Verdedigingswerken en belegeringsoorlog

In de oudheid streed men, evenals in de Middeleeuwen, op open veld met de wapens in de hand. Pas na de uitvinding van het buskruit bediende de voor de slag opgestelde infanterie samen met de artillerie, de grote zwarte oorlogsmachines die men op een stevig fundament kon plaatsen. Maar ook de krijgskunst van de Romeinen kende en gebruikte veel oorlogsmachines. Alleen dienden deze zonder uitzondering voor de belegering. Belegeringen en veroveringen van steden waren in de oorlogsgeschiedenis van de Romeinen helemaal niet zeldzaam. Maar ook de fortificaties van steden in het midden van het land, aan de kust of op strategisch belangrijke punten werden steeds meer verbeterd.

De belegering- en versterkingstechniek bereikte in de Hellenistische tijd door de uitvindingen van de Grieken een opmerkelijk niveau. De Romeinen namen deze technieken en uitvindingen van de Grieken over. Zij hadden immers de gelegenheid enkele van deze geweldige verdedigingstechnieken van het Middellandse Zeebekken van vlakbij te leren kennen.

Julius Caesar moest in de loop van zijn talrijke veldtochten voortdurend steden en strategisch belangrijke punten veroveren of versterken. Van enkele van deze fortificaties hebben we in zijn "Commentarii" nog nauwkeurige beschrijvingen teruggevonden. Archeologische opgravingen hebben overblijfselen van andere versterkingen aan het licht gebracht.

Een van de moeilijkste belegeringen die Caesar in het voorlaatste jaar van de Gallische Oorlog moest ondernemen was die van Avaricum. De stad was door een muur van stenen en boomstammen omgeven. Caesar liet langs deze muur een aarden wal (agger) van 24m hoogte opwerpen, en daarop een stormkat bouwen, een houten loods ter bescherming van de belegeraars (vinea). Op het dak daarvan had men pas afgestroopte huiden gespreid om te verhinderen dat het hout door de brandende voorwerpen, die door de vijand geworpen werden, in brand zou vliegen.

In het algemeen onderscheidde men 3 fasen in een belegering: de keuze van het punt van de aanval en de opstelling van de troepen op de geschikte plaatsen, het insluiten van de versterkte plaats; het naderen van de muur, zonder zich daarbij aan de vijandelijke projectielen bloot te stellen en tenslotte het slaan van een bres in de muren en de bestorming van de stad.

De oorlogsmachines

Bij de belegering gebruikte men twee soorten machines: de grote tormenta (grote werpmachines, die met onze artillerie vergeleken kunnen worden, waartoe men de catapultae, de ballistae, de scorpiones en onagri telde) en de andere machines, zoals de plutei, testudines, vineae, musculi, arietes, falces en turres die dienden om de aanvallende soldaten tegen een beschermende vijand te dekken.

De catapultae en ballistae

Ballista

De catapultae hadden slechts een gering gewicht en slingerden pijlen en lansen in bijna horizontale richting. De ballistae daarentegen konden stenen en grote pijlen slingeren: hoe zwaarder het projectiel, des te steiler de baan. Omdat ze zelfs onder een hoek van 45° nog raak konden schieten, gebruikte men ze om muren of andere hoge hindernissen te overwinnen.

Catapultae

De scorpiones (kruisboog op voet)

De scorpiones waren kleine katapulten, die zelfs door een man alleen gedragen konden worden. Ze bestonden uit een ijzeren boog, die met een pees of darmsnaar werd gespannen. Deze werden ook uitvoerig beschreven door Vitruvius (één van Caesars ingenieurs). Het was één van de meest voorkomende kalibers, een drievoudige spanmachine bestemd om houten spiesen van 67cm af te vuren. Deze spiesen beschikten over ovalen windgaten en spanhaken om een sterke winding te kunnen verkrijgen. Vele schietbouten, bestemd voor deze toestellen, zijn bewaard gebleven. Ze zijn in de regel voorzien van een kegelkop (piramidevorm).

Scorpio

De cheioballistra

De volgende belangrijke verbetering in de katapultontwerpen bestond in de invoering van metalen frames, enige tijd voor 100 n.Chr. Deze waren steviger dan de houten ramen, zodat de veren verder uit elkaar konden worden geplaatst en de windhoek dus nog verder kon worden verbreed.

De veren bevinden zich in de bronzen cilinders om hen tegen de weersinvloeden te beschermen. Het ruimere framekader vergemakkelijkte het richten, terwijl de kleine boog het zorgvuldige mikken bevorderde.

De onager (steenezel, wilde ezel)

De onager werd gevormd door een houten kistje waarover horizontaal bundels pezen waren gespannen. Daaraan was een hefboom gevestigd, die boven in een soort lepel uitliep, waarin men de projectielen (gewoonlijk stenen) legde. Om het projectiel te kunnen slingeren, trok men de hefboom met een windas uit zijn verticale stand naar beneden in de horizontale. Deze éénspakige katapult wordt al in 200 v.Chr. vermeld door Filoon en nogmaals door Apollodoros circa 100 n.Chr., maar kwam pas algemeen in gebruik in de 4de eeuw toen hij werd beschreven door Vegetius en Ammianus. Het werkingsprincipe is dat van een eenvoudige muizenval, maar ze wogen wel 160 pond. Grote machines als deze werden door acht man opgewonden.

Onager

Het trekkersmechanisme was eenvoudig te bedienen, duidelijk waar te nemen. De grendelbout werd gewoonlijk met een hamer losgeslagen om een vlotte lossing te verzekeren. De machine moest op een stevige aarden of stenen ondergrond worden opgesteld.

De onager kon niet vanaf muren worden gebruikt, omdat de zware terugslag daarvoor een te hevige trilling veroorzaakte. In vergelijking met de twee-armige katapulten vertoont dit werktuig een grote eenvoud in de bediening maar een grote last in de manoeuvreerbaarheid door de zwaarte.

De pluteus

De pluteus was een half cirkelvormig, met huiden bedekt, afdak van een wilgentakkenvlechtwerk, dat men op drie wielen tegen de muren schoof. Onder bescherming daarvan konden de soldaten voorwaarts trekken.

De testudo

De testudo was een stevig getimmerd schilddak van hout met vier of zes wielen (soms ook zonder wielen, maar alleen met schilden). Onder de bescherming daarvan konden de soldaten tot dicht bij de vijandelijke muur komen, oneffenheden in het terrein vlak maken, greppels volgooien en de fundamenten van een muur ondergraven.

Testudo

De vineae

De vineae waren houten loodsen op wielen met een schuin dak van planken of gevlochten wilgentakken. Vele vineae naast elkaar vormden een soort gaanderij, die hen dicht bij de vijandelijke muren bracht. Onder de bescherming hiervan konden de soldaten de stormram en andere belegeringsmachines bedienen om bressen te slaan of de muren te ondergraven.

Vinea

De stormram (aries) bestond uit een dikke balk van 20 tot 60m lengte met een ijzeren kop. De stormram werd met kettingen in een stellage van balken gehangen. Een bepaald aantal mannen - het aantal hing af van de lengte van de balk - stootte deze heen en weer, om bressen te slaan in de muur van de vijand. De falces waren lange stangen, die vooraan een cirkelvormig ijzer hadden. Ook deze werden gebruikt voor het omverhalen van muren.
Om de belegeraars op dezelfde hoogte als de stadsmuren te brengen, bouwde men op wielen beweegbare houten toren (tures ambulatoriae) die men met ijzer en dikke vellen bedekte. Zij hadden tot tien verdiepingen. In de onderste verdieping bouwde men een stormram in. De bovenste verdiepingen bevatten verschillende soorten ophaalbruggen.