HET GEDULDIG ZOEKEN

Hoewel het werk van Jean-Pierre Guynelly Maes er hoofdzakelijk één is van subtiel raffinement en het herkenbare beeld bron is van talloze verborgen aanwezigheden, toch kan het wellicht goed zijn even halt te houden en de voorbije evolutie in enkele duidelijk omschreven stadia onder te brengen.

Naast wat men onmiddellijk ziet, op voorwaarde dat men aandachtig toekijkt en poogt een dialoog aan te vatten, mag men niet uit het oog verliezen dat Jean-Pierre een schakel is en zich drager voelt van een aantal culturele waarden. Hij stamt uit een familie van kunstenaars die zich plastisch niet hebben kunnen uitleven. Hij is eigenlijk tot hiertoe de enige die naast studies aan de Stedelijke Academie en aan het Sint-Lucasinstituut en thans als leraar monumentale kunst aan laatstgenoemde instelling volop in die nooit vervulde droom kon opgaan. Anderzijds werd hij opgevoed in een sfeer van eerbied voor een aantal belangrijke culturele en ethische waarden. Die twee elementen zijn wellicht niet zomaar terug te vinden in wat hij tekent en schildert, maar zij leven op de achtergrond, zij voeden de inspiratie en de moed om steeds opnieuw vragen te stellen en daarin de bgereidheid te vinden om even de vroegere veroveringen te vergeten.

Evolutie

Hoewel in zijn werk brede zones aanwezig zijn waar de onvermijdelijke interferenties plaats hebben, toch lijken de fazen van zijn evolutie vrij duidelijk afgetekend.

Die zouden wij kort als volgt kunnen samenvatten: ludieke taferelen, barokke figuratie, geometriserende stilering, lyrische abstractie, terugkeer naar de figuratie, de schok van de werkelijkheid tenslotte of, anders gezegd, de deuren der waarneming.

Of vanuit een andere hoek bekeken: reactie met breed spectrum, het primeren van het lineaire en een bewust beperken van het koloriet, consequent doorgetrokken studie van een enkele gedachte waarbij de kleur een rol begint te spelen, het op de voorgrond treden van de kompositie en daarna terugkeer naar de de figuur met dit keer de verworvenheid dat kleur en lijn het met elkaar erg goed beginnen te stellen.

Laten wij dat even wat van naderbij bekijken.

Bij wijze van reactie tegen een bestaand academisme en de smaak van sommige kunstliefhebbers start hij met het opbouwen van ludieke werken, ensembles waarvan de delen kunnen worden verplaatst, eigentijdse personages die aan het gegranuleerde van een foto doen denken wat sommige hedendaagse kunstenaars nog steeds ijverig beoefenen. Dat was slechts een kort en eerder onbelangrijk voorspel, een vingeroefening.

Na die twee jaar ludiciteit ontplooit de kunstenaar zich eind 1969 in een sfeer die hem bijzonder kenmerkt. Los van alle -ismen of succestendensen of - stromingen wil hij op idealiserende manier schilderen en tekenen. Op barokke wijze, zowel vormelijk als inhoudelijk, gaat hij op zoek naar de bronnen van alle expressie, naar de geheimtaal van de expressiviteit zonder daarbij ook maar een etappe te willen overslaan: de lijn, de tonaliteit, het schilderen op zichzelf. Hij stelt zich daarbij diametraal op tegen de artistieke strekkingen waarin hoofdzakelijk het concrete, het banale, het monsterachtige, het verval op de voorgrond staan. Hij tracht zijn eigen identiteit te vatten, zijn vreugde en zijn verbazing om wat hem omringt; op die basis stelt hij een aantal problemen van picturaliteit of zeggingskracht.

Aanvankelijk beperkt hij zich tot twee belangrijke themata: paard en ruiter, twee dynamische symbolen en daarnaast het landschap als een soort rustpunt waarin uitbundig met lijn en tonaliteiten en diepte kan worden gewerkt en geëxperimenteerd. Hij affirmeert er zich meteen als een verbazingwekkend virtuoos die onwillekeurig aan de klassieke meesters doet denken. Reeds bij de start bezit hij wat anderen tevergeefs een heel leven lang achternajagen. Tot hij in 1974 Monique ontmoet die even later zijn vrouw zal worden beperkt hij zich tot zwart en wit. Naarmate zijn gevoelsleven rijker wordt komen ook andere tonaliteiten onrembaar opzetten. Eerst werd de lijn uitgepuurd; nu verschijnen de tinten.

Maar dat volstaat niet. Bewust breekt hij met zijn barokke periode en wil hij andere vragen stellen omtrent kompositie en het uiteenrafelen van een gegeven, omtrent de dialoog tussen tinten, de harmonie van vormen, affiniteiten in eenzelfde ruimte, ritme op zichzelf, abstractie, analytische defiguratie, stiliseren en geometrische vertolking.

Eén enkel thema: twee dansende vrouwen, die zich oplossen in tengere vormen van ritme, in een strakkere geometrisering. Wij zijn ongeveer midden 1975. Hier gaat het hoofdzakelijk om plastische fenomenen zoals de lijn, de vorm, de tonaliteiten op zichzelf, de bladspiegel, het vlak, de kompositie, de tekstuur.

Bijna gelijktijdig wordt de tekenaar meer en meer schilder.

Omstreeks 77 mondt de geometrische proefneming uit in een zuiver lyrische abstractie.

Na 79 keert J- P Guynelly naar de figuratie terug. Via een aantal werken die hem in staat stellen de rijkdom van de collagetechnieken uit te diepen creëert hij weer een herkenbaar beeld getooid met het weten van een aantal onzegbare subtiliteiten. Wij zeiden al dat zijn omgeving essentieel een rol speelt.

Hij merkt hoe zijn dochtertje Evy de wereld ontdekt, die van de volwassenen en hun bouwwerken, die van het speelgoed; hij ziet hoe het de deuren van de waarneming één voor één opent. Dat schildert hij daarbij enigszins afrekenend met zijn vroegere thematiek.

Zo is deze nieuwe realiteit bron van emoties en ervaringen die de kunstenaar, hoewel hij kennis en kunde als noodzakelijke verworvenheden aanziet die al bij de start moeten bestaan, aanvat, verrijkt door zijn ernstig vragen naar de essentie en de antwoorden die hij daarop gevonden heeft en uitbundig in waardevolle kunstwerken heeft vertaald.

Hugo Brutin

 

(deze website is volop in ontwikkeling)

[terug naar homepage]