Lijst geitenrassen    Lijst schapenrassen   Geiten/Schapen in 't wild  Nieuwigheden op de site    Home-page 

Hebridean of Saint Kilda schaap

Oorsprong : De Hebridean behoort tot de groep van de Noord-West Europese kortstaartschapen. Het ras heeft eeuwenlang geleefd als half gedomesticeerd schaap in de Schotse Highlands en op de Western Islands (Hebrideneilanden). De oorsprong is onduidelijk. Er zijn argumenten die wijzen in een afstamming van een prehistorisch Schots meerhoornig ras. De overeenstemming met de hoornstructuur van geiten wijst hierop. Daarnaast  is er de positie van de opening in het dijbeen die lager ligt in de beenschacht dan bij moderne rassen. Maar andere bronnen veronderstellen echter ook directe invloed van het schaap dat de Noormannen meebrachten. Deze stelling wordt momenteel het sterkste verdedigd door de Brittish Hebridean of St Kilda- Society. Meerhoornigheid is in elk geval terug te vinden op uiteenlopende plaatsen waar Vikings eertijds settelden: van Noord-Schotland tot op de Canarische eilanden. Ook de meerkleurigheid van het oorspronkelijke ras, wat we nog terugvinden bij Shetlandse en Ijslandse en oude Skandinavische  rassen kunnen wijzen in die richting.

De Hebridean is net als de meeste dieren die eeuwen geleden leefden, geen strikt eenvormig ras. In een kudde komen duidelijke verschillen naar voor tussen de individuen. Dit komt door de veelzijdigheid aan genenpotentieel die een rijkdom is, die zich vertaalt in enerzijds uiterlijke verschillen maar anderzijds ook in een grotere capaciteit om zich aan verschillende omstandigheden aan te passen. Er zijn duidelijke raskenmerken zoals de zwarte kleur, de hoornstructuren bij rammen en ooien, moederkwaliteiten, bestendigheid tegen veel voorkomende ziektes, structuur en kwaliteit van het vlees, voedingsgedrag, …, maar er zijn ook uiteenlopende verschillen in vorm, wolkwaliteit, gedrag, ...

Tot en met de 18de eeuw waren Hebrideans bijna het enige schaap in de Schotse Highlands.  Daarna raakte het geleidelijk aan vervangen door vooral de Scottish Blackface en ook wel door de Cheviot. Deze rassen wonnen aan belangstelling omdat ze sneller groeiden en per dier ook wel grotere opbrengst aan vlees gaven. Onze oude Hebridean-stamboom raakte quasi volledig verdrongen in Schotland en overleefde alleen nog op enkele Hebrideneilanden. Men verloor het ras zodanig uit het oog dat men in de eerste helft van de 20ste eeuw veronderstelde dat het van de StKilda eilanden (nog verder in de oceaan dan de Hebrideneilanden) afkomstig was, vandaar de moderne naam. Maar op dit eiland hebben nooit Hebrideans geleefd. Alleen het Soay-schaap dat een directe nazaat is van het prehistorische Noord-Europese schaap, heeft daar overleefd.

Dit proces van in de vergetelheid geraken is uiteindelijk ook haar geluk gebleken. In de 19de eeuw experimenteerde men volop met inkruisen van vreemde rassen. De belangrijkste kuddes die deze periode, overleefd hebben, leefden op “parklands”, de grote gebieden rondom kastelen. Deze kuddes zijn waarschijnlijk tot stand gekomen als betalingsmiddel van kleinere boeren die op deze gronden mochten overnachten met hun kuddes, op weg naar de plaatsen waar ze hun jaarlingen verkochten. Waarschijnlijk heeft de grote ornamentele waarde van de dieren hen van de ondergang gered. De Hebridean en verschillende andere rassen die op onbelangrijke eilanden, werden van deze experimenten gespaard, zodat ze in hoge mate hun antiek genencomplex verder konden doorgeven.

 

 

De Hebridean is direct verwant met de bruine en tankleurige Manx Loughtan (die overleefde op het eiland Man), de North Ronaldsey (Orkney eilanden). Het zijn lokale restanten van hetzelfde oerras/Vikingschaap waaruit telkens specifieke eigenschappen door de lokale kwekers geappreciëerd werden en zo door selectie sterker benadrukt werden. Zo werd onze Hebridean een zwart en de Manx Laughtan uiteindelijk een bruin-tankleurig en nog lichter wegend schaap. De North Ronaldsey werd een grijs-wit schaap met uitsluitend krulhoorns en dat een groot deel van het jaar op zeewier kan overleven.Er is verder ook verwantschap met het Shetlandschaap, het Ijslandse schaap en het Faroer-schaap die allemaal zeer nauw aan dat Vikinschaap geliëerd zijn. Het zijn aparte rassen geworden door de eigen eeuwenlange selectie zijn op specifieke kenmerken. Die selectie had te maken met de biotoop waarin men leefde maar evenzeer met de voorkeuzen en specifieke behoeften van de bewoners van die verschillende streken.

Er is geen (genetische) verwantschap vastgesteld met het Jacobschaap, het meerkleurige schaap dat zeer gelijke hoornstructuren heeft. Dit laatste heeft kenmerken die ook terugkomen bij Zuid-Europese schapen.

We konden tot noch toe geen verbanden vinden met het Soay schaap dat overleefde op de eigenlijke StKilda-archippel. Dit ras behoort zeker tot een prehistorisch gedomesticeerd schapenras. Maar we hebben argumenten om aan te nemen dat de Soay een zeer nauwe verwant is aan het oorspronkelijke Keltische schaap of misschien nog ouder. Indien de Soay een directe afstamming is van dit Noord-Schotse prehistorische schaap, kunnen we veronderstellen dat er  verwantschap is met het Keltische schaap dat volgens ons mee aan de oorsprong van de Hebridean, de Manx en de Nord-Ronaldsey gelegen heeft.

Al deze rassen overleefden in bijzonder moeilijke omstandigheden van de Noord Schotse bergachtige eilanden. Ze graasden voor kleine boeren op arme gemeenschapsgronden in dikwijls onherbergzame streken en waren verregaand aan hun lot overgelaten. Ze keerden alleen s’ winters uit het hooggebergte om in lager gelegen weiden nog eten te vinden. Ze werden als ras in stand gehouden omdat ze de enige dieren waren die er zonder veel verzorging konden overleven. Zij hadden hiervoor dus nog de nodige kwaliteiten in hun gen-potentieel aanwezig. Bij uitgeselecteerde vlees- en wolrassen waren die eigenschappen niet meer voldoende voorhanden.

In de periode na WO II echter bleef er niet zoveel meer over van deze rassen. De oprichting van de Rare Breeds Society in heel Groot Brittanië, in de 60er jaren, heeft ze van uitsterven gered. Ze kregen kansen in verschillende natuurparken en bij liefhebbers, die ze omwille van hun kwaliteiten en attractieve uiterlijk kweekten. Momenteel zijn de Hebridean, Manx Laughtan, Jacobs en Soay geen bedreigde soorten meer. De North Ronaldsey is nog kwetsbaar als ras. Dit is niet omwille van het aantal dieren maar wel omdat dat het ras op slechts twee eilanden overleeft.

Kenmerken van de Hebridean : De Hebridean is een kleiner schaap dan de rassen die wij hier gewoon zijn. Ooien wegen rond de 40/45 kg en rammen 50/60 kg. Ze hebben een fijn maar stevig beenderstel. Dit compenseert verregaand hun beperkt lichaamsgewicht. Mee hierdoor hebben ze een zeer goede verhouding tussen vleesopbrengst en slachtverlies per dier.

De dieren geven absoluut geen indruk van zwaarlijvigheid omdat ze bijzonder weinig vet aanmaken. Volwassen dieren halen zelden een betere karkasscore dan 3. De kwaliteit van het vlees is echter zeer exceptioneel. Het bezit een zeer laag cholesterolgehalte. De aanwezige vetten zijn in grote mate polionverzadigde vetten. Daarom kan het vlees doorgaan als dieetvlees. Het is ook donkerder van kleur en bezit een aparte smaak die naar wild neigt. In de mate dat deze dieren op natuurgronden leven, wordt dit laatste natuurlijk nog versterkt. 

De benen zijn naar verhouding lang en vrij dun, in het bijzonder onder de knie. Ze hebben kleine hoeven van uitzonderlijk harde beenstof. Het lijf is nogal lang voor een dier van deze grootte en heeft een stevige romp. De rug is niet doorgezakt.

De kop geeft een edele, verfijnde indruk. Gezonde dieren stralen kracht en fierheid uit. Oren zijn nogal klein en staan horizontaal ingeplant. Er staat weinig of geen wol op het voorhoofd. Ramsneuzen kunnen sommige dieren een nog stoerder uitdruk geven.

Zowel mannelijke als vrouwelijke dieren zijn gehoornd. Het hoornstelsel kan bestaan uit twee, vier of zes hoorns. Waar ooien een stevig hoornstelsel opbouwen is dit bij rammen gewoon indrukwekkend. Bij tweehoornigen hebben de mannetjes spiraalhoorns die 1¼ -de  krul maken. De tweehoornige ooien hebben hoorns die eerst licht naar achter groeien om daarna wat breder uit te gaan, vergelijkbaar met sommige geiterassen. Hun hoorns krullen niet echt door maar buigen achterover en gaan daarna ietwat naar buiten. Hoornen die zeer breed uitgroeien worden weggeselecteerd. Meerhoornige schapen hebben een koppel hoorns dat vanuit de schedel omhoog groeit. Beide hoorns staan apart in de schedel ingeplant. Er moet zowat een duimbreedte tussen zijn. Dit voorkomt infecties aan de inplanting in de schedel, wanneer de hoorns later tot stevige en compacte massa uitgroeien. Bij sommige rammen worden dit twee spiesen van zeker 35 cm lang! Meestal echter groeien die hoorns wat meer naar voor of in de breedte uit, waardoor ze een iets minder gevaarlijke indruk geven. In dit rechtopstaande koppel hoorns zitten soms afsplitsingen die dan leiden tot een vijfde en soms zesde hoorn. Daarnaast spruiten twee krulhoorns net boven de oren uit de schedel. Ze groeien in een sierlijke krul naar beneden. Dieren met hoornstompjes komen voor, maar dit wordt ook zoveel mogelijk uitgeselecteerd.

Via selectie moet deze hoornstructuur goed gevolgd worden. Er bestaan risico’s dat ze naar binnen toe groeien. Erfelijke factoren spelen een belangrijke rol. Maar de hoorns kunnen door ongelukjes bij jonge lammeren ook in een andere richting verder groeien. Fokkers selecteren hun rammen naar een vrij symmetrisch hoornstelsel. Maar de voorkeur voor tweehoornigheid, dan wel voor meerhoornigheid en daarbinnen voor rechtopstaande dan wel ietwat uiteen groeiende hoornen verschilt van fokker tot fokker. Het fokken naar meerhoornigheid is veel moeilijker omdat dit minder gemakkelijk tot  een symmetrisch hoornstelsel leidt dan tweehoornigheid. Bovendien zijn er erfelijke negatieve kenmerken die nauw aansluiten bij de erfelijke eigenschap om de krulhoorns te splitsen in meerhoornigheid.

De staart is kort (tot aan de knie) en goed met wol bedekt.

De wol is volledig zwart van kleur. Sommige exemplaren hebben wat witte haren op het voorhoofd of op de neus. Witte plekken op andere plaatsen worden niet getolereerd. De zwarte kleur bleekt af door UV-straling en levert bij dieren die weinig of geen beschutting hebben, een bruine schijn. In sommige bloedlijnen komt grijze wol voor. Dit wordt bij het ouder worden, in het bijzonder op de ruwe wol op het achterkwartier nog versterkt. De wol krijgt doorgaans een Bradford-keuring van 48-50 en heeft een lengte van 5 à 15cm. De gemiddelde wolopbrengst per jaar ligt tussen 1 ½ en 2 ½kg per dier. Rammen kunnen sierlijke manen ontwikkelen in de halsstreek. Dit kemphaar is niet voor wolproductie geschikt. Binnen één kudde zijn er duidelijke verschillen inzake wolkwaliteit. Exemplaren verschillen in de verhouding kemp/wol, de lengte van de wol en de mate waarin er grijs in voorkomt. De wol wordt vooral gezocht door handspinners die het waarderen voor de natuurlijke zwarte en soms grijze kleur.

Wanneer deze dieren niet op tijd geschoren worden, kunnen ze grote delen van hun wol zelf afschuren. Deze natuurlijke gedeeltelijke rui wijst, samen met de donkere kleur in de richting van het voorhistorische vroege gedomesticeerde schaap.

 
 Hebrideans hebben 2 tot 6 horens die links en rechts symmetrisch zijn.

Lamproductie : De bronstijd begint rond eind september, wanneer de eerste koude dagen en nachten aanbreken. Een mooie nazomer kan dus de bronst verlaten. Een vroege herfst daarentegen vervroegt mee de bronst. De lammertijd begint dan ongeveer 5 maanden later. De bronst kan nog wat vervroegd worden door de lammeren van het seizoen ervoor vroeg te spenen. Bij natuurbeheer doen we dat bewust niet. Hoe later de werptijd, hoe rijker de gebieden waarin lammeren de volgende lente in terecht komen.

Hebrideans groeien traag. Daartegenover staat dat de onvolgroeide ooilammeren reeds in hun eerste levensjaar zelf lammeren kunnen geven. Ze raken drachtig tegen half december en lammeren dus eerder laat (mei). Dan werpen ze één enkel lam. Ze zijn dan pas volgroeid bij hun tweede zomer, dus na anderhalf jaar.

Volwassen ooien zijn goed productief. Meer dan de helft van de ooien werpt tweelingen. Dit is ook zo wanneer ze op uitzonderlijke arme gronden overleven. Het komt voor dat ooien die op rijke zomerweides grazen, meerlingen geven. De gemiddelde lammerproductie wordt op 180% ingeschat.

De ooien lammeren volledig zelfstandig af. Er komt geen supervisie of dierenarts bij te pas. De ooi trekt zich voor een dagje terug uit de kudde, zoekt beschutting in het struikgewas om dan rustig haar jongen te werpen. Het zijn zeer goede moeders. Ze produceren zeer veel melk in behoorlijk grote uiers en verdedigen hun jongen uitstekend. Ook de lammeren stralen een sterke gezondheid uit. Er komt slechts zelden lammersterfte voor.

Verzorging : Deze dieren zijn weinig gevoelig aan diverse courante schapenziektes zoals voetrot en diverse wormen. We hadden tot nog toe (anno 2001) nog nooit een aanval van een van deze problemen die bij vleesschapen vrij courant zijn. Andere fokkers bevestigen dit resultaat. Met de bekende toename van de myasis (of wol-)vlieg hebben we moeten vaststellen dat de Hebridean ook niet echt meer kan weerstaan aan de aanvallen van deze groene vlieg. Veterinaire kosten kunnen daardoor vrij laag gehouden worden. We behandelen de dieren slechts een of tweemaal per jaar met ontwormings-middelen. Bij het scheren, hoefkappen krijgt elk schaap een jaarlijkse beurt. Alleen indien er ingreep nodig is, wordt er nog een tweede beurt gegeven.  Alleen in dit laatste geval gebruiken we een krachtig middel als Ivomec of Dectomax.

Een typisch probleem voor dieren in natuurgebieden zijn de schurftmijten en teken. We laten deze laatste voor wat ze zijn. Schurft wordt echter goed behandeld. Maar we streven ernaar zeer krachtige middelen slechts uiterst beperkt aan te spreken, om resistentie te voorkomen (of toch ertoe bij te dragen dat ze lang uitblijft). Maar even belangrijk is het beschermen van de “mestverwerkers”. Sommige producten schaden de kevers die het op de mest gemunt hebben. 

Doordat deze schapen zo’n grote weerstand opbouwen, recupereren ze ook heel snel van kleine kwetsuren. Grotere kwetsuren (aanvallen van loslopende honden!) vragen een juiste behandeling. Maar uit onze ervaring blijkt dat een goede basisbehandeling van wonden volstaat opdat ze vrij snel gezond en wel zouden recupereren.

Ze kunnen onder zeer slechte omstandigheden als gezonde dieren overleven. Ze vragen ‘s winters ook praktisch geen beschutting. Als ze een open stal krijgen, zullen ze die bij hevig onweer wel gebruiken, maar het struikgewas of een aantal windschermen zijn meestal ruim voldoende. De dieren ontwikkelen immers een compacte en vette wollaag die hen voor extreme koude behoedt. In een gesloten winterstal kunnen gezonde dieren gefrustreerd.

We voederen om evidente redenen in principe niet bij. Ze zijn in staat om uit cellulose toch nog voedsel te halen. Dit gebeurt alleen bij langdurige sneeuw (een week) op plaatsen waar geen etensresten uitsteken boven de sneeuwlaag, wordt er bijgevoedert.  Bij een late lente krijgen de ooien rond de lammertijd wat droog brood bij. (Dit helpt trouwens om ze na de lange winter opnieuw wat tammer te maken).

We gaven reeds aan dat deze dieren bijna 100% zelfstandig in hun voeding voorzien, doorheen het hele jaar. Het komt er natuurlijk op aan voldoende natuurlijke voeding te hebben: voedende ooien krijgen in droge zomers water bij en in de winter staan de kuddes op plaatsen waar ze voldoende eten kunnen vinden (bijv.: hooiweides, waar ze voor nabegrazing ingezet worden of bramen, klimop, brem, en verhoutte planten in verruigd bos- en struikgebied, tot en met schors van jonge bomen, ...).

Doordat ze zeer behendig zijn, sterk en intelligent, kennen ze de moeilijkheden van het terrein. Ze benutten die dan ook in hun voordeel. Braamstruiken, neerliggende boomstammen, plaghutten, hooistapels of welke hindernis ook leveren voor hen weinig problemen. Zo kunnen ze ook hun graaswerk doen op weinig toegankelijke plaatsen. Ze kennen ook zeer goed die plekken die voor anderen moeilijk toegankelijk zijn, in het bijzonder wanneer je als herder voor om het even welke reden bij ze wil komen! Dan moet je al over een goede werkhond beschikken om de lieverds bij je te krijgen.

Het zijn geen uitbrekers. In grote gebieden volstaan meestal een gewone schapendraad of vier rijen schrikdraad. Maar als hun weide leeggegraasd is, en bij de buren ziet alles er nog vrolijk groen uit, dan is natuurlijk geen enkele zwakke plek in de omheining nog veilig. Voor de rest stellen we individuele verschillen vast bij de dekrammen. Van onze 5 rammen is er eentje die tijdens de bronst zijn territorium wil uitbreiden! We lossen dit momenteel op door het dier op een beter bewaakte plaats te houden vanaf de tweede helft van november (hoogtepunt van de bronst). Een omheining van 1.5m lijkt anders ook voldoende te zijn.

   

Gedrag en voedingsgewoontes : De Hebridean is een kuddeschaap dat op zijn autonomie gesteld is. Dieren die op grote oppervlaktes leven en nooit bijgevoederd worden, laten zich niet of slechts zeer moeizaam benaderen. De herder heeft een dominante werkhond nodig om deze dieren op een normale manier te behandelen. Eens die verhoudingen goed zijn vastgelegd, is het koppel vrij eenvoudig te handlen. Dieren die daarentegen regelmatig mensen zien, verliezen snel hun eerste schuwheid, zeker wanneer die mensen hen iets te eten geven. Dit laatste kan echter leiden tot hinderlijke gewoontes! Immers, de schapen zijn niet “lief” maar komen wel op een lekkere brok af. We hebben schapen die het geluid van een plasticzak zeer goed herkennen!

Het zijn vrij intelligente dieren die hun eigen terreinen en verzorgers (en hun honden) goed kennen. Hun fysieke aanpassingsvermogen loopt samen met hun mentale capaciteiten. Dieren die ‘s winters bijgevoederd worden zullen zolang ze zelf weinig rijk voedsel vinden, enthousiast komen naar de hun vertrouwde gezichten. Maar van zodra ze weer een paar weken gerust gelaten zijn, worden ze opnieuw moeilijk bereikbaar.

Het zijn geen gewone “grazers” maar “browsers”. Dit betekent dat ze niet stationair hun voedsel zoeken, maar voortdurend “trekken” zoals hertachtigen en ook geen zuivere graseters zijn. Hun dieet bestaat uit verschillende gras-en kruidachtigen, maar evenzeer uit boomopslag, bladeren en twijgen van allerlei bomen en struiken, ook al hebben die scherpe pinnen of bezitten die een hoge concentratie aan stoffen die wij als giftig catalogiseren. Zo eten ze bramen (met de jonge ranken), kruiskruid, diverse harde grassen zoals buntgras, russen,  bochtige smele en pijpestrootje, allerlei jonge bomen, waaronder ook Amerikaanse vogelkers, acacia, kastanje, spork, berk, ... In de winter kunnen ze zich voeden met verdroogde grassoorten, kastanjes, eikels, braamtakken, heidetoppen, klimop, bladeren die nog niet gevallen zijn,... Ze wagen zich ook aan de boomschors. Niet alle bomen worden gepeld gedurende de hele winterperiode. Oude bomen worden eerder gerust gelaten. In onze huidige ervaring (6 winters) is het opvallend hoe biotoop-eigen bomen zoals wintereik, berk, els, wilg, ... hierin (tot nog toe) gespaard bleven, terwijl kastanje-, Amerikaanse eik- en vogelkersbast wel aangesproken worden. We durven echter hieruit nog geen conclusies trekken.

In de typologie van van Wieren en overgenomen door Hernie, horen ze zeker bij de “intermediate feeders” thuis. Ze zijn dan ook eerder te plaatsen als een combinatie van andere heideschapen en geiten en reeën. Met deze laatste hebben ze in elk geval een deel trekgedrag en  voedingsstrategieën gemeen.

  Hebrideans zijn zeer zuinige eters. Ze komen met vrij weinig toe en kunnen desnoods een tijd vasten, zonder daarbij noemenswaardige last te hebben. Hun drinken halen ze letterlijk uit de morgendauw en uit groenvoer. Dieren in die als curiosum in Britse parken leven, krijgen een drinkbak opdat bezoekers niet zouden klagen, niet omwille van de noodzaak! Alleen voor ooien met zogende twee- en meerlingen is het aangeraden extra drinken te voorzien tijdens perides van grote droogte in de zomer.

Op een gebied waar 100 vleesschapen staan kunnen gemakkelijk 150 Hebrideans gedijen. Deze kunnen bovendien op zeer uiteenlopende gronden overleven waar andere rassen grote problemen zouden kennen. Samen met de lage verzorgingskosten en de bijzondere waarde van het vlees bezit het dier dus meerdere aspecten die het toch economisch bruikbaar maakt.

Er zit een zekere portie agressiviteit in de dieren. Ooien vechten onder elkaar om hun rang te verdedigen. Sommige rammen ontpoppen zich tijdens de bronst en in de werptijd tot behoorlijke kuddeverdedigers. Jonge rammen worden tijdens de bronst door de dominante dekram van de ooien weggehouden. Mijn rammen zijn tot nog toe zeer mensvriendelijk. Tot nog toe was alleen de allereerste dekram minder betrouwbaar. Maar die bloedlijn is al lang opgegeven.

Deze agressie is in zekere zin ook een belangrijke kwaliteit. Het helpt deze dieren om zeer goed weerstand te bieden aan predatoren. We geven een paar voorbeelden. De Nederlandse importeur van mijn fokooien kiest uitdrukkelijk om zijn Hebrideans aan de straatkant te plaatsen. Zo kan hij eventuele loslopende honden op afstand houden van zijn andere, zich minder verdedigende, rassen. Uit eigen ervaring kunnen we meegeven dat onze dieren enkele aanvallen hebben afgeslagen. Het is pas nadat honden verschillende keren terugkomen en ondertussen leren hoe ze met deze dieren om moeten gaan dat er echt gevaar dreigt. We hebben tot nog toe twee keer ernstige problemen gehad met dieren die dicht bij de buitenwijken van een stad staan. Telkens wanneer we met dragende ooien te doen hadden die op het einde van hun dracht liepen, hadden we kwetsuren bij onze dieren. De enige remedie die dan nog overblijft is deze kudde ‘s nachts toch op stal te zetten en te wachten tot na de lammertijd voor je ze weer loslaat.

Al deze eigenschappen maken Hebrideans zo bijzonder geschikt voor natuurbeheer. Hun verregaande autonomie en weerstandsvermogen, hun browservermogen en het feit dat ze bij het lammeren geen hulp nodig hebben, maken hen nog geschikter dan andere heideschapen. Het valt voor dat ik mijn kuddes gedurende meer dan een week niet zie. Dit is mede een rechtvaardiging voor het gebruik van deze schapen tegenover onze eigen rustieke rassen: Kempisch heideschaap, het Mergellandschaap en de (Franse Solognot-afstammelingen) Voskop en Houtlander. We bestrijden geenszins de waarde van deze dieren bij het graasbeheer. Ze hebben uiteraard ook belangrijke kwaliteiten. Ze vragen echter een winterstal en een intensiever aandacht doorheen het hele jaar, in het bijzonder bij het aflammeren. Bovendien loont het de moeite na te gaan in hoeverre deze rassen ook even performant zijn inzake restauratie van overwoekering door Amerikaanse vogelkers, pijpestro, bochtige smele, buntgras, russen en andere biesgrassen... en op specifieke lokaliteiten door klimop, braam,... De Hebridean is dan ook samen met andere Noord-Europese “eilandschapen”, gezien hun ”antieke raszuiverheid”, nauwer verwant aan de verre voorloper van dergelijke verschillende rustieke rassen.

 

    

Inzetten in natuurbeheer : 

 Schapen in het algemeen :

Een aantal jaren terug is er in Vlaanderen wetenschappelijk onderzoek verricht naar de kwaliteiten van schapen als grazer bij beheerswerken. Ze kwamen er niet echt goed uit. Maar dit universitair onderzoek had onvoldoende rekening gehouden met de enorme verschillen die er zich tussen verschillende rassen voordoen. Bij het inzetten van schapen in natuurbeheer,  hebben wij het natuurlijk uitsluitend over die rustieke rassen die op bijzondere vegetaties vlot kunnen overleven. De bekende vleesrassen hebben immers teveel mineralen nodig die op de meeste schrale gronden onvoldoende aanwezig zijn. Ze kunnen ook niet goed tegen extreem droge of drassige gronden. Schapen bieden in het algemeen andere mogelijkheden dan runderen, paarden of pony’s inzake graasbeheer. Schapen bieden voordelen op de grotere dieren wanneer het gaat om delicate vegetaties:

·       Ze leveren een betredingsdruk die vele malen lager ligt. Dit is zeker belangrijk in drassige gebieden. De verschillende rustieke rassen hebben een hoef- en beenderstructuur die de betredingsdruk hier tot quasi nihil herleidt. Dit heeft te maken met het feit dat ze zo licht wegen en kleine hoeven hebben. Maar evenzeer aan het feit dat ze zich net als reeën verplaatsen via vaste paadjes en dus minimaal storend optreden op het totale gebied dat ze begrazen.

·       Ze geven ook een beperkte en goed verspreide mestproductie. Paarden creëren echte latrines. Rundermest is wel verspreid maar blijft toch nog altijd een stevig pak dat ter plaatse wordt gedropt! Door mestuitspoeling ontstaan er plaatselijk vegetaties die de rijke bemesting gebruiken. Zeker in delicate ecosystemen zoals heidelanden is het beter dit te vermijden.

·       Al deze diersoorten zijn kuddedieren (alhoewel dit instinct bij veel moderne runderen nogal verloren gaat). Het feit dat schapen kleiner zijn, maakt dat ze met meer op eenzelfde plaats kunnen grazen dan grotere grazers. De grootte van de kudde betekent eventueel ook een grotere bescherming voor elk individu dat er lid van is. Individuele dieren zijn ook minder moeilijk te behandelen. Ze zijn in elk geval veel minder gevaarlijk wanneer ze om een of andere reden toch agressief zouden reageren. Een hoefstamp van een Fjordenpaard is veel gevaarlijker dan de stoot van een bronstige ram!

·       Het is evident dat schapen op kleinere gebieden zeker meer aangewezen zullen zijn dan runderen, paarden of pony’s.

·       Tegenover runderen bieden schapen samen met paarden en pony’s het voordeel dat ze de grassen en kruidlagen zeer kort houden. Waar runderen halmen afbreken met hun tong, bijten de twee andere de plant echt af. Daardoor krijg je plaatselijk echt kortgeschoren stukken die kleine kruidachtige plantjes plaats en zonlicht geven om erdoorheen te komen. Bij schapen met hun kleinere bek levert dit bovendien nog eens het voordeel op dat zij in laag en fijn struikgewas zoals onder andere dat van struikheide, het gras en jonge boomopslag perfect ertussenuit halen zonder de hoofdvegetatie te storen.

De keuze voor welke soort dieren men in graasbeheer zal hanteren, zal dus afhangen van uiteenlopende ecologische factoren en beheersargumenten. Een gemengde bezetting kan om bepaalde redenen ook overwogen worden (en wordt door van Wieren ook enigszins aangeraden).

Het feit dat Hebrideans ook sterke browsercapaciteiten vertonen, levert bij dit alles een belangrijk extra-voordeel. Ze beperken zich niet tot gras- en kruidsoorten. Ze blijven ook niet stilstaan bij een plaatselijk gewas, maar trekken alsmaar rond in de hen gegeven zone. Daardoor laten ze een brede variatie in de vegetatiestructuur toe. Heide, gras, bloemenweide,  struikgewas,... krijgen een variatie die een harmonieus geheel van groot en klein, van jong en oud toe laten.

Hebrideans en andere ‘browsende’ schapen kunnen ingezet worden in grotere gebieden waar structuurontwikkeling belangrijk is. Alles hangt af van het aantal dieren dat wordt ingezet. Wanneer ze in te grote getallen op zo een domein rondlopen zullen ze (zeker tegen het einde van de winter aan) alles kortvreten. Dit is gunstig voor sommige weidelanden waar in het voorjaar bepaalde planten door het gras moeten uitgroeien. Maar op andere plaatsen is het wenselijk de dieren in die periode te verplaatsen.

Onderzoeksresultaten van beheer met Hebrideans in Groot Brittanië :

Brits onderzoek heeft aangetoond dat het Hebridean schaap een uiterst geschikt dier is voor zowel zure (droge en vochtige) heidegebieden, voor gras- en bosduingebieden, voor zeer vochtig weideland en ten slotte ook voor kalkrijke gebieden.

Er is specifiek onderzoek verricht naar de hoge kwaliteiten van dit ras inzake het beheersen van het pijpestrootje (Molinia caerulea). Ze overwoekeren snel, waardoor de jonge heide weinig kansen krijgt. Dit gras kan heidegebieden overwoekeren. Ze verhogen het nitraatgehalte van de bodem erg fel. Pijpestrootje voorziet zo goed in zijn eigen voeding en geniet bovendien van de extra toevoer via zure regen en te rijke grondwaterlagen, dat het woekert en de heide vrij snel onderdrukt krijgt. Uit dit Britse onderzoek bleek dat Hebrideans als enigen erin slaagden deze bedreiger van heidegebieden definitief onder controle te krijgen. Ze waren de enige schapensoort die het gras voldoende kort kon houden zodat het uiteindelijk onderdrukt werd ten voordele van de heide. (Newborn, Wakenham & Booth, 1993, Game Conservancy Council in Swaledale). Ze kunnen ook ingezet worden in het onderhoud van natuurbossen die door klimop, braam en ander taai groen overwoekerd kunnen geraken.

Ander onderzoek heeft aangetoond dat in gebieden waar deze schapen graasden er een betekenisvolle groei aan schildvleugeligen terug kwam, wat bij hen geleid heeft tot de terugkeer van de wulp en de groene specht. (Skipwith, universiteit van York).

De ervaringen met Hebrideans in Britse natuurgebieden leveren echter ook nog andere resultaten. De Lincolnshire Trust for Nature Conservation heeft een aantal kuddes lopen van in totaal meer dan 200 Hebrideans. Die worden ingezet in zeer uiteenlopende vegetaties. In de eerste plaats doen zij aan heidebeheer in zeer moeilijk toegankelijke gebieden. Daar werden na de kappingen van de bomen, de “moorlands” volledig aan de dieren overgelaten. Hebrideans bleken er een van de enige onder de vele Britse schapenrassen te zijn dat er op vochtige stukken en met een arm voedingsaanbod zeer gezond kon overleven in parken met laagland (dop-)heide. Hun waarde als bestrijder van pijpestrootje werd hier eveneens bevestigd.

Op duingebieden en op brakke gronden (bijv.: Spurn Point, Humberside en op Holy Island) kon de begrazing door Hebrideans, het jaar rond, de terugkeer van wegedoorn tegenhouden. Zo verhinderen ze het ontstaan van een gesloten bovenlaag die de bodem te zeer verrijkt door de natuurlijke nitrogeen-bindende werking van deze plant. Ondanks de zeer arme vegetatie van zandduinen groeien Hebrideanjaarlingen die in september hier uitgezet worden uit tot gezonde volwassen exemplaren tegen de volgende scheertijd in juli. Dit lukt ondanks het feit dat hun voeding voor de meeste andere diersoorten als zeer onvoldoende wordt ingeschat.

Hebrideans in heidevegetaties :

De Hebridean is voor de natuurbeheerder de eerste plaats een heideschaap. Dit betekent dat het zich opperbest voelt in een schraal (dop- en struik-)heidegebied, waar het de grassen en boomopslag eet en zo dus kansen geeft aan de heideplanten om de nodige voeding uit de grond te halen en ze het nodige zonlicht laat om verder te kunnen groeien. Ze doen dit op een sublieme manier! De nog zeer kleine jonge heideplantjes worden van in de lente tot in de herfst totaal ongemoeid gelaten, terwijl al het gras en jonge boom-(vooral berk)opslag er tussenuit wordt gehaald. Zoals hoger reeds aangegeven zijn Hebrideans zeldzaam efficiënte bestrijders van pijpestro. Daarnaast kunnen ze harde grassoorten zoals bochtige smele, buntgras en (pit-) russen ook goed aan.

Normaal worden de ooien in september (ten laatste eind oktober) tot half april van de heide weggehaald en naar een hooiweide gebracht voor nabegrazing. Dit is omdat ze op die hooilanden gedurende de hele winter voldoende stevig voedsel vinden om hun lammeren te dragen. Ramlammeren blijven langer en voeden zich met de heide gedurende een groot deel van de winter. Hierdoor houden ze het heideland voortdurend jong. We hebben momenteel nog vragen over winterbegrazing op struikheide. Onze recente ervaringen hierbij zijn echter zeerbelovend. We voorzien een zeer beperkte bijvoedering (hooi, granen, bietenpulp, maar eigenlijk evenzeer schillen van aardappel, fruit, ajuin,…). Door dit te beperken voorkomen we zoveel mogelijk dat vreemde zaden aan het gebied worden toegevoegd. Dit is in elk geval zo voor gebieden met veel dopheide. Op plaatsen met struikheide en veel groenblijvend buntgras en bochtige smele lukt dit beter! Op dergelijke gebieden kan winterbegrazing eventueel met een beperkt aantal dieren, wel. En waar struikheide te zeer verouderd en/of verruigd is, heeft winterbegrazing een zeer heilzame werking. Voor de dieren zelf zit er genoeg voeding in de heideplant. Ze vinden bovendien in de grassen die ertussen overleven, nog lang in de winter voldoende waardevol voedsel. Bovendien dragen ze bij tot de uitstrooiing van heidezaaigoed via hun mest.

Door hun echte fijnbenigheid, hun kleine, zeer harde hoeven, en vaste wandelpatronen (goed vergelijkbaar met reeën) geven Hebrideans (en een aantal andere rustieke of echte heideschapen) nog minder betredingsdruk in deze heidelanden dan zwaardere schapenrassen. Ze volgen hoofdzakelijk vaste paadjes, waar ze slechts hier en daar van af gaan om er de grassen, andere kruiden en berkopslag tussen de heidestruiken uit te halen.

Andere vegetaties :

Hebrideans kunnen perfect leven in bos- en struikachtige gebieden. Ze geraken door braambossen heen, dank zij hun sterke wolvacht en vooral door hun hoornstructuur. Met diezelfde hoornen halen ze twijgen en takken naar beneden om de jonge blaadjes van bomen op te eten. We hebben zelf vastgesteld hoe Hebrideans de overwoekering met jonge Amerikaanse vogelkers op twee seizoenen totaal omkeerden. Het volstond om de meerjarige bomen weg te nemen. Alles wat minder dan 1,5 m hoog was, verwerken de schapen doorheen het graasseizoen. Ook bladeren van  valse acacia en kastanje behoren tot hun lievelingsdieet. En in de winter pellen ze kastanjebomen, die zo op een natuurlijke manier ontschorst worden en dus vervroegd afsterven! Verdere experimenten met overwoekering door braam, distel, netel en klimop, bewezen dat deze dieren een onvervangbare taak aankunnen in het kader van natuurbeheersprojecten. Tenslotte hebben we zelf vastgesteld hoe Hebrideans de lenteknoppen van de adelaarsvaren volledig wegknabbelden, zodat die plant binnen het omheinde perceel totaal niet tot ontwikkeling kon komen, zolang de schapen dit stuk begraasden!

Het volstaat ze een brede variatie aan planten aan te bieden opdat ze dergelijke, soms gifbevattende planten efficiënt helpen bestrijden. Korte periodes van intensief verwerken van een Amerikaanse vogelkers-onderbegroeiing (via apart inscharen met netten) in een dergelijk stuk, naast periodes van meer extensieve begrazing, zijn best mogelijk. In die zin moeten we sommige auteurs tegenspreken, wanneer zij zeggen dat Amerikaanse vogelkers en (heide-) schapen totaal niet samengaan! Allerlei boombladeren vallen snel in de smaak in het voorjaar en het najaar. We veronderstellen dat dit te maken heeft met periodes waarin er minder gras-en kruiden op het menu komen. Het is opvallend hoe deze dieren in bepaalde periodes meer en dan weer minder van bepaalde plantsoorten eten. De reden zal te zoeken zijn in het totale aanbod en de bijzondere sapstromen in die planten, tijdens bepaalde periodes van het jaar.

Bij het inzetten van deze schapen moet echter ook uitgekeken worden naar wat men binnen een project wil behouden. Immers brem, varens, bosbes, en zovele andere inheemse vegetatie staan natuurlijk evenzeer op het menu, in bepaalde periodes.

Tenslotte toonde de praktijk in Groot-Brittannië dat het ras zeer uiteenlopende ondergronden aankan. Ze kunnen zowel op zeer droge arme als op drassige hooilanden, op zure “moorlands” als op kalkrijke bodems stevig hun mannetje staan. Onze eigen ervaringen  bevestigen dit momenteel volledig.

    Met onze speciale dank aan Patrick Stubbe voor dit uitgebreid en bijzonder interessant artikel ! !