[Home] [Historiek]Evenementen ] [Parentelen] [Foto Galerij] [Links]  
     

Beknopte Geschiedenis van Diest

diestoranje.jpg

Filips Willem van Oranje ° 1554 Buren - +1618 Brussel
(begraven te Diest St. Sulpitiuskerk)
M.J. van Mierevelt, hofschilder van de prinsen van Oranje

De Historische Ontwikkeling van Diest

De oudste sporen van menselijke bewoning in het Diestse klimmen op tot het paleoliticum. De eigenlijke grondvesten voor het huidige Diest werden echter gelegd in de Frankische periode, wanneer ter plaatse een ganse nederzetting ontstond.
Deze nederzetting moet zich langzamerhand uitgebreid hebben. In de loop van de 7de eeuw zou volgens de overlevering, de Heilige Remigius er een bidplaats hebben opgericht ter ere van zijn vroegere leermeester, de Heilige Sulpitius. In de kerstening van de streek had ook de abdij van St. Truiden een belangrijk aandeel. Kerkelijk was Diest trouwens aanvankelijk ondergeschikt aan het geestelijk bestuur van deze abdij. Het wereldlijke bestuur werd blijkbaar waargenomen door een heer, die vanuit Diest de "pagi Hasbaniensi sive Dyostiensi", zoals in 837 vermeld werd bestuurde. Uit een dokument van het jaar 900 kennen we zelfs de naam van deze heer, namelijk Angilramnus.

De periode tussen 900 en 1087 is vrij duister in het Diestse verleden, temeer omdat geen bronnen voorhanden zijn. In 1087 duikt uit de kroniek van de abdij van Sint Truiden een zeker Otto, heer van Diest op.Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt. Tijdens de daarop volgende decennia zien we de opvolgers van Otto bijna allen in conflikt komen met met de abdij van Sint-Truiden tot uiteindelijk Arnold II in 1163 het begevingsrecht over de Diestse kerkgemeenschap overdroeg aan de abdij van Tongerlo. Voortaan zou deze het geestelijke bestuur over Diest waarnemen en dit tot het einde van de 18de eeuw. 

 
Het Spijker - Refugiehuis van de Abdij van Tongerlo

Tijdens het laatste kwart van de 12de eeuw - de juiste datum is niet gekend - verkocht Arnold II zijn heerlijkheid aan Filips van Heinsberg, bisschop van Keulen. Op die wijze trachte hij te weerstaan aan de steeds maar toenemende druk van de hertogen van Brabant ten opzichte van zijn bezittingen. Toch was het zo dat Hendrik I, hertog van Brabant op 25 februari 1229 de Diestenaren hun vrijhijdskeure verleende. In de loop van de daarop volgende jaren zouden de stedelingen zich  steeds meer als Brabanders gaan gedragen, terwijl de heren van Diest tussen de voornaamste medewerkers van de Brabantse Hertogen mochten gerekend worden.Het bestuur over deze gemeenschap was reeds zo complex geworden dat de heer van Diest zich liet bijstaan door een aantal vazallen, die in feite later in de nieuwe stad de schepenbank zouden gaan vormen. De Sint-Sulpitiuskerk kon alleen alle gelovigen niet meer opvangen en daarom werd overgegaan tot de oprichting van nieuwe parochies: de Onze-Lieuve-Vrouwparochie (1253) en de St.-Jansparochie (1253-1264). De Sint-Janskerk werd in 1297 verheven tot de rang van kapittelkerk. De begijnen vestigden zich op het Sint-Katharinabegijnhof aan de rand van de stad(1253).


Ruine van de St.-Janskerk (1253-1264)

Het ganse grondgebied werd in 1365 en tijdens de eerstvolgende decennia omgeven door een stadswal, voorzien van een tiental poorten en een dertigtal vestingstorens. Deze nieuwe wal kwam in de plaats van de verschillende verdedigingswerken die iedere wijk vroeger bezat. Om de stad in tijden van nood te kunnen verdedigen en om te helpen in de ordehandhaving werd een beroep gedaan op de schuttersgilden. De stedelijke economie tijdens de middeleeuwen steunde grotendeels op een bloeiende landbouwmarkt en op de lakennijverheid en -handel. Als interregionaal centrum was Diest bekend om zijn graan- en veemarkten. De lakennijverheid en -handel bezorgden Diest, zoals zovele andere Vlaamse en Brabantse steden, een relatief grote welvaart. Het plaatselijke laken werd gedurende de 14de en de 15de eeuw aangetroffen op bijna alle grote West-Europese jaarmarkten. Deze economische bloei zorgde ervoor dat de stad in 1432 ongeveer 10.000 bewoners had, hetgeen haar tussen de voornaamste steden van het hertogdom plaatste.

Vanaf het midden van de 15de eeuw begon echter te Diest de krisis in de lakennijverheid, die reeds eerder in sommige Vlaamse en Brabantse steden een periode van verval had ingeluid. De vraag naar het zware plaatselijke laken verminderde en het spook van de werkloosheid begon om zich heen te grijpen. Bovendien drukte de zware stedelijke schuldenlast erg op de plaatselijke economie, zodanig dat veel Diestenaren begonnen uit te wijken. Pestepidemies en de politieke onrust op het einde van de 15de eeuw deden de rest. Omstreeks 1500 was het bevolkingsaantal teruggevallen tot ca. 6.400.

Tijdens de eerste helft van de 16de eeuw herstelde de economische toestand zich enigzins, alhoewel nooit meer een periode van grote welvaart bereikt werd.

Op het bestuurlijke gebied had zich ondertussen een verandering voorgedaan bij de heren van Diest. Het oude heerlijke geslacht van Diest was op het einde van de 15de eeuw uitgestorven . Willem, hertog van Gullik, de echtgenoot van de laatste afstammelinge van de heren van Diest, ruilde in 1499 zijn bezittingen met Engelbrecht II, graaf van Nassau. Alzo kwam Diest, samen met de heerlijkheden Zichem, Kaggevinne, Zelem en het burggraafschap van Antwerpen, in handen van de Nassau's die zich sinds het begin van de 15de eeuw ontwikkeld hadden tot één van de voornaamste adelijke families in het hertogdom Brabant. Hendrik III, de neef en opvolger van Engelbrecht II, deed de oude burcht slopen en bouwde het thans nog bestaande Hof van Nassau. Zijn zoon, René van Chalon, erfde langs moederszijde het prinsdom Orange en noemde zich voortaan prins van Oranje-Nassau. René overleed in 1544 en zijn bezittingen werden overgedragen aan zijn neef Willem van Oranje, bijgenaamd de Zwijger

René van Chalons en echtgenote
 

De stad bleef gespaard van de eigenlijke Beeldenstorm in 1566, mede door de voorzorgsmaatregelen van het stadsbestuur en van de plaatselijke geestelijkheid. In 1568 viel Willem de zuidelijke Nederlanden binnen een meteen begon een duistere periode in de plaatselijke geschiedenis. In oktober van hetzelfde jaar, weigerden de inwoners toegang aan een Spaans garnizoen, hetgeen allerlei represailles vanwege de Spaanse overheid voor gevolg had. In 1572 bezetten troepen van Willem van Oranje kortstondig de stad. Tussen 19 en 21 februari 1578 werden kerken, kloosters en kapellen door troepen van Oranje in brand gestoken. In 1580 bezetten de Geuzen opnieuw Diest en dit voor een periode van drie jaar. In 1583 slaagde Farnese erin de stad te heroveren. Honderden Diestenaren hadden intussen de stad verlaten en degenen die nog gebleven waren, stonden voortdurend bloot aan de overmatige eisen van de slecht betaalde Spaanse garnizoenen. Tweemaal, in 1600 en in 1606, werd de stad gedurende maanden overgeleverd aan muitende troepen die zich, in afwachting van betaling, tegoed deden op de kap van de inwoners. Het inwonertal daalde dan ook verder tot ca. 4.000 omstreeks 1610.

De Diestse economie kwam erg bekaaid uit de 16de-eeuwse troebelen. De lakennijverheid had opgedhouden te bestaan, terwijl de tapijtwevers en de huidevetters naar elders vertrokken waren. De Diestse vee- en paardenmarkten werden niet meer gehouden omdat geen kopers kwamen opdagen. Alleen kunnen we vaststellen dat de biernijverheid die voordien bijna uitsluitend voor de eigen stedelijke behoeften had gezorgd, thans meer en meer naar buiten ging uitvoeren.

Het twaalfjarig Bestand kenmerkte zich te Diest door een bepaald herstel. Gebouwen werden gerestaureerd. De handel herleefde  en ook de bevolking groeide aan. De heerlijkheid Diest was, na een tijdje afhankelijk geweest te zijn van de Spaanse troon, op het einde van de 16de eeuw overgedragen aan prins Filips-Willem van Oranje, de oudste zoon van Willem de Zwijger. Filips-Willem verbleef vrij veel te Diest en werd er ook in 1618 begraven. (Graftombe te bezichtigen in de St. Sulpitius Kerk.)

Diest : Grote Markt en St. Sulpitius kerk

Vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw hervatte de oorlog tussen de Spaanse Nederlanden en het Noorden in alle hevigheid en werd Diest getroffen door zware garnizoenen en inkwartieringen, alhoewel de stad zelf buiten het krijgsgewoel bleef. In 1635 werd Diest bezet door een Hollands-Frans leger. De oorlog koste veel geld en de stad was dan ook in het midden van de 17de eeuw zo goed als failliet. Bovendien werd de handel ernstig belemmerd door de krijgsgebeurtenissen. Ook tijdens de verschillende oorlogen van Louis XIV bleef Diest het toneel van garnizoenen en inkwartieringen. Tijdens de Spaanse Successieoorlogen werd Diest in 1705 ingenomen door de Fransen, die o.a. gedeeltelijk de stand ontmantelden.

Over het algemeen beschouwd is de Oostenrijkse periode een vrij gelukkige tijd geweest voor Diest en zijn inwoners. De handel herleefde en de brouwerijen bloeiden meer dan ooit. Het inwonersaantal steeg van ca. 5.000 in 1700 tot 5.400
op het einde van de 18de eeuw, nadat echter in 1755 een terugval tot ca 4.250 inwoners te noteren viel. De grote epidemies die tijdens de vorige eeuw enorme ravages hadden aangericht onder de bevolking, bleven nu achterwege of waren veel kleiner in omvang. De Diestenaren waren echter niet altijd even gelukkig met de maatregelen van hun vorsten en vanaf 1787 werd het zeer onrustig in de stad. De patriotten of tegenstanders van het Oostenrijkse regimewaren bijzonder aktief en zorgden geregeld voor allerlei relletjes in en romdom de stad. In 1789 waren de inwoners betrokken bij de opstand tegen Jozef II en zelfs na de Oostenrijkse restauratie gaven de Diestenaren blijk van hun anti-keizersgezindheid. Het was dan ook met open armen dat de Sans-culotten in 1792 te Diest ontvangen werden. Vrij vlug had men echter door  dat onze Franse "broeders" geen haar beter waren dan de Oostenrijkers.

In 1798 brak in de Kempen de Boerenkrijg uit en gedurende vier dagen viel Diest in handen van het Boerenleger, terwijl de stad zelf door de Fransen omsingeld werd. Via een noodbrug over de demer slaagde het grootste gedeelte van het Boerenleger er uiteindelijk in te ontkomen, terwijl het onverdedigde stadje door de Fransen geplunderd werd.

De Diestenaren waren blij wanneer in 1814 de Fransen voorgoed verdwenen waren en wanneer het Verenigd Koninkrijk opgericht werd. Maar na enkele jaren begon de Belgische misnoegdheid tegen de politiek van koning Willem ook hier ingang te vinden. De Diestenaren waren dan ook paraat wanneer in september 1830 de revolutie losbarste. Veel vrijwilligers namen dienst in twee eenheden infanterie die de stad leverde. Tijdens de Tiendaagse veldtocht werd Diest door het Nederlands leger bezet tussen 15 en 17 augustus.

Bij deze gelegenheid was de strategische ligging van Diest gebleken , vooral dan als hindernis tegen een leger dat vanuit het noorden ons land wilde binnenvallen. Vanaf 1837 werd gestart met de bouw van een nieuwe vestingsgordel en van twee forten. In 1855 was alles voltooid en voortaan zat Diest gekneld tussen zijn wallen, hetgeen een ernstige hinder betekende voor de verdere ontwikkeling van de stad. Tijdens de 19de eeuw stagneerde de stad dan ook, temeer omdat de verbindingswegen met de rest van het land in zeer slechte toestand verkeerden. De Demer was vrijwel niet meer bevaarbaar, terwijl buiten de reeds op het einde van de 18de eeuw aangelegde steenwegen naar Leuven en Aarschot geen andere moderne wegen voorhanden waren. Talrijk waren dan ook de verzoeken van het stadsbestuur om een aansluiting op het Belgisch kanalen- of spoorwegnet te bekomen. Deze laatste kwam er pas in 1865 met de aanleg van de spoorlijn Leuven -Hasselt.

 

De Schaffensepoort, deel van de verdediginsgordel.

De fortengordel was er de oorzaak van dat zich geen grote bedrijven binnen de stad vestigden, terwijl buiten de wallen van de militaire overheden geen gebouwen in duurzame materialen mochten gebouwd worden. Vele inwoners vonden geen werk in eigen stad en waren gedwongen ergens anders te gaan werken. Bovendien was de armoede vrij groot en waren de levensomstandigheden voor de armere bevolkinkingsgroepen verre van ideaal. Vele woningen hadden nog een middeleeuws uitzicht en de hygiëne liet veel te wensen over. Slechts uiterst langzaam verbeterden in de 19deeeuw de levens- omstandigheden in de stad. Pas in 1896 werden de Diestse vestingen gedeklasseerd en kon aan uitbreiding van de stad buiten de wallen gedacht worden. Het zou echter tot na de tweede wereldoorlog duren eer de eerste nieuwe woonwijken aan de rand van de stad verschenen.

De "Lindenmolen" (ca 1753) op de oude Stadswallen

Tijdens de laatste decennia nam de stad voortdurend uitbreiding buiten de vroegere stadswallen. Dit ging weliswaar niet gepaard met een bevolkingsaangroei, maar wel met een vlucht uit de stadskern naar de nieuwe buitenwijken. De Diestse bevolking stagneerde op iets minder dan 10.000 inwoners. Pas met de fusies van de gemeenten werd dit aantal verdubbeld. In 1971 werd Webbekom bij Diest gevoegd en in 1977 was het de beurt aan Schaffen, Molenstede, Deurne en een deel van Kaggevinne. Thans telt de stad iets meer dan 21.000 inwoners.(1987)

Een deel van deze bevolking vindt werk in eigen stad, vooral dan de kleinere bedrijven. Afgezien van één grote schoen- fabriek, werken de overigen hoofdzakelijk in kleinere en middelgrote ondernemingen in en rond de stad. Diest beschikt over een ruim industrieterrein te Webbekom, evenals over kleinere terreinen langsheen de Nijverheidslaan en te Molenstede. Daarnaast zijn er nog een aantal bedrijven verspreid over het ganse grondgebied. Te Diest bestaat, zoals in de rest van het Hageland, nog steeds een belangrijke pendelarbeid, vooral dan naar de grotere centra zoals Brussel, Antwerpen, Leuven en Hasselt. Diest is eveneens een scholenstad. Dagelijks bezoeken enkele duizenden kinderen uit een ruime omgeving de diverse onderwijsinrichtingen.

Diest heeft door zijn rijk verleden, door zijn ligging op de grens van de Kempen en het Hageland en door zijn gemakkelijke bereikbaarheid, tal van troeven om een bloeiende toeristische trekpleister te worden. In die zin werden allerlei initiatieven genomen om de Stad voor de bezoeker aantrekkelijker te maken. Tevens worden rekreatiemogelijkheden voortdurend uitgebreidt., o.a. door een verdere uitbouw van het provinciedomein "Halve Maan"

 

Uitreksels uit de brochure "Diest" uitgegeven in December 1987 door de Toeristiche federatie van Brabant, Vlaamse Gemeenschap.

Bibliographie (beperkt tot de meest gebruikte werken)

C. BELIEN : De St. Sulpitiuskerk te Diest (1969)
D. DUBOIS : Het Oude Diest (1934
FR. DEMERS : Van 't klein Stedeke en langs Demer en Dijle (1984)
F.A. DIJCK : Het begijnhof te Diest. Tijdschrift Brabant (1976)
R.VAN DE VEN : Arnikius van Diest: edelman, kruisvaarder, kloosterling en wonderdoener
Tijdschrift Oost-Brabant (1970)
M. VAN DER EYCKEN : Geschiedenis van Diest (1980)
M.VAN DER EYCKEN en H. VAN DEN HOVE-D'ERTSENRIJCK : Diest en Oranje, Diestsche Cronycke 3bis (1982).
B. VUYLSTEKE : Kunstschatten van de St. Sulpitiuskerk, jaarboek van de vrienden van St. Sulpitiuskerk (1986)


 
Nedstat Basic - Free web site statistics