Lijst geitenrassen    Lijst schapenrassen   Geiten/Schapen in 't wild  Nieuwigheden op de site    Home-page 

Hongaars Rackaschaap

Zesduizend jaar voor onze jaartelling zijn er in MesopotamiŽ reeds muurschilderingen ontdekt, afkomstig uit het oude Egypte, waarop schapen afgebeeld staan met zijwaarts geplaatste, schroefvormige horens en lange staarten. Waarschijnlijk zijn dit afstammelingen van het wilde schaap uit Midden-AziŽ (OVIS VIGVEI), en stamt het Hongaarse Rackaschaap ook af van dit schaap. Het zou in het Karpatengebergte zijn gekomen ten tijde van  volksverhuizingen van de Avaren, Petschenegen, Jazijgen en de Hunnen, die op zoek waren naar asiel op Hongaars gebied.

          

Het Hongaarse rackaschaap onderscheidt zich door de lange staart, de mooi gekrulde gemengde vacht (wol en haar) en de zo aparte naar boven staande recht in de lengterichting in de V-vorm gedraaide kurketrekkerachtige schroefhorens. Opgravingen van beenderen uit de Middeleeuwen bewijzen het uiterlijk van het Hongaarse Rackaschaap. Het komt zelf namelijk voor in de Hongaarse Vlakte, meegebracht in de 13e eeuw door Walarchische herders. Tot de 18e eeuw was het Hongaarse Rackaschaap het overheersende ras waar er op de jaarlijkse Brugmarkten van Hortobŗgy nog 50 Ė 60.000 werden verhandeld.

Rond 1990 waren er nog slechts zoín 3.500 Hongaarse Rackaschapen, waarvan 60 % van de witte rasvariant (lichtbruin tot donkerbruine kop, voorhand en poten) en 40 % van de zwarte variant (deze is geheel zwart, van horens tot hoeven).

Eigenschappen : Het Hongaarse Rackaschaap is een sober schaap en zowel bestand tegen extreme kou als zeer warme jaargetijden. De Hongaarse Racka kan vanaf 6 maand geslachtsrijp zijn. De bronstperiode is van einde zomer tot begin winter. De draagtijd is gemiddeld 145-150 dagen. Er zijn 5 tot 15 % tweelingen te verwachten. De geboorten verlopen gemakkelijk, de ooien hebben goed ontwikkelde moedereigenschappen. 
De dieren houden hun hoofd gracieus, de hals is van middelmatige lengte, zonder veel spieren en diep ingeplant, vandaar dat het dier speurt (bespiedt) en zijn hoofd hoog op kan heffen. Rug en schoft zijn scherp afgetekend en smal, de lenden zijn lang, het achterstel van het dier lijkt vaak overontwikkeld. De botten zijn fijn, maar zeer
breed. Hun beweging is licht en harmonisch.De benen zijn lang en de hoogte van de ellebooggewrichten is groter dan de helft van de wreefhoogte. De staart is lang en reikt tot onder de hak. De hoeven zijn sterk, van de zwarte rasvariant zijn ze zwart, die van de witte rasvariant zijn gelig, als bijenwas, tot donkerbruin.
De horens zijn in V-vorm in de lengterichting op het hoofd geplaatst en moeten kurketrekkerachtig zijn.
Bij de ooien op volwassen leeftijd hebben zij een lengte van ongeveer 26 cm, bij de rammen ongeveer 51 cm.  De afstand tussen de horenspitsen is bij de ooien ongeveer 41 cm, bij de rammen ongeveer 78 cm.Het aantal kurketrekkerachtige windingen is bij de ooien minimaal 1,8 en bij de rammen 3.