, zodat
deze enkel maar in bepaalde gevallen gerechtvaardigd zijn,
maar tezelfdertijd dient men voor ogen te houden dat de
polisvoorwaarden en art. 93 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst
moeten worden nageleefd door de rechtsbijstandsverzekeraar.
Wij
stellen het volgende voor:
- Het
zou aangeraden zijn dat de wetgever optreedt om nog duidelijker
te stellen dat elke benadeelde automatisch zijn zaak mag
voorleggen aan een advocaat, die adviseert over de passende
schadevergoeding, en dit op kosten van de rechtsbijstandsverzekeraar.
- Tevens
zou de vroegere Controledienst voor de Verzekeringsondernemingen,
welke dienst ondertussen is opgenomen in het overkoepelende
orgaan C.B.F.A. (en aan het afsterven is), in ere moeten
worden hersteld. Integendeel zou deze controledienst moeten
worden versterkt en doeltreffend (en kosteloos) moeten kunnen
optreden bij gerechtvaardigde klachten van een verzekerde
tegen zijn verzekeraar.
6.
Gedurende lange tijd kon men met een
klacht tegen een verzekeringsmaatschappij
terecht bij een onafhankelijk orgaan, namelijk de Controledienst
voor de Verzekeringsmaatschappijen. Deze dienst werkte goed.
Maar ze werd afgeschaft. Voor een klacht omdat de verzekeringsmaatshappij
haar contractuele verplichtingen niet naleeft, of dergelijke,
moet men zich thans wenden tot een bediende van de verzekeringsmaatschappijen
zelf, nl. de Ombudsman van het B.V.V.O. (Belgische Vereniging
van de Verzekeringsondernemingen), thans "Assuralia"
genoemd.
Het is meer dan nodig dat terug een
onafhankelijke dienst voor klachten
tegen verzekeringsmaatschappijen wordt opgericht (mét
voldoende personen en middelen en met een afdoende sanctioneringsbevoegdheid).
|