Josijne,Franciska Van Vlasselaer, tovenares.




In de zomer van 1595 werd Josijne verdacht van toverij . Zulks kwam ter ore van Jan Baptist Van Spoelberch, meier van Kampenhout die, ingevolge het strenge bevel uitgevaardigd op 20 juli 1592 door Koning Filips II, op de loer lag . Josijne werd aangehouden op 5 augustus 1595 en werd naar de Treurenberggevangenis gevoerd, waar zij ervan beschuldigd werd dieren in de stal betoverd te hebben. Door haar toverkunst kon ze verhinderen dat er boter uit de melk kwam . Ze zou zelfs een paard betoverd hebben dat bloed waterde i.p.v. urine en kort daarop stierf . Vermits zij alles bleef loochenen werd ze op 18 augustus overgebracht naar de Steenpoort voor het scherpgerecht. De beschrijving van de folteringen op haar toegepast is niet bewaard ; ze onderging alvast de gewone « behandeling ».
« Rechtopstaand werd haar hals rondom in een metalen band gestoken, die van binnen voorzien was van een aantal scherpe pinnen en die met vier strakgespannen koorden aan de wanden van de folterkamer was vastgemaakt. Van zodra zij door vermoeidheid ineenzakte of haar hoofd liet overhellen, drongen die pinnen in haar hals en veroorzaakten er pijnlijke wonden. Waarschijnlijk werd eveneens in de folterkamer een groot vuur aangestoken met het doel haar weerstandsvermogen te breken. Nu en dan werd ze op een « driepikkel » gezet die enorm veel pijn berokkende. (J. Momballuy, Het proces tegen Sconynx te Gottem, in : Volkskunde, 82, p.59) 

Aldus geprangd en gemarteld werd ze ondervraagd door twee commissarissen, een zekere Schock en een doktoor Arnold Baert. 

Die  folteringen duurden soms vierentwintig uur zonder onderbreking en het is verbazend dat Josyne het meerdere dagen heeft kunnen uithouden. Op 13 september schijnt ze in gemartelde uitputting bekentenissen te hebben gesproken ; ze heeft toen  ook een buurvrouw, Anna Verstande, als medeheks genoemd. Josyne werd daarop tot de brandstapel veroordeeld. In uiterste nood en met de gruwelijke brandstapel voor ogen poogde ze nog zelf haar leven te ontnemen door scherven van een potaarden teil in te slikken. De juiste dag van september 1595 waarop Josyne in de vlammen stierf is niet bekend, maar het gebeurde te Brussel op de Grote markt. 

Haar bezit dus de helft van wat Aert van Beethoven bezat was verbeurd en Aert moest ook de kosten van aanhouding, verhoor, pijniging en verbranding betalen. Meier van Spoelberch was fel in de weer om dat allemaal in ontvangst te nemen, maar Aert schreef een smeekbrief aan de Rekenkamer te Brussel. Het antwoord is bewaard en geeft een ruimer inzicht in de gezinstoestand van Aert en zijn rampzalige echtgenote. 

In de "Rekeninghe van Jans Bap. van Spoelberch als meyer van Camenhout" (1594-1618) kunnen we lezen : " Josijne van Vlasselaer als huysvrouwe Aerts van Beethoven, woonende tot Campenhout, is byden voirsch. meyer geapprehendeert wordden door de groote fame, suspitie en inditie van toeverye, de welcke den voersch. Amptman gelevert synde, is soeverre tegen de selve geprocedeert,dat zij ten leste is gecondemneert metten brande waervan by den selven meyer confiscatie van goederen der voersch. gehuysschen ten behoeff van zijn Majesteit in arreste genoemen ." 
(RAB.RK. 12.756)
 
 

RAB Kampenhout, reg 2308, fol 74-75 van 14 september 1589 : " voor scepenen van Kampenhout, vervangend de erflaten van het Hof van Bethaniën, wordt verkocht ten behoef Aert's Van Beethoven en Francisca (?) Van Vlasselaer zijn wettige huisvrouw een stuks beemds groot 't derde deel van een bunder en gelegen bij Wilder in de Schilthoven bempten tusschen de goeden des Godshuys van Ste Cleren binnen Brussele en de goeden van Jan van Bourgeois, licentiaat inden rechten, .. joncheere Aert de Borghgraeve, ...metten anderen zijde aende Molenbeke ." 

RAB Kampenhout reg 2307, fol 16-16 van 29 mei 1590 : " voor scepenen van Kampenhout vervangend de erflaten des Heren F. Hinckaert, ridder en heer van Berg, Lille, Nederokkerzeel en van zijn Laathof te Assentende daer omtrent gelegen,  verkoopt Christiaan Imbrechts ten behoef Aert's Van Beethoven en zijn huisvrouw Josijne Van Vlasselaer een halff dagwand lands inder grooten tselve  gelegen is tot  Assent op 't Elsterveld tusschen de goeden Jacob Berckmans in deen zijde ende goede Huybrecht van Bredsijt in dandere, commende metter derder syde aen sherren straete geheten de Quaede Straetre." 

In de zomer van 1595 werd Josijne verdacht van toverij . Zulks kwam ter ore van Jan Baptist Van Spoelberch, meier van Kampenhout die, ingevolge het strenge bevel uitgevaardigd op 20 juli 1592 door Koning Filips II, op de loer lag . Josijne werd aangehouden op 5 augustus 1595 en was daarmee beslist verloren . Zij bekende op de pijnbank en na 13 september 1595stierf zij op de brandstapel te Brussel . 
In de "Rekeninghe van Jans Bap. van Spoelberch als meyer van Camenhout" (1594-1618) kunnen we lezen : " Josijne van Vlasselaer als huysvrouwe Aerts van Beethoven, woonende tot Campenhout, is byden voirsch. meyer geapprehendeert wordden door de groote fame, suspitie en inditie van toeverye, de welcke den voersch. Amptman gelevert synde, is soeverre tegen de selve geprocedeert,dat zij ten leste is gecondemneert metten brande waervan by den selven meyer confiscatie van goederen der voersch. gehuysschen ten behoeff van zijn Majesteit in arreste genoemen ." (RAB.RK. 12.756) 

Na de veroordeling van zijn vrouw diende Aert Van Beethoven volgend verzoekschrift in : 
RAB.RK. 303 : " Alsoe Aerdt van Beethoven oudt als sestigh jaer, wonende tot Campenhout, den president ende luden van Camere van Rekeninge van Brabaant bij request te kennen gegeven heeft gehadt hoe dat nu onalncx heden Josyne Van Vlasselaer dess supplts huysvrouwe, by vonnisse van wethouder der stadt van Brussel mits d'exercitie van toverye by haer gecommiteert, is gecondemneert metten brande geexcuteert te worden sulcx datter soude naer volghen, zynde tot dyen alle haer goet geconfisweert geweest ten behoeff van zijn Majt ende dat dyen achtervolghendeee Jan Bapta van Spoelbergch als meyer van Campenhout prentendeert inden naemen van zyne majt deen hellicht van alle deeen achtergelaten goeden der voorschreven Josyne, soe meubelen als inneboedel tegen den suppl aff te deylen om die selve publyckelycke ten hoogsten daet van biedende te doen vercoope ten proffyte van zijn voorsc. majt. 
Nijet tegenstaande de selve publycke vercooping es medebringende een groot onere ende confusie nyet alleenlyck voor den supplt. maer oock voor zijne vier kinderen (daer aff drye zyn gehoudt, ende deen ongehoudt )- dat die supplt.is een oudt man, quaelyck den cost in syne oude daeghen  kan besorgen, ende dat hy oyck in zyn handt es gequest, sulcx dat hy die selve nyet en can gebruycken,- 
hebben daeromme van zijne majt. geordonneert ende geaccordeert als dat nu den voorsc. Aert van Beethoven supplt. sal laten volgen die panden ende goeden gecong-fisqueert voer die helft tot profyt van zijn Majt. mits betalende alle ene eenyegelucke costen . 5 mei 1596 . 

Anderzijds noteerde Jan Baptis van Spoelbergh in de marge van voornoemde rekeningen : 
" De acte in den texte vermelt :... dat men den voirsc. Aerdt Beethoven zal laeten volgen die panden en gronden van erfven geconfisqueert voer den schuld van prossessen van zijn Majt. mits betaelen allen en eenen yegelucken costen zoe van der erecosten ende vacatien van de commissarissen . En by de Rentmeestere vande domeynen van Vilvoirden uyt costen deser toecomenden verantwordten ontfanck gemaeckt van eenen erfchijns van  XX st. erfcheyns dat wegens tconsent en accordt gedaen aen Aert Beethoven van te moghen gebruyken de gronden van erfven inder acte hier boven geruert ." 
(RAB.RK.12756) 

Een Cijnsboek van 1606/07 : " Aert Van Beethoven den welcken mijne heeren van de camere van vrs hoven in Brabant geaccordeert  hebben te mogen gebruyken de helft van sijn huysvrouwe goet, als zijnde voort een toveresse gebrant geweest onder Campenhout, naer inhout de acte daer van zynde in dato de Vden mey XVc sesentnegentig, midts jaerlycx betaelende eenen erfcheyns onquytbaer van XX st.Artois." ( RAB. RK. 44.960) 
 
 


Terug