Welkom op de Website van
PIERRE TROUILLEZ
Docent Johannes
XXIII-seminarie te Leuven
Redactiesecretaris van COLLATIONES,
Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal.
Bruidstraat 2, B-3290 Diest
E-mail: pierre.trouillez@skynet.be
Op deze website vindt U:
n
Publicaties
N I E U W !
De
Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting (5de – 7de eeuw)
Leuven,
Davidsfonds, 2010, 334 blz., 16,5 x 24 cm – ISBN 978-90-77942-48-2 – € 27, 50.
Hoe verliep de christianisering van de Germaanse stammen? In
welke streken werd het evangelie al vroeg verspreid en in welke verliep dat
moeizaam? Welke rol hadden christelijke symbolen zoals het doopsel,
heiligen en wonderen in het proces? Hoe werd Benedictus de patroon van
Europa en hoe belangrijk was de bekering van Clovis voor de Kerk en het
Westen? Dit boek zoekt een antwoord op al deze vragen en reist daarvoor
terug naar de tijd van de 5de tot de 7de eeuw na Christus. Een boeiende
periode waarin de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen zich voltrok
en de Germaanse wereld en het christendom elkaar voor het eerst ontmoetten.
♦
Bevrijd
en gebonden. De Kerk van Constantijn (4de – 5de eeuw)
Leuven,
Davidsfonds, 2006, 308 blz., 16,5 x 24 cm –
€ 24, 95. ISBN 90 5826 419 X.
Verkrijgbaar
via Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/ (in
zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)
Hoe is een gelovige gemeenschap van
miljoenen christenen ooit kunnen ontstaan uit een groep van twaalf
apostelen en een handvol volgelingen? Een fascinerende vraag. Dit boek
begeleidt de lezer in de zoektocht naar het antwoord. Na drie eeuwen als
een marginale en vaak verdachte religieuze groep overleefd te hebben,
begint de christelijke Kerk vanaf 313 aan haar veroveringstocht van de hele
maatschappij. Keizer Constantijn doet aan positieve discriminatie: er
worden muntstukken geslagen met Christusafbeeldingen, kerken verrijzen,
geestelijken moeten niet langer gemeenschapsdiensten uitvoeren, de
georganiseerde liefdadigheid is een feit… Het religieuze beleid van
Constantijn kan men best kwalificeren als een van de grootste verrassingen
in de geschiedenis. Maar er is ook een keerzijde aan de
medaille: de Kerk kan de liefdevolle gemeenschap van broeders
en zusters niet realiseren in een samenleving waar de verruwing groeit door
armoede en uitsluiting, konkelende clerici en ethisch lakse gelovigen
brengen de christelijke gemeenschap in diskrediet. Bevrijd en gebonden.
De Kerk van Constantijn brengt een wervelend totaalbeeld van de
wellicht belangrijkste
scharnierperiode uit onze westerse
geschiedenis.
Warm aanbevolen
door Herman van Rompuy
president
van Europa
http://hermanvanrompuy.typepad.com/boeken
¨
Van
Petrus tot Constantijn. De eerste christenen
Leuven,
Davidsfonds, 2002, 374 blz. – Kan alleen nog besteld worden via Digital
Printing on Demand bij
Verkrijgbaar via
Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/ (in
zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)
Een boek over het
succesverhaal van de jonge Kerk… Het enthousiasme van een
authentiek geloof! Wie
waren de eerste christenen ‘in godsnaam’? Waarom voelden ze zich
aangetrokken tot die marginale beweging? En hoe heeft het prille
christendom zich gaandeweg kunnen manifesteren? Met
Paulus is de jonge Kerk het waagstuk aangegaan om buiten haar vertrouwde
milieu te treden. In het Romeinse rijk zou ze haar vernieuwende kracht
bewijzen. Christen-zijn was er allesbehalve evident. Toch werden de eerste
drie eeuwen van het christendom een succesverhaal. Van
de eerste verkondiging door Petrus tot de bekering van keizer Constantijn
exploreert de auteur hoe christelijke denkers van de begintijd, maar
evenzeer gewone gelovigen, hun geloof beleefden en overdachten. De
vroege Kerk is groot geworden door het enthousiasme van een authentiek
geloof. Zonder alles te verwedden op structuren en dogmatiek, wist ze
mensen aan te spreken. Een bron van inspiratie voor het christendom
vandaag?

Het boek werd als tweede genomineerd voor de
Tweejaarlijkse Prijs van het Religieuze Boek 2004.
n
Naar
wie zouden wij anders gaan?
Ontmoetingen
met Jezus, de Christus
Leuven,
Davidsfonds, 1998, 188 blz., € 19,75, ISBN 90 6152 577 2
Verkrijgbaar via
Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/nl/ (in
zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)
Met zijn boek wil Pierre Trouillez juist aan de
zoekende mens in de huidige verwarring vastigheid geven door hem vertrouwd
te maken met de rijkdom en de kracht van Jezus’ woorden en daden. Ook hij
gaat op onderzoek uit naar de historische Jezus, maar stoot ook verder door
naar de werkingsgeschiedenis van Christus. De auteur focust zijn betoog,
dat een uitwerking is van zijn cursus christologie aan het Hoger Instituut
voor Godsdienstwetenschappen in Brussel, niet alleen op de mens Jezus, maar
ook op zijn ideeën en de invloed van zijn nieuwe leer over het vaderschap
van God en de verwachting van Gods Rijk. Hierbij loopt hij niet om de
vragen heen die in de hedendaagse Jezusliteratuur en –onderzoek (onder
andere het Amerikaanse Jesus Seminar) worden gesteld. Een degelijk
standaardwerk over ons geloof (in Kerk en Leven, 9 sept. 1998).
Dit
boek werd als tweede genomineerd voor de Tweejaarlijkse Prijs van het
Religieuze Boek 2000.
n
- De eerste kerstening van de Lage
Landen. Een verhaal van slagen en falen
- Op weg naar een christenheid in de
Lage Landen
Eerste twee
hoofdstukken in P. Nissen (red.), Geloven in de Lage Landen.
Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom
Leuven, Davidsfonds, 2004.
n
Naar een nieuwe dialoog tussen
geloof en wetenschappen.
. De bijdrage van het procesdenken
In L. Aerts – M. Steen (red.), Iedere grens voorbij.
Visies over God
Averbode, Altiora,
1999.
Een beoordeling:
“Hoewel
de gemiddelde tijdgenoot zijn religiositeit veeleer affectief beleeft,
staan
sommige wetenschappelijke denkers en theologen meer open voor
elkaars
opvattingen. Zo schetst Pierre Trouillez inzichtelijk de overgang
van
het klassieke wereldbeeld van Newton naar Prigogine en de procestheologie
van
Whitehead en Hartshorne” (De Standaard, 7 mei 1999).
n
Wanneer viert God feest? Origenes en de menselijkheid van God
in
L. Aerts – M. Steen (red.), Met
een naam en een gezicht. Christelijke visies op God,
Averbode,
Altiora, 2002.
Als de Schrift zo sterk de
mensbetrokkenheid en bewogenheid van God laat oplichten, dan moet dit toch
haaks staan op het ideaal van de ‘apatheia tou Theou’ of totale
onbewogenheid van God, dat in de Griekse Oudheid zo hoog in het vaandel gevoerd
werd? De bijdrage laat inderdaad zien hoe vroegchristelijke auteurs, zoals
Origenes, met deze spanning hebben geworsteld. De uitspraken van Origenes over
de bijbels-christelijke ‘pathische’ God, de liefhebbende God, klonken ongehoord
in de oren van geschoolde heidenen, waar waren ook voor de oudchristelijke
theologie allesbehalve evident. De bijdrage laat zien hoe gedurfd zij waren en
hoe zij actueel en inspirerend blijven. ‘Omdat wij menen dat de huidige
geloofscrisis in het Westen minder te maken heeft met beurse plekken van het
kerkinstituut dan met de kwaliteit van het godsgeloof, durven wij te stellen
dat theologische bijdragen zoals die van Origenes en levende getuigenissen
zoals die van de oude Kerk over de mensbetrokkenheid van God, nog altijd
verrassend actueel zijn” (besluit van de bijdrage).
n
Gestalten van de Kerk in de geschiedenis
in
J. Stevens (red.) Geloven
in de kerk. Een multidisciplinaire benadering
(Averbode, Altiora, 2000).
n
Een selectie van mijn
vroegere publicaties
-
‘De grond van mijn grond’. De gedichten van Jan Luyken als theologische
vindplaats, in Tijdschrift voor Geestelijk
Leven 1975, nr. 4.
-
Volksgeloof in de middeleeuwen. Een beeld uit de ‘Canterbury Tales’ van G.
Chaucer, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1984, nr 4.
-
Het Petrusambt in de patrologie: een verkenning,
in Communio 1985, nr. 2/3.
-
Kan een rijke gered worden? Stemmen over geloof en bezit in de tijd van de
Kerkvaders, in
Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1986, nr. 3.
-
‘Het bloed van de christenen is een zaad’. De Kerkvaders en de vervolgingen,
in Communio 1987, nr. 2.
-
‘Het heilige is voor de heiligen’. De Kerkvaders en het geloof in de
gemeenschap der heiligen, in Communio 1988, nr. 1.
-
Over Jürgen Moltmann, theoloog van de hoop,
in Hoop en opstanding. Feestbundel bij
het emeritaat van Herman-Emiel
Mertens (red. G. De Schrijver - R. Michiels - L. Boeve), Leuven, Acco,
1993.
-
Isâ, Jezus in de koran, in Emmaüs 1993, nr. 5-6.
-
De bevrijdende kracht van de drie-eenheidsleer. Over het trinitaire programma
van Jürgen Moltmann, in Collationes 1996, nr. 1.
-
Waarheid en dwaling: wie ziet het onderscheid? De ‘geloofszin’ van de gelovigen
als belofte en uitdaging, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1996,
nr. 5.
-
‘Toevertrouwd met de dienst van Jezus Christus’. Het diaconaat in de eerste
eeuwen, in Sacerdos
1996-1997, nr. 3.
-
De tekenen van de tijd en de christelijke hoop,
in Innerlijk Leven 1997, nr. 4.
-
Jezus, gave van de heilige Geest voor ons heil,
in Nieuw Leven 1998, nr. 1.
-
Belofte en vervulling. De zending van de Geest die opricht en vernieuwt,
in Nieuw Leven 1998, nr. 2.
-
De heilige Geest: levensbron en drijfkracht van de christelijke gemeenschap,
in Nieuw Leven 1998, nr. 3.
-
De heilige Geest, die allen en alles vernieuwt,
in Nieuw Leven 1998, nr. 4.
- “Vanaf de bisschoppen tot en met
de laatste lekengelovigen”. De geloofszin van de gelovigen in de tijd van de
kerkvaders en in het leven van de Kerk vandaag, in J. Haers – T. Merrigan –
P. De Mey (red.), ‘Volk van God en gemeenschap van de geloven’. Pleidooien
voor een zorgzame kerkopbouw. Feestbundel bij het emeritaat van Robrecht
Michiels, Averbode, Altiora, 1999.
- Het nieuwe Godsvolk uit de menigte
geroepen… De Kerk als Volk van God, in Nieuw Leven 2000, nr. 3.
- Oriëntaties
voor de kerkopbouw in het post-Constantinum, in Toekomst voor de gereformeerde
traditie (red. K. van Bekkum), z.p., Nederlands Dagblad, 2004.
- De
eerste kerstening van de Lage Landen. Een verhaal van slagen en falen,
in Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het
christendom (red. P. Nissen), Leuven, Davidsfonds, 2004, 203 p., p. 9-17.
- Op weg naar een christenheid in de
Lage Landen, in Geloven in de Lage Landen.
Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom (red. P. Nissen),
Leuven, Davidsfonds, 2004, 203 p., p. 19-25.
- Wereldgodsdiensten, in Wegwijs
Cultuur (red. R. Dillemans – A.
Schramme), Leuven, Davidsfonds, 2005, 392 p., p. 24-26.
- ‘Het geloof heeft alles met eenvoud
te maken’. Hilarius van Poitiers, in Collationes.
Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2005, nr. 3.
- Geloof als
hoop voor de wereld. Duitse theoloog Jürgen Moltmann tachtig, in
Tertio 7 (2006) 334, p. 14-15.
- Isidorus van Sevilla. Bruggenbouwer
tussen oud en nieuw, in Collationes. Tijdschrift voor
Theologie en Pastoraal, 2008, 1.
- Catechese en liturgie in de oude
Kerk. Oriëntatiepunten en vragen voor de situatie van vandaag,
in Tijdschrift voor Liturgie, 52ste Liturgisch Congres 2007: ‘Liturgie
vieren: groeien in geloof, p. 74 [18] – 81 [25].
- In de vuurlijn van de Vandalen. Uit de kerkgeschiedenis van Noord-Afrika, in Collationes. Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2010, nr. 3.
- Monniken
maken het historische ‘verschil’. Monastiek charisma in scharniermomenten, in De Kovel. Monastiek trijdschrift, 2012,
nr. 21, januari 2012.
-
De Heilige Bonifatius en de nieuwe start
van de Frankische Kerk, in Communio.
Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2013, 1.
-
Met een nieuwe adem… De Kerk in de tijd
van Sint-Jan Berchmans (nawerking concilie van Trente), in Jan Berchmans van Diest. De verre tocht
naar het licht, Diest, Jaarboek Vrienden van de Sint-Sulpitiuskerk, 2013.
g

Sinds
1988 verscheen in het parochieblad wekelijks de Parochiekroniek van de
hand van Marcel Huon, oud-leraar van het St.-Jan Berchmanscollege van Diest en
hulppriester in de Onze-Lieve-Vrouwparochie aldaar. We publiceren hier de hele
reeks, tot de laatste bijdrage, die geredigeerd werd enkele weken voor het
overlijden van de auteur op 10 november 2002.
Men moet het woord “parochiekroniek” ruim verstaan. De
Onze-Lieve-Vrouwparochie was geen eiland, zonder bindingen met het Diestse
stadsleven en met het reilen en zeilen van heel de samenleving. Daarom kan deze
kroniek ook interessant zijn voor wie belangstelt in de algemene schiedenis van
onze contreien.
→ Soms
worden bedragen in oude munten vermeld. Om een idee te krijgen van wat deze
bedragen
in
de 18de eeuw voorstelden: zie nrs. 99-100.
1. De Burchtkapel
Reeds in 1211 stond er een kapel op de plaats van de huidige Lievevrouwkerk.
Daar woonden de bewoners van de kleine burcht op het Tafelrond de mis bij. De
Baruytstraat (nu Bruidstraat) bracht hen rechtstreeks naar dat deel van de
Warande (nu het stadspark van Diest). De dienstdoende kapelaan werd aangesteld
door de abt van Tongerlo en bezoldigd door de burchtheer, die daarvoor de
tienden opstreek. Voor het onderhoud van de priester en het kerkgebouw en ook
voor de ondersteuning van de armen had keizer Karel de Grote immers destijds
het geven van tienden verplicht gemaakt.
2. De Tienden
Tienden geven betekende dat de mensen
een tiende van hun veldgewassen, vruchten, jonge dieren aan de Kerk moesten
afstaan. Maar in de gezagsloze tijd na de dood van Karel de Grote in 814 waren
vele kerken en hun inkomsten in het bezit van de plaatselijke heren geraakt.
Toen het gezag van de pausen groter geworden was, werd er tegen deze toestanden
opgetreden. Om hun geweten gerust te stellen, schonken de heren dan hun tienden
en kerken aan de opkomende abdijen. Zo had Arnoldus II in 1163 zijn rechten van
de Diestse St.-Sulpitiuskerk aan de abdij van de Tongerlo afgestaan.
3. De Tienden II
In 1233 schonk de kleinzoon van Arnoldus II, Arnoldus IV, ook de
inkomsten van zijn burchtkapel aan de abdij van Tongerlo. Voortaan zouden de
paters er de dienst verzorgen op eigen kosten. Nu de heer zijn burchtkapel
afgestaan had, liet hij voor zichzelf en zijn huisgenoten een nieuwe bidplaats
bouwen op het voorhof naast zijn burchttoren. Hiervan werden in de Warande
sporen teruggevonden tijdens opgravingen in 1987.
4. Nieuwe parochies
Tot het midden van de 13de eeuw volstond één parochiekerk
voor Diest: St.-Sulpitius. Volgens berekeningen van M. Van der Eycken in zijn
“Geschiedenis van Diest” telden de stad in 1142 hooguit 1200 inwoners. Maar de
opkomende lakennijverheid en de vrijheid die je hier genoot, lokten veel mensen
uit de omgeving naar Diest. Een goeie 200 jaar later wordt het aantal inwoners
op 7000 geschat. Nu moesten er wel nieuwe parochies opgericht worden: die van
O.-L.-Vrouw en St.-Jan de Doper. Op 1 juli 1253 ging een deel van de
St.-Sulpitiusparochie over naar Onze-Lieve-Vrouw, volgens een akkoord tussen
abt Johannes van Tongerlo en Arnoldus IV. De nieuwe parochie bestreek ook een
deel van Schoonaarde (thans een gedeelte van Schaffen).
5. Nieuwe kerk
De voormalige burchtkapel was natuurlijk te klein om het stijgend
aantal gelovigen op te vangen. Stukje bij beetje werd ze afgebroken en rees
onze huidige kerk op. In 1255 moet het koor reeds klaar geweest zijn, want toen
werd het hoofdaltaar geconsacreerd. De werken vorderden langzaam, want pas op
10 februari 1288 zegende een zekere Bonaventura de kerk in. Wie de bouwmeesters
waren, is niet geweten. De bouwtrant zal wel door de abdij van Tongerlo
voorgeschreven zijn.
6. Witheren I
Evenals de St.-Sulpitiuskerk zou onze kerk bediend worden door de
witheren van Tongerlo. Dit bleef zo tot aan de Franse Revolutie. In het begin
bleef de rector van O.-L.-Vrouw ondergeschikt aan de proost van St.-Sulpitius.
Beiden waren norbertijnen, volgelingen van St.-Norbertus. Deze had in 1121 zijn
eerste klooster gesticht in Prémontré, bij Laon in Noord-Frankrijk. Vandaar hun
andere naam: premonstratenzers.
7. Witheren II
Norbertus, de stichter van de witheren, wilde dat de leden van zijn
nieuwe orde als kanunniken het openbare koorgebed zouden verzorgen, in
gemeenschap zouden leven en tevens de zielzorg in de parochies zouden
behartigen. Als teken van armoede droegen ze een priesterkleed van ongeverfd
wit laken. De formule van St.-Norbertus kende een groot succes. Reeds vóór 1140
telde het grondgebied van de huidige bisdommen Mechelen en Antwerpen negen
mannenabdijen voor witheren. Die van Tongerlo werd in 1130 gesticht en bediende
vele parochies. De abt droeg zijn kandidaten voor aan de bisschop; die benoemde
en hield toezicht. Tot aan de nieuwe indeling van de bisdommen na het concilie
van Trente (1545-1563) hing Diest af van het bisdom Luik.
8. Opleiding van de priesters
Vóór het concilie van Trente bestonden er bij ons nog geen seminaries,
inrichtingen voor de opleiding van niet-kloosterlijke priesters.
Belangstellenden gingen ergens in de leer bij een pastoor. Ze leerden er de mis
lezen en de sacramenten toedienen. Hun kennis van de geloofsleer en de bijbel
was meestal erg beperkt. Hun morele vorming hing af van het voorbeeld dat hun
leermeester gaf. De wereldlijke priester was een selfmade man. Daarentegen
waren de priesters-kloosterlingen, zoals de witheren, in hun abdij beter
gevormd in kennis, vroomheid en plichtsbesef. Parochies met witheren (zoals de onze)
troffen het dus meestal beter.
9. Namen van de pastoors tot 1550
Hendrik (in 1253), Jacob van Alcmaer (in 1431), Theodoric Schoerman (in
1441), Dirk van Indoven (in 1450), Arnold Beckers († 1488), Nicolaas Van den
Huys (in 1498), Augustinus Verlaer (in 1524), Cornelius Hooghe († 1544),
Joannes van Grootzundert (vóór 1549), Jacob Geeraerts (in 1553). Er zijn
opvallende leemtes in de lijst. Dit komt door het speciale statuut van de
O.-L.-Vrouwkerk. Zij was wel een parochiekerk, maar bleef afhangen van de
hoofdkerk St.-Sulpitius. Haar bedienaar was slechts de plaatsvervanger van de
pastoor van St.-Sulpitius en hij werd door de abt zelf aangeduid zonder
inmenging van het bisdom. De benoeming van deze zielzorger werd daarom niet
opgetekend in het parochieregister. Ook in andere stukken worden ze zelden
vermeld. Na het concilie van Trente werden hun namen wel zorgvuldig genoteerd
en is de lijst volledig (die publiceren we later).
10. Bourgondische gotiek
De orde van Premonstreit (Witheren) was door haar Franse oorsprong goed
vertrouwd met de daar opkomende gotische stijl. Bij de bouw van haar sobere
kerken liet ze zich inspireren door de cisterciënzers. In België is onze kerk
misschien wel de enige overgeblevene in deze bepaalde trant. Het gewelf van ons
koor telt namelijk zes ribben in plaats van de gebruikelijke vier. Aan de
buitenkant zie je een dubbele rij van smalle lancetvensters, dichtgemetseld
toen het huidige hoge portiekaltaar werd geplaatst. Geen versiering, tenzij de
fries met hangbogen onder de daklijst.
11. Onze-Lieve-Vrouw ter Berderen
Aanvankelijk was alleen het koor gewelfd. De kruisbeuk werd pas in de
laatste helft van de 14de eeuw overkluisd, gelet op de sluitsteen
met het wapenschild van Hendrik van Diest en zijn echtgenote Elisabeth van Hoorn:
ze huwden in 1359. Het schip zelf bleef nog lang zonder gewelf, zodat je de
balken en planken van het dakgestel kon zien. Onze-Lieve-Vrouw ter Berderen
heet de kerk in oude geschriften (berd = Oudnederlands voor plank). Voor het
hoogkoor hing een triomfkruis, geflankeerd door Maria en Johannes. Het koor
werd met de hemel vergeleken en het schip met de aarde. Tussen beide hing het
verzoenende kruis.
12. Uitzicht van de kerk
De middenbeuk van onze kerk werd afgesloten door een stoere
westertoren. Men kwam toen binnen via zijportalen achteraan in het schip. Het
doksaal en het orgel bevonden zich aan de linkerkant van het koor. In beide
armen van de kruisbeuk was een aanbouwsel: een lage kapel, verlicht door drie
smalle vensters. In het St.-Nicolaaskoor werd een stuk arm van de grote
kindervriend en patroon der winkeliers vereerd. In het Heilig-Kruiskoor was een
relikwie van Jezus’ kruis. Toen de huidige hoge altaren in de kruisbeuk
opgericht werden, verdwenen deze kapellen achter een muur. Ze dienden nu als sacristie en bergplaats (tot op vandaag).
In de loop der tijden groeide het aantal altaren in onze kerk. Vrome
mensen lieten geld of grond na om aan een bijzonder altaar missen te lezen voor
overledenen of ter ere van een heilige. Dit gebeurde door priesters die verder
geen parochiaal dienstwerk verrichtten. Zo stichtte de overste van onze buren,
de Begarden, in 1272 het H.-Geestaltaar. In 1275 bestond reeds het
St.-Nicolaasaltaar. Verder stonden er in 1481 nog de altaren van St.-Catharina,
St.-Jan de Evangelist, Stefanus en Laurentius, Barbara en Agatha. Bij het
H.-Kruisaltaar vierde de rederijkerskamer “Christusogen” sinds 1502 haar
kerkelijke feesten. Het hoofdaltaar was toegewijd aan O.-L.-Vrouw.
14. Mariaverering
Reeds vóór 1449 werd Maria in onze kerk vereerd onder de naam
O.-L.-Vrouw van Beilaer. Beilaer was een gehucht nabij het centrum van het
huidige Kaggevinne. Daar bezat onze parochie de vereiste
grond die haar bestaan verzekerde. Dank zij een broederschap genoot O.-L.-Vrouw
van Zeven Weeën grote populariteit. Sinds 1470 prijkte het beeld in een mooi
versierde nis op het altaar. In een prachtig retabel werden de zeven smarten
van Maria uitgebeeld. Een stuk daarvan werd gered: de moeder met haar dode
Jezus op de schoot. Deze “piëta”, zoals deze voorstelling heet, kan men nu
bewonderen in het stedelijk museum. In de huidige Berchmanskapel van de kerk
hangt een kopie van War Macken, gemaakt omdat het oorspronkelijke beeld in 1942
gestolen werd (en intussen dus teruggevonden). Een “marianum”,
een tweezijdig Mariabeeld omgeven door een rozenkrans, hing vanaf 1520
achteraan in het schip van de zolder af.
15. Onze-Lieve-Vrouw van Munster
In de Middeleeuwen werden de toeristen niet gelokt door een zonnig
strand of prachtige gebouwen. De reizigers van toen waren vaak pelgrims en ze
zochten relikwieën te vereren, overblijfselen van heiligen of van wat met hen
in verband had gestaan. De bedevaarders bezochten het schrijn of het graf,
omdat de heilige daar het best bereikbaar was om tussenbeide te komen bij God.
In die tijd bezat de kerk een grote verzameling relikwieën, die alle zeven jaar
veertien dagen lang werden getoond, zoals in Aken, Maastricht en Tongeren.
Tijdens hun tocht naar de grote heiligdommen zakten vele pelgrims ook naar onze
kerk af. O.-L.-Vrouw van Munster (van monstrare: tonen) heet de kerk dan
ook in oude teksten.
16. Middeleeuwse vroomheid
De sluitsteen met het wapen van koning Petrus IV van Aragon in de
linker kruisbeuk wijst wellicht op een eerbewijs van deze vorst aan ons
heiligdom. Diezelfde verering dreef vrome mannen en vrouwen ertoe zich te laten
opsluiten of inmetselen in een kluis die tegen onze kerk was aangebouwd. Door
een opening in de kerkmuur konden ze de diensten volgen. Zo’n cel stond er al
vóór 1473. Ze werd vernield in 1580. In verband met de middeleeuwse vroomheid
komen we nog even terug op de relikwieënverering en stellen we de vraag hoe
onze kerk aan zulk een rijke relikwieënschat gekomen is. Tijdgenoten beweerden
dat ze ergens overzee gestolen was en naar hier gebracht. Door hertog Jan van
Brabant, werd er gefluisterd. Diefstal was toen een garantie voor hun echtheid.
Het protestantisme en de godsdienstoorlogen zouden met dit alles schoon schip
maken.
17. Verval en protest
Zoals in elke tijd vertoonde de Kerk ook toen minder fraaie kanten. De
verering van de relikwieën liep uit de hand. Mensen zwierven maanden door
Europa van de ene bedevaartplaats naar de andere, terwijl ze het voornaamste
vergaten: de navolging van Christus en het waardig ontvangen van de
sacramenten. Ze gingen zelden te communie. In de plaats van biecht, berouw en
boete voor hun zonden meenden ze alles goed te maken met het kopen van aflaten.
Vele priesters beperkten hun werk tot het mislezen. Paus en bisschoppen
gedroegen zich dikwijls meer als wereldlijke vorsten dan als zielenherders.
Maar niet iedereen legde zich bij deze toestand neer. Rond 1500 verlangden
velen naar een herstel van het kerkelijk leven.
18. Godsdienstoorlogen
Luther en Calvijn streefden naar een terugkeer tot het evangelie. Ook
in de officiële Kerk wensten velen een hervorming. Maar deze twee groepen
geraakten in conflict over de aard en de reikwijdte van de veranderingen. Zo
kwam het tot een breuk. Vorsten kozen partij voor het oude of het nieuwe geloof
en begonnen een gewapende strijd. Natuurlijk hadden ze daarbij ook politieke
bedoelingen. Koning Filips II wilde onze gewesten voor Spanje behouden. Willem
van Oranje schaarde de opstandelingen achter zich. Gedurende tientallen jaren
zou de oorlog lelijk huishouden in ons land.
19. Een spoor van verwoesting
Tijdens het conflict tussen Willem van Oranje en Filips II wisselde
Diest van handen zoals een versleten muntstuk. In 1578 keerde het tij echter in
het voordeel van Spanje. Vluchtende Oranjetroepen lieten een spoor van
verwoesting na in de omgeving van de stad. De Allerheiligenkapel, het klooster
van St.-Bernardusdal, Sint-Salvator, de kerk van Sint-Jan, de kapel van
O.-L.-Vrouw-ten-Hogen-Wijngaard en de Lazarij lagen in puin. Maar het ergste
wachtte Diest in 1580. Franse huursoldaten onder het bevel van kolonel de la
Garde drongen in de nacht van 8 juni bij verrassing in de vesting. De
aanvoerder eiste een oorlogsschatting van 60.000 gulden, te betalen door de
instellingen van de stad, om verdere plunderingen en opeisingen te voorkomen.
Bedenk dat een arbeider toen ongeveer een halve gulden per dag verdiende!
20. De kerk stort in
Daar de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw hun deel van de
brandschatting niet konden of wilden betalen, werd de kerk geplunderd. Altaren,
heiligenbeelden, relikwieën en glasramen werden stukgeslagen. Het lood konden
de soldaten best gebruiken om kogels te gieten. Daarom braken ze de loden goten
en afvoerpijpen uit de toren en ook alle ijzerwerk, zodat de spits van de toren
later neerstortte en daarbij het schip van de kerk vernielde. Alleen de romp
van de toren, de kruisbeuk en het koor stonden nog overeind. De pastorie, die
toen in de Begijnenstraat lag tegenover de poort van de Begarden, en alle
documenten gingen in de vlammen op. 1580 werd trouwens ook een rampjaar voor
andere kerken en kapellen. St.-Sulpitius, St.-Barbara,
St.-Jacob en St.-Anna werden geplunderd. Het klooster van de Begarden werd in de as
gelegd, dat van de minderbroeders en de kapel van de grauwzusters verwoest. De
geestelijkheid werd het leven onmogelijk gemaakt en ze vluchtte uit de stad.
21. Het einde?
Drie jaar bleef de Lievevrouwkerk zonder priester. Pas in
mei 1583 kwam Diest weer in Spaanse handen en kon er opnieuw aan de eredienst
gedacht worden. Er woonden nog slechts 300 mensen in de parochie. Het volk
drumde samen in het enge koor, met achter zich het dakloze schip, vóór zich
gapende vensters zonder ruiten. Wind en regen joegen erdoor. Stel je zo’n
dienst in volle winter voor! De kerkmeesters zorgden voor een spoedige
noodreparatie; ze verkochten daarvoor het zilverwerk. Want de abt van Tongerlo
dacht er al aan de pastoor elders te benoemen. Voor de 30 parochies van het
toenmalige decanaat Diest waren slechts 15 zielzorgers beschikbaar. De
kerkmeesters gingen bij de aartsbisschop in Mechelen de zaak bepleiten en de
Lievevrouwparochie behield haar pastoor.
22. Moeizaam herstel
Vanaf 1606 werd het herstel grondig aangepakt. In Mechelen werd een
nieuw beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer aangekocht (nu te bezichtigen in het
stedelijk museum). In 1608 werd het schip gedekt. De toren werd wat
gerepareerd, zodat het torenuurwerk weer geplaatst kon worden. De kerkmeesters
hadden het zolang verborgen in het Liefkintsgodshuis,
een instelling voor armen van de parochie, gelegen in het Palmboomstraatje.
Maar wat nog van de toren overeind stond, betekende een gevaar voor de
voorbijgangers. Hij werd dus in 1612 afgeslankt tot aan
de nok van het kerkschip. Strodekker Loïs stopte voorlopig het grote
torenvenster. Het verminkte Mariabeeld in het klokkenhuis kreeg weer een hand
met een druif en het Jezuske een handje. Het jaar daarop hing er weer een
klokje in de toren.
23. Verfraaiing
Nu het schip onder dak lag, kon de verfraaiing beginnen. De kerk werd
geplaveid, gewit en ze kreeg een eiken plafond. De oude preekstoel werd met een
nieuwe voet en een klankbord uitgerust. Langs de Begijnenstraat, waar de kluis
had gestaan, werd de muur hersteld. Het grote venster in de dwarsbeuk aan die
kant kreeg nieuw maaswerk en glas. We schreven toen 1622, het jaar dat er
opnieuw orgelmuziek in de kerk klonk. In 1625 werd bij Antoon Du
Bois een andere preekstoel besteld. Adriaan Van Panteghem vervaardigde in
1627 weer een afsluiting rond het H.-Kruiskoor. Datzelfde jaar werd de
calvariegroep boven de ingang van het koor hersteld en geschilderd. Landdeken
J. Bouckaert, de pastoor van Scherpenheuvel, verkocht in 1630 aan de parochie
een tweedehandse doopvont, waarvan het deksel in de
oorlogsomstandigheden in de slag was gebleven. Dit mooie renaissancestuk prijkt
nu nog op het koor. Het wordt uitvoeriger beschreven in de nrs. 424-425
(met illustraties).
24. Pastoors die de geschiedenisboeken haalden
Eerst geven we de lijst van de pastoors vanaf 1550 tot aan de Franse
Revolutie van 1789: Jacob Geeraerts (in 1553), Gerard van Rosendael (vóór
1559), Judocus Roefs (in 1557), Jacob olmen (in 1557), Johan van Zichem (†
1564), Georgius Noyen (in 1561), Jacob Vekemans (in 1579), Jacob Piermans (in
1579), Hendrik Ghijsselen (1584-1592), Jacob Van der Borght (1594-1595),
Gisbert Van den Broeck (1595-1599), Johan Coenen (1599-1600), Petrus van
Emmerick (1601-1616), Johan Francken (1616-1623), Johan Verbrugghen
(1623-1629), Johan Van de Put (1629-1642), Huybrecht Smits (1642-1653), Thomas
Verdonck (1653-1663), Johan Kuysten (1663-1664), Petrus Blieck (1664-1689),
Frans Van Hove (1689-1694), Gerlacus Sallaerts (1692-1701), Cornelius Pauli
(1702-1715), Lodewijk Wijckmans (1715-1737), Paul ’t Kint (1737-1749),
Bonaventura de Tourier (1749-1763), Thomas Gillebert (1763-1767), Lucas Thiden
(1767-1794), Siardus Van Hout (1794-1814).
In de herstelperiode van de kerk in de eerste helft van de 17de
eeuw blonken twee van bovengenoemde pastoors bijzonder uit: de eerste om zijn
latere loopbaan, de andere als begeleider van een toekomstige heilige. Jacobus
Van der Borght doceerde godgeleerdheid aan de toekomstige witheren van
Averbode, die in 1584 een toevlucht hadden gezocht in hun refugiehuis te Diest.
Intussen nam hij nog de zielzorg in de Lievevrouwparochie waar. Daarna werd hij
achtereenvolgens pastoor van het Begijnhof, landdeken van Diest, professor aan
de universiteit van Leuven en in 1610 bisschop van Roermond. Petrus van
Emmerick was in tegenstelling tot sommige toenmalige priesters een man van
zelfdiscipline en studie. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, waarin de
grote kerkvaders, theologen, klassieke Latijnse en Griekse schrijvers en
humanisten vertegenwoordigd waren. Muziekboeken met o.a. stukken van Orlandus
Lassus, een klavecimbel en clavichord wijzen erop dat er in zijn pastorie vaak
muziek gemaakt werd.
25. St.-Jan Berchmans in de Lievevrouwparochie
In 1609 brak voor Jan Berchmans de tijd van het middelbaar onderwijs
aan. Daar moeder ziekelijk was en hij thuis moeilijk kon studeren, ging hij in
de kost bij pastoor Van Emmerick in de huidige M. Theysstraat. In 1605 had
Margriet Van de Kasteele daar haar huis nagelaten aan de parochiepriester, die
na de ramp van 1580 een huurhuis betrok. In de M. Theysstraat bleef de pastorie
tot in 1976. Het gebouw doet nu dienst als politiebureau, maar Jan Berchmans
heeft het nooit gezien, want het dateert pas uit 1761. De woning van pastoor
Van Emmerick lag wel op hetzelfde uitgestrekte terrein, maar was veel kleiner.
Hier was Jan in goede handen. Om het kostgeld te drukken – de pastoor had het
zelf niet breed – zou onze leerling in zijn vrije tijd een handje in het huis
toesteken.
26. Van Emmerick herinnert zich
De kostgangertjes van de pastoor sliepen op zolder en studeerden in de
huiskamer. Gelukkig hadden ze een grote tuin om te stoeien. Jan knikkerde er
wel eens, maar hij hield meer van lezen. Als hulpje beschikte hij ten andere
niet over zoveel vrije tijd als de anderen. Hij las voor uit een stichtelijk
boek tijdens de maaltijd en paste op de deur. Jans status had echter ook goede
kanten: hij mocht de mis van de pastoor dienen, hem vergezellen op bedevaart
naar Scherpenheuvel en mee op reis gaan naar ’s-Hertogenbosch, de
geboorteplaats van zijn heer.
27. Jan Berchmans in de Lievevrouwkerk
In 1610 deed Jan bij ons zijn eerste communie, nog vrij jong voor die
tijd. Het mocht toen pas na een behoorlijke instructie en als men tot ‘de jaren
des onderscheids’ gekomen was, een zekere volwassenheid had bereikt. Het
gebeurde toen nog niet in een gezamenlijke plechtigheid. In de Lievevrouwkerk
bad hij soms het rozenhoedje voor het nieuwe beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer.
Nog één herinnering uit die tijd: op het feest van Onnozele Kinderen (28 dec.)
waren de jongens baas in het gezin, in het klooster en in de kerk. Zij kregen
voor één dag de macht overgedragen. Zo mocht Jan in 1609 voor één dag pastoor
spelen tijdens het lof. Met de koorkap op zijn schouders bewierookte hij het
Allerheiligste, zong de gebeden en hield een korte preek. Dat maakte grote indruk.
Wegens financiële moeilijkheden van vader moest Jan in 1612 het kosthuis van de
pastoor verlaten. Gelukkig vond hij toen een onderkomen bij landdeken Haymo
Timmermans op het begijnhof.
28. Mensen rond St.-Jan
Jans tante, Margaretha Berchmans, de echtgenote van Renier Wellens,
overleed in 1635 aan de pest en kreeg haar graf in onze kerk. Zijn oom, Frans
Berchmans, huwde in 1611 in onze kerk met Anna Van Olmen uit onze parochie.
Zoals grootvader en vader Berchmans was hij leerlooier. Hij leverde het haar,
toen onze kerk in 1612 bepleisterd werd. Vrachtvoerder Steven Van Santbeeck
voerde daartoe speciale lijm uit Mechelen aan. In een brief verwijst Jan naar
diens kar als een mogelijk reismiddel om hem te komen bezoeken, vóór zijn
intrede in het klooster. Steven werd in 1624 in de Lievevrouwparochie begraven.
29. Vroege verering van St.-Jan in onze parochie
Al spoedig na zijn dood werd Berchmans in Diest vereerd. Met nieuwjaar
1679 ontsnapte de herberg van weduwe Filip Vlayen aan een ware ramp. Het huis
stond op de huidige Koning-Albertstraat tegenover het toenmalige
cellebroedersklooster (het vooroorlogse atheneum). Er waren meer dan 40
personen aanwezig voor de uitdeling van buskruit voor het feestgeschut ’s
avonds. Door onvoorzichtigheid ontplofte het goedje. De gelagkamer werd
vernield. Alleen een schilderij van Jan Berchmans hing nog heel aan de
beschadigde muur. Niemand werd echter gedood of zwaar gewond. De aanwezigen
schreven de gelukkige afloop aan de tussenkomst van St.-Jan toe. Hoe populair
moet onze toekomstige heilige toen in Diest geweest zijn, als zijn portret
reeds aan de muur van een herberg hing!
30. Het kerkmeubilair wordt aangepast
Het concilie van Trente (midden 16de eeuw) beveiligde
bepaalde punten van het katholieke geloof die door de protestanten aangevochten
werden, zoals: de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie,
het sacrament van de biecht en de Mariaverering. De praktische toepassing van
het concilie werd langzaam zichtbaar aan nieuwe uitrustingen in onze kerk. Het
volk zou voortaan beter onderricht worden en de preek werd verplicht. De lange
sermoenen gebeurden toen nog vóór de mis en de sermoenklok nodigde de gelovigen
tijdig uit voor de vroegmis om 7 uur en de hoogmis om 9 uur. Op paasdinsdag
1607 was onze kerk voldoende hersteld, zodat er voor de eerste maal gepredikt
kon worden in de “gebroken kerk”, zoals een kerkmeester het noteerde. De oude
kansel werd hersteld in 1613. Zijn opvolger uit 1625 zou dienst doen tot in
1870.
31. Het Heilig-Sacramentsaltaar
Het concilie van Trente beklemtoonde dat Christus werkelijk aanwezig is
in de H. Hostie. Die werd nu met eerbied omringd. Vroeger werden enkele
geconsacreerde hosties voor de ziekencommunie bewaard in een sacramentshuisje
tegen de zijmuur van het koor. Voortaan zouden ze dichter bij de mensen
berusten in het tabernakel van het nieuwe H.-Sacramentsaltaar (1644), op de
plaats van het huidige St.-Jozefsaltaar. Abt Augustinus Wichmans van Tongerlo
schonk daarvoor een prachtig schilderij. Het stelde de triomf
van Norbertus voor over de ketter Tanchelm, die de reële tegenwoordigheid van
Christus in de eucharistie loochende. Daarom heette dit altaar ook
St.-Norbertusaltaar. De stichter van de witheren werd in 1582 zalig verklaard.
32. Eerbied voor het H. Sacrament
De eerbied voor de eucharistie uitte zich nu ook bij het communiceren.
Voortaan ontving men de communie niet meer staande, maar geknield aan een communiebank. Die kwam er bij ons in 1648. Om het
sacrament uit te stallen, maakte Abraham Van Malderen een troonhemel. We
bezaten reeds eerder monstransen, maar in 1671 kochten we bij Gillis
Goetsbloets uit Hasselt het prachtige stuk dan men nu in het stedelijk museum
kan bewonderen. Voor de processie op Sacramentsdag werd de kerk met lis
bestrooid. De priester schreed dan onder de hemel (1651), geflankeerd door
grote lantaarns. Ook de berechtingen verliepen plechtig onder een kleiner
baldakijn met begeleiding van bel en lichten.
33. Biechtstoelen
Vóór het concilie van Trente knielde de biechteling neer aan de voeten
van de priester, die in een armstoel zat. Nu werd deze losse stoel en heel
meubel, vast tegen de muur. De gelovigen waren verplicht eenmaal per jaar te
biechten, in principe bij de pastoor van hun parochie. Bij ons stond de eerste
biechtstoel in 1646 in het H.-Kruiskoor. Ons mooiste exemplaar, in de
zuidelijke zijbeuk, werd in 1692 besteld bij Jan Maison, soms ook Meson
gespeld. Het beeldhouwwerk kost hij in Antwerpen. Om de uitgaven te dekken,
werden de bomen op het kerkhof verkocht. Het afgedankte St.-Nicolaaskoor werd
in 1695 in gericht tot een aparte sacristie voor de pastoor. In deze stille
ruimte konden doven en gebrekkigen gemakkelijker biechten. De sacristie werd
ook gebruikt voor de ondertrouw en de huwelijksinzegeningen. De twee
biechtstoelen in de noorderbeuk zijn afkomstig uit het minderbroedersklooster,
dat tijdens de Franse Revolutie werd afgeschaft.
34. De Zevenweeënstraat
De naam van deze nog bestaande straat herinnert ons aan een aloude
vrome oefening ter ere van Maria. In de Middeleeuwen, toen zoveel moeders hun
kinderen verloren in de oorlog of door besmettelijke ziekten, zochten de mensen
troost bij O.-L.-Vrouw. Ook zij had haar zoon moeten afgeven en veel leed
gekend. De mensen dachten dan vooral aan de zeven droevige gebeurtenissen uit
haar leven. Simeon voorspelde in de tempel dat Maria’s kind veel tegenkanting
zou ondervinden. Het gezin moest naar Egypte vluchten. Bij zijn eerste
bedevaart naar Jeruzalem was Jezus verloren. En vooral die laatste dag van zijn
leven: de ontmoeting met haar gefolterde zoon, de kruisiging, het dode lichaam
op haar schoot en de begrafenis. Men spreekt daarom over de zeven
weeën of smarten van Maria. Er zijn in het evangelie wel meer droeve
momenten in haar leven te vinden. Maar het getal 7 was in de Oudheid en lang
daarna een heilig getal.
35. Oprichting van de kapelletjes
In de 17de eeuw maakte de pest weer zeer veel slachtoffers.
Volgens ons begrafenisregister stierven er in 1634 260 mensen aan deze
epidemie, in heel Diest 800. Daaronder waren ook vele soldaten die met hun
gezin bij deze mensen gelogeerd hadden. Geen wonder dat de gelovigen opnieuw te
rade gingen bij O.-L.-Vrouw van Smarten. Haar ter ere werden er dan ook in 1637
zeven kapelletjes opgericht in de omgeving van de kerk. Abt Theodoor Verbraecken
van Tongerlo wijdde ze plechtig in en stelde het broederschap ter ere van
O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën in. In Antwerpen werden de nodige devotieboekjes
besteld, die men voor 8 stuivers kon kopen. Voor de oude piëta in de kerk
vervaardigde Jan van Tielborgh uit Leuven een nieuw altaar. Aanvankelijk was de
belangstelling groot, zolang de nood was aan de man.
36. Herstel van de devotie
In 1692 blies pastoor Gerlacus Sallaert de broederschap nieuw leven in.
Droevige omstandigheden kwamen hem daarbij te hulp. Tijdens de jaren 1692-1694
werd de stad namelijk geteisterd door bloeddiaree. In drie jaar tijd telde men
269 overlijdens. Daarbij waren ook veel vreemde soldaten, maar voor onze
gemeenschap met 900 parochianen bleef het een catastrofe. Voortaan celebreerde
de pastoor elke vierde zondag van de maand een plechtige mis met twee
assistenten aan het altaar van de Zeven Weeën. Na het lof trok dan een
processie langs de kapelletjes. Tijdens de winter gebeurde dat in de kerk.
Ondertussen werd een Stabat Mater gezongen, dat de heer Borrekens, stedelijk
zang- en schoolmeester, hiervoor speciaal had gecomponeerd. Deze processie
kende een lang leven. Nog in 1959 werd het H. Sacrament elke vierde zondag in
de kerk rondgedragen onder een baldakijn en vergezeld door enkele
flambouwdragers.
37. Het lot van de kapelletjes
Van de zeven kapelletjes blijft er nog één in zijn oorspronkelijke vorm
bewaard. Het staat ingemetseld naast de barokke poort van St.-Annendaal
(Grauwzustersstraat). Hierdoor krijgen we een idee van de verdwenen gebouwtjes.
In de nissen stonden taferelen van de zeven smarten achter gevlochten
koperdraad. Bij de grauwzusters is dat het vierde “mysterie”: Maria ziet hoe
Jezus onder zijn kruis bezwijkt. Toen de oorspronkelijke voorstellingen in
brokkelige zandsteen verweerd waren, plaatsten de mensen allerlei
heiligenbeelden in de nissen. Op een foto uit het begin van de 20ste
eeuw zien we nog een kapelletje in de Begijnenstraat, tegen de voorgevel van
het eerste huis na het kerkplein. Andere stonden wellicht tegenover de toren,
in de Bruidstraat, dicht bij het begijnhof en natuurlijk in de
Zevenweeënstraat.
38. De huidige kapelletjes in de Zevenweeënstraat
Het kapelletje tegenover de Rode-Kruisstraat behoorde tot de reeks van
zeven uit 1637. Maar in 1953 werd de Zevenweeënstraat verbreed ten koste van de
Warande, het stadspark. De oude bakstenen muur en het kapelletje werden
afgebroken en vernieuwd. Het kreeg een moderne vorm en een groot beeld. Het
tweede, tegenover de Bruidstraat, werd na de afbraak vrij getrouw
gerestaureerd. Eigenlijk is dit buiten reeks. Dat ziet men aan de afmetingen,
het verzorgde fronton. Het vanouds geklede Mariabeeldje op een troontje is geen
tafereel uit de zeven smarten. Volgens de kerkrekeningen werd eraan gebouwd in
1653. Het jaarvers op de nieuwe gedenkplaat spreekt van een speciale
plechtigheid in 1656. De mensen uit de buurt hebben deze twee kapelletjes
altijd in ere gehouden. Dit is hun redding geweest, want daarom werden ze
heropgebouwd. Op zondag 3 oktober 1954 werden ze met een kaarsjesprocessie
feestelijk ingewijd.
39. Onze kerk komt er weer bovenop
Indien Jan Berchmans na 1650 nog eens naar onze kerk was teruggekomen,
zou hij zijn ogen niet geloofd hebben. In 1651 maakten onze kerkmeesters een
akkoord om het laatste ongewelfde deel van het schip te overwelven. De stad gaf
hiervoor 200 gulden subsidie. Boven de grote poort buiten werd een nieuw
Mariabeeld geplaatst (1657). De kerk werd geplaveid met blauwe en witte steen
en gewit (1665). Nu kwam er ook geld beschikbaar om de eredienst meer luister
bij te zetten. Onze nieuwe monstrans uit Hasselt (1671) kostte 324 gulden. Op
paasdag 1672 droeg de pastoor voor het eerst een zilverlaken kazuifel met
gouden bloemen, in Antwerpen besteld voor 146 gulden. Geen wonder dat die weelde
sommige handen deed jeuken om hun slag te slaan.
40. Inbraak
Op 17 augustus 1672 drongen dieven via een venster in de zijbeuk aan de
Begijnenstraat de kerk binnen. Met een ploegijzer braken ze het sanctuarium
open, de plaats waar gewijde voorwerpen bewaard werden. Ze namen er alles mee:
een vergulde ciborie, een zilveren doosje voor de H. Olie, een ander om de
communie aan de zieken te brengen en een derde waarin grote hosties bewaard
werden. De hosties schudden ze uit op de vloer. Van de nieuwe monstrans namen
ze alleen het lichte bovenwerk mee. De zware voet lieten ze achter, misschien
omdat ze opgeschrikt werden. Meester Goetsbloets repareerde de monstrans. Voor
de berechting moest de pastoor een tijdje de olie gaan lenen in de
St.-Janskerk.
De Heer Luc Carlens uit Diepenbeek vond in 2011 in
het Rijksarchief van Hasselt een brief van pastoor Blieck aan zilversmid
Goetbloets van Hasselt met de lijst van de gestolen voorwerpen, zodat hij zou
weten dat ze van de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Diest afkomstig zijn als iemand ze
te koop zou aanbieden: ‘Meester Gielis. West van herten gegroet. Den setiensten
deses snachts is ons sacrarium berooft. 1. Inden eersten onsen communie kop den
welchen is silver vergult, den voet is cleijn, den cop is gelijck een groote terine
comme. De h hostien hebben sij op de steenen gescudt. 2. Een silvere buskens
gelijkck een torenken met een cruisken op, onder den voet drij leeuwkens.Dit
diende voor de hijligen olie van de siecken. 3. Twee buskens aen een, deen is
geteekent met een O, dander met een C. Alle bijde met scelkens op, ende welcke
men toe doen met een silvere naalde hangende aen een silvere ketincke. 4. Een
silvere doosken, daer twintich oft dertich groote hostien in kunden liggen,
boven het schele is gesteken Chries aen het kruis. 5. Een silvere dousken,
gelijck aen een groot agnus dei, toevouwende en sluytende met een silvere
spelle hangende aen een silvere ketinxke, op deen deel syn dry caskens voor de
h olie ende het hylick crisma, de scelken syn geteeckent met deze letteren o,
c, i. Op het bovenste deel is een casken voor de h hostie, daer is oock een
sceilken toe, rustende op een knoppeken. Men doet dit oock toe met een
plaetken, al van silver, boven staet opgesteken den gecruysten Christus. 6. Van
onse remonstrantie syn wech, de twee torenkens, met sinte Peeter ende sinte
Paulus. Van het torenken van ons Lieve Vrouwe dry oft vier colummekens, oock
den troon en het heel torenken van Chrus refuegens met den pellicaen ende het
cruyske. Ick bidde u L wilt eens vernemen ofter iet van dit te coop quamp. F.
Petrus Blieck Pastor Beate Marie In Diest 17 Augusti 1672.’
41. Kostbaar vaatwerk
In maart 1673, een half jaar na de diefstal, leverde Frans Offermans
uit Antwerpen een nieuw zilveren oliedoosje en een gegraveerde kelk in verguld
zilver, die 100 toenmalige gulden kostte. Datzelfde jaar werd er goudleder
gehangen achter de stoelen naast het hoofdaltaar, een dure wandbekleding. Bij
dezelfde goudsmid kocht pastoor Blieck nog een andere vergulde kelk met pateen,
lepeltje en schaal voor de communie en betaalde daarvoor 215 gulden. Voor
voorwerpen die in aanraking kwamen met Christus’ lichaam en bloed werden alleen
goud en zilver waardig genoeg bevonden. Ze werden voortaan wel veiliger
opgeborgen in een bewaarplaats met getraliede vensters. Intussen kregen ook de
zijaltaren antependia, versierde voorhangsels voor de altaartafel. Dat alles
dank zij milde parochianen! Daarom kon er in 1675 zelfs aan een nieuw orgel
gedacht worden.
42. Orgel en oksaal
Uit een Latijnse tekst van 1481 zou je kunnen afleiden dat we toen
reeds over een orgel beschikten. Het was eerder klein en stond opgesteld tegen
de noordelijke zijmuur in het koor. Zo kon het gemakkelijk de toon aangeven aan
de priester en de paar zangers beneden. Boven de ingang van het koor hing een
groot kruisbeeld met Maria en St.-Jan. Er is ook sprake van een oksaal. Stond
dit onder deze triomfgroep of vormde het een kleine zijtribune rond het
orgeltje? We hebben daarover slechts schaarse gegevens. Dit alles had fel te
lijden tijdens de verwoesting van 1580. In 1607 leverde de smid ijzers om het
oksaal vast te maken. De orgelbouwer herstelde enkele pijpen van het positief,
zoals het gemakkelijk verplaatsbaar orgeltje heette.
43. Een reeks orgels
In 1637 kochten we een nieuw orgel voor 240 gulden. De organist van
Zichem nam het oude over voor 24 gulden. Na een tijd geraakte onze aanwinst
versleten en in 1675 bestelden we een kwaliteitsproduct bij de bekwame
orgelmaker Jan Dekens uit Haacht. Die had het vak geleerd bij de Duitse meester
Hans Goltfusse. Ook de bedevaartskerk Kortenbos, St.-Germanus in Tienen en de
abdij van Averbode bestelden bij deze fabrikant. Aan hem werd in verschillende
schijven 559 gulden uitbetaald. Maar de meester treuzelde met de uitvoering,
zodat onze kerkmeesters tegen hem moesten procederen.
44. Een nieuw oksaal
Terwijl Jan Dekens in zijn atelier in Mechelen het binnenwerk van het
orgel vervaardigde, werd er in Diest niet stilgezeten. Hier bouwde Jan Masson,
ons reeds bekend om zijn biechtstoel, de versierde orgelkast. Hij vroeg
daarvoor 427 gulden. De abt van Tongerlo droeg hiertoe graag 60 gulden bij, als
zijn wapen maar op de kast werd aangebracht. Ons smalle oksaaltje, met zijn
gevlochten borstwering van witte wilgentwijgen, reikte niet meer voor dit gevaarte.
Er was daar nauwelijks plaats voor een orgeltje, de orgelspeler en de
blaasbalgtrapper. Timmerman Matthijs van Kempen moest achteraan in de kerk een
nieuwe galerij aanleggen. Prijs 338 gulden. De aanschaf van het nieuwe orgel
was dus geen peulschil.
45. Het orgel arriveert
Eindelijk in 1677 voerde schipper Cornelis de Putter de orgelpijpen en
instrumenten aan. De vracht kostte 7 gulden en 4 stuivers (een stuiver was het
20ste deel van een gulden). Zakdragers ontvingen samen 10 stuivers
om alles uit het schip te laden. Jan Dekens kwam een tijdje bij de pastoor
logeren toen hij alles monteerde. Tot aan zijn dood onderhield hij het orgel,
al kregen de kerkmeesters het nog wel eens met hem aan de stok. In 1680 moesten
agenten de meester tweemaal arresteren, waarvoor de kerk 6 stuivers betaalde.
Het oude orgeltje uit 1637 namen de cellebroeders in 1685 voor 40 gulden over.
Onze nieuwe aanwinst hield stand tot in 1828. Wel behoefde het instrument grote
herstellingen in 1738 en 1783. Een Jan Dekensorgel kan men nu nog beluisteren
in de St.-Germanuskerk van Tienen. Dit enig overgebleven werkstuk van de
meester werd in 1988 gerestaureerd.
46. Gregoriaanse zang
De aankoop van orgels wijst erop dat onze parochie belang hechtte aan
muziek. We weten niet of pastoor Van Emmerick de polyfonische stukken uit zijn
bibliotheek ooit heeft kunnen laten uitvoeren in onze kerk. Meestal werd er
slechts eenstemmig gregoriaans gezongen. De eerste jaren van de herstelperiode
(1608-1612) knapten koster Peter Leenders en wat later twee zangers, Cornelis
van Welck en Jan Vinx, dit karweitje op. Later (1622) namen onze overburen, de
begaarden, dit voor hun rekening. Maar vanaf 1636 tot 1677 luisterden de
studenten en geestelijken van het Persoonscollege op donderdag en zondag in koorhemd
het lof op. Latijnse zang stond op het schoolprogramma. Op Driekoningenavond
kregen ze een traktatie. Het Persoonscollege was een soort kosthuis voor
leerlingen aan het stadscollege. Het stond op de plaats van de latere (en
intussen verdwenen) kliniek van dr. Van de Kerkhof in de Overstraat. Daar
herinnert een gedenksteen nog steeds aan deze stichting van Nikolaas Esschius,
die bekommerd was om priesterroepingen.
47. Feestmuziek
Tijdens de wederopbouw stelde onze kerk zich tevreden met gregoriaanse
zang en orgelbegeleiding. Voor een feestelijke klank zorgden toen reeds (1608)
twee speellieden die op kermisdag gehuurd werden. Maar dat was een
luxe-uitgave. Onze muzikale pastoor Johan Verbrugghen (1623-1629), die zelf het
orgel bespeelde, betaalde zangers en muzikanten nog uit eigen zak. Vanaf 1650
was er voor extraatjes wat geld beschikbaar. Bij plechtige gelegenheden
weerklonk er meerstemmige muziek, bv. op het feest van Maria-Geboorte,
Allerheiligen, tijdens de gulden mis in de advent en in het lof van palmzondag.
Daarvoor werden speciale muzikanten ontboden als Filip Steens en Theodorus Van
Herp. Welk instrument ze bespeelden, staat niet opgetekend, mogelijk de viool
en hout. We geven nog een lijstje van de organisten tot aan de Franse
revolutie: Aart Wiggers, Baldewijn Defontain, Hendrik van den Hove, Theodoor
van der Straten, Petrus van Loffveldt, J.B. van Hove, Traedts, Jacops,
Ceuppens, Peter Cuppens, een organiste Joanna Keupens (1740) en Johannes Kenes.
48. Niet de minste
Uit het voorgaande is reeds gebleken dat de Lievevrouwparochie stilaan
weer in goeden doen kwam. Ze was niet de minste van het toenmalige landdecanaat
Diest. Dit omvatte tussen 1596 en 1801 niet minder dan 32 parochies. In 1792
zelfs 37. Tot dit uitgestrekte gebied behoorden Aarschot, Betekom, Glabbeek,
Halen, Linkhout, Meensel, Scherpenheuvel, Tielt en Zichem, om slechts enkele
plaatsen te noemen. Als we de parochies naar het aantal inwoners rangschikken,
stonden St.-Sulpitius (Diest) en Aarschot steeds vooraan. Onze parochie, Halen,
Scherpenheuvel en Langdorp wisselden elkaar af voor de volgende plaatsen. Een
epidemie of vlucht voor de vijand konden de uitslag van de tellingen fel
dooreenwerpen. In 1675 telde onze parochie 900 inwoners en in 1697 1014. De
pastoor kon dus best hulp gebruiken.
49. Onze eerste onderpastoor
Wegens priestertekort was er in 1600 geen enkele onderpastoor in het
decanaat. In 1682 waren er reeds 14 werkzaam. Onze kerk moest wachten tot in
1677. Er was reeds lang om een onderpastoor gevraagd, maar de abt van Tongerlo
kon zijn onderhoud niet betalen. Pastoor Blieck bracht daartoe de nodige
middelen bijeen. Sinds het begin van die eeuw waren er belangrijke sommen
nagelaten om jaarlijks missen voor de overledenen te lezen. Ze werden aan de
abdij overgemaakt. Met de intrest kon een kapelaan bezoldigd worden. Onze
eerste onderpastoor was Evermodus Plumants, witheer van Tongerlo, zoals zijn 17
opvolgers tot 1797.
50. Onderpastoor of niet?
De kapelaan woonde bij de pastoor in. Hij hielp hem bij het zingen van
de hoogmis, vespers en lof, bij de catechismus en het toedienen van de
sacramenten. Hij las mis voor de parochianen alle zondagen en geboden
feestdagen. In 1652 waren er in ons bisdom nog 32 heiligendagen met verplicht
mishoren en zondagsrust. Iedereen ging echter niet akkoord met de schikking die
de pastoor met de stichtingen had getroffen. Was dit geld niet nagelaten voor
een priester uit het bisdom en niet voor een kloosterling? De stadsmagistraat
bemoeide zich met de zaak en vond een voor hem voordelige oplossing. Een deel
van het inkomen van de onderpastoor werd toegewezen aan de priester-rector van
het weeshuis, aan wie de stad zelf geen behoorlijk salaris
kon geven. Als tegenprestatie zou deze priester in de O.-L.-Vrouwkerk helpen.
Maar de rector verwaarloosde zijn dienst in de parochie en dit experiment
mislukte, zodat de parochie haar aparte onderpastoor behield.
51. Kerk en gemeente
De tussenkomst van de stad bij de benoeming van de onderpastoor kan ons
misschien verbazen. Vóór de Franse revolutie, toen Kerk en staat nog niet
gescheiden waren, had het stadsbestuur een grote bevoegdheid in godsdienstige
zaken. De magistraat waakte over de tijdelijke belangen van de Kerk. Hij stelde
de kerkmeesters aan als zijn vertegenwoordigers ter plekke. Jaarlijks moesten
dezen een zeer gedetailleerd verslag over de inkomsten en de uitgaven van de
parochie indienen bij het gemeentebestuur, de oppervoogden die af en toe een
subsidie verleenden. Dat is nog zeer begrijpelijk. Andere schikkingen zijn in
onze tijd minder verstaanbaar. Op bevel van het stadhuis werd op het feest van
de H. Carolus Borromeüs een plechtige mis gezongen opdat de stad gespaard zou
blijven van de pest (in 1720 in de St.-Sulpitiuskerk). De magistraat gelastte
daar ook missen om regen te vragen (1733) en als dank voor het goede weer bij
het inhalen van de oogst (1763).
52. De benoeming van de koster
Het stadsbestuur regelde heel wat godsdienstige zaken, bv. wanneer
precies de jaarlijkse bedevaart van de stad naar Scherpenheuvel in september
gehouden werd en het klokgelui bij de begrafenissen. In St.-Sulpitius benoemde
de stad de organist en zelfs de orgelblazer (1637). In 1682 wilde de magistraat
in onze kerk de koster aanstellen. Maar de pastoor en de kerkmeesters verzetten
zich hiertegen. Hierop haalde de schout met geweld enige meubelen uit het huis
van de kerkmeesters Walter Cordijs en Jan-Baptist Janssens. Maar die werden
teruggegeven toen onze parochie het proces bij de Raad van Brabant gewonnen
had. De kandidaat van de stad werd afgezet en onze eigen keuze, Gaspar Libens,
mocht zijn dienst als koster voortzetten.
53. Wat een koster zoal deed
De koster had het druk. Luiden voor plechtige diensten, sermoen,
missen, lof en vespers. De altaren versieren, het lijnwaad reinigen, alben
opvouwen, het koperwerk poetsen. Zorgen voor kaarsen en voor olie voor de
godslamp. Het torenuurwerk opwinden, vuiligheid van de honden in de kerk
opruimen, muizenvallen plaatsen in kerk en sacristie. Alsof dat alles niet
volstond, was hij vaak nog onderwijzer in onze parochieschool. Voor ieder kind
dat hij leerde lezen en schrijven, ontving hij maandelijks 3 stuivers. Voor
behoeftige kinderen betaalde de armenraad hem. Waarschijnlijk gaf hij les in
een huis van de kerk bij het kerkhof. Dagelijks moest hij met de kinderen naar
de mis van de pastoor komen, ook ’s avonds naar het lof en ’s zondags naar de
catechismus. Hij moest daarbij beletten dat de kinderen in de kerk praatten of
op het kerkhof speelden.
54. Kosters van de parochie
Niet iedere koster was bekwaam om te onderwijzen.
Maar als de kerkmeesters en de pastoor een kerkdienaar kozen, ging hun voorkeur
naar iemand die school kon houden. Voor onderwijs konden de kinderen in onze
parochie vanaf 1608 overigens terecht bij de paters begaarden, waar ze Frans,
muziek en rekenen leerden. Voor juffrouwen was er van 1650 tot 1698 de
kostschool van de zusters lorreinozen, waar Frans, goede manieren en handwerk
op het programma stonden. In 1687 hield Elisabeth Vranckx apart school voor
meisjes. We voegen hierbij het lijstje van onze kosters tot aan de Franse
revolutie, voor zover hun naam overgeleverd is: Peter Luenders (1608), Hendrik
Cools, Antoon Cools, Jan van Luyck, Jan Oosten, Gaspar Libens, Karel Leirens,
Nicolaas Cooman, Willem Vrancken, Jan Vrancken, Jan Snijders, Jozef Snijders,
Petrus Mertens en Jacob Verreydt (1791).
55. Populaire heiligen
We hebben reeds gesproken over de grote Mariaverering in onze kerk. In
de 17de eeuw, de periode die we nog altijd behandelen, waren er in
de O.-L.-Vrouwkerk nog andere heiligen zeer in trek: St.-Jozef en St.-Rochus.
Reeds in de Middeleeuwen vereerden de timmerlieden de H. Jozef als hun patroon.
Nu werd hij ook populair bij andere bevolkingsgroepen. De stoot daartoe had de
heilige Theresia van Avila gegeven. Ze koos hem tot de voornaamste patroon van
het inwendige gebed van haar orde, de karmelietessen. In 1621 breidde paus
Gregorius XV het feest van St.-Jozef (19 maart) uit tot de gehele Kerk. In die
tijd van oorlogen en besmettelijke ziekten aanriepen de mensen hem voor een
zalige dood. In onze kerk stond er reeds een St.-Jozefsaltaar sinds 1646.
Waarschijnlijk werd daarvoor het altaar van de H. Drievuldigheid gebruikt, een
van de mooiste van de kerk. Daar werd de plaats van St.-Jozef in de 19de
eeuw ingenomen door St.-Antonius van Padua.
56. St.-Jozef
Het beeld van St.-Jozef stelt hem voor met het opgeschorte kleed van de
werkende man. De lelietak in zijn linkerhand is het symbool van onschuld en
zuiverheid. De andere grote hand houdt hij beschermend achter het kindje Jezus.
Gewoonlijk leidt de voedstervader Jezus bij de hand. Nog iets ongewoons: de
kleine Jezus trapt op een dreigende slang en doodt het ondier met zijn
speelgoedkruis (dat zilveren kruis is nu van tussen de handen weggenomen).
St.-Jozef bleef bij ons zeer geliefd. In 1699 werd hem ter ere een broederschap
opgericht. De leden namen op zich de berechtingen van de zieken met licht te
vergezellen. Zijn altaar kreeg kandelaars, een antependium (1904), een
geschilderde troon (1711). Het werd als marmer geverfd (1742). Maria Ludovica
de Sua schonk een reliekhouder met buste van Jozef en Maria en een kruis in het
midden en met als opschrift: ‘Familia Sacra’ (H. Familie). Deze gift mocht
alleen op dit altaar gebruikt worden. De aardse drievuldigheid Jezus, Maria en
Jozef, zoals men ze soms noemde, werd overkoepeld door de hemelse drie-eenheid
op het fronton van het altaar.
57. St.-Rochus
St.-Rochus (1295-1327) verdeelde zijn vermogen onder de armen en trok
als pelgrim door Italië. Hij verzorgde er pestlijders en werd zelf door de
ziekte aangetast. Toen werd hij door iedereen gemeden. Alleen zijn hond bleef
hem trouw. Rochus genas, maar werd bij zijn terugkeer in zijn geboortestad
Montpellier voor een spion aangezien en hij stierf er in de gevangenis. Vanaf
het einde van de 15de eeuw werd hij als pestheilige vereerd.
St.-Rochus wordt afgebeeld met de hoed en de staf van de pelgrim. Hij heft zijn
kleed op en toont de pestbuil op zijn been. Het huidige beeld in de kerk
dateert uit de 2de helft van de 17de eeuw. Het prijkte
vroeger in een kapelletje tegen de gevel van de kerk, dat bij de restauratie
van de 19de eeuw werd afgebroken.
58. Verering van de H. Rochus
Tegen de zuilen van het kruispand stonden het altaartje van St.-Rochus
en dat van St.-Anna. Beide verdwenen in 1826. Het schilderij dat het achterstuk
van Rochus’ altaar versierde, hangt nu achteraan in de kerk. Het is een werk
van Antoon Clevenbergh (einde 18de eeuw). Gedurende de 17de
eeuw werden in Diest niet minder dan 29 jaren met besmettelijke ziekten als
pest en dysenterie geteld, tijdens de 18de eeuw nog 12. Als de nood
aan de man kwam, zoals in 1639, werd het kapelletje van Rochus hersteld,
bepleisterd en gewit. Dan beschilderde Peter Stramot zijn beeld (1667). Dan
werd er weer aan zijn altaar gedacht. Het kreeg een mooi kleed met franjes
(1612), een nieuwe trede (1636), een antependium (1730). Dan werden ter ere van
onze pestheilige noodmissen opgedragen, maanden lang (1633-1634). Rochus en
Jozef gaven hun naam aan nieuwe klokken die in 1750 gegoten werden.
59. Graven in de kerk
In principe was de kerkelijke overheid tegen het begraven in het
kerkgebouw. Ze liet dit wel toe voor priesters, mannelijke en vrouwelijke
kloosterlingen en sommige beschermheren van de parochie. Het hoge tarief
betekende immers extra inkomsten voor het onderhoud van het gebouw. De meest
gewilde plaats was in het koor, dicht bij het altaar. Daar werd bv. onze
pastoor Hubertus Smits begraven, die in 1653 aan de pest overleed. De meeste
pastoors stierven niet tijdens hun ambtsperiode. Na hun ontslag verhuisden ze
en ze werden dus in een andere gemeente begraven. Het koor was ook
begraafplaats voor onze overburen, de paters begarden, zolang hun kapel niet
hersteld was (1612). Drossaard ridder Hugo de Croeser, de vertegenwoordiger van
de prinsen van Oranje, woonde in de Overstraat (huidige school). Ook hij kreeg
hier in 1630 een laatste rustplaats voor hem en zijn familie. Zijn grafmonument
was versierd met de familiewapens. Onder het koor rustten ook de drossaards
Lamoraal Boonaert (1641) en Arnold Cox (1779).
60. Dicht bij de heiligen
Uiteraard kon niet iedereen in het koor begraven worden. In 1725 werden
de lichamen van de zusters bonnefanten, in de volksmond lorreinozen, uit hun
klooster (dat intussen de brouwerij ‘Het
Gulden Hoefijzer’ was geworden) naar onze kerk overgebracht en in het schip
tegenover de preekstoel begraven. Niet alleen geestelijken en hooggeplaatsten
echter verkozen een graf in de kerk en wel om uiteenlopende redenen. Men was er
immers dichter bij het verlossende kruisoffer van Christus. Bij het laatste
oordeel was men bovendien in het veilige gezelschap van de heiligen, wier
gebeenten in de kerk vereerd werden. Daarom waren rustplaatsen bij het altaar
van het H. Kruis, het H. Sacrament, de H. Drievuldigheid, O.-L.-Vrouw van Smarten
en St.-Anna zeer in trek. Slechts uitzonderlijk werd voor de begrafenis een
grafkelder gebruikt, zoals voor de familie de Croeser. Meestal werd de vloer
gewoon opengebroken en het lichaam ter aarde besteld. De opgebroken plaveien
werden daarna slordig teruggelegd.
61. Veel eer
De graven in de kerk zakten soms in en dan was er werk aan de vloer. Al
bij al kwam men in de kerk in een fatsoenlijk graf terecht en niet in een
massakuil zoals soms op het kerkhof. Een rustplaats in de kerk was tenslotte
ook eervoller, omdat ze meer kostte. Het gelui, het baarkleed, het aantal
brandende kaarsen waren dan immers navenant, zoals we later zullen behandelen.
Niet iedereen kon zich dat veroorloven. In de periode 1700-1784 werden
niettemin 432 mensen in onze kerk begraven, 15 % van de overledenen, waaronder
ook kinderen. In strenge winters, zoals in 1695, 1715-1716, 1740, 1772, 1784,
als er wegens de vorst geen graven op het kerkhof gedolven konden worden, werd
evenwel iedereen in de kerk onder de toren begraven. Deze uitzondering staat
telkens uitdrukkelijk in het begrafenisregister vermeld.
62. Een ongezonde toestand
Tussen 1628 en 1637 moest onze kerkvloer 113 maal opengebroken worden.
Ook slachtoffers van de pest en andere epidemieën werden binnen begraven. Dat
was gevaarlijk. In 1634 verordende het stadsbestuur voor St.-Sulpitius dat wie
aan de ‘haastige ziekte’ stierf, niet meer in de kerk begraven mocht worden,
tenzij men een toeslag van 25 gulden boven de gewone begrafeniskosten betaalde.
We weten niet of deze maatregel ook voor de O.-L.-Vrouwparochie gold. Tijdens
de pestjaren 1634-1635 stootte men niettemin nog 46 maal op een grafkuil in
onze kerk. Geen wonder dat het er onaangenaam rook, om het zacht uit te
drukken. Slechts weinigen ergerden zich daar nochtans aan, tot keizer Jozef II
in 1784 verbood nog in kerken en kapellen te begraven. Een wijs besluit!
63. Het parochiale kerkhof
Veruit de meeste mensen werden op het parochiale kerkhof begraven. Het
lag helemaal rond de kerk. Het noordelijke deel langs de toen veel smallere
Begijnenstraat reikte tot een de nog bestaan gotische poort van de begarden.
Trek dan een loodrechte lijn naar het zuiden tot aan het huidige zijwegje aan
de Bruidstraat , dat tot 1820 doorliep naar de Grauwzustersstraat en de
zuidergrens vormde. In het westen strekte het zich uit langs de
Bruidstraat vanaf de kerk tot aan het
voornoemde paadje. Het kerkhof was helemaal ommuurd. Men kwam er binnen via
deuren aan de straatkant of draaibomen aan de achterzijde. Kinderen mochten er
niet komen spelen, dieren niet komen weiden. Het was immers een gewijde plaats,
als het ware een verlengstuk van het kerkgebouw. In 1675 werden er twee blikken
platen op de kerkhofmuur geslagen met het verbod nog vuilnis op het kerkhof te
storten. Voor de ongeletterden zal deze waarschuwing wel vergezeld geweest zijn
van een afbeelding die de straffen schilderde welke de overtreders te wachten
stonden, zoals dit voor andere stedelijke verordeningen gebeurde.
64. Een heilige plaats
Net zo goed als een kerk kon het kerkhof ontheiligd worden door moord
of bloedvergieten of de begrafenis van een onwaardige. Voor de laatsten was een
speciaal plekje ongewijde grond gereserveerd. In de andere gevallen moest de
ontwijding door een speciale ritus hersteld worden, zoals in 1793 gebeurde na
een duel. Daar onze begraafplaats ruim was, werd niet het hele terrein door
recente graven ingenomen. Er groeide dan ook gras, dat de koster verhuurde.
Verder was het beplant met olmen, beuken en essen. De meest gewaardeerde plek
lag rond het koor. Hier werden de kinderen begraven. In sommige rampjaren
zullen de doden wel ter aarde besteld zijn in een gemeenschappelijk graf. De
armen werden in een zak genaaid, zonder kist. Een kist kostte minstens 2 gulden
(1737). In 1634-35 stierven er in onze parochie 260 mensen aan de pest, in 1693
156 parochianen aan bloeddiaree.
65. Een hoog sterftecijfer
In 1624 werd Jacobus Poelmans uit Schaffen in de parochie begraven;
‘wellicht een honderjarige’, noteert het register. Maria Boogaerts was er 103
in 1653. Katharina Van de Vonden werd 80 in 1702. De gouden
huwelijksjubilarissen Nicolaas Veriannen en Barbara Brabants werden nadien bij elkaar
begraven (1720). Dit waren echter uitzonderlijke gevallen: de meeste mensen
stierven toen jong. Liefst 47 % van de sterfgevallen tussen 1653 en 1703
bestond in onze parochie uit kinderen en tieners. Volgens de berekening van
dokter M. Meeus bedroeg het sterftecijfer in Diest in dezelfde periode
gemiddeld 40 per 1000. Een paar recente cijfers voor België: in 1900 was dit 19
per 1000, in 1984 11, 8. Grote sterfjaren met meer dan 50 overlijdens waren in
onze parochie: 1629, 1675, 1692, 1693, 1694, 1702, 1719, 1720, 1754, 1765 en
1785.
66. Sluiting van de kerkhoven
Het begraven gebeurde slechts oppervlakkig. In 1728 werd voorgeschreven
dat de grafmaker de graven minstens 4 voet (ca. 1, 12 m) moest delven. Vanaf
1784 werd het kerkhof rond de St.-Sulpitiuskerk om gezondheidsredenen
afgeschaft. De overledenen van die parochie werden voortaan die van de
O.-L.-Vrouw- en de St.-Jansparochie begraven. Keizer Jozef II bande echter alle
kerkhoven uit de steden. Het stadsbestuur besloot toen een nieuwe begraafplaats
aan te leggen buiten de Hasseltsepoort. De grond daarvoor werd echter pas in
1924 (sic!) gekocht. De laatste begrafenis op onze dodenakker gebeurde op 3
juli 1798. Voortaan werd alleen nog het St.-Janskerkhof gebruikt. Er werd
nochtans een uitzondering gemaakt voor de 18 verdronken boerenkrijgers die half
november van dat jaar aan de brug aan de Zwartebeek aanspoelden. Ze werden met
karren naar ons kerkhof gebracht en verdwenen er in een massagraf. Wat er
verder met ons kerkhof gebeurde, behandelen we later.
67. De begrafenis
Al bleef het gezegde waar: ‘Voor de dood is iedereen gelijk’, de
uitvaartplechtigheden waren toen gevoelig ongelijker dan nu. De lijkdienst kon
om 9, 10 of 10.30 uur geschieden. Met groot gelui kostte dat in 1784
respectievelijk 3 gulden 2 stuivers, 10 gulden en 21 gulden. Voor armen werd
een gelezen mis opgedragen of enkel de absoute gebeden ter kwijtschelding van
hun zonden. Er was keus uit drie lijkkleden waarmee de katafalk bedekt werd.
Het beste kon men in 1639 huren voor 4 gulden, het minste voor 1 gulden. Voor
kinderen en sommige volwassenen werd soms een wit baarkleed gebruikt. Ook het
aantal kaarsen rond de baar en op het altaar schommelde fel. Als er meer dan 16
brandden, behoorde je tot de topklasse.
68. De rouwstoet
De stand van de overledene kon men evenens opmaken uit de rouwstoet.
Voor wie zijn graf in de kerk kreeg, kwam de proost van St.-Sulpitius met het
kapittel het lijk afhalen in het sterfhuis en begeleidde het naar de kerk, waar
onze pastoor de mis opdroeg. Later, toen ook welgestelden een plaats op het
kerkhof vroegen, bleef dit eerbetoon voor hen behouden. In sommige lijkstoeten
stapten bovendien de augustijnen, de minderbroeders, de schutterij, wezen en
armen mee. Soms waren er toortsen en muziek. Gildenbroeders vergezelden hun
vakgenoot naar zijn ultieme rustplaats. Armen lieten zich inschrijven in een
broederschap. Zo waren ook zij niet alleen op hun laatste tocht en zou er
gebeden worden en missen opgedragen voor gewone mensen als ‘Hans den Duits,
doof Heinken, Van hier op een ander en dat klein vrouwtje wier naam niet
geweten was’, die het dodenregister optekende. Voor een armengraf werd zelfs
niet het minimum gerekend: 6 stuivers.
69. Onze klokken
Ook de klokken galmden de status van de overledene uit. Zodra onze kerk
enigszins hersteld was, werden een middelgrote klok (1606) en twee kleinere
(1608, 1613) aangeschaft. Hun gebruik was aan strenge regels onderworpen. Groot
gelui was vroeger altijd bestemd voor bepaalde personen en voor wie in de kerk
begraven werd. Maar in 1658 bepaalde het stadsbestuur dat voortaan iedereen
hiervan genieten mocht, als er per poos 12 gulden toeslag betaald werd. Of deze
weeldebelasting lang behouden bleef, weten we niet. Rond 1720 bestelden onze
kerkmeesters een nieuwe klok bij Alex Jullien uit Lier. Voortaan kon je dank
zij de 4 klokken het onderscheid tussen de begrafenissen duidelijk horen. Voor
de hoogste categorie (flambouwlijken) luidden de grootste en de twee volgende
klokken. Voor een graf in de kerk 2de categorie luidden de 2
grootste. Voor kerkhoflijken met gezongen mis werden de 2 middelste gebruikt.
Was er dan slechts een gelezen mis of werd een kind begraven, klonken de 2
kleinste. Voor straatarmen bleven de klokken stom.
70. Het gelui was nooit uit de lucht
Ook uit het aantal pozen dat er geluid werd, kon je iemands positie
opmaken. Dat kon al van ’s middags of ’s avonds vóór de begrafenis zijn of
enkel op de dag zelf. Sommigen bestelden 24 pozen, waarvan enkele van drie
kwartier. Bij de dood van ‘onze genadigde’ keizer Karel VI (1740) en soevereine
Maria Theresia (1781) galmde het groot gelui driemaal daags gedurende zes weken
uit alle kerktorens. Zo stil was het dus bepaald niet in de goede oude tijd.
Wel hadden de koster en de luiders werk en kon het kerkbestuur beter de eindjes
aan elkaar knopen. Dit had ook zijn keerzijde. Klokken, klepels en touwen
versleten snel door dit intense gebruik en moesten geregeld vervangen worden.
In 1644 viel de klepel zelfs uit de grote klok. In 1634 (een pestjaar) scheurde
een klok. Schipper David De Putter voer ze naar Mechelen om te hergieten. In
1749 hergoot A.J. Van den Gheyn uit Leuven de grootste klok.
Kort daarop was ze weer gebarsten. De klokkengieter wilde toen weglopen, maar
onze kerkmeesters paaiden hem met 80 gulden extra. In 1756 had hij weer werk
met de tweede klok en 9 jaar later met de kleinste. De perikelen waren nog niet
voorbij. In 1782 hergoot J. Huaert uit Antwerpen nog meer eens de grote klok.
71. Onze schilderijen
In de loop der eeuwen verwierf onze kerk heel wat schilderijen. De tand
des tijds spaarde ze echter niet. Ook de mode sprak een woordje mee. Dan
verdwenen sommige uit het oog of werden verkocht. De kerkrekeningen leren ons
dat ze zelden aangekocht werden. Gelukkig schonken milde gevers soms een doek.
Vermits er dan geen uitgaven waren, werd er niets in de rekeningen geboekt. Had
onze kerk ze zelf betaald, zouden we tenminste de prijs, de precieze datum en
de naam van de kunstenaar kennen. De meeste werken waren ook niet gesigneerd en
slechts kopieën. Sommige kennen we alleen uit de archieven, andere hangen nog
in de kerk. We geven nu een lijstje van onze schilderijen tot aan de Franse
revolutie en beginnen met de verdwenen schilderstukken. In 1534 vermaakte Jan
Reyners een ‘Maria Boodschap’ aan de kerk. Ze moest worden geplaatst bij het
altaar van St.-Barbara aan de pilaar tegen het graf van zijn vrouw.
72. Kostbare werken
In 1797 selecteerden experts de schilderijen uit onze kerken, die ze de
moeite vonden om op te nemen in het centrale museum ten bate van het volk. In
onze kerk kwamen twee werken daarvoor in aanmerking. Het eerste was een op hout
geschilderde ‘Aanbidden van de wijzen’. Het stond op een rechter zijaltaartje,
maar is nu spoorloos. Het andere uitgezochte doek was het groot blazoen van de
rederijkerskamer ‘Christusogen’. Het hing bij ons
in het H.-Kruiskoor. In het met de barokke afsluiting
omheinde koor woonden de leden de plechtige mis bij op de feesten van de
Kruisvinding en de Kruisverheffing. Later verhuisde het naar de sacristie.
Gelukkig kunnen we het nog bewonderen in het stedelijk museum. Het panorama van
Diest op de achtergrond is gewoon verbeelding en geeft helaas geen informatie
over onze stad rond 1600, toen het geschilderd werd.
73. Verdwenen schilderijen
Waar bleven de twee doeken we rond 1644 van abt Wichmans ontvingen?
Over het eerste, de Triomf van St.-Norbertus, spraken we
reeds in bijdrage 31. De commissarissen G. Coene en M. Dimartinelli namen het
nog op in hun inventaris van 1797. Ze gewaagden niet meer van het tweede doek
dat we van de abdij kregen: St.-Norbertus ontvangt het witte habijt uit de
handen van Maria. Dit schilderij prijkte op het St.-Anna-altaar tegen een van
de pilaren vooraan. Dit altaar werd in 1826 afgebroken. Verdwenen ook het
schilderij van de H. Drievuldigheid, dat Nicolaas Stramot in 1675 repareerde?
Welk stuk hing er boven het vroegere hoofdaltaar? Tijdens de vasten werd dit
door een voorhangsel aan het oog onttrokken (1641), want zijn pracht vloekte
met de boetestemming. We weten ook dat gezworen verkoper Peter Zellekaerts in
1683 enkele oude schilderijen verkocht, samen voor 9 gulden. Tweedehandse
schilderstukken waren toen overigens ook elders relatief goedkoop.
74. Een kostbaar geschenk
In 1723 ontvingen we van pater Fr. Hendrix een klein Mariaportret op
koper. De schenker behoorde tot een tak van de minderbroeders die aan de
oorspronkelijke regel van Franciscus vasthield, de recollecten. Diestenaar
Hendrix was in 1700 te Rome geprofest en zijn vader Guillaume kreeg bij die
gelegenheid 20 gulden subsidie van ons stadsbestuur voor een nieuwe kap voor de
neofiet. Onze kerkmeesters waren zeer in hun schik met het Mariaportret als
geschenk. Ze offreerden aan de broer van de schenker 11 gulden als
tegenprestatie. Het schilderijtje werd achteraan in de noordelijke zijbeuk
opgehangen. Schrijnwerker Marcus Van de Plas, die later ons
hoofdaltaar zou uitvoeren, bouwde er voor 31 gulden een monumentaal kader rond.
Hierop schreef de Diestse schilder Andries Stramot in gouden letters het
bewogen verhaal van dit tafereeltje. Vóór dit opschrift helemaal verbleekt is,
drukken we in nr. 75 af.
75. Een reizend schilderij
De tekst onder het schilderijtje besproken in nr. 74 luidt in moderne
spelling: ‘Ware afbeelding van het groot miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw
onder de titel Toevlucht der Zondaren. Miraculeus geschilderd door Lucas.
Staande in de zilveren kapel te Innsbrück in Tirol. Nageschilderd door broeder
Lucas, recollect der voorgeschreven stad en van daar gedragen naar Jeruzalem
door broeder Francis Hendrix, geboortig van Diest, recoll. van het convent te
Wenen, missionaris van het H. Graf Christi binnen Jeruzalem, waarop dit
eerbiedwaardig beeld twee dagen en nachten heeft gelegen en is aldaar gewijd
ende heeft drie dagen gestaan op het graf van de allerheiligste Moeder Gods,
wanneer voor hetzelve beeld zijn geschied verscheidene sacrificiën der misse.
Ende is aan deze kerk door de voorgeschreven broeder Fr. Hendrix vereerd op 2
maart 1723’. Welke avonturen het tafereeltje nog beleefde nadat het in 1985
gestolen werd, kunnen we u helaas niet vertellen.
76. Portretten van pastoors
In de sacristie hangen vier portretten van pastoors van onze parochie.
Het was een zeer verspreid gebruik bij de witheren dat pastoors hun portret
lieten schilderen. Dat was dan bestemd voor de ontvangkamer in de pastorie. Bij
hun vertrek verhuisde het gewoonlijk mee naar de nieuwe parochie. Hoe die vier
dan toch in onze sacristie terechtkwamen, blijft dus een raadsel. Voor één
althans, het bekende portret van pastoor Van Emmerick, bestaat er een
verklaring. Tot aan de Franse revolutie hing het in de prelaatskamer bij de
proost van St.-Sulpitius, tot de Fransen de proostdij onteigenden. Voor zijn
benoeming in de O.-L.-Vrouwparochie was Van Emmerick een gezien man in de
abdij. Als circator bezocht hij de witherenvestigingen om er de tucht te
inspecteren. Daar hij de pastoor en leermeester van een mogelijk nieuwe heilige
– Jan Berchmans – was geweest, werd met zijn beeltenis niet zo lichtvaardig
omgesprongen. Zo belandde zijn portret ten slotte in onze sacristie tot in
1888. Toen maakte Thomas De Backer, een veelbelovend jonge schilder uit onze
parochie die aan de academie in Antwerpen studeerde, er een kopie van voor onze
kerk. Het originele doek verhuisde daarna naar de abdij van Tongerlo.
77. De andere pastoorsportretten
We kunnen veronderstellen dat de afbeeldingen van Johan Coenen en Johan
Verbrugghen ook afkomstig zijn uit de onteigende proostdij van St.-Sulpitius.
Beiden werden immers na een kort verblijf in de O.-L.-Vrouwparochie tot proost
van de Sulpitiuskerk bevorderd. Johan Coenen was daar hoofd van het kapittel
tussen 1607 en 1615 en werd dan prior, tweede in bevel, van Tongerlo. Johan
Verbrugghen (te herkennen aan zijn paternoster met palmhouten kralen) was
proost van 1629 tot 1635, toen hij aan de pest overleed. Voor de derde
geportretteerde, Cornelius Pauli, echter gaat deze verklaring niet op. Wel was
hij als gewezen circator een gezien man in de abdij. Hij werd trouwens in 1715
tot pastoor van het belangrijke Duffel bevorderd. Hij was 52, 12 jaar pastoor
in onze parochie, toen hij zich liet schilderen in zijn met bont omzoomd
koorhabijt. Het is jammer dat we geen geschilderde portretten bezitten van
verdienstelijke figuren als J. Blieck, B. de Tourier en anderen. Ook in de
abdij van Tongerlo zijn er geen enkele afbeeldingen van pastoors van de
O.-L.-Vrouwparochie bewaard gebleven.
78. Lijdenstaferelen
Na het concilie van Trente leefde de verering van het lijden van Jezus
weer op. Daarvan getuigt onze ‘averechtse kruisweg’ (einde 17de eeuw). Het volk noemde
hem later zo, omdat hij in tegenstelling met onze jongere gipsen kruisweg
achteraan in de kerk begint. De vroegste kruiswegen telden slechts 7 staties en
ook de overwogen episodes verschilden enigszins van de thans gebruikelijke:
Jezus in de olijfhof, de geseling, Jezus met de doornenkroon. Naast ons beter
vertrouwde: Veronica met haar doek, Jezus van zijn klederen beroofd, de
kruisiging en de kruisdood. [ In de herfst van 2000 werd deze kruisweg gestolen
]. Hoe groot de lijdensdevotie in onze kerk was, valt op door de schilderijen
die later naar de sacristie of bergplaats verhuisden. Een interessante Ecce
Homo naar Rubens (1625), Jezus ontmoet de wenende vrouwen, een kopie naar een
verdwenen werk van Jan van den Hoecke (1650). Dit doek liet juffrouw Berges in
1856 aan onze kerk. Het werd toen op 6 à 7 frank geschat. Uit het begin van de
18de eeuw stammen: De bewening van Christus, de kruisafneming naar
het beroemde doek van Rubens. Waarschijnlijk allemaal giften van weldoeners.
79. Andere voorstellingen
Uit al die bewaarde lijdenstaferelen, uit de altaren van O.-L.-Vrouw
van Smarten (1758) en van de Kruisvinding (1767), uit het aan het museum
uitgeleende beeldhouwwerk (de Piëta, Christus in het graf) zou men kunnen
afleiden dat de mensen in onze kerk vooral het lijden van Jezus en zijn moeder
vereerden. Deze indruk wordt evenwel afgezwakt door de onderwerpen van de
verdwenen schilderijen die toen toch ook het geloofsleven inspireerden (zie
vorige bijdragen) en door andere thans nog bewaarde doeken. In de noordelijke
kruisbeuk hangt ‘Maria bezoekt Elisabeth’ (1ste helft 18de
eeuw). In de zuidelijke kruisbeuk is een reusachtig doek, dat 2, 35 bij
3, 95 m meet: ‘De verzoening tussen Jacob en Ezau’. Over deze gebeurtenis
kan men in de bijbel lezen in Genesis 32 en 33. Achteraan in de kerk:
St.-Rochus door Antoon Clevenberg (rond 1790). Van deze Leuvense schilder
hangen er nog werken in de O.-L.-Vrouw ter Predikheren aldaar. Boven een
offerblok spoorde een klein schilderijtje op blik de gelovigen tot
goedgeefsheid voor de armen aan: ‘Om Godts wille alhier een caritaet ten dienst
van alle schamel huysen’. Het wordt thans in het museum bewaard. Vrijgevigheid
zonder oneerlijke bedoelingen beoogde ook de ‘Dood van Ananias’. Het verhaal
van Ananias en Safira vindt men in Handelingen, 5, 1-11. Door hevige
waterschade in de bergplaats ging dit doek echter in 1978 onherroepelijk
verloren.
80. Aanwinsten
Toen onze pastorie in de M. Theysstraat ontruimd werd (1776) groeide
ons kunstbezit met twee schilderijen aan: ‘Boodschap van de engel en ‘Heilige
Familie’. Op dit laatste stuk treffen we
een merkwaardige voorstelling van St.-Jozef aan. De voedstervader leest zijn
gezin voor uit de H. Schrift. Volledigheidshalve citeren we nog volgend
oncontroleerbaar weekbladartikel van 1920: ‘In de O.-L.-Vrouwkerk berust een
schilderij, waarvoor de mensen in toeloop kwamen bidden. Men vertelt dat een
krankzinnige die in een diepe put was gesprongen er tegen ieders verwachting
volkomen genezen werd uitgehaald, terwijl men voor zijn redding bad voor deze
schilderij’. Op welke schilderij dit artikel doelt, wordt niet nader bepaald en
ook de archiefstukken gewagen niet van zulk een toeloop. Misschien gaat het om
het schilderijtje ‘Toevlucht der zondaren’, dat we reeds bespraken.
81. Giften
De gewone ontvangsten aan renten, huur, begrafenisrechten en de schaal
lieten onze kerkmeesters weinig ruimte voor grote uitgaven. Gelukkig waren er
ook buitengewone inkomsten als de verkoop van bomen, afbraakmateriaal, maar
vooral giften van de gelovigen. Met het oog op de eeuwigheid probeerden mensen
in testamenten hun slechte daden goed te maken. Sommigen met een angstvallig
geweten lieten aan de Kerk zelfs enkele stuivers na voor het geval dat ze ooit
onwetend onrechtvaardig goed hadden bezeten. Het hoeft niet altijd restitutie
te zijn geweest, toen Adriaan Wiggers (1603) 300 gulden legateerde, het
echtpaar Jan Quints-Vandenhove (1624) evenveel, of Frederik Sweerts (1625) 50
gulden. De weduwe uit ‘In het Lommel’ legateerde zelfs 1000 gulden. Aan grote
legaten was meestal een stichting van missen verbonden. Jan Kaasmans vermaakte
daarvoor 800 gulden (1611), Godefridus van den Goedenhuysen en zijn zuster
liefst 2500 gulden (1779), die uitgeplaatst werden voor de aanleg van de
straatweg Leuven – Diest.
82. Godspenningen en voetpenningen
Bij een verkoop of verhuur vielen er wel eens godspenningen aan de
kerk: enkele stuivers handgeld. Enkele keren worden er ook voetpenningen
vernoemd: waarschijnlijk standgeld voor kraampjes bij de kerk. Sommige giften
waren in natura. Een kip, een haan (1606) respectievelijk voor 12 en 6 stuivers
verkocht. De trouwring van een overledene (1636), die 6 gulden 6 stuivers
opbracht, een rode sluier, zilverwerk. Vele geschenken bleven echter het beeld
van Maria sieren: een vergulde zilveren ketting, zilveren medailles, koralen
paternosters en ringetjes (1741). Sommige schenkingen hadden een welbepaalde
bestemming. Renneke van Bree schonk 37 gulden voor het tafereel op het
Maria-altaar (1628). Elisabeth Fierckel en Margriet Crijters gaven giften voor
de bouw van het kapelletje aan de Warande (1653). Toen de klokken hergoten
werden (1749), kwamen peter en meter over de brug: beiden met 59 gulden.
Dikwijls moest er ook brood worden uitgereikt aan de armen die de lijkdienst of
het jaargetijde bijwoonden.
83. Steun van hogerhand
De abt van Tongerlo droeg bij voor de nieuwe orgelkas (1678), de houten
wandbekleding van de zijpanden (1739), maar dan moest wel zijn wapenschild
daarin aangebracht worden. Het stadsbestuur steunde de heropbouw van de kerk
tussen 1608-1613 met 325 gulden en later (1651) het bekluizen van het nog
ongewelfde deel (200 gulden). Het kwam tussenbeide voor een nieuwe klok (1721)
en een torenuurwerk (1768), dat Jozef Hendrickx uit Mechelen vervaardigde en
waarvoor overigens nog in de stad gecollecteerd werd. Af en toe kon er zelfs
wat af voor een prijsje aan wie trouw de catechismusles op zondagnamiddag
bijwoonde. Met grote tussenpozen (1717, 1734, 1740) ontvingen onze parochie dan
16, 22 en 35 gulden. De stad had het zelf niet breed.
84. Oorlog en geweld
De grote vrijgevigheid van onze voorouders zou ons misschien doen
denken dat ze altijd voorspoedige tijden beleefden. Niets is minder waar. Van
1568 tot 1748 heerste er altijd ergens oorlog in ons land. Al werd er zelden
gevochten in de buurt van de Diest, toch drukten de vijandelijkheden op de
bevolking. Onze stad was immers een garnizoensplaats. Bijna altijd lagen er militairen
van vriend of vijand in de poorten en verdedigingswerken, in de soldatenhuizen,
die sommige burgers verhuurden. Als het garnizoen overtalrijk was, werden de
manschappen ingekwartierd bij de inwoners. Dan deelden ze dikwijls de enige
kamer met de gastheer en zijn gezin en speelden de baas in huis. De
vergoedingen voor deze inkwartiering putten de stadskas uit en joegen de
belastingen de hoogte in. Enkele echo’s van dat leven onder soldaten zijn tot
in ons kerkarchief doorgedrongen. Het zijn slechts kleine feitjes, maar ze
roepen die woelige tijd voor de geest.
85. Woelige tijden
Zoals we reeds eerder geschreven hebben (nrs. 19, 20,
21) was 1580 een rampjaar voor onze parochie. Bejaarden, die het nog gehoord
hadden van hun ouders, vertelden aan pastoor Sallaerts dat onze toren en kerk
nochtans met 50 gulden gered hadden kunnen worden. Maar na de algemene
plundering van de stad waren de mensen zo bang, dat niemand durfde tonen dat er
nog geld te vinden was. En dus weigerden onze kerkmeesters dit geringe bedrag
te betalen, met alle gevolgen ervan. ‘Vermits de vijanden Fransozen de stad
geoccupeerd hebben’, kwam er tussen 1580-1582 geen cijns meer binnen en
geraakte de armenzorg in het gedrang. Bevriende legers maakten het echter niet
minder bont. De slecht betaalde huurlingen in Spaanse dienst sloegen dikwijls
aan het muiten. Wee de stad die ze moest logeren! Diest was herhaalde malen het
slachtoffer. Op 8 december 1606 werd er in onze kerk niet gepreekt ‘omdat de
gemutineerden (opstandige soldaten) meenden in de stad te komen’. Ze
arriveerden werkelijk en bleven een goed jaar. Met presentjes aan hun
aanvoerder probeerde ons kerkbestuur hen te kalmeren: ‘Een zilveren beker
gekocht om te schenken aan de secretaris van de gemutineerden: 10 gulden, 6
stuivers (1608)’.
86. Onveiligheid
Toen pastoor Van Emmerick rond die tijd ook in Schaffen de zielzorg
moest waarnemen, liet hij zich door gewapende Diestenaren begeleiden. Tochten
op het platteland waren steeds onveilig. Zo namen onze kerkmeesters in 1628
twee soldaten als bescherming mee, toen ze in Reinrode hout gingen halen voor
de herstelling van de kerk. Wegens perikel liet de ontvanger die de renten ging
halen in Halen, zich vergezellen door een soldaat (1650). In 1676 moesten de
kerkmeesters naar Mechelen rijden om de orgelmaker voor het gerecht te dagen.
Het werd een dure aangelegenheid. Voor de kar, het vrijgeleide wegens de Duitse
troepen en hun verblijf brachten ze 16 gulden in rekening. Men moest ook de
soldij betalen van twee soldaten die de kerk bewaakten tegen de geuzen of
‘Hollanders’. Geen nood, in juli 1635 kwamen onze Spaanse bevrijders, ‘ceuninx
volk’. Van een oudje in het Liefkintsgodshuis roofden ze alle kleren. Een soldaat
kreeg 12 stuivers toegestopt om er de veiligheid te verzekeren. Pastoor Van de
Put moest in 1634, we citeren; ‘de geuzen of Hollanders 12 stuivers geven’.
Waarschijnlijk ging het om de soldij van twee soldaten die de kerk bewaakten.
87. Toen kon je ook lachen
Ondanks al het leed dat besmettelijke ziekten, bezetting en
inkwartiering veroorzaakten, konden de mensen soms ook eens lachen. We
behandelen hier niet de georganiseerde pret die er te beleven viel, als op
kermisdagen de toneelgezelschappen ‘De Lelie’ en ‘De Christusogen’ bijna een
hele week hun opvoeringen brachten op de Grote Markt. Ook het dagelijkse leven
was een schouwtoneel. Ook toen hadden kleinen en grote lieden hun
hebbelijkheden. Om die kleine kanten kon men zich ergeren of glimlachen, net
als nu. In enkele bijdragen genieten we nu mee van zulke voorvalletjes die ons
archief haalden. Wie ze daarin neerpende, zag er wellicht niet altijd zelf de
humoristische kant van.
88. Kordate vrouwen
We hebben reeds eerder verteld (nr. 52) dat
de schout in 1684 meubels aansloeg bij de kerkmeesters W. Cordijs en J.B.
Janssens, omdat ze er zich tegen verzetten dat het stadsbestuur de koster van
onze parochie zou benoemen. Een andere kerkmeester, Arnold Danckaerts, had zich
toen bangelijk buiten de zaak gehouden. Maar zijn vrouw wilde niet wilde dat
hij zou afsteken bij zijn collega’s en uitgelachen worden. Ze ontbood zelf de
schout: ‘Wij willen niet afsteken. Kom, neem hier ook wat meubels mee!’ Een
derde-ordelinge van St.-Franciscus had niet uitdrukkelijk gevraagd om bij de
minderbroeders begraven te worden en dus gebeurde haar uitvaart in onze kerk.
Gevolg: haar devote vriendinnen woonden de dienst niet bij en strooiden tegen
alle gewoonte geen bloemen bij de baar (1691).
89. Een plezante schoonmaak
In juni 1717 had Jan Vleesens de kerk gewit voor 105 gulden. Daarna was
er natuurlijk een grondige schoonmaak nodig. De kerkmeesters trakteerden de
vele helpers met een ton bier en een koekje. Tegen het bevel van pastoor L.
Wijckmans hadden ze de drank in het H.-Kruiskoor gelegd, ‘waar ze aten en
dronken, tappende het bier met emmers’. De pastoor trad hiertegen op. Toen
haalden ze bier uit de brouwerijen, ‘waaruit grote disorders gesproten zijn’,
noteert hij. ‘Dit moet in de toekomst belet worden. Twintig personen ongeveer
zullen aangesteld worden, voor en na eens drinken en daarna een koekje met een
glas bier ontvangen, als de kerkmeesters het believen’. Over de kosten van die
fameuze drinkpartij zwijgen de kerkrekeningen.
90. Herrie om een preek
In 1692 had pastoor Sallaerts gepreekt over de plicht van de herder om
het woord Gods te verkondigen en van de gelovigen om naar het sermoen te
luisteren. Hij liet daarbij duidelijk verstaan dat ze naar de preek in de
parochiekerk moesten komen. Dit viel niet in dovemansoren bij de
minderbroeders. Op hun kansel vielen ze deze uitspraak aan. De volgende zondag
zakte er ongewoon veel volk naar onze kerk af. Ze wilden horen hoe de pastoor
hierop zou reageren. Hij zweeg wijselijk, maar noteerde in zijn handboek:
‘Misschien komen de mensen zo weinig naar de sermoenen omdat de pastoors de
waarheid te plat zeggen. Ze lopen liever op een ander om histories en exempelen
te horen, wat aangenamer is voor hun zinnelijkheid en nieuwsgierigheid. De
paters berispen niet zoveel, omdat ze minder de fouten kennen als de herders’.
Het voorval met de paters werd ten slotte in der minne geregeld.
91. Wedijver
Om zijn strenge opvattingen over moraal ging pastoor Sallaerts door
voor een jansenist ( jansenisten waren voorstanders van een uiterst strenge
levenswijze en van de predestinatie; ze waren door de Kerk veroordeeld als
ketters). Op andere gebieden was hij dat zeker niet. Hij verklaarde
uitdrukkelijk dat hij gehoorzaamde aan de paus en zijn decreten. ‘Het is een
teken van onderscheid tussen katholiek of niet-katholiek’, waren zijn woorden.
Jansenisten gaven ten andere ook minder om de heiligenverering en de aflaten.
We weten echter reeds dat Sallaerts nieuw leven inblies in de devotie tot de
kapelletjes (nr.
36). Ook op het stuk van aflaten trof hem geen verwijt. In 1696 had hij
voor onze kerk van Rome een volle aflaat bekomen op het feest van
St.-Norbertus. Dit werd met briefjes op de kerkdeuren aangekondigd. In
St.-Sulpitius werden die briefjes afgetrokken en daar verkondigden ze een eigen
aflaat, evenwel zonder machtiging volgens onze pastoor. Die rivaliteit tussen
beide kerken was het volk niet onbekend. Sprak de volksmond van oudsher niet
monkelend over ‘de dag dat Jezuken zijn moederken komt bezoeken’, als de 3de
paasdag de proost met het kapittel van St.-Sulpitius de hoogmis in onze kerk
kwam zingen? Ook zagen de pastoors van de Lievevrouwkerk met lede ogen dat het
kapittel bij hen de plechtige begrafenissen opluisterde. Dan liepen ze er
slechts voor spek en bonen bij tussen deze heren.
92. Eindelijk vrede
We hebben ons relaas over oorlog en geweld even onderbroken met een
komisch intermezzo, maar nu nemen we de draad van de gebeurtenissen weer op. In
1713 kwamen de Spaanse Nederlanden onder Oostenrijk en de inkwartieringen
verminderden. Maar in 1746 was Diest weer in Franse handen. Ze openden een
militaire bakkerij in het Liefkintsgodshuis en de inwonende behoeftige oude
vrouwen moesten maar elders een kamer gaan huren, waarvoor de rentmeesters
konden afdokken. Er kwam geen huur meer binnen van de weiden in Molenstede,
omdat de Franse paarden alles hadden afgeweid. Lang zou deze bezetting echter
niet duren. In 1748 werd de vrede van Aken getekend. Nu werd het 40 jaar rustig
en groeide de welvaart alom. Dat zou zich ook in onze kerk weerspiegelen. Ze
werd verfraaid met het grotendeels nog bestaande meubilair, gewelven in de
zijbeuken, lambrisering en een nieuwe, arduinen poort. Hierover zullen de
volgende bijdragen handelen.
93. Lambrisering
Sinds 1892 zijn de muren van de zijpanden aan de binnenzijde met
marmerplaten bekleed. Dit is geen overbodige luxe. Die wanden waren immers
helemaal doortrokken van vocht, afkomstig van het grondwater, overlopende en
lekkende goten, regenvlagen. Daartegen was geen pleister, kalk of verf bestand.
Daarom zagen ze er altijd slordig uit. Dus besloten onze kerkmeesters in 1737
het ondergedeelte met hout te bekleden. Arnold Aerts knapte het werk op en zijn
weduwe rekende daarvoor 411 gulden aan. De stad schonk hiervoor 280 gulden en
ook de prelaat van Tongerlo droeg 50 gulden bij, als zijn wapen in de
lambrisering werd aangebracht. Of dit beschot tot in 1892 standhield, weten we
niet.
94. Een nieuw hoofdaltaar
In onze kerk staan geen meubelen meer uit de beginperiode. Zelfs als de
memel en de verwoesting van 1580 ze gespaard zouden hebben, zouden ze toch in
de loop der jaren het slachtoffer geworden zijn van de veranderende smaak. Ook
kerkuitrusting volgt de mode. Toen er na 1748 eindelijk vrede heerste en meer
welstand kwam, kon men het meubilair aanpassen aan de smaak van toen. Eerst
kwam de blikvanger aan de beurt: het hoofdaltaar. In juni 1754 kwam de Leuvense
meesterschilder en architect A.J. Van Campen ter plaatse de opmetingen doen.
Hij ontwierp het model en ontving daarvoor 25 gulden. In een O.-L.-Vrouwkerk
was het opgelegde thema vanzelfsprekend Maria. Of Van Campen dit onderwerp naar
eigen inspiratie uitwerkte of volgens richtlijnen uit Diest, weten we niet. De
ontwikkeling van de gedachte verraadt alleszins een ongewone vertrouwdheid met
de H. Schrift. In dit verband zouden we kunnen denken aan onze toenmalige
pastoor, Bonaventura de Tourier (1747-1763). Hij was zeker niet de eerste de
beste. Vroeger was hij prior geweest in de abdij van Tongerlo en in 1749 werd
hij landdeken van ons uitgestrekt decanaat.
95. Een meesterlijke compositie
De gedachte die ons hoofdaltaar uitdrukt is: de aankondiging van de
verlossing. De boodschap aan Maria staat centraal. Bij sommige altaren vindt
men wat uiteenlopende stukken opgesteld: allerlei heiligen en voorstellingen.
In onze kerk past elk onderdeel schitterend als omraming van de hoofdgedachte.
Het middenstuk spreekt voor zichzelf. De taferelen daarboven vragen wel om wat
toelichting. Boven de zuilen: de boodschap aan Gideon. Een afgezant van God
vraagt hem de redder van zijn volk te worden en de vijand uit het land te
jagen. Gideon bad dan om een teken: ‘Indien Gij werkelijk Israël door mijn hand
wilt bevrijden, laat dan de dauw alleen op de schapenvacht komen hier op de
dorsvloer en laat de grond eromheen droog blijven’. En zo gebeurde het (lees in
de bijbel Rechters, hoofdstuk 6).
96. ‘Ros in solo vellere’
Het wonder met de wollen vacht staat afgebeeld boven het opschrift:
‘Ros in solo vellere’ (‘Dauw op de vacht alleen’). In de kerkelijke kunst was
deze voorstelling een zeer gebruikelijk symbool voor het maagdelijke
moederschap van Maria. De beeldhouwer heeft boven de galerij ook koning David
afgebeeld. Hij was de stamvader van Jezus, over wie de engel Gabriël in zijn
aankondiging gewaagt. Het centrale tafereel wordt rechts geflankeerd door de
profeet Jeremia (met de boekrol) en links door Jesaja. Ontegensprekelijk heeft
de kunstenaar deze twee figuren gekozen om hun uitspraken die op de sokkels
worden geciteerd. Jeremia 31, 22 luidt: ‘De Heer heeft iets nieuws op aarde
geschapen: de vrouw zal de man omvangen’. Jesaja 7, 14 luidt: ‘Zie, een maagd
zal moeder worden’. Beide teksten leest de Kerk als toespelingen op Maria en
Christus.
97. Het plan wordt uitgevoerd
In juli 1754 reisde rentmeester Michaël Tielens naar Mechelen en
Antwerpen. Hij besprak er de condities van meerdere beeldhouwers, o.a. met Th.
Verhaegen, wiens werk vele Mechelse kerken siert. Maar misschien lag zulke
befaamde meester buiten de financiële mogelijkheden van de O.-L-.Vrouwparochie.
Op 10 augustus werd het altaar aanbesteed. Het beeldhouwwerk zou de
Antwerpenaar Francis Somers leveren voor 1385 gulden, die in
tranches werden afbetaald. Het is niet duidelijk of het hier vader of zoon
Francis Somers betreft. Van deze laatste staat nog werk in de kerk van Loenhout
en Kapellen (Antwerpen). De schrijnwerkerij zou de Diestenaar Marcus Van de
Plas uitvoeren voor 1679 gulden. Hij had ons vroeger reeds het ornament voor
een schilderijtje bezorgd (zie nr. 74) en een nieuwe
communiebank (1742).
98. De rekeningen stapelen zich op
Intussen werd het oude tabernakel afgebroken. Om het reusachtige altaar
te kunnen opstellen, metselde Sebastiaan Wanex enige vensters in het koor dicht
en andere werden opengemaakt, waarvoor de weduwe van glazenier Stramot
glasramen leverde. Het metselwerk kostte 102 gulden, de ramen 107. Zolang de
werkzaamheden duurden, werd er mis gelezen aan een voorlopig altaar midden in
de kerk (21 gulden). En steeds kwamen er nieuwe rekeningen binnen. Twee karren
voerden de beelden uit Antwerpen aan (25 gulden). Uit de stad arriveerden ook
de kapitelen van de kolommen en de versierde top van het altaar; vrachtkosten
20 gulden. Voor de pilaren tegen de zijmuren van het koor bracht M. Van de Plas
extra 29 gulden in rekening. De tombe onder de altaartafel (78 gulden), twee
vazen en schelpen (40 gulden) rekende Somers apart aan. In 1760 verguldde
Jacobus de Craen het opschrift ‘Ros in solo vellere’ (12 gulden). Al die
prijzen staan uitgedrukt in waarden van toen. Als we even de som maken: voor
het altaar (ontwerp, vracht inbegrepen) 3293 gulden, voor de bijkomende kosten
(metselwerk, glas, noodaltaar) 230 gulden. In de volgende bijdrage belichten we
wat een gulden toen betekende.
99. Toenmalige lonen
Ons kerkbestuur moest voor het nieuwe altaar 3293 Brabantse gulden
betalen. Was dit veel of weinig? We zullen dit bedrag niet omrekenen in
hedendaagse franken of in euro’s. We vergelijken het liever met lonen en
prijzen uit die tijd. We herinneren eraan: 1 gulden = 20 stuivers. Eén stuiver
= 4 oorden. Eén oord = 6 groten. Hoeveel verdiende een arbeider in onze stad?
In 1757 ruimde Mathijs Deré de Demer tegen 12 stuivers per dag. Maaiers en
pikkers verdienden 14 stuivers (1748). Zware, maar goed betaalde ongeschoolde
arbeid. Het daggeld van de ongeschoolde Velpmans werd op 8 stuivers geschat,
‘als hij werk heeft’, staat erbij genoteerd. Een wasvrouw verdiende evenveel.
Een inwonende keukenmeid kreeg een jaarloon van 40 gulden, plus een deel van de
fooien als er gasten kwamen. Gespecialiseerde arbeidskrachten trokken
natuurlijk meer. Een schaliedekker verdiende samen met zijn knecht 24 stuivers.
In 1783 ontving een steenkapper 1 gulden per dag. Voor het langdurige verzorgen
van het fijt rekende de geneesheer in 1752 7 gulden aan, de chirurgijn 5
stuivers en 1 oord voor een aderlating (1778).
100. Prijzen
Wat kon men daarmee kopen? Brood betekende toen het hoofdbestanddeel
van de voeding. Er waren broden van 1, 2 tot 6 stuiver. Die prijs was wettelijk
vastgesteld en bleef van kracht tot aan de Franse revolutie. Wel schommelde het
gewicht van zo’n brood naargelang de duurte van het graan. Ook het beste bier
kostte toen onveranderlijk 2 stuiver de pot van 1,7 liter. De kwaliteit hing
echter af van de graanprijs. Hollandse jenever ging 14 stuiver de pot (1751).
Wie kon er zich de luxe veroorloven van een pond chocolade, 35 stuiver? Voor een
paar schoenen betaalde men in 1754 1 gulden 1 stuiver, voor een grotere maat
enkele stuivers meer. Gelukkig waren klompen goedkoop: 3 stuiver en 1 oord het
paar. Een paar kousen gold 18 stuiver. Een jakje kostte 3 gulden 3 stuiver, een
laken, rok 4 gulden 18 stuiver. Een lederen broek voor jongens ging 38 stuiver
2 oorden, een hoed voor mannen 1 gulden 11 stuivers. Voor een el lijnwaad werd
13 stuiver en 1 oord gerekend. Een jaar kamerhuur bedroeg 9 gulden in 1749.
Voor een pot smout voor de verlichting telde men in 1747 8 stuivers neer. Een
zak boskolen voor de verwarming gold 11 stuivers (1743), mutsaards 6 gulden
voor honderd (1755). Zeep kocht men in 1748 tegen 11 oorden het toenmalige pond
(464 gram).
101. Financiële toestand van de kerk
Uit de vorige bijdragen kunnen we afleiden dat het nieuwe altaar een
enorme uitgave betekende. Van 1700 tot 1792, toen de laatste rekening
goedgekeurd werd, hielden de kerkmeesters hun inkomsten en uitgaven goed in
evenwicht. De tekorten in een jaar met buitengewone uitgaven werden op termijn
steeds door overschotten gedekt. Het was dus geen ramp dat de laatste rekening
met het nadelige saldo van 215 gulden sloot. Tussen 1700 en 1754 bedroeg het
gemiddelde jaarinkomen van de kerk 824 gulden. Er viel dus niet aan te denken
de kosten van het altaar met de gewone overschotten te vereffenen. Nu waren er
buitengewone inkomsten nodig. Gelukkig tastten de mensen voor een besteding die
ze voor hun ogen zagen gebeuren, dieper in hun zak. Er kwamen dan ook
onverwachte giften binnen. In 1756 gaf mevrouw De Rademaecker 350 gulden, ene
P.S. 107 gulden, gewone mensen 90 gulden. Nog in 1758 schonk een Antwerpenaar
100 gulden. Maar de hoofdbrok zouden loterijen bezorgen.
102. Loterijen
Er is niets nieuws onder de zon. In 1549 hadden de kerkmeesters van
St.-Sulpitius reeds een loterij ingericht om de schulden af te betalen.
Loterijen werden vaak georganiseerd voor een liefdadig of openbaar doel. De
prijzen bestonden meestal uit een combinatie van luxevoorwerpen (als zilveren
tafelserviezen, kandelaars, bekers, zoutvaten) met een som geld. Loten kon men
bemachtigen door inschrijving op een intekenboek. Men kon ze contant betalen,
maar ook in natura met een schilderij, vee, stoffen. Dat werden dan prijzen.
Voor grote tombola’s werd met gravures reclame gemaakt. De overheid
controleerde of er geen bedrog werd gepleegd en de trekking gebeurde op een
openbare plaats. Onze rentmeester, Michaël Tielens, notaris van beroep,
organiseerde in 1753 en 1754 maar liefst drie loterijen. De eerste bracht voor
de kerk 1298 gulden op, de tweede 2413 gulden, maar de derde leverde 50 gulden
verlies. Over de concrete uitvoering reppen de kerkrekeningen niet. Sommige
winnaars bedachten het hoofdaltaar met een milde gift. Wie 400 gulden won,
schonk 10 gulden. De hoogste prijs gaf 50 gulden, waaruit we misschien kunnen
afleiden dat hij 2000 gulden trok. Wat onze tombola’s in de lage tot
middelgrote categorie classificeert. In 1758 werden de instrumenten van de
loterij voor 25 gulden verkocht aan de kerkmeesters van O.-L.-Vrouw in Tienen.
Kansspelen moeten een rage geweest zijn, in zoverre dat in 1763 het verbod kwam
nog loterijen in te richten zonder octrooi.
103. Nieuwe altaren
Nu de kerk een nieuw hoofdaltaar rijk was, vielen andere altaren uit de
toon, welke kunsthistorische waarde ze ook gehad mogen hebben. Deze keer
moesten de kerkmeesters niet opdraaien voor hun vervanging. Daar zorgden andere
verantwoordelijken voor. We vinden dan ook geen uitgaven hieromtrent in de
kerkrekeningen. De broederschap van O.-L.-Vrouw van Smarten werd
in 1637 opgericht en stond nog altijd in de gunst. In 1758 liet ze haar nieuw
altaar installeren. Een Latijns chronogram herinnert er ons aan: Matri
Dolorosae confraternitas hoc posuit (De broederschap heeft dit geplaatst voor
de bedroefde Moeder). Maria wordt er voorgesteld doorstoken door het zwaard van
Simeons profetie (lees Lucas 2, 35). Allerlei voorwerpen roepen het lijden van
Jezus op: de geselkolom en –zweep, de haan bij Petrus’ verloochening, het doek
van Veronica, de spons met zure wijn, de lans die het hart doorboorde. Daar
alles bekostigd werd door de leden, moeten we u de naam van de kunstenaar en de
kostprijs schuldig blijven.
104. Een druk gebruikt altaar
Dank zij de bijdragen van de ingeschreven broeders en zusters was het
altaar goed uitgerust met kandelaars en doeken. Voor hun processie op de
laatste zondag van de maand (zie nr. 36) beschikten ze
over een eigen kruis en vaandel en een gewaad voor de vaandrig. Voor wie met de
schaal collecteerde tijdens hun plechtigheden, hing er een zwarte laken mantel
in een aparte kast. Kostbare en dierbare geschenken prijkten in twee met zwart
gevoerde, ingelijste panelen aan het altaar: gouden en zilveren kruisjes,
oorbellen, ringen, medaillons met relieken, hartjes. Het altaar van de
broederschap was niet alleen maar een sierstuk. Het werd druk gebruikt. Elke
zaterdag en maandag werd er mis gelezen. De 4de zondag van de maand
werd er een plechtige mis met drie heren gezongen. Nog in 1779 stichtten Johannes
en Maria van den Goedenhuysen een dagelijkse mis op de weekdagen, die aan dit
altaar gecelebreerd moest worden. In 1758 begon daar ook het maandelijkse lof
voor de overleden leden en weldoeners. Tijdens die plechtigheid werd een
katafalk opgesteld. Zeven platen met geschilderde doodshoofden verhoogden de
droevige sfeer. We mogen dit lof niet verwarren met het lof van de doodsstrijd,
dat velen nog gekend hebben. Dit kwam er pas na de sluiting van de St.-Janskerk
(1823).
105. Altaar van het H. Kruis
In 1767 kregen de kerkmeesters toestemming van het stadsbestuur om een
nieuw altaar te maken in het koor van het H. Kruis. Ook hierover vinden we geen
gegevens in de kerkrekeningen. Misschien droegen de Christusogen daartoe bij,
want de zuidelijke arm van de dwarsbeuk was ‘hun’ koor. Dit altaar werd
soberder uitgevoerd. Een halfverheven beeldwerk beeldt de kruisvinding af. De
H. Helena, de moeder van keizer Constantijn, reisde naar Jeruzalem om het kruis
van Christus terug te vinden. Bij opgravingen werden er drie kruisen
opgedolven. Welk was dat van Jezus? De plaatselijke bisschop Macarius liet ze
aanraken door een doodzieke vrouw. Bij het contact met het derde kruis genas
ze. Ook dit altaar werd op vaste tijden gebruikt. Elke woensdag en vrijdag las
de onderpastoor er mis. Hij droeg dan een rood kazuifel. Voor de feesten van
kruisvinding (3 mei) en kruisverheffing (14 september) was er een speciaal rood
gewaad gereserveerd. Elke vrijdag tijdens de vasten gebeurde er een plechtige
mis met assistentie. In die tijd hadden de zijaltaren werkelijk een functie.
Ook aan het St.-Jozefsaltaar en dat van het H. Sacrament moesten bepaalde
missen opgedragen worden volgens testamentaire beschikkingen.
106. Zijbeuken
Wie ergens iets vernieuwt, weet dat andere kosten zullen volgen. Toen
onze nieuwe altaren er stonden, staken sommige dingen te zeer af, bv. onze
zijbeuken en de vloer. Die beuken waren nog niet gewelfd. Men keek er nog
altijd op de balken, latten en planken van het leien dak. Deze schamelheid
vloekte met de barokke weelde van de altaren en de lambrisering. In 1764 werd
er dan ook besloten de panden te overwelven. Marcus Van de Plas, die in onze
kerk zijn proeven reeds had afgelegd, tekende het model. Meestermetselaar Jozef
Barthelemy voerde het uit en ontving 173 gulden als loon. Voor de ribben van
het gewelf kapte Baptist Paris witte arduin (315 gulden). Daartussen kwamen
bakstenen (51 gulden). We mogen blij zijn dat de overkluizing nog in gotische
trant gebeurde. Op dat ogenblik koos men elders, bv. in de begijnenkerk, voor
stucwerk in rococostijl.
107. Vloer
Toen viel onze kerkvloer weer uit de toon. Geen wonder, hij moest
telkens ergens opgebroken worden om mensen te begraven. Dus lag hij er
allesbehalve effen bij, met hier en daar een afgesleten zerksteen en daartussen
gebarsten plaveien. In 1775 bestelden onze kerkmeesters in Namen 1400 zwarte
marmeren stenen, kostprijs 588 gulden. Voor het vervoer werd maar eventjes 300
gulden aangerekend. Voor het koor werden in 1783 witte en zwarte plaveien uit
Antwerpen aangewend. Ook kwam er een arduinen trap aan de communiebank.
Gelukkig zou deze nieuwe vloer niet meer zo dikwijls geschonden worden, want
vanaf 1784 waren graven in de kerk verboden.
108. Een nieuwe ingang
Rond 1777 oordeelden onze kerkmeesters dat de ingang van de kerk wel
wat aanlokkelijker mocht zijn. Een blauwe arduinen poort zou een meer
eigentijds cachet geven aan dit gebouw in ouderwetse, gotische stijl. F.J.
Guyaux ontwierp het model. Hij had er geen idee van hoeveel de uitvoering zou
kosten en reisde speciaal naar Namen voor meer informatie. Een steenkapper uit
Sint-Truiden, Jozef, Henquet, nam het werk aan voor 294 gulden. De passende
kerkdeur leverde Johannes Bogaerts. Hem werd 16 gulden uitbetaald als loon. Er
ging voor 19 gulden eik in die deur en voor 43 gulden ijzerwerk. Dit laatste
bezorgde Antoon Pieck. Beeldsnijder F. Roucourt uit Brussel vervaardigde het Mariabeeld in de nis: een glimlachende Maria met een speels
kindje dat haar hoofddoek wil afrukken. Het is uitgevoerd in gebakken aarde.
Prijs: 21 gulden. Deze kunstenaar leverde ook verscheidene apostelbeelden voor
de St.-Sulpitiuskerk. Hij inspireerde zich daarbij meestal op werk van grote
meesters. Na die nieuwe poort moest het portaal aangepast worden. Jozef Guyaux
tekende het plan in 1782.
109. Herstel en verval
Het zal niemand verbazen dat onze kerk die tussen 1255 en 1288 gebouwd
werd, stilaan sleet begon te vertonen. Vooral de pilaren wezen zich als zwakke
plekken uit. Reeds in 1684 moest Thomas De Marez ze repareren. In 1754 scheurde
een kolom aan het koor. Ze werd met ijzer gebonden en geankerd door meestersmid
Peter Smedts, die voor zijn arbeid 28 gulden ontving. Jan Troost levende 536
pond ijzerwerk, waarvoor 50 gulden betaald werd. Ook moesten er enkele stenen
vervangen worden. Die kapte Michel Dieu. Jan Broche metselde ze voor 21 gulden.
Niettemin zou deze pijler het in 1830 begeven met alle gevolgen vandien. In bijdrage 22 hebben we reeds vermeld dat de resten van
onze oorspronkelijke toren in 1612 werden afgeslankt tot aan de nok van het
kerkschip. Dat stompje werd ooievaarsnest genoemd. Die naam berustte
vermoedelijk niet op louter fantasie. In 1782 werd dit laatste stuk afgebroken.
Daarboven kwam een nieuw dak en onze ‘toren’ kreeg het ons vertrouwde uitzicht.
Intussen werd onze zuidgevel bouwvallig. Op 10 augustus 1793 leende Johan Jozef
Troosters renteloos 1000 gulden voor de herstelling. Let op de datum! Onze
mensen waren wel zeer optimistisch. Van 22 november 1792 tot 19 maart 1793 had
onze stad immers reeds kennisgemaakt met de Franse republiek en haar houding
tegenover de godsdienst.
110. Uur en tijd
Onze voorouders waren geen slaaf van de tijd. Het duurde overigens tot
vorige eeuw, eer ieder huis zijn uurwerk bezat. Het luiden van de klok ’s
morgens, ’s middags en ’s avonds gaf de mensen een zeker houvast voor hun
dagindeling. Voor precieze afspraken lieten ze zich leiden door de slag van het
torenuurwerk. Voor de gemeenschap was een torenklok dus onmisbaar. Bij de
verwoesting van onze kerk in 1580 hadden de kerkmeesters dit kostbare bezit dan
ook in veiligheid gebracht in het Liefkintsgodshuis (zie nr. 22). Over die instelling zullen we later
handelen. Zo gauw ons torenstompje in 1613 weer in voldoende staat verkeerde,
reinigde en herstelde Peter Coymans het raderwerk. Toen kon het uurwerk opnieuw
in de toren. Het ijzerwerk werd zorgvuldig afgeschermd door een kast, die een
zekere Philips eromheen timmerde. Welke waarde onze mensen aan de inhoud
hechtten, blijkt uit de naam ‘schrijn’ waarmee de nieuw bewerkte kast uit 1663
in de registers staat opgetekend.
111. Een nieuw uurwerk
De aandrijving van het torenuurwerk gebeurde door een zwaar gewicht,
dat de koster na verloop van tijd telkens weer moest opwinden. Hij moest er ook
voor zorgen dat de klok min of meer juist liep. Hij kon ze richten naar het uur
van St.-Sulpitius of naar een zonnewijzer. Kon men het uur reeds aan een
wijzerplaat aflezen? Zo ja, dan stond deze zeker niet in het roosvenster dat we
nu kennen, want dat dateert pas uit de 19de eeuw. Rond 1760 moest
ons eeuwenoud uurwerk vervangen worden. Tot nu van het algemeen keurde de stad
in 1764 een bijdrage van 10 pistolen goed, uit te keren zodra het af was. Ook
werd er geld in de stad ingezameld. In 1765 kwam C. Lion uit Leuven om het werk
te bespreken. Uiteindelijk werd het horloge aan Jozef Henderickx uit Mechelen
aanbesteed, die het vóór 24 juni 1765 in de toren moest plaatsen. Hij zou
daarvoor in twee afbetalingen 200 gulden en 180 gulden ontvangen. Maar we
moesten tot 1768 op de levering wachten. In 1783 werd de plaats waar het
gewicht van de klok neerkwam, afgeschut, wat een nauwkeuriger werking
garandeerde.
112. Comfort
Eeuwenlang bood de Lievevrouwkerk weinig comfort aan de kerkgangers. De
meesten volgden staande de lange diensten, want officieel waren er geen
zitplaatsen of kniebanken voorzien. De oude kerkrekeningen spreken dus niet van
inkomsten door stoelengeld of van een vergoeding voor de stoelenzetster. Ook
het kostersreglement gewaagt niet van het ordenen van zitmeubelen. Wellicht
brachten sommigen een stoel of en knielkussen mee. In de 14de eeuw
had het stadsbestuur dit nog strikt verboden. Dan hadden de kerkmeesters het
wel gemakkelijker. We weten niet hoe de toestand vóór de verwoesting van 1580
was, maar voor hen had Adriaan van Pantegem reeds in 1626 achteraan een
gestoelte vervaardigd tegelijk met het nieuwe kerkportaal. Daar troonden ze in
hun zwarte laken mantel, vóór en na de rondgang met het kwakkelberd, zoals het collectebakje
toen heette. Niemand kon zo maar op hun plaats glippen, want de zijdeurtjes van
hun gestoelte waren op slot.
113. Stoelen en banken
Er waren nog meer gestoelten voorhanden: in het hoge koor, vóór het
H.-Kruisaltaar voor de Christusogen. Wie gedurende de dag even de kerk bezocht,
knielde neer op een bank aan het wijwatervat of hier en daar aan een beeld in
de zijbeuken. Enkele van die knielbanken uit de 18de eeuw zijn nog
bewaard. Voor de aanschuivende biechtelingen verwaardigde Laureys van Maldeghem
twee banken in het H.-Kruiskoor (1688). Het best verzorgd waren aanvankelijk
nog de schoolkinderen die dagelijks de mis en het lof bijwoonden en de
catechismusleerlingen. Zij namen plaats in de catechismusbanken. Maar naar het
einde van de 18de eeuw kreeg iedereen meer comfort. Toen in november
1797 gemeentelijke ambtenaren de inventaris van de kerk kwamen opnemen, telden
ze reeds 53 zit- en knielbanken.
114. Verwarming
Onze voorouders waren beter gehard tegen de kou. Thuis verwarmde het
haardvuur in de wijde open schouw de vertrekken maar matig. Pas rond 1750
kwamen er kachels bij de rijken. Daarom maakten de mensen veel gebruik van
voetverwarmers, kastjes met gaten in het bovenstuk, waarin een ijzeren of
stenen pot met brandende houtskool geschoven kon worden. In de kerk kon
natuurlijk geen haard gestookt worden. Dus boden dergelijke voetstoven een
oplossing. Wie het zich kon veroorloven, nam zo zijn verwarming mee naar de
kerk. Wegens brandgevaar op straat was ons stadsbestuur in de 14de
eeuw daar streng tegen opgetreden. Het had verbonden banken en voetstoven in de
kerk te plaatsen. Die voorwerpen werden aangeslagen. We veronderstellen dat
deze maatregel later werd ingetrokken, vermits Gielis Fabri in 1681 een nieuw
‘cassoor’ aan de kerk leverde. Vanaf 1759 koopt het kerkbestuur geregeld zakken
boskolen. In 1791 is er sprake van een kolenhok. We mogen aannemen dat deze
houtskool bestemd was voor de komfoortjes van de kerkmeesters en de pastoor.
Als die urenlang in de biechtstoel zat, kwam zo’n voetverwarmer goed van pas.
Ook aan het altaar verwarmden de priesters hun verkleumde handen aan dergelijke
warmtebron.
115. Vuur en licht
In 1870 wordt er steenkool gekocht voor de verwarming van de sacristie.
De gewone gelovigen zaten in de Diestse kerken nog lang in de kou. Pas in 1922
werden er in de Lievevrouwkerk twee kachels geplaatst. De geldmiddelen en de
Eerste Wereldoorlog maakten het niet eerder mogelijk. Met deze uitweiding
hebben we een grote sprong in de geschiedenis gemaakt. We keren nu terug naar
de jaren 1600-1700. Ook wat de verlichting betreft, waren onze voorouders
weinig verwend, noch thuis, noch op straat, noch in de kerk. Maar bij sommige
begrafenissen werd er niet op het dure licht gezien. Van die overvloed
profiteerden de kerken en andere instellingen voor hun dagelijkse verlichting.
Want die dikke waskaarsen waren na de plechtigheid ver van opgebrand. Het
keurboek van de stad Diest bepaalde in de 15de eeuw hoe de restanten
verdeeld moesten worden. Brandden er vier kaarsen bij een uitvaart, dan kregen
de eigen kerk, het gasthuis, de minderbroeders en de straat van de overledene
(voor de wegverlichting) er elk één. Brandden er zes kaarsen in St.-Sulpitius,
dan deelde ook de Lievevrouwkerk mee en omgekeerd. Als de familieleden er
anders wilden over beschikken, moesten ze de officiële rechthebbenden
vergoeden.
116. Verlichting
Anno 1614, in volle herstelperiode, bestelde de Lievevrouwkerk een
grote ijzeren kandelaar met twee kronen en ook nog eens twee voetstukken om
koperen kandelaars op te zetten. Daarmee moesten de gelovigen het toen stellen.
Avonddiensten kwamen overigens niet voor en om in de donkere vroegmissen zijn
paternoster te bidden, was dat klaar genoeg. Gebeden lezen uit een kerkboek
konden de meesten toch niet, gesteld dat ze zulke kostbaarheden bezaten. Aan de
altaren hielpen koperen armen en kandelaars de mislezer de grote druk van het
missaal te ontcijferen. Voor het Allerheiligste waakte een koperen lamp, gevoed
door raapolie. Vier kandelaars verlichtten de zangers in het koorgestoelte. In
de 18de eeuw, toen de kerk wat meer welstand genoot, verschenen er
meer lampen en een koperen kroonluchter in het schip. In de zijbeuken werden
toen koperen armen aangebracht onder de averechtse kruisweg.
Pas halverwege de 19de eeuw brachten petroleumlampen een
verbetering. Op gaslicht en elektriciteit moest Diest tot in de 20ste
eeuw wachten.
117. Tafels van de H. Geest
Tot nu toe hebben we hoofdzakelijk geschreven over aankopen en
verbouwingen aan de Lievevrouwkerk. Maar men mag van christenen vooral
verwachten dat ze oog hadden voor de medemens, vooral de arme, de behoeftige
bejaarde en het weeskind. Vanaf de Middeleeuwen lenigden de H.-Geesttafels,
instellingen voor kerkelijke armenzorg, de voornaamste noden. In het begin had
iedere kerk haar eigen armentafel voor de eigen parochianen. Niet-Diestenaars
bleven van de verdeling verstoken. Uit de jaren 1400 zijn vele testamenten
bewaard, die de armen van de O.-L.-Vrouwparochie bedachten. Soms enkel om brood
uit te delen bij een begrafenis, dan weer voor een jaarlijkse uitreiking. Zo
zorgde Margriet van Corpt in 1458 ervoor dat ieder jaar op Witte Donderdag
brood bedeeld werd in de kerk. Met de jaren groeide het aantal van deze
stichtingen.
118. Uitdelingen in de kerk
Rond 1500 verdeelde de H.-Geesttafel in de Lievevrouwparochie met
Allerheiligen een mud rogge in gebakken brood. Een mud was ruim 100 liter. Op 8
december werd anderhalve mud uitgedeeld. Vijftien dagen vóór Kerstmis werd er
voor 3 Rijnsgulden brood gebakken. Op het feest zelf één mud. Met Nieuwjaar
ontving elke arme een wittebrood van een vierde stuiver en op Driekoningen voor
een halve stuiver. Met Lichtmis en Maria-Boodschap werd er weer 150 liter rogge
verbakken. Halfvasten werd gevierd met een mud rogge. Maar vooral in de Goede
Week was het feest voor de armen. Met Palmzondag kregen ze een wit broodje, op
Goede Vrijdag zowel roggebrood als wit brood. Voor Pasen kregen ze het baksel
uit één mud rogge. Hier breekt het lijstje af. We weten dus niet wat de armen
tijdens de rest van het jaar ontvingen. Misschien hadden de erflaters
geoordeeld dat met de betere jaargetijden het hoogste leed geleden was en de
mensen dan wel aan de kost konden komen.
119. Armenzorg
Toen Diest aangroeide, ontstonden er misbruiken. Sommigen probeerden in
meerdere parochies van de uitdelingen te profiteren of verhuisden naar een meer
goedgeefse. In 1531 reageerde keizer Karel V tegen deze misstanden door zijn
armenwet. Hierdoor centraliseerde hij plaatselijk de hele armenzorg. Zo smolten
alle H.-Geesttafels van Diest samen. De uitdeling gebeurde nog in de parochies,
maar na een nauwkeurig onderzoek. In elke kerk kwamen er offerblokken en
inzamelingen voor de noodlijdenden. De opbrengst werd in de centrale kas
gestort. Die deelde verder nog schoenen, klompen, stof, haring uit, zelden een
klein weekgeld. We mogen veronderstellen dat de armen van de Lievevrouwparochie
zoals de behoeftigen van de St.-Jansparochie, ook wekelijks één brood en drie
potten bier ontvingen. Dit laatste was geen luxe, want water was dikwijls
besmet. De steun kon oplopen tot dagelijks één pot bier en 5 broden per week.
120. Latere schenkingen
Ook nadat de armenzorg reeds gecentraliseerd was, bepaalden sommige
testamenten dat de uitdeling in de Lievevrouwkerk moest gebeuren. Meestal
stipuleerden die dat er mikken uitgereikt zouden worden bij de begrafenis of
een broodje aan armen die het jaargetijde bijwoonden. Met Allerheiligen,
Kerstmis, Pasen en Pinksteren werden als gevolg van een stichting 5 halsters (ongeveer
150 liter) koren verbakken en uitgedeeld. Jaarlijks, later om de twee jaar,
deelden de kerkmeesters ook stof uit: tieretein (half wollen half garen
weefsel), karsije (grof laken) en flanel. Ze kochten die bij rollen aan en
versneden ze tot stukken. Aldegonda Peeters had in 1684 daarvoor een stuk grond
nagelaten en haar zuster Elisabeth vermaakte voor ditzelfde doel 600 gulden. De
lappen werden uitgereikt rond Kerstmis op hun jaargetijde, dat de volksmond
daarom de lappenmis noemde. De pastoor moest deze bedeling een week tevoren op
de kansel aankondigen, zodat de armen die ervan wilden genieten, de jaarmis
konden bijwonen.
121. Bejaardenzorg. Het Liefkints-godshuis
Noodlijdende bejaarden vonden onderdak in een godshuis. We behandelen
hier alleen de liefdadige gestichten op de O.-L.-Vrouwparochie. Het
Liefkints-godshuis (1306) droeg de naam van zijn stichter, Hendrik Liefkint.
Het werd bestuurd door de kerkmeesters van de parochie en heette daarom ook het
kerkengasthuis van O.-L.-Vrouw. Het lag in het Palmboomstraatje. De
uitgestrekte tuin grensde aan de Verversgracht in de M. Theysstraat. Een trap
daalde er naar het water. Tegen een vergoeding mochten de mensen daar hun
linnen komen spoelen en in de tuin laten bleken. De bewoners van het gesticht, vier
bejaarde vrouwen in 1792, ontvingen ieder wekelijks 5 stuivers en 2 oorden.
Bijna genoeg voor elke dag een brood. Met Kerstmis, Pasen, Pinksteren en
Allerheiligen kregen ze 5 stuivers extra. Ook met kermis en vastenavond genoten
ze deze traktatie. Per persoon werden 100 mutsaards en 2 zakken houtskool
uitgereikt voor de verwarming en 2 potten smout voor de verlichting. Als er een
bewoonster stierf, erfde het godshuis haar meubeltjes. Maar de hoofdinkomsten
leverden het pachtgeld van weiden en hopgaarden in de Bruid- en Kruisstraat,
alsmede de jaarlijkse verkoop van hooi.
122. Het Palmboomgodshuis
Lambert Van den Dijck en Beatrix Nerincx stichtten het in 1468. Het lag
eerst op de Lange Steenweg, maar reeds in 1476 verhuisde het naar de Paddenpoel
in de Grauwzustersstraat tegenover St.-Annendaal. Het herbergde zes
begunstigden, zowel mannen als vrouwen. De voorwaarden om opgenomen te worden:
boven de veertig zijn, gebrekkelijk, onbekwaam om de kost te winnen, binnen
Diest wonen en zonder kwade ziekten en manieren zijn. Hun zaterdagse toelage
bedroeg 6 stuivers (1733). Naast de vier hoogdagen, kermis en vastenavond viel
er voor hen nog een extraatje af met halfvasten en Witte Donderdag. Op Lichtmis
ontvingen ze een waskaars en in de vasten een halster erwten (ca. 30 liter) en
een kan smout. Naast de gebruikelijke inkomsten uit pachtgeld trok het godshuis
ook de visserijrechten op de Demer tussen Zichem en Diest.
123. Andere bejaardentehuizen
In de Begijnenstraat lag het Kympen-godshuis. Een parochiaan uit de Bruidstraat,
Hendrik Kympen, stichtte het in 1419. Het bood een onderkomen aan zes oudjes,
zowel mannen als vrouwen. De stichting werd beheerd door de proosten van de
kapittels in St.-Jan en St.-Sulpitius. Nog in de Begijnenstraat had kanunnik
Jan Halbiers zijn huis nagelaten ten behoeve van enkele arme bejaarden (1554).
In de Schaffensestraat vond men het Boomgodshuis (1467) op de plaats van het
intussen verdwenen Volkshuis. Het dankte zijn naam aan Godfried van den Boom.
Twee behoeftige vrouwen genoten er onderdak. Al deze bejaardentehuizen stonden
na de hervorming van keizer Karel open voor rechthebbenden uit heel Diest. Zo
konden parochianen van de O.-L.-Vrouwparochie dus ook terecht buiten het
grondgebied van die parochie, bv. in het Blerengodshuis bij de St.-Annakapel,
het Schollengodshuis in de Beverstraat (nu Hasselstsestraat) en in het
Stevensgodshuis op het St.-Jansveld. Maar die vallen buiten het bestek van deze
parochiekroniek.
124. Weeshuis
De H.-Geesttafel bekommerde zich ook om het lot van wezen en
vondelingen. In het begin werden ze uitbesteed bij pleegouders, aan wie de
armenmeester een jaarlijkse vergoeding uitkeerde. Toen het aantal weeskinderen
rond 1660-1670 sterk was toegenomen, stonden er echter niet meer voldoende
pleeggezinnen ter beschikking. Het stadsbestuur zocht dan naar een andere
oplossing, zoals die reeds in Leuven en Brussel bestond: een weeshuis
oprichten. In 1682 kocht men daartoe een huis in de Overstraat. Het lag op de
plaats van de huidige middenschool en ressorteerde dus enigszins onder de
O.-L.-Vrouwparochie. Uit bijdrage 50 weten we dat de
vroede gemeentevaderen oordeelden dat de onderpastoor van de kerk zijn taak
daar en het bestuur van de instelling best kon combineren. Maar niemand kan twee
heren dienen, zodat er na deze mislukte poging een aparte priester-rector werd
benoemd. Voortaan mochten de kinderen tot 20 jaar in het weeshuis verblijven,
hoewel uitbestedingen ook nog voorkwamen.
125. Verzorging van de wezen
Op materieel vlak hadden de wezen het niet zo slecht. De kost was vrij
goed. Driemaal in de wek kwam er vlees op tafel: zondags, dinsdags en
donderdags. De vrijdag was toen een onthoudingsdag en ook de woensdag was
tijdens de vasten vleesloos. Soms werd er dan haring of stokvis opgediend. In
de eigen boerderij werden varkens vetgemest. Ter afwisseling kochten ze
rundvlees, kalfvlees of schapenvlees. De boterhammen werden met boter gesmeerd.
Bij feestelijke gelegenheden aten ze wittebrood en mastellen (platte koeken met
anijs). We denken niet dat de levensstandaard van de gewone man in 1783 hoger
lag. Honderd jaar later zouden vele gezinnen in onze stad dit peil niet
bereiken. Zesmaal per jaar, op Driekoningen, verloren maandag, vastenavond,
O.-L.-Vrouw-kermis (julikermis), St.-Denijs en met Onnozele-Kinderendag kreeg
het weeshuis een halve ton zesguldenbier. Voor de rest van het jaar waren er
nog elf tonnen van dat brouwsel beschikbaar. Met Kerstmis feestten ze met een
ton extra achtguldenbier. Met Onnozele-Kinderendag werden de vier jongste wezen
door het stadsbestuur speciaal getrakteerd.
126. Het leven van een wees
De dag van een wees was door een vast reglement geregeld. Ze droegen
verplicht een bruin uniform met blauwe of zwarte kraag. Op zon- en feestdagen
zag men ze in rij naar de O.-L.-Vrouwkerk stappen voor de mis van 7 uur. Ze
volgden die tot na het sermoen en gingen dan ontbijten in het tehuis. Ze
keerden terug naar de kerk voor de hoogmis en ’s namiddags voor de catechismus,
de vespers en het lof. Bij grote begrafenissen vergezelden ze de lijkstoet met
flambouwen. Daarvoor kregen ze een oordje als zakgeld. Waren er niet genoeg
wezen beschikbaar, dan deed de rector een beroep op andere kinderen. In de week
leerden de grote jongens een vak bij een ambachtsman in de stad, meestal bij
een schoen- of kleermaker. De vergoeding die ze daarbij verdienden, moesten ze
aan de rector overmaken. Die diende voor hun uitzet, als ze de inrichting
verlieten wanneer ze twintig waren. Wie zulk een leercontract in de stad had,
moest om 11 uur naar huis keren en er leren en schrijven tot aan het
middagmaal. Daardoor waren wezen in 1783 beter geletterd dan vele volkskinderen
een eeuw later.
127. Eeuwigdurende aanbidding
Bij ons is deze godsdienstoefening beter bekend als gedurige
aanbidding. Vroeger werd op een bepaalde datum het H. Sacrament ononderbroken
aanbeden, doordat mensen elkaar onafgebroken de hele dag opvolgden in gebed.
Deze devotie was in Frankrijk reeds populair sinds de 16de eeuw.
Paus Clemens XI moedigde dit gebruik aan door zijn Instructio Clementina.
Rond 1769 ijverde de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal Franckenberg, ervoor
dat alle parochies zulk een biddag zouden organiseren. Datzelfde jaar koos
iedere kerk van Diest een datum in afspraak met elkaar en met het stadsbestuur.
In de O.-L.-Vrouwkerk werd waarschijnlijk 5 augustus genomen, de dag waarop
oudere Diestenaars de aanbidding nog beleefd hebben. Wie toetrad tot de
broederschap van de gedurige aanbidding, kreeg dan een uur toegewezen om het
uitgestelde H. Sacrament gezelschap te houden. Het ideaal zou geweest zijn dat
deze aanbidding ook ’s nachts werd voortgezet. Over de praktische uitwerking in
de Lievevrouwkerk toen zijn we echter niet ingelicht. Over de regeling in de 19de
eeuw zullen we nog berichten.
128. Reorganisatie van de parochie
De wijk rond St.-Jan de Doper kende niet de aangroei die men bij de
stichting verwacht had. In de St.-Janskerk was er soms geen enkel doopsel,
huwelijk of begrafenis in een heel jaar. Daarom wilden de bisschop en de abt
van Tongerlo deze parochie in 1784 verenigen met de O.-L.-Vrouwparochie. Maar
het kapittel, de pastoor en de mensen verweerden zich. Na het decreet van
keizer Jozef II van 29 mei 1786 kon een reorganisatie evenwel niet meer
tegengehouden worden. De keizer wilde overal de uitgestrekte en overbevolkte
parochies herschikken, zodat de priesters het welzijn van de gelovigen beter
konden behartigen. In het kleine Diest was dit nooit een probleem geweest. Toch
maakte landmeter Albert Neulemans een plan op voor een nieuwe verdeling. Bij de
regeling van 15 september 1786 bleven de grenzen van de Lievevrouwparochie en
het Begijnhof ongewijzigd. Het gebied van de St.-Sulpitiusparochie zou echter
verkleind worden door de kapellen van de minderbroeders (thans verdwenen) en
augustijnen (nu kruisheren) als parochiekerk in te schakelen. De St.-Annakapel
(hoek Hasseltse- en St.-Annastraat) zou de rol van de bouwvallige St.-Jan
overnemen. Maar door de Brabantse Omwenteling (1789) en de Franse inval kwam
daar niets van in huis.
129. Hervorming van Jozef II
Keizer Jozef II regeerde van 1780 tot 1790. Hij wilde onze gewesten een
modern, doelmatig bestuur en rechtspraak geven. Ook de werking van de Kerk
ontsnapte niet aan zijn bemoeienis. Zijn ordonnantie van 17 maart 1783 schafte
bepaalde kloosters af die niet bedrijvig waren in de zielzorg, het onderwijs of
de verpleging. Hun inkomsten zouden besteed worden om het aantal parochies te
vermeerderen. In Diest werd geen enkel klooster door deze maatregel getroffen.
We weten reeds dat hij in 1784 verbood nog in kerken en kapellen te begraven.
Kerkhoven in het midden van de stad, zoals dat van St.-Sulpitius, werden
gesloten. Op 26 september 1785 verordende hij dat alle ordonnanties en edicten
’s zondags in de kerk voorgelezen moesten worden. Daarna zou het plakkaat nog
14 dagen in het portaal blijven hangen. Overal werd er geklaagd dat de diensten
nu te lang duurden. Daarom liet de keizer op 17 december 1787 weten dat dit
voorschrift slechts voor zeer speciale ordonnanties gold.
130. Nog meer verordeningen
Op 11 februari 1786 luidde het bevel: alle kermissen vallen voortaan op
dezelfde dag: de 2de zondag na Pasen. Kermis, eigenlijk het
herdenken van de kerkwijding, betekende voor de keizer geld en voedsel
verspillen, met als nasleep een hoopvechtpartijen. Pastoors die hiervan
afweken, kregen 570 gulden boete op de hals. We hebben niet kunnen achterhalen
of Diest zich aan die bepaling stoorde. Op 8 april 1786 werden alle
broederschappen afgeschaft. Er moest een inventaris van hun bezittingen
opgemaakt worden. Die zouden te beurt vallen aan de nieuwe Confrerie van de
werkende naastenliefde. In onze kerk werden de broederschap van O.-L.-Vrouw van
7 Weeën en die van St.-Jozef door deze maatregel getroffen. Op 10 mei 1786 werd
er afgekondigd: buiten de gewone kruisdagen (bidtocht door de velden om voor
schade aan de veldvruchten gespaard te blijven) mogen er maar twee processies
zijn: één op Sacramentsdag, de tweede op een andere feestdag. Beelden, muziek
en gekostumeerde groepen werden daaruit geweerd. Ook groepsbedevaarten werden
verboden. Desondanks bleef de processie van de H. Rozenkrans als die jaren
doorgaan in de St.-Sulpitiusparochie. Misschien gebeurde ze dan binnen het
kerkgebouw. Zo kon onze maandelijkse omgang langs de kapelletjes binnen de kerk
geschieden, wat vroeger al het geval was bij slecht weer. Wel werd de algemene
bedevaart van de stad Diest naar Scherpenheuvel in september een paar jaar
geschorst, maar hervat na de dood van de keizer in 1790.
131. Te veel is te veel
Er veranderde dus heel wat in de Kerk! De geplande reorganisatie van de
parochies in Diest hebben we in bijdrage 128 behandeld. Uit bekommernis om de
zielzorg wilde de keizer ook een betere opleiding aan de clerus bezorgen.
Daarom verving hij in 1786 de bisschoppelijke seminaries door één enkel
Seminarie-Generaal in Leuven. Dit lokte hevig verzet uit in de kerkelijke
milieus. En dan hebben we nog niet over zijn nieuwe huwelijkswetgeving
gesproken (28 september 1784). Hierdoor behield de Kerk alleen nog maar
zeggenschap over het sacramentele aspect van het huwelijk. Als contract zou het
voortaan volledig onder de burgerlijke wetgeving vallen. De grondige hervorming
van de administratie en het gerecht vallen buiten het raam van deze
parochiekroniek. Die maatregelen veroorzaakten nog meer ongenoegen. We stippen
hier alleen feiten aan die de Lievevrouwparochie raken. Op 8 juni 1787 werd te
Diest een vrijwilligerskorps opgericht om de orde te handhaven, desnoods zelfs
tegen de Oostenrijkers. De toenmalige pastoor, Lucas Thiden, en onderpastoor
Paulus Wijnants tekenden voor 3 gulden en 3 stuivers in om de patriotten, zoals
die vrijwilligers heetten, uniformen te bezorgen. Op bevel van hogerhand werd
deze eenheid einde september van dat jaar ontbonden. De keizer had er geen goed
oog in.
132. De Brabantse Omwenteling
Na de ontbinding van de patriottenkorpsen weken vele tegenstanders van
de keizer uit naar het buitenland: het prinsbisdom Luik of Nederland. Daar
vormde generaal Van der Meersch een leger dat op een gunstige gelegenheid
wachtte om ons land binnen te vallen. In Diest ontstond toen het gebruik dat
mensen in groepjes samenkwamen om de rozenkrans te bidden voor de uitgeweken
jeugd en voor het heil van het vaderland. Deze goede gewoonte zal hun in de
komende tijden nog te pas komen, zoals we zullen zien. Op 24 november 1789
veroverde het legertje patriotten Diest. Aan Van der Meersch, die hier een
tijdje zijn hoofdkwartier vestigde, bood de stad een diner aan. In januari 1790
werd de Republiek der Verenigde Nederlandse Staten uitgeroepen. In Diest werd
de staak der vrijheid geplant. Zulk een versierde paal zag men in onze streken
anders maar met kermis, vastenavond en de paardenjaarmarkt. Intussen was de
toestand echter niet zo rooskleurig, want in het zuiden groeide de Oostenrijkse
tegenstand.
133. Kanonnen voor het vaderland
Onze stad liet in september 1790 zes kanonnen kopen voor de jonge
staat. De schuttersgilden, rederijkers, ambachten, kapittels van St.-Jan en
St.-Sulpitius, het begijnhof, de kloosters schonken daarvoor een bijdrage. Maar
de minderbroeders en de pastoor van O.-L.-Vrouw onthielden zich. Vanwege de
arme volgelingen van St.-Franciscus is dit begrijpelijk. Maar waarom bleef de
pastoor afzijdig? Misschien liet zijn mager inkomen het ook niet toe. Misschien
moeten we de verklaring zoeken in een rapport dat de deken vroeger over hem
gemaakt had: Lucas Thiden was een ijverig, beminnelijk en vredestichtend man.
De Diestenaren waren zo al genoeg verdeeld in keizersgezinden en patriotten, in
behoudsgezinden en vooruitstrevenden. De Diestse artillerie, de uitgedeelde
geweren en sabels, de vrijwilligers konden niet meer baten. Nog werden in onze
kerk in oktober negen missen voor het vaderland gelezen en ook een voor de
gesneuvelde patriotten. Maar eind november 1790 was Diest opnieuw in
Oostenrijkse handen. De wapens moesten ingeleverd, de vaderlandse kokardes
afgelegd worden. De staak der vrijheid werd uitgedaan. Aan de voorgevel van het
stadhuis hing weer een schild met de Oostenrijkse arend.
134. Het jaar 1792
Op 6 november 1792 versloeg de Franse generaal Dumouriez de
Oostenrijkers te Jemappes en de 22ste arriveerden de Fransen in
Diest. Drie dagen later werd de staak der vrijheid weer geplant. Dit keer zag
hij er anders uit. Op de top stak een kegelvormige muts, de Frygische muts, het
hoofddeksel dat de Romeinse slaven bij hun vrijlating ontvingen. Het was de
symbolische verklaring dat de mensen niet langer onderworpen waren aan de oude
heren. Volgens de proclamatie van de generaal kwamen de Fransen als bondgenoten
en broeders. België zou een gematigde republiek worden met eigen gekozen
vertegenwoordigers. De Oostenrijkse arend werd verwijderd. Op 28 november
kondigden onze bijeengeroepen schutterskorpsen, rederijkerskamers en
ambachtsgilden af dat ze zich hielden aan de oude wetten van het hertogdom
Brabant en aan de katholieke godsdienst. Als hun wettige vertegenwoordigers
erkenden ze de vroegere afgevaardigden. Alle kloostergemeenschappen van Diest
sloten zich bij deze verklaring aan. Weldra zag Parijs in dat een onafhankelijke
Belgische republiek niet mogelijk was. Alles zou op de Franse leest geschoeid
moeten worden. Maar voorlopig kregen ze daartoe geen gelegenheid.
135. De Oostenrijkers komen terug
Van de Franse plannen kwam nog niets in huis, want op 18 maart 1793
wonnen de Oostenrijkers de slag van Neerwinden en twee dagen later namen ze de
vesting Diest in. Dat kostte hun niet geringe verliezen. Zoals het vaak
gebeurt, koelden de overwinnaars hun woede op de burgers en op de
krijgsgevangenen. Maar in de Lievevrouwparochie vielen daarbij geen
slachtoffers. De terugkeer van de Oostenrijkers bracht geen orde en veiligheid
in de stad. De parochiekerk kon daarvan meespreken. Op 8 april dat jaar werd er
’s nachts ingebroken. De daders drongen binnen door een venster op het koor. Ze
stoorden zich daarbij weinig aan de buren en forceerden de deur van de
sacristie. Daar haalden ze alles overhoop. Wat ze meenamen wordt in het verslag
niet vermeld. Men wist toen nog niet dat door de kortstondige terugkeer van de
oude meesters de kerk aan veel erger onheil ontsnapte, nl. aan de brutale
maatregelen die toen in Frankrijk tegen de godsdienst woedden. Maar het was
slechts een kort uitstel van executie. Door hun overwinning bij Fleurus (26
juni 1794) werden de Fransen weer de baas. Op 24 juli waren ze weer in Diest.
136. Wat ons te wachten stond
In Frankrijk hadden de geestelijken afstand gedaan van hun voorrechten
zoals de tienden. Voortaan zou de staat voorzien in de priesterwedde, de
armenzorg en het onderhoud van de kerken. Om de staatskas te spijzigen werden
alle kerkelijke goederen onteigend en kloosters en kapittels afgeschaft. Zoals
alle ambtenaren moesten de priesters de eed van trouw aan de grondwet afleggen.
Op weigering volgde ontslag. Ongeveer de helft had die eed gezworen om hun
parochianen niet in de steek te laten. Dat alles was reeds gebeurd vóór de
eerste Franse inval. Terwijl ons land eventjes in Oostenrijkse handen
terugkeerde, verergerde de situatie in Frankrijk. Als gevolg van de oorlogen
met het buitenland oefende het regime een schrikbewind uit tegen de
binnenlandse vijanden van de revolutie. Koning Lodewijk XVI werd onthoofd.
Eedweigeraars werden vervolgd. Maar ook het katholicisme in zijn geheel werd
gewantrouwd en verdacht gemaakt. Frankrijk werd systematisch ontkerstend. Een
nieuwe kalender, een bureau van burgerlijke stand en de sluiting van vele
kerken pasten in dit plan.
137. Oorlogsheffing
Bij hun tweede inval behandelden de Fransen ons land niet meer als
bevriend gebied, maar als een wingewest dat zoveel mogelijk uitgeperst moest
worden. Op 6 oktober 1794 kreeg Diest voor zijn deel 150.000 Franse pond
brandschatting opgelegd. Dat bedrag werd op de edellieden, rijken en
geestelijken verhaald. Om de uitvoering af te dwingen werden aanstonds
gijzelaars genomen. De pastoor van het begijnhof, een pater
van de begaarden, de overste van de cellenbroeders, enkele voorname ingezetenen
werden naar Frankrijk weggevoerd, totdat eenderde van de som was gestort. Om zo
vlug mogelijk 54.600 pond bijeen te krijgen, werden de kloosters, de
geestelijken en enkele notabelen aangeschreven. Sinds mei was Siardus Van Hout
pastoor van de O.-L.-Vrouwparochie. Hij kreeg 500 pond voor zijn rekening.
Omgerekend in onze oude vertrouwde munt was dat 272 gulden. Nog een
vergelijkingspunt: in Leuven ontvingen werkwilligen 2 pond dagloon in Frans
papiergeld (assignaten). Dat verminderde echter snel in waarde. Daarom moest de
belasting in sterke, klinkende munt betaald worden. Verscheidene Diestenaars
vonden dat ze hoog waren aangeslagen, maar hun verzoek tot vermindering werd
afgewezen. De bijdrage van pastoor Van Hout werd echter op 300 pond gebracht,
waarvan hij er 210 betaalde.
138. Langzaam maar zeker
Reeds in februari 1793 hadden verscheidene steden, waaronder Diest, in
een volksraadpleging hun verlangen uitgedrukt met Frankrijk verenigd te worden.
Maar de terugkeer van de Oostenrijkers had de uitvoering doorkruist. Toen de
Fransen ons land opnieuw veroverd hadden, maakten ze echter geen haast van de
aanhechting. Een bezet gebied konden ze immers met een geruster gemoed
uitzuigen dan een streek met nieuwe landgenoten. Om aan die druk te ontsnappen
vroegen steeds meer stadsbesturen de vereniging met Frankrijk aan. Op 1 oktober
1795 werd de annexatie goedgekeurd. Na vele nederlagen tekende Oostenrijk zelf
op 17 oktober 1797 de definitieve afstand van de Zuidelijke Nederlanden. Toch
werden onze streken nog niet volledig gelijkgesteld met Frankrijk. Alle Franse
wetten werden hier nog niet toegepast. Pas in december 1796 golden de nieuw
uitgevaardigde wetten ook bij ons. De vroegere besluiten werd nog niet
toegepast. Slechts in januari 1797 werd een selectie daarvan gepubliceerd, die
hier van kracht zou worden. We behandelen in deze kroniek alleen de
veranderingen die het godsdienstige leven raakten. Om de bevolking rustig te
houden werd de godsdienst voorlopig gespaard. De veranderingen gebeurden zeer
geleidelijk.
139. Alles gaat voort
In 1795 moesten de tienden nog betaald worden aan de tiendheffers, maar
wel tot profijt van de republiek. Daarna werden ze afgeschaft als
overblijfselen van het gehate leenstelsel. In de Lievevrouwkerk gingen de
diensten intussen gewoon door. Ondanks de nieuwe kalender – zie
later – lazen de minderbroeders de elfuurmis op de geboden feestdagen in de
week tot in 1797. Tot datzelfde jaar ontvingen de augustijnen hun 24 stuivers
om de jaarlijkse passie te preken. Tot dan betaalden het gemeentebestuur en de
H.-Geesttafel de gestichte missen en jaargetijden getrouw uit, zoals de
pastorie haar renten aan de armentafel kweet. De klokken luidden als
gewoonlijk. Toen in 1795 de jaarlijkse bedevaart van Schaffen naar
Scherpenheuvel uittrok, galmden de klokken van de Lievevrouwkerk en de
Allerheiligenkapel op haar doortocht. Nog op 6 juni 1797 benoemde het
stadsbestuur kerkmeesters van St.-Sulpitius en O.-L.-Vrouw. Al werden de
godsdienstoefeningen toegelaten, de republiek verloor haar doelstellingen niet
uit het oog: de scheiding van Kerk en staat en het breken van het kerkelijke
gezag.
140. De burgerlijke stand I
Het kerkelijke gezag kreeg een eerste lelijke deuk, toen het op 14
november 1794 mogelijk werd alleen burgerlijk te trouwen. Dit contract kon door
echtscheiding ontbonden worden. Ook wie voor de Kerk wilde huwen, moest eerst
voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen, zoals thans nog het
geval is. Aanvankelijk stoorden de trouwlustigen zich weinig aan dit nieuwe
voorschrift. Op 17 juni 1796 werd de officiële registratie van geboorten,
huwelijken en overlijdens ingevoerd. Eeuwenlang hadden de pastoors deze
gegevens bijgehouden. Het verleende hun een zeker aanzien bij de mensen. Ook
andersdenkenden moesten hiervoor een beroep doen op de Kerk. De nieuwe
maatregel bespaarde hun deze moeilijke stap. Pastoor Van Hout boekte het laatste
doopsel in het officiële register op 17 augustus 1796. Het doop- en
begrafenisregister werden ingeleverd bij het gemeentebestuur (23 augustus
1796). Na de laatste intekening vinden we in het Frans genoteerd: ‘Het lopende
register om de geboorten van de burgers van Diest vast te stellen, wordt aldus
afgesloten door mij, ondergetekende, voorzitter van het Diests gemeentebestuur,
Pierre Malingré’.
141. De burgerlijke stand II
Malingré had het geboorteregister afgesloten op 23 augustus 1796. De
volgende bladzijde begint met een Franse geboorteakte, opgemaakt door de
gemeenteambtenaar Godfried Coene op 9 september van dat jaar. Deze data staan
natuurlijk uitgedrukt volgens de officiële nieuwe Franse tijdrekening. Ook ons
begrafenisregister sloot Malingré op 23 augustus af. Voortaan maakte de stad de
overlijdensakten op. Voor binnenkerkelijk gebruik ging de pastoor voort met het
bijhouden van zijn eigen registers, die in de kerk bewaard werden. Hij noteerde
alles in het Latijn, zoals vanouds. De gemeenteadministratie werd helemaal in
het Frans gevoerd. Ook de vele proclamaties tot het volk en de verordeningen
werden in die taal geafficheerd; er stond wel een Nederlandse vertaling bij.
142. De Kerk meer en meer teruggedrongen
Langzaam verloor de Kerk haar greep op het openbare leven. De armenhulp
werd aan het gemeentebestuur toegewezen. Op 7 oktober 1796 kreeg de Commissie
der burgerlijke gasthuizen het weeshuis en de bejaardentehuizen onder haar
bevoegdheid. In november van dat jaar verving het Bureau van Weldadigheid de
oude Tafels van de H. Geest. Was het nieuwe gemeentebestuur niet antiklerikaal,
dan konden geestelijken aanvankelijk nog deel uitmaken van het bestuur van die
instellingen. Maar het besluit van 18 januari 1798 zou daaruit alle onbeëdigde
priesters weren. Zo ver was het nog niet. Vanaf 6 december 1796 mochten
priesters buiten de kerk geen priesterkledij meer dragen. De witheren van de
parochie liepen voortaan in burger met een lange zwarte jas, kniebroek, zwarte
kousen en lage schoenen met gespen. Later hebben ze dit toch nog opvallende pak
laten varen. Vanaf 1797 mocht de processie niet meer buiten de kerk gaan. Ze
ging dus in de kerk rond. Maar de mensen legden ’s namiddags na het lof de
vertrouwde processieweg af, terwijl ze de gewone liederen zongen. De communie
naar de zieken mocht niet meer plechtig gebeuren. De pastoor droeg voortaan de
H. Hostie onder zijn mantel en was slechts vergezeld van de koster.
143. De nieuwe kalender
Met het uitroepen van de republiek in Frankrijk op 22 september 1792 begon
een totaal nieuw tijdperk, dachten de revolutionairen. Zoals wij spreken over
500 vóór Christus of 2001 na Christus, zouden zij die dag als het vertrekpunt
van een eigen tijdrekening gebruiken. De 22ste september 1792 was de
eerste dag van het jaar één. De republikeinse kalender wilde elke herinnering
aan de tijd van de dwingelanden uitwissen. De namen van onze maanden stamden
uit het oude Rome. Juli herinnerde aan Julius Caesar en Augustus aan de bekende
keizer. Weg ermee! De nieuwe namen riepen een dichterlijk beeld op van de
wisselende jaargetijden op het platteland. Bijvoorbeeld: brumaire (mistmaand),
ventôse (windmaand), germinal (kiemmaand), messidor (oogstmaand). Zo erg was
dat niet. De moeilijkheid schuilde erin dat 1 brumaire kon beginnen op 22, 23
of 24 oktober en kon lopen tot 20, 21 of 22 november. Wie nog volgens de oude
trant rekende, had dus een omzettabel nodig. Moeilijker was nog dat de Fransen
deze mensen ook wilden indelen volgens het tiendelige stelsel. Voor maten,
gewichten en munteenheden betekende dit een grote vooruitgang. Maar wat zou het
betekenen voor de tijdrekening?
144. Een antikerkelijke kalender
Elke maand zou voortaan 30 dagen tellen met drie weken van 10 dagen.
Elke dag telde 10 uren van 100 minuten. Deze dagindeling is echter bijna nooit
toegepast, omdat aangepaste uurwerken daarvoor ontbraken. Hoe praktisch ook
bedoeld, met hun indeling in weken wilden de republikeinen alle bindingen met
kerkelijke feesten uitschakelen. In het nieuwe stelsel konden de zondagen
midden in de week vallen en ze verdwenen als rustdagen. Winkelactiviteiten,
markten en het werk gingen in theorie gewoon door en het bijwonen van de mis
werd aldus erg bemoeilijkt. In plaats van de zondag werd nu elke tiende dag een
vrije dag. Als alles volgens de zin van Parijs verliep – maar de praktijk was
wel anders – zouden de mensen op die dag een kokarde op hoed of borst dragen en
stak er een driekleurig vaantje aan elk huis. Ze zouden dan ook de burgerlijke
feesten bijwonen, waarover later. Onze vroegere kalender bakende de weg door
het jaar niet alleen met zondagen af, maar ook met vele kerkelijke feesten. In
1771 waren er buiten de zondagen nog veertien dagen waarop geen lichamelijke
arbeid verricht werd en het mishoren gold. Ook die werden nu afgeschaft.
145. De heiligen verdwijnen van de almanak
Vroeger had elke dag zijn naamheilige, zoals nu nog het geval is. Ook
in het burgerlijke leven gebruikten de mensen die soms liever dan te spreken
over (bijvoorbeeld) 30 november. Men sprak over het vervallen van de huur op
‘St.-Andries’. Kerkrekeningen begonnen met St.-Denijs (9 oktober). Sommige
contracten vingen aan met St.-Jansmis (24 juni). Gedenkdagen van heiligen
vormden de spil van weerspreuken. ‘Apollonia is een kwaad wijf’, klonk het in
plaats van: ‘Op 9 februari kan het hard vriezen’. In de republikeinse almanak
werden alle sinten geschrapt. De kalender verheerlijkte voortaan de gewassen,
dieren, landbouwwerktuigen en gesteenten. In plaats van Andreas werd in 1793
het houweel vereerd. St.-Denijs ruimde plaats voor boekweit. St.-Jan de Doper
moest het in 1794 afleggen tegen rozemarijn. Maar zelfs in Frankrijk kenden
deze nieuwe benamingen geen succes en ze verdwenen geruisloos. De nieuwe
kalender werd in onze contreien begin 1796 ingevoerd. Napoleon schaften hem
weer af vanaf nieuwjaar 1806. Intussen moest men er wel leren mee leven.
146. Een moeilijke aanpassing
In officiële diensten was de republikeinse kalender verplicht. Drukkers
gaven almanakken uit met de oude en nieuwe tijdrekening naast elkaar. Toen
pastoor Van Hout nog registers van de burgerlijke stand bijhield (zie nr. 140)
gebruikte hij de twee stelsels. Bij zijn eerste doopsel in 1796 vermeldt hij in
het Latijn: 15 februari of volgens de nieuwe stijl van de Franse Republiek 26
pluviôse jaar IV. Het eerste overlijden dat jaar was op 27 januari ofte 20
pluviôse. Ook in zijn eigen register voor binnenkerkelijk gebruik noteerde hij
tot 28 december 1805 meestal beide jaartellingen. In het dagelijkse leven
echter geraakte de kalender moeilijk ingeburgerd. Zo werden de huren in 1798
nog altijd betaald op St.-Andries. Alhoewel de geboden feestdagen en zondagen
in Franse ogen niet meer bestonden, liepen de vieringen in de kerk gewoon door.
Of ze nu minder werden bijgewoond, weten we niet. De Diestse spijkermeester,
die de prijs van het brood moest bepalen, dateerde zijn gegevens in 1797 nog
altijd volgens de oude kalender. Als de gemeentesecretaris verslag uitbracht
over de besluiten van de raad, vergaloppeerde hij zich soms en schreef hij over
het feest van ‘14 juillet’ dat ze zouden organiseren en – nog erger flater,
want in het Nederlands! – over 18 augustus en dat in 1798!
147. Republikeinse feesten
Waren de oude feesten en rustdagen (theoretisch) afgeschaft, op de
nieuwe vrije dagen kwamen republikeinse vieringen om de mensen de republikeinse
geest mee te geven. Dan werden de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis van
de republiek in herinnering gebracht, zoals de bestorming van de Bastille en de
onthoofding van de koning. Andere feesten beoogden de morele opvoeding van de
burgers. Enkele voorbeelden. Op het feest van de bejaarden werden twaalf
deugdzame ouderen aan de jeugd tot voorbeeld gesteld. De dag van de jeugd
moedigde de jongeren aan om de schoollessen bij te wonen. Op een andere decadi
(tiende dag) werden de ouders van de soldaten, van verdienstelijke ambtenaren,
van een talrijk gezin gehuldigd. Bij gebrek aan een aangepast lokaal gebeurde
in Diest alles op de Grote Markt of in het stadhuis. Toen de kloosters met hun
bedehuizen openbaar verkocht werden, vroegen onze burgervaders in 1799 de
augustijnenkerk (nu kruisherenkerk) niet te verkopen. Dan kon die gebruikt
worden als tempel voor de republikeinse plechtigheden. Maar dit verzoek werd
afgewezen. Tijd om een ander gebouw in te palmen kregen ze niet meer. De nieuwe
baas, Napoleon, droeg de revolutionaire feesten niet in zijn hart en schafte ze
in 1802 af. In februari 1800 liet het stadsbestuur weten dat in Diest geen
enkel kerkelijk gebouw gediend had voor de nationale feesten en dat er dus geen
teruggegeven moesten worden voor de uitoefening van de eredienst.
148. Geen geld voor feesten
Hoofdbrok van de vieringen waren gloeiende redevoeringen en militaire
muziek. Een enkele keer lette ons stadsbestuur wat minder op de kosten. Op het
feest van de soevereiniteit van het volk werd het altaar van het vaderland
opgesteld onder de vrijheidsboom tussen vier oude taxussen. Op het feest van de
overwinning, de eer en de vrede had men ’s avonds feestelijke verlichting in
open lucht. Dit kreeg in de Lievevrouwparochie nog een staartje. Zoals
gewoonlijk vloeide het bier rijkelijk. Die dag vernielden overtuigde vierders
enkele beelden van de Zevenweeënweg (1798). Maar meestal
was de stadskas leeg. Toen de weldaden van de republiek gevierd werden, was er
geen geld voor prijzen van een wedloop. Het valt fel te betwijfelen of de
bevolking deze plechtigheden waardeerde. Sommigen konden er zich niet aan
onttrekken: de republikeinse ambtenaren, de nieuwe schoolmeesters en hun
schaarse leerlingen, de speciaal uitgenodigde bejaarden die van de bijstand
leefden. Vele mensen werkten gewoon door. Ze hadden al genoeg verlet met de
kerkelijke feestdagen. De maatregelen tegen de godsdienst, die steeds meer
bespeurbaar werden, en vooral de verplichte militaire dienst die boven het
hoofd hing, bekoelden bij de meesten ieder enthousiasme.
149. Afschaffing van de kloosters I
Als gevolg van vroegere buitensporige uitgaven stak Frankrijk diep in
de schuld. Daarom besliste de Nationale Vergadering op 2 november 1789 de
eigendommen van de Kerk in beslag te nemen. Op 13 januari 1790 werden alle
kloosters opgeheven en onteigend. Toen ons land bij Frankrijk aangehecht werd,
waren deze maatregelen hier niet onmiddellijk van kracht. Maar op 1 september
1796 was het zover. De abdijen en kloosters werden afgeschaft en hun goederen
aangeslagen. Alles zou openbaar verkocht worden. Wie voor onderwijs of
ziekenverpleging zorgde, bleef voorlopig gespaard. Voor hun verder
levensonderhoud ontvingen de kloosterlingen een waardebon, waarmee ze genationaliseerde
kerkelijke eigendommen konden kopen. De Diestse geestelijken meenden die in
geweten te moeten weigeren. Commissarissen eisten in de kloosters alle gegevens
op over het financieel beheer, maakten een inventaris van de inboedel en legden
een lijst aan van de leden met het oog op de bons. Als die aangeboden werden,
kregen de paters, zusters of broeders 20 dagen om de gebouwen te verlaten. De
meesten tekenden verzet aan tegen de afschaffing, omdat ze buiten de muren hun
geloften aan God niet meer zouden kunnen naleven.
150. Afschaffing van de kloosters II
Mede door de vijandige houding van de Diestse bevolking moest de
gemeentelijke overheid een beroep doen op de gewapende macht om de
kloosterlingen uit te drijven. Als dezen de gebouwen verlaten hadden, werd ter
controle een nieuwe inventaris opgesteld voor de openbare verkoping. Daarbij
bleek dat er intussen reeds veel verdwenen was, bv. de biechtstoelen bij de
minderbroeders. Twee daarvan kwamen later in de noordelijke zijbeuk van de
O.-L.-Vrouwkerk terecht. Op de een of andere manier kwam deze kerk ook in het
bezit van een oude kelk, afkomstig van de begarden, misschien verworven bij de
veiling. Maar de afschaffing van de kloosters had voor de Lievevrouwparochie en
die van St.-Sulpitius nog veel diepere gevolgen. Beide kerken werden immers
bediend door witheren. Voor hun benoeming stelde de abt van Tongerlo zijn
kandidaten aan de bisschop voor. Van de abdij ontvingen ze hun bezoldiging,
voortkomende uit de tienden. Daarop konden ze ook rekenen bij grote
herstellingen aan de kerk. Dat alles viel weg, toen de abdij van Tongerlo op 6
december 1796 werd opgeheven en het jaar nadien verkocht werd. Voor pastoor
Siardus Van Hout en zijn kapelaan Lucas Laureys stortte de wereld in.
151. De overburen van de kerk worden ontruimd
We volgen nu in enkele bijdragen het lot van de kloostergemeenschappen
in de Lievevrouwparochie. De parochiekerk stond nog in de steigers, toen de
begarden zich in 1268 aan de overzijde vestigden. De begarden of bogaarden zou
men kunnen aanzien als de mannelijke tak van de begijnen. Ze leefden ongehuwd
in gemeenschap, volgden een bepaald reglement, maar legden geen
kloostergeloften af. Ze bleven dan ook lange tijd een beweging van leken in de
Kerk. Tijdens de Middeleeuwen verdienden ze hun levensonderhoud in de
lakennijverheid. Later openden ze een Franse school en gaven ze catechese. In
1796 telde de gemeenschap 12 priesters en 4 broeders. Op 1 december moesten ze
hun klooster verlaten. Buiten werden ze omhelsd door hun overste en ontvingen
zijn zegen. Sommigen gingen in de stad wonen en zetten hun taak voort, anderen
verlieten Diest. Met het oog op betere tijden kocht de overste het hoofdaltaar,
de preek- en biechtstoel, de communiebank en het gestoelte van hun kapel op,
toen de inboedel geveild werd. Maar de begarden kwamen deze klap nooit meer te
boven. Hun klooster diende achtereenvolgens als gevangenis en spinnerij. In
1817 kocht de gemeente het aan om als stadscollege te dienen. Vanaf 1834 werd
het een kazerne, later een militair depot. Na de Eerste Wereldoorlog voorzag
het in de grote woningnood die toen in de stad heerste. Daarna nam een
sigarenfabriek zijn intrek in een deel van de gebouwen. Vanaf 1948 gebruikte
Shoepost de rest als werkplaats. Van het klooster zelf blijft niet veel meer
over dan een inrijpoort in de Begijnenstraat.
152. De alexianen
Vele huidige Diestenaars hebben de alexianen of cellenbroeders nog
weten wonen in de Mariëndaalstraat, maar tot 1854 waren ze gevestigd in de
Koning-Albertstraat. Als zodanig vielen ze in het begin onder het geestelijk
bestuur van de pastoor van O.-L.-Vrouw. Sinds 1375 werkten ze in de
gezondheidszorg. Vooral in tijden van pest en besmettelijke ziekten werd op hen
een beroep gedaan voor de verpleging en begrafenis van slachtoffers die
iedereen meed. Tot ver in de omtrek gingen ze dan hulp verlenen. Vanaf de 17de
eeuw boden ze ook onderdak aan geesteszieken. Op 3 januari 1797 werd hun
klooster aangeslagen. De acht broeders trokken burgerkleren aan en verzorgden
hun kostgangers als vroeger met toestemming van het stadsbestuur. Ze mochten
hun kapel voort gebruiken, maar die werd aan de straatkant afgesloten. Doch op
14 mei 1798 gelastte het departement dat de laatste, nog bewoonde kloosters
zouden worden ontruimd. Na het concordaat van Napoleon (waarover later meer)
konden de broeders terugkeren, maar de gebouwen bleven bezit van de godshuizen.
Van 1854 tot 1959 zetten de alexianen hun taak voort in de Mariëndaalstraat. In
1983 overleed de laatste Diestse cellenbroeder. De gebouwen in de Koning-Albertstraat
boden na 1854 onderkomen aan bejaarden en wezen, vervolgens aan de middelbare
jongensschool en het koninklijk atheneum. In 1984 werden ze op de kapel na
afgebroken.
153. De grauwzusters
Thans zijn de grauwzusters de oudste resterende kloostergemeenschap van
Diest. Reeds in 1376 verpleegden de celzusters, zoals ze ook genoemd worden, de
zieken aan huis. De H.-Geesttafel van O.-L.-Vrouw schonk hun een woning met
tuin aan het begijnhof en ook een wekelijkse toelage. Als de pest woedde, waren
de zusters onontbeerlijk. Velen stierven als offer van hun plicht. Ook de
verwoesting van 1580 kwam de gemeenschap te boven. Toen de Fransen de kloosters
ophieven, mochten zij voorlopig blijven, maar ze moesten wel burgerkleren
aantrekken. Op 13 september 1798 echter moesten ook zij hun gebouwen verlaten.
De 32 zusters gingen in de oude pastorie van het begijnhof wonen. Hun klooster
werd verkocht. Daar de kopers niet prompt betaalden, overwoog het stadsbestuur
het als opslagplaats voor veevoeder in te richten. Onder Napoleon kochten de
zusters hun eigendom terug (1807). Ze vonden het in een onherkenbare staat
terug. Moedig begonnen ze aan de herstelling. In 1849 onderscheidden ze zich
bij het verzorgen van de cholerapatiënten. Sedertdien namen ze ook geesteszieken
op. De moderne psychiatrische kliniek St.-Annendael zet deze taak voort.
154. De eed van trouw
Terwijl de kloosters dicht gingen, werden de parochiepriesters nog even
ongemoeid gelaten. Maar wat in Frankrijk gebeurd was, liet hun niet veel hoop
meer. Daar waren de priesters staatsambtenaren geworden en als zodanig moesten
ze trouw zweren aan de staat en de grondwet. In 1795 luidde de formule: ‘Ik
erken het volk als soeverein en ik beloof onderwerping en gehoorzaamheid aan de
wetten van de republiek’. De meningen over deze eed waren zeer verdeeld.
Betekende dit niet dat je de antigodsdienstige politiek van de regering
goedkeurde? Was de republiek wel de wettige regering? Kon je de parochianen aan
hun lot overlaten? De eedweigeraars werden immers uit hun dienst ontzet,
riskeerden gevangenis en zelfs de doodstraf. Dit hing af van de wisselende
machthebbers. De parochiekerk werd gesloten, tenzij er een beëdigde priester de
dienst voortzette. Maar die werd door de gelovigen dikwijls niet aanvaard.
Daarom was er in de Franse Kerk grote verdeeldheid ontstaan. Op 26 januari 1797
werd deze eed van trouw ook in ons land opgelegd. In Diest werd er nog geen
haast gemaakt met de invoering, maar in mei 1797 was het zo ver.
155. Een onmogelijke eed
De Diestse priesters konden zich aanbieden tot 19 mei 1797, maar geen
legde de eed af. Ze richtten een petitie tot het stadsbestuur om de
vervolgingen op te schorten die de weigeraars boven het hoofd hingen, zolang
het departement zich nog niet uitgesproken had. Het stadsbestuur verklaarde
zich onbevoegd om deze wens in te willigen, maar zoals het overigens in andere
steden gebeurde, liet het de priesters nog oogluikend begaan. Op 4 september
1797 kwam in Frankrijk een radicaler strekking aan de macht. Ze eiste een stipte
toepassing van de wet. Een nieuwe, scherpere eedformule werd opgelegd: ‘Ik
zweer haat aan het koningschap en aan de anarchie en trouw aan de republiek en
de grondwet’. Haat zweren werd echter door het christendom verboden. Op 12
september werden de Diestenaars met de grote klok bijeengeroepen, de
maatregelen werden vanop de pui van het stadhuis afgelezen en verder in de
straten uitgebeld. Geen enkele priester bood zich aan voor de eed, dus mochten
ze geen dienst meer verrichten in de kerk. Nu werd daarop streng toegezien. De
mensen konden nog een paar zondagen naar de mis gaan in Webbekom en
Scherpenheuvel, zolang de wet daar niet was afgekondigd. Daarna vonden ze een
noodoplossing.
156. Blinde missen
Hoewel er geen diensten meer gedaan mochten worden, waren de kerken
aanvankelijk nog toegankelijk. De mensen kwamen er samen om het rozenhoedje te
bidden. Op zon- en feestdagen werden er gebedsdiensten gehouden zonder
priester, de zogenaamde blinde missen. De zangers zongen het kyrie, gloria en
sanctus, net als tijdens een echte mis. De gelovigen stonden op aan het
evangelie, bogen eerbiedig het hoofd als de belslag de fictieve consecratie
aankondigde, ze maakten het kruisteken bij de wegzending, hoewel er niemand aan
het altaar stond. Het gebeurde in het begin nog wel dat een priester op dat
ogenblik werkelijk de mis opdroeg in de sacristie. Lang zouden deze
bijeenkomsten niet meer kunnen doorgaan, want kerken zonder bedienaar moesten
volgens de wet gesloten worden. Op 25 oktober 1797 vroegen de mensen aan het stadsbestuur
dat ze hun godsdienstoefeningen mochten voortzetten in de kerken. Op 3 november
werden commissarissen benoemd voor het in bewaring stellen van de kerken en
pastorieën.
157. De kerken gesloten
Toen het stadsbestuur twee commissarissen had benoemd voor het
sekwester en het opmaken van de inventaris, dachten de mensen dat de kerken
onmiddellijk gesloten zouden worden. Dus probeerden de kerkgangers in
St.-Sulpitius en O.-L.-Vrouw nog zoveel mogelijk te redden, maar daarbij werd
wel eens een stuk gebroken of beschadigd. De overheid belde uit dat ze alles
moesten terugbrengen, met niet veel succes. Op 13 november 1797 begaven de twee
ambtenaren zich naar de O.-L.-Vrouwkerk en maakten er de inventaris op. De
grote stukken zoals altaren, gestoelte, biechtstoelen, preekstoel, doopvont,
orgel waren nog aanwezig. Maar de kasten in de sacristie en schatkamer waren
leeg. Toen alles genoteerd was, werd de deur van de sacristie verzegeld en een
bewaker aangesteld. Voorlopig mochten de mensen nog in de kerk komen. ’s
Anderendaags moest de rentmeester, Michel Tielens, zijn boeken en registers
afgeven, want de kerk verloor ook haar onroerende bezittingen. Op 2 januari
1798 gingen alle kerken in Diest dicht. De Franse commissaris Pottier kon op 1
juni 1798 met genoegen hogerhand laten weten dat in Diest geen enkele kerk open
was, ondanks alle klachten van de bevolking. Toch forceerde deze soms de
toegang om te kunnen bidden. De avond vóór 25 maart, Maria Boodschap, brak het
volk in de O.-L.-Vrouwkerk een zijdeur open, zodat men er het rozenhoedje kon
bidden op het feest. Toen ze daar lucht van kregen, haastten de gendarmen zich
om alles weer te sluiten.
158. Beloken Tijd
Nu begon de Beloken Tijd, de tijd der gesloten kerken en het verborgen
godsdienstige leven. Op 7 september 1797 had pastoor Van Hout een laatste maal
in de O.-L.-Vrouwkerk gedoopt. Voortaan zou hij dat heimelijk in de huizen
moeten doen, want als eedweigeraar mocht hij geen doopsels meer toedienen.
Vroeger werden de kinderen binnen de 24 uur na de geboorte gedoopt. Als de
pastoor zelf op de vlucht is (hierover handelen we later), doopt onderpastoor
Lucas Laureys, die na de sluiting van de pastorie onderdak gevonden had op de
Lange Steenweg. Toen die ook had moeten onderduiken, deden de mensen een beroep
op een of andere pater die nog in Diest verbleef, bv. de begard H. Peeters, die
een onderkomen had aan het einde van de Schaffensestraat. Veel dienst bewezen
ook de minderbroeders J. Van Espen en C. Vanderschilden, die om uiteenlopende
redenen minder gevaar liepen. Laatstgenoemde was 69. Daarom had hij bij een
eventuele aanhouding geen verbanning naar een Frans eiland meer te vrezen. Hij
kon nog wel opgesloten worden in eigen land. Voor de 36-jarige Van Espen
bestond deze dreiging nog wel. Maar tijdens de Boerenkrijg had hij een Franse
huzaar gered. Als hij gesnapt werd, kon hij enigszins hopen op clementie. Na
die opstand in november 1798 werd het voor alle priesters te gevaarlijk om zich
nog op straat te wagen. Dan zouden anderen het doopsel moeten toedienen.
159. Nooddopen en vormsel
In tijd van nood mag iedereen dopen, maar de aangewezen persoon voor
nooddopen was natuurlijk de vroedvrouw, in de O.-L.-Vrouwparochie Antoinette
Slosser. Zij had voor haar aanstelling moeten bewijzen dat ze kon dopen. In normale
tijden deed ze dit soms als er gevreesd werd dat het kind de geboorte niet zou
overleven. Van november 1798 tot dezelfde maand 1799 doopte ze alle borelingen,
ook de gezonde. Bij zulke nooddopen werden allerlei ceremoniën weggelaten,
zoals de handoplegging, de zalving met chrisma, het snuifje zout in de mond van
de baby. Toen in januari 1800 de toestand bijna normaal werd, vulde de
onderpastoor deze riten aan, eerst nog aan huis. Bij twijfelgevallen deed hij
zelfs de hele plechtigheid over. Vormsels konden volgens de toenmalige regeling
helemaal niet meer toegediend worden, want daarvoor was een bisschop nodig.
Onze kardinaal, de Franckenberg, was reeds in oktober 1797 over de grens gezet,
omdat hij de eed van haat niet had afgelegd. Maar tussen 1796 en dat ogenblik
had hij meer dan 100.000 mensen gevormd! De ziekelijke bisschop besloot zich
daarvoor niet meer te verplaatsen. De vormelingen gingen zelf met peter en
meter naar Mechelen. De pastoors spraken hierover een dag met de bisschop af.
Alhoewel men in beginsel minstens 6 jaar moest zijn voor dit sacrament, werden
er zelfs kleuters op de arm gevormd. Dit gebeurde in de kapel van het
seminarie, want de bisschop was zijn paleis reeds kwijt. Voor de kinderen werd
het toch nog een blije dag: het binnenplein van het seminarie stond vol kramen
met peperkoek, speelgoed en kersen!
160. Nog vlug trouwen
Ook de huwelijken konden voortaan niet meer in de Lievevrouwkerk
gebeuren. In het begin vonden de trouwlustigen soms wel ergens een kerk die nog
niet gesloten was. De procedure tot de sluiting vergde tijd en kon niet overal
tegelijk voltrokken worden. In oktober 1797 vonden drie jonge paren uit de
Lievevrouwparochie nog hun toevlucht in Zoerle, Vorst en Walem, hoewel noch de
jongen noch het meisje daar woonden. Pastoor Van Hout verleende aan de vreemde
herders daartoe de toelating. Anders zouden die huwelijken ongeldig geweest
zijn. Sinds november 1794 moest men vóór het kerkelijk huwelijk eerst voor de
ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen. Stoorden de mensen zich aan dit
voorschrift? We hebben dit eens gecontroleerd voor de kerkelijke huwelijken uit
de Lievevrouwparochie in 1799. We hebben dat jaar gekozen, omdat we kunnen
vergelijken met de lijst burgerlijke huwelijken van datzelfde jaar. Voor 1798 gaat
dat niet, want die lijst is tijdens de Boerenkrijg vernield. Het schijnt dat
onze jongens het papier gebruikt hebben als hulzen voor hun geweer. Van de
zeven paren toen in de Lievevrouwparochie hebben er twee zich stipt aan het
voorschrift gehouden. Twee zijn nooit op het stadhuis verschenen. Drie gaven
hun verbintenis veel later aan: respectievelijk in 1803, 1800 en 1802, toen ons
land wat vrijer kon ademen.
161. Geheime huwelijken
Trouwen kon niet meer in de kerk. Zolang pastoor Van Hout nog in de pastorie
woonde, zegende hij de huwelijken daar in. Maar weldra moest hij die ontruimen
en werden de huwelijksbeloften elders in de parochie afgenomen, soms door de
onderpastoor. Als beiden ondergedoken zijn, doet pater Peeters dit met
delegatie van de onderpastoor. Vanaf 16 april 1800 begint de kapelaan ze weer
in te zegenen, vanaf 17 september weer de pastoor, maar altijd nog in een of
ander huis. Omdat er geen diensten meer in de kerk gehouden werden, moest men
ook afzien van de gebruikelijke huwelijksaankondigingen op drie
achtereenvolgende zondagen. De bedoeling van die ‘roepen’ was dat de gelovigen
mogelijke beletsels kenbaar zouden maken aan de pastoor. Nu werden de trouwers
daarvan vrijgesteld. Maar ze moesten wel zweren dat er geen wettelijke redenen
tegen het sluiten van hun huwelijk bestonden, bv. nauwe bloedverwantschap of
een eerdere verbintenis. Die eedaflegging werd telkens in het register vermeld.
Pas op 24 augustus 1802 krijgt alles weer zijn normale gang: roepen en
inzegening in de kerk.
162. De andere sacramenten
In Diest was geen enkel bedehuis nog toegankelijk. Maar elders had hier
en daar een priester wel de eed afgelegd. Een affiche aan de ingang van de kerk
maakte dit bekend. Daar bleef de kerk open. Dit was bv. het geval in
Scherpenheuvel, waar de rechtmatige bedienaars, de paters oratorianen, verjaagd
waren of aangehouden, maar een beëdigd priester uit het Brusselse was
opgedaagd. De gelovigen kwamen er nog bedevaarten, maar velen verlieten de kerk
als de celebrant de mis begon. Ze aanzagen zulke priesters als ketters. Wie nog
de mis wilde bijwonen en communiceren, kon dit soms in het geheim bij een
ondergedoken priester, die in een of ander huis voor een vertrouwd groepje de
mis opdroeg op een altaarsteen. Daar kon men ook zijn biecht spreken. De
ziekenzalving vormde een groot probleem. Dan moest de priester zijn
schuilplaats verlaten, zich op straat wagen en heimelijk de zieke berechten.
Ook al werd er niet altijd echt op priesters gejaagd, elke kerkelijke
activiteit was hun verboden. Bij de begrafenis konden de lichamen niet meer
naar de O.-L.-Vrouwkerk gebracht worden. De overledenen werden dikwijls zonder
aanwezigheid van een geestelijke op het St.-Janskerkhof begraven. Op 25
augustus 1797 noteert pastoor Van Hout voor het laatst: ‘Op het kerkhof van
O.-L.-Vrouw door mij begraven’. Hij registreert de begrafenissen verder tot 3
juli 1798. Daarna heeft hij de stad verlaten.
163. Toen de klokken zwegen
Het werd reeds heel wat stiller in de stad, toen eind 1796 de kloosters
ontruimd werden, de klokken daar weggehaald, stukgeslagen en verkocht. In
oktober 1797 begonnen ook de torens van de parochiekerken steeds meer te
zwijgen. Ze nodigden alleen nog maar uit voor de rozenkrans. Maar op 2 januari
1798 viel ook dat uit. Zelfs het angelus luiden werd verboden. Voortaan klonken
de klokken slechts op de officiële rustdagen, elke tiende dag, de decadi’s, op
de Franse feesten en overwinningen. Dan speelde ook de beiaard. Op 26 december
1798 beval generaal Barbou alle klokken naar beneden te laten en te
verbrijzelen. In de dorpen waren daarmee immers signalen gegeven tijdens de
Boerenkrijg. Eind januari 1799 werd dat bevel in Diest uitgevoerd. Bij de
klokkenroof in de kloosters was er echter hier en daar wel een klok aan Franse
handen ontsnapt en verborgen. Met hun zwakke stemmetjes vielen ze misschien
niet onder de maatregel van de generaal. Wegens hun gering gewicht konden ze
ook gemakkelijker in veiligheid gebracht worden. Toen het ergste achter de rug
was, verkocht pater A. Crampen ons een klokje dat hij uit het klooster van de
begarden had gered (1807). Ook in St.-Sulpitius bleef het kleinste klokje
gespaard.
164. Geen spoor van godsdienst meer
In vorige bijdragen beschreven we hoe moeilijk het werd om vanaf eind
1797 zijn godsdienst nog te beleven. Maar de Fransen wilden zelfs elke
herinnering aan de eredienst uitwissen. Op 31 augustus 1797 werd het verbod op
uiterlijke godsdienstige tekens in België toepasselijk. De mensen mochten op de
openbare weg niet meer gestoord worden door de aanblik van iets dat aan de
eredienst herinnerde. Op 18 september waarschuwde politiecommissaris Delandre
alle geestelijken die nog niet in burger liepen. De begijntjes vervingen
voortaan hun hoofddoek door een muts met lintje. Alle heiligen- en kruisbeelden
langs de straten moesten verdwijnen. Op de torens van kerken en kapellen werden
de haan en het kruis verwijderd. We vermelden reeds (nr. 148)
dat enkele feestvierders beeldjes in de Zevenweeënstraat stuksloegen. We weten
niet of ze in Diest alles altijd zo radicaal opruimden. In de
O.-L.-Vrouwparochie bleven het oude Mariabeeldje in het kapelletje aan de
Bruidstraat en de madonna boven de kerkdeur bijvoorbeeld gespaard. Misschien
hadden de mensen ze tijdig in veiligheid gebracht. Wat er ook van zij, het
stadsbestuur rapporteerde op 6 november 1797 dat het in Diest geen spoor van
openbare godsdienstige tekens meer aantrof.
165. Sluiting van de pastorie
De priesters die geweigerd hadden de eed af te leggen, haalden zich
natuurlijk ook veel narigheid op de hals. Ze riskeerden allerlei
strafmaatregelen (waarover later). Om te beginnen verloren ze hun pastorie,
mogelijk hun laatste pastorale vergoeding, nu de tienden waren afgeschaft. Nog
op 1 januari 1796 had pastoor Van Hout zijn uitgestrekte tuin aan een tuinier
verhuurd, die hem de nodige groenten en fruit zou leveren en tevens 12 gulden
pacht betalen. Op 13 november 1797 kreeg de pastorie het bezoek van twee
gemeenteambtenaren. Aan de aanwezige onderpastoor brachten ze de boodschap over
dat de geestelijken binnen de 14 dagen na de terugkeer van de pastoor het huis
moesten ontruimen. Als er daarna nog meubels gevonden werden, zouden die
aangeslagen worden en als nationaal goed verkocht worden. Onderpastoor Laureys
antwoordde dat ze zich zouden schikken naar de wet. In afwachting stelden de
commissarissen een bewaker aan om het gebouw te beschermen. Eind februari 1798
bestemde het gemeentebestuur de pastorie tot openbare meisjesschool en woning
voor de onderwijzeres. In de gewezen proostdij van St.-Sulpitius zou een
onderwijzer met de jongens zijn intrek nemen. Die scholen startten echter pas
eind mei. Maar pastoor Van Hout maakte geen haast met de ontruiming, zodat de
onderwijzeres Destombe nog een tijdje met hem onder één dak moest wonen. Dat
kon niet goed aflopen!
166. Conflict met de onderwijzeres
Pastoor Van Hout had volgens verklaring van de onderwijzeres vierkant
tegen haar gezegd: ‘Ik zal al doen wat ik kan om u zonder leerlingen te houden
en u van honger te doen sterven’. En hij had woord gehouden. Na een paar weken
was ze haar 32 leerlingen kwijt en meteen een deel van haar inkomen, want de
meisjes moesten iets betalen voor het onderricht. De mensen verbraken alles
relaties met haar. De bakker weigerde haar brood te leveren. Brouwersgasten uit
de aanpalende brouwerij wierpen stenen in de klas. Waagde ze zich in de tuin,
dan werden honden op haar losgelaten. Kippen en fruit verdwenen. Was dat alles
aan de pastoor te wijten? Onderwijzer De Prince had namelijk evenmin succes. Op
20 februari 1799 diende hij zijn ontslag in. Daarbij kon de proostdij niet
langer als lagere school gebruikt worden. Als voormalig kloosterbezit werd ze
verkocht, ondanks protest van het gemeentebestuur. De vijf privé-schooltjes,
waarvan de koster van O.-L.-Vrouw, Jacobus Verreydt, er één openhield, kenden
meer succes. Maar ook mevrouw Destombe hield voet bij stuk.
167. Vervolging van de priesters I
Door zijn botsing met de onderwijzeres liep pastoor Van Hout
vanzelfsprekend in de kijker. Priesters stonden hoe dan ook reeds op de Franse
zwarte lijst. Maar wie de openbare orde verstoorden, prijkten bovenaan. Hun
naam werd aan het departement overgemaakt. Parijs veroordeelde hen vervolgens
tot deportatie over zee. Vóór de Boerenkrijg waren er dat 875, maar slechts 71
konden gevat worden. Daar de Engelsen jacht maakten op de Franse schepen, zaten
ze voorlopig vast in Rochefort of op de eilanden Ré en Oléron, waar ze door de
slechte behandeling als vliegen stierven. Onze landdeken, Petrus Van der
Smissen, die pastoor was in Herk, werd daar op 10 juli 1798 aangehouden en naar
Ré gedeporteerd. Na zijn vrijlating in 1800 keerde hij als een wrak terug en
overleed spoedig nadien. In mei 1798 wilde de republikeinse commissaris van
Diest, Louis Pottier uit Rijsel, ook zijn sporen verdienen. In Diest was de
eerste aangeklaagde de pastoor van het Begijnhof, Petrus Van
Bever. Die had reeds in 1794 als gijzelaar kennisgemaakt met de gevangenis (zie nr. 137). Hij woonde nog in de infirmerie, maar
wist aan het gevaar te ontkomen. Een tweede zwart schaap was minderbroeder Jan
Lina. Hij was wijselijk ondergedoken, want voor zijn aanhouding bestond er bij
de Fransen ernstige C:\Users\Pierre\Documents\LITURGIE\NEGENTIENDE
ZONDAG DOOR HET JAAR
12.docgrond.
168. Vervolging van de priesters II
De derde kandidaat op de zwarte lijst was de augustijn Petrus Heylen,
retoricaleraar aan hun Diests college. De paters Lina en Heylen waren mede
verwikkeld geraakt in een geval van bezetenheid in Scherpenheuvel. Op 12
augustus 1797 had een vader zijn dochter naar het heiligdom gebracht om de
duivel uit haar te verdrijven. De plaatselijke paters oratorianen zaten met dit
ongewoon verzoek verveeld. Was het meisje echt bezeten? Ze riepen er onze Diestse
paters bij en de rector van de Leuvense universiteit, J. Havelange. De pers
kreeg er lucht van en maakte het geval belachelijk. De rector daagde de
redacteur van “Le républicain du Nord” uit ter plaatse te komen zien. De Franse
namen deze beroering niet: de rector werd naar Guyana verbannen, de oratorianen
volgden. Pater Heylen werd wijselijk verstopt bij de cellebroeders, maar bij
een huiszoeking ontdekt (13 juni 1798). Daar hij tekenen van krankzinnigheid
gaf of voorwendde, mocht hij in een Brusselse gevangenis blijven. Wat er ook
van zij, na zijn terugkeer leefde onze augustijn nog vele jaren samen met
andere confraters in de Overstraat en preekte hij in de Lievevrouwkerk nog
meermaals de passie.
169. Van Hout opgespoord
Nadat de pastoor van de O.-L.Vrouwparochie uiteindelijk toch zijn
pastorie verlaten had, vestigde hij zich ergens in de stad, misschien op het
Begijnhof, waar we hem in 1810 opnieuw aantreffen. De onderpastoor vond een
onderkomen in de Koning-Albertstraat (Lange Steenweg). Zo verbleven er in 1798
62 priesters en paters die hun pastorie of klooster verloren hadden, in de
stad. Voorlopig was dit nog geen onderduikadres. De gevaarlijke elementen onder
hen werden echter in het oog gehouden. Rond 20 juli deed de politie een
huiszoeking bij pastoor Van Hout, maar hij vertoefde niet meer op het
aangegeven adres. Hij was naar Hasselt uitgeweken, werd er beweerd. Op 8
september 1798 kwam het bevel tot zijn deportatie af. Maar hij bleef buiten
schot. Meer en meer priesters moesten nu gaan schuilen tot in betere tijden,
ook de onderpastoor Lucas Laureys. Na de Boerenkrijg stonden er 7549
geestelijken op de zwarte lijst. In mei 1799 leefden er in Diest slechts 17
niet clandestien, meestal bejaarden en zieken. Zij hadden enkel huisarrest of
een binnenlandse gevangenis te vrezen.
170. Gedwongen krijgsdienst
De wet van 5 september 1798 voerde de algemene dienstplicht in voor
alle ongehuwde jongens tussen 20 en 25 jaar. Door loting werd daarvan een
aantal soldaten uitgezocht naar de behoefte van het ogenblik. Deze wet bracht
in onze streken grote verslagenheid, want vroeger kende men hier slechts
beroepsvrijwilligers. De spontane afkeer tegen deze maatregel werd nog gevoed
door de richtlijnen van de Kerk, die ondergronds circuleerden. In het Franse leger
liepen de jongens het gevaar hun geloof te verliezen en bedorven te worden. Als
soldaat zouden ze wetten tegen de godsdienst en de rechtvaardigheid moeten
helpen toepassen. Dat was niet denkbeeldig: men had de Fransen hier aan het
werk gezien. De ouders moesten bijgevolg hun zonen ten zeerste uit het hoofd
praten vrijwillig dienst te nemen. Als de jongens zich niet aan de dienstplicht
konden onttrekken, moest ze het vast besluit nemen bevelen tot slechte dingen
te weigeren en desnoods te deserteren. Deze krasse taal zouden de Fransen niet
vergeten en alle priesters zouden ze moeten bekopen tijdens de Boerenkrijg.
Onze bevolking had reeds veel moeten verduren, zoals de godsdienstvervolging.
De gedwongen krijgsdienst deed de maat overlopen.
171. De Boerenkrijg I
In oktober 1798 kwam het in Overmere tot een spontane opstand, die zich
vooral op het platteland uitbreidde over de Vlaamse departementen. Het is hier
niet de plaats om het verloop van de Boerenkrijg nogmaals uit de doeken te
doen. Evenmin kunnen we dit doen voor wat zich toen in Diest afspeelde. We
beperken ons tot enkele gebeurtenissen in de O.-L.-Vrouwparochie. De Boeren
bezetten Diest een eerste leer op 24 oktober, toen de Franse gendarmen een
strafexpeditie uitvoerden tegen de dorpen. Maar op 26 oktober marcheerde
generaal Durutte de stad binnen. De soldaten bekoelden hun woede op de
bevolking. Jan Baptist Klé uit de Begijnenstraat werd door sabelslagen gedood.
Pierre Distelmans uit dezelfde straat werd neergeschoten en met de bajonet
afgemaakt. De Fransen lieten hier echter slechts een klein detachement achter,
zodat de Boeren op 11 november Diest weer konden innemen via de
Schaffensepoort. De broer van de portier daar was bij de ‘brigands’. Tijdens de
schermutselingen bij de kerk werden twee Fransen doodgeschoten. Sommigen konden
nog vluchten of verscholen zich bij burgers.
172. De Boerenkrijg II
Intussen kwamen de Fransen terug en omsingelden de stad. In de nacht
van 14 november slaagden de Boeren erin de stad te verlaten via een noodbrug
over de vestinggracht in de buurt van de sluizen. Ten slotte bezweek deze
constructie en de laatste aftrekkenden verdronken. Aan de brug over de Zwarte
Beek in de Schaffensestraat spoelden 18 lijken aan. Ze werden met karren naar
het O.-L.-Vrouwkerkhof gebracht en in een massagraf begraven. Toen de
Boerenopstand was neergeslagen, zaten 153 brigands, zoals de Fransen deze
jongens kleinerend noemden, in het voormalige begaardenklooster opgesloten. Op
11 september 1898 herdacht Diest de Boerenkrijg. Een gewezen stadsgenoot,
beeldhouwer Désiré Duwaerts, ontwierp hiervoor een marmeren gedenkplaat. Ze
stelt een getroffen strijder voor. Toen de St.-Sulpitiusparochie niet zo
ingenomen was met het ontwerp, dacht het comité een de O.-L.-Vrouwkerk, mits
pastoor Oliviers het wilde. Daar in de buurt was heel wat leed geleden.
Voorlopig werd het werk in de Allerheiligenkapel opgesteld en daarna verhuisde
het naar de hoofdkerk.
173. Napoleon
Op 9 november 1799 bracht een staatsgreep in Frankrijk andere mensen
aan het bewind: drie consuls onder wie de bekende generaal Napoleon. Hij
trachtte de meerderheid van de bevolking aan zijn kant te krijgen en die was
godsdienstig. Daarom verlangde hij naar betere betrekkingen met de Kerk. Weldra
vernam Diest dat de eed van haat verviel en dat de eredienst weer vrij beoefend
kon worden. Wel moesten de priesters zweren: ‘Ik beloof trouw aan de wetten van
de republiek’, zoals alle ambtenaren trouwens. Wie deze belofte niet wenste af
te leggen, werd niet meer vervolgd, maar mocht ook geen dienst meer doen. De
Diestse priesters vertrouwden de nieuwe regering nog niet. Hoe konden ze weten
of in de toekomst geen wetten zouden verschijnen die strijdig waren met hun
geweten? Trouwens, onze verbannen bisschop de Franckenberg verbood de belofte
af te leggen. Tekenen van hoop waren het nochtans toen in januari 1800 de
eerste aangehouden geestelijken terugkeerden uit Franse en Belgische
gevangenissen en de kerkdeuren weer opengingen.
174. De kerken gaan open
Op 23 januari 1800 opende de politiecommissaris St.-Sulpitius, de
Lievevrouwkerk en die van het begijnhof. Nog diezelfde dag begonnen mensen aan
de nodige grote schoonmaak. Voortaan konden de gelovigen er weer de rozenkrans
bidden, af en toe een gebedsdienst bijwonen (een mis zonder priester aan het
altaar). Nog gold het bevel dat alleen beëdigde priesters mis mochten lezen. En
die waren er in Diest niet. Toch celebreerden de anderen toch heimelijk in de
sacristie. Langzaam bleek het dat ook zij zich nu vrijer konden bewegen. De
pastoor en onderpastoor van de Lievevrouwparochie hielden zich nog schuil. In
januari reeds vulden de paters Peeters en Van Hespen nog vele nooddopen aan (zie nr. 159). Vanaf april doopte de onderpastoor weer,
maar nog altijd aan huis. Ook de kerkelijke huwelijken gebeurden nog ergens in
de parochie, zoals de registers vermelden. Zeker vanaf september was ook
pastoor Van Hout weer present. Het was een hele opluchting toen de mensen einde
juni 1800 vernamen dat Napoleon een concordaat wilde sluiten met de paus. Maar
dat vergde lange en moeilijke onderhandelingen. Pas op 15 juli 1801 werd de
definitieve tekst getekend. In Parijs werd het concordaat afgekondigd met Pasen
(18 april) 1802. Vanaf Pinksteren kon in Diest alles weer gewoon gebeuren.
175. Het concordaat
Bij een overeenkomst moeten beide partijen water in hun wijn doen. Voor
de Kerk was het voornaamste winstpunt dat ze weer recht op bestaan kreeg. Maar
ze moest veel toegevingen doen. Daarbij ging Napoleon in de bijgevoegde
uitvoeringsbesluiten gans eigenmachtig te werk. Zo kreeg hij nog steviger
controle op het kerkelijk leven. Enkele punten uit het verdrag. De vroegere
bisschoppen moesten aftreden. Om financiële redenen werd het aantal bisdommen
sterk verminderd. Voor ons lans bleven slechts Mechelen, Doornik, Gent, Luik en
Namen over, met erg gewijzigde grenzen. De kopers van genationaliseerde
kerkelijke goederen – zwart goed noemden de mensen het – zouden niet meer
lastig gevallen worden. Als tegenprestatie zou de regering voor een passend onderhoud
van de bisschoppen en pastoors zorgen. De toekomstige keizer zou zelf de
bisschoppen benoemen en die de pastoors, maar enkel mensen die in de gratie van
de regering stonden. Ondanks alle toegevingen van de Kerk waren de verwoede
republikeinen met dit verdrag geenszins in hun schik. De gelovigen waren
opgelucht. Ze wisten niet wat Napoleon nog allemaal voor zich hield.
176. Reorganisatie
Het concordaat bracht grote veranderingen mee. In heel ons uitgestrekt
nieuw bisdom Mechelen-Antwerpen bleven er omwille van de bezuinigingen slechts
dertig parochiekerken over en evenveel pastoors, namelijk in elk
vrederechterlijk kanton één. In het kanton Diest was dat de
St.-Sulpitiusparochie. De overige veertien kerken van het kanton werden
gedegradeerd tot bijkerken met een bedienaar, de rector. De priesters moesten
trouw aan het concordaat beloven. Voor onze nieuwe, Franse bisschop, J. de
Roquelaure, omvatte dit ook de eigenmachtige uitvoeringsbesluiten van Napoleon,
waarmee niet iedereen akkoord ging. Alle betrekkingen werden open verklaard en
de bisschop deed nieuwe benoemingen. In afwachting daarvan zette iedereen zijn
vroeger ambt voort. Begin 1803 ondertekende Siardus Van Hout nog als pastoor.
In augustus tekent hij als rector en heet hij Petrus. Hij heeft zijn
kloosternaam moeten afleggen en moet weer zijn doopnaam gebruiken. Het was een
dubbele verlaging van status: van pastoor tot bedienaar, van kloosterling tot
gewone priester. Bovendien zou hij geen staatswedde trekken. Die was slechts
voor het handjevol pastoors. Bedienaars van bijkerken en onderpastoors moesten
zich tevreden stellen met een vergoeding van de gemeente.
177. Geldmiddelen voor de Kerk
De kerken waren opnieuw geopend, de bedienaren van de eredienst
aangesteld. Intussen regelden de prefecten en de bisschop het beheer van de
geldmiddelen van de Kerk. De eersten stelden drie kerkmeesters aan voor het
bestuur van de goederen; in de Lievevrouwparochie Jan Jozef Troosters, Arnold
Cox en Arnold Hermans. Voorlopig werden de kerkbezittingen nog nationaal
beheerd. Als ze teruggegeven werden, zouden die inkomsten volstaan voor een
goede werking. In afwachting dacht het stadsbestuur in juli 1803 eraan een
belasting op te leggen aan wie deze last kon dragen. De gemeente zou ook de
dienstdoende priesters betalen, zolang de staat hun geen wedde gaf. De nieuwe
kerkmeesters stonden voor een moeilijke opgave. Voor sommige gronden stonden de
huren open sinds 1795. Wel te begrijpen voor de kartuizers van Zelem, die
verjaagd waren. Bepaalde hooigewassen in het broek van Diest, Halen,
Molenstede, Zelem, Zelk en Zichem leverden tot Napoleon niets meer op. Sinds
1797 kon onze stad geen intrest meer betalen op de lening voor de aanleg van de
steenweg naar Leuven. De nieuwe beheerders spanden zich in om al die achterstallen
zo mogelijk nog te innen.
178. Nieuwe inkomsten
Volgens de uitvoeringsbesluiten van het concordaat richtte de bisschop
voor iedere parochiekerk een plaatselijke beheerraad op voor de gewone
inkomsten en uitgaven van de eredienst, de kerkfabriek. Drie leden werden
daarvoor gekozen en de pastoor was voorzitter. Zij waakten over het onderhoud
en de kleine herstellingen van de bedeplaats, bezorgden de nodige middelen voor
het verloop van de eredienst. Daarvoor beschikten ze over de opbrengst van de schaal,
de offerblokken, de giften en de waskaarsen voortkomende van de lijkdiensten,
net als vroeger. Maar de bisschop ontsloot ook een nieuwe bron van inkomsten:
het stoelengeld. Daar was vroeger nooit een bijdrage voor gevraagd. Toen de
Lievevrouwkerk gesloten werd, stonden er 53 zit- en knielbanken. Nu werden er
meer en meer stoelen aangeschaft. Zo eentje kostte 1 gulden 2 oorden. Vanaf
1804 werd er stoelengeld gevraagd, wat toen maandelijks ongeveer 6 gulden in
het laatje bracht. Sommige mensen hadden graag een vaste stoel. Men kon daar
een abonnement op nemen. Die huren brachten jaarlijks 50 gulden op. De
kerkfabriek kon die nieuwe inkomsten goed gebruiken voor de luister van de
eredienst, zoals verdere bijdragen zullen aantonen.
179. Sint-Antonius
Het zal niemand verbazen dat deze populaire franciscaanse heilige in
Diest bij de minderbroeders vereerd werd. In 1749 vergrootte ze hun kerk met
een nieuwe Antoniusbeuk. De gelovigen konden er speciale aflaten verdienen op
het feest van de heilige (13 juni)
en iedere dinsdag. Op die dag was de heilige begraven en dat werd de
oorsprong van de devotie der negen dinsdagen. De paters bezaten ook relikwieën
van hun ordebroeder. Maar de Franse Revolutie maakte een bruusk einde aan deze
verering. Op 5 januari 1797 moesten de minderbroeders hun klooster verlaten.
Het werd verkocht. De kerk diende een tijd als paardenstal en werd daarna
afgebroken. Zouden de mensen nu voorgoed de hulp van hun geliefde voorspreker
moeten missen, die ze ook voor kleine zaken mochten aanspreken? Pastoor Van
Hout voelde hun nood en zou Antonius naar zijn kerk halen. In november 1805
werd zijn beeld geplaatst op het vroegere altaar van St.-Jozef, waar het nu nog
altijd prijkt.
180. H. Antonius in de O.-L.-Vrouwkerk
We weten niet of het huidige beeld uit de kerk van de minderbroeders
stamt. Het is een minder gebruikelijke voorstelling. Ze herinnert aan de
volgende legende. Te Rimini versmaadde een uitgehongerde ezel het aangeboden
voer en boog de knieën voor het H. Sacrament dat Antonius droeg. Hierop ging
ook zijn baas in de eucharistie geloven. Op een biechtstoel die de parochie van
de minderbroeders kocht, vindt men een meer gewone afbeelding van de heilige:
Antonius met op de arm het kind Jezus dat op een boek zit. Het verhaal gaat dat
de heilige ’s nachts het Jezuskind op bezoek kreeg. Het boek wijst erop dat hij
goed de H. Schrift kende en er met vuur over preekte. Hoe de heilige ook wordt
voorgesteld, hij heeft altijd een jong voorkomen. Hij was dan ook pas 36, toen
hij in Padua overleed.
181. Een bloeiende devotie
Op 17 oktober 1805 vroeg pastoor Van Hout aan de pauselijke gezant bij
Napoleon dat de aflaten die aan de minderbroederskerk verleend waren, omwille
van de relikwieën van St.-Antonius, voortaan in zijn kerk verdiend zouden kunnen
worden, daar die de relikwieën had gekregen. Via vicaris-generaal Forgeur kwam
een bevestigend antwoord op 16 mei 1806. Toegestaan, maar op woensdag. In het
begin gebeurde de Antoniusmis in de Lievevrouwkerk dus op woensdag. Die dag was
er ook een speciaal lof. Vóór het altaar van de geliefde heilige werden in 1808
een antependium, kandelaars en ruikers gekocht. Dankzij milde gaven kon het in
1818 als marmer geschilderd worden.
182. Broederschap
In 1846 werd een broederschap van St.-Antonius opgericht. Het
aansluitingsgeld bedroeg één frank. Daarbij betaalden mannen een jaarlijkse
bijdrage van 75 centiem (waarschijnlijk als gezinshoofd), vrouwen 25 centiem.
De aangeslotenen kregen bij hun overlijden een mis. Daarbij werd er elk jaar
een plechtige lijkdienst gecelebreerd voor de afgestorven leden. Jaarlijks werd
er ook een andere solemnele mis opgedragen voor de levende broeders en zusters.
In 1865 telde de broederschap 196 vrouwelijke en 61 mannelijke leden. Het feest
van Antonius werd gedurende acht dagen (een octaaf) gevierd. De eerste mis werd
dan om vijf uur ’s morgens gelezen! Zo moest niemand zijn werk verletten. Een
lof met sermoen om 20 uur sloot de dag af. Iedere dinsdag was de kerk propvol
vereerders.
183. Aankopen
Pastoor Van Hout haalde niet alleen de devotie tot St.-Antonius naar
zijn kerk. Hij bevorderde ook de reeds bestaande uitingen van vroomheid. Reeds
lang was er buiten de kerk een H. Graf gebouwd, omgeven door een staketsel.
Daar kwamen de mensen Christus in het graf vereren. Tijdens de laatste dagen
van de Goede Week werd erbij gewaakt. Het kerkbestuur liet het verven en
vernieuwen (1805). Bij de Leuvense schilder Antoon Clevenbergh werden
schilderijen van St.-Rochus en St.-Anna besteld (1804). Samen voor 135 gulden.
St.-Anna, moeder van Maria, werd veel aangeroepen als de kinderzegen uitbleef.
Rochus kon men niet missen in de strijd tegen besmettelijke ziekten. Deze
heiligen kregen ook een nieuw altaar, samen 43 gulden, met de nodige
antependia, voorhangsels die de altaartafel een feestelijk uitzicht gaven.
184. Aankopen uit verdwenen kloosters
De minderbroeders Daems en Mondelaers verkochten aan de parochie elk
een biechtstoel die aan de Fransen ontsnapt was, voor 100 gulden. Voor de
uitgedreven kloosterlingen had het concordaat immers niets opgelost: kloosters
bleven verboden, behalve dan de onmisbare broeders en zusters in de verpleging,
zoals de gasthuiszusters, alexianen en grauwzusters. Hadden de anderen nog wat
uit hun klooster kunnen redden in de hoop dat alles weer als vroeger zou
worden, stilaan bleek deze verwachting niet uit te komen. Sommige in de stad
gebleven minderbroeders, augustijnen en begaarden trokken nu en dan een kleine
vergoeding als ze in de parochiekerken dienst bewezen. Nu begonnen ze hun mager
onderhoud aan te vullen door de verkoop van allerlei liturgische voorwerpen
waarvoor ze geen gebruik meer verwachtten: missalen, kelkdoekjes, kazuifels. Te
Leuven bestelde de parochie in 1806 een klok voor 718 gulden. Het jaar daarop
bezorgde pater Crampen van de begaarden aan de parochie een klein klokje van
192 gulden. De kleine klokjes dienden onder andere voor het slaan van het uur
en het halfuur.
185. Nog meer aankopen
Broeder Jacobus van de begaarden maakte voor de parochie in 1807 een
houten monstrans om de hostie ter verering uit te stellen tijdens het lof. Het
prachtstuk uit 1671, dat men nu kan bewonderen in het stedelijk museum, was
natuurlijk niet voor dagelijks gebruik bedoeld en bleef voorlopig best nog
veilig opgeborgen. Later, in 1820, schafte de parochie bij de Leuvense
koperslager, P.J. Donckers, een gewone koperen monstrans aan tegen 35 gulden.
Datzelfde jaar leverde die ook een roodkoperen wierookvat voor 18 gulden. In
1834 zou de parochie daar ook twaalf mooie koperen kandelaars bestellen, die
nog gebruikt worden. Zwaarder drukte op het parochiebudget van 1811 de aankoop
van misgewaad en ornamenten bij Baye in Antwerpen voor liefst 1600 gulden. De
kerk was nochtans reeds goed voorzien van kazuifels, koorkappen en bijhorende
gewaden voor diaken en subdiaken in alle liturgische kleuren. Om de uitgaven te
drukken, deden de kerkmeesters soms ook wel iets van de hand dat niet direct
meer nuttig was. Zo verkochten ze in 1818 aan de pastoor van Miskom een altaar
dat opgeborgen stond in de schatkamer. Dat bracht 9 gulden, 16 stuivers op. In
1821 verkochten ze een kelk. Het gebeurde wel eens dat de parochie een
kunstwerk kreeg. In 1823 moest schilder P. De Craen een schilderij schoonmaken
dat aan de kerk geschonken was. Hij ontving daarvoor 4 gulden.
186. Het kostershuis
Uit vorige stukjes weten we dat de parochie, ondanks enkele jaren
ondergronds bestaan, zich springlevend toonde toen ze weer wat vrijheid genoot. Deze bijdrage onderstreept dat nog. De kerkmeesters
wilden zo vlug mogelijk een huis bouwen voor de koster. Sinds 1791 was dat nog
altijd Jacob Verreydt. Zijn zoon Victor volgde hem in 1814 op. In 1868 werd
Julien Mattijs tot koster aangesteld. De koster zou gratis in het huis mogen
wonen als tegemoetkoming in zijn loon. Verder mocht hij nog het zuidelijk
kerkhof als tuin gebruiken, als vergoeding voor het opwinden van het uurwerk.
Zijn vast maandloon bedroeg aanvankelijk 9 gulden, 6 stuivers. Reeds op 18
maart 1803 sloten Johan Jozef Troosters en zijn zuster Kristina voor notaris
Cox een overeenkomst, waarbij ze aan het kerkbestuur 544 frank 21 centiemen
leenden ofte 300 gulden. Alhoewel sinds 1795 de franc als officiële munt gold,
rekenden de mensen nog altijd met gulden en stuivers. Reeds in 1807 kon deze
lening terugbetaald worden, samen met de intrest voor drie jaar. Het nieuwe
huis zou opgetrokken worden op een gedeelte van het kerkhof ten zuiden van de
kerk. Na restauratie (1982-1983) dient het huis thans als woning voor de
pastoor (zie de foto bij nr. 237).
187. Eerbied voor de doden
De nieuwe woning voor de koster werd gebouwd op grond van de kerk: het
kerkhof. Sinds 1798 werd daar niet meer begraven, maar de jaren voordien was de
begraafplaats intens gebruikt, daar ook de overledenen van St.-Sulpitius sinds
1784 hier hun laatste rustplaats kregen. Was het kerkhof vol, dan gebeurden de
teraardebestellingen weer een tijd rond de St.-Janskerk. In maart 1805 werd een
deel van de parochiale dodenakker zuidelijk langs de kerk ontruimd. De
geraamten werden opgedolven in aanwezigheid van minderbroeder Christiani en
elders opnieuw begraven. Voor die afgestorvenen werd een mis gezongen en ook de
pastoor las nog missen voor hen. Pater Lina preekte bij gelegenheid van de
ontruiming een hele meditatie over de dood. Dit fijngevoelig, schroomvol omgaan
met stoffelijke menselijke resten geeft te denken aan hedendaagse mensen, in
een tijd die niet zo angstvallig met de doden omspringt.
188. Het parochiale kerkhof
Nu er niet meer begraven werd, werden ook andere
delen van het kerkhof als tuin verhuurd. De oude weg die van de Bruidstraat
naar St.-Annendaal voerde, werd afgeschaft en bij het kerkhof ingelijfd (1820).
De stad kocht een deel van de begraafplaats langs de Begijnenstraat (1821). Ze
waren het er nog niet over eens of daar een openbaar plein zou komen of
bouwplaatsen. Maar voor die laatste bestond onvoldoende belangstelling. In 1845
keurde de raad het goed dat een van de beide botermarkten daarheen overgebracht
zou worden. Maar de mensen kwamen er niet op af. Reeds in 1855 werd er gedacht
aan gasverlichting in Diest. De nodige gashouder zou kunnen opgesteld worden….
juist op het kerkhof. Maar dat is niets geworden. In 1864 werd het kerkhof
gelijkgemaakt, met bomen beplant en afgespannen met een ketting aan arduinen
palen. Rond die tijd wilden sommigen er nogmaals de botermarkt oprichten, maar
een rondvraag onder de bevolking kelderde dit voorstel. Ook het plan uit 1878
om er de varkensmarkt te houden, bleef een hersenschim. Dat er soms (1880)
vuilnis uitgestort werd als de straten geruimd werden, was echter harde
werkelijkheid.
189. Als de oorlog woedt
In het stukje over het kerkhof keken we vooruit tot diep in de 19de
eeuw. We keren nu op onze stappen terug, naar de tijd van Napoleon. De
activiteiten in de kerk en de aankopen zouden misschien het vermoeden wekken
dat de mensen toen in een paradijselijke toestand leefden. Niets was minder
waar, zoals volgende bijdragen zullen aantonen. Zolang Napoleon aanbleef (tot
1814), was er oorlog. Dagelijks las de priester voor het epistel een bijkomend
gebed in oorlogstijd. Na het lof werd een extra psalm voor de vrede ingelast,
die vele Diestenaars aanging. Vele jongens die een laag nummer hadden
getrokken, waren ingelijfd in het Franse leger. Wie niet direct erin was
geloot, werd bij de reserve ingedeeld en kon nog opgeroepen worden.
Kapitaalkrachtigen konden een plaatsvervanger huren. Maar hun prijs steeg snel.
In 1805 vroegen ze reeds 1000 gulden om te vervangen. De slagvelden verslonden
veel levens.
190. Soldaten van Napoleon
Hoeveel jongens van Diest opgeroepen werden, is niet geweten. Ook niet
hoeveel er sneuvelden. Het best zijn we ingelicht over militairen die in een
ziekenhuis stierven. De directeur van het hospitaal liet immers het overlijden
aan de gemeenten weten. Voor zover men kan nagaan, kwamen er in Diest 23
overlijdensberichten binnen uit hospitalen over heel Europa: Bayonne, Brest,
Brussel, Florence, Hamburg, Luxemburg, Madrid, Namen, Pamplona, Parijs,
Salamanca, Saintes, Valencia, Wenen en nog andere plaatsen. Dikwijls luidde de
doodsoorzaak: koorts. Misschien het gevolg van verwondingen. De geneeskunde
beschikte nog niet over onze moderne middelen in de strijd tegen kwetsuren.
Sommigen stierven aan tering. De berichten kwamen soms lang na de feiten. Pas
in 1816 vernam de familie Corns uit de Begijnenstraat dat hun zoon Christiaan
in 1807 te Braunau overleden was. Het gezin Sroyen-Meers zag hun zoon Jan onder
dienst gaan in 1805. Reeds in 1807 bezweek hij aan koorts, maar dat werd pas in
1818 gemeld. Heel wat mensen vernamen nooit meer iets over de opgeroepene. Over
wie op het slagveld gebleven was, werd aan de gemeente niets meegedeeld. Over
de slachtoffers van de veldtocht tegen Rusland bestaan nergens veel gegevens.
Ouders en familieleden werden misschien soms nog ingelicht door een
strijdmakker.
191. Ter ere van de keizer
Op 2 december 1804 kroonde Napoleon zichzelf tot keizer. In 1807 kreeg
het stadsbestuur van Diest de richtlijn dat iedere grote gemeente op de
verjaardag van de kroning een bruidschat moest geven aan een meisje dat op die
dag met een oudstrijder trouwde. De stad trok daar toen 250 frank voor uit. Dit
werd een jaarlijks gebruik. Het eerde vooral het jonge bruidje dat haar leven
opofferde in dienst van een invalide. Zo Annemarie Kayzer, die op 3 december
1811 met Norbert Naerhuysen uit de Lievevrouwparochie trouwde. Hij had in het 8ste
linieregiment gediend. Op 7 december 1812 trad een andere parochiaan, Filip
Poels, in het huwelijk met Johanna Van Haesendonck. De man had in Pruisen,
Polen en Spanje gevochten. Het paar ontving van stadswege 600 frank als
bruidgift. Voor het laatst werd dit geschenk in november 1813 verleend. In
april 1810 was de keizer met Marie-Louise getrouwd. Ook die keer gaf de stad
een som mee aan twee oudgedienden bij hun trouw.
192. Een nieuwe catechismus
Leefden de ouders met dienstplichtigen onder grote ongerustheid, ook de
Kerk kende vele kopzorgen. In 1807 legde Napoleon aan alle katholieke
onderdanen van het keizerrijk een nieuwe catechismus op. Daardoor matigde hij
zich eigenlijk een recht van de bisschoppen aan. Velen ergerden zich aan de
nadruk die het boek legde op de plichten jegens de keizer: ‘De christenen zijn
schuldig aan de prinsen die hen besturen – en wij in het bijzonder aan Napoleon
de Eerste, onze keizer – liefde, eerbied, gehoorzaamheid, trouw, militaire
dienst en belastingen’. Wie daaraan tekortkwam, wachtte de eeuwige verdoemenis.
Geen wonder dat er zoveel verzet oprees. Een priester van het Begijnhof te
Diest liet clandestien een boek verschijnen: ‘De katholieke vader lerende zijn
bejaarde kinderen’. Die vader verwittigt zijn kinderen, die zelf reeds ouders
zijn, ervan dat de catechismus niet de goedkeuring van de paus wegdraagt.
193. Een nieuwe heilige
In het Frankrijk van vóór de revolutie, waar de meeste koningen Lodewijk
heetten, was de H. Lodewijk een nationale feestdag. Nu zouden ze de geboortedag
van Napoleon (15 augustus) met grote plechtigheid vieren. De keizer wenste daar
ook een godsdienstig kleedje aan te geven met een luisterrijke dienst in de
kerk en een processie. Maar op die datum vierde men reeds sinds jaar en dag de
tenhemelopneming van Maria. Doch daarmee was de eer van de keizer niet gediend.
Er moest die dag iets als zijn naamheilige komen. Ijverig werd er naar een
patroon gezocht, maar een St.-Napoleon stond nergens vermeld. Ten slotte redde
een martelaar uit Alexandrië, die in de 4de eeuw leefde, de keizer
uit de verlegenheid. Wel ging het om een Neapolis of Neapolus. Op een paar
letters werd er niet gekeken. In 1814, toen de Fransen weer naar huis waren,
was St.-Neapolis reeds lang vergeten, maar op 14 augustus dat jaar werden de
kapelletjes van de Zevenweeënstraat opgeknapt. De beeldjes werden er weer
ingezet voor de Mariaprocessie ’s anderendaags, zoals het vroeger was geweest.
194. Bidden voor de keizer
Op last van de keizer werden bij zijn overwinningen Te-Deums
aangeheven, de plechtige dankhymne van de Kerk, zo genoemd naar de Latijnse
beginwoorden ‘Te Deum laudamus’ (‘U, God, loven we’). Na de hoogmis werd het
‘Domine salvum fac’ (‘Heer, schenk heil aan…’) gezongen voor de republiek en de
consul, later voor de keizer (dit gebeurde ook nog voor koning Boudewijn). En
in de daarop volgende oratie was er sprake van de zeer christelijke en devote
dienaar van God. Toen Napoleon in 1809 de pauselijke staten had ingelijfd, in
de kerkban geslagen was en de paus gevangen zat, kon deze bede nog moeilijk
over de lippen komen. In het bisdom Mechelen weigerden 300 priesters dat nog te
zingen. Ten andere, de gelovigen stapten dan ostentatief op. Dus was de hoogmis
op vele plaatsen een gelezen mis en dan verviel het gebed voor de keizer.
Pastoors die het gebed niet lazen, werden gestraft, zoals Petrus van Bever van
het Begijnhof (zie nrs. 137 en 167).
195. Stevenisten
Het aanmatigende optreden van Napoleon lokte natuurlijk verzet uit. De
hevigste tegenstanders wezen het hele concordaat af en scheurden zich af van de
Kerk, die ze de nieuwe Kerk van Napoleon noemden. Ze werden ten onrechte
Stevenisten genoemd, naar Cornelis Stevens, de vicaris-generaal van het bisdom
Namen. Die bleef de nieuwe bisschoppen als wettig erkennen, maar verzette zich
tegen sommigen nadere regelingen. Op het Begijnhof woonde zulk een harde groep.
Toen pastoor Van Bever mordicus weigerde voor de keizer te bidden, verbood de
bisschop hem nog verder mis te lezen. Bij zijn overlijden (1817) werd hij
burgerlijk begraven. In augustus 1813 hielden de gendarmen drijfjacht op het
Begijnhof. Enige priesters en begijntjes werden gevankelijk naar Brussel
gevoerd. Er waren bij hen boekjes tegen de regering gevonden. Enkele dagen
later moesten alle begijnen het hof verlaten. Hun nieuwe woonplaats moest twee
uur van Diest verwijderd zijn. We betwijfelen echter of dit bevel van de
prefect stipt uitgevoerd werd.
196. De parochie afgeschaft
Het decreet van 30 september 1807 trof de Lievevrouwkerk als een
donderslag bij heldere hemel. Ze werd namelijk niet meer behouden als hulpkerk.
In maart 1809 kwam het rondschrijven van de minister die de uitvoering regelde.
Praktisch kwam het erop neer dat de staat de bedienaar niet meer zou
bezoldigen. Overigens ging de werking voort. Pastoor Van Hout deed dienst tot
in juli 1810 en verhuisde naar het Begijnhof, waarschijnlijk als gevolg van de
nieuw geschapen toestand. In 1814 stierf hij in het hospitaal aan dysenterie.
De dienst in de kerk werd intussen voortgezet door de onderpastoors en deken
Vandermoeren van de St.-Sulpitiuskerk, die de registers ondertekenden als
bedienaar van de Lievevrouwparochie. In 1815 was het rijk van Napoleon uit en
werden onze streken bij Nederland gevoegd. Mensen van de parochie trokken nu
hun stoute schoenen aan en verzochten het gemeentebestuur om de
Lievevrouwparochie opnieuw in te richten en een eigen pastoor te geven. Want nu
werd de zielzorg verwaarloosd. Vooral ’s nachts, als er zieken moesten bediend
worden, duurde het soms lang vooraleer een priester ter plaatse was. De
burgervaderen beloofden hun medewerking bij de kerkelijke overheid. In december
1816 werd eindelijk een nieuwe pastoor aangesteld, Petrus de Geest.
197. Hollands bewind
Tijdens het Hollands bewind mocht geen enkele kerk of kapel gebruikt
worden zonder toestemming van de koning. In overleg met het bisdom werd een
lijst van de noodzakelijke bidplaatsen opgemaakt. De aanvraag moest ingediend
worden bij de koning. In 1824 dienden enkele vooraanstaanden van de parochie
een smeekschrift in bij de bisschop om de O.-L.-Vrouwkerk als kapel te
behouden. De gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de provincie, vroegen
aan de gemeenteraad om advies. De raad oordeelde dat de kerk niet afgeschaft
kon worden zonder groot nadeel voor veel mensen. Volgens normen van 1786 moest
men bij het bouwen van een parochiekerk erop letten dat de helft van de
parochianen erin kon. Zelfs de grote St.-Sulpitiuskerk zou de mensen van de
Lievevrouwparochie er niet meer bij kunnen nemen, was de redenering. Het
verzoek viel in goede aarde. In juli 1827 was er feest in de parochie. Koning
Willem I had een concordaat met paus Leo XII gesloten. Bij die gelegenheid was
de kerk rijkelijk versierd, wat 11 gulden kostte.
198. Sint-Bernardsdal
Na de verwoesting van hun abdij in 1578 op de Kloosterberg hadden de
cisterciënzerinnen zich in de Hasseltsestraat gevestigd, op de plaats waar
later het stedelijk ziekenhuis zou komen. Het waren religieuzen van de orde van
Cîteaux. St.-Bernardus had hun orde tot bloei gebracht. Daarom heette hun
vestiging St.-Bernardsdal. Op 14 november 1796 moesten de twintig zusters hun
klooster verlaten. Ze vonden onderdak aan de overkant, in de reeds eerder
onteigende commanderij van de Duitse ridders. De kerk van St.-Bernardsdal werd
afgebroken en de overige gebouwen verkocht. De zusters verkochten aan de
Lievevrouwparochie in 1817 een neteldoeks communiekleed, een tapijtje en
kerklinnen. Voor 9 gulden en 12 stuivers boden ze ook een 18de-eeuws
beeld van de H. Agatha met omlijsting aan. Dat kreeg zijn plaats rechts in het
koor van de Lievevrouwkerk. Agatha was een martelares uit Sicilië. Om haar van
Christus te doen afvallen, liet men haar hevige folteringen ondergaan. Haar
borsten werden afgesneden. Daarom wordt ze voorgesteld terwijl ze die op een
schotel draagt. Ze werd vereerd om haar moedig geloof en zuiverheid. De mensen
riepen ook haar voorspraak in tegen brandgevaar.
199. Onvervulde verwachtingen
De zusters gaven aan de parochie ook hun relikwieën van het H. Kruis en
van de heilige Jozef, Agatha en Barbara. Alle gezet in zilveren doosjes, met de
bijhorende getuigschriften van echtheid. Maar er werd wel één voorwaarde
vastgelegd. De Lievevrouwkerk zou de relieken en het beeld van Agatha moeten
teruggeven ‘als we het geluk zouden hebben nog eens te worden hersteld’. De
vooruitzichten hierop waren echter somber. In 1818 bepaalde Willem I dat
contemplatieve orden (vooral gewijd aan het gebed) geen nieuwe leden mochten
aannemen. Orden en congregaties die zich aan onderwijs of ziekenverpleging
wijdden (zoals de gasthuiszusters, alexianen en grauwzusters), moesten hun
statuten aan de regering voorleggen. Dan konden ze wettig bestaan. Deze
maatregel veroorzaakte veel ongenoegen in ons land. De Belgische grondwet zou
de volledig vrijheid geven aan de kloosters. Maar de Diestse cisterciënzerinnen
kwamen de slag niet meer te boven.
200. Alles verslijt
In de bijdragen 43, 44 en 45 schreven we dat de
Lievevrouwkerk in 1675 een orgel besteld had bij Jan Dekens in Mechelen. Het
werd geregeld onderhouden en hersteld, maar intussen was het 150 jaar oud
geworden. Na het concordaat van Napoleon kon de organist van vóór de revolutie,
Johan Kennes, zijn taak weer aanvatten. Na zijn overlijden (1809) sprong pater
Van de Bon een tijdje in. Vanaf 1811 tot in de veertiger jaren speelde Felix
Vostes. In 1812 nam vader of zoon Van Overbeek, orgelbouwers uit het Mechelse,
het orgel grondig onder handen, voor 335 gulden. In 1821 vergde het klavier
reparaties. Beantwoordde zijn klank niet meer aan de toenmalige romantische
smaak? Was het versleten? Wat er ook van zij, rond 1824 – Hendrik Timmermans is
dan pastoor – begonnen mensen te geven voor een nieuw orgel. Theresia Potdoer
had er 100 Franse kronen voor over (325 gulden) en Katharina Mathijs 200
gulden. Daar zou echter nog veel gebedeld moeten worden. Het chronogram op het
huidige orgel liegt er niet om: ‘Civium donis constructa fuerunt’ (‘gebouwd met
de giften van de inwoners’). Onderpastoor Vervoort, de oom van de bekende
weldoener van de armeninstellingen, schoot later, in de Belgische tijd, nog
5.986 frank voor. Pas in 1853 werd hem het laatste van de schuld afbetaald.
201. Onze orgelbouwer
In ons land leefden er in die tijd twee befaamde geslachten van
orgelbouwers: Van Peteghem met 300 instrumenten op zijn naam en De la Haye, die
er 200 schiep, zowel voor Nederland als België. De kerkmeesters van de parochie
wendden zich tot Jan-Jozef De la Haye (1786-1845) uit Antwerpen, die zelf soms
met Delhaye ondertekende. Het werd van onze kandidaat kon best de vergelijking
doorstaan met dat van de late Van Peteghems. Hij was bedreven in zijn vak en
deponeerde een brevet voor de verbetering van het pedaal. Hij hechtte veel
belang aan de orgelkast. In de Lievevrouwkerk is het een klassiek geïnspireerd
meubel. Zulke neoklassieke orgelkasten zijn zeer zeldzaam. In onze streek staan
nog orgels van zijn hand: in Glabbeek (St.-Nicolaas), Kumtich (St.-Egidius) en
Paal (St.-Jan de Doper). Ze zijn van latere datum. Aan het instrument in de
Lievevrouwkerk begon de meester in 1827. Het kan moeilijk dat het orgel reeds
in 1828 af was, zoals het chronogram zegt. Nog in 1846 voegde zijn zoon er
belangrijke stukken aan toe. De familie zorgde nog lang voor het onderhoud.
202. Het orgel
Het was zeker een blijk van vertrouwen vanwege de Antwerpse meester dat
J.L. Verspeek, een schrijnwerker uit de parochie, de orgelkast mocht uitvoeren.
Ze kostte 202 gulden. Er kwamen veel ornamenten bij te pas: rozetten (op een
roos gelijkende versiering), olijfbladen, palmen. Niet te vergeten de slang
rond de wijzerplaat van het uurwerk, die zich in de staart bijt. Dat is een oud
symbool voor de eeuwigheid (geen begin noch einde). Dat alles leverde J.J.
Petrolini uit Brussel. Belangrijker was natuurlijk het binnenwerk. De meester
gebruikte meer dan het doorsnee gehalte tin voor de pijpen. De kritiek uit die
tijd noemde het een goed orgel. Over de oorspronkelijke klank kunnen we niet
meer oordelen, want het binnenwerk werd gedeeltelijk veranderd in 1875 en 1892
door orgelbouwer Stevens uit Duffel. Met de aanschaf van dit orgel had de
parochie haar financiële mogelijkheden overschat, omdat de kerk niet van rampen
gespaard bleef, zoals we nog zullen zien. De parochie stak diep in de schuld en
verkocht in 1837 zilveren kandelaars en een beeld van O.-L.-Vrouw van Smarten
en van St.-Jozef. De pastoor van Horpmaal nam het oude orgel over voor 736
gulden en nog moesten de geldschieters wachten. Over het muziekleven in de kerk
zullen we eerlang handelen.
203. De instorting
In bijdrage 109 schreven we dat in 1754 een kolom aan het koor scheurde. Ze werd met ijzer gebonden en
geankerd. Enkele stenen werden vervangen. Men was weer gerust. Bij zijn
jaarlijkse kerkvisitatie in oktober 1829 noteerde deken Mafoy: ‘De kerk is
proper en heeft geen vermeldenswaardige reparaties nodig’. Zo leek het, maar op
woensdag 30 juni 1830 om half elf ’s avonds begaf de pilaar van het koor naast
het St.-Jozefsaltaar het. In die hoek kwamen een deel van het gewelf en van de
koormuur naar beneden. Gelukkig werden er toen zo laat nooit diensten gehouden,
zodat er geen slachtoffers vielen. Ondanks de verwoesting gingen de vieringen
in de kerk zo goed en zo kwaad als het ging voort. Onderpastoor Vervoort diende
op 4 juli reeds een doopsel toe. De doopvont achteraan bleef natuurlijk
gespaard. Op 12 juli vond er een begrafenis plaats. Maar de devoties tot de H.
Antonius en St.-Jozef leden wel onder de schade aan de zijaltaren, wat zich
uitdrukte in de schaal en de offerblokken. Aandachtige lezers zullen reeds
gemerkt hebben dat we de instorting enigszins anders dateren dan gebruikelijk
(in de nacht van 2 juli). Onze datum (30 juni) steunt op de kerkrekeningen.
204. De schade
De instorting berokkende in die hoek van het koor grote schade. Het dak
en de muur moesten daar worden afgebroken, twee vensters vernieuwd. Steenkapper
J. Prevenaire hieuw bijna een jaar lang stenen. Voor de vernielde vloer kocht
men blauwe en grijze plaveien, ook wit en rood marmeren uit het Naamse
(Samson). Schrijnwerker K. Van Roo uit de parochie werkte in 1836 maandenlang
aan het gestoelte. Architect Van Arenbergh had de supervisie over het geheel.
Ook de altaren in de noordelijke dwarsbeuk waren getroffen. Dat van St.-Jozef
natuurlijk het ergst, maar zelfs dat van O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën was
beschadigd. In de andere dwarsbeuk had ook het altaar van St.-Antonius geleden.
Schrijnwerker L. Verspeek verving onder andere twee tombes, het eigenlijke
lichaam van een altaar. Het geheel van de werkzaamheden kostte 19.575 frank
(sinds 1833 rekenden de Belgen met franken). Er werd 3877 frank ingezameld in
de stad. Er kwam nog voor 2148 frank binnen. De provincie en de stad schonken
elk 2116 frank subsidie. De kerkmeesters schraapten 2510 frank bij elkaar. Oude
stenen, twee biechtstoelen, een zilveren kelk werden verkocht. Maar nog kwam
men 4707 frank te kort. Gelukkig schonken de grauwzusters 5800 frank renteloos
voorschot aan pastoor Timmermans. Tot in 1898 werd er op die schuld afbetaald.
205. Een curiositeit
Op de deur van een kast in de sacristie hangt nog een rouwaffiche van
pastoor Timmermans. Ze meet 35 bij 43 cm. In de 18de en 19de
eeuw werden zulke biljetten aangeplakt aan de kerkdeuren en naar de kloosters
verzonden. Ze vermeldden de naam en de leeftijd van de overledene en riepen de
gelovigen op tot gebed. De reusachtige doodsbrief in de sacristie lijkt vooral
voor priesters en kloosterlingen bestemd, want hij is in sierlijk, ronkend
Latijn opgesteld. De affiche werd te Leuven gedrukt bij de universitaire
drukkers Vanlinthout en Vandenzande. Bovenaan manen twee doodshoofden en
gekruiste beenderen tot ernst. Ze flankeren een kruis met het bekende opschrift:
‘Hodie mihi, cras tibi’ (‘Vandaag is het aan mij, morgen aan jou’).
Doodsbrieven van het huidige formaat verschenen pas in het begin van de 20ste
eeuw. Rouwaanplakbiljetten als dat in de sacristie worden thans nog gebruikt in
Brugge. Wat vertelt de rouwaffiche ons over pastoor Timmermans?
206. Hendrik Timmermans
De doodsbrief leert ons dat pastoor Timmermans in 1796 geboren werd in
St.-Martinus-Vissenaken en na zijn gymnasium het bisschoppelijk seminarie van
Mechelen bezocht. Bij zijn priesterwijding was hij 22 jaar. Zeer jong! Volgens
het huidige kerkelijk wetboek (van 1983) moet de wijdeling 25 jaar geworden
zijn. Ontheffing van één jaar kan gegeven worden. Maar in die tijd bestond er
nog geen eenvormig kerkelijk recht. Komt daarbij dat de priesteropleiding in de
Franse tijd tot 1800 onmogelijk was en later onder Napoleon veel moeilijkheden
ondervond, want de keizer wilde die naar zijn hand zetten. Er heerste dus
gebrek aan jonge priesters. In datzelfde jaar 1818 kreeg H. Timmermans zijn
eerste plaats als onderpastoor in Boom. In 1823 werd hij pastoor in de
Lievevrouwparochie. Het doodsbericht vermeldt zijn ijver voor zijn kerk na de
instorting van het gewelf. Hij heeft ze herbouwd dankzij de giften van de
gelovigen uit heel de streek. Dat wisten we reeds. Maar we vernemen ook dat
pastoor Timmermans zich de armen aantrok, zowel door het geven van aalmoezen,
als door het oprichten van een door iedereen geprezen armenschool, wat nog aan
de beurt komt.
207. Nog over pastoor Timmermans
De doodsbrief in de sacristie leert ook dat pastoor Timmermans hielp
bij de restauratie van het Grauwzustersklooster. De kopers hadden het als een
puinhoop achtergelaten. Onder Napoleon konden de zusters hun eigendom
terugkopen. Maar aan serieuze heropbouw kon pas gedacht worden na 1830, toen
België van Nederland was afgescheurd. Van de Belgische grondwet mochten
kloostergemeenschappen weer wettig bestaan. Er traden dan nieuwe novicen
binnen. We weten uit nr. 204 dat de zusters op hun beurt de O.-L.-Vrouwkerk uit
geldverlegengheid hielpen. Op 25 april 1837 overleed pastoor Timmermans, jong
en onverwachts. In de muur van het koor herinnert een zwarte steen met zijn
naam en het jaartal 1830 aan het werk van deze ijverige priester, die de kerk
ook een nieuw orgel bezorgde. In de 19de eeuw waren er nog
verdienstelijke pastoors van de O.-L.-Vrouwparochie, maar als de historische
bronnen over hen zwijgen, blijft de geschiedschrijving sprakeloos.
208. Werken met systeem
Nagelaten documenten bewijzen dat pastoor Timmermans zijn taak als predikant
ernstig opvatte. In 1828 kreeg hij van de bisschop voor vijf jaar vergunning om
verboden boeken te lezen en te bezitten. Dit om hun stellingen beter te kunnen
weerleggen. Tussen 1824 en 1828 noteerde hij trouw in een register het
onderwerp van zijn preken. Hij gaf ook aan op welke bladzijde in welk handboek
documentatie daarover te vinden was. Hij moest dus over een serieuze
persoonlijke bibliotheek beschikken. Even nauwgezet schreef hij er telkens bij
met welk Latijns citaat – meestal genomen uit het evangelie van de mis – hij
zijn predikatie zou beginnen. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen
de mis nog in het Latijn gebeurde, was een dergelijke aanvang van een sermoen
zeer gebruikelijk. Alhoewel in die tijd nog ieder jaar dezelfde lezingen
terugkwamen – nu pas om de drie jaar – behandelde de pastoor telkens een
verschillend onderwerp of aspect op die bepaalde zondag. Het aangelegde
register friste daarvoor zijn geheugen op. Op die manier kregen de mensen in de
loop der jaren de hele christelijke leer en moraal uiteengezet. Sommige
onderrichtingen waren wel tijdgebonden. Een paar voorbeelden. Een dienstbode is
aan zijn meester eerbied, gehoorzaamheid en trouw schuldig. Een andere keer
kwamen de plichten der meesters jegens hun dienstboden ter sprake. Met carnaval
werd er gepreekt over ‘dansvergaderingen’.
209. De Zusters van de Voorzienigheid
Het doodsbericht van pastoor Timmermans gewaagt van zijn school voor de
armen, door iedereen geprezen. Op zijn aanvraag kwamen er in de zomer van 1835
twee zusters naar Diest, om in de O.-L.-Vrouwparochie in oktober een
meisjesschooltje voor volkskinderen te beginnen. Ze behoorden tot de
congregatie van de Voorzienigheid. Die was al vóór de revolutie in Frankrijk
gesticht en bloeide er. Sinds 1822 werkten ze reeds op enkele plaatsen in
België. Diest zou de dertiende stichting in ons land worden. Hoe de pastoor die
toen minder bekende zusters heeft ontdekt, weten we niet. Sinds 1834 immers
hadden ze hun noviciaat in het verre Harlue bij Eghezée. Pas in 1836 werd
Champion hun moederhuis. Onderwijzende congregaties die gratis werkten voor
volkskinderen, waren toen nog schaars in ons land. De pastoor had dus geluk
gehad! Zuster Filomeen Burny, afkomstig van Elsene, sprak Vlaams. Zij kon de
meisjes leren lezen, schrijven en rekenen. De andere zuster, Helena Winand van
Jodoigne, nam het huishouden waar.
210. Lager onderwijs
Schoolplicht was er toen nog niet; pas in 1914 werd ze in ons land
ingevoerd. Maar de mensen begonnen toch meer en meer belang te hechten aan
lager onderwijs. Er bestonden op dat gebied in Diest reeds enkele
privé-schooltjes, bijvoorbeeld dat van Jean Louis Weesen in de Hal. Daar
betaalde men voor onderricht toen maandelijks 1,5 frank, zowat het dagloon van
een arbeider. Voor arme jongens en meisjes was er één school en één
onderwijzer. Links op het einde van de Begijnenstraat, tegenover de
Grauwzustersstraat, gaf Abraham Ouborg sinds 1827 les in een
huis van de stad. Hij mocht daar gratis wonen en ontving ook een vergoeding van
stadswege. Hij was afkomstig van Dordrecht en gehuwd met een Belgische. De
gemeentelijke jongensschool was daar tot in 1903 gehuisvest en telde in haar
glorietijd vier klaslokalen. Dat jaar verhuisde ze naar nieuwe gebouwen op het
terrein waar zich nu de stedelijke bibliotheek bevindt. Hoe de heer Ouborg alle
leergierige onbemiddelde Diestse scholieren in het eerste schooltje kon
onderbrengen en onderwijzen, is voor ons onbegrijpelijk. Vermoedelijk waagden
zich maar weinig meisjes in zulk een mierennest.
211. Een school voor arme meisjes
De stad was dus blij met de komst van de zusters. Van de congregatie
van de Voorzienigheid hadden ze nog niet gehoord. In het begin noemden ze hen
Zusters van Liefde. Vanaf Pasen 1835 huurde het stadsbestuur voor hen bij de
Burgerlijke Godshuizen het Palmboomgodshuis in de Grauwzustersstraat (zie nr. 122). Vóór de Franse revolutie woonden daar
zes bejaarden, zowel mannen als vrouwen. Het bestond uit een paar witgekalkte
huizen. Aanvankelijk moesten de zusters de ruimte nog delen met een gezin. De
religieuzen waren er eng en primitief behuisd zoals hun arme scholiertjes. Kwam
er een medezuster ven elders op bezoek, dan moest die gaan logeren bij de
grauwzusters. Slechts aan iets hadden ze geen gebrek: aan schoolkinderen, zeker
niet aan arme. We weten niet hoeveel onbemiddelde leerlingen er bij de start in
oktober 1835 les volgden. Na 1842 weten we hoeveel kinderen gratis lager
onderwijs mochten volgen. In 1844 kregen 232 jongens die kans bij meester Ouborg
en 208 meisjes bij de zusters. In 1846 zou de onderwijzer 268 jongens onder
zijn hoede hebben en de zusters 273 meisjes, als alle arme kinderen kwamen.
Maar zoveel zijn er nooit samen opgedaagd. Niemand moest immers naar school! In
de zomer bleven de leerlingen ten andere gemakkelijker afwezig om thuis te
helpen.
212. Veel leerlingen
De wet van 1842 gaf de gemeenten de opdracht voor kosteloos lager
onderwijs te zorgen, althans voor de behoeftigen. De term was wel ruim te
verstaan. Rechthebbende waren: wie geholpen werd door het armenbestuur,
arbeiders zonder enig ander inkomen dan hun loon, iedereen die onmogelijk
onderwijs kon betalen. In vorige bijdrage noteerden we voor een paar jaar
hoeveel kinderen daarvoor in aanmerking kwamen. Armen in engere zin woonden er
trouwend genoeg in Diest. In 1848 stonden 3000 van de 8000 inwoners op de
steunlijst. Voorlopig richtte de stad zelf geen kosteloos onderwijs in. Voor de
arme meisjes werd de school van de zusters aangenomen. Voortaan betaalde het
stadsbestuur de schoolbehoeften van de leerlingen, de verwarming van de klassen
en de wedde voor de zusters. Het schoolbezoek steeg. Mensen beseften steeds
beter dat scholing hun kansen verbeterde. Nog iets stimuleerde hen: om in
aanmerking te komen voor een jaarlijkse prijs voor zindelijkheid vanwege de
gemeente, moest men zijn kinderen naar school sturen. Een commissie bezocht de
huizen van de armen en verleende prijzen in natura aan de properste woningen.
Waar de kinderen trouw school liepen, hadden ze de beste kans daarop.
213. Stijgend succes I
In 1840 waren er reeds drie zusters nodig. Hun school moest dringend
vergroot worden. De stad betaalde een hogere huurprijs aan het bestuur der
godshuizen. Maar voor het schoolmeubilair stonden de religieuzen zelf in. Een tentoonstelling
met verkoop van kunst en antiek in de Halle, waarvoor de stad ook een mahonie
commode afstond, hielp hen door de hoogste nood heen. In 1847 telde de Diestse
kloostergemeenschap reeds vier leden. Ze vonden voor zichzelf een ruimer
onderkomen in de M. Theysstraat (1845), maar de armenschool voor meisjes bleef
nog in de Grauwzustersstraat gevestigd. Wel richtten de zusters in hun nieuw
verblijf een betalende school in, waar Frans werd gegeven. Dit op aandringen
van de burgerij. Ze aanvaardden er ook enkele internen. In 1858 lieten de
zusters hun oog vallen op de leegstaande bogaardenkazerne. De soldaten daar
waren intussen in de citadel ondergebracht. Maar de stad wou dit gebouw niet
goedkoop laten gaan. Een ferme prijs kon de overste niet betalen en de stad
behield haar eigendom.
214. Stijgend succes II
In 1860 konden de zusters de oude gendarmerie in de Demerstraat kopen.
Ze bouwden daar drie ruime, luchtige klassen. De school voor arme meisjes
verliet de Lievevrouwparochie en nam haar intrek op de Kaai in een stadsgebouw
dat vroeger als stedelijke brouwerij, later als slachthuis, had gediend (nu de
blok Van Havare – ACLVB). Maar lang zouden de zusters daar niet onderwijzen.
Reeds in 1859 werd er immers in de gemeenteraad de vraag opgeworpen of de stad
geen eigen gemeentelijke meisjesschool zou oprichten. De knoop werd in 1862
doorgehakt, toen de regering de stad verplichtte de stadsgebouwen zelf te
gebruiken. Op 1 maart 1863 vlogen de zusters buiten op de Kaai. Hun onderwijs
was niet meer aangenomen. Gelukkig waren hun nieuwe lokalen klaar. De
gemeenteschool voor arme meisjes bleef daar gevestigd tot in 1882, toen ze naar
de Peetersstraat verhuisde. De verdere geschiedenis van de gemeenschap van de
Voorzienigheid valt buiten het bestek van deze parochiekroniek.
215. De mensen van toen I
Voorafgaande bijdragen handelden over de activiteiten van pastoor
Timmermans en de zusters van de Voorzienigheid. Het is tijd dat ook de gewone
mensen eens aan de beurt komen, die in de periode 1830-1850 leefden. We
belichten enkele opvallende dingen. In de Schaffensestraat woonden toen nog zes
boeren, maar je telde er ook 24 winkels, naast vijf bakkers en drie slagers. Er
waren in heel die lange straat slechts vijf tappers. Naast geschoolde
arbeiders, zoals schrijnwerkers, schoenlappers, kleermakers, metselaars,
smeden, een koperslager, een gareelmaker en een schaliedekker, vond men er ook
veertien handwerkers en vijf dagloners. Sommigen kwamen als timmermans- of
molenaarsknecht of als bakkersjongen aan de kost. Maar ook voor ons vreemde
beroepen kwamen voor: een blijker, zakkendrager, woltrekker, een vrouw die vlas
hekelde, een wever, een barbier. Er woonden ook twee brouwers, een
azijnbrouwer, een jeneverstoker, een handelaar, een koopman in stenen en kalk.
Het was een drukke straat. Al wie uit de Kempen kwam, moest hier passeren.
216. De mensen van toen II
De Begijnenstraat was minder in trek voor handel: men vond er slechts
één bakker, één slager en één herberg. Er leefden 22 dagloners, die er nooit
zeker van waren dat ze de volgende dag aan de slag konden, en negen handwerkers
met een beetje meer zekerheid. Andere arbeiders werkten in dienst bij een
bepaalde vakman: schilder, schrijnwerker, kleermaker, pottenbakker,
schaliedekker. Maar ook van hen vielen velen in de winter zonder werk. Vrouwen
verdienden een schamel centje met breien, spinnen en strijken. In diezelfde
straat leefden echter ook onderwijzer Ouborg, drie renteniers en twee
ambtenaren. De paperassen van de administratie voedden toch nog maar enkele
mensen. Het valt op hoe weinigen op een kantoor werkten. In de
Grauwzustersstraat en de Zevenweeënstraat stonden maar enkele huizen. In de
Bruidstraat was geen enkele winkel of herberg. Boven, tegenover het kapelletje,
oefende een olieslager zijn lawaaierig bedrijf uit. We weten niet of de
geelgieter uit die straat ter plekke zijn gietwaren uit geel koper
vervaardigde. Benevens de gewone beroepen trof men er ook een zeldzame vogel
aan: een tewerkgestelde in de militaire bakkerij.
217. De mensen van toen III
In de Overstraat vermelden we het weeshuis (nu school van het
gemeenschapsonderwijs), waar 25 jongens en 28 meisjes verbleven, maar ook 25
bejaarde vrouwen en 18 mannen boven de zestig. De mutsenplooister en de
pruikenmaker uit die straat zouden weldra het slachtoffer worden van de
wisselende mode. De hoogste belastingbetalers vond men in de Overstraat, het
Weerbroek en de Langesteenweg. Maar ook in deze dure straten waren
ambachtslieden, handwerkers en dagloners gevestigd. In het Weerbroek (later M.
Theysstraat) woonden vijf brouwers, één distilleerder, de toenmalige
burgemeester Schenaerts, dokter Vervoort en ook pastoor Timmermans met
onderpastoor Vervoort. Ook de Langesteenweg (nu Koning-Albertstraat) bezorgde
Diest de naam van bierstad: drie brouwerijen en een stokerij waren er
gevestigd. Maar ook boekdrukker Clerinckx was er bedrijvig. In die tijd van de
propere Demer gaf er nog iemand visser als beroep aan. Opvallend is ook het
hoge aantal dienstboden, die toen in onze stad tewerkgesteld waren: liefst 448!
Ze waren echter niet allemaal huisbedienden. Velen werkten als gast bij een
ambachtsman.
218. Armoede
In 1885 lichtte onze kerkfabriek toe waarom ze zelf zo weinig uittrok
voor de restauratie van de kerk: ‘Onze parochie bevat naast enkele bemiddelde
inwoners een groot aantal geringe huishoudens en een overgroot getal werklieden
of arme mensen’. Deze verklaring kon ze ook vijftig jaar eerder afgelegd hebben
over de periode die we nu behandelen. Armoede was overigens troef in heel de
stad, zoals we zullen aantonen. Ziekteverzekering, uitkering voor werklozen,
kinderbijslag bestonden niet. Bij gebrek aan goede verkeerswegen kwijnde onze
plaatselijke nijverheid. De lonen waren dus laag. In 1838 ontving een arbeider
die graafwerken uitvoerde of bomen plantte 85 centiem per dag. Voor het
gevaarlijke bomen snoeien werd 1,20 frank betaald. Een wever kreeg 24 centiem
voor een el lijnwaad. Rond 1850 verdiende een arbeider 1,50 frank per dag. Een
brood van twee kilo kostte toen 46 centiem, een katoenen deken 3 frank en een
wollen 9,50 frank. Een werkdag duurde soms 13 à 14 uur. Dagloners waren blij
als ze weer een dag werk vonden. In de zomer hielpen ze veel bij de landbouw,
die toen nog niet gemechaniseerd was. In de winter konden veel vaklieden als
schaliedekkers, metselaars en schrijnwerkers, de kost voor hun gezin niet
verdienen en waren op steun aangewezen. Later (1855) ving het stadsbestuur dit
enigszins op. Het liet in het dode seizoen openbare werken uitvoeren. Zo werden
bijvoorbeeld de Kruisstraat en de Vestenstraat dan gekasseid. Vroeger waren die
tijdens het grootste deel van het jaar modderpoelen en een gevaar voor de
gezondheid.
219. Steun
De minste tegenslag kon toen voor een gezin een ramp betekenen. Stierf
bij een dagloner de koe, dan kon hij geen andere kopen zonder steun. Van een
weduwe liet het armbestuur de handkar repareren, zodat ze kon blijven bier
leveren. Een bakker kreeg hulp om meel te kunnen kopen. Door tegenslag kon hij
die grondstof niet meer betalen. Nu kon hij blijven werken. In ruil verwachtte
het armbestuur een aangepast gedrag vanwege de armen. Een jonge man verloor
zijn steun wegens slecht gedrag en luiaardij. Anderen werden geschrapt, omdat
hun woning te vuil was ondanks herhaalde waarschuwingen. In 1849 werden in de
Onze-Lieve-Vrouwkerk dertien stoelen geplaatst aan het altaar van het H. Kruis.
Ze waren bestemd voor de oude mannen uit het gesticht. De directeur moest erop
letten dat ze dagelijks de mis en het lof bijwoonden. Hun werd ook de les
gespeld dat ze alleen in hun zakdoek mochten spuwen. Wie driemaal spijbelde,
zou uit de inrichting gezet worden. Mensen die in Diest niet aan een uitkering
geraakten, trokken naar Luik en Antwerpen, waar het armbestuur gemakkelijker
gaf. Maar dat geld moest de Diestse armencommissie achteraf aan die steden
vergoeden. Sommige armen bedelden enkel dagen. Dan werden ze door de gendarmen
opgepakt en naar een bedelaarskolonie gebracht. Zo geraakten ze door het kwade
seizoen. Maar ook voor hen moest de stad uiteindelijk opdraaien.
220. Hongersnood
In de winter van 1844-1845 bevroren de tarwe- en koolzaadvelden. Tot
overmaat van ramp mislukten nog de aardappelen in juni 1845. Vooral de
bleekblauwe en bleekrode rassen waren getroffen. Normaal leverde een hectare
toen 200 hectoliter knollen op, nu slechts 20 hectoliter. Het volgende jaar
deed de regen de roggeoogst rotten. Daardoor werd het basisvoedsel voor de
gewone man onbetaalbaar. Tijdens de koude winter van 1846-1847 gingen de
aardappelen en de rogge driemaal zo duur als in 1844. Velen stierven van honger
en koude. Het armenbestuur moest toen tweemaal zoveel uitgeven als het introk.
In 1844 deelde het reeds 14.163 broden van anderhalve kilo uit. Een arme die
totaal onbekwaam was om te werken, ontving wekelijks twee broden en vier frank
per maand. Maar nu in deze hongerwinter vreesde men dat het aantal
steuntrekkenden met een derde zou toenemen. Het armenbestuur kocht wijselijk
buitenlands graan. Werd dit te duur, zoals in 1853, dan deelde men aardappelen
uit. Dan ontving elk gezin 10 kilo aardappelen in plaats van brood. Van de 7751
Diestenaars genoten 535 gezinnen met 1833 leden steun in 1849. in 1859 waren
dit 541 gezinnen met 2164 personen. De stad telde toen 7506 inwoners. In de
Lievevrouwparochie omvatte het werkgebied van de armendokter 225 gezinnen (in
1857). De andere armendokter bediende 275 gezinnen van de
St.-Sulpitiusparochie. Het distributiekantoor, waar de hulp verdeeld werd, lag
in de Begijnenstraat naast de armenschool. Het was opzettelijk in een stille
straat gevestigd, want velen schaamde zich om bij de commissie te moeten
aankloppen.
221. Buitenkansjes
Af en toe viel er wel een extraatje af voor de armen. Een rijke brouwer
tastte eens diep in zijn zak voor een buitengewone bedeling van brood. Soms
gebeurde dit bij testament bij een begrafenis. Sommige beschikkingen hadden
zelfs de Franse revolutie overleefd. Als gevolg van een stichting van 1700
werden toen nog jaarlijks acht halster koren tot brood verbakken voor de armen
van onze parochie. Een halster werd toen in 28 liters omgerekend. In 1846 gaven
de harmonie en het militair muziekkorps concerten ten bate van de behoeftigen.
Sinds 1851 was ook het St.-Vincentiusgenootschap in
Diest bedrijvig met als voorzitter deken Mafoy en als ondervoorzitter pastoor
Vervoort van de O.-L.-Vrouwparochie. Zij steunden 27 gezinnen met brood,
aardappelen, rijst, beddenlaken, dekens en gruis. Aan deze vereniging zullen
nog bijdragen gewijd worden. Arme kinderen ontvingen soms van het armenbestuur
kleding om naar school te kunnen gaan. Bij de prijsuitdeling werden stoffen
uitgedeeld om bloezen en hemden te maken. Een buitenkans was het ook toen de
commissie in december 1848 strozakken bezorgde.
222. Het pandjeshuis
In uiterste nood kon de behoeftige zich ook tot de bank van lening
wenden. Ze was in 1826 onder koning Willem I opgericht om de kleine man te
beschermen tegen woekerpraktijken. Ze lag in de Cleynaertstraat. Men kon er
kleren, huisraad, juwelen in onderpand afgeven. De belener ontving dan een
zekere som en een bewijs, het lommerdbriefje. Hiermee kon hij zijn pand
inlossen tegen de betaling van de geleende som en de onkosten. Ze rekenden 15%
jaarlijkse intrest aan ten bate van het armenfonds. Na een bepaalde tijd werden
de niet afgehaalde voorwerpen openbaar verkocht. Soms geraakten ouders zo in
geldnood, dat ze de kleren van hun kinderen naar de lommerd brachten, als ze de
giften van het armenbestuur al niet eerder verkocht hadden! Sommige jaren
(1866) werd er zoveel verpand dat het pandjeshuis geld te kort kwam en bij de
armencommissie moest lenen. Men werd nochtans niet altijd vriendelijk op de
bank van lening ontvangen. Dikwijls heette het: ‘Vandaag geen geld! Vandaag
slechts open voor inlossing, niet voor afgave’.
223. Woningnood
Omdat hier mogelijk meer werkgelegenheid was, zochten veel mensen van
het platteland de stad op. Armen kregen in hun dorp de raad zich in Diest te
vestigen, waar de armencommissie meer armslag had. Na enkele jaren konden ze
dan hier steun genieten. Toen in 1837 de nieuwe versterkingen gebouwd werden,
werden vele arbeiderswoningen die in de weg lagen, gesloopt. Daardoor heerste
er een grote woningnood. Eigenaars bouwden in hun tuin enkele zeer kleine
huisjes rond een binnenpleintje, door een smalle gang met de straat verbonden.
In ruimere woningen werd dikwijls een kamer onderverhuurd. Maar de helft van de
huizen was zonder verdieping, soms nog met lemen wanden. Vele bewoners
beschikten slechts over één vertrek, dat dienst deed als keuken en slaapkamer.
De kinderen sliepen dan op zolder onder de pannen op een grote strozak, zonder
lakens of dekens, met een hoopje vodden als dekking. Was er een sterfgeval, dan
moest de overledene naar het lijkenhuisje op het St.-Janskerkhof worden
overgebracht, want het gezin moest anders dezelfde kamer met hem delen. Armen
braken soms hout uit het dak van hun huurhuis om te kunnen stoken. Ook gingen
ze zich nogal eens een keer bevoorraden in de bossen van het armenbestuur,
eerder dan bij particulieren, want ze oordeelden dat de bossen van ‘den arme’
enigszins van hen waren. De commissie bezorgde wel wat brandstof, aanvankelijk
brandhout, vanaf 1848 steenkool. Die brandde beter in de kachel. Ze werd per
schip uit Brussel aangevoerd.
224. Een kind van de armoede
Terwijl de rekeningen van het nieuwe orgel en het koorgewelf zich
opstapelden, heerste er in de Lievevrouwparochie grote armoede, zoals vorige
bijdragen hebben aangetoond. Maar het was ook een tijd van veel besmettelijke
ziekten, die snel om zich heen grepen, zoals de cholera. Die ziekte kenmerkte
zich door hevige buikloop met veel vochtverlies. In de zwaarste gevallen volgde
de dood. Het overbrengen van de cholerabacillen gebeurde door het gebruik van
voedsel of water dat besmet was door menselijke stoelgang. Nu liet in gewone
omstandigheden de hygiëne toen reeds te wensen over, maar in september 1831
verergerde de toestand. Toen werd namelijk het eerste Belgische legerkamp in
Diest en omgeving ingericht om ons nieuwe leger te trainen. Duizenden soldaten
verbleven in het kamp. Door gebrekkige watervoorziening en sanitair bleven besmettelijke
ziekten dan ook niet uit. Dezelfde maand schreef de gouverneur dat men in het
gasthuis meer geneesheren in dienst moest nemen met het oog op de cholera.
Voortaan zouden er twee dokters werken. Het gasthuis beschikte over 32 bedden.
Bijkomende militaire hospitalen werden opgericht in het Bogaardenklooster, in
de Hallen en in St.-Bernardsdal.
225. De cholera
De cholera richtte een ware ravage aan onder de militairen, maar ze
spaarde evenmin de burgers. Waren er in 1831 in de Lievevrouwparochie 17 sterfgevallen
op 1300 inwoners, dan werden er in 1832 38 mensen begraven, onder wie 7
kinderen. In 1833 ontvingen zuster Rosa en Aldegonda van het gasthuis ieder 30
frank, omdat ze het jaar tevoren de cholerapatiënten verzorgd hadden. De
cellebroeders Michel en Peter kragen elk 20 frank, omdat ze de zieken in een
draagstoel naar het gasthuis vervoerden. Zij waren de ambulance van toen! Men
had er reeds enig vermoeden van dat ongezonde toestanden besmettelijke ziekten
in de hand werken. Het stadsbestuur liet dan ook alle vuilnis van de straten
verwijderen. De ervaring had onze burgervaderen geleerd. Toen in 1848 een
nieuwe epidemie dreigde, troffen ze de nodige maatregelen. Eerst zagen ze uit
naar lokalen voor de geneeskundige opvang. De armenschool van meneer Ouborg in
de Begijnenstraat (zie nr. 210) leek hun geschikt voor
mensen in observatie en herstel. De school van de zusters der Voorzienigheid in
de Grauwzustersstraat zou de choleralijders opnemen. De zusters – welke wordt
niet nader verklaard – zouden ze zo nodig verzorgen. Of deze plannen zo
uitgevoerd werden, weten we niet. Wat er ook van zij, de grauwzusters kweten
zich schitterend van deze menslievende taak. Ze ontvingen daarom een beloning
van de stad en een dankbrief van koning Leopold I. De ziekte maakte toen 32
slachtoffers in Diest, maar ze woedde niet speciaal in de Lievevrouwparochie.
226. Nog maatregelen
Een andere maatregel: aan de armen werd tweemaal per week krachtige
vleessoep uitgedeeld. De stad verbood dat voortaan nog kelders als logement
zouden worden verhuurd, dat men in huis nog kippen en konijnen zou kweken. Het
bestuur schreef ook voor latrines te bouwen en mesthopen niet te dicht bij de
straat aan te leggen. En de eigenaars zagen voortaan niet meer op een emmer
kalk om ongezonde woningen te witten. Maar niet iedereen had begrip voor deze
voorschriften. De aandacht voor de cholera mag ons niet uit het oog doen
verliezen dat nog andere ziekten het leven belaagden. Tuberculose eiste
jaarlijks een hoge tol in alle milieus. In 1857 was ze de oorzaak van eenderde
der sterfgevallen. Op het einde van de eeuw veroorzaakte ze nog steeds 11% van
de overlijdens. Over een andere gesel, de pokken, zullen we later handelen.
227. Opnieuw cholera
Ook in 1854 brak de ziekte weer uit. Erger was het in 1866. Toen begon
de plaag einde mei en ze duurde tot half oktober. Van juni tot op 9 november
vielen er in Diest 60 slachtoffers. Vooral in de Schaffensestraat,
Antwerpsestraat en Begijnenstraat, maar ook elders. De Sint-Denijskermis werd
daarom verdaagd. In hun nood namen de mensen hun toevlucht tot St.-Rochus, de
voorspreker bij besmettelijke ziekten. In de Lievevrouwkerk werd dat jaar zijn
broederschap opgericht. Duizend mensen lieten zich inschrijven. Er werden
speciale gebeden gezegd en er was een grote toeloop naar alle kerken. In iedere
straat werd er gecollecteerd om missen te laten lezen. Het beeld van St.-Rochus
in de Lievevrouwkerk kreeg een zilveren staf, betaald door een inzameling in de
stad. Op het stadhuis zagen ze dit gebedel met lede ogen aan. Sommige
inzamelaars werden bij de commissaris op het matje geroepen, wat dan weer
protest uitlokte.
228. Nieuwe klokken
In 1838 schafte de Lievevrouwparochie twee nieuwe klokken aan. De stad
schonk daarvoor 2000 frank subsidie, gespreid over twee jaar. Het
gemeentebestuur kwam over de brug, omdat het wist dat de kerkfabriek diep in de
schuld zat na de instorting van 1830. De aankoop was verantwoord, want de ene
klok die de kerk bezat, was gebarsten. De klokken goot André Louis Van
Aerschodt uit Leuven. Van moederskant was hij een kleinzoon van Andreas
Lodewijk Van den Gheyn. De Van den Gheyns vormden een beroemd geslacht van
klokkengieters. Een voorzaat van hem, Andreas Jozef, had reeds in 1749, 1756 en
1766 voor de parochie gewerkt. Die stond bekend voor zijn uitstekende beiaarden
(zie nr. 70). André Louis wist dus wel waarom hij zijn
eigen werk met de twee familienamen tekende: Van Aerschodt – Van den Gheyn.
Deze klokken werden in oktober 1943 weggehaald voor de Duitse wapenindustrie.
229. Mariaverering
De eeuwen door bloeide de devotie tot de H. Maagd in de Lievevrouwkerk.
Heette die niet Onze-Lieve-Vrouw-ter-Berderen, Onze-Lieve-Vrouw van Munster? In
bijdrage 14 schreven we hoe Maria in de kerk
aangeroepen werd onder de naam ‘Onze-Lieve-Vrouw van Beilaer. Haar beeld ging
tijdens de verwoesting van 1580 verloren. Maar de kerkmeesters bestelden een
nieuw beeld (1606). Dit werd tot in de 20ste eeuw vereerd, maar uit vrees
voor diefstal werd het in veiligheid gebracht in het stadsmuseum. Velen hebben
nog de vereerde piëta (Maria met de dode Jezus op de schoot) weten hangen. Ze
werd in 1942 ontvreemd. Maar door de inspanningen van Jules Bongaerts kreeg de
parochie ze weer. Ze staat nu veilig in het stadsmuseum. Onze-Lieve-Vrouw van
Smarten vond veel aantrek (zie nrs. 35-36). Sinds
1723 zochten de mensen hulp bij Maria, Toevlucht der Zondaren. In de nis boven
de nieuwe ingang (1777) mocht Maria’s beeld niet ontbreken. In de beloken tijd,
toen de Fransen de eredienst verboden, kwamen de mensen samen om de rozenkrans
te bidden. De Mariaverering is dus van alle tijden, maar in de 19de
eeuw kende zij een buitengewone bloei, het onderwerp van volgende bijdragen.
230. Opleving van de devotie
De bestaande Mariadevotie werd in de 19de eeuw nog
aangewakkerd door verscheidene verschijningen van de H. Maagd. In 1830
verscheen Maria aan zuster Cathérine Labouré in Parijs. Ze kreeg de opdracht
een medaille met de afbeelding van de verschijning te verspreiden. In juni 1832
heerste er cholera in Parijs. De Dochters van Liefde reikten toen de medaille
uit in de wijken. In een minimum van tijd geraakte ze overal bekend als een
miraculeuze medaille, ook in ons land. Er bestonden zelfs al vroeg exemplaren
met Vlaamse opschriften: ‘O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons die
onze toevlucht tot U nemen’. We mogen aannemen dat ze ook in Diest geen
onbekende was. In 1846 zagen twee herderskinderen in La Salette (bij Grenoble)
Maria in een visioen. Ze weende en droeg de kinderen op dat ze de mensen
moesten aansporen beter hun zondagsplicht te vervullen en minder te vloeken.
Deze gebeurtenis bracht veel pelgrims op de been. Maar na de verschijning te
Lourdes (1858) zou La Salette verdrongen worden. De gebeurtenissen in de
Pyreneeën vonden weerklank tot in de Lievevrouwkerk van Diest. Maar dat komt
later aan bod.
231. Een nieuwe eretitel voor Maria
De bekroning van de Mariaverering in de 19de eeuw was de
dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis van
Maria. De mening daarover was tot dan toe vrij. Maar de voorstanders groeiden
aan, naarmate men duidelijker ging inzien dat Maria’s ouders, Joachim en Anna,
geen verdienste hadden aan dit privilege. Alleen de verlossing vooraf door
Christus had haar van de erfzonde bevrijd. We weten dat Jan Berchmans plechtig
had beloofd dit voorrecht van Jezus’ moeder altijd te verdedigen. In 1849
peilde paus Pius IX naar de opinie van de geestelijkheid en de gelovigen op dit
stuk. Op 8 december 1854 definieerde de paus plechtig dat Maria vanaf het
eerste ogenblik van haar bestaan door de verdiensten van Christus gevrijwaard
is gebleven van de erfzonde en vervuld met Gods genade. Eind april 1855 werd de
broederschap der Onbevlekte Ontvangenis in de Lievevrouwkerk opgericht. Hun
speciale feestdag was 8 december. Dan werd een dienst met volle pracht
opgedragen voor de leden. De acht volgende dagen was er ’s avonds lof en
sermoen. Dit octaaf werd afgesloten met een plechtige rouwmis voor de overleden
leden. De broederschap telde op het einde van de eeuw 400 ingeschrevenen.
232. Voor Maria
Na vorige bijdragen weten we dat de aloude Mariaverering nieuwe
bezieling kreeg dank zij de verschijningen en de afkondiging van het dogma van
Maria’s onbevlekte ontvangenis. Ook in de Lievevrouwkerk kreeg Jezus’ moeder
rond die tijd een vernieuwde aandacht. In 1844 kocht pastoor Vervoort een
gotische troonhemel voor het beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer. Dit
schitterende staaltje van geduldige ambachtskunst kan men nu nog bewonderen in
de Berchmanskapel in de kerk. J. F. Lambrechts schilderde het stuk en spaarde
het dure bladgoud niet. Wie de troon vervaardigde en hoeveel hij kostte,
verklappen de kerkrekeningen niet, want de kerkfabriek moest niet bijdragen bij
deze aanschaf. Pastoor Vervoort ontving daarvoor verscheidene giften, o.a. 2000
frank (van toen!) van juffrouw E. Rijmen. Sommige Diestenaars hebben nog gezien
hoe in de meimaand en bij bepaalde Mariafeesten dit baldakijn op een speciaal
altaar werd opgesteld. Het oude madonnabeeld kreeg ook een nieuwe mantel.
Vooraan werd een nieuwe in goud geborduurde schoot voorgebonden. Beide werden
bij G. Numan in Antwerpen gekocht. De mantel kostte 1063 frank. Voor de boord
vroegen ze nog eens 506 frank.
233. Een onverdachte getuige
In vorige bijdragen toonden we aan dat de Mariaverering in de parochie
bloeide. Dit wordt gestaafd door een getuigenis uit onverdachte hoek, namelijk
van het weekblad ‘De weergalm van Diest’. Dat was een wekelijks nieuws- en
advertentieblad, uitgegeven door Charles Dewinter op de Langesteenweg. Onder
zijn titel voerde het als leus: ‘Waarheid, vrijheid, onpartijdigheid’. Het
leunde aan bij de plaatselijke liberale partij. In het nummer waaruit we
citeren, is de redactie niet mals voor de ‘laster- en leugentaal van de
klerikale bladen’. Die vielen immers de regering-Rogier aan. Het lijdt geen
twijfel dat de schrijver in zijn achterhoofd daarbij dacht aan de plaatselijke,
toen nog katholieke, Demerbode van Adriaan Havermans, die in dezelfde straat
woonde. Die concurrent mocht de affiches drukken voor het octaaf van
Onze-Lieve-Vrouw (8-15 september) in de Lievevrouwkerk. De pastoor liet er zo
28 verspreiden. Maar het kan veranderen! De Demerbode en zijn uitgever zouden
enkele jaren later van kleur veranderen, na onenigheid met de plaatselijke
katholieke volksvertegenwoordiger J. Beeckman. En datzelfde jaar begon Charles
Dewinter met de editie van een nieuw katholiek blad, ‘De Gazette van Diest’!
Deze gegevens helpen ons een oordeel te vormen over het volgende artikel
omtrent de Lievevrouwkerk.
234. Zo hoor je het eens van een ander
De ‘Weergalm van Diest’ schrijft op 18 augustus 1852: ‘De jaarlijkse
plechtigheid van Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart is hier zondag in de parochiale
kerk O.-L.-Vrouw luisterrijk gevierd. We mogen vrij zeggen dat de godsdienstige
omgang welke hier zondag plaatshad, in luister en pracht heeft uitgemunt. Door
een talrijke menigte inwoners gevolgd, is ze met een twijfelachtig weer
uitgetrokken, doch verder gedurende haar ganse omgang met goed weer begunstigd
geweest. Omdat het bijna de hele dag had geregend tot de processie uittrok,
zijn er dit jaar geen altaren kunnen opgericht worden. Niets bleef er volgens
ons te wensen over dan een harmonie. Jaarlijks groeit deze processie in pracht
aan. De kerk van O.-L.-Vrouw is heden luisterrijk versierd. Nog niet lang
geleden heeft men het Mariabeeld vereerd met een rijke mantel en troon. Thans
ziet men zilveren lantaarnen, prachtige zetels, een kostbaar tapijt en
uitgezochte loof- en bloemenkransen hetzelve omringen’. We weten niet waarom de
redacteur dit lovende artikel schreef. Op het eerste gezicht is het een
onbelangrijk stukje gemengd nieuws. Maar dat jaar 1852 krijgt het in Diest een
beetje de betekenis van een petitie, van een waardeoordeel, want op dat
ogenblik hangt het voortbestaan van de Lievevrouwkerk aan een zijden draadje!
235. Op zoek naar subsidie
In april 1852 vroeg het kerkbestuur de tussenkomst van de stad om
herstellingswerken aan de kerk uit te voeren. Als Diest steunde, zouden ook de
staat en de provincie bijspringen. Zelf beschikte de parochie over 4000 frank
van toen (een werkman verdiende dan 1 à 1,5 frank per dag). Het stadsbestuur
vond de werken noodzakelijk, want volgens hen stond de kerk op invallen. Maar
ze hadden geen geld voor een subsidie. We moeten toegeven dat Diest op dat
ogenblik weinig armslag had. De stad zat nog altijd opgescheept met de schulden
voor de aanleg van de weg Leuven – Diest in de jaren 1780. Veel profijt had de
stad er nooit aan gehad, want de Fransen hadden na hun inval de weg
genationaliseerd. De vroede vaderen moesten elk dubbeltje tienmaal omkeren.
Maar ze hoopten dat de provincie en de staat wat meer zouden bijdragen, nu de
stad in gebreke moest blijven. Het was ten andere elders reeds gebeurd dat
staat en provincie werken ondersteunden, als de gemeente te diep in de schulden
stak. De gouverneur van de provincie beet echter niet in het voorstel van het
stadsbestuur.
236. Beslissend jaar 1852
De gouverneur stelde een andere oplossing voor. Zou er geen nieuwe kerk
gebouwd kunnen worden in de richting Kaggevinne-Assent, in plaats van 31.142
frank (zoveel zou het toen kosten) uit te geven om een oude kerk te herstellen?
De Lievevrouwkerk zou dan gesloten worden, de begijnhofkerk zou haar rol
overnemen. Gelukkig achtten verscheidene raadsleden dit voorstel
onaanvaardbaar. Ze argumenteerden: de begijnhofkerk is te klein om de mensen
uit die hoek van de stad op te vangen. Als de Lievevrouwkerk hersteld wordt, is
er geen behoefte aan een nieuwe elders. Het gemeentebestuur zou de nodige
stappen doen om de steun van staat en provincie te verkrijgen. Van hun kant
krompen de kerkmeesters hun plannen in. Ze zouden zich voorlopig beperken tot
de restauratie van het dak en de voorgevel. Dat alleen werd toch nog op 9000
frank geraamd. De zijgevel zou later aan de beurt komen. Intussen was reeds
gebleken dat ze onmogelijk steun konden lospeuteren van provincie en staat, als
de gemeente zelf de hand op de knip van de geldbeurs hield. Daarom bezorgde de
kerkfabriek zelf een naamloze schenking aan de stadskas onder voorwaarde dat
dit bedrag aan de restauratie van de kerk besteed zou worden. In de toekomst
zouden er nog vele anonieme giften gestort worden, als de stad moest
subsidiëren en niet kon en dus ook de steun van provincie en staat weg dreigde
te vallen.
237. Veranderingen aan de voorgevel
Eerst werd het dak openbaar aanbesteed. Er verscheen een annonce zowel
in De Weergalm als in de Demerbode (zie nr. 233). De werken begonnen in
september 1854 en duurden tot juli 1855. Heel het oude dak, met de leien en het
onderliggende houtwerk, werd immers vernieuwd. Stadsarchitect Van Roelen
tekende het plan voor de restauratie van de voorgevel. Die schatte hij op 5150
frank, waarvan de kerk zelf 1700 frank zou betalen. Boven de poort verdween het
grote gotische venster. Het werd vervangen door een cirkelvormig raam, het
huidige roosvenster. Zulke vensters vindt men in de westgevel van beroemde
Franse kerken als Chartres, Laon, Reims. De doopkapel links kreeg een
spitsboogvenster zoals er reeds een in de bergruimte rechts achteraan stond. De
gotiek vierde toen weer hoogtij. De eeuwenoude nis met het beeld van St.-Rochus
verdween uit de gevel rechts. Ze had een Renaissance fronton, een driehoekig
vlak met lijsten omsloten, zoals men die boven klassieke gevels of ramen ziet.
De werken aan de voorgevel met het afbreken en de te vervangen ijzerzandsteen
kostten uiteindelijk 11.331 frank. Maar dat wist men pas in 1859, toen dat af
was.
238. Restauratie van de absis I
Daarna drongen herstellingswerken aan de koornis zich op. De Leuvense
architect Van Arenbergh schetste het plan. Het kreeg de goedkeuring van de
commissie voor monumenten. De werken werden openbaar besteed in juli 1865. Maar
de inschrijvingen lagen te hoog. Met toestemming van de gemeente zou de
kerkfabriek dan zelf de materialen leveren, naargelang ze gebruikt werden. Het
kappen van ijzerzandsteen werd aanbesteed. Die vond men nergens kant en klaar.
Een partij ruwe steen werd in een groeve te Testelt gewonnen. De eigenaar vroeg
18 frank per kubieke meter voor de grondstof zelf. Daarnaast moesten de
arbeiders die de stenen trokken, betaald worden. Ze verdienden 1,5 frank per
dag. Om het poeder aan te steken om de stenen te doen springen, rekende men
25,5 frank. Vooral de vervoerkosten wogen door. In Testelt lagen toen slechts
aardewegen. Een eerste kasseiweg zou daar pas in 1876 komen. Het transport was
dus geen lachertje. Voor het vervoer van de groeve naar het station in de
gemeente vroeg men 25,5 frank.
239. Restauratie van de absis II
Gelukkig voor de parochiale financies reed sinds januari 1865 de trein
tot Diest. Die werkte goedkoper. De spoorweg vervoerde 10.000 kg steen van
Testelt naar Diest voor 14 frank. Maar om de stenen van het station van Diest
naar de kerk te brengen, moest men aan de voerman nog eens 10 frank afdokken.
Als de stenen op de werf lagen, kwamen er nog andere kosten. Ze moesten nog op
het gewenste formaat gekapt worden, naargelang de plaats waar ze gebruikt
zouden worden. Dat was de taak van steenkapper Barrat en zijn helpers. De
parochie kocht ook een grote partij ijzerzandsteen in Schaffen. Zij werden
ineens met karren aangebracht. Voerman Claes rekende volgens de grootte van de
karrenvracht 5 frank of 7,5 frank. Smid Broeders uit Schaffen had zijn handen
vol met beitels en houwelen te scherpen. We mogen ook niet meester-metselaar
J.B. Dewelle vergeten, die al de bouwstoffen verwerkte.
240. Nog maar restaureren
Op 19 oktober 1872 bracht iemand die poolshoogte van de toestand van de
Lievevrouwkerk kwam nemen, volgend verslag uit bij de commissie van monumenten:
‘Het gebouw heeft aanzienlijke en dringende herstellingen nodig. Sommige delen
kunnen als tamelijk goed bewaarde puinen aangezien worden. De zijgevels, vooral
die van de sacristieën, zijn in een ellendige staat, op verscheidene plaatsen
zijn ze gescheurd. Het koor is in 1869 goed gerestaureerd. Het is jammer dat de
restauratie niet op grote schaal kan gebeuren. Het gebouw vraagt om
onmiddellijke werken aan al zijn delen’. Architect Van Arenbergh maakte een
plan op waarin de werken over vier fasen gespreid werden. Hij hield daarmee
rekening met de geldmiddelen van de kerk. Eerste fase: de linker sacristie en
zijmuur van het koor, door de architect geraamd op 9569 frank. Tweede fase: de
linker dwarsbeuk. Geschatte prijs: 18.227 frank. Derde fase: de rechter
sacristie en zijmuur van het koor, volgens raming ook 9569 frank. Vierde fase:
rechter dwarsbeuk. Die zou eveneens 18.227 frank kosten. Allereerst zou men het
dringendste van de eerste fase uitvoeren. De kerkfabriek kon daar 2669 frank
voor missen. Het aandeel van de stad werd weer geregeld door een naamloze gift
van 1000 frank. Maar dat vonden ze hogerhand niet genoeg. Staat en provincie
wilden slechts instaan voor een derde. De parochie dreef dan haar tussenkomst
ook tot een derde op, want onverwacht waren oude schulden terugbetaald.
241. Een buitenkansje I
Om een betere verbinding met Leuven te hebben, had Diest in 1778 een
geplaveide weg naar die stad laten aanleggen. Vijf tolhuizen onderweg zorgden
ervoor dat de gebruikers een vergoeding betaalden. Ook de verpachting van de
diligencedienst zou moeten helpen om de lening af te betalen, die Diest voor de
aanleg van de weg had aangegaan en die tot 382.245 gulden van die tijd opliep.
De Brabantse Omwenteling (1789-1790) en de Franse bezetting doorkruisten echter
deze optimistische verwachting. De weg werd staatseigendom. Maar Diest bleef
met een enorme schuldenlast zitten. De provincieraad spoorde de gemeente
voortdurend aan deze schuld te vereffenen. Hij beknibbelde de uitgave voor de
muziek- en tekenschool, de bijwedde van de onderpastoor, de toelage voor het
armenbestuur in noodjaren, want dat waren geen noodzakelijke uitgaven. De
geldschieters gingen voor! De stad moest daarvoor vreselijk in het lijntje
lopen. Ze kon zich niet langer doof houden.
242. Een buitenkansje II
In 1868 zegde de gemeenteraad bereid te zijn de schuldeisers terug te
betalen, als de studie van deze zaak rijp is. Want niemand wist hoeveel de
schuld precies bedroeg. De minister stelde voor te besparen op de
straatverlichting of een speciale belasting te innen op de kleinhandel in
alcohol en tabak. Weinig bruikbare wenken! In 1870 werden de voorschieters
opgeroepen hun recht te bewijzen. Hun werd voorgesteld dat ze eenvijfde zouden
terugkrijgen. Maar dat vonden ze onaanvaardbaar. Daarop verhoogde de stad haar
aanbod tot 40%. Nu waren de meesten tevreden. De stad leende 80.000 frank bij
het Gemeentekrediet. De Lievevrouwkerk had zeven sommen tegoed, samen voor
19.262 frank. In 1785 onder andere had de parochie 1500 gulden uitgeleend, in
de hoop daarvoor 3,5% te krijgen. Maar sinds 1794 bracht de lening niets meer
op. De kerkfabriek nam dus in 1872 genoegen met de terugbetaling van 40% ofte
7704 frank. Voor de restauratie van de kerk kwam deze som als uit de hemel
gevallen.
243. Beschermd monument
Eind 1871 was de absis van het koor hersteld. In het vooruitzicht van
de aflossing van de oude lening durfden de kerkmeesters met een geruster gemoed
de eerste fase van het plan-Van Arenbergh aan. Er bestond ook goede hoop dat
men hogerhand met meer subsidies over de brug zou komen. In april 1874 schreef
de commissie van monumenten naar de minister als antwoord op de vraag of de
Lievevrouwkerk een buitengewone subsidie verdiende: ‘Het is geen
eersterangsmonument, maar belangrijk genoeg om tot de derde categorie te
behoren. Het interessantst zijn het koor en de dwarsbeuk met gebeitelde
sluitstenen’. Aangeraden werd bij de restauratie van de puntgevels aan de zijkapellen
niet te veel gave, nieuwe ijzerzandsteen te gebruiken, want de herstelde absis
zag er te nieuw uit. Met de zijkapellen bedoelde de correspondent de
aanbouwsels in de dwarsbeuk die sinds de hoge altaren door een muur verstopt
waren. Die vroegere kapellen werden nu als bergplaats en sacristie gebruikt
(zie nr. 12). Bij komende werken mocht men alleen de
meest versleten stenen vervangen. De nieuwe moesten volgens de oude methode
gekapt worden, om ze een antiek uitzicht te geven. Dit verslag miste zijn
uitwerking niet. De parochie ontving van de provincie 1600 frank. En wegens het
archeologische belang van de kerk schonk het ministerie 2400 frank. Datzelfde
jaar 1874 werd de kerk opgenomen in de lijst der monumentale kerken derde
klasse.
244. De kerk ontvangt een schilderij
De opeenvolgende restauraties hebben ons reeds door driekwart van de 19de
eeuw gevoerd. Al die herstellingswerken zouden de indruk kunnen wekken dat er
in de Lievevrouwkerk toen niets anders gebeurde dan bouwen. De volgende
bijdragen zullen deze misvatting herstellen. In
1855 overleed Johanna Berges. Ze woonde aan het einde van de Schaffensestraat.
Haar vader, Frans Berges, was rond 1777 kerkmeester van de Lievevrouwparochie
geweest. Bij testament schonk ze aan de parochie een groot schilderij (110 bij
162 cm) dat in de sacristie hangt. Het stelt Jezus voor op weg naar Calvarië.
De lijdende Heer keert zich een ogenblik om en blikt ons pijnlijk aan. Het is
een kopie van een doek van Jan Van den Hoecke (Antwerpen, 1611-1651), een
leerling van Rubens. Het werk is beïnvloed door deze meester. Na zijn verblijf
te Rome maakte Van den Hoecke echter vooral monumentale schilderijen met meer
beheerste figuren. Hij werkte voor aartshertog Leopold-Wilhelm. Veel van zijn doeken
hangen in Wenen. De St.-Sulpitiuskerk bezit van hem ‘De afdoening van het
kruis’. Het erfstuk van de Lievevrouwparochie is waarschijnlijk afkomstig van
een opgedoekt klooster of kapel. Toen waren er koopjes te doen. Door zijn
formaat past het slecht in een gewoon interieur. In 1856 werd het op 5 à 6
frank geschat.
245. Berchmansfeesten 1865
Op 9 mei 1865 werd Jan Berchmans zalig verklaard, de laatste stap vóór
de heiligverklaring. Diest vierde hem van 13 tot 20 augustus. Overal zag men in
de straten boompjes en praalbogen. De huizen waren met bloemen, guirlandes en
opschriften behangen. In de namiddag van de eerste dag werd er verzameld bij de
kapel van O.-L.-Vrouw van Bijstand. Om drie uur legde kardinaal Engelbertus Sterckx een wervel, vingerkootjes en een
stukje linnen van de nieuwe zalige in een schrijn. Dat zou plechtig in stoet
Diest worden binnengedragen. Vooraan stapte een detachement van het garnizoen
met trommels en hoornen. De groepen maagdekens werden onderbroken door de
muziek van de harmonie, het koor ‘La Concorde’ en de zangers van de H. Familie.
Dat de eerste twee verenigingen meededen, was niet zo vanzelfsprekend. Maar
voor de zalige van hun stad werd de politieke onenigheid een ogenblik vergeten.
Indrukwekkend was de groep van honderd geestelijken. Achteraan wisselden de in
Diest geboren priesters elkaar af om de relikwieënkast te dragen. De kardinaal
schreed achter het schrijn met mijter en staf voorbij een dichte menigte. De
processie hield stil bij de kruisheren- en Lievevrouwkerk. Daar was in de
portalen een altaar opgericht en de bisschop zong er een oratie. De stoet
eindigde in de hoofdkerk.
246. De Lievevrouwparochie viert Jan Berchmans
We lezen in een verslag uit 1865: ‘Met niet minder smaak is de
O.-L.-Vrouwkerk versierd. Schone draperieën, bloemkransen en festoenen hangen
daar in overvloed rond de vensters en tot tussen de pilaren. Menig zinnig
jaarvers wordt er met genoegen gelezen. Aan de voorgevel herinneren drie
Latijnse chronograms eraan dat Johannes in onze kerk zijn eerste communie deed
en dat hij de Diesterse lucht heeft ingeademd. Binnen in de kerk hangen rijke
metalen lusters tussen de pilaren, wat ten goede komt aan de algemene opschik.
Aan de preekstoel, tegen het oxaal en de zuilen: overal jaarverzen. Op het koor,
onder een blauwe overdekking, staat het beeld van Maria in een prachtige
gotische troon. Daar zie je ook een schone oude schilderij die de gelukzalige
voorstelt. Buiten de kerk is een Engelse tuin aangelegd op het vroegere
kerkhof. Tegen het gebouw verheft zich een berg met een eik. Aan de boom hangt
een madonna. De kleine Berchmans knielt ervoor en bidt’.
247. Langs de straten I
In de stad hingen duizenden opschriften en chronogrammen. Een
chronogram is een zin waarin bepaalde letters de waarde hebben van de Romeinse
cijfers. Samengeteld vormen ze dan het gewenste jaartal. Daartoe moest men
evenwel de taal soms in allerlei bochten wringen. Het was destijds een geliefde
denksport bij heuglijke gebeurtenissen zulk een passend jaarvers of tijdvers op
te stellen. We plukten enkele gewone verzen en chronogrammen uit de
Lievevrouwparochie die ons iets verraden van het denken en voelen van toen.
Nederlandse opschriften overheersten natuurlijk, maar Franse en Latijnse
ontbraken niet. Aan het einde van de Schaffensestraat las men: ‘In dit huis,
alhoewel klein, zal Joannes Berchmans willekom zijn. Hier brandt men een
honderdtal lichten. Daarom zal men voor de duivel niet zwichten’. In diezelfde straat las men bij huidenvetter François: ‘Aujourd’hui elle
est fière sa patrie la Belgique de pouvoir célébrer une telle fête catholique’.
Het
venijn zat hier in de staart. Andersdenkenden zullen de steek wel gevoeld
hebben.
248. Langs de straten II
Bij bankier Versluysen en bij weduwe Frison op de Abalie hingen maar
liefst vijf teksten. Sinds 1857 waren de wezen en de bejaarden ondergebracht in
het gewezen cellebroedersklooster op de Lange Steenweg. Daar spoorde een vers
tot milddadigheid aan: ‘Draag oud en arm in het hart. Wil hun tranen stelpen.
Hoe zoet is het, o mens, uw medemens te helpen’. Een verre echo van wat een
gemeenteraadslid had voorgesteld: ‘Joannes was van arme afkomst. We kunnen hem
niet beter vieren dan met op 13 augustus alle arme kinderen van de stad in het
nieuw te steken’. Er waren toen 827 arme kinderen van twee tot veertien jaar.
Dat kon Bruintje niet trekken! Door sommigen werd ten andere betwist of
Berchmans wel zo arm was. Tegen de voorgevel van de Lievevrouwkerk werd
verkondigd dat Jan uit ‘honestis parentibus’ geboren was. Maar dat honestus kon
zowel geacht, voornaam als deugdzaam betekenen. Een beslissende
stellingname was het dus niet.
249. De kapelletjes
De kapelletjes in de Zevenweeënstraat waren met zulk een smaak versierd
dat de kardinaal, die ’s avonds de wijken ging bezichtigen, de mensen van de
buurt er hartelijk om feliciteerde. Boven het kapelletje tegenover de
Kruisstraat las men: ‘Jan Berchmans vieren we in ons hart en bidden met een
goed betrouw ter ere Gods en Onze-Lieve-Vrouw’. Dat tegenover de Bruidstraat
pronkte met: ‘Engelbertus kardinaal verhoopt bescherming in Johannes’
zaligspraak’. En voor wie het nog niet wist: ‘Le jeune Berchmans habita jadis
cette ville’. Correcte chronogrammen die 1865 opleverden. ’s Avonds waren bijna
alle huizen van de stad feestelijk verlicht. Zo’n verlichting betekende wat in
die tijd!
250. Het was donker op straat I
In de 19de eeuw was de verlichting in de huizen en op straat
zeer spaarzaam. Reeds onder Napoleon beschikte Diest nochtans over 57
straatlantaarns, die met koolzaad- en visolie gevoed werden. Maar toen de
Engelse blokkade de prijs van de olie geweldig de hoogte injoeg, begon het
stadsbestuur drastisch te bezuinigen. In de Napoleontische tijd brandden er
samen nog slechts 25 lantaarns: op de Grote Markt, in de twee belangrijkste
straten en langs het water. In 1848 waren er reeds 78 straatlichten. De
Schaffensestraat was goed bedeeld met één lantaarn aan de Christusoog, één aan
de Lange Brug bij de Ezeldijkmolen, één aan de herberg ‘De leste stuiver’ en
een laatste aan de Antwerpsestraat. De Overstraat in heel haar lengte tot aan
de Ketelstraat – de F. Moonsstraat bestond toen nog niet – telde er ook maar
vier. Voor de Begijnenstraat vond men twee lichtpunten genoeg: één aan de
Bogaardenkazerne en één aan de armenschool. De Bruidstraat moest het stellen
met die ene tegen het huis van de koster. In de Zevenweeënstraat tastten ze
volledig in het duister. De Grauwzustersstraat was ook onverlicht, maar kon nog
enigszins profiteren van de lantaarn aan de armenschool.
251. Het was donker op straat II
Er werd geen olie verspild. Ieder jaar werd een rooster opgemaakt met
de dagen van volle verlichting, halve verlichting (wanneer slechts de helft
brandde) en die zonder licht. Van mei tot half augustus schenen de lampen niet.
Als volgens de kalender de maan goed aan de hemel stond, was slechts de helft
van de lantaarns nodig. Maar wolken doorkruisten soms dat mooie schema. Of de
wind blies de vlam uit, als de ruiten gebroken waren. Ook menselijke
tekortkomingen brachten de plannen in de war: de lampen werden te laat
ontstoken of te vlug gedoofd. Olie bestemd voor de reservoirs werd
achterovergedrukt. In 1854 dacht de gemeenteraad ernstig aan gasverlichting. De
gashouder zou dan op het gewezen kerkhof van O.-L.-Vrouw komen. Maar het
bestuur aarzelde om de knoop door te hakken, want jaarlijks werd de
gasverlichting nog geperfectioneerd. En ze hoopten dat door de spoorverbinding
de steenkool, de grondstof voor de gaswinning, goedkoper zou worden.
252. Verlichting van de kerk
In de Lievevrouwkerk gebruikte men toen zoals in de huizen quinquets,
olielampen met dubbele luchtstroom. Tot 1850 werden ze gevoed met geklaarde
olie. ‘Gekleerd smout’ staat er dikwijls in de rekeningen, dus uit zaad
geslagen olie. Maar de prijs steeg voortdurend. In 1852 kwam er een radicale
verandering in. De kerkmeesters bestelden in Turnhout 8 lampen Camphine Lyre
met lampenkap en glazen. Ze kostten 18 frank per stuk. Daarbij hoorde een
nieuwe brandstof: camphine. In 1853 is die ook in Diest verkrijgbaar bij
apotheker H. Van Nitsen, die overigens ook verf en vernis verkocht. Hij rekende
80 centiemen per liter. De kerkmeesters sloegen grote hoeveelheden in, bv. 66
liter in 1855. In 1861 wordt de eerste lampolie gelost in Antwerpen. Het jaar
daarop vermeldt de parochiale boekhouder: ‘olie photogène’ (lichtgevende olie),
in 1864 simpelweg petrol. De prijs van de petroleum daalt van 80 centiem
per liter (1864) naar 70 centiem het jaar daarop en zakt tot 46 centiem in
1868. Iedereen prees het heldere licht. Nogal wat klaarder dan met koolzaadolie!
En goedkoper ook. Hoe gevaarlijk petroleumlampen echter waren die omgestoten
werden, hoe gemakkelijk de glazen braken door de hitte, hoe kwalijk het rook,
zouden de mensen nog ondervinden.
253. Elektriciteit
Van gaslicht kwam voorlopig niets in huis, want de geldmiddelen lieten
het niet toe. In 1889 werden de straten bijgevolg nog altijd met petroleum
verlicht, maar er brandden nu reeds 186 lampen. Hiervan negen in de
Schaffensestraat, vier in de Begijnenstraat, drie in de Bruidstraat. Ook de
Zevenweeënstraat had nu een lantaarn. Het stadsbestuur werd dikwijls verweten
dat Diest met zijn verlichting ver achterna sukkelde. Daarom bestudeerde een
commissie in 1889 de mogelijkheid om elektriciteit in te voeren. Dat was niet
zo eenvoudig, want Diest zou dan zelf een krachtcentrale moeten installeren met
stoommachine en dynamo. Dat bleef realiseerbaar als er voldoende verbruikers
gevonden werden. Er zouden 500 lampen afgenomen moeten worden, die samen
jaarlijks 500.000 uur brandden. Dan zou een elektrische straatverlichting voor
de stad betaalbaar worden. Om de markt te peilen, werd de mensen gevraagd in te
tekenen, zonder dat het hen tot iets verbond. Daarop kwamen slechts 16
inschrijvingen binnen, samen goed voor 101 lampen en 75.000 uur gebruik. Een
fiasco!
254. Afgewezen
Gezinnen waar men het niet breed had, werden natuurlijk afgeschrikt
door de 25 centiem die het nieuwe licht zou kosten, ook als het dagelijks maar
vier uur brandde. Met een paar lampen van 35 en 50 watt in huis, zoals de firma
voorstelde, zou onze tijd zeker geen vrede meer nemen. Maar toen was men zuinig
met licht. Burgemeester Theys nam zelf maar drie lampen voor zijn rekening,
evenveel als zijn schoonzoon Frantz Vandenhove, de schilder. Huidenvetter J.
François hield het bij vier. Hij schatte het verbruik op 450 uur jaarlijks. De
schilder sprong er niet zo zuinig mee om: hij voorzag 2000 uur licht. Molenaar
Theodoor Kennes van de Ezeldijkmolen kon 17 gloeilampen gebruiken, de brouwerij
‘De drie Kronen’ 22. Maar dat waren uitschieters! Pastoor oliviers van de
Lievevrouwkerk had geen interesse getoond, evenmin als de grote meerderheid van
de bevolking. Dus bleven de petroleumlampen op straat. In 1896 telde men 224
lantaarns. Zes opstekers hadden er hun werk mee. Gasverlichting zou er pas in 1907
komen.
255. Feestverlichting I
Met voorgaande bijdragen probeerden we op te roepen hoe donker het
gewoonlijk in het 19de-eeuwse Diest was. Vreemdelingen die bij
duisternis naar het station moesten, lieten zich door een begeleider met licht
vergezellen om niet in het water te sukkelen. Wij die niet van licht gespeend
zijn, gaan nog graag naar feestverlichting kijken. Ook toen konden de mensen
zich geen luisterrijk feest indenken zonder verlichting. Het gaf hun een
opkikker. Ik laat nu enkele tijdgenoten aan het woord. ‘Duizenden kaarsen en
lichtglaasjes bedwelmen het oog en hingen als lange gouden of veelkleurige
linten langs de gevels’ (in 1871 bij de viering van paus Pius IX). Een andere
stem: ‘Ganse straten zijn als lichtgangen geworden. Sommige gevels leken één
lichtstraal. Aan het stadhuis hingen piramiden met gekleurde lampions’ (in
1888, Berchmansfeesten). Dat had effect op de stemming van de duizenden
nieuwsgierigen die langs de straten flaneerden. Jubileerde de koning of het
vaderland, dan hoorde men ’s avonds een eigenaardige mengeling van geluiden:
het knetteren van de vuurpotjes, klokken, muziek en zang van een maatschappij
of koor, de salvo’s van de vestingartillerie (zoals op 21 juli 1860). Waar ze
elders met knalpoeder probeerden de indruk van geschut te wekken, was het in
Diest echt!
256. Feestverlichting II
De avond voor het feest van St.-Barbara (4 december) hield de fanfare
van het garnizoen een schitterende fakkeltocht door de voornaamste straten. Dat
deden ook de harmonie en St.-Cecilia bij bijzondere gelegenheden. ‘Dat gaf een
sprookjesachtig effect’, verklaarden de tijdgenoten. Onze voorouders lieten aan
hun gevoelens meer de vrije loop. Het moest allemaal niet zo zakelijk zijn.
Lieten de mensen in 1816 nog vetpotjes branden op de vensterbank, later waren
het gekleurde glaasjes, eerst nog met olie gevuld, daarna met een vaste
brandstof. Zulke lichtjes werden niet zo gemakkelijk uitgewaaid als kaarsen.
Die Venetiaanse lantarentjes had men in 1888 vanaf 4 centiem tot 8 frank. Er
bestonden ijzeren lusters waarin 25 glaasjes gemonteerd waren. Maar ook waar de
beurs niet zo goed gevuld was, wilde men bij grote feesten niet achter blijven.
Bezoekers prezen de verlichting van de kapelletjes in de Lievevrouwparochie bij
de Berchmansviering van 1865. bij gebrek aan wat anders kon men nog altijd een
kaars in een aardappel steken.
257. Feestverlichting III
De feestverlichting kon algemeen zijn bij grote vieringen, soms ook
plaatselijk. Met juli-kermis waren bijvoorbeeld het Verstappenplein en de kiosk
aldaar met pektonnen, fakkels en Bengaals vuur verlicht. De harmonie gaf dan
een concert en er was volksbal onder de bomen. Daar in de buurt had men het
katholieke lokaal ‘De Warande’, dat over een stukke van het gelijknamige park
mocht beschikken. Op sommige dagen van de zomerkermis was de tuin met kronen,
bogen, sterren versierd. ‘Met de schijn van de piramiden versmolt zich het
zachter licht van Venetiaanse lantarens. Bij tussenpozen verspreidde Bengaals
vuur zijn afwisselende kleuren’, berichtte een ooggetuige. In 1875 bij het
gouden priesterjubileum van pastoor Vervoort van de Lievevrouwparochie was de
voorgevel van de pastorie schitterend verlicht. Met Abalie-kermis (we schrijven
er later over) gaf de buurt een Venetiaans feest op de Demer en baadde de
Schaffensestraat in het licht. Op 15 juli 1890 werd zelfs een vuurwerk
afgestoken op het kerkplein van Onze-Lieve-Vrouw. Onze voorouders gaven voedsel
aan hun gevoel en verbeelding: op het feest van Kruisvinding (3 mei) kwamen de
gelovigen ’s avonds de rozenkrans bidden aan het ijzeren kruis op het
Sint-Janskerkhof, dat zelf feestelijk verlicht was (1878).
258. Pius IX
Tijdens zijn lange regering (1846-1878) werd de
onbevlekte ontvangenis van Maria tot dogma uitgeroepen en had het eerste
Vaticaans concilie plaats. De gelovigen vereerden hem als een veilig baken en
treurden om het verlies van de kerkelijke staat (1870). Na de val van Napoleon
waren de pausen opnieuw in het bezit van hun grondgebied hersteld. Zo was
Italië weer verdeeld in verschillende koninkrijken, hertogdommen en de
kerkelijke staat. Maar onder de mensen ontwaakte een beweging die het land
onder één bestuur wilde verenigen. De rijkjes vielen het ene na het andere. Ook
voor de paus was het een hopeloze zaak dat hij zijn wereldlijke macht zou
kunnen behouden. Pius IX vond echter dat een eigen gebied noodzakelijk was om
geestelijk onafhankelijk te blijven.
259. Zoeaven
Uit vele landen boden geestdriftige jongelingen zich aan om de
pauselijke staat te verdedigen, de zoeaven. Uit ons land 143, waaronder ook uit
Diest. Een jonge Diestenaar verloor hierdoor zijn Belgische nationaliteit en
stemrecht. Om dit vrijwilligerslegertje enigszins te kunnen onderhouden, werd
er geld ingezameld: de St.-Pieterspenning. Tot in de
20ste eeuw bleef deze vrijwillige gift ten behoeve van de paus nog
in voege, ook als die geen leger en staat meer had. Want het mocht allemaal
niet baten: in september 1870 werd het laatste bolwerk van de paus, Rome,
ingenomen. Van toen af beschouwde de paus zich als de gevangene van het
Vaticaan (tot in 1928). Hij weigerde het Italiaanse grondgebied te betreden.
Ondanks het verlies van zijn wereldlijke macht nam de invloed van de paus toe.
Hoezeer Pius IX geliefd was, zou ook in Diest blijken.
260. Pauselijk jubileum
Op 16 juni 1871 vierde Pius IX zijn zilveren jubileum als paus. De
mensen lieten dit feest niet aan zich voorbijgaan. Overal werden geel-witte
vlaggen, chronogrammen en transparanten gemaakt. Op de kerktorens staken
reusachtige vlaggen uit. Aan de huizen wapperden honderden vlaggen. Overal
prijkte een afbeelding van de paus te midden van versieringen en jaarschriften.
Die avond was de verlichting bijna algemeen. Sommigen deden niet mee, want met
zijn veroordeling van bepaalde moderne opvattingen had Pius IX de liberalen
tegen zich in het harnas gejaagd (1864). De overtuigden onthielden zich dus,
maar velen tilden niet zwaar aan deze grief en verlichtten mee. Geen straatje,
geen afgelegen hoekje, geen huisje zonder versiering en kaarsjes.
Voorbijgangers prezen de feestverlichting bij pastoor Vervoort, de
cellenbroeders en de kruisheren. Een ooggetuige schrijft: ‘Aandoenlijke
manifestatie van de arme mensen: gekleurde vaantjes, wat groen, een beeldje of
een prentje met daarbij enkele lichtjes. De verstotelingen der fortuin weten in
hun lijden hun hart naar God te verheffen. De geliefde naam van de stadhouder
van Christus is hun diep in de ziel geprent’. Dezelfde avond stapte de fanfare
St.-Cecilia met fakkels door de straten.
261. Pastoor Vervoort I
Frans Vervoort was gedurende 51 jaar in de Lievevrouwparochie
bedrijvig, van 1825 tot zijn dood in 1876. Eerst als onderpastoor, vanaf 1837
als pastoor. Zijn broer Jacques vestigde zich als dokter in de stad, maar hij
verloor reeds jong zijn vrouw. De dokter had een zoon, Charles, de neef dus van
de pastoor. Vader en zoon overleden in hetzelfde jaar 1871. Charles liet bijna
91 ha grond na aan de godshuizen en het armenbestuur, plus zijn huis in het
Wederbroek, dat als bejaardentehuis voor zieken en gebrekkigen ingericht moest worden
(nu C.G.S.O.). De familie van moederskant protesteerde tegen deze
wilsbeschikking. Pastoor Vervoort, de enige erfgenaam van vaderszijde,
reclameerde niet. Wel had dokter Vervoort tot zijn dood de goederen van de
priester beheerd en die inkomsten moesten nog afgerekend worden. Meer verlangde
hij niet. Misschien mogen we een verband leggen tussen deze uitkering en de
aanschaf van de nieuwe preekstoel van de Lievevrouwkerk (1872). Maar het was
niet enkel om deze inschikkelijkheid bij de erfenis dat pastoor Vervoort bij
zijn afsterven in het stadsrapport volgend compliment kreeg: ‘Zijn geest van
verdraagzaamheid bezorgde hem algemene achting en aanzien’.
262. Pastoor Vervoort II
In die zin spreekt ook de lijkrede aan zijn graf: ‘Een man die door
zijn vriendschappelijke aard geen vijanden kende. Bij wie wraak een woord
zonder betekenis was. Tijdens zijn lange loopbaan poogde hij altijd vrede en
eendracht te stichten, om van vijanden vrienden te maken. Hij voelde aan dat
alle mensen van nature gelijk zijn en daarom was hij een volksvriend’. Een paar
voorbeelden ter illustratie. In 1845 namen de eerste kruisheren hun intrek in
het vroegere augustijnenklooster. Op 29 mei ging hun kerk open. Pastoor
Vervoort preekt in de plechtige mis. Deken Mafoy (1839-1861) zag hen niet zo
graag komen, want het waren hoe dan ook concurrenten voor St.-Sulpitius. Daarom
had de bisschop de paters zekere beperkingen opgelegd. Ze mochten om 6 uur ’s
morgens geen mis inrichten, zolang in de grote kerk op dat uur catechismus
gegeven werd. Hun hoogmis moest vóór 9 uur gebeuren. De deken vreesde ook dat
ze een college zouden openen en zo in het vaarwater zouden komen van het
stadscollege, dat toen nog een priester als directeur had. Maar in 1850 kwam
deze inrichting helemaal onder controle van de stad. Sommige ouders vroegen
daarom dat de kruisheren een school zouden beginnen. Maar de kardinaal had dat
vroeger verboden. Om de stemming in Mechelen te verkennen en om te
onderhandelen deed de prior een beroep op pastoor Vervoort. Het liep niet van
een leien dakje, want de bisschop hoopte nog steeds dat de stad de vroegere
toestand zou herstellen. Vervoort slaagde in zijn bemiddeling en de paters
begonnen hun lessen in oktober 1852.
263. Gouden priesterjubileum
Op 14 juni 1875 vierde pastoor Vervoort zijn gouden priesterjubileum.
In de parochie waren de straten prachtig versierd. De pastoor en de talrijke
geestelijken en kerkmeesters begaven zich in stoet van de pastorie (in de M.
Theysstraat) naar de kerk. Vooraf gingen 30 meisjes die bloemen strooiden en de
St.-Ceciliafanfare. De jubilaris ontving als geschenk zilveren schenkkannetjes,
een dito schotel die nog altijd gebruikt wordt en een rijk versierd missaal. In
de namiddag kwamen de fanfare en twee koren, ‘Het Lyrisch Zanggenootschap’ en ‘IJver
en Eendracht’, spontaan de jubilaris huldigen. In het eerste koor zongen
meestal mensen uit de kleine burgerij en werklieden. Het behoorde tot de
katholieke strekking. Vanwege ‘IJver en Eendracht’ was die huldeblijk niet zo
vanzelfsprekend, het werd vooral van liberale kant gesteund. ’s Avonds was de
verlichting algemeen. De pastoor wandelde met zijn genodigden door de straten.
Overal werd hij hartelijk onthaald. De mensen riepen: ‘Leve de pastoor van de
Onze-Lieve-Vrouwkerk!’ Frans Vervoort had bijna 40 jaar aan het roer van de
parochie gestaan.
264. Een nieuwe preekstoel
We wijden nu enige bijdragen aan enkele aankopen tussen
1870-1880 die het interieur van onze kerk wijzigden. De meest opvallende was
wel de preekstoel. Op een oude prentkaart waarop allerlei bezienswaardigheden
van Diest staan afgebeeld, wordt de O.-L.-Vrouwkerk opgeroepen door haar nieuwe
kansel. Tot dan gebruikte men nog altijd de preekstoel dien Antoon Du Bois in
1625 had geleverd (zie nr. 23). Die vertoonde misschien
sleet, maar hij was vooral oudmodisch. Gotiek was in de 19de eeuw
immers de mode, zoals nog zal blijken. Rond 1871 had pastoor Vervoort de
gelegenheid een enig stuk op de kop te tikken, dat reeds een hele geschiedenis
achter de rug had.
265. Prijswinnaar
In het Latijn staat op de achterkant van de preekstoel (ook weergegeven
op het bord ervóór): ‘In het jaar onzes Heren 1870, toen paus Pius IX ter
gelegenheid van de oecumenische bijeenkomst in het Vaticaan oude en nieuwe
christelijke kunstwerken uit de hele katholieke wereld in Rome had
bijeengebracht, werd deze preekstoel, die door de gebroeders Goyers uit Leuven
met buitengewone handvaardigheid gemaakt was, met een premie onderscheiden. Hij
kwam naar onze kerk in het jaar 1871, toen Z. E. Heer Frans Vervoort pastoor
was’. In Diest maakte de volksmond van deze tekst dat Pius IX vanop deze kansel
gepreekt had. Volgens een werk dat pastoor Oliviers in opdracht van kardinaal
Goossens schreef, kostte hij 8000 frank (een arbeider verdiende toen met moeite
2 frank per dag). De kansel werd betaald door milde giften. Het kerkbestuur
moest slechts de twee arbeiders vergoeden die hem haalden en opstelden: 8
frank. Dat gebeurde op 19 november 1871. nog lang stond er in een advertentie
in De Gazette van Diest dat de oude preekstoel te koop was. In 1875 ontving de
pastoor er 200 frank voor.
266. De gebroeders Goyers
De stamvader van dit beeldsnijdersgeslacht was afkomstig van Mechelen
en vestigde zich in Leuven. Ziin zoon Egidius I restaureerde het Leuvense
stadhuis. Vier van diens zonen waren insgelijks beeldsnijder: Hendrik, Peter,
Willem en Egidius II. Ze genoten een grote faam, tot in het buitenland. Hun
atelier leverde het koorgestoelte van St.-Rombouts in Mechelen, het altaar van
het H. Sacrament in de St.-Michielskathedraal te Brussel, om maar wat werk te
noemen. Preekstoelen van hun hand staan onder meer in de O.-L.-Vrouwkerk van
Hoei, in de St.-Jozefskerk van Leuven en in de O.-L.-Vrouwkerk van Diest. Alle
zijn volgens een zelfde model vervaardigd. In Hoei heeft men de kuip echter op
een reeds bestaande voet geplaatst. De kansel van Leuven is jonger dan die van
Diest en wat meer versierd. Misschien was de preekstoel van Diest het eerste,
oorspronkelijke model. Die had uiteindelijk toch op een buitenlandse
tentoonstelling geprijkt.
267. Als een toren
In enkele bijdragen zullen we nu de kansel meer in detail bespreken.
Door zijn ranke kap lijkt de preekstoel op een gotische sacramentstoren. Wij
weten niet waar de ontwerpers in ons land nog een echte middeleeuwse kansel
hadden kunnen vinden om inspiratie op te doen. In de dom van Pisa staat er zo
een (1302). Maar meestal hadden die oude stukken het veld moeten ruimen voor
renaissance- of barokmeubelen volgens de heersende smaak. Toen de gotiek weer
troef was, ontleenden de kunstenaars bij gebrek aan oorspronkelijke stukken dan
maar inspiratie aan gotische gebouwen. Zo werd de preekstoel een toren. Het
streven naar de hoogte is ten andere een van de kenmerken van de gotiek.
‘Vanwaar je hem ook bekijkt, zijn vorm wendt de gedachte hemelwaarts’,
oordeelde een kunstkenner in de 19de eeuw. De gotiek had een
voorliefde voor siertorentjes. Die eindigen in kruisbloemen. De hellende
vlakken van de pinakels zijn met hogels, een soort van knoppen en bloesems,
versierd, zoals bij gotische gebouwen. De kunstenaar waren als het ware bang om
iets leeg te laten.
268. De kuip
Tot het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) verkondigde de priester
Gods woord vanop de kansel. Vanaf die plaats kon hij zich meestal voor iedereen
duidelijk hoorbaar maken, tenminste met enige stemverheffing. Op micro’s kunnen
we nog niet zo lang rekenen. Op de kuip, het deel waar de redenaar stond,
prijkten taferelen uit het leven van Maria: haar huwelijk met Jozef, de
boodschap van de engel, het bezoek aan Elisabeth, de vlucht naar Egypte. De
meeste van deze gebeurtenissen kent men wel uit de evangelies. Voor het
huwelijk van Jozef en Maria vond de kunstenaar inspiratie in een oud apocrief
(dit wil zeggen niet officieel erkend) verhaal uit het jaar 200, namelijk het
vóórevangelie van Jakobus. Onder de naam van de apostel Jakobus vertelt de
schrijver over het leven van Maria en de kinderjaren van Jezus. Volgens dit
boekje wilde de hogepriester Maria uithuwelijken. Daarom werden de weduwnaars
bijeengeroepen. Ze moesten een stad meebrengen. De hogepriester nam die staven
mee in de tempel. De staf van Jozef kreeg bloemen en er vloog zelfs een duif
uit. Jozef werd dus de uitverkorenen en hij nam Maria onder zijn hoede. Op het
eerste paneel tegen de trap wordt Jozef met zijn bloeiende staf voorgesteld.
269. Rijk aan zinnebeelden
De taferelen op de kuip worden geflankeerd door symbolen van het geloof
(vrouw met kruis en kelk), de hoop (figuur met anker), de liefde (persoon met
hart) en de christelijke leer (vrouw met grote schriftrol). Van de voet hebben
de kunstenaars minder werk gemaakt. Tussen de zuilen die de kuip schragen, zien
we panelen met loofwerk en vruchten: druiven, noten, amandelen. Symbool van de
geestelijke vruchten die de predikatie voortbrengt. Vooral de kap is rijk aan
zinnebeelden. Het klankbord lijkt met zijn afrastering en de zes ronde
hoektorentjes op een versterkte stad, het nieuwe Jeruzalem. In de middeleeuwse
kunst worden vele voorstellingen die voor de Kerk worden gebruikt, ook op Maria
toegepast. De grond daarvoor is dat Maria een beeld is van de Kerk. Een
voorbeeld: zoals de Kerk de bruid van Christus is, wordt ook Maria zijn bruid
genoemd. Is de Kerk het nieuwe Jeruzalem (Apocalyps 21, 1-2), dan denkt de
ontwerper van het klankbord hierbij ook aan Maria, die de heilige stad is die
uit de hemel neerdaalt. Zo zou men de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw in
Lourdes kunnen formuleren. De aangehaalde passage uit de Apocalyps werd vroeger
op 11 februari gebuikt als intredelied op het feest van de verschijning te
Lourdes.
270. De apostelen
Op de ronde torens van de vestingmuur staan apostelen en evangelisten.
Volgens Apocalyps 21, 14 zijn aan de muur van het hemelse Jeruzalem twaalf
zuilen aangebracht met de namen der apostelen. We herkennen hen aan de speciale
voorwerpen die ze hebben meegekregen en waardoor ze van anderen onderscheiden
worden: hun attributen. Petrus (boek en sleutels), Johannes (adelaar), Paulus
(zwaard), Matteüs (een kind aan zijn zijde), Lucas (een rund) en Marcus (een leeuw).
De torens zijn verbonden door een afsluiting met bogen. In het midden wordt die
telkens onderbroken door een puntgevel. Die doet denken aan wimbergen, de
steile topgevels boven gotische vensters en portalen. De gevel is bekroond met
een kruisbloem en versierd met drie elkaar snijdende cirkelbogen met drie
bladeren of bloemen. Dit getal verwijst naar de H. Drie-eenheid. Zes andere
apostelen staan in bepinakelde nissen op de tweede verdieping van de kap.
Behalve het Andrieskruis van Andreas kunnen we hier echter hun attributen
moeilijk identificeren.
271. Conclusie
In vorige bijdragen schreven we dat het klankbord van de kansel van de
Lievevrouwkerk doet denken aan een versterkte stad. De gebroeders Goyers kunnen
we niet meer om uitleg vragen. Ze werkten alleszins met symbolen. Misschien
hadden ze ook een gesloten tuin voor ogen. Op Maria worden de woorden van het
Hooglied (4, 12) toegepast: ‘Een gesloten hof ben je, mijn zuster, mijn bruid,
een gesloten hof, een verzegelde bron’. Die gesloten tuin is een beeld van de
onbevlekte ontvangenis. De Heer heeft haar gevrijwaard tegen de zonde. Hoog in
de spits staat Maria met samengevouwen handen, de onbevlekte ontvangene zoals
Bernadette haar te Lourdes zag. Als compositie mogen we de preekstoel zeker
geslaagd noemen. De afwerking geeft blijk van goed vakmanschap. Bij het
beeldhouwwerk zelf (de taferelen en de heiligen) missen we de originele trekken
die de beeldsnijders uit de laatgotiek (1400-1500) aan hun werk meegaven,
bijvoorbeeld aan hun retabels.
272. De kruiswegoefening
De kruiswegoefening bestond reeds in de 15de en 16de
eeuw. Omdat niet iedereen naar Jeruzalem kon reizen om de historische
lijdensweg van Jezus te volgen, werden er in onze kerken afbeeldingen
aangebracht die deze smartelijke tocht opriepen. De mensen keken naar die
taferelen en leefden mee met de lijdende Christus. Het aantal staties
schommelde van 7 tot 43! De oude “averechtse kruisweg” in de Lievevrouwkerk is
daar een voorbeeld van (zie nr. 78). Maar geleidelijk
werden 14 staties gebruikelijk. De feiten waaraan ze herinneren zijn aan de
evangelies ontleend en daarvan afgeleid. Bijvoorbeeld het herhaalde vallen van
Jezus. De episode met Veronica stamt uit een apocrief boek, ‘De Handelingen van
Paulus’, die niet officieel door de Kerk erkend wordt. Ook nu nog blijft het
zinvol de passie van Christus biddend te overdenken. Op Goede Vrijdag 1991
wijdde paus Johannes Paulus II een totaal nieuwe kruisweg in te Rome in het
Colosseum. Die beperkt zich tot de lijdensgeschiedenis volgens de H. Schrift.
Bij moderne kruiswegen wordt er soms een 15de statie aan toegevoegd:
de verrijzenis.
273. De averechtse kruisweg in de O.-L.-Vrouwkerk
Misschien moeten we geen speciale reden zoeken achter het feit dat die
oude kruisweg (17de eeuw) achteraan in de kerk begin en niet vooraan
zoals de recentere. Hij moest toch ergens aanvangen. Nu is het wel zo dat tot
aan de 17de eeuw in Jeruzalem de overdenking van het lijden begon
aan het H. Graf en eindigde bij het paleis van Pilatus. Dat was echt
achterstevoren! Misschien hebben de mensen die de averechtse kruisweg
aanbrachten, daaraan willen herinneren. Tot 1940 werd deze kruisweg nog gedaan
voor stervenden die een zware doodsstrijd doorworstelden. Dan werden zeven
gehuwde of ongehuwde vrouwen, naargelang de stervende getrouwd was of niet,
bijeengeroepen door een goede ziel. Aan iedere statie ontstaken ze een kaars op
de koperen arm onder het schilderij en baden voor de zieltogende. Ook van
buiten de parochie kwamen groepjes de kruisweg van de doodsstrijd bidden.
Niemand maakte opmerkingen dat er op dat ogenblik juist een mis of lof bezig
was. De mens in doodsnood kon niet wachten! [ Deze bijdrage werd geschreven
vóór de averechtse kruisweg in 2000 gestolen werd ]
274. De gipsen kruisweg
In de 19de eeuw lieten de mensen zich meer door hun gevoel
meeslepen. Dit kwam ook tot uiting in hun gebed. Ze dachten aan de liefde van
Jezus voor hen en vereerden daarom het H. Hart. Ze voelden sterk mee met de
lijdende Christus, als ze biddend langs de taferelen van de kruisweg gingen.
Deze vrome oefening kende overal een groeiend succes. Maar in de Lievevrouwkerk
kon men aan de oude kruisweg met zeven lijdenstaferelen moeilijk de
gebruikelijk geworden 14 staties bidden. Pastoor Vervoort bedelde in 1874
genoeg samen om er een nieuwe aan te schaffen. Elke statie kostte 100 frank.
Uit een stukje intekenlijst weten we dat
parochianen 300 frank, 45 frank, 25 frank schonken. De opvolger van
Vervoort, Oliviers, vertelt dat de kruisweg gemaakt werd door Geefs uit
Antwerpen. Maar in zijn manuscript vermeldt hij helaas de voornaam van de
kunstenaar niet. Er waren meerdere beeldhouwers Geefs.
275. De kunstenaars
De gebroeders Willem, Jozef, Aloys, Jean, Theodoor en Alexander Geefs
waren allen beeldhouwers. Willem was de belangrijkste. Hij was zeer productief.
Bekend zijn zijn standbeeld van generaal Belliard in Brussel en dat van Leopold
I op de Congreskolom aldaar. Zijn jongere broer Jozef gaf ook blijk van veel
talent en leverde tal van religieuze beelden voor de kerken van Antwerpen. Maar
de kruisweg in de Lievevrouwkerk kan ook van een andere, minder dure, broer
stammen. Hij werd in gips gegoten en daarna veelkleurig beschilderd. Omdat de
oorspronkelijke kleuren verschoten waren, werd hij rond 1985 in steenkleur
overschilderd. Zoals het werk van Willem en Jozef is hij in neoklassieke stijl,
alhoewel neogotiek toen toch troef was. Zoals in de Oudheid behandelden ze hun
onderwerp met ietwat koele terughoudendheid. De gevoelens van de optredende
personen worden niet overdreven in de verf gezet. In tegenstelling met vele
kruiswegen uit die tijd wordt de aandacht niet afgeleid door het decor van de
handeling. Hier bestaat de achtergrond meestal slechts uit lanspunten en
veldtekens van de soldaten, behalve dan in het paleis van Pilatus.
276. Lourdes
Op 11 februari 1858 verscheen Maria in Lourdes in een nis van de rots
van Massabielle aan een 14-jarig meisjes, Bernadette. Nog zeventien
verschijningen volgden. Op 25 maart maakte de dame haar naam bekend: Ik ben de
onbevlekte ontvangenis. De hemel scheen te bevestigen wat Pius IX vier jaar
eerder als dogma had laten afkondigen. Na een streng onderzoek erkende de
plaatselijke bisschop de verschijningen als authentiek (1862). Beeldhouwer
Jozef Fabisch hieuw een marmeren beeld voor de grot in 1864. Bernadette
beschreef voor hem de dame: ze droeg een lange witte jurk en een blauwe
ceintuur. Haar hoofd was met een sluier bedekt en op haar voeten rustte een
gele roos. Om de arm hing een grote paternoster met zes tientjes, zoals de
birgittijnen bidden, een kloosterorde door de H. Birgitta van Zweden gesticht.
Die was in die streek gebruikelijk. Onze gewone paternoster, afkomstig van
St.-Dominicus, telt vijf tientjes. De verschijningen maakten ook in België
grote indruk. Vele landgenoten trokken reeds individueel naar Lourdes. In 1874
was er voor het eerst een eigen Belgische bedevaart. Toen zongen ze reeds het
bekende Ave, ave, ave Maria.
277. Lourdes in de Lievevrouwparochie I
De grot van Lourdes werd zo populair dat ze overal werd nagebootst.
Oostakker was er vlug bij: in 1873. Pastoor Vervoort wilde in zijn parochie ook
de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes bevorderen. Hij dacht aan een
broederschap onder deze naam. Maar in de Lievevrouwkerk kon men zich sinds 1855
laten inschrijven in de broederschap der Onbevlekte Ontvangenis (zie nr. 231). Uiteindelijk ging het toch om dezelfde
madonna. Vanuit Mechelen kreeg hij de raad liever de grote Mariafeesten te
vieren en gewijd water te bezorgen aan wie erom vroeg. In 1874 tekenden de
mensen in de parochie in voor een houten beeld van Onze-Lieve-Vrouw van
Lourdes. Het werd besteld voor 590 frank bij oude kennissen, de gebroeders
Goyers uit Leuven. Zij hadden de kansel vervaardigd en zouden later aan de kerk
nog het H.-Hartbeeld leveren. Beide beelden prijken nog in de Lievevrouwkerk,
in de buurt van het nieuwe altaar.
278. Lourdes in de Lievevrouwparochie II
Velen zullen nu moeite hebben om in het Mariabeeld van Goyers de
vertrouwde Lievevrouw van Lourdes te herkennen. Als Bernadette al niet hoog
opliep met het beeld van Fabisch – ze vond de gestalte van Maria te groot en ze
had er ook veel jonger uitgezien – dan gelden deze bezwaren dubbel voor de
madonna van Goyers. Die is een rijke dame van middelbare leeftijd geworden.
Haar witte jurk is met goud doorweven. Haar blauwe gordel draagt gestileerde
lelies. Haar lange hoofddoek is rijk met bloemen versierd. Waarschijnlijk had
de beeldhouwer het ons zo vertrouwde beeld van Fabisch nog niet gezien. De communicatiemiddelen
functioneerden nog niet zoals nu. In Leuven hadden ze wel de verklaringen van
Bernadette gelezen en die op hun manier uitgewerkt. De grote ingrediënten voor
een Lourdesmadonna zijn er. Ook een twijg van een wilde rozelaar en twee rozen ontbreken
niet aan haar voeten. Wel mist Maria een paternnoster, doch die kon nog altijd
tussen haar vingers geschoven worden. Maar we zijn nu eenmaal de klassieke
voorstelling gewend en daarom bevreemdt deze Lievevrouw ons.
279. Onze grot
Pastoor Oliviers zou het werk van zijn voorganger de kroon opzetten. In
1877 bestelde hij een grot bij de Diestse gebroeders Hendrik en Jozef De
Koninck. Deze pottenbakkers waren befaamd om hun bloempotten, vazen en
tuinmeubelen. Hun producten prijkten op vele tentoonstellingen, zowel in het
binnen- als buitenland, bijvoorbeeld Maastricht, Parijs, Florence, Porto,
Jumet, Leuven, Spa. Ze kaapten er vele onderscheidingen weg. Datzelfde jaar
1877 werden ze door de koning gedecoreerd. De grot kostte 1056 frank, maar
Jozef gaf 200 frank reductie. Beeldhouwer Louis Van Emelen uit Leuven leverde
de beelden van Maria en Bernadette voor 148 frank. Alles werd betaald met
particuliere giften. We laten nu een tijdgenoot de beelden beschrijven: ‘Er
ligt iets hemels zoet, iets indrukwekkends over het wezen van de H. Maagd,
terwijl de verrukking uit het aangezicht van Bernadette straalt’.
280. Inzegening
Op 21 oktober 1877 zat de kerk tijdens het lof vol tot op het koor.
Pater Hiertz, dominicaan, bracht de gelovigen in stemming. Pastoor Oliviers
wijdde het Mariabeeld. Een lange rij maagdekens met brandende kaarsen
begeleidde de madonna naar de grot. Intussen zongen de congreganisten van de H.
Aloysius Marialiederen met koor, solisten en instrumentale begeleiding. De
congregatie was in het kruisherencollege opgericht (1857) met het doel de
godsvrucht en broederliefde te bevorderen. Ze kwamen wekelijks samen. Ouders
stuurden hun tieners naar deze vrome vereniging om hen van de straat te houden.
Een patronaat of jeugdbeweging bestond toen nog niet in Diest. Aan de grot werd
de rozenkrans gebeden. Ten slotte zongen alle aanwezigen een dreunend
Marialied. De grot viel in de smaak. Een journalist uit die tijd schreef: ‘Over
de prachtige grot is reeds veel gezegd. We zullen er slechts bijvoegen dat alle
vreemdelingen [ we zouden ze nu toeristen noemen ] overeenstemmen nergens iets
zo schoons te hebben gezien’.
281. Onze communiebank I
Tijdens de pastoors Vervoort en Oliviers kreeg de Lievevrouwkerk een
ander uitzicht. Er kwam een nieuwe preekstoel, een kruisweg, de grot. Maar een
behoorlijke communiebank ontbrak. In bijdrage 32
gewaagden we reeds van een heilige tafel uit 1648. Na het concilie van Trente
(midden 16de eeuw) vervingen communiebanken overal de vroegere
hekken tussen koor en schip. Het nieuwe meubel bood het voordeel dat men
eerbiedig knielend de hostie ontving. Dat oude stuk in de Lievevrouwkerk was
verplaatsbaar. Toen bijvoorbeeld in 1738 de kinderen hun eerste communie deden,
knielden ze gewoon op de trap van het koor. Twee als engelen verklede jongens
hielden intussen het communiekleed open, waaronder de communicanten de handen
staken. Gewoonlijk lag die dwaal op het meubel zelf. Ze moest voorkomen dat de
hostie op de grond viel. De eucharistie werd sinds de 10de eeuw op
de tong uitgereikt. Door hen zo apart te nemen, ontsnapten de kinderen aan het
gedrang van de volwassenen, die op dat ogenblik elders in de kerk aan de
verhuisde communiebank neerknielden.
282. Onze communiebank II
In 1742 bestelde de kerk voor 50 gulden een nieuwe communiebank bij
Marcus Van de Plas, die later de schrijnwerkerij voor het hoofdaltaar zou
verzorgen. Maar toen in 1830 een hoek van ons koor instortte, werd dat stuk
grotendeels onder het puin verbrijzeld. Misschien is de zogenaamde
‘communiebank van Jan Berchmans’ daar nog een overblijfsel van. Ze stond lang
voor de grot opgesteld en werd in 1923 hersteld en van een koperen plaat
voorzien. Voortaan behielp men zich met enkele lange knielbanken aan de ingang
van het koor, zoals men er nu nog aantreft bij het beeld van Sint-Rita. Maar in
1878 ontving de parochie subsidie voor een nieuw meubel vanwege staat,
provincie en stad. Daarom had de commissie voor monumenten meer dan ooit haar
zegje in de zaak, waarover meer in een volgende bijdrage. De opdracht ging naar
de jonge beeldhouwer Désiré Duwaerts (1850-1901). Deze geboren Diestenaar
volgde eerst drie jaar tekenschool in zijn geboortestad bij Louis Lambrechts en
kreeg daarna zijn opleiding in de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen,
waar hij zich later als beeldhouwer vestigde.
283. D. Duwaerts
In de wedstrijd voor de prijs van Rome in 1877 behaalde Duwaerts een
eervolle onderscheiding met zijn Gallische krijgsgevangene. In die prijskamp
voor jonge kunstenaars dong ook ene G. Geefs mee, afstammeling van de bekende
beeldhouwersfamilie (zie nr. 275). Duwaerts schiep bij voorkeur religieuze
kunst, bijvoorbeeld een Ecce Homo voor de basiliek van Halle, de Sint-Jan
Berchmans bij de kruisheren. In 1878 leverde hij voor de Lievevrouwkerk de
communiebank waarvan nu de ene vleugel naast de paaskaars staat en de andere de
noordelijke dwarsbeuk afsluit. Andere opdrachten: de standaarden van De
Broedermin (de voorloper van het ziekenfonds ‘Het Volk van Diest’), van
St.-Cecilia en het Lyrisch Zanggenootschap. Voor de Koninklijke Vlaamse
Academie beitelde hij een marmaren borstbeeld van Karel Ledeganck, de dichter
van ‘De drie Zustersteden’. Een buste van Leo XIII, die in 1878 tot paus werd
gekozen, vond veel aftrek. Later ontwierp hij voor de Sulpitiuskerk de
gedenkplaat voor de Boerenkrijg (zie nr. 172). De
kunstenaar exposeerde herhaaldelijk in de Scheldestad. Het Handelsblad zag in
zijn profane stukken als Lentebloemen en de Berisping een geestige Breughel aan
het werk, die goed wist weer te geven wat hij in het dagelijkse leven had
waargenomen.
284. Neogotiek
Het zal niemand verbazen dat Duwaerts voor zijn communiebank in een
gotische kerk de neogotische stijl aanwendde. In de katholieke congressen te
Mechelen werd de gotiek opgehemeld als de enige christelijke kunst. De
Middeleeuwen werden vooruitgeschoven als model voor het politieke bestuur, het
economische bestel en het sociale leven. De gotische stijl riep de sfeer op van
die vervlogen periode. Toen deze trant opnieuw gebruikt werd, kon hij dus op
een geestdriftig onthaal rekenen vanwege de conservatieven in de katholieke
partij. Hij stemde het best overeen met hun doeleinden. Afgezien daarvan waren
ook de bekende schrijvers Walter Scott en Victor Hugo niet vreemd aan dit
heimwee naar de Middeleeuwen. In België was de grote promotor van de neogotiek
J.B. de Béthune. Hij ontwierp o.a. de abdij van Maredsous. Hij ging op het
oorlogspad om alles uit de kerken te verwijderen wat naar de ‘heidense’ stijlen
uit de 17de en 18de eeuw zweemde. Hij en zijn vrienden
slaagden erin de neogotiek in brede kring te verspreiden. Pas na de Eerste
Wereldoorlog boette ze aan belangstelling in.
285. Beschrijving
Duwaerts vatte zijn communiebank op als een dubbele bogengalerij tussen
koor en schip. De voorste arcade wordt door brede gotische bogen gevormd, de
achterste door smalle, lancetvormige in de trant van de koorvensters. Die
achterste rij lijkt geïnspireerd door de bovenste galerij aan de westbouw van
de Notre-Dame in Parijs. De voorste arcade wordt door vijf nissen onderbroken.
Daarin bemerken we een H. Hart en een O.-L.-Vrouw van het H. Hart, twee
populaire devoties uit die tijd. Het feest van het H. Hart werd in 1856 voor de
hele Kerk voorgeschreven. Parallel waarmee ontwikkelde zich de verering van het
hart van Maria, dat een symbool is van haar liefde tot God en de mensen. De
broederschap van O.-L.-Vrouw van het H. Hart was in 1876 in de abdij van
Averbode ingesteld en telde duizenden leden. Ook bij de Diestse kruisheren was
haar beeld zeer populair. In de andere nissen worden volgens een tijdgenoot de
goddelijke deugden afgebeeld, maar dan met ongewone zinnebeeldige kentekens. De
kunstenaar ontving voor zijn werk 1400 frank.
286. Het oordeel
De commissie voor monumenten was met het stuk niet zo zeer in haar
schik. Ze vond dat Duwaerts teveel elementen aan de bouwkunst ontleend had en
niet genoeg gewerkt had in de trant van middeleeuws meubilair. Maar wie
neogotisch werk wilde afleveren, liet zich door oude voorbeelden inspireren.
Gotische gebouwen bestonden er nog genoeg, maar waar had de kunstenaar nog een
middeleeuwse communiebank kunnen vinden? Die hadden in de loop der eeuwen het
veld moeten ruimen voor renaissance- en barokmeubelen, als ze al ooit bestaan
hadden! Misschien had hij eerder moeten denken aan een tafel. Een communiebank
is tenslotte toch de heilige tafel! Maar het staat nog te bezien dat de
gelovigen zulk een ongewoon exemplaar aanvaard zouden hebben. Al was het geen
hoogstandje zoals de preekstoel van de kerk, de voorstanders van neogotiek
waren in hun nopjes. De ‘Gazette van Diest’ liet doorschemeren dat deze
communiebank misschien de weg zou banen voor een toekomstig gotisch altaar.
Gelukkig is dat niet gebeurd!
287. Pokken
Na de reeks bijdragen over het veranderende meubilair in de kerk tussen
1870 en 1880 kijken we weer eens naar de mensen van die tijd. Het was er niet
enkel rozengeur en maneschijn. Arme mensen leefden in erbarmelijke hygiënische
omstandigheden, waren dikwijls ondervoed en werden dus een gemakkelijke prooi
van allerlei besmettelijke ziekten zoals de cholera in 1832, 1854, 1866 (zie
nrs. 224 tot 227). Maar ook de pokken zaaiden toen dood
en verderf. De ziekte uitte zich door hoge koorts en hevige hoofdpijn. Op de
huid verschenen rode vlekken die aangroeiden tot blaasjes. Als die uitdroogden,
vormden zij korsten. Bij het afvallen lieten ze een diep litteken achter. Wie
de pokken overleefde, was voor zijn leven getekend. Vroeger overleden 20 tot 30
% van de gevallen. Deze virusziekte was zeer besmettelijk. Het volstond soms in
een vertrek te komen met een patiënt om aangestoken te worden. Mensen met
slechts één woonkamer en één slaapkamer konden hun zieke onmogelijk isoleren.
Alleen preventieve inenting bood een bevredigend resultaat.
288. Pokken II
Reeds in 1845 drukte kardinaal Sterckx de pastoors op het hart dat ze
de inenting zouden propageren. Sinds 1849 was het in Diest voorgeschreven dat
alle kinderen die het lager onderwijs bezochten, gevaccineerd moesten zijn.
Armen konden gratis de pokken laten zetten bij de armendokter, maar ze waren
daar nogal huiverig voor, want ze vreesden dat de inenting de ziekte aantrok.
In de periode 1864-1865 was te Diest één achtste der bevolking door de pokken getroffen,
van alle leeftijden. Werden er in de stad de dertig jaar voordien gemiddeld 200
begrafenissen geteld, dan nam 1865 292 sterfgevallen voor zijn rekening. In de
Lievevrouwparochie bedroeg het jaargemiddelde gedurende diezelfde tijdspanne 25
overlijdens. Maar in 1864 werden 31 mensen begraven, onder wie 13 kinderen. In
1865 33, onder wie 19 kinderen. Nog eens 31 in 1866, 8 kinderen inbegrepen,
maar in dat jaar heerste ook nog de cholera vanaf mei.
289. Trieste cijfers
Om deze cijfers goed te interpreteren, mogen we niet uit het oog
verliezen dat het sterftecijfer toen hoe dan ook hoger lag dan nu. Volgens een
studie van dokter M. Meeus stierven in Diest 31 inwoners op 1000 tussen 1801 en
1815. Zijn onderzoek eindigt dat jaar. De eeuw daarvoor waren er gelukkiger
decennia: 24 overlijdens op 1000 tussen 1761 en 1770; 27 op 1000 van 1781 tot
1790. Maar gewoonlijk lag het sterftecijfer in de 18de eeuw tussen
32 en 39. Ons land ging de 20ste eeuw in met 19 overlijdens op 1000
landgenoten. Thans zijn er dan 11. Maar met dezelfde lage mortaliteit als nu
zouden we toen reeds meer overlijdens betreurd hebben, want er woonden dan meer
mensen in de parochie: 1750 in 1900. Diest zou pas eind 1893 over een lijkkoets
beschikken. Vroeger werd de kist onder een baarkleed op een berrie naar het
St.-Janskerkhof gedragen, meestal door de cellenbroeders. Dat materiaal
behoorde toe aan de kerken. Voor een burgerlijke begrafenis ontleende de stad
de benodigdheden aan het militair hospitaal. Als er bij een arme iemand aan de pokken
stierf, werd die dikwijls naar de St.-Janskerk overgebracht, waarvan een plek
als lijkenhuis diende. Anders moesten de levenden dezelfde kamer met de
overledene delen.
290. Maatregelen
De epidemie sleepte aan tot 1868. Als gevolg van de plaag besloot de
stad aan arme kinderen nu en dan soep en een kledingstuk te geven, want ze
waren meestal slecht gekleed en gevoed. In 1867 werden de dokters Isidoor
Nihoul en Jules Cox tot armenarts benoemd. Hun voorgangers hadden zich weinig
om hun taak bekommerd. De nieuwe armendokters hadden het jaar voordien gratis
de cholerapatiënten behandeld. Door ondervinding wijzer geworden, stelde het
stadsbestuur in 1871 een geneesheer aan, die als de plaag weer toesloeg, de
mensen gratis opnieuw zou inenten als dit meer dan 10 jaar geleden gebeurd was:
Ch. Theys, de broer van de burgemeester. Maar van februari tot augustus 1871
eisten de pokken toch nog 144 levens op.
291. Nieuwe aanval
De pokkenepidemie kwam terug in juli 1879 en woedde tot februari 1880.
Enkel reeds in 1879 maakte ze 107 dodelijke slachtoffers, maar de plaag
bereikte haar hoogtepunt in januari en februari 1880. Kinderen tot twee jaar
bleken het kwetsbaarst te zijn. In de Lievevrouwparochie waren het ergst
getroffen de Antwerpsestraat (6 overlijdens), de Schaffensestraat (6), de
Begijnenstraat (5). In mindere mate de Vestenstraat (3), Zevenweeënstraat en
Grauwzustersstraat (elk 2). De scholen werden gesloten, de klassen gewit. Tot
overmaat van ellende viel half november reeds de eerste sneeuw en vroor het sterk.
De straten lagen lang bedolven onder de sneeuw. De vuilniskar kon geen vuilnis
meer ophalen. Uiteindelijk werd de geruimde sneeuw plus het straatvuil maar
naar het pleintje naast de Lievevrouwkerk overgebracht. Niet bepaald gezond
voor de geteisterde buurt!
292. Tegenmaatregelen
Wegens de omvang van de epidemie werd de gezondheidscommissie
bijeengeroepen. Die beval hernieuwde inenting aan, de besmetten naar het
gasthuis te evacueren en de mesthopen tegen de straten weg te halen. Het
armenbestuur gaf bij de behoeftigen pakjes chloorkalk af om hun woning te
ontsmetten. Maar er ging behoorlijk wat tijd overheen, alvorens werd uitgebeld
bij welke dokters en wanneer ze zich konden laten vaccineren. In 1893-94
heersten de pokken opnieuw. Het eerste jaar overleden daaraan 28 mensen, het
tweede 13. Alle kinderen van de gemeentescholen werden ingeënt of opnieuw de
pokken gezet. Bleef de epidemie in Diest binnen de perken, elders was ze zo
ernstig dat de legermanoeuvres van 1893 werden uitgesteld.
293. Het Sint-Vincentiusgenootschap
Uit documenten weten we dat het Sint-Vincentiusgenootschap een eerste
maal in 1851 in Diest werd opgericht (zie nr.
221). Maar volgens een grafrede voor gewezen burgemeester Jean André Cantillion
in 1879 zou die eerste voorzitter geweest zijn in 1848. De redenaar leefde
weliswaar dichter bij de feiten, maar ook zijn geheugen kan een steekje laten
vallen hebben. De vereniging was in 1833 in Parijs begonnen. In 1852 herbergde
Diest een van de 62 in België bestaande conferenties, zoals het genootschap
zijn onderafdelingen noemde. Op de wekelijkse vergadering werd er namelijk
beraadslaagd welke armen ze zouden steunen. In 1881 telde het genootschap in
ons land reeds 625 dergelijke conferenties. Een bekende armenvriend uit die
eerste jaren was onderpastoor Denis Soeten, die zijn liturgisch gewaad aan de
Lievevrouwkerk naliet. Jammer genoeg was dat eerste genootschap in Diest geen
lang leven beschoren. We weten niet waarom het in januari 1857 zijn activiteit
stopte. Ook in de gemeenteraad moesten ze toegeven dat ze moeilijk mensen
vonden die de armen discreet aan huis wilden bezoeken.
294. Het Sint-Vincentiusgenootschap opnieuw opgericht
Er bleef nochtans grote vraag naar een Vincentiusgenootschap dat een
eind zou maken aan het bedelen langs de straten en kies de noodlijdenden die
niet durfden aankloppen, zou helpen. Op 24 juni 1877 werd het opnieuw in de
Lievevrouwparochie opgericht. Het begijnhof sloot zich hierbij aan. De pastoor
aldaar, J. Van Meel, die goed zijn woord kon doen, legde op het feest van
St.-Vincentius de betekenis van het werk uit. Een geldinzameling in de kerk
bezorgde het nodige beginkapitaal. In augustus herrees het ook in de
St.-Sulpitiusparochie. Het jaar nadien kochten enkele bestuursleden van de
afdeling van de Lievevrouwparochie het beeld van St.-Vincentius dat men nu nog
in de kerk ziet. In 1879 verzocht deze afdeling om aansluiting bij het
landelijk genootschap. Uit die aanvraag weten we dat de Lievevrouwparochie en
het begijnhof toen samen 2500 inwoners telden, van wie 800 armen. Daarvan
steunde de conferentie 97 gezinnen. Meer lieten de bescheiden middelen niet
toe. Men sprong alleen mensen bij die niet door de officiële armenzorg geholpen
werden. Weliswaar beschikte de Diestse armenkas op dat ogenblik over ruimere
fondsen dankzij de stichting Vervoort (zie nr. 261).
Maar de heren van de openbare steun waren niet zo toeschietelijk voor wie niet
tot hun gezindheid behoorde.
295. De beweging doorgelicht
Het Vincentiusgenootschap groepeerde een aantal mannen die hun geloof
wilden verdiepen door het beoefenen van de christelijke naastenliefde. Vrouwen
konden zich aansluiten bij een andere weldadige vereniging, de Dames van
Barmhartigheid, die rond 1900 in Diest bedrijvig waren. De leden moesten wel
financieel bij machte zijn om de behoeftigen geldelijk te steunen. Daarom waren
het meestal gegoede burgers. Want vele vaklieden, de kleine middenstand, nog
gezwegen van de ongeschoolde arbeiders, moesten soms zelf voor steun
aankloppen. Volgens de aanbevelingen op de officiële erkenningsbrief van 1879
moest de weldadigheid van de Vincentianen niet gebeuren om hun aanzien te
vergroten, noch als een soort van vrijetijdsbesteding. Ze moesten werkelijk van
de armen houden, hen bezoeken zoals ze Christus zouden bezoeken. Er moest ook
een hartelijke sfeer heersen in hun wekelijkse vergadering op donderdag in de
pastorie. Van hogerhand werd ook aangeraden het genootschap buiten de politiek
te houden. Dat was aanvankelijk gemakkelijk, want de armen mochten tot 1894
niet naar de stembus gaan.
296. Een vergadering
In 1883 telde het Vincentiusgenootschap van de Lievevrouwparochie 15
werkende leden, 31 ereleden en 44 beschermende leden. Alleen de eerste
categorie woonde de wekelijkse bijeenkomsten in de pastorie bij. Ereleden namen
deel aan de algemene vergaderingen en jaarlijkse missen. Het eerste kwartier
van de bijeenkomst was voorbehouden aan gebed en meditatie. Ze overwogen een
stukje evangelie of de ‘Navolging van Christus’ of een geschrift van hun
menslievende patroon St.-Vincentius. Daarna bespraken ze de nieuwe aanvragen en
de bezochte gezinnen. De samenstelling van het gezin, het beroep en inkomen, de
gezondheid, het onderhoud van de woning werden onder de loep genomen. Of het
gezin niet door wangedrag, zoals dronkenschap, in de ellende was
terechtgekomen? Als het naar wens van het hoofdbestuur was gegaan, zouden de
godsdienstige praktijk, de scholen die de kinderen bezochten, slecht gedrag,
geen rol spelen om een gezin op te nemen of te schrappen. Jezus zag ook niet
naar de persoon. Maar hoe dan ook, de beperkte middelen dwongen onze
conferentie ertoe een keuze te maken. De wekelijkse vergadering sloot met
gebeden en een inzameling onder de aanwezigen.
297. Geldmiddelen I
Gelukkig kon het Vincentiusgenootschap rekenen op de wekelijkse
inzameling na de vergadering en op de bijdragen van de beschermende leden. ’s
Zondags stonden de Vincentianen na mis en lof met collectebussen aan de
kerkdeuren. In de zomer collecteerden ze maar eenmaal in de maand. Er werd
verondersteld dat iedereen in dat seizoen werk had gevonden en dus verviel van
steun. Jaarlijks werd een welsprekende predikant ontboden, die in een
liefdadigheidssermoen het hart van de kerkgangers vermurwde. Soms gebruikte het
genootschap moderne methodes om de kas te spekken. In 1880 richtte H. Linten,
de toekomstige schoonvader van de latere burgemeester E. Alenus, met de
St.-Ceciliafanfare een tombola in. De afdeling van de Lievevrouwparochie
ontving daarvan 75 frank als haar aandeel. Met St.-Denijskermis in 1897 liet E.
Benner één avond zijn carrousel draaien voor het Sinterklaasfeest van de
christelijke scholen, zoals hij op een ander moment deed voor de filantropen,
die soep uitdeelden in de gemeentescholen.
298. Geldmiddelen II
In 1898 haastte iedereen zich naar de zaal in het college waar
kermisreiziger Grandsart-Courtois ‘bewegende lichttekeningen’ vertoonde. Iets
enigs: de film was pas in 1895 uitgevonden. Op de Warande werden denderende
Vlaamse kermissen gehouden voor het werk, waar men o.a. patates frites kon eten
(1902). Friet was toen nog zo vreemd dat hij een exotische naam droeg. Met de
opbrengt konden de Vincentianen de arme kinderen in de katholieke scholen een
nuttig sinterklaasgeschenk geven. Die van de gemeentescholen werden van andere
zijden getrakteerd. En waarom geen duivenwedstrijd op Noyon voor het goede
doel, zoals in 1905 in ‘De Kroon’ op de Langesteenweg? Bij het overlijden van
een vooraanstaande kreeg het genootschap soms een mild bedrag of liet de
familie een groot wit brood uitdelen, wat zeer welkom was. Maar meermaals moest
de penningmeester bekennen dat de kas krap zat. In 1877 moesten de Vincentianen
in de Lievevrouwparochie de steun beperken tot 58 gezinnen, terwijl er 150 voor
in aanmerking kwamen. De conferentie van Sint-Sulpitius bezocht er 118.
299. Steun I
De steun beperkte zich meestal tot brood, rijst, spek, aardappelen en
gruis voor de verwarming. Daarvoor werden bonnen overhandigd, die bij de
middenstand konden worden ingeruild. Na een milde gift werden er soms jurkjes,
hemdjes en andere kledingstukken uitgedeeld. Zo ontving ieder gezin een deken
in 1895. Soms strozakken (1900) of een matras, maar een kachel kon Bruin niet
trekken (1906). Vele voorstellen op de wekelijkse conferenties konden
onmogelijk uitgevoerd worden, bijvoorbeeld de eerstecommunicanten kleden die
bij de Voorzienigheid naar school gingen (1877). Die kinderen waren toen
twaalfjarigen. In 1884 was het voor hen feest met een krentenbrood, een pak
koffie en cichorei of met zo’n brood, een pond rijst en een pond spek (1886).
In een overmoedige bui werd het plan geopperd alle kinderen die naar de
katholieke scholen gingen, te kleden of althans zoveel mogelijk. Het draaide
uit op een paar klompen (1879). Vergeten we niet: dat jaar heersten de pokken
(zie nrs. 287 tot 289) en begon de schoolstrijd, die we later zullen
behandelen. Heel gepast trokken de Vincentianen dat jaar 200 frank uit om de
dokter en de apotheker te betalen voor armen die door de officiële diensten
niet geholpen werden.
300. Steun II
De Vincentianen bezochten de gezinnen niet alleen om wat stoffelijke
hulp te brengen. Ze moesten een oprechte belangstelling betonen voor het wel en
wee van hun beschermelingen, hun goede raad geven op alle gebied en van hen
goede christenen maken. In dat verband citeren we enkele initiatieven. Eind
1877 schoten de bestuursleden van de Lievevrouwparochie in hun zak en kochten
200 almanakken ‘Allemans gerief’, het jaar daarop 232. Deze volksalmanak werd
in Antwerpen uitgegeven en was zeer populair om zijn stichtende artikelen,
raadgevingen voor de gezondheid en vrolijke stukjes. In 1880 schonken de
Vincentianen een bijdrage voor de Katholieke Volksbibliotheek die enkele jaren
voordien in de Katholieke Kring was opgericht. Ze verzamelden gelezen kranten
en gaven ze ter lezing door aan gezinnen waar men kon lezen. In 1914 steunden
ze Volksontwikkeling. Deze tak van de Algemene Katholieke Vlaamse
Hogeschooluitbreiding was datzelfde jaar in Diest gestart met voordrachten in
de Hallenzaal. Onderwerpen van uiteenlopende aard kwamen aan bod, bijvoorbeeld
pater Damiaan, Palestina, zon en sterren. Men betaalde 0,25 frank voor de drie
lezingen. In 1922 gaven de Vincentianen van de Lievevrouwparochie 100 frank om
het toenmalige parochieblad ‘De Ster’ gratis te verspreiden.
301. Steun III
Het Vincentiusgenootschap hielp afzonderlijke armen. Het spoorde zijn
beschermelingen aan tot geduld en gelatenheid. Het zocht er niet naar de diepe
oorzaken van de armoede te bekampen zoals de vakbonden, die de kwestie met
sociale wetten wilden oplossen. Een Diestse christen-democraat formuleerde dat
laatste als volgt in 1897: ‘Schoolsoep voor kinderen is goed, maar het zou
beter zijn dat vader genoeg verdiende om zijn gezin te voeden’. Er zijn aanwijzingen
dat sommige Vincentianen van de parochie die mening deelden. In 1913 stuurde de
afdeling-Onze-Lieve-Vrouw 10 frank steun naar de slachtoffers van een lockout
in Roeselare. Daar waren 2000 textielarbeiders, aangesloten bij de christelijke
vakbeweging, na een staking weggezonden. Het christelijk syndicaat organiseerde
een grote steuncampagne en uiteindelijk kwam het tot een compromis. Gaven de
Vincentianen gehoor aan deze oproep, omdat E.H. Roest, voormalig onderpastoor
van de Lievevrouwparochie en op dat ogenblik pastoor van het begijnhof, in het
bestuur van de afdeling zat? In 1911 had hij de opbrengst van een inzameling in
de kerken uitgedeeld aan de Diestse mijnwerkers die door een staking in Luik
waren getroffen. Pastoor Roest stond aan de wieg van de christelijke
mijnwerkersbond (1911) en allerlei sociale voorzieningen, maar dat zullen we
nog behandelen.
302. Wie kreeg steun?
In 1878 steunde het Vincentiusgenootschap in de Lievevrouwparochie 62
gezinnen, in 1879 65. Het aantal slonk: in 1885 waren het er nog 36, tien jaar
later 30. Tegen het einde van de 19de eeuw nam de welvaart toe, de
lonen stegen. Maar een strenge winter kon de mensen weer naar de steun jagen.
In de eerste periode van zijn bestaan had het hoofdbestuur aangeraden het werk
buiten de politiek te houden (zie nr. 295). Maar toen de strijd tussen de
gezindheden verscherpte, ging het genootschap in gemeenten met een liberaal
bestuur zoals in Diest een tegengewicht vormen voor het armenbestuur. In
oktober 1879 begon de schoolstrijd. Gezinnen die hun kinderen naar het vrij
onderwijs stuurden, riskeerden hun officiële steun te verliezen. Daarom hielpen
de Vincentianen in 1880 46 scholieren. Gingen de kinderen echter naar een
gemeenteschool, kwamen ze op een zwart blaadje bij het genootschap. Ook wegens
slecht gedrag kon een gezin uitgesloten worden of omdat de kinderen niet meer
naar de catechese kwamen na de eerste communie. Wegens zijn geringe financiële
armslag moest het genootschap wel selecteren. Maar het bestuur toonde er wel begrip
voor dat ouders onder dreiging hun kinderen naar de gemeenteschool stuurden,
als dat kroost tenminste regelmatig de catecheselessen volgde.
303. Wie kreeg steun? II
Pas in 1894, toen alle mannen voor het eerst mochten stemmen, werd het
voor het Vincentiusgenootschap moeilijk buiten het politieke vaarwater te
blijven. Tijdens de verkiezingen werden voorwerpen als dekens en strozakken
aangekocht en onder de armen verdeeld. Twee vliegen in één klap: de handelaars
en de beschermelingen werden gunstig gezind. Men kan deze jacht op stemmen
misschien niet fraai vinden, maar de officiële armenzorg was toen nog volledig
in handen van de tegenpartij en beschikte over veel meer troeven op dat gebied.
Rond de eeuwwisseling kon een behoeftig gezin helaas ook tussen twee stoelen
terechtkomen, als het namelijk tot een nieuwe opkomende gezindheid behoorde:
het socialisme. Dan was het noch bij de Vincentianen, noch bij het armenbestuur
van de stad welkom. We hebben de geschiedenis van het genootschap tot 1914
beschreven. In een latere bijdrage volgen we het verdere verloop van zijn
bestaan tot 1943.
304. Volksmissies I
Voor het godsdienstig leven in de Lievevrouwparochie speelden de
volksmissies in de 19de eeuw een belangrijke rol. We wijden er nu
enkele bijdragen aan. Voor de ouderen onder ons spreken we niet in raadsels,
want zij hebben dergelijke zendingen nog meegemaakt: enkele paters die
dagelijks meerdere sermoenen preekten, speciale oefeningen inrichtten en dat
tien dagen lang. De volksmissie kwam tegemoet aan een tekort aan
godsdienstonderricht en ze beoogde tevens het christelijk leven te vernieuwen,
door de twijfelaars en afvalligen te bekeren en de echte gelovigen in hun
overtuiging te doen volharden. Het idee leefde reeds eeuwen. In 1570 beval het
provinciaal concilie van Mechelen reeds de volksmissie aan om het volk te
evangeliseren, nadat de mensen jarenlang verwaarloosd waren tijdens de
godsdienstoorlogen. Maar deze zendingen braken pas helemaal door na 1830. Voor
de Lievevrouwparochie hebben wij althans geen spoor van eerdere volksmissies
gevonden. Wel werd er elk jaar rond Pasen intens gepreekt over het lijden van
Jezus. In 1836 raadde kardinaal Sterckx volksmissies aan.
305. Volksmissies II
In een tijd waar nog niet zoveel te beleven viel, waren de zeven- of
tienjaarlijkse missies een gebeurtenis. Er was nog geen sport, radio of
bioscoop. De zware preken over dood, oordeel, hel en hemel trokken de mensen
aan, die zelden de gelegenheid hadden zulke getalenteerde redenaars te horen.
In het begin gebeurden de missies voor de parochies van Sint-Sulpitius en
Onze-Lieve-Vrouw niet op dezelfde datum. Zo konden de liefhebbers tweemaal van
de attractie genieten. Vroeg in de morgen, in de Lievevrouwkerk reeds om
halfzes, werd er onderricht over het christelijk leven. Dat ogenblik waren de
dienstboden meestal nog vrij. Ook mensen van het platteland die in Diest hun
brood verdienden, konden de morgenpreken bijwonen. De preek van 9 uur bereikte
een ander gehoor. Maar de kroon op het werk zetten de predikanten in het avondsermoen
van 19 tot 20 uur. Sommigen brachten de kerk aan het wenen met aandoenlijke
histories. De gevolgen van slecht leven werden tot in de details geschilderd,
met alle verschrikkingen van de eeuwige verdoemenis. De mensen griezelden
erbij. Tijdens de missies van 1897 viel in de Lievevrouwkerk een man dood,
terwijl hij te communie ging. In de St.-Sulpitiuskerk had men ook elke namiddag
een Frans sermoen, dat veel volk lokte.
306. Volksmissies III
In Diest predikten meestal de jezuïeten en de redemptoristen de
volksmissies, elders de minderbroeders en de passionisten. Hoe dan ook, het
waren mannen met een stem als een klok (geluidsversterkers bestonden nog niet)
en volleerde redenaars. De redemptoristen zwaaiden met hun groot borstkruis.
Het kruis in de vuist! Een van hen, pater Bloete, was van 1864 tot 1872
onderpastoor in de St.-Sulpitiusparochie geweest, alvorens hij in de
congregatie van St.-Alphonsus intrad. Hij was befaamd over het gehele land.
Tijdens de missie van 1887 stroomden er, als we de cijfers mogen geloven, drie-
à vierduizend toehoorders naar de avondsermoenen in de Sulpitiuskerk. De mensen
gingen een uur te vroeg om plaats te vinden. Ze namen stoelen van thuis mee,
want er waren er niet genoeg in de kerk. Ze trotseerden uren de koude, want de
missie ging soms in het putje van de winter door: eind november (1897), januari
(1888)… In 1854 las men in de bladen: ‘In 7 à 8 kerken van Parijs onderhouden
kachels een gematigde warmte. De begijnhofkerk te Brussel heeft dit voorbeeld
nagevolgd. Twee grote kachels zijn daar ontstoken’. Maar Diest is Brussel niet.
Met nieuwjaar 1893 wenste een redacteur van de Gazette: ‘Als nieuwjaarswens
voor St.-Sulpitius worden drie grote, goed verwarmde kachels gewenst, want in
de winter is dat geen broeikas!’ Pas in 1922 werden er in de O.-L.-Vrouwkerk
twee kachels geplaatst.
307. Volksmissies IV
Met allerlei speciale plechtigheden als Mariahulde, kruisverering,
feestelijke verlichting met kaarsjes in de kerk, vormden de volksmissies een
attractie op zichzelf. In de Lievevrouwkerk hangt het missiekruis van 1888 nog
altijd in de zuidelijke kruisbeuk. Op 24 januari 1888 werd het in een
luisterrijke optocht op een prachtig getooide berrie door de versierde straten
gedragen. De Begijnenstraat was volgepropt. Naarmate de processie vorderde,
groeide de menigte aan. Aan de biechten en communies kon men oordelen of de
zending in haar opzet geslaagd was. De mensen stroomden naar de biechtstoel.
Het was een gelegenheid om een vreemde biechtvader te treffen en hun geweten in
orde te brengen. Ze moesten urenlang aanschuiven. Een verslag uit 1878 leert
ons dat de redemptoristen niet talrijk genoeg waren om van al het volk biecht
te horen. Het was toen echt niet gebruikelijk veel te communiceren. De meesten
deden dat slechts een paar maal in het jaar. De invloed van het strenge
jansenisme (zie nr. 91) remde hen af. Maar na een goede
biecht voelden ze zich daartoe weer waardig. In die zin is het veelzeggend dat
er tijdens de missie van 1864 dagen waren dat er in de Sulpitiuskerk 1500
communies werden uitgereikt. Nog lang daarna herinnerde het missiekruis dat in
de kerken bleef hangen de gelovigen aan hun goede voornemens.
308. De schoolstrijd
Bijdragen over de pokken (nrs. 288 e.v.) en het Vincentiusgenootschap
(nrs. 293 e.v.) hebben het de lezer duidelijk gemaakt dat het in Diest niet
altijd koek en ei was met mensen die verschillende opinies beleden. In 1879
barstte er zelfs een schoolstrijd los. We kunnen niet voorbijgaan aan een
gebeurtenis die zo haar stempel drukte op de stad. Vanzelfsprekend lag de
christelijke opvoeding van de jeugd onze bisschoppen nauw aan het hart. Reeds
in 1832 spoorden ze de pastoors aan om christelijke scholen te stichten. Bij
pastoor Timmermans van de Lievevrouwparochie was dat niet in dovemansoren
gevallen. We weten dat hij daartoe de Zusters van de Voorzienigheid naar Diest
ontbood (nrs. 209 e.v.). De wet op het lager
onderwijs van 1842 erkende dat de godsdienst het hele onderwijs diende te
doordringen. De Kerk mocht toezicht houden op het catecheseonderricht in de
scholen. Rijk en arm kon in de gemeentescholen een christelijke opvoeding
ontvangen, althans in de kleine steden en op het platteland. De antiklerikale
vleugel in de liberale partij zag dit echter met lede ogen aan. Die streefde
naar een volledige scheiding van Kerk en staat. Toen ze dan in 1878 de
meerderheid in het parlement verwierven, kondigden ze een nieuwe wet aan op het
lager onderwijs, die de invloed van de geestelijkheid fel zou kortwieken.
309. De nieuwe wet
We vatten de nieuwe schoolwet kort samen. Elke gemeente moest voortaan
ten minste één officiële lagere school bezitten. Vrije scholen kwamen daarvoor
niet meer in aanmerking en verloren hun subsidie. Van de leerkrachten werd een
diploma van een officiële normaalschool vereist. Het godsdienstonderwijs
verdween uit het programma. De geestelijkheid mocht nog wel catechese
inrichten, maar buiten de lesuren, in een apart lokaal, tenminste als de ouders
daarom vroegen. Om het onderwijs neutraal te houden, mocht er tijdens de andere
vakken niet gesproken worden over God. De Kerk probeerde deze ‘ongelukswet’,
zoals ze die noemde, af te weren. Vóór het wetsvoorstel was goedgekeurd, werden
handtekeningen ertegen verzameld. In januari 1879 schreef kardinaal Dechamps
een speciaal gebed voor, dat ’s zondags na de preek gebeden werd en dat
eindigde met: ‘Van scholen zonder God en van schoolmeesters zonder geloof,
verlos ons, Heer’. De bisschop voorzag echter dat het wetsvoorstel aanvaard zou
worden en in april van dat jaar maakte hij zijn tegenzet bekend: overal
parochiescholen oprichten.
310. Schoolcomités I
Op 23 april 1879 riep deken Bergeys van Diest zijn pastoors bijeen met
het oog op de inrichting van parochiescholen. Tegen oktober moest iedere
parochie een katholieke school hebben, waar de arme kinderen kosteloos
toegelaten werden. Desnoods moest een voorlopig lokaal dienst doen. Het
onderwijs van de meisjes baarde geen grote zorg. De zusters van de
Voorzienigheid gaven in hun nieuwe klassen in de Vissersstraat (1868) les aan
niet-betalende leerlingen. Voor betalende meisjes stonden er reeds lokalen in
de Demerstraat. Voor de jongens echter bestond er nog geen eigenlijke vrije
basisschool. Wel kon men bij de kruisheren sinds 1852 vanaf tien jaar terecht
in het college van het H. Kruis. Een paar klassen bereidden daar voor op de
humaniora. Dankzij studiebeurzen konden daar enkele minder vermogende
leerlingen studeren. Maar voor het gros van de jongens moest alles nog uit de
grond gestampt worden. Een schoolcomité werd opgericht. Voorzitter was Jozef
Cantillion, lid van de provinciale raad. J. Smolders, voorzitter van de
kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw, H. Linten, J. Lemmens, A. Verstappen, L. Di
Martinelli maakten er deel van uit. Omdat er in Diest geen afstanden bestonden,
volstond hier één interparochiale school.
311. Schoolcomités II
Op 1 juli 1879 werd de nieuwe onderwijswet ondertekend. Vanaf 7 juli
kondigde de priester na elk sermoen op de kansel aan: ‘We gaan een vaderons en
een weesgegroet bidden om voor alle katholieke Belgen van God de genade te
bekomen dat ze zouden meewerken in het oprichten en onderhouden van
christelijke scholen in alle parochies van ons land’. Een niet-aflatende
edelmoedigheid werd inderdaad van katholieke zijde vereist. Het ministerie had
namelijk een stok in de wielen gestoken en verbood de vrije scholen in kerken,
pastorieën of andere gebouwen van de kerk te vestigen. De pastoors mochten ook
de leerkrachten niet huisvesten. Dus moest het comité een school bouwen,
inrichten en onderhouden. Tevens draaide het op voor de wedde van het
personeel. Voor de kwaliteit van het onderwijs benoemde het comité immers bij
voorkeur gediplomeerden die elders ontslag hadden genomen. Daarom versmaadde
het de vijf of tien centiemen van de volksmens niet, die wekelijks aan huis
werden opgehaald. De katholieke Diestenaren riepen de mensen op om geld te
geven voor scholen in plaats van het af te dragen voor de beschaving van
Afrika, wat de liberalen toen propageerden. Met Abaliekermis 1879 werd er in
oktober goede sier gemaakt. Sommigen juichten dat verteer toe: beter je geld zo
opmaken, dan dat het in de collectebussen van de vrije scholen verdween. De
gemoederen waren verhit.
312. Maatregelen van de bisschoppen
De kerkelijke autoriteiten reageerden scherp op de nieuwe schoolwet.
Biecht en communie zouden worden geweigerd aan de leerkrachten van de
staatsscholen, aan de leerlingen van de officiële normaalscholen en aan de
ouders die hun kroost naar ‘de scholen zonder God’ zouden sturen. De
leerkrachten daar moesten ontslag nemen. Er werden wel uitzonderingen
toegestaan voor jonge onderwijzers die nog een tijdje moesten lesgeven om
vrijgesteld van militaire dienst te zijn. Evenals voor ouderen kort voor hun
pensioen die nergens nog werk zouden vinden. Zij konden vrijstelling bekomen
van de bisschop, die elk geval apart zou onderzoeken. De kardinaal betreurde
het dat de ongelukswet van leerkrachten die persoonlijk godsdienstig waren,
martelaars maakte of afvalligen. Ook ouders ontsnapten wegens overmacht aan de
sancties, als er ter plekke geen katholieke school was of indien ze zwaar
financieel verlies zouden lijden als de kinderen naar het vrije net
overstapten. Maar dan mochten het geloof en de goede zeden van hun kroost geen
gevaar lopen, bijvoorbeeld door slechte handboeken.
313. Gevolgen
In tegenstelling met wat elders in uitgesproken katholieke gemeenten
gebeurde, liep de openbare school in Diest niet leeg. In Veerle, werd er
verteld, zat er nog maar één scholier in de gemeenteschool. Wat de Diestse
leerkrachten betreft: alleen de directrice van de meisjesschool, juffrouw A.
Steenackers, en drie begijntjes die bewaarschool hielden op het begijnhof,
boden hun ontslag aan. Burgemeester Theys liet weten dat er in de stadsscholen
gebeden zou worden zoals vroeger, dat de kruisbeelden bleven en de catechismus
het eerste en het laatste halfuur gegeven zou worden. De handen van het
gemeentebestuur waren in deze zaak gebonden. Ook deken Bergeys zat tussen twee
stoelen. Jarenlang had hij het catecheseonderricht geïnspecteerd in de
gemeentescholen van de kantons Diest en Glabbeek. Hij drukte zijn
erkentelijkheid uit tegenover de onderwijzers en betreurde dat hij die taak
niet voort kon zetten, maar hij moest zich aan de richtlijnen van de bisschop
houden. Alhoewel het stadsbestuur verzekerde dat de priester met ontzag
behandeld zou worden in de scholen en de nodige steun zou krijgen, moest de
deken laten weten dat catechese in geweten niet toegestaan was. Leerkrachten
die bleven, mochten geen catechese meer geven. Want daarvoor was een kerkelijke
zending nodig vanwege de bisschop, aan wie het toekwam godsdienstonderricht te
organiseren in zijn bisdom.
314. Leerlingenslag
Intussen stonden de ouders onder druk. Leden van de armencommissie
liepen de huizen van de armen af. Ze dreigden ermee dat ze de steuntrekkers wel
zouden vinden in de winter: ‘Uw kind of uw boekje!’ Dat boekje gaf recht op
steun en kosteloze geneeskundige verzorging. Een vrouw van tweeëntachtig
verloor haar maandelijkse vijf frank steun, want ze was de zuster van een
ontslagnemende begijn. Tijdens de pokkenepidemie van 1879 ging het werkelijk
over de schreef. Het armenbureau weigerde aan twee gezinnen doodskistjes voor
hun kinderen, omdat hun kroost vrij onderwijs volgde. Om diezelfde reden werd
een voorschrift van dokter Nihoul afgewezen voor een gezin waar alle kinderen
aan de pokken leden. De geneesheer had goed schrijven op zijn briefje:
‘Kinderen zijn ziek, kolen en hulp, grote miserie!’ Twee aanstaande moeders
moesten ook niet meer rekenen op een kosteloze tussenkomst van de vroedvrouw.
Zo ging het eraan toe in Diest. Op andere plaatsen, met een katholiek bestuur,
waren de verdrukten echter aan de kant van het openbaar onderwijs te vinden. De
onverdraagzaamheid was overal groot.
315. Grof geschut
In juni 1880 antwoordde de regering met grof geschut. Ze riep haar
ambassadeur bij het Vaticaan terug, omdat paus Leo XIII de Belgische
bisschoppen niet op de vingers tikte. De rekeningen van de kerkfabriek werden
voortaan met argusogen nageplozen en zelden goedgekeurd. Als tegenzet betoonde
de geestelijkheid maar matige belangstelling voor de viering van vijftig jaar
onafhankelijk België dat jaar. Ze hield het bij Te-Deums. Intussen verwerkten
de zusters van de Voorzienigheid de aangroei van hun leerlingen met een nieuwe
bewaarschool (1886). Voor de jongens werden inderhaast een paar klassen
ingericht in de Paardenstraat, waarschijnlijk in de bijgebouwen van
graanhandelaar H. Linten, de toekomstige schoonvader van notaris Alenus, aan
wie de straat haar huidige naam ontleent. Als onderwijzer werd Jan Palmaers van
de gemeenteschool Mechelen-Zuid aangeworven. Leonard Vandebrande uit dezelfde
stad stond hem als repetitor bij.
316. De vrije basisschool voor jongens
Zoals gewoonlijk begon het schooljaar pas in oktober, zodat de jeugd
bij graan- en aardappeloogst kon helpen. Die eerste schooldag moeten tachtig
leerlingen langs een dreigende haag kijklustigen passeren. In de Demerstraat
werden 120 meisjes geteld. Maar in het voorjaar van 1880 waren er reeds 198
jongens ingeschreven en bij de zusters 202 meisjes. Even vergelijken: het
gemeentebestuur berekende dat er in Diest dat jaar 315 jongens en 334 meisjes
recht hadden op gratis onderwijs. Maar een behoorlijk aantal lapte dit aan zijn
laars, want er bestond geen leerplicht. In deze cijfers waren de scholieren van
welgestelde ouders niet begrepen. In 1880 kwam het schoolcomité in het bezit
van een oud herenhuis met een grote tuin in de Peetersstraat. Notaris Verreydt
beschreef het op naam van twee zonen van provincieraadslid Cantillion. Daar er
nog geen vzw’s bestonden, kon het comiré zelf niets bezitten.
317. De vrije basisschool voor jongens II
Tegen oktober 1880 stonden in de tuin twee gelijkvloerse klassen en
twee op de verdieping. Het was een gebouw in rode baksteen, zonder versiersels,
maar wel gezond met zijn hoge plafonds en klapramen. De bovenste lokalen waren
door een planken afsluiting gescheiden, zodat ze in een zaal veranderd konden
worden. Voortaan gaven hier vele katholieke verenigingen hun feesten, vóór de
‘Patria’ bestond (1905). Het bouwwerk deed dienst tot in 1936. In zijn
soberheid moest het fel onderdoen voor de nieuwe gemeentelijke meisjesschool,
die in 1882 in dezelfde straat verrees en waarvoor de stad zich had laten
inspireren door een Leuvens model. Met haar geheel overdekte speelplaats,
arduin en zandsteen, met haar ruime directiewoning, was ze een ‘école comme une
halle’. Zo woordspeelden kwade tongen die graag een mondje Frans uitstalden.
Dat gebouw werd in 1995 afgebroken. Keren we terug naar de vrije school. Na een
paar jaren waren er teveel leerlingen voor de heer Palmaers en zijn repetitor.
Louis Vandijck, een van de eerste leerlingen, moest dan inspringen. Toen die in
1884 zijn militaire dienst deed, volgde broer Frans hem op. Deze had geen
enkele opleiding genoten, maar hij beschikte over een natuurlijke aanleg en hij
bleef aan tot in 1926.
318. De jongensschool verhuist
In 1885 bezweek het H.-Kruiscollege onder financiële moeilijkheden.
Daardoor kwamen nieuwe lasten op de schouders van het comité drukken. Alhoewel
het aartsbisdom zelf het pas opgerichte eigen college voor de helft
financierde, werd er toch weer een beroep gedaan op de mildheid van dezelfde
weldoeners. Maar bovendien mocht dat instituut over de pas gebouwde lokalen in
de Peetersstraat beschikken. Het schoolcomité moest dus uitzien naar een ander
onderkomen voor de bestaande basisschool. De volksschool met meester
Vandebrande verhuisde naar de Vestenstraat dicht bij de begijnenpoort. Toen de
nieuwe aartsbisschop, Mgr. Goossens, wat later kennis kwam maken met Diest,
vergat hij de bannelingen in dat achterhoekje niet. Zoals vele collega’s en
ondervoede, door tbc ondermijnde leerlingen, bereikte Leonard Vandebrande geen
hoge ouderdom. Hij overleed in 1890, 46 jaar oud. In 1895 was Gustaaf Vannerom
er schoolhoofd. Rond 1900 Alfons Molijn. Daarna Louis De Coninck, terwijl Frans
Van Dijck de eerste klas gaf. Met excuses voor het niet noemen van andere,
onbekende pioniers.
319. Enkele cijfers
We herinneren nog even aan de startcijfers van het vrije net in 1879:
80 jongens en 120 meisjes; voorjaar 1880 198 jongens en 202 meisjes. Deze
getallen moeten we echter met een kritisch oog bekijken, want ze stammen uit
een sympathiserende bron. Voor 1895 schatte of onderschatte het gemeentebestuur
het aantal jongens in de vrije school op 150 à 180. Wat protest uitlokte bij de
katholieken: er waren 234 leerlingen ingeschreven. In de gemeenteschool voor
jongens zaten er toen 284. Voor 1895 beschikken we echter over vergelijkbare
officiële cijfers. Karel Ghoos, het schoolhoofd van de gemeenteschool in de
buurt, telde 302 scholieren. Gustaaf Vannerom in de Vestenstraat 103. In het
openbare net trof men 321 meisjes aan. Bij de zusters 98. Samen hadden toen 900
kinderen in Diest recht op gratis onderwijs. 46 daarvan lieten zich niet zien.
Hoe het ook zij: de lokalen waren zo reeds overal overbevolkt. De gemeentelijke
basisschool in de Begijnenstraat omvatte drie klassen. In één ruimte drumden 72
scholieren samen, in een andere 98 (in 1899)!
320. De broederschool
Het vrije net kon moeilijk optornen tegen de tastbare voordelen die de
concurrentie aanbood, al was het maar de schoolsoep die de liefdadige
vereniging ‘Les Philantropes’ daar bekostigde of de extra’s van het
armenbureau. Met Sinterklaas 1907 echter kon het bij hun tegenpartij, de
Vincentianen, ook een keer niet op. Ieder kind van de katholieke scholen kreeg
een hemd, een paar sokken, klompen, pet of das, een mik, snoep en speelgoed.
Maar het was vooral door de bevolkingsaanwas van Diest en de machtswijziging
die zich voltrok op het stadhuis, dat de vrije basisschool een groeiend succes
kende. In 1907 moest er een derde lokaal ingericht worden. In 1908 kocht deken
F. Verstreken een ruim terrein in de Kruisstraat, op de plaats van de huidige
Warandeschool. Het gebouw dat er werd opgetrokken, kon iedere vergelijking
doorstaan. Het bakent daar nog altijd de speelplaats in het westen af. De
broeders van O.-L.-Vrouw van Barmhartigheid uit het Scheppersinstituut van Mechelen
ontfermden zich voortaan over het onderwijs. Maar dat is stof voor bijdragen
als we die periode zullen behandelen.
321. H. Familie I
In de laatste helft van de 19de eeuw groeide de
belangstelling voor het heilig gezin van Nazareth. In februari 1880 wijdde paus
Leo XIII een encycliek aan het huisgezin. Naar het begin van de brief werd ze
‘Arcanum divinae sapientiae’ genoemd (‘Het geheim van de goddelijke wijsheid’).
Op dat ogenblik kwam het gezinsleven steeds meer in verdrukking. Het aantal
echtscheidingen steeg en het geboortecijfer daalde. Door de opkomende
industrialisatie moesten veel mensen hun brood ver van huis verdienen. Ook
vrouwen en zelfs kinderen werden door het arbeidsproces opgeslorpt, zodat de
familieband verslapte. De predikanten van volksmissies (zie nrs. 304 tot 307),
vooral de redemptoristen, probeerden dat onheil te keren. Reeds in 1847 hadden
die paters in Luik een aartsbroederschap van de H. Familie opgericht, dat in
1883 ongeveer 300.000 leden telde. In 1878 preekten ze een missie in de
Lievevrouwkerk en ze bevalen hun broederschap sterk aan. Dat moet reeds in een
of andere vorm in Diest bestaan hebben, want in 1877 luisterden zangers van de
H. Familie de halfoogstprocessie in de Lievevrouwparochie op.
322. H. Familie II
Als gevolg van de volksmissie van 1878 werd de parochie op 3 september
van dat jaar aangesloten bij de aartsbroederschap van de H. Familie in Luik.
Voortaan mocht een beeld van het heilig gezin van Nazareth in de Lievevrouwkerk
niet ontbreken. In 1880 bestelde men er een bij beeldhouwer Van Emelen uit
Leuven, die aan de parochie reeds de madonna in de grot en Bernadette geleverd
had en in 1888 een Jan Berchmans zou bezorgen. Het kostte 330 frank en werd op
1 februari gewijd. Het staat nog altijd in de noordelijke zijbeuk. Terloops
wordt vermeld dat de afdeling van Onze-Lieve-Vrouw toen reeds 500 leden telde.
We onderstellen dat iedere persoon van een gezin werd meegerekend. De
aangeslotenen hielden hun vrome oefening ’s zondags na het lof. Een priester
preekte over een heilige, de tien geboden. De aanwezigen zongen er ook
gemakkelijke liederen, die iedereen kon meezingen.
323. H. Familie III
Paus Leo XIII liet het niet bij zijn zendbrief Arcanum. In een
schrijven uit 1892 zag hij de redding van de gezinnen in de navolging van de
voorbeelden van Jezus, Maria en Jozef en het dagelijkse bidden thuis. Hij
propageerde het genootschap van de H. Familie. Het heilig gezin kreeg een
speciaal feest. We kennen deze paus gewoonlijk maar als de man van ‘Rerum
Novarum’ en als diplomaat. Maar hij was ook dichter en schreef zelf de
lofzangen op dit feest voor het brevier. De oproep van de paus vond weerklank.
Kardinaal Goossens wijdde er zijn vastenbrief van 1895 aan. Hij drong er sterk
op aan dat iedere parochie zulk een genootschap zou organiseren en een register
zou aanleggen met de inschrijvingen. De mensen waren trots op het diploma dat
ze dan ontvingen. Vele prenten hingen er bij de man uit de straat nog niet aan
de muur! De Lievevrouwparochie reageerde prompt. Op 8 december 1895 werd het
genootschap er ingesteld. In 1899 maakten 196 gezinnen er deel van uit. In 1898
hamerde de kardinaal er nog steeds op.
324. Een kostbare erfenis I
In januari 1885 wees juffrouw Regina Zérezo, wonende in ‘De Wereld’, de
Lievevrouwkerk bij testament een eiken kast met glazen deuren toe, die nu nog
links op het koor hangt. Op de achtergrond waren twee wapenschilden
geschilderd, het ene van Jan de Zérezo, schepen van Diest, in Leuven geboren
(1748), het andere van zijn echtgenote, Katherina Regina Cordeys (1748-1793).
Zij was de dochter van de toenmalige drossaard, die de prins van Oranje in
Diest vertegenwoordigde. De inhoud van dit kastje was evenwel veel ouder dan de
edelachtbare dragers van de wapenborden. Het was een reliekhouder in de vorm van
een laat-Renaissance miniatuuraltaartje uit 1661. in dit altaartje waren 8
beeldjes verwerkt en 22 relikwieën, hoofdzakelijk van pestheiligen. De
kerkfabriek had echter niet zoveel op met deze nalatenschap, zoals we in de
volgende bijdrage zullen zien.
325. Een kostbare erfenis II
De kerk aanvaardde dit erfstuk, omdat er geen verplichtingen aan
verbonden waren en om de wil van de vrome erflaatster te eerbiedigen. Praktisch
nut voor de eredienst had de nalatenschap niet. In de 19de eeuw
vereerden de mensen nochtans nog graag relikwieën. Maar die in het altaartje
waren niet echt, meenden ze in de parochie, want ze droegen geen wassen zegel
van de kerkelijke overheid als erkenning van de echtheid en er waren evenmin
documenten die dit staafden. Daarom konden ze niet vereerd worden (bij nader
toezien blijkt dat sommige wel degelijk verzegeld zijn). Het kerkbestuur vond
het ook maar niks dat de doosjes met de relieken van tin of blik waren.
Bovendien waren de handen van de houten beeldjes soms verminkt. Kunstkenners
schatten de waarde in 1885 op 40 à 55 frank. Antiekdieven echter apprecieerden
het beter in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw. De Heer J. Bongaerts
en de toenmalige kerkmeesters hebben hemel en aarde moeten bewegen om het stuk
opnieuw in het bezit van de parochie te krijgen. Veiligheidshalve wordt het
altaartje nu geborgen in het stedelijke museum. Het kastje hadden de dieven ter
plaatse gelaten. Hierin hangt nu een brief van kardinaal Danneels, die de
parochie feliciteert met het schilderen van de kerk in 1988.
326. Relieken
In de 17de eeuw woedde de pest herhaaldelijk in Diest,
bijvoorbeeld in 1604, 1625, 1633, 1634, 1635. Bij dergelijke calamiteiten namen
de mensen vol vertrouwen hun toevlucht tot de heiligen. Zij waren de
hulpverleners en specialisten voor die tijd. Gewone mensen trachtten God te
bereiken via wezens van vlees en bloed die zijn onvoorspelbare goedheid
enigszins aanschouwelijk maken; ze hoopten dat de heiligen hen zouden
aanbevelen bij de Heer. Hun relieken vereren was een voelbaar en liefdevol
contact met de heilige zelf: een deeltje van zijn lichaam, een stukje kleding,
iets wat het gebeente van de heilige had aangeraakt. Maar de onverzadigbare
vraag van kerken en particulieren gaf aanleiding tot veel misbruik. Tijdens de kruistochten
werd veel uit het gewiekste Oosten naar het lichtgelovige Westen gebracht.
Enkele voorbeelden: de kathedraal Saint-Aubin van Namen bewaarde haar van de
baard van Jezus, een doekje uit zijn kindskorf, een tand van Petrus. In de
kathedraal van Doornik trof men haar van Maria Magdalena en overschot van de
vijf gerstebroden. In de St.-Catharinakerk te Maaseik vereerde men een steen
die Stefanus trof en de spons die Jezus gereikt werd op het kruis. Later mocht
men alleen nog maar echte relieken vereren, gegarandeerd met een stempel in
rode lak of was.
327. Meer over het reliekaltaartje I
Het 4de concilie van Lateranen (1215) en dat van Trente
(1545-1563) verboden de verkoop van relikwieën. Wij vinden het verzamelen en
vereren ervan misschien een rare bedoening. Maar leggen sommige moderne mensen
geen collectie aan van voorwerpen die aan hun popidolen hebben toebehoord? Wie
bewaart er niet piëteitsvol tastbare herinneringen aan geliefden? Het altaartje
is voornamelijk een verzameling van heiligen die tegen de pest werden
aangeroepen. Maar er staan ook andere noodhelpers bij. Op de top prijkt de H.
Kristoffel, de reus met het kindje Jezus. Hij beschermde tegen een onvoorziene
dood. Als men zijn beeld gezien had, zou men die dag niet onverwachts sterven.
Zijn beeldje is groter dan de andere, want men moest het goed kunnen zien. Op
de bovenste rij staan twee pestheiligen bij uitstek: Adriaan en Sebastiaan.
St.-Adriaan draagt het aambeeld waarop zijn benen werden stukgeslagen.
St.-Sebastiaan draagt een boog. Als lid van de keizerlijke garde zal hij die
ook gehanteerd hebben. Maar hij viel zelf onder de pijlen. Pijlen waren sedert
de Oudheid zinnebeelden van de pest, een straf vanwege de goden. In een nis
tussen beide heiligen staat Maria. Zij mocht natuurlijk niet ontbreken.
328. Meer over het reliekaltaartje II
Op de middelste rij ziet men de woestijnheilige Antonius en de pelgrim
Rochus. St.-Antonius-abt werd in de Middeleeuwen aangeroepen tegen een
ongeneeslijke huidziekte, het Antoniusvuur. Zijn broederschap mocht lang drie
gemerkte varkentjes in Diest laten lopen, die hun kost langs de straat zochten.
Bij het slachten kregen de armen er hun part van. St.-Rochus moeten we als de
grote pestheilige niet meer voorstellen na bijdragen 57, 58
en 227. Centraal in de rij staat St.-Jan de Doper,
eigenlijk vereerd tegen het huilen en de stuipen bij kinderen. De twee
bisschoppen op het onderste vlak kregen geen speciale attributen, daarom kunnen
we ze niet met zekerheid identificeren. We kiezen voor Sulpitius en Dionysius,
de patroons van de Diestse hoofdkerk en van de stad, omdat de beschermheiligen
van de andere parochiekerken ook vertegenwoordigd zijn: Onze-Lieve-Vrouw en
St.-Jan de Doper. Het altaar bevat ten andere een doosje met relieken van
St.-Denijs en in Duitsland wordt die als pestheilige vereerd. Elders meer om
gespaard te blijven van overlast door soldaten. De specialiteit van Sulpitius
was nierziekten.
329. Wederwaardigheden met de toren I
In september 1874 verscheen volgend bericht in De Gazette van Diest:
‘De paus is eergisteren bijna verongelukt op de toren van de
Onze-Lieve-Vrouwkerk. Als schrijnwerker oefende Simons daar herstellingswerken
uit. Door een onvoorziene beweging van de klok stortte de stelling plots naar
beneden. Simons liep lichte kneuzingen op, die hem enkele dagen
arbeidsongeschikt maakten’. Sensatie, als men alleen het begin leest. We menen
echter niet dat de opsteller zich aan een grapje gewaagd heeft met de vereerde
Pius IX (zie nrs. 258, 259, 260). De manier waarop hij het
bericht brengt, verraadt nochtans een zekere humor, die het toenmalige Diest
snapte. Haast iedereen werd destijds met een bijnaam bestempeld. Zo heette
pastoor Roest van het begijnhof het koolputterke – we weten reeds waarom (zie
nr. 301). Soms kende men de echte naam van iemand pas, als men hem op het
doodsprentje of het grafkruis zag.
330. Wederwaardigheden met de toren II
Begin juni 1889 sloeg de bliksem in op de toren van het begijnhof. Een
paar dagen later, op 7 juni, werd die van de Lievevrouwkerk getroffen. Hier
ontstond een begin van brand. Er was schade aan de toren, klokken, uurwerk en
orgel. Gelukkig kwam de brandweer snel ter plekke en kon ze het onheil
beperken. Om hun prompt optreden ontving het corps 25 frank van de verzekering.
De kerkfabriek trok 595 frank schadevergoeding. Na deze perikelen besloot de
kerkfabriek een bliksemafleider te installeren, zoals die reeds op vele
plaatsen bestond. Dat zou 593 frank kosten. Daarom deden ze een beroep op de
edelmoedigheid van de parochianen. Tevens ontvingen ze 100 frank toelage van de
provincie en van het ministerie van justitie. De Lievevrouwparochie was er
beter van afgekomen dan de kruisheren. Met Pinksteren 1877 stichtte blikseminslag
brand in de bovenste peer van hun toren. Kruis en haan stortten naar beneden.
Voor de plaatselijke brandweer was het een onmogelijke opdracht. Maar de
kanonniers van het garnizoen konden met hun beter materiaal het vuur bedwingen.
Met julikermis 1897 gaven de stedelijke brandweerlieden een demonstratie op het
pleintje naast de Lievevrouwkerk. Daar stond een hele constructie om de
reddingswerken in hun werking te vertonen. Het jaar daarop was het echter
bittere ernst, toen de Ezeldijkmolen een prooi van de vlammen werd.
331. Toen de bisschop kwam vormen I
Thans brengt het vormsel even wat feeststemming in de betrokken
gezinnen en in de parochiekerk. Het gebeurt nu jaarlijks en daarom is het niet
zo buitengewoon. Ook de bedienaar van het vormsel is nu meestal een gewone
priester, daartoe door de bisschop gemachtigd, want die zou dat onmogelijk
overal jaarlijks zelf kunnen doen. Vroeger kwam de kerkvoogd zelf vormen met
min of meer lange tussenperiodes. Dan kwamen kinderen van meerdere parochies uit
Diest en omgeving samen in Sint-Sulpitius. Het was een zeldzame gebeurtenis.
Daarom werd de bisschop plechtig onthaald, vooral als het de eerste keer was
dat hij Diest bezocht. In volgende bijdragen geven we daar twee voorbeelden
van: een bezoek uit 1724 en een ander uit 1885. In 1724 was een bisschop nog
een hoogwaardigheidsbekleder. In die eeuw waren alle bisschoppen van Mechelen
nog van adel. Hun namen liegen er niet om: Humbert-Willem a Precipiano,
Thomas-Philippus d’ Alsace, Jan-Hendrik von Franckenberg. In die tijd, toen
Kerk en staat nog niet gescheiden waren, werden ze overal met de nodige
honneurs ontvangen.
332. Toen de bisschop kwam vormen II
Op 27 september 1724 liet de landdeken per expresse weten dat de
kardinaal zou komen vormen op een nader te bepalen dag. De stedelijke overheid
beraadslaagde met de proost van St.-Sulpitius hoe Zijne Eminentie ingehaald zou
moeten worden. De proost daagde op met een groot boek dat beschreef hoe de
bisschop, komende als legaat van de paus, ingehaald moet worden onder een
baldakijn. Het stadsbestuur vond echter dat de bisschop maar als bisschop kwam.
Het deed daarom navraag hoe ze het elders hadden gedaan. Op 5 oktober gingen de
proost, de schout en burgemeester de kardinaal, die Scherpenheuvel bezocht,
daar opzoeken om de datum af te spreken en de nodige regelingen te treffen. De
kerkvoogd maakte het Diest gemakkelijk door zo goed als incognito te komen, op
zondagavond 8 oktober. Daarom moesten de autoriteiten hem niet buiten de
poorten van de stad opwachten. Ze konden hem uit de proostdij afhalen. Op 6
oktober werd omgebeld: ‘Iedereen moet de straat voor zijn erf vegen op boete
van 3 gulden’. In St.-Sulpitius werden alle altaren op zijn best gesierd.
333. Aankomst
Al wilde kardinaal d’Alsace onopgemerkt blijven, zijn aankomst in de
stad baarde opzien. Op de vooravond arriveerde hij met zijn karos, zijn
staatsiewagen bespannen met zes paarden. Die van de abt van Tongerlo, die al
eens in de stad verscheen, moest het stellen met vier paarden. Maar deze extra
bespanning van de wagen was geen overbodige luxe in oktober over Hagelandse
wegen, die door de vele houtwagens zo waren uitgereden, dat men er slechts met
halve vrachten kon passeren en een dubbel aantal paarden. Bestrate wegen liepen
er toen nog niet naar Diest. Een lichtere reiskoets voor vier personen, een
berline, door twee paarden getrokken, volgde de karos van de kardinaal. De hoge
bezoeker was vergezeld door hulpbisschop A. d’Espinosa, landdeken Collier van
Langdorp, een secretaris, twee kamerlingen en verscheidene knechten. De
kardinaal nam zijn intrek in de proostdij. De beide koetsen, paarden en
knechten vonden onderdak in ‘De Pelikaan’, een voorname afspanning in de
huidige St.-Jan Berchmansstraat in de buurt van ‘Het Lammeke’. Het stadsbestuur
wachtte de bisschop in korps op en bood de erewijn aan.
334. De grote dag
Op 9 oktober 1724 bracht het stadsbestuur de kardinaal processiegewijs
van de proostdij naar de St.-Sulpitiuskerk. Achter het witte processievaandel
openden koralen de stoet. Dan volgden de St.-Sebastiaansgilde, de
St.-Barbaragilde en de St.-Jorisgilde met hun toortsen, zwarte mantels en de
koningen met de sierkettingen met zilveren platen. Na hen kwamen de
augustijnen, de minderbroeders, de kanunniken van de grote kerk, de proost met
koorkap. Dan de kardinaal in rode toog met een lange sleep die gedragen moest
worden. Maar toen het hoge gezelschap de proostdij verliet, begon het te
regenen. De kardinaal vroeg om een baldakijn. Gelukkig had de Sulpitiuskerk
zich voor enkele jaren een nieuwe troonhemel aangeschaft voor de processie van
het H. Sacrament. Zes mannen van de raad droegen dus dat pronkstuk. Het
baldakijn werd voorafgegaan door een groot zilveren kruis en gevolgd door de
hulpbisschop, de secretaris, de landdeken, de stedelijke raad, de schout.
Achter hen marcheerden ’s heren dienaars met hun hellebaarden en de rode roede
van justitie. Na hen volgde veel volk de stoet over de Ketelstraat en
Marktstraat. Intussen galmde de grote klok en speelde de beiaard. Aan de
trappen van de kerk vormden de gilden de haag. Het was ongeveer tien uur, toen
de bisschop begon te vormen tot halfeen.
335. Visitatie
De namiddag van 9 oktober en de volgende dagen vormde de hulpbisschop
d’Espinosa. Intussen bezocht de kardinaal de Lievevrouwkerk, die van St.-Jan de
Doper, de kloosters en het begijnhof. Hij wilde zich vergewissen van de
toestand van de gebouwen, het meubilair, de eerbied voor de sacramenten, het
gedrag van de geestelijkheid en de gelovigen. ’s Avonds had hij andere
verplichtingen. Hij moest aanzitten aan de jaarlijkse fameuze schepenmaaltijd.
De vroede vaderen van Diest hadden die in september uitgesteld om de bisschop
te kunnen uitnodigen. Schepen A. Coppal, wiens beurt het was om te trakteren,
gaf daarvoor 120 gulden. Daarvoor moest een maaier destijds minstens 7 maanden
hard zwoegen. De stad legde de rest bij. Er prijkte zoveel op het menu, dat ze
gewoonlijk de maaltijd over twee dagen spreidden. Er waren vooral
vleesgerechten: worst, kip, schapenbout, ham, rund, speenvarken, kalkoen,
kalfsnieren, haas en konijn, patrijs, leeuweriken of vinken. En onze voorouders
geraakten dat alles de baas!
336. Afscheid
Tot 14 oktober 1724 werd er elke dag gevormd. Die dag vertrok de
kardinaal na de middag, na de overheid bedankt te hebben. Bij zijn afscheid
speelde de beiaard en luidde de grote klok zoals op grote feesten. Kardinaal
d’Alsace mocht niet klagen over Diest, want de stad betaalde ook de rekening
van de knechten en de paarden in ‘De Pelikaan’. We zijn over dit vormselbezoek
zo goed op de hoogte, omdat de toenmalige stadssecretaris alle details
zorgvuldig heeft opgetekend. De kardinaal kwam ook in 1750 vormen. Door vorige
ervaring geleerd vroeg hij geen grote kosten te doen en slechts zes schotels op
te dienen plus dessert. Dezelfde eeuw zouden nog andere bisschoppen komen
vormen, onder andere in 1761 en 1778. Maar onze bronnen verklappen niet of het
telkens zulk een grandioos onthaal werd.
337. Blijde inkomsten in de 19de eeuw
Victor Dechamps was in 1867 kardinaal Sterckx opgevolgd. Op 22 juni deed
hij zijn eerste intrede in Diest. Een stoet van geestelijken bracht hem naar de
Sulpitiuskerk. Voor de hoge gast waren de straten versierd en de mensen staken
feestelijk licht aan. We leefden echter niet meer in de tijd vóór de Franse
revolutie. Het gemeentebestuur was wel uitgenodigd, maar hield zich afzijdig,
omdat het hier uitsluitend een godsdienstige plechtigheid gold. Op maandag 6
juli 1885 bracht de volgende kardinaal, Goossens, zijn eerste bezoek aan Diest.
De bisschop arriveerde met de trein. Stationschef A. Marteleur had de
wachtkamer van zijn houten station met bloemen en planten versierd, zoals het
jaar voordien toen koning Leopold II de grote manoeuvres in het Hageland kwam
inspecteren. Deken Wuyts wachtte de kardinaal op en ze zetten hun tocht per
rijtuig voort. De enige fatsoenlijke weg om toen van het station het centrum te
bereiken, liep via de Antwerpsestraat, Schaffensestraat en Langesteenweg.
338. Bezoek aan de stad I
Op dinsdag 7 juli 1885 vormde de bisschop om 9 uur de kinderen van de
Sulpitiusparochie en om 11 uur die van de andere parochies. In de namiddag
bezocht hij het gasthuis en de grauwzusters. Zo passeerde hij de
Zevenweeënstraat. De straat hing vol slingers van groen en papieren bloemen.
Hier en daar stond een boompje. De bewoners hadden hun beelden en prenten voor
het raam uitgestald als voor een processie. Ook de bekende kapelletjes waren
schitterend versierd. Kardinaal Goossens hield bij elkaar deur even halt en
wisselde een woordje met de mensen, die daarmee niet weinig in hun schik waren.
Diestenaars uit chiquere buurten erkenden dat de Zevenweeënstraat eer van haar
werk haalde.
339-340. Bezoek aan de stad II
Na het bezoek aan de celzusters trok Monseigneur Goossens
via de Vestenstraat naar het begijnhof. Overal begroette het volk hem
geestdriftig. Onderweg bezocht hij nog de nieuwe katholieke basisschool voor
jongens, die we reeds kennen uit bijdrage 318. ’s
Anderendaags ging hij kennismaken met de zusters van de Voorzienigheid, de
kruisheren en de cellenbroeders. In de namiddag reisde hij weer af met de
trein. De driedaagse visite was een kluif voor het plaatselijke katholieke
weekblad, dat alles in geuren en kleuren rapporteerde. In Diest konden ze na de
pokken en de schoolstrijd zulk een opkikkertje best gebruiken. In 1907 kwam de
nieuwe aartsbisschop, Mgr. D. Mercier, voor het eerst in Diest vormen. Aan de
meeste huizen hingen vlaggen. Wat hem echter speciaal naar de Demerstad bracht,
was het gouden priesterjubileum van zijn oud-leraar, pastoor Oliviers van de
Lievevrouwkerk, aan wie hij veel te danken had. De kardinaal beklom de kansel
van de kerk en sprak de aanwezigen toe in het Vlaams. Bij zijn bezoek aan de
mini-jamboree van de scouts in augustus 1921 werd hij officieel op het stadhuis
ontvangen. Deze eer viel ook zijn opvolger, Mgr. J. Van Roey, te beurt, toen
hij in 1927 kwam vormen.
341. De Berchmansfeesten van 1888 I
De volgende bijdragen roepen de Berchmansfeesten van 1888 op. Op 15
januari dat jaar werd Jan Berchmans heilig verklaard. Diest zou zijn illustere
stadsgenoot waardig huldigen in augustus. We geven daarvan enkele treffende
bijzonderheden, vooral betreffende de Lievevrouwparochie. Wekelijks werd er in
iedere straat gecollecteerd voor de versiering. Armen deden meer dan hun
middelen toelieten. De laatste weken hadden de mensen geen tijd meer voor
vergaderingen, want ze moesten papieren bloemen en slingers maken. Verheugend
was dat het gekibbel tussen de plaatselijke weekbladen ophield. Alle namen ze
bereidwillig de mededelingen van het organiserend comité op. De Diestenaren
voelden zich dan ook niet weinig gevleid door de eer die aan een van hen te
beurt viel. Waar ergens de biografie van Berchmans gelezen zou worden, zou men
immers op de naam van zijn geboortestad botsen. Bij velen leefde ook de droom
dat Diest een beroemde bedevaartplaats zou worden met stromen volk. In
afwachting verscheen reeds een elixir ‘Sint-Jan Berchmans’ op de markt.
Natuurlijk ook levensbeschrijvingen, een bedevaartvaantje, prenten, litanieën. Voorlopig
floreerde de verkoop van lampions, kaarsen, lantaarntjes, fakkels voor de
verlichting en gekleurd papier, vlaggen en draperieën voor de versiering.
342. De Berchmansfeesten van 1888 II
Kardinaal Goossens wijdde een herderlijke brief aan de heiligverklaring
en hij schreef een driedaagse voor met godvruchtige oefeningen en preken. Het
stadsbestuur was niet erg geneigd om officieel met de viering mee te doen, uit
protest tegen de onvaderlandse houding van de geestelijkheid tijdens de feesten
van 1880 (zie nr. 315). Maar de meeste raadsleden
drongen erop aan dat het stadhuis van Diest bevlagd en verlicht zou worden. Een
toelage kon er echter niet van af. Particulieren evenwel vergaten gemakkelijker
het oude zeer. Eigenaars van een grote mouterij, een graanmolen en brouwerij
die beslist geen pilaarbijters waren, stelden graag wagens en paarden voor de
stoet ter beschikking. Ze volgden hierin het voorbeeld van de hertogin van
Arenberg uit Heverlee, die haar eeuwenoude staatsiekoets had uitgeleend, waarin
de groep van de familie Berchmans was gezeten. Bijna iedereen vlagde en
verlichtte. Langs de straten waren boompjes geplant en triomfbogen opgericht.
Aan sommige huizen hingen rode of blauwe draperieën, bij andere vormden rozen
en lelies een krans rond het venster.
343. Versiering van de Lievevrouwkerk
De Lievevrouwkerk was prachtig, misschien wat overdadig versierd. Maar
men kon niet genoeg voor Berchmans doen. Boven het hoofdaltaar hingen de wapens
van paus Leo XIII, kardinaal Goossens en Monseigneur Anthonis. Bij beeldhouwer
Van Emelen in Leuven had de parochie zopas een beeld van Sint-Jan gekocht. Het
prijkte op een altaar op het koor onder de mooiste vergulde troonhemel die de
parochie bezat. Daarboven vormden vier blauwe draperieën met gouden sterren een
reusachtig baldakijn. In het schip hing een vergulde kroon met kostbare
vederbossen. Rode en blauwe afhangende stof, chronogrammen, slingers met
eikenbladeren, kerkvaandels bekleedden muren en pilaren. Pastoor Emmerick en het
wapen van de abdij van Tongerlo ontbraken niet op de balustrade van het oksaal.
Op 15 augustus celebreerde Monseigneur Anthonis, bisschop van Constantia, in de
Lievevrouwkerk een pontificale hoogmis en lof. Daarna ging de traditionele
processie uit. Ze was nu verrijkt met enkele groepen uit de Berchmansstoet.
344. De Berchmansstoet
De eigenlijke feeststoet trok op 13 en 19 augustus door de straten. Hij
bestond uit een historisch en een religieus deel. Het eerste riep de
geschiedenis van Diest en van de heilige op. In de processie stapten
broederschappen uit vele plaatsen, een lange rij kloosterlingen en priesters.
Daarna volgden de relikwieënkast, kardinaal Goossens en meerdere bisschoppen en
monseigneurs. In de Lievevrouwparochie kwam de stoet voorbij de Langesteenweg,
de Schaffensestraat, het Wederbroek, de Overstraat. In de Abalie kon men hem
zelfs tweemaal zien passeren. In de ‘Rode Leeuw’ en de Christusogen verhuurde
men dan ook vensters en kamers voor de kijklustigen, want op straat wemelde het
van de duizenden bezoekers die speciale treinen in de stad uitgoten. Wie wat
langer bleef, bewonderde ’s avonds de toverachtige verlichting en het vuurwerk.
345. Jaarverzen en opschriften
Aan de gevels uitten de mensen hun gevoelens voor Sint-Jan en hun wensen
in chronogrammen en verzen. In de 19de eeuw was het een hele sport
voor de geest om dergelijke jaarverzen op te stellen. Bepaalde letters moesten
samen 1888 vormen. Het waren meestal vrome spreuken als: ‘Berchmans,
Diestenaar, verlos uw inboorlingen van alle kwalen’. Anderen waren trots op hun
stad omwille van de nieuwe heilige: ‘Diest, alhoewel klein, door Johannes’
leven boven veel prachtige steden verheven’. Voor sommigen was het echter puur
reclame: ‘Wie de heilige viert van allen kant vindt hier veel lekkers voor de
tand’. Of zonder omwegen: ‘Meilleur chocolat vendu prix fixe’.
Of : ‘Chapeau de luxe J. Berchmans pour trois francs soixante’. Er waren ook Franse
en Latijnse chronogrammen en verzen. In de Schaffensestraat hingen er 23,
waaronder twee Franse en één Latijnse. In het parochiale deel van de
Langesteenweg 27, waaronder zeven Franse en één Latijnse. In de
Lievevrouwparochie misbruikte echter niemand de nieuwe heilige voor reclame.
346. Abaliekermis
We weten onderhand wel dat deze parochiekroniek zich niet beperkt tot
wat zich onder het dak van de Lievevrouwkerk afspeelt. Zo handelden sommige
bijdragen over de armoede, de besmettelijke ziekten, de straatverlichting. We
mogen ook eens een prettige kant van het leven bekijken: de wijkkermis in de
Schaffensestraat tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw.
Abaliekermis moet al veel eerder bestaan hebben, maar ze was stilaan
uitgedoofd. Op 26 oktober 1879 werd ze opnieuw ingericht. In die tijd zonder
radio en tv, zonder voetbal en wedrennen, zonder veel plezierreizen, met lage
lonen en veel armoede, genoten de plaatselijke feesten veel aantrek. Ook als
men het geld niet kon laten rollen, kon men daar immers zijn ogen de kost
geven. Abaliekermis was misschien wel de eerste, maar niet de enige wijkkermis.
Sint-Jansveld, Sint-Job, stationskermis, tramstatiekermis aan de Leuvensepoort,
de buurt rond de vroegere Sint-Annakapel en wellicht nog andere, lokten
publiek. Bij sommige mensen waren al deze feestelijkheden nochtans een doorn in
het oog, om verschillende redenen, zoals we in volgende bijdragen behandelen.
347. Een doorn in het oog I
We weten niet hoe de toenmalige pastoor van de Lievevrouwparochie, P.F.
Oliviers, erover dacht, maar zulk een gemengde ontspanning was reeds lang een
doorn in het oog van de kerkelijke overheid. In de tijd van Jan Berchmans
mochten gehuwden slechts gaan dansen na het lof en de vespers. Maar de gemengde
ontmoetingen van de jeugd keurden de bisschoppen ten zeerste af. Tijdens de
lange winteravonden kwamen meisjes en vrouwen samen om te spinnen. Jongens en
mannen zochten het gezelschap op. Het was spinning of spinavond. Als het de
waarheid vertelt, vermeldt het verslag van een visite aan de Lievevrouwkerk in
1685 dat onder pastoor P. Blieck dergelijke bijeenkomsten niet meer gebeurden.
Uitgeroeid waren ze niet, want in 1697 schreven de bisschoppen een gezamenlijke
brief tegen de dartele samenkomsten van jongens en meisjes in de herbergen en
bij spinning. De vastenbrief van 1817 hanteerde grof geschut tegen de bals: ‘We
hebben met schroom vernomen dat men danst in die vergaderingen op een dartele
wijze. Dat die dansen duren tot diep in de nacht’. De pastoors moesten daarom
ter gelegenheid van de kermis aan die brief blijven herinneren en preken tegen
herbergiers die bals inrichten. Nog in 1828 preekte pastoor Timmermans tegen de
‘dansvergaderingen’ met carnaval.
348. Een doorn in het oog II
Niet alleen de kerkelijke overheid aanzag de toename van de kermissen
met lede ogen aan. Ook sommige burgerkringen spaarden hun kritiek niet. Ze
hadden er begrip voor dat de Abaliekermis ingericht was om wat verteer in deze
wijk te brengen. De middenstanders uit deze uithoek hadden reeds vele serieuze
kansen aan hun neus zien voorbijgaan: een botermarkt (1864), een varkensmarkt.
Maar een wijkkermis was voor de nerigdoeners slechts een nepremedie. De
gedachten van de burgerstand gingen ook naar de gewone man die hier zijn zuur
verdiende centjes verspilde, terwijl de winter voor de deur stond. Dan viel het
werk stil. Van uitkeringen bij werkloosheid was nog geen sprake. Er zou dan
weer geschooid moeten worden. Nu werd men op Abaliekermis niet altijd armer.
Men kon mededingen naar de prijzen op de volksspelen en er een ham, een kiel,
een broek, een vest, wat geld wegkapen, als men handig was of niet vies van
bepaalde opdrachten. Volksspelen waren soms weinig verheffend, bijvoorbeeld
stroop likken, pap en mosterd eten, iets in een zak met bloem zoeken. Niet
iedereen leende zich daartoe. Maar zover onze bronnen reiken, bleef alles nog
binnen de perken in de Schaffensestraat. ‘Er heerste een echte feestvreugde, op
zijn Bruegels’, herinnert iemand zich nog.
349. Volksspelen I
Natuurlijk ontbrak het mastklimmen niet op 26 oktober 1879. Als men de
met bruine zeep ingesmeerde paal had beklommen, kon men op de top een prijs
afhaken. Bij kuipjerijden stond de kamper op een handkar en moest hij met een
stok een kuip met water doen kantelen die over de straat hing. Bij het kikvors
voeren moest men op een kruiwagen een paar kikkers naar de eindstreep kruien. Bij
een ander spel moest de vrouw de man kruien. Elders een varken bij de staart
pakken, zaklopen, pap eten, touwtje springen. Inschrijven kon in ‘De
Molensteen’. Op ‘De grote Draai’ naar de Antwerpsestraat en de Schaffensepoort
stond een kiosk, met Bengaals vuur verlicht. Andere gegadigden kwamen om het
bal in ‘De Laatste Stuiver’ en ‘Het Christusoog’. In oktober 1880 organiseerden
de inrichters een groot festival. De Abalie was feestelijk verlicht. Toen
kruiste de Demer nog aan de Ezeldijkmolen; de Verversgracht deed dat naast ‘De
Rode Leeuw’. Dan was er nog een half uitgedroogde beek, waar later het
tramspoor zou lopen. Met al dat water leek de buurt een klein Venetië. Er kwam
dan ook feeëriek Venetiaans feest op de Demer, naast de oude ingrediënten: volksspelen,
bal, vuurwerk.
350. Volksspelen II
Over sommige Abaliekermissen vóór 1900 beschikken we niet over
gegevens. Voor 1891 noteren we als nieuwigheden: eieren kloppen, paling eten,
duel met de spuit, pap en mosterd eten. In augustus 1892: wit en zwart, appel
bijten, aardappelen rapen, dansen met het koddigste kostuum. In september 1893
stond onder andere paling bijten op het programma. Na de eeuwwisseling werden
fietsen ook betaalbaar voor de gewone man. Ze inspireerden tot nieuwe
attracties zoals in 1908: langzaam rijden en eieren rijden. Bij dit laatste
moest men met het voorwiel de eieren ontwijken en met het achterwiel er zoveel
mogelijk verbrijzelen. Een andere keer was het ringsteken. Hier moest de
fietser zoveel mogelijk ringen op een biljartstok rijgen. Festivals, optochten
met muziek vrolijkten de feesten op. In de naaste buurt ontbrak het niet aan
brouwerijen: de Brouwketel, het Hoefijzer, de Zwaan, de Rode Leeuw. De brouwers
schonken een vat bier, dat midden op de straat werd leeggedronken.
351. De Abalie I
In deze reeks zal een woordje over de Schaffensestraat niet misstaan.
Vele Diestenaars aanzagen haar als de belangrijkste van de stad. Vele
handelaars en caféhouders verdienden er hun brood met passanten naar het
station, Beringen en Limburg. We vernoemen hier slechts enkele namen die op de
voorgrond traden bij kermissen en wijkkermis gedurende het laatste kwart van de
19de eeuw. Daar uithangborden wel eens wisselen, zullen ze nooit
allemaal tegelijk in de straat gehangen hebben. In ‘De Mortier’ op de hoek van
de Langesteenweg en de Abalie verkochten ze verse mosselen. Daar schuins
tegenover was het gewezen lokaal van de Christusogen. In 1879 was het een
herberg met een grote bovenzaal voor toneel, vergaderingen en bals. In 1902
lokte de uitbater vele nieuwsgierigen met een grote fonograaf die romances en
liederen speelde. De meeste Diestenaars hadden dat nog nooit gehoord of gezien.
De ‘Rode Leeuw’ was vroeger de brouwerij en stokerij Peeters-Mathijs; later een
herberg waar de kleine kruisboog vergaderde.
352. De Abalie II
Met kermis prees ‘De Molensteen’ zijn fijne hesp en vlaai aan. De
afspanning ‘De Ster’ beschikte over een kegelbaan. Ook de
handboogschutters waren er welkom. Later voerde ze reclame met haar fijn
onderhouden lusthof. Rond 1900 kom men er als in de opkomende melksalons van de
grote steden dagelijks verse melk consumeren tegen 10 centiem het glas.
Daarnaast baatte de baas nog een kolenhandel uit. Hoe populair boogschutterij
toen was, bewijst “De Lommer”, waar men nog een derde variant kon beoefenen: de
bolboog. In de Schaffensestraat hoefde niemand in de 19de eeuw dorst
te lijden. Naast de reeds geciteerde ondernemingen kon men ook terecht in
‘Klein Beringen’, ‘De Bonte Koei’, na vernieuwing ‘De Nieuwe Koei’, ‘De Klok’,
‘De Laatste Stuiver’, met zijn kegelbaan, ‘Le Grand Café’, met zijn uitheems
bier. En er ontglippen ons zeker nog de namen van andere.
353. De praalstoet van de Lievevrouwparochie
In de jaren tachtig van de 19de eeuw lokten meerdere stoeten
de kijklustigen naar Diest. We reppen dan niet over carnavalsoptochten,
intredes van de bisschop of de stoeten van 1880, toen België 50 jaar bestond,
en 1888, bij de heiligverklaring van Berchmans. De Lievevrouwkerk meende in
1889 ook niet ten achter te mogen blijven. Aanleiding was dat de broederschap
van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten in de parochie 250 jaar bestond. Toen de pest
in 1634 Diest in rouw dompelde, zochten de mensen troost bij de beproefde
Moeder. Haar ter ere werden er in de buurt van de Lievevrouwkerk zeven kapelletjes
gebouwd (zie nrs. 34 tot 37). Men kon zich ook laten
inschrijven in een broederschap (1637). In 1692 blies pastoor Sallaerts deze
vereniging nieuw leven in. Het was de tijd dat Diest door bloeddiaree
geteisterd werd. Dat jaar startte ook de processie langs de kapelletjes elke
vierde zondag na het lof. Tijdens het Frans bestuur kwam de nood weer aan de
man. Alle kerken waren gesloten, maar de mensen bleven biddend ‘de weg langs de
kapelletjes gaan’, zoals men in Diest zegde.
354. De broederschap
In 1857 verscheen bij drukker Ad. Havermans een brochure met de lange
titel: ‘Het koninklijk en miraculeus broederschap van O.-L.-Vrouw der zeven
weeën opgeregt in de parochiale kerk van Onze-Lieve-Vrouw te Diest in het jaar
1637 en nu wederom vernieuwd en goedgekeurd door Zijne Eminentie de Kardinaal
Aartsbisschop van Mechelen de 31 maart 1857’. Het boekje beschreef de voordelen
van het lidmaatschap: aflaten, een jaarlijkse plechtige mis, het lof van de
doodstrijd ’s maandags. Ook het reglement: een man moest jaarlijks 1 frank
bijdrage betalen, een vrouw 0,5 frank. Men vond er ook vele gebeden tot
O.-L.-Vrouw van zeven weeën, onder andere een speciale rozenkrans van 49
weesgegroeten. Dan dacht men bij elk droevig moment uit het leven van Maria
even na en bad vervolgens zeven weesgegroeten.
355. De viering
De jubelviering van de Lievevrouwparochie kwam rijkelijk laat, want
eigenlijk had ze in 1887 moeten gebeuren. Maar de Berchmansfeesten slorpten
toen elke aandacht op. Uitstel werd echter geen afstel. De parochie vierde de
moeder van smarten acht dagen lang van 15 tot 22 september 1889. Op 15
september kwam iedereen luisteren naar pater Bloete, de bekende volkspredikant
met zijn forse stem, goede uitspraak en treffende vergelijkingen. De
redemptorist lokte zo reeds volk, want men kende hem als een vroegere
onderpastoor van Sint-Sulpitius. Tijdens het jubileumoctaaf zat de kerk iedere
morgen en avond vol. Koster Mathijs had alles mooi versierd. De praalstoet ging
tweemaal uit, op 15 en 22 september na het lof. Hij volgde de Overstraat,
Nieuwstraat (nu G. Gezellestraat), Wolvenstraat, Botermarkt, Markt en
Langesteenweg. Aan de optocht namen wel geen wagens, ruiters en ambachten deel
zoals bij de Berchmansstoet. Alles werd door kinderen uitgebeeld in prachtige
kostuums.
356. De stoet
In het eerste deel beeldden groepen de zeven smarten van Maria uit. In
het tweede deel stapten bekende personen op, die een grote verering hadden
gekoesterd voor de bedroefde moeder van Jezus: de apostel Johannes, de heilige
koning Lodewijk met zijn gevolg, keizer Maximiliaan en Karel V, Albrecht en
Isabella, edellieden en gewone mensen. De volgende afdeling bracht hulde aan
het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Het werd gevolgd door een hele schaar van
vereerders. Niet te vergeten een groep Servieten, de Dienaars van Maria, een
Italiaanse bedelorde (gesticht in 1233), die in Maria inspiratie vonden voor
hun geestelijk leven en sociale activiteit. Hun zeven stichters waren pas in
1888 heilig verklaard. Nooit heeft Diest zoveel pausen, kardinalen, bisschoppen
en priesters bij elkaar gezien. Jan Berchmans ontbrak natuurlijk niet op het
appel. Hij had trouwens deze piëta echt vereerd in de Lievevrouwkerk, toen hij
bij de pastoor inwoonde.
357. Een oordeel
Toeschouwers oordeelden dat de optocht niet moest onderdoen voor zijn
voorgangers. Er heerste vooral veel orde. Dat alles zo geslaagd was, dankte men
onder meer aan het organisatietalent van E.H. S. Van Winkel, de oprichter van
een papierverwerkende nijverheid in de Refugiestraat en van het eerste
jongenspatronaat in Diest (1890). Hijzelf schreef het succes toe aan de goede
medewerking. Daardoor kon op zo korte tijd met zo weinig middelen een stoet in
elkaar gestoken worden, waarover iedereen tevreden was. Als nasleep van de
jubileumfeesten opperden sommigen de gedachte de vier ontbrekende kapelletjes
weer op te bouwen. Maar de restauratie van de bouwvallige Lievevrouwkerk zelf
eiste op dat ogenblik reeds te grote financiële offers.
358. Een nieuw glasraam I
Grote vensters zoals die in de dwarsbeuk van de Lievevrouwkerk hebben
veel te lijden onder de wind. De glazenmaker moest ze bijna ieder jaar wat
herstellen. Vooral het netwerk van het zuidelijke raam verkeerde in
allerslechtste staat en dreigde bij een hevige windstoot te bezwijken. In 1886
besloot pastoor Oliviers een nieuw raam te plaatsen. Architect Van Arenbergh
tekende het plan; de commissie van monumenten keurde het goed. De uitvoering
werd aan de bekende firma Stalins en Janssens te Antwerpen toevertrouwd. Het
werk beeldt grote promotors af van het geloofspunt van de onbevlekte
ontvangenis van Maria. Dit betekent dat ze door de verdienste van Christus
behoed bleef voor de zonde (zie nr. 231). In het midden
staat Pius IX, die dit dogma proclameerde in 1854. Rechts Franciscus van Sales,
die al zijn krachten inzette voor het herstel van het katholieke geloof in de
omgeving van Genève. In merkwaardige geschriften als ‘Inleiding tot het devote
leven’, betoogde hij dat ook gewone mensen een dieper godsdienstig leven kunnen
leiden, maar dan aangepast aan hun levensomstandigheden.
359. Het nieuwe glasraam II
Franciscus van Sales was de naamheilige van pastoor Oliviers, die het
raam bekostigde. De linkse heilige herkent iedere Diestenaar. Jan Berchmans had
plechtig beloofd de onbevlekte ontvangenis van Maria altijd te verdedigen.
Onder iedere persoon staat een wapen: dat van Pius IX, van Genève en Diest. Het
roosvenster bovenaan verbeeldt het Lam Gods, omringd door engelen. Onderaan
staan twee teksten. Links het jaartalvers: ‘Parochus Petrus Franciscus Oliviers
donis Mariae erexit’ (= 1886; ‘Pastoor P. Fr. Oliviers heeft het met giften
opgericht voor Maria’). Rechts: ‘Stalins et Janssens me fecerunt’ (‘Stalins en
Janssens hebben me gemaakt’). Over deze glazeniers handelen we in een volgende
bijdrage. Het raam kostte 2500 frank. De overheid moest hiervoor geen cent
bijdragen. Het werk paste uitstekend bij de grot van Lourdes (1877), waar Maria
zich aan Bernadette voorstelt als: ‘Ik ben de onbevlekte ontvangenis’.
360. Stalins-Janssens
Dank zij de medewerking van de Antwerpenaars M. Gruyaert, G. Molders en
A. Van Spilbeeck hebben we meer gegevens over de glazeniers August Stalins en
zijn medewerker Alfons Janssens kunnen achterhalen. Stalins studeerde aan de
academie van Antwerpen en bekwaamde zich bij meerdere Engelse glazeniers. In
1863 stichtte hij een atelier, waar hij in het begin tevens het beroep van
fotograaf uitoefende. Vanaf 1865 begon de samenwerking met Alfons Janssens. Ze
genoten een groeiende bekendheid. Hun atelier werd het grootste van de
provincie Antwerpen. De zoon van August Stalins, Augustijn, volgde hem in 1906
op. In 1923 ging de werkplaats echter over in andere handen en verdween de
handelsnaam.
361. Een gewaardeerde firma
Het atelier Stalins-Janssens leverde glasramen aan honderden kerken,
vooral in de provincies Antwerpen en Brabant. Ook uit het buitenland kwamen
bestellingen. Het behaalde gouden medailles op tentoonstellingen in Antwerpen,
Brussel, Luik, Parijs. Maar ook particulieren smukten graag hun woning op met
profane voorstellingen van deze glazeniers. Toch lag hun werkterrein vooral in
kerkelijke kunst. Ze kregen opdrachten voor de kathedraal van Antwerpen, de
kerken van St.-Dymphna in Geel, St.-Leonardus in Zoutleeuw, de abdij van
Tongerlo en nog zoveel andere plaatsen. In Diest leverde het atelier in 1894
ook de glasramen voor de kruisherenkerk, voorstellende het H. Hart en de H.
Odilia. Maar vooral voor de Lievevrouwkerk waren de kunstenaars in Diest
bedrijvig. De geschilderde ramen die ze voor het koor leverden, zullen weinigen
nu bekijken, omdat men daar nooit komt. De mis wordt nu meer naar voren
opgedragen. Maar vroeger gebeurden alle plechtigheden aan het hoofdaltaar. Het
hoogkoor was toen echt de belangrijkste ruimte in de kerk. In 1891, toen de
parochie zich weer gebrandschilderde ramen kon permitteren, kregen deze plaats
dus de voorrang. Voor de vensters in het schip was de kerk pas na de Tweede
Wereldoorlog bij kas.
362. De ramen van het koor I
Links is het bovenste venster aan het heilige gezin van Nazaret gewijd.
Het glasraam daaronder vertoont de H. Alfons, de stichter van de redemptoristen
en een groot moraaltheoloog. Naast hem St.-Norbertus, de stichter van de
witheren, die vroeger de Lievevrouwkerk bedienden. De monstrans in zijn hand
herinnert er ons aan dat hij het H. Sacrament tegen de ketters verdedigde. De
ketter Tanchelm ligt als een dwerg aan zijn voeten. Het bovenste raam rechts
eert de patroonheiligen van het echtpaar dat dit venster voor zijn rekening
nam: Isidoor en Philomena Verheyden-Spinau. De heilige Isidoor van Madrid was
een modelhoeveknecht, een noeste werker en een devoot christen. De landbouwers
kozen hem als beschermheilige. Over St.-Philomena is minder bekend. In 1802
vond men in een Romeinse catacombe beenderen, een flesje met bloed, wat erop
wees dat het om een martelares ging, en drie stukken grafsteen die men
bijeenpuzzelde als ‘Philomena’. Deze verder onbekende martelares werd in de 19de
eeuw zeer populair onder impuls van de heilige pastoor van Ars.
363. De ramen van het koor II
De figuren van het onderste venster rechts zijn ten zeerste verbonden
met de eucharistie: Juliana van Cornillon bij Luik en Thomas van Aquino. De H.
Juliana draagt een monstrans. Ze blonk uit door een grote devotie tot de
eucharistie. Ze wist haar bisschop te overhalen een jaarlijks feest in te
richten voor de verering van het H. Sacrament (1246). Paus Urbanus IV, die
vroeger bedrijvig was geweest in het bisdom Luik, breidde de viering van
Sacramentsdag tot de hele Kerk uit in 1264. De grote godgeleerde Thomas van
Aquino schreef prachtige Latijnse hymnen voor dit feest. Een schijf met stralen
op zijn borst betekent dat hij met zijn werken de Kerk verlichtte. Al deze
ramen kostten samen 2200 frank. Onder het venster van Alfonsus en Norbertus
herinnert de afkorting P.F.O.P.B.M.V. aan pastoor Oliviers (‘Petrus Franciscus
Oliviers pastor Beatae Mariae Virginis’).
364. Hun mooiste raam
In 1897 moest de noordelijke dwarsbeuk dringend hersteld worden. Ook
dat grote venster schreeuwde om een gebrandschilderd raam. Deze arm van de
kruisbeuk was het domein van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën, die toen in de
Lievevrouwkerk een grote verering genoot (zie nrs. 354 tot 357). Het nieuwe
werk van de firma Stalins-Janssens zou dus aan die zeven pijnlijke momenten uit
het leven van Maria gewijd zijn. In 1898 verleende de commissie van monumenten
haar toestemming tot het project. Ze eiste wel dat dit met medaillons zou
gebeuren en niet met grote figuren zoals in de zuidelijke dwarsbeuk. De
kunstenaars werkten dus in de stijl van Chartres, zoals ze trouwens reeds
elders hadden gedaan. We gaan die bekende lijdenstaferelen niet opnieuw
beschrijven (zie nr. 34). Maar wie heeft al ooit rond het
roosvenster bovenaan de volgende tekst kunnen ontcijferen? ‘Humiliavit se
metipsum, factus oboediens usque ad mortem, mortem autem crucis’ (‘Hij heeft
zichzelf vernederd, onderdanig geworden tot de dood en nog wel tot de
kruisdood’). Het is een citaat uit de bekende Christushymne in de brief van
Paulus aan de Filippenzen (Fil 2, 8). De glazeniers vroegen voor dit raam 3000
frank. Het is zeker hun best geslaagde werk in de Lievevrouwkerk. Het
onderschrift onderaan brengt de milde schenkers in herinnering: ‘Me dedit I.
Verheyden-Spinau 1898’.
365. Herstellingen zonder einde I
Op 1 juli 1891 richtte een hevig onweer met hagel een ware ravage aan
de Diestse daken aan. Ook dat van de Lievevrouwkerk bleef niet gespaard. De
dikke hagelstenen verbrijzelden vele leien. Op meerdere plaatsen doorboorden ze
zelfs de planken waarop de schalies vastgenageld waren. Het water drong door de
gewelven tot in de kerk. Het kerkbestuur moest flink zijn spaarpot aanspreken
om dit alles te verhelpen. In 1894 tekende de Leuvense architect P. Langerock
een algemeen plan voor het volledige herstel van de kerk. Hij raamde het op
230.500 frank. Bedenk dat een arbeider toen hooguit 3 à 4 frank dagloon trok.
De ontwerper zag het groots: een toren van 65 m, een zijbeuk met portaal. In
het transept wou hij de schatkamer weer in een kapel veranderen zoals eertijds
(zie nr. 12). Paul Langerock was dan ook niet de
eerste de beste. Hij mocht het eerste ontwerp maken voor de H.-Hartbasiliek van
Koekelberg, een groot neogotisch gebouw (1905). Het was bedoeld als een
nationaal prestigemonument, waartoe de gelovigen van heel het land zouden
bijdragen uit erkentelijkheid jegens het H. Hart. Van dat gebouw waren slechts
de fundamenten af, toen de Eerste Wereldoorlog alles stillegde. Na de oorlog
maakte een andere architect een nieuw plan voor de huidige basiliek.
366. Herstellingen zonder einde II
Het gemeentebestuur was er niet happig op om Langerocks prestigieuze
project voor de Lievevrouwkerk te steunen. Op vraag van de commissie van
monumenten maakte de architect in 1897 dus een ander plan op voor de
dringendste restauratiewerken. Ze betroffen de noordelijke kruisbeuk met de
schatkamer en het magazijn. Hiervan werden de kosten op 23.939 frank geschat.
Hiervoor zouden de stad, de provincie en het ministerie wel mee betalen. Het
werk startte in april 1897, maar lag reeds stil in juli 1898, bij gebrek aan
ijzerzandsteen. Toen dachten ze eraan voor de minst opvallende delen dan maar
Franse roze zandsteen te gebruiken. Maar de commissie wees dit voorstel af. De
aannemer bleef voort zoeken en vond ten slotte een groeve die geen te
buitensporige prijs vroeg. Alhoewel er dan hier en daar in de uitvoering
gesnoeid werd, moest de kerkfabriek toch nog heel wat toeleggen. Het werk
sleepte aan tot in 1902. Op 4 december 1921 teisterde een onweer opnieuw het
dak van de kerk en rukte de bedekking van een steunbeer af. Weer deden de
kerkmeesters een beroep op Langerock. Deze overleed echter in 1924 en mocht
zelfs het begin van het herstel niet meer beleven.
367. Goedkoop? I
In vorige bijdragen hebben we het atelier Stalins-Janssens het glasraam
aan de grot laten plaatsen voor 2500 frank (1886). Weldoeners bezorgden de
vensters in het koor voor 2200 frank (1891) en dat in de noorderdwarsbeuk tegen
3000 frank (1898). In dezelfde periode raamde men het volledige herstel van de
Lievevrouwkerk volgens het ambitieuze plan-Langerock op 230.500 frank. Wie nu
nog redeneert in oude Belgische franken, zal dat geen geweldige bedragen
vinden, maar het gaat om prijzen uit de zogeheten goede oude tijd. In 1899 kon
men in ‘De Grauwe Gans’ middagmalen vanaf 1,25 frank. Bij Holemans kocht men
een dozijn Zeeuwse oesters voor 20 centiem. Een kilo ossenvlees van eerste
kwaliteit kostte 1,50 frank. In 1903 wilde de regering het alcoholverbruik wat
afremmen en sloeg ze de accijnzen op sterke dranken met de helft op. Met de
meerinkomsten wilde ze de staatsschuld wat delgen en meer mensen laten genieten
van een arbeiderspensioen. Na de nieuwe wet betaalde men voor een borrel 10
centiem. Een fles jenever in een goedkopere winkel kostte na de opslag 1,15
frank. Voor 40 centiem had men een fles geuzelambiek.
368. Goedkoop? II
Wilde men een zoet mondje halen, dan vond men in een goedkopere winkel
(er waren nog geen warenhuizen) een plak chocolade vanaf 0,35 frank. Het aardse
paradijs! Of toch niet? Een arbeiderswoning in de Bruidstraat kon men huren
tegen 1,6 frank wekelijks. Ineens een maandhuur betalen ging voor velen niet.
Hoe zou men 6,4 frank bijeenkrijgen als er zoveel noodzakelijke en verlokkende
dingen te koop waren? Een weduwe ging uit naaien voor een dagloon van 0,60
frank. Het ongezonde Vieille Montagne in Balen zocht arbeiders uit de streek
van Diest. Ze zouden er dagelijks 3,5 frank verdienen. Seizoenarbeiders die in
Chimay wilden hooien, kregen 4 frank aangeboden, plus de reiskosten.
Grondwerkers voor de aanleg van een spoorlijn in Wallonië verdienden 40 à 45
centiem per uur. Men kan uitrekenen hoeveel er na een dag van tien, twaalf of
meer uren labeur in hun loonzakje stak. Rond Charleroi vroegen ze werklieden
met vier jongens. De kinderen zouden 1,25 tot 1,5 frank krijgen als dagloon.
Zou de best betaalde werkman de bevlieging hebben gekregen om aan de
Lievevrouwkerk een gebrandschilderd raam te schenken, dan kwam hij met een paar
jaar zwoegen nog niet toe om het goedkoopste te betalen. Het aardse paradijs?
369. Muziek in Diest I
In de bijdragen 43 tot 47 hebben we de muziek in
de Lievevrouwkerk behandeld tot aan de Franse revolutie. In volgende
afleveringen schetsen we dit wezenlijke deel van de kerkdiensten tot aan de
Eerste Wereldoorlog. We doen dit in een breder kader. Vroeger, toen we nog niet
verwend waren door platen, cd’s of radio, was een muziekuitvoering een
evenement. Was het omdat de muziek de zeden verzacht? Onze vroede vaderen
hechtten er eertijds zeer veel belang aan. We geven daarvan enkele voorbeelden.
Diest veroorloofde zich een goede beiaard. De beiaardier luisterde markt- en
feestdagen op. Een feest was toen nooit ver uit de buurt. Heiligen,
overwinningen, activiteiten van schuttersgilden en toneelgezelschappen, het
bezoek van de eigen heer of van een ander hoog personage zoals keizer Karel of
de bisschop, waren gelegenheden tot feesten. Dagelijks speelde het automatische
klokkenspel een deuntje voor de halve en de hele uurslag. En om de drie maand
werden deze wijsjes veranderd!
370. Muziek in Diest II
Het Diestse stadsbestuur beschouwde de Sulpitiuskerk enigszins als het
uithangbord van de stad. Zang en begeleiding mochten daar niet afsteken tegen
andere gemeenten. Daarom bezoldigde het bestuur daar een zangmeester. Die werd
zorgvuldig uitgekozen, soms na advertenties in de krant en een wedstrijd. De
man moest het vioolspel verzorgen en vier koorzangers, volwassenen of knapen,
opleiden. Zij moesten het koorofficie van de kanunniken opfleuren. Bij
feestelijke gelegenheden zongen ze meerstemmig. De koralen droegen een rode
toog, een wit koorhemd en een bonnet zoals de geestelijken. Het oog moest ook
iets hebben! Velen van deze zangmeesters componeerden, zoals de di
Martinelli’s, F. Procureur, J.B. Vandervliet. De stad betaalde ook de organist
van St.-Sulpitius en de orgelblazer, een onmisbaar iemand vóór de huidige
automatisering. De kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw vroegen of hun organist,
Aart Wiggers, ook een gage kon krijgen en vrijstelling van
soldateninkwartiering, zoals zijn collega van Sint-Sulpitius (1639). Afgewezen!
De St.-Jan Baptistkerk telde toen ook nog mee. Daar kreeg de orgelspeler
vrijdom van verbruiksbelasting van zes amen bier (1531).
371. Muziek in Diest III
De schoolmeester moest ervoor zorgen dat de zang in de twee
kapittelkerken, St.-Sulpitius en St.-Jan, ordentelijk verliep. Daarom moest hij
de scholieren die daar de diensten bijwoonden, leren zingen of dat door iemand
laten doen. De jongens moesten bij de beurtzang de antwoorden aankunnen. Maar
ook die van de Lievevrouwkerk moesten daartoe in staat zijn. Zijn leerlingen
die in het Persoonscollege op de Overstraat verbleven, hielpen de zang in deze
kerk verzorgen in het lof op zondag en donderdag. Als er een begrafenis was in
het gasthuis, kwamen vier zangers van de grote kerk over, bijgestaan door drie
schooljongens, die daarvoor drie stuivers ontvingen. Daarvoor moest een
metselaarsknecht in die tijd van Albrecht en Isabella bijna een halve dag
zwoegen (hij ontving vier stuivers per halve dag). In de St.-Sulpitiuskerk had
iemand een speciale rente gesticht om door het kapittel ‘Inviolata’ te laten
zingen, een loflied op Maria de onbevlekte. Alhoewel er nog geen fanfare of
harmonie bestond, kon men zich geen processie indenken zonder speellieden, al
waren het maar twee fluitspelers of drie muzikanten. In 1773 vergezelden Duitse
muzikanten de juliprocessie van St.-Sulpitius. Maar ook in de processie van de
Wijngaardkapel en in de bidtocht van de Lievevrouwparochie ontbrak de muziek
niet. Keizer Jozef II zou echter verklede groepen, beelden en muziek uit deze
vrome optochten bannen (1786).
372. Muziek buiten de kerk
Dat de zang en de muziek in de kerken bloeiden, was ten dele omdat de
mensen graag muziek hoorden. Enkele voorbeelden. Als de leerlingen van het
stadscollege of ‘De Lelie’ of de ‘Christusogen’ toneel opvoerden in de halle,
vrolijkten speellieden dikwijls het feest op: een cellist, violisten of
trompettisten. De fameuze schepenmaaltijd (zie nr. 335) werd verlevendigd door
vier violisten en een bas. Er kwam ook een dansmeester aan te pas. Het ging er
daar soms zo vrolijk aan toe dat de twee politieagenten, die er de orde moesten
handhaven, in een bepaald jaar hun helm kwijt geraakten. Rond die tijd
beschikte Diest over een academie musicaal, zoals de speellieden trots in de
rekeningen heten (1718). Ook als de schutters en de rederijkers goede sier
maakten, ontbrak de muziek niet. Nog een laatste staaltje: toen Diest in 1746
zestien rekruten voor de Franse koning moest leveren, kregen de vrijwilligers
(?) goede kost en brandewijn. Om hen nog meer op te monteren, speelden enkele
violisten en een bas. Voor alle zekerheid werden de kandidaten toch bewaakt,
opdat ze er niet vandoor zouden muizen zonder een contract te tekenen.
373. Muziek na de Franse revolutie
De scheiding tussen Kerk en staat na de Franse revolutie schiep andere
toestanden voor de kerkmuziek. De stad voelde zich niet meer geroepen om deze
muziek te financieren. Toch bleef ze nog een tijdje het muzikale gebeuren in
St.-Sulpitius als een soort van reclamebord, een kwaliteitslabel, voor Diest
beschouwen. Het gemeentebestuur stelde er prijs op dat die kerk over een goede
organist kon beschikken. Daarom gaf het ondersteuning, want de kerkmeesters
konden hem maar een karig loon aanbieden (1841). Op dat ogenblik had Jacobus
Nicolaas Lemmens, die later wereldfaam zou genieten, er zijn ontslag
aangeboden, om zich verder te bekwamen aan het conservatorium in Brussel. De
gemeenteraad oordeelde, om het met hun woorden te zeggen: ‘De beoefening van de
muziekkunst zet een soort van zoetigheid en glans bij aan de samenleving’.
Daarom hechtten ze veel belang aan muziekonderricht. Ze subsidieerden de muziekverenigingen
en koren. Sommige raadsleden vonden echter dat Diest te veel uitgaf voor deze
kunst. Al durfden ze niet zover gaan als koning Leopold II, die het een duur
lawaai noemde. Andere collega’s deelden dit standpunt echter niet. Hun
opvatting was dat muziek een hoofdbestanddeel van de beschaving is.
374. Muziek in de Lievevrouwkerk I
De voorafgaande stukjes hebben opgeroepen welk
groot belang Diest aan muziek hechtte. Die goede ontvangst vond de muziek ook
in de Lievevrouwkerk. Hoewel de financiële toestand van deze kerk na de
instorting van 1830 niet zo denderend was, vonden de pastoors en de kerkfabriek
nog steeds wat geld om de eredienst meer luister bij te zetten. Sinds 2 januari
1798 waren alle Diestse kerken door toedoen van de Fransen gesloten geweest.
Onder Napoleon herbegon de eredienst op 18 juli 1802. Voor die prille jaren
vinden we van 1804 tot 1809 als organist Johan Kenes vermeld. Bij zijn
begrafenis rekenden de kerkmeesters geen onkosten aan, misschien uit
erkentelijkheid, mogelijk ook omdat hij arm was. Behoeftigen kregen altijd een
kosteloze begrafenis. Felix Vostes volgde hem op tot aan zijn dood in 1853.
Voor 1816 vermelden de kerkrekeningen dat de zangers en de muzikanten van
Sint-Cecilia naar goede oude gewoonte een traktatie: een halve ton bier van 7
gulden. Het koor van de Lievevrouwparochie werd dus ook ondersteund door
instrumenten.
375. Muziek in de Lievevrouwkerk II
In 1835 collecteerde men om muziekinstrumenten te kopen. Na Felix
Vostes bespeelde Jozef Immers het orgel tot in 1858; hij was tevens
stadsbeiaardier. Vanaf 1840 veroorloofde de kerk zich ook een muziekmeester,
die het koor opleidde. De heer Dupont was leraar aan de stedelijke muziekschool
en dirigeerde het oudste Diestse koor, ‘L’Écho du Demer’, waarmee hij onder
meer stukken van zijn beroemde Duitse tijdgenoot, F. Mendelssohn, uitvoerde.
Zelf componeerde hij religieuze en profane liederen. Voor de kerk toonzette hij
verscheidene Mariagezangen: Alma Mater, Salve Regina, Regina Coeli. Na zijn
ontslag in 1849 werd hij even vervangen door ene Allart. Diens drie muzikanten,
Dumolin, Kinsberg en Rinkelmeyer, werden bezoldigd. Misschien zamelde men dat
jaar daarom geld in om de uitvoerders en een deel van de instrumenten te
bekostigen. Vervolgens nam De Fleurquin de dirigeerstok over tot zijn benoeming
tot directeur aan de muziekschool in 1857. Zeer leerrijk is de overeenkomst die
de kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw met hem in 1856 sloot. Die behandelen we in
de volgende bijdrage.
376. Muziek in de Lievevrouwkerk III
We geven hier de overeenkomst van 1856 tussen de kerkfabriek van
Onze-Lieve-Vrouw en de heer De Fleurquin: ‘Hij wordt benoemd als opperhoofd
over alle muzikanten en zangers die muziek zullen uitvoeren in de hoogmis en in
het lof op zon- en feestdagen. Hij moet ervoor zorgen dat er voor de uitvoering
samen negen goede en bekwame spelers en zangers aanwezig zijn. Voor de zang:
een voorzanger, tenor en bas. Bij de muzikanten horen een eerste en tweede
viool, contrabas, een klarinet, twee hoornen. Ze moeten iedere week een uur
repeteren’. Met een dergelijk ensemble kon men heel wat uitvoeren, zoals uit de
nagelaten partituren blijkt. Deze muziekmeester kon hier echter niet lang
dirigeren, want in 1857 werd hij directeur van de muziekschool. Muziekleraar
J.J. Forrer volgde hem op in de Lievevrouwkerk. Deze was een bekwaam fluitist.
Aan het orgel nam de heer Binjé tijdelijk de plaats van Jozef Immers in.
Isidoor Collet volgde hem op tot in 1881. Collet doceerde eveneens aan de
muziekschool. De Collets en de Forrers waren muzikale families, met meerdere
leden bedrijvig in de Diestse muziekwereld.
377. Muziek in de Lievevrouwkerk IV
In 1870 ondertekende Lucas Forrer een rekening bij de
Lievevrouwparochie als kapelmeester. Zijn zoon Gustaaf, die de cello op het
oksaal bespeelde, maakte in 1883 een inventaris op van de daar aanwezige
muziekstukken en instrumenten. We vernoemen enkel een Te Deum van J. Haydn,
twee missen van Schubert, drie van A. Diabelli, een Ave Maria voor fluit en
sopraan van Cherubini, nog een van Rossini en Schubert. In het totaal 32
missen. Of die ook uitgevoerd werden, weten we niet. Sommige zangstukken waren
voor tenor en cello, andere voor tenor en hoorn, weer andere met een fluitsolo,
voor fluit en sopraan, voor viool en twee sopranen, voor sopraan en trompet.
Variatie genoeg! De kerk bezat ook een cello en twee contrabassen, waarvan één
in niet te beste staat. De ‘Gazette van Diest’ bewaart ook enkele echo’s van de
uitvoeringen. In 1884, bij het zilveren jubileum van de broederschap van
Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, schrijft ze: ‘De muziek op het oksaal stemde
overeen met deze grote plechtigheid. Ze werd vertolkt door een geoefende en
talrijke schaar van verdienstelijke zangers’.
378. Een keerpunt
Het is te begrijpen dat de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw diep in
hun zak moesten tasten voor muziek van zulk een gehalte. De muziekmeester, de
geschoolde zangers en instrumentalisten kregen immers een vergoeding. Kwam daar
nog bij dat de instrumenten en dan vooral de contrabas geregeld aan reparatie toe
waren. In 1850 betaalde pastoor Vervoort nog altijd het befaamde orgel van J.J.
De la Haye van 1828 af (zie nrs. 201, 202). Nog in
1846 had de zoon van deze orgelbouwer er belangrijke stukken aan toegevoegd.
Orgelbouwer Stevens uit Duffel veranderde in 1875 en 1892 gedeeltelijk het
binnenwerk, om het aan de smaak van de tijd aan te passen. Anderzijds weten we
uit voorgaande bijdragen dat de Lievevrouwkerk naar het einde van de 19de
eeuw toe voor grote restauratiekosten stond. Er moest dus dringend bespaard
worden. In 1888 besloot de kerkfabriek dan ook de muziek naar de vroegere trant
af te schaffen en ze te vervangen door gregoriaanse zang. Dat zat toen in de
lucht. De bisschoppen promootten het.
379. Het oordeel van de bisschoppen
De muziek die soms in de kerken klonk, was een doorn in het oog van de
kerkelijke overheid. In 1853 vroeg kardinaal Sterckx volgende muziek uit de
kerk te weren: te luidruchtige die de mensen belet te bidden, composities waar
eindeloos dezelfde woorden herhaald worden, waar de officiële tekst van de
liturgie veranderd of verplaatst werd, waar in Kyrie en Gloria hele stukken
worden weggelaten. De kerk leek inderdaad soms meer een opera dan een
bedeplaats. Het orgel en de instrumenten overstemden soms de zangers. Reeds in
1842 had de kardinaal de wens uitgedrukt over te schakelen op gregoriaans. Zijn
opvolger, kardinaal Dechamps, hamerde in 1874 op hetzelfde aambeeld verder. Hij
gaf als praktische wenk het gregoriaans weer in te voeren tijdens de advent, de
vasten en de Goede Week en bij begrafenissen. Men moest ook beginnen met het de
jeugd aan te leren. Kardinaal Goossens drukte de pastoors op het hart te
starten met een gregoriaans koortje. In de vrije scholen kon de jeugd zich die
zang eigen maken. De beslissing van de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw van
1888 kwam dus tegemoet aan het verlangen van de bisschoppen. Maar vooral na het
schrijven van paus Pius X in 1903 kon niemand zich daaraan nog onttrekken.
380. De wens van Pius X
Op 22 november 1903 publiceerde Pius X een schrijven over het herstel
van de kerkmuziek in overeenstemming met de oude tradities van de Kerk. Hij
beschouwde het gregoriaans, dat door de opzoekingen van de abdij van Solesmes
in zijn oorspronkelijke gaafheid was hersteld, als het volmaaktste voorbeeld
van gewijde muziek. Kerkmuziek moest immers helpen bidden. Natuurlijk bleven de
woorden van de zang het belangrijkste element, maar de melodie die ze
begeleidde kon ze beter doen begrijpen en gevoelens van aanbidding, berouw,
ernst en blijdschap opwekken. Dit schrijven lag geheel in de lijn van de paus,
die de godsdienstige geest wilde hernieuwen en versterken, bijvoorbeeld door de
kindercommunie te vervroegen. Zelf had hij vroeger dicht bij de mensen gestaan
als kapelaan en pastoor. Het was daarom zijn droom dat de mensen in de kerk de
gewone zangen van de mis, zoals Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei,
zouden meezingen. Kardinaal Mercier legde daarom op dat de colleges en vrije
scholen het gregoriaans aan hun leerlingen zouden aanleren en een ‘schola
cantorum’, een koor van geoefende zangers, zouden oprichten om de meer
ingewikkelde kerkzangen uit te voeren, zoals er een in het seminarie van
Mechelen bestond.
381. De nieuwe zang I
De stem van paus en bisschoppen vond ook in Diest weerklank. Geregeld
pleitte de ‘Gazette van Diest’ voor het herstel van de oude kerkzang. En ze
sprak niet voor dovemansoren. In 1892 werd Karel Verboven, een bestuurslid van
de Broedermin, dat een voorloper was van het christelijk ziekenfonds in Diest,
in de Lievevrouwkerk begraven. Het Sint-Jozefspatronaat was aanwezig. De
jongens zongen er de kerkelijke zangen. Over dit omstreden patronaat zullen we
nog spreken. In 1898 was A. Collet zangmeester en organist. Muziekleraar Adolf
Hermans volgde hem in 1908 op. Hij dirigeerde ook fanfares en koren. In die
tijd kon men in Diest nog 200 zangers en spelers bijeenkrijgen om een cantate
uit te voeren. Hermans componeerde onder meer de mars voor de turners van het
Sint-Jan-Berchmanspatronaat, dat de parochiepriesters in 1905 gesticht hadden,
en een cantate voor de Sint-Ceciliafanfare bij haar zestigjarig bestaan. Bij
het gouden priesterjubileum van pastoor Oliviers in 1907 zong het koor van de
Lievevrouwparochie de meerstemmige mis ‘In nomine Jesu’ van Jos Vrancken.
382. De nieuwe zang II
In 1907 had de kardinaal geschreven: ‘Weldra zal in al onze kerken de
strelende stem van kinderen zich vermengen met de forse en kranige stem van
onze huisvaders’. In 1908 probeerden ze dat in Sint-Sulpitius. Het vond er meer
en meer bijval. Toen bij de Berchmansfeesten van 1913 de studenten en
leerlingen op maandag 11 augustus op bedevaart kwamen, werd er op de Graanmarkt
een plechtige mis in open lucht opgedragen. De massa zong de Engelenmis, de
Mechelse seminaristen verzorgden het moeilijker eigene van de mis. Tijdgenoten
vertelden dat men de zang tot een kilometer ver kon horen. In mei 1912 werd
Ernest Vandevelde tot pastoor van de Lievevrouwparochie benoemd. Bij zijn
inhaling zongen de aanwezigen samen het Veni Creator en een kinderkoor sloot
met het loflied Regina Coeli de plechtigheid af. Deze pastoor zou de muziek in
de Lievevrouwkerk krachtig stimuleren en hij vond daarbij de onmisbare steun
van de zangertjes van de nieuwe broederschool (zie nr.
320). Het resultaat van hun samenwerking behandelen we in een volgend
stukje.
383. De nieuwe zang III
Bij de eremis van E.H. Reymen in 1912 voerde de schola cantorum van
Onze-Lieve-Vrouw de vierstemmige mis van Haller uit en het bekende Panis
Angelicus van C. Franck. Bij de gedurige aanbidding dat jaar verzorgden de
koorknapen reeds de vespers. Met Allerheiligen zongen ze samen met de
congreganisten vespers en completen en het Miserere van Allegri, het glansstuk
van de Sixtijnse kapel. Met Pasen 1913 waagden ze zich onder het lof aan een
Tantum Ergo van Beethoven en een vierstemmig loflied op Sint-Jozef van Gounod.
Pastoor Vandevelde schreef in een register het programma uit dat bepaalde welke
gregoriaanse mis of gezangen voor het lof iedere dag uitgevoerd zouden worden.
Hierbij hoorden missen van onder meer Mozart, Gounod, Perosi en Mercadante, om
slechts de voornaamste te noemen.
384. Jeugdwerk I
In de 19de eeuw verdienden arbeiders niet genoeg om hun
gezin te onderhouden; de kinderen moesten mee gaan verdienen. Pas in 1889
bepaalde een wet dat ze meer dan twaalf moesten zijn, vóór ze in de industrie
tewerkgesteld mochten worden. Jongens beneden de zestien en meisjes beneden de
eenentwintig mochten maar twaalf uur per dag werken. Voeg daarbij dat
schoolbezoek tot twaalf jaar pas in 1914 verplicht werd. Arbeiderskinderen
gingen dus uit werken zodra ze lichamelijk sterk genoeg waren. Het gevaar dat
ze zo onderontwikkeld bleven, was dus niet denkbeeldig. Daarom schiepen het
stadsbestuur en de kerkelijke overheid voor hen aanvullende kansen tot
opvoeding, zoals zondagsscholen. Het moest die dag wel gebeuren, want dat was
hun enige rustdag. Van kerkelijke kant begonnen de zusters van de
Voorzienigheid reeds vóór 1840 met een zondagsschool. Tot het einde van de eeuw
gebruikten ze daarvoor het armenschooltje in de Grauwzustersstraat, waar ze in
1835 gestart waren (zie nr. 209). Ons archief
bewaart nog een huldebetuiging uit 1875 aan hun directeur, pastoor Vervoort. In
de vrije zondagsscholen leerde men lezen, schrijven en rekenen, maar de
godsdienstige vorming stond er centraal, wat de jeugd soms maar saai vond.
385. Jeugdwerk II
Het catechismusonderricht in de vrije zondagsschool schrikte sommige
jeugdigen wel af. Om werkende jongeren toch te blijven trekken, schiep de
parochiegeestelijkheid in sommige gemeenten ook gelegenheid om zich te
ontspannen. Zo ontstonden hier en daar patronaten, verenigingen voor jongens of
meisjes onder leiding van een priester en van leken, die we in deze reeks
bijdragen zullen behandelen. Tijdens het laatste kwart van de 19de
eeuw bestond er in Diest nog maar weinig gezonde afleiding voor de jeugd. Wel
kon men bij de kruisheren sinds 1857 de congregatie van de H. Aloysius
bijwonen, de beschermer van de studerende jeugd. Maar dat was hoofdzakelijk een
vrome vereniging voor studerenden, die haar leden ’s zondags opriep voor vrome
oefeningen. Ouders stuurden hun tieners daarheen om hen van de straat te
houden. De congregatie was in het leven geroepen voor de humanioraleerlingen
van het H.-Kruiscollege. Volkskinderen stonden in de kou. Weldenkende mensen
wezen op het gevaar van het straatlopen: ‘Dat de kinderen van de werkman braaf
zijn en zich goed gedragen, is ongetwijfeld van belang voor arm en rijk’. Ze
hoopten in 1890 dat er in Diest spoedig iets zou komen om die kinderen op te
vangen.
386. Jeugdwerk III
In 1867 bestonden er in Gent reeds zes jongens- en meisjespatronaten.
Andere grote steden zoals Antwerpen volgden. Kardinaal Goossens beval in 1886
het werk aan voor kinderen uit arbeidersgezinnen. Waar het gezin tekortschoot
en de kinderen de slechte invloed van het werkmilieu ondergingen, hoopte het
patronaat de tekorten aan te vullen. De klemtoon lag er op de godsdienstige
vorming door het bijwonen van de H. Mis en andere oefeningen, maar daarnaast
ging en groot deel van de tijd naar ontspanning. Doch op het einde van de eeuw
gingen ze meer belangstelling vertonen voor de sociale problemen. De opkomst
van de socialistische partij (1885) en de bekende brief van paus Leo XIII,
‘Rerum Novarum’, openden vele ogen. Ze spoorden nu de jongeren aan om te sparen
en toe te treden tot zieken- en pensioenfondsen en om aan te sluiten bij de
vakvereniging. In dit verband waarschuwde kardinaal Goossens in 1898 dat
patronaten er niet alleen waren om de jeugd te amuseren, maar ze moesten ook
een sociale vorming geven. Op sommige plaatsen lokten de spelen niet alleen
kinderen uit het arbeidersmilieu, maar ook die uit de kleine burgerij. Terecht
oordeelde de opvolger van Goossens, kardinaal Mercier, dat patronaten dreigden
te verworden tot speelscholen en kindertuinen.
387. E.H. S. Van Winkel
Aan de verzuchtingen van sommige Diestenaren in 1890 werd vlugger
voldaan dan ze ooit gedroomd hadden. In september 1890 startte namelijk een
jongenspatronaat in de stad, het werk van één priester, Stanislas Van Winkel.
We hebben van hem al gewag gemaakt bij de organisatie van de stoet van de
Lievevrouwparochie in 1889 (zie nr. 357). Deze jonge Nederlander had zich aangeboden
voor het bisdom Luik en ontving er zijn wijding in 1882. Toen hij zich in 1888
zonder opdracht in Diest vestigde, had hij in die enkele jaren reeds vier
benoemingen achter de rug. Het was zeker een speciaal iemand, maar ook een
sociaal bewogen man. Dat bewijzen zijn artikels in het weekblad ‘De
Werkmansvriend’, dat hij in Diest liet verschijnen, en de manier waarop hij het
patronaat organiseerde. Hij creëerde ook nieuwe werkgelegenheid in de stad: de
papiernijverheid in de Refugiestraat. In zijn blad riep hij de bezitters op dat
ze een kleine industrie zouden financieren om werk te geven aan de arbeiders in
plaats van hun kapitaal op te doen. Zijn opvattingen leunden sterk aan bij die
van priester Daens in Aalst en van Arthur Verhaegen in Gent. Maar ze
veroorzaakten ook hier grote deining in bepaalde conservatieve kringen.
388. Een ophefmakende start
E.H. Van Winkel liet voor zijn werk in de Refugiestraat, op het terrein
van het Spijker, een prachtige nieuwe zaal bouwen, die toen de grootste en best
ingerichte van Diest was. De Diestse verenigingen moesten zich immers behelpen
met de lange, smalle zaal in de halle, die druk bezet was. Of met de
bovenkamers van bepaalde lokalen als ‘De Schop’, ‘De Suikerpot’ en
Christusogen, of in gelijkvloerse klassen van het Sint-Jan-Berchmanscollege. De
nieuwe zaal werd plechtig in gebruik genomen op 7 december 1890.
Toneelverenigingen als de Cleynaertskring maakten er gretig gebruik van. Voor
het jaarlijkse feest van de katholieke scholen kon men geen betere ruimte
dromen. Maar ook het Sint-Jozefspatronaat zelf denderde welhaast van
activiteit. Met de jeugd werd een muziekkorps opgericht, de Sint-Jozefsfanfare,
die weldra 27 muzikanten telde. Jonge toneelliefhebbers traden op in de kring
‘De Klauwaerts’, met als spreuk: ‘Vrank en vrij’. Weldra (1894) zou een
turnafdeling volgen, allemaal dingen waarmee ook de patronaten elders de jeugd
boeiden.
389. Aanlokkend I
Met carnaval 1892 drukte het bestuur de leden op het hart: vermaak u,
maar blijf mens. Zelf zorgde het voor een toneelopvoering en een voordracht
over elektriciteit, in Diest nog de grote onbekende. Met julikermis gaf het
geregeld een concert in de feestelijk verlichte tuin van het patronaat, met
daarna vuurwerk. Muziek in een prachtige tuin vonden Diestenaars toen het
neusje van de zalm. Hogere kringen en burgerij genoten daarvan reeds lang
volgens hun partijkleur in de parken van brouwer Pieck, notaris Van Assche,
Denis Verstappen. Gewone mensen werden daar buitengekeken, maar nu konden die
ook eens gezellig genieten, zoals de socialisten in hun volkshuizen elders. Bij
de verjaringsfeesten in oktober werden de trouwste leden beloond met een
zakhorloge of koffieservies, prenten, een kostuum, pijp en tabak in 1892 of
vele H.-Hartbeelden in 1894. Voor de kleinsten werd rond Kerstmis een kerstboom
uitgeloot. Allemaal dingen waarvoor wij nu de schouders ophalen, maar die
destijds hoog gewaardeerd werden.
390. Aanlokkend II
Uitstapjes ontbraken natuurlijk ook niet, bijvoorbeeld naar Brussel,
waar de eerwaarde broer van Van Winkel hen ontving in het lokaal van de
Nederlandse Werkliedenvereniging. Ze bezochten de wereldtentoonstelling in
Antwerpen (1894), waar koekjesfabrikant De Beukelaer hen vergastte. Voor gewone
kinderen waren dergelijke reisjes toen nog een hele belevenis. Als het
patronaat dan ’s avonds met de trein terugkwam, stonden vele ouders en
familieleden de reizigers aan het station op te wachten, net alsof die van een
wekenlange expeditie aan de Zuidpool terugkeerden. Zoals alle verenigingen toen
stapten ze graag op in stoeten, zoals bij de plechtige opening van de nieuwe
weg Zichem – Diest, muziekfestivals, vlaggenwijdingen. Ze schaamden zich niet
over hun patronaat en kaapten hier en daar door hun talrijke aanwezigheid soms
een premie weg.
391. Godsdienstige activiteiten
Jaarlijks ging het patronaat mee in de Sacramentsprocessie en in groep
op bedevaart naar Scherpenheuvel. In 1896 deed de onderpastoor van de
Lievevrouwparochie, A. Valgaerens, daar het lof en preekte. Hij was een trouwe
helper van Van Winkel, die soms ongesteld was. Tijdens dat lof weerklonken de
stemmen van kinderen en jonge arbeiders in de basiliek. Toen in 1892 een
bestuurslid van ‘De Broedermin’ en van het patronaat ten grave gedragen werd,
nam de St.-Jozefsfanfare deel aan de uitvaart, maar treffend was dat onderweg
de muziek telkens afgewisseld werd met het Miserere van de jongens. Geregeld
was er een speciale mis voor de leden met een algemene communie. De mensen
communiceerden toen namelijk slechts een paar keren in het jaar. Dan zaten er
200 à 300 jongeren in hun mis in de Sulpitiuskerk. Met Sint-Jozef, hun patroon,
volgden ze de communiemis in dezelfde kerk en daarna de hoogmis in de
Lievevrouwkerk. Daarna stapten de 350 leden fier door de straten – bij de
verjaardag van het patronaat in de herfst gebeurde dat met Venetiaanse
lantarens en fakkels. Veel ouders voelden zich gelukkig met het patronaat,
waar, naar hun zeggen, vermaak en deugd gewaarborgd waren.
392. Een veelzijdig werk I
Het nieuwe patronaat mikte echter veel hoger dan het bezighouden van
kinderen en jongelui. Het wilde vooral een vorming geven aan de jeugdigen die
in het arbeidsmilieu waren geworpen. Dus hadden er geregeld voordrachten plaats
over het socialisme, de maatschappelijke kwestie, elektriciteit, de gevaren van
de alcohol, chemische meststoffen, de evenredige vertegenwoordiging bij
verkiezingen, het geluk van de arbeider. Er ontstond ook een organisatie om het
lot van de arbeiders te verlichten: de Werkmanskring, later de Gildenkring
geheten, met de kenmerkende leuze: ‘Tot behoud van godsdienst, eigendom en
familie’. In het ziekenfonds van het patronaat betaalde men minder en genoot
men grotere voordelen dan bij de reeds bestaande katholieke organisatie ‘De
Broedermin’. Het fonds bekostigde onder meer de begrafenis van de aangeslotenen
en een geringe steun aan het getroffen gezin. Er bestond ook een spaarkas met
de bedoeling werklozen te helpen: officieel steungeld was er nog niet. In het
goede seizoen stortten de leden wat geld; in januari en februari kregen ze geld
en intrest terug.
393. Een veelzijdig werk II
Voor de jonge arbeiders functioneerde er ook een werkbeurs in het
patronaat. We weten niet of die veel aarde aan de dijk bracht. Belangrijker was
de papierverwerkende nijverheid die de groep Van Winkel in Diest schiep. In een
dertigtal huizen plakten kinderen en volwassenen papieren zakken. Het bedrijf
beschikte later ook over een kleine drukkerij. Voor de kleine landbouwer of de
werkman die een koetje hield, organiseerden ze een onderlinge veeverzekering.
Het verlies van een rund was voor die mensen vaak onoverkomelijk, zodat in
dergelijke gevallen soms liefdadigheidsfeesten gegeven werden, zoals bij brand
en overstroming. Het kan niet anders of met deze veelvuldige activiteit en
vooruitstrevende ideeën moesten het patronaat en zijn bestuurder in aanvaring
komen met andere groepen.
394. Tegenstand
Toen S. Van Winkel in 1890 in Diest met een patronaat startte, droeg
dat de goedkeuring van deken J. Wuyts mee. Zijn onderpastoors en die van de
Lievevrouwkerk zouden een handje toesteken, samen met vele mensen die gevoel
hadden voor de noden van die tijd. Het was de bedoeling het patronaat buiten de
politiek te houden. Daarom vlagde Van Winkel , tegen de richtlijnen van de
Katholieke Associatie in, toen burgemeester Theys gehuldigd werd in 1891.
Weldra zouden de conservatieven de directeur verwijten dat hij de eendracht
ondermijnde. Zijn nieuwe verenigingen verzwakten de bestaande katholieke
fanfare, toneelkring en het ziekenfonds ‘De Broedermin’. Het patronaat
verkondigde naar hun mening socialistische stellingen en schatte de
liefdadigheid van Sint-Vincentius en andere filantropische werken niet hoog.
Het uitgeven van een eigen, wat progressiever weekblad verbreedde nog de kloof.
Het patronaat leunde aan bij de christen-democratische strekking van priester
Daens. In december 1894 trok het in stoet uit om diens verkiezingsoverwinning
te vieren.
395. Verzoening I
De nieuwe deken, L. Vranckx, pleitte in 1895 voor een verzoening tussen
de Katholieke Kring en het patronaat in de Refugiestraat. Hij aanvaardde het
erevoorzitterschap van het patronaat en werd er plechtig en geestdriftig
ontvangen. Voor de 600 aanwezigen verklaarde hij dat hij bij de werkman wou
zijn om met deze alles te delen wat de Voorzienigheid hem geschonken had,
vooral zijn hart. Tot de aanwezigen behoorde ook provinciaal raadslid E. Cools
uit Bekkevoort, die de sympathie van het patronaat wegdroeg. De deken verkreeg
dat bij de gemeenteverkiezingen van 1895 alle katholieken op één lijst opkwamen.
Zopas hadden alle mannelijke 25-plussers voor het eerst stemrecht gekregen en
ook arbeiders kregen dus voortaan een beetje hun zeg. Daarom stonden op de
plaatselijke katholieke lijst een schoenmaker en een blikslager, maar ook
brouwer Fl. Hermans en handelaar Th. Bruyninckx, die reeds lang met het
patronaat sympathiseerden. De eerste geraakte in 1904 wel in de gemeenteraad,
de tweede was in 1898 voorzitter van Sint-Vincentius in de Lievevrouwparochie.
In die parochie maakte een andere medewerker, Th. Guinée, deel uit van de
kerkfabriek. In 1900 werd hij schrijver van de ‘Katholieke Wacht’.
396. Verzoening II
Bij de vlaggenwijding van de ‘Katholieke Wacht’ in 1899 vierde het
patronaat mee. Daar gebeurde trouwens de trekking van de premies voor de deelnemende
verenigingen, terwijl het concert plaatsvond in de Katholieke Kring op het
Verstappenplein. De oproep van deken Vranckx was dus niet in dovemansoren
gevallen. De onderpastoor van de Lievevrouwparochie, A. Valgaeren, en later F.
Segers en E.H. Beckx van de St.-Sulpitiuskerk, werkten reeds lang mee en nog
zoveel andere mensen die later een vooraanstaande rol zouden spelen in de
plaatselijke arbeidersorganisatie. Rond de eeuwwisseling begon het patronaat op
verminderde toeren te draaien. Het kwam althans niet meer zoveel in de
publiciteit. Lag het aan de gezondheid van Van Winkel? De Klauwaerts speelden
nog eens toneel voor de katholieke scholen, maar in de zaal van het college
(1900). Het matigheidsgenootschap voor jongelui gaf nog een avondfeest in de
Refugiestraat (1901). De Sint-Jozefsfanfare trad nog op. Bij de uitvaart van
deken Vranckx in 1902 waren alle organisaties van het patronaat nog eens
present. Bij het overlijden van S. Van Winkel in 1905 viel het doek over het
werk. De ‘Papeterie Le Demer’ werkte onverminderd voort. We hebben misschien
wat lang uitgeweid over het patronaat. Maar het betekende in Diest een
belangrijke schakel in de sociale beweging. Over de prille jaren van de Diestse
arbeidersverenigingen is nog niet zoveel geweten.
397. Het meisjespatronaat
Het was een eigenaardige tijd. Sommige milieus vereerden meisjes en
vrouwen als de Madonna. Van mannen en jongens namen ze nog wel aan dat ze naar
gewaagde toneelstukken keken of schuine romans lazen. Maar meisjes moesten
daarvan gespaard blijven. Daarentegen, als het om hun ontwikkeling ging, legden
ze de lat niet zo hoog. Meisjes hoefden immers niet veel te kennen. Dat ze ooit
ook eens hun stem zouden mogen uitbrengen, beschouwden sommige mannen als een
grap. Deze mentaliteit verklaart enigszins waarom een patronaat voor meisjes zo
lang op zich liet wachten in Diest. Deken Vranckx begon er eindelijk mee in
oktober 1896 in de pas gebouwde bewaarschool van de zusters in de
Vissersstraat. De deken verzorgde de catechese. Een zuster gaf de
achterblijvertjes les in lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast zorgden een
zestal Diestse juffrouwen voor de nodige ontspanning. In 1897 gaf het
meisjespatronaat zijn eerste openbaar feest met toneel, zang en piano. Bij de
prijsuitdeling in 1899 ontvingen de 200 leden een of ander kledingstuk. Ze
vierden trouw het naamfeest van de deken Verstrepen. Met dergelijke
activiteiten deed het meisjespatronaat in Diest zeker niet zoveel stof opwaaien
als de jongens in de Refugiestraat. Ook trapte het niemand op de tenen, maar
veel gelukkige kinderen beleefden er de mooiste uren van de week.
398. Het Sint-Jan-Berchmanspatronaat I
In 1904 kocht deken Verstrepen op de hoek van de Peeters- en
Mariëndaalstraat een terrein voor een nieuw patronaat. In oktober 1905 werd het
complex plechtig geopend. Het zou na de Eerste Wereldoorlog Patria heten. Het
geheel omvatte een toneelzaal met galerijen tegen de zijmuren en achterwand,
een gymnastiekzaal, een huis voor de conciërge en een speelplaats. Stadsgas en
elektriciteit lieten nog op zich wachten, daarom werd het met acetyleen
verlicht. Dat was heel wat moderner dan de petroleumlampen in de huizen. De
katholieke organisaties beschikten voortaan over een ruime feestzaal. Het
nieuwe patronaat lag in de lijn van de meeste andere soortgenoten. Ontspanning
speelde er een grote rol. Wie trouw de mis, het lof en de vergaderingen
bijwoonde, ontving punten. Met die punten kon men echte prijzen kopen tijdens
het jaarlijkse kerstfeest. Met opbod zoals in een veiling, bijvoorbeeld een zal
aardappelen en andere nuttige dingen. E.H. Roest, de pastoor van het begijnhof,
was hiervan de grote bezieler. Het was een hele karwei om al die prijzen bijeen
te bedelen.
399. Het Sint-Jan-Berchmanspatronaat II
Het kersverse patronaat voor jongens boekte succes. Vanaf negen jaar
kon men er terecht. In 1911 werd er een nieuwe zaal bijgebouwd. Gymnastiek was
toen een echte rage. We weten reeds dat het Sint-Jozefspatronaat vroeger reeds
probeerde zulk een club op gang te krijgen (1894). De tegenstanders uit de
Katholieke Kring volgden hen op de voet. De liberalen antwoordden met ‘La
Diestoise’. Socialistische jongeren turnden na de Eerste Wereldoorlog in de
‘Rode Jeugd’. Weldra beschikte het Sint-Jan-Berchmanspatronaat over een
befaamde turnvereniging (1907). Ze kaapte vele prijzen weg en in 1912 fungeerde
ze zelfs als gastheer voor een internationaal feest van de katholieke equipes
of concurrenten uit Hasselt en Leuven. Toneel en muziek liet het patronaat uit
de Peetersstraat liever aan anderen over.
400. Een parochiale pensioenkas I
In de 19de eeuw waren arbeiders gedwongen om zo lang
mogelijk aan de slag te blijven. Als ze niet meer werkten, viel bij de meesten
elk inkomen weg. De meesten genoten nog niet van een pensioen. De wet van 10
mei 1900 zou daarin verbetering brengen. Een behoeftige 65-jarige arbeider zou
voortaan een jaarlijkse toelage van 65 frank krijgen. Veel was het niet, al
betekende een frank toen nog iets. Als geldstuk was het vóór de Eerste
Wereldoorlog geen onooglijk muntstukje zoals in de laatste jaren van de
Belgische frank, maar een treffelijke zilveren munt, die vijf gram woog met een
hoog gehalte aan zilver. Met één frank kon men toen nog wat kopen (zie nrs.
367, 368). Voor de nog actieve, jongere werknemer zag de toekomst na deze wet
er rooskleuriger uit. Men kon voortaan voor een pensioenvorming storten bij de
ASLK of elders. De staat schonk een flinke bijdrage, zodat men het nodige
kapitaal bijeenkreeg om later jaarlijks 360 frank pensioen te trekken. De
patroon had hierin toen nog geen enkele verplichting.
401. Een parochiale pensioenkas II
Door deze tegemoetkoming van de regering rezen de pensioenkassen overal
als paddestoelen uit de grond, met de edelmoedige inzet van de plaatselijke
geestelijkheid en onderwijzers. Einde 1901 werd er één opgericht voor de
Lievevrouwparochie en het begijnhof, met als lokaal de vrije jongensschool in
de Vestenstraat. Men moest er minstens vijf centiem per week sparen. Sommige
kinderen stortten reeds vanaf zes jaar. Om het nut van deze plaatselijke kassen
te begrijpen, moet men weten dat de officiële spaarkas geen bedrag onder één
frank accepteerde. Maar die som was voor sommige mensen een onoverkomelijke
hindernis. Van hun karig loon konden ze nauwelijks enkele centiemen afknippen;
soms moesten ze er zelfs noodzakelijke dingen voor derven. En de jenever lokte!
Nu konden ze met hun luttele centjes, letterlijk op te vatten, bij zo een
pensioenkas terecht. Als die kas een frank bijeengeschraapt had, stortte zij
het geld door. De staat moedigde deze kassen met een premie aan. De kas van de
Lievevrouwparochie heette ‘De Voorzorg’; voor Sint-Sulpitius fungeerde er een
andere. Om allerlei redenen moest er stevig propaganda gevoerd worden. De
mensen waren immers niet spaargezind. Alhoewel de ASLK in 1865 opgericht was,
waren er in Diest in 1873 maar 83 spaarboekjes in de handen van de arbeiders.
De leden van de pensioenkas van Onze-Lieve-Vrouw kregen in 1909 verdere
informatie over dat sparen in de zaal van het Sint-Jan-Berchmanspatronaat. De
kunstzinnige onderpastoor van de parochie, J. Dobbeleers, trok er publiek met
een lezing met lichtbeelden over Lourdes.
402. De heilige Barbara
Het verhaal gaat dat de heidense vader van het meisje Barbara haar in
een toren liet opsluiten om haar te behoeden voor elk vreemd gedachtegoed. Toen
hij vernam dat ze toch christen was geworden en de rechter er niet in slaagde
haar afvallig te doen worden, onthoofde de vader zijn dochter eigenhandig. Maar
de bliksem doodde de onverlaat ter plekke. Zo begrijpen we waarom de martelares
meestal staat afgebeeld naast een toren. De drie vensters daarin roepen haar
geloof in de heilige drie-eenheid op. De straffende blikseminslag heeft haar
gemaakt tot de beschermheilige van allen die met springstof omgaan zoals
artilleristen, de Diestse, met wapens uitgeruste schutters, de kolveniers, die
haar reeds eeuwen vereerden in de H.-Barbarakapel (nu kruisherenkerk). Later
werd zij ook de patrones van de mijnwerkers. Sommigen die de juiste toedracht
niet kenden, zagen in de toren de veiligheidslamp van de mijnwerkers. De H.
Barbara werd reeds lang in de Lievevrouwkerk vereerd. Ze was immers een van de
veertien noodhelpers. Als zodanig werd ze reeds vroeg aangeroepen tegen de
pest. In 1481 had ze een altaar in de kerk, waaraan wekelijks een mis werd
opgedragen met de opbrengst van een stichting.
403. De mijnwerkersbond I
Na de verwoesting van de Lievevrouwkerk in 1580 (zie nrs.
20, 21) verdween de H. Barbara uit de belangstelling. Rond 1900 echter
kreeg ze weer een beeld achteraan in de kerk. Door de vele mijnwerkers in de
Lievevrouwparochie en het begijnhof vond de heilige opnieuw aantrek. In 1911
telde Diest 150 mijnwerkers, van wie de meesten toen in Luik werkten.
Winterslag, de eerste Limburgse mijn, zou pas in 1917 in bedrijf komen. In
januari 1911 brak er een algemene staking uit in de Luikse mijnen, omdat de
directies de nieuwe wet op de verkorte arbeidsduur voor de mijnwerkers
probeerden te omzeilen. Die staking woog zwaar op de Diestse arbeiders. Jozef
Roest, de vroegere onderpastoor van de Lievevrouwkerk en toen kapelaan in het
begijnhof, trok zich hun lot aan. De opbrengst van de bussen waarmee de
Vincentianen aan de kerkdeuren collecteerden, ging naar hen.
404. De mijnwerkersbond II
Met toestemming van burgemeester E. Robeyns mochten de kompels aan de
huizen bedelen voor hun makkers. Maar dit alles was maar een druppel op een
hete plaat. De enige oplossing was aan te sluiten bij een vakvereniging. Eind
januari 1911 kwam Jan Kayaerts, propagandist van de christelijke vakvereniging
te Leuven, de vakbond aanprijzen in het Sint-Jan-Berchmanspatronaat. Velen
lieten zich als lid inschrijven. Zo ontstond de Vlaamse Mijnwerkersbond
Sint-Leonardus. Op 4 december, feest van de H. Barbara, woonden ze om halfnegen
een mis bij in de kruisherenkerk, aanhoorden een uiteenzetting in het patronaat
en tafelden daarna gezellig (1911). Maar ze voelden zich meer thuis op het
begijnhof. In 1912 huldigden ze daar hun proost, Jozef Roest, vierden er hun
patroon, de heilige Leonardus, op 6 november en de heilige Barbara in december.
Het jaar daarop namen ze plechtig hun vlag in gebruik. Hun eerste proost mocht
het echter niet meer beleven. Hij was in 1913 tot hulpaalmoezenier van de
gevangenis van Vorst benoemd.
405. De Lievevrouwparochie verkoopt I
In het begin van de 20ste eeuw stond de Lievevrouwkerk
opnieuw voor onverwachte uitgaven: de gasverlichting werd aangelegd en de
doopvont kreeg eindelijk een deksel. Om het hoofd boven water te houden, deden
de kerkmeesters bij de bevoegde diensten een aanvraag om oude kant te mogen
verkopen (1909). Vroeger waren de alben die de priesters in de kerk boven hun
zwarte toog droegen en de korte koorhemden van de misdienaars boven hun rood
kleed met brede kant omboord. Geen machinaal product! De kant in kwestie was
een pareltje van de speldenwerksters. Maar hij was oud en zou geen wasbeurt
meer overleefd hebben. De bestendige deputatie en het ministerie verleenden
daarom hun toestemming, als het kerkbestuur de waar tenminste aan de
Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark te Brussel zouden
verkopen. Dit gaf daarvoor 400 frank in 1911. Even vergelijken: wie toen
maandelijks 250 frank naar huis bracht, mocht niet klagen.
406. De Lievevrouwparochie verkoopt II
Ook voor andere stukken toonde de conservator van het museum
belangstelling: een hartje, zilverwerk, juwelen met diamanten. Allemaal dingen
die vrome mensen in de loop der tijden aan Maria of andere heiligen hadden
geschonken (zie nr. 82). Hij had ook oog voor een
houten kruisbeeld met parelmoer belegd, dat in de voet relieken bevatte. Maar
alle sieraden deden de kerkmeesters niet van de hand. Jezus, Maria, Jozef en de
heilige Barbara behielden nog hun zilveren kronen, Sint-Rochus zijn zilveren
staf. Samen met de resterende juwelen van O.-L.-Vrouw berusten die
kostbaarheden thans in het stedelijke museum. Het was trouwens niet de eerste
maal in de geschiedenis dat de Lievevrouwkerk door verkoop van bezittingen haar
schulden vereffende. Toen de kerk in 1583 nog slechts een puinhoop was,
verkochten de kerkmeesters het zilverwerk voor een noodherstelling (zie nr. 21). Na de instorting van het koor in 1830 (zie nrs. 203, 204) deden ze zilveren kandelaars en een beeld
van Sint-Jozef en O.-L.-Vrouw van Smarten, twee biechtstoelen en een zilveren
kelk van de hand. De pastoor van Horpmaal nam het oude orgel over. Maar behalve
in noodgevallen sprong men in de Lievevrouwkerk niet lichtvaardig om met de waardevolle
stukken.
407. Gasverlichting
In bijdragen 250 en 251 hebben we opgeroepen hoe
donker het wel op straat was met de petroleumverlichting en hoe voorstellen om
gas en elektriciteit in te voeren steeds strandden tijdens de 19de
eeuw. Maar toen de jaartallen met 19 begonnen, voer de geest van de vooruitgang
ook in het Diestse stadsbestuur. Dankzij de Oostenrijkse scheikundige C. Auer
en zijn gloeikousen was de gasverlichting sinds 1892 enorm verbeterd. In 1905
koos de gemeenteraad dan ook voor gasverlichting, omdat elektriciteit toen nog
altijd veel duurder was. Ditmaal lieten ze er geen gras over groeien: in 1906
startten de werken aan de gasfabriek aan het station en op de tweede zondag van
julikermis 1907 werd ze officieel in gebruik genomen. Het gas had reeds eerder
als proef gebrand op de Grote Markt, met eerst wat flauw en dan schitterend
licht. Fiere Diestenaars waanden zich een ogenblik in Brussel. In 1908 gebeurde
de verlichting van de traditioneel versierde winkelramen op Witte Donderdag
voor het eerst met gas. Een hele tijd vertoonde de nieuwe verlichting echter
nog heel wat kinderziekten, want de mensen van de gasfabriek hadden nog
onvoldoende ervaring. Een veel voorkomend euvel was de rook, om het zacht te
zeggen.
408. De Lievevrouwkerk doet mee
Bij de eerste gaslampen ontsnapte het gas door een kleine opening als
men het kraantje opendraaide. Bij aansteken gaf dat maar een klein vlammetje
binnen het tochtglas. De gloeikous van Auer echter, een netje van vuurvast
materiaal, dat bij verhitting licht uitstraalde, gaf een schitterende
verlichting. In 1907 lieten de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw dus ook de
gasleiding in hun kerk aanleggen. De oudere luchters en armen kon men niet meer
gebruiken. Ze bestelden dus nieuwe koperen armen, die men nog altijd kan zien
op het koor. Ze werden aangepast toen men in de twintiger jaren overschakelde
op elektriciteit. De armen zijn nog in neogotische stijl, maar de ontwerper
heeft er ook een bescheiden vleugje Jugendstil aan toegevoegd. Om het schip van
de kerk te verlichten hingen er dubbele armen in die aard tussen de pilaren,
maar die bleven niet bewaard. Het materiaal kwam van het huis Philippen en
kostte 1000 frank. Voortaan kwam er ook een nieuwe betrekking in de Lievevrouwkerk,
die van gasaansteker. Zijn jaarwedde beliep 50 frank. Later, bijvoorbeeld in
1912, straalden ook gaslampen rond het beeld van Onze-Lieve-Vrouw op grote
feestdagen.
409. De heilige communie I
De invloed van het strenge jansenisme woog nog
eeuwen na op het gedrag van de gelovigen. Het jansenisme aanzag de communie
eerder als een beloning voor een goed leven dan als een steun en sterkte in de
dagelijkse strijd. De jansenisten eisten bijgevolg een ernstige innerlijke
vroomheid, waar de meesten nog niet aan toe waren. De gelovigen mochten dus
maar zelden communiceren. Zeker handelaars en gehuwden voldeden gewoonlijk niet
aan de vereiste voorwaarden. Daarom ontvingen de mensen de communie slechts op
de grote hoogdagen: Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis. Zelfs paters
en zusters ontvingen de eucharistie enkel op zondag. Een paar staaltjes. In
1603 was aan de paters jezuïeten in de Nederlanden een tweede communie in de
week toegestaan, omwille van de rampzalige toestand van het vaderland toen. Maar
toen Jan Berchmans in 1616 in het klooster trad, was dit privilege reeds
opgeheven en mocht hij dus alleen op zondag communiceren. In 1683 kregen de
vrome slotzusters van Mariëndaal in Diest van bisschop A. de Berghes toelating
voor een bijkomende communie in de week. Ze waren daar zeer gelukkig om.
410. De heilige communie II
Tegen deze erfenis van het jansenisme gingen er steeds meer stemmen op.
Dat was geen nieuwlichterij: het was reeds de wens geweest van het concilie van
Trente (1545-1563) dat de mensen niet alleen de mis bijwoonden, maar er ook
volledig aan deelnamen door het ontvangen van de eucharistie. Pius X (paus van
1903 tot 1914) had een grote pastorale bekommernis. Hij was altijd van mening
geweest dat het de gelovigen goed deed dikwijls te communiceren en dat
christelijk opgevoede kinderen dat liefst zo jong mogelijk deden. In 1905
besliste een decreet dat twee voorwaarden volstonden om dikwijls tot de heilige
tafel te naderen: de staat van genade en een oprechte bedoeling. Het decreet
‘Quam Singularis’ (8 augustus 1910) stelde de leeftijd voor de eerste communie
op zeven jaar. Vroeger moesten de kinderen daarvoor wachten tot 12, 13 jaar of
nog meer. Sommigen stonden dan reeds in het werkmidden zonder sacramentele
steun. In het spoor van de paus drukte kardinaal Mercier de priesters op het
hart dat zij de veelvuldige communie zouden aanprijzen.
411. De heilige communie III
In die nieuwe sfeer voerde de Lievevrouwparochie in oktober 1912 een
kindermis in om 7.30 uur. Honderdtwintig kinderen woonden die dagelijkse mis
bij onder toezicht van de broeders uit de Kruisstraat, veertig communiceerden.
Toen mocht men dan niets meer gegeten of gedronken hebben sinds middernacht.
Deze kleine communicanten waren dus nog nuchter en moesten daarna naar school.
Na de mis mochten ze hun boterhammen opeten in de broederschool. De
Sint-Vincentiusvereniging van de twee parochies bekostigde de koffie, want in
die mis zaten ook kinderen van Sint-Sulpitius die les volgden bij de broeders.
Er werd gewikt en gewogen hoeveel elk genootschap daartoe moest bijdragen. Dat
van de Lievevrouwkerk protesteerde, omdat de arme ‘patattenparochie’ evenveel
moest afdokken als de rijke ‘frikadellenparochie’. Die namen leven nog voort in
de volksspraak. Naar de twintiger jaren toe verslapte het bijwonen van de
dagelijkse kindermis. Na de Eerste Wereldoorlog zorgde de Eucharistische
Kruistocht in de Lievevrouwparochie voor een nieuw elan, maar dat is voor een
latere bijdrage.
412. Verering van het H. Hart I
Tot in het begin van de 20ste eeuw stond het godsdienstige
leven nog sterk onder de invloed van het strenge en stijve jansenisme. De
verering van het H. Hart zou de beleving van de godsdienst menselijker en
volkser maken. De mensen kregen daardoor meer oog voor de liefde van Jezus voor
hen. Die liefde werd symbolisch uitgedrukt door een voorstelling: Christus met
het hart zichtbaar op de borst. Het hart is bij ons nu eenmaal een zinnebeeld
van de liefde. Op het beeld ontsnappen er dikwijls stralen of vlammen uit het
hart, teken van brandende liefde. Vaak is het daar omgeven door een
doornenkroon: Jezus’ liefde bereikte haar hoogtepunt in zijn dood op het kruis.
In kloosters bestond deze aandacht voor de liefderijke Christus reeds lang.
Maar in de 19de eeuw propageerden paus Pius IX (zie nrs. 258 tot 260) en de jezuïeten ze onder de gewone
mensen. Deze paus had het feest van het H. Hart, dat tot dan plaatselijke
gevierd werd, in 1856 voorgeschreven voor de hele Kerk.
413. De verering van het H. Hart II
De devotie tot het H. Hart kreeg ook nieuwe belangstelling in de
Lievevrouwkerk. Reeds in de 18de eeuw waren er in de parochie
enkelingen in de ban van Jezus’ liefde voor de mens. Ze offerden een ingelijste
zilveren voorstelling van het gewonde hart, maar dan alleen het lichaamsdeel,
niet verbonden met de Christusfiguur. Een eeuw later beeldde Duwaerts in zijn
communiebank van 1878 de gehele persoon af. De gebroeders Goyers van Leuven,
die ook de preekstoel van de kerk schiepen, bezorgden de parochie het beeld dat
nu aan de ingang van het koor staat. Hier wijst Jezus naar zijn hart, de andere
hand steekt hij uitnodigend naar de mensen uit. Op het standbeeld buiten de
kerk wijst Jezus naar zijn hart en zegent Hij. Over de oprichting van dit
monument handelen we later. In andere voorstellingen wil Jezus met een wijd
gebaar van beide armen de hele wereld omvatten.
414. Het Apostolaat van het Gebed
De Franse jezuïet Gautrelet was aangesteld als geestelijke leidsman van
de jonge kandidaten voor zijn orde (helft 19de eeuw). Deze jongeren
waren liever direct aan de slag gegaan in plaats van te studeren. De pater
probeerde hen te doen begrijpen dat ze reeds tijdens hun studie vruchtbare
apostelen konden zijn, als ze dagelijks hun inspanning aan de Heer opdroegen
voor het goed van de wereld. De algemene intentie moest dan wel aansluiten bij
een werkelijke nood in die tijd. Deze gedachte sprak de jongens aan en ook
velen buiten het vormingshuis. In Rome werd gevraagd of de paus deze voorbeden
niet zou kunnen vastleggen voor de hele Kerk; hij was tenslotte beter op de
hoogte van de geestelijke noden. Miljoenen sloten zich bij het Apostolaat van
het Gebed aan, zoals deze beweging heette. De Lievevrouwkerk volgde in 1873:
dat jaar noteerde men 311 leden. De bond van het H. Hart (waarover in volgende
bijdrage) was er een uitvloeisel van. Nog altijd zorgt ‘Kerk en Wereld’ in
Mechelen voor maandelijkse gebedsbriefjes en affiches met de maandelijkse
intentie.
415. Bonden van het H. Hart I
In bijdragen 411 en 412 lazen we dat de veelvuldige communie in het
begin van de 20ste eeuw meer ingang begon te vinden. Een belangrijk
duwtje in die richting gaven de bonden van het H. Hart. Zij ijverden ervoor dat
ook gewone mensen meer echt gingen deelnemen aan de mis door te communiceren en
samen te zingen. Doordat ze het in groep deden, verdween veel menselijk
opzicht. Op de eerste zondag van de maand gingen de mannen, op de tweede zondag
de vrouwen tijdens de vroegmis in groep te communie. Daags tevoren was hun
biechtgelegenheid gegeven. Tijdens die mis zongen ze onder andere de evergreen
‘De rode roos van Jezus’ hartenwonde’. Maandelijks bezorgden de ijveraars een
uitnodigingskaart aan de leden van hun wijk en een rood briefje met de
bijzondere pauselijke intentie waarvoor ze die maand zouden bidden. Hierop
stond ook de dagelijks morgenopdracht: ‘H. Hart van Jezus, ik draag U op al
mijn bidden, werken en lijden van deze dag’. De voorloper van deze bonden was
het Apostolaat van het Gebed, dat men sinds 1873 kende in de Lievevrouwkerk,
maar in 1902 kreeg dit een nieuwe impuls en het telde in 1909 580 leden in de
parochie.
416. Bonden van het H. Hart II
De eigenlijke bond van het H. Hart werkte in de Lievevrouwparochie
zeker reeds vanaf 1902; 125 mannen maakten er deel van uit. Cijfers van de vrouwelijke
leden zijn pas in 1920 bekend: toen waren het er 200. De mannen waren toen met
75. De mannen van de bond droegen een flambouw in de processie. De
Lievevrouwkerk bezit ook een speciaal processievaandel met het H. Hart. In 1924
ontving de bond zijn nieuwe vlag. Zoals we het later zullen verslaan, was dat
een hele gebeurtenis, die afgevaardigden uit de verre omtrek op de been bracht.
In 1914 werd een nieuw beeld van het H. Hart in Sint-Sulpitius plechtig gewijd.
Stilaan kreeg de verering nieuwe vormen. De litanie van het H. Hart kwam in
trek. Velen vierden de eerste vrijdag; vóór werk of school communiceerden de
vereerders dan. Zo eenvoudig was dat toen nog niet, want men moest sedert
middernacht nuchter zijn, maar de mensen hadden het ervoor over, want ze wilden
eerherstel brengen aan Jezus, omdat zijn liefde door zovelen werd afgewezen. In
vele gezinnen kreeg zijn beeld een ereplaats. De mensen lieten huis en gezin
door een priester speciaal toewijden aan het H. Hart. Intronisatie heette dat.
Als de sacramentsprocessie uitging, stalden ze dat beeld met bloemen en kaarsen
uit voor hun venster.
417. Het parochieblad van de
Lievevrouwparochie I
In het begin van de 20ste eeuw konden reeds meer mensen
lezen. Daarom wilden vele parochies de inwoners op de hoogte brengen van wat er
reilde en zeilde in de Kerk met een plaatselijk blaadje. Zo bereikten ze de
gelovigen ook buiten de zondagsmis. Omdat dit succes kende, rijpte het idee een
algemener blad uit te geven. De abdij van Averbode met haar stoomdrukkerij gaf
het voorbeeld. Vanaf 1909 verscheen hun wekelijks ‘Parochieblad voor
godsdienst, huisgezin en vaderland’. De titel was versierd met tekeningen in
aarzelende Jugendstil van Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Jozef en in het midden een
klok in een galmgat. Het besloeg vier bladzijden, 25 bij 35 cm, met meestal nog
een tekening als illustratie. Het vond vooral afzet in Limburg, want in het
bisdom Luik (waartoe Limburg toen behoorde) ijverde de bisschop reeds lang voor
Franse parochieblaadjes. Daarom beperkte het diocesane nieuws van het
Averboodse blad zich tot dat bisdom. Het werd op 55.347 exemplaren gedrukt. De
paters brachten ook een andere editie op de markt onder de titel ‘Het
Kerkklokje’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen het niet meer. Na de
oorlog droeg het de titel ‘Het goede zaad’.
418. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie II
Tot dan las men de plechtigheden en het uur in het plaatselijke
weekblad ‘De Gazette van Diest’, waarin ze steeds aangekondigd bleven. Sinds de
belangstelling voor de liturgie in opgang was, publiceerde de Gazette ook
wekelijks een liturgische kalender met de naam van de zondag of heilige en de
gebruikte kleur van de gewaden. Ook konden de mensen al vanaf 1882 de mis
volgen in het Latijn-Franse ‘Missel des fidèles’. Nederlandstaligen zullen
moeten wachten tot 1915 op het eerste Volksmisboek van Affligem. Het Averboodse
parochieblad kreeg zeker vanaf 1914 een voet in huis in Diest; van die jaargang
zijn nummers bewaard gebleven. Het blad reserveerde een hele of halve pagina
voor de eigen berichtgeving van de Diestse parochies. We lezen zoals nu de orde
van de heilige diensten en speciale mededelingen. Zo vernemen we dat in die
tijd de kruisprocessie van St.-Sulpitius zoals vanouds op de drie dagen vóór
Ons-Heer-Hemelvaart uittrok naar Webbekom, Schaffen en de woensdag in eigen
territorium.
419. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie III
Een berichtje van de Lievevrouwparochie nodigde de mensen uit naar de
speciale vergadering van de pensioenkas ‘De Voorzorg’ te komen (zie nr. 400).
Om het sparen aan te moedigen, zouden er voor 50 frank premies uitgeloot
worden. Pagina Diest geeft ons ook enkele wetenswaardigheden over het
godsdienstige leven tijdens die eerste augustusdagen 1914, toen de oorlog
uitbrak. Maar die behandelen we te gelegener tijd. De overige bladzijden van
het Averboodse parochieblad bevatten veel stichtende verhalen, maar soms ook
leerrijke artikelen, bijvoorbeeld over de nieuwe wet op het onderwijs. In 1914
was het schoolbezoek namelijk verplicht gemaakt tot 12 jaar. Pas in 1921 zou
dit op 14 jaar worden gebracht. Sommige mensen aanzagen die maatregel als een
ramp. Velen hielden immers hun kinderen na de plechtige communie thuis. Maar de
wet was nog zeer soepel voor de jeugd die moest helpen bij seizoenarbeid als de
hooitijd, de aardappelen- en bietentijd. Een andere bijdrage raadde aan zich te
verzekeren en voor een pensioen te sparen. Reclame vond men in het parochieblad
niet. Het werd gratis uitgedeeld. Men collecteerde er wel voor in de kerk. Om
de kosten te drukken droegen de schoolkinderen het rond.
420. Een nieuw parochieblad I
Na de Eerste Wereldoorlog gingen de paters dominicanen van
Geloofsverdediging in de Ploegstraat van Antwerpen voort met de uitgave van hun
blad ‘De Ster’, in 1906 gesticht. Het blad was eigenlijk bedoeld voor de
volksontwikkeling. Naast een sprekende cartoon bevatte het behartenswaardige
artikelen over geloof en opvoeding. Er bestond een wekelijkse en veertiendaagse
uitgave. De laatste bladzijde droeg de titel ‘Onze Klok’ en gaf parochienieuws
van de Lievevrouwparochie en het begijnhof. ‘Onze Klok’ zelf was pas in 1921
gesticht. Het kerkarchief bewaart nog een nummer van december 1929. In de
Lievevrouwparochie verspreidde men de veertiendaagse editie. Rond Pasen 1922
betaalde de Sint-Vincentiusvereniging 500 nummers om te verspreiden in de stad.
De eigen Vincentianen namen daarenboven 50 abonnementen voor gezinnen die het
niet breed hadden. Zo te zien was er toen heel wat te doen in de kerk. De
eerste zondag van december stond de algemene communie van de mannen op het
programma en na het lof de kruisweg. Op maandag woonden velen het lof van de
doodstrijd bij. Donderdag vóór de eerste vrijdag was er een speciaal gebedsuur,
het Heilig Uur. Op de eerste vrijdag communiceerden de vrouwen. De tweede
zondag was een communiedag voor de congregatie, die dezelfde namiddag om 14 uur
vergaderde. In een toekomstige bijdrage zullen we al die plechtigheden
belichten. In het parochieblad publiceerde de pastoor, E. Vandevelde, geregeld
historische bijdragen over de Lievevrouwkerk, maar die zijn helaas niet meer te
vinden.
421. Een nieuw parochieblad II
De H.-Catharinaparochie van het begijnhof maakte haar plechtigheden
voor de hele maand december 1929 bekend. Ook daar was er een algemene communie
voor de mannen-, vrouwen- en kinderbond in de vroegmis, die tijdens de winter
om 7 uur gelezen werd. Voor woensdag 18 december kondigden ze speciaal de
gulden mis aan. De dag vóór Kerstmis was vasten voorgeschreven. Op Kerstdag
zelf gebeurde de plechtige mis om 6 uur (’s morgens!), daarna volgden er twee
gelezen missen. Heel wat gelovigen volgden de drie missen. Verder bevat het
parochieblad van 1 december 1930 een verslag over de vergadering van de
Sint-Jan-Berchmanskring op 15 september, waar de zondvloed ter sprake kwam en
Mathieu Schats een lezing gaf over de taalgeleerde Kiliaan. Men leest er ook
een rapport over de algemene vergadering van Sint-Vincentius voor het hele
decanaat, een apart artikel rapporteert de werking van dat genootschap in de
Lievevrouwparochie en in het begijnhof tijdens het jaar 1928. Er waren 12
gezinnen bezocht, vooral kroostrijke en bejaarde. Ze ontvingen brood en kolen.
Verder steunde de Vincentianen van de parochie nog altijd het parochieblad en
verheugden zij zich over de aanwinst van nieuwe, jonge werkende leden.
422. Een nieuw parochieblad III
In hetzelfde nummer van december 1930 treffen we ook een aanbeveling
aan vanwege de Bond van het H. Hart. Ze sporen hun leden aan meer de lijkdienst
van medeleden bij te wonen. Ze vragen ook dat ze het gouden priesterjubileum
van paus Pius XI zouden gedenken, door hun algemene communie van 1 december op
te dragen tot zijn intentie. Misschien vindt men al deze nieuwtjes
onbelangrijk, maar we hebben ze toch niet willen onthouden, want het zijn al
zoveel puzzelstukjes om zich een beeld van die tijd te vormen. In het
parochieblad van de Lievevrouwparochie ‘De Ster’ of ‘Onze Klok’ – het droeg
immers twee titels – vinden we geen verloop van de kerkelijke diensten in
Sint-Sulpitius vermeld. Die parochie gaf op dat ogenblik een eigen blad uit, op
klein formaat (31 bij 21 cm). Het werd gedrukt bij E. en J. Uten met als titel
‘Parochieblad’.
423. Het parochieblad van Sint-Sulpitius
Het is mogelijk dat hun klein parochieblad identiek is met het Kerkklokje
dat ze daar met Pasen 1925 gratis ronddroegen bij 1500 gezinnen. Het verscheen
slechts enkele malen per jaar bij opmerkelijke kerkelijke plechtigheden. In
1926 begon zijn tweede jaargang. Een speciale offerblok in de St.-Sulpitiuskerk
moest de gratis verspreiding helpen goedmaken. Het bij mijn weten enig bewaarde
exemplaar – van oktober 1929 – kondigt de volksmissie aan die de minderbroeders
vanaf 24 oktober zullen houden. Als grote aantrekkelijkheid vermeldt het blad
de 300 elektrische lampen die op het hoofdaltaar aangebracht zullen worden en
daar blijven. Deken Dubois dankt de parochianen voor het prachtige gewaad dat
ze hem bij zijn zilveren priesterjubileum hebben geschonken. Het blad herinnert
ook aan Wereldmissiedag, de voorlaatste zondag van oktober. Die bestond nog
niet lang. Tot die speciale aandacht voor de missies had paus Pius XI in 1926
opgeroepen, die de missionering als zijn hoofdopdracht beschouwde. Over de
parochiebladen na 1930 handelen we later.
424. De doopvont van de Lievevrouwkerk I
De eerste pastoor van Scherpenheuvel, Joost Bouchaert,
stond voor een berg uitgaven om de huidige basiliek te bouwen. Daarom verbaast
het ons niet dat hij in 1630 aan de Lievevrouwkerk van Diest een tweedehandse
doopvont verkocht. In deze kerk was de doopvont tijdens de ravage van 1580
verwoest (zie nrs. 21-23). Men kon er dus best een
gebruiken. Op dat ogenblik kon men soms ook een koopje doen: er was veel
beschadigd materiaal op de markt. De Lievevrouwparochie was blij met het
tweedehandse artikel van de landdeken, al had het bekken geen deksel zoals de
liturgische regels het voorschreven. In afwachting behielp men zich met een
houten deksel. In oktober 1910 kreeg het doopbekken eindelijk een volwaardige
afdekking, geleverd door Theunis-Philippen van Hasselt. J. Perée, een Luikse
brons- en kopergieter, inspireerde zich op de bestaande kuip. De madonna
bovenaan maakte hij naar een Mariabeeldje in een Luikse kloosterkerk. Op het
deksel staan de namen van de weldoeners gegrift: pastoor Oliviers, koster J.
Mathijs, weduwe Bosmans, J. Kennes, Di Martinelli, C. Cantillion, M. Peeters en
weduwe Walgrave.
425. De doopvont van de Lievevrouwkerk II
De doopvont bleef eeuwen verborgen in de donkere doopkapel. Kort na
1980 werd ze overgeplaatst naar het koor. Vanaf dan kon men pas zien wat een
kunststuk ze is. Meermaals prijkte ze op tentoonstellingen, zoals in Dinant
(1903), Antwerpen (1930) en Mechelen (2000). In vele boeken over
kunstgeschiedenis vindt men ze afgebeeld als een voorbeeld van overgang van
gotiek naar Renaissance. Het bekken heeft nog afhangende ornamenten, zoals bij
de gewelfstenen aan laatgotische gewelven. Het is versierd met laurierbladeren,
schelpen, gouden schijven, in een punt verenigde schuine balken (chevrons). De voetzuil
zelf geeft blijk van meer evenwicht met zijn acht panelen, die geflankeerd zijn
door gladde of gedraaide zuiltjes. Die panelen vertonen prachtige kandelaren
met grillige versieringen: mensen, dolfijnen, vliegende draken. De ontwerper
vond waarschijnlijk inspiratie in de versieringen die toen pas aan het licht
gekomen waren bij recente opgravingen van Romeinse gebouwen en grotten.
Kunstenaars van de Renaissance maakten daar gretig gebruik van. De doopvont
werd waarschijnlijk in Mechelen gegoten rond 1530.
426. Berchmansfeesten 1913 I
In 1913 was de heilige stadsgenoot van de Diestenaars 25 jaar heilig
verklaard. Zoals voor de vieringen van 1865 en 1888 brengen we hierover een
kort verslag. Elk Berchmansfeest is anders. We hebben nu enkel oog voor dingen
die de tijdgenoten bijzonder troffen en voor wat er zich in de Lievevrouwkerk
afspeelde. Op zondag 10 augustus ging de plechtige jubelprocessie uit. Diest
zag voor het eerst scouts in uniform, die mee opstapten of voor de orde
instonden. De beweging bestond toen nog maar in enkele grote steden als Brussel
en Antwerpen. Voor de Diestenaars bleef het een mysterieuze bedoening. De
mensen hadden in korte tijd turnverenigingen zien ontstaan, wielerwedstrijden,
voetbal. Voor de gewone man was scouting iets als een nieuwe sport die de jeugd
veroverde. Maar dan wel een erg veelzijdige: marcheren, balspelen, je pot
koken, een tent opslaan, op stro slapen. Direct na de oorlog had Diest zijn
eigen verkenners. ’s Avonds gaf Jef Denijn een beiaardconcert. Het stadhuis was
feestelijk met gaslichtjes verlicht en de mensen geraakten er niet op
uitgekeken.
427. Berchmansfeesten 1913 II
Op zondag 10 augustus speelde zich ook in de Lievevrouwkerk een deel
van de plechtigheden af. De paters jezuïeten van Lier droegen er een plechtige
mis op voor hun bedevaarders. Die waren met een speciale trein gekomen en
vulden de hele kerk, waar toen veel meer stoelen stonden. De prior van de
kruisheren, pater L. Honhon, preekte het feestsermoen. Zijn faam als redenaar
was tot ver buiten Diest doorgedrongen. Op het elfde Internationaal
Eucharistisch Congres te Brussel in 1898 was hij de enige Vlaamse redenaar. De
man zou trouwens ’s anderendaags moeten inspringen voor Henri Poels, de bekende
sociale werker uit de Nederlandse mijnstreek, die verstek had laten gaan.
Enkele dagen kon men toen in de kerk de praalkist en de kostbare relikwieënkast
bewonderen, die bedevaarders uit Keulen daar hadden neergezet. Ze stapten ook
mee in de processie met hun vaandel, het schrijn en een wassen beeld van
Sint-Jan op zijn sterfbed. Zo beeldden ze de groep ‘De dood van Berchmans’ uit.
Vier muzikanten begeleidden hen met Duitse godsdienstige marsen.
428. Berchmansfeesten 1913 III
Voor de studerende jeugd betekende maandag 11 augustus echter het
hoogtepunt. Treinen en trams goten het volk uit. De hoogmis werd op het
Verstappenplein opgedragen. Leerlingen en studenten zongen er samen de
engelenmis. Daarna deed de jubelprocessie nogmaals haar ronde door de stad. De
namiddag voor de jeugd was gevuld met toespraken van pater Honhon en de bekende
jezuïet Stracke. De nieuwe patronaatszaal in de Peetersstraat kon de deelnemers
niet bevatten, zodat velen de sprekers vanop de speelplaats moesten volgen. Het
pleit voor de Diestse organisatoren dat ze hierbij ook de sociale vorming van
de studenten hebben behartigd. Intussen richtten andere sprekers het woord tot
de Franssprekende jeugd in de Hallenzaal, wat vele moeilijkheden vermeed.
429. Kosters sinds 1800 I
In bijdrage 54 publiceerden we het lijstje
kosters tot aan de Franse revolutie. Hier volgen hun opvolgers. Toen de
Lievevrouwkerk in 1802 weer openging, nam koster Jacob Verreydt zijn functie
weer op. De kerkmeesters bouwden voor hem een woning naast de kerk, die thans
als pastorie dient (zie nr. 186). Zijn zoon Victor volgde
hem in 1814 op. In 1868 werd Julien Matthijs aangesteld. Hij verbleef
waarschijnlijk het langst van allen in dienst. In de verslagen van grote
plechtigheden uit die tijd lezen we dikwijls: ‘De koster haalt eer met zijn
werk, de opschik’. De man had dan telkens de handen vol: wimpels, doeken,
platen met opschriften uit de zolder van het magazijn neergelaten en opgehangen
aan gewelf en pilaren. Alle altaren kregen dan feestelijke antependia, dwalen
en kandelaars. In 1912 dwong zijn hoge leeftijd hem echter ontslag te vragen.
Hij zou helaas nog maar twee jaar van zijn rust kunnen genieten. Louis Laureys
werd tot zijn opvolger benoemd.
430. Kosters sinds 1800 II
Na de Eerste Wereldoorlog was het kosterschap in de Lievevrouwkerk geen
volwaardige broodwinning meer door de geweldige muntontwaarding. Alles kostte 4
à 5 maal zoveel als in 1914. De inkomsten van de kerk waren echter niet
evenredig gestegen, zodat haar lonen de inflatie niet konden volgen. Het
kostersambt betekende voortaan slechts een bijverdienste. Koster Laureys had
elders de handen vol. In 1918 was hij secretaris van de hoveniersgilde,
waarover we later handelen. In 1919 werd hij de eerste secretaris en
vrijgestelde van het pas opgerichte ACW-Diest. In 1921 stapte hij in de
gemeenteraad als raadslid, in 1926 als schepen. Sinds 1925 zetelde hij ook in
de provincieraad. Hij had het dus druk met politiek en sociaal werk en nam in
1926 ontslag als koster. Victor Goyvaerts nam zijn taak over.
431. Kosters sinds 1800 III
Victor Goyvaerts had een mooie stem en maakte vóór zijn
kostersbenoeming deel uit van de vaste zangers van St.-Sulpitius. Hij vulde
zijn karig kostersloon aan doordat hij naast de kerk een kruidenierswinkeltje
opende en brood bakte. Hij was echter koster met hart en ziel. Door zijn ijver
voor de kerk mislukten zijn baksels geregeld. De eredienst gaf toen handenvol
werk: gezongen jaargetijden soms met drie heren, talrijk bijgewoonde
heiligenfeesten met hoogmis en lof. Nu blijven de zijaltaren van de kerk
ongebruikt. Maar toen droegen vele leraars van het college en priesters die in
Diest op bezoek waren, er ’s morgens een stille mis op. Al die altaren moest de
koster in orde houden, zorgen voor gewaden, water en wijn en kaarsen. Daarbij
moest hij ook tijdens de vieringen in de week elke keer collecteren voor de
noden van de kerk. In 1958 ging Victor Goyvaerts op rust. Na hem trad Alfons
Debrier in dienst tot aan zijn overlijden in 1982. De nieuwe koster had het
niet onder de markt. Zijn brood verdiende hij eigenlijk met ’s morgens kranten
en tijdschriften aan de abonnees te bezorgen, nog vóór de kerk openging. Ook
tijdens de dag was hij steeds op stap om reclamebladen rond te brengen. In de
kerk had hij ook nog de taak van organist en zanger op zich genomen. Tweemaal
heeft hij de parochie overeind gehouden: bij de plotselinge dood van pastoor
Broeckhoven (1970) en vooral van pastoor Nijs (1980). Toen hij in 1982
vroegtijdig overleed, kwam er geen echte koster meer. Vrijwilligers namen de
dienst over.
432. Andere kerkdienaars I
Behalve de koster, de organist, de koorleider waren er destijds nog
anderen in loondienst van de kerk. De taak van de klokkenluider hoeft wel geen
uitleg. Voor de Eerste Wereldoorlog werkten de klokken nog niet automatisch.
Bij sommige plechtigheden werden ze alle drie gebezigd. Dan had de koster
versterking nodig. Tot in 1926 behoefde de organist een blaasbalgtrapper, die
de nodige adem aan zijn instrument bezorgde. Dat kon men zomaar niet aan de eerste
de beste toevertrouwen, wilde men vermijden dat het orgel in een krachtig
glansstuk plots amechtig werd. De stoelzetster sleet vele uren in de kerk. Ze
moest geregeld de vloer schrobben, wekelijks tweemaal vegen met zagemeel, de
stoelen netjes in rijen plaatsen en ’s zondags het stoelengeld ontvangen. Vóór
1804 was dat laatste nooit gevraagd, maar toen de kerk onder Napoleon weer
openging, had ze nieuwe inkomsten nodig, want de tienden waren afgeschaft en
sommige goederen aangeslagen. Lees hierover bijdrage 178.
433. Andere kerkdienaars II
In 1880 betaalde men twee centiem voor het gebruik van een kerkstoel
met houten of rieten zitting. Die martelde de knieën, want de meeste tijd
volgde men geknield de viering. Sommigen lieten zich dus een comfortabele stoel
vervaardigen met fluwelen kussen. Voor het gebruik betaalden ze een
jaarabonnement. Wegens de geldontwaarding sloeg het stoelengeld na de Eerste
Wereldoorlog geleidelijk op tot vijf centiem en tien centiem in 1930. De gasverlichting
bracht nieuw werk in 1907: de aansteker deed zijn intrede. Diens taak was goed
te combineren met een ander klusje. Een indrukwekkende figuur was de suisse.
Hij bewaarde de orde en de eerbied in de kerk. Zoals Napoleon, de officieren en
ambtsdragers weleer droeg hij een majestueuze steek, een uniform met brede
draagriem over schouder en borst. En hij omklemde een vervaarlijk uitziende
hellebaard, net als een ‘Zwitserse Wacht’ van de paus. Hij en de klokkenluider
waren gewoonlijk dezelfde persoon. In 1924 nam de laatste suisse van de
parochie, Jos Vrancken, ontslag en hij werd niet meer vervangen.
434. Geloofsonderricht I
Nu meer mensen konden lezen en zich verplaatsen, kwamen ze ook vaker in
contact met andersdenkenden. Hun geloof moest dus sterker onderbouwd worden
door goede lectuur, catechismusonderricht en predikatie. Voor het eerste zorgde
de verspreiding van het parochieblad. Het onderricht gebeurde aan de hand van
een catechismus. Dat was een klein handboekje. De lessen waren er opgebouwd in
vraag en antwoord. Die moesten de kinderen uit het hoofd leren; zo bleef de
tekst in het geheugen bewaard. Voor de kleinsten waren er gemakkelijke vragen,
langere en moeilijkere voor het laatste leerjaar. Dat alles werd nog eens twee
jaar in de kerk herhaald als voorbereiding op de plechtige communie. De
trouwsten volgden nadien nog een paar jaren de catechismus van volharding na de
hoogmis als herhaling en verdieping. Maar vóór de schoolplicht had het
arbeidscircuit dan reeds velen opgeslorpt. In de vroegmispreek werd de
geloofsleer een half kwartier systematisch hernomen. Tijdens de hoogmis legde
de pastoor gewoonlijk een bijbeltekst uit. Kardinaal Goossens wilde in 1892 dat
die homilie niet langer dan een kwartier aansleepte.
435. Geloofsonderricht II
Omdat niet iedere priester wel ter tale was, stelde kardinaal Mercier
rond 1913 een boekje op: ‘De voorschriften van het christelijk leven’. Tweemaal
per jaar las de priester die vanop de kansel voor, gespreid over twee of drie
zondagen. In sommige parochies, zoals in het begijnhof, waren die boekjes ook
aan huis bezorgd en kon men daarmee de lectuur in de kerk volgen, want de
kardinaal had wel alles fijn geformuleerd, maar soms hoogdravend in lange
volzinnen. De voorschriften stonden nog jaren op het programma. Overigens werd
er toen veel vaker gepreekt dan nu, bijvoorbeeld tijdens het lof. In de
Lievevrouwkerk was er negen dagen vóór het feest van Sint-Antonius ’s morgens
in de mis van vijf uur een kort onderricht en ’s avonds onder het lof een
uitgebreid sermoen door speciale predikanten. Grote plechtigheden werden soms
drie dagen voorbereid met een sermoen. Voor sommige feesten spreidde de viering
zich uit over acht dagen of werd minstens de achtste dag met een betrekkelijk
korte preek bedacht.
436. Bange verwachting I
We wijden nu enkele bijdragen aan de Eerste Wereldoorlog. We beperken
ons tot de gebeurtenissen in de Lievevrouwparochie voor zover onze bronnen
reiken. Het parochieblad van 26 juli 1914 keurde de kranten af die de aanslag
op de Oostenrijkse aartshertog in Serajevo goedpraatten, omdat deze
militaristisch was. De wederopgeroepenen moesten zich naar hun depot begeven,
waar hun wapens bewaard werden, onder meer naar de Begaardenkazerne in de
Begijnenstraat. Alles verliep nogal chaotisch. Op zaterdag 8 augustus lazen de
mensen aan de kerkdeur: ‘Inwoners, geef morgen uw milde penning voor de
beproefde gezinnen van de opgeroepen soldaten’. Het was blijkbaar een
aansporing van het St.-Vincentiusgenootschap. Diest telde 422 opgeroepenen
onder wie 68 vrijwilligers. Op de St.-Sulpitiuskerk en aan de openbare gebouwen
wapperde de Belgische vlag. Kardinaal Mercier verzocht in alle parochies
boeteprocessies en gebedsstonden te organiseren.
437. Bange verwachting II
In het lof zong men voortaan de psalm ‘Qui habitat’. Weinigen zullen
helaas de troostvolle woorden begrepen hebben over de bescherming van de
Allerhoogste in de gevaren. Een psalm wordt gewoonlijk ingeleid met een
liturgisch vers. Hier gebruikt men: ‘Parce, Domine… Heer, spaar uw volk en maak
uw erfdeel niet te schande, zodat de volkeren erover heersen’. Een klare wens,
die laatste woorden. Het begin echter formuleerde mening van sommigen dat de
oorlog een straf van God was. In Sint-Sulpitius baden ze dagelijks om 17 uur
het rozenhoedje voor koning en vaderland. Hierop volgde de litanie van alle
heiligen, die dringend smeekt om vrijwaring van pest, hongersnood en oorlog. In
het begijnhof deden ze dat om 20 uur. Bij de kruisheren stond het volk tot op
de trappen. Over de publieke gebeden in de Lievevrouwparochie zwijgt het
parochieblad. Wel kondigt het voor 13 augustus nog een plechtige hoogmis ter
ere van St.-Jan Berchmans aan en voor 15 augustus de jaarlijkse processie na
het lof. Of die nog doorgang gevonden hebben, is twijfelachtig, want op 12
augustus vochten de Duitsers reeds in Halen. Men hoorde in Diest de kanonnen en
het opblazen van bruggen.
438. Beschieting
Op 18 augustus 1914 om negen uur vlogen de kogels rond de
Schaffensepoort tot aan de Ezeldijkmolen. Vanop de wallen beschoten onze
soldaten de over Schoonaarde naderende vijand. Ze brachten die in verwarring en
verlieten daarna volgens plan de stad, want het was niet de bedoeling om de
gedeclasseerde vesting Diest te verdedigen. Toen de Duitse artillerie begon,
volgden vele mensen het voorbeeld van de karabiniers-wielrijders. De meesten
zochten hun heil ergens in de buurt, sommigen in Antwerpen, enkelen zelfs in
Engeland. De Duitse kanonnen vuurden tot 16.30 uur. Granaten sloegen in op het
begijnhof, de Begijnenstraat, de Koning-Alberstraat. Het geschut verlengde zijn
vuur in de richting van de beiaard en de citadel. Vierendertig gebouwen waren
beschadigd, onder meer de kerk en het bejaardentehuis op het begijnhof, de
katholieke jongensschool in de Kruisstraat, het gasthuis, de toren van
St.-Sulpitius. In de Koning-Albertstraat gingen een apotheek en aangrenzende
huizen in de vlammen op, waarbij één slachtoffer viel. Een parochiaan, Hendrik
Cypers, werd die dag doodgeschoten op de tramlijn Diest – Koersel, toen hij ’s
avonds het vee van zijn ouders aan de sluis ging opzoeken. Daar de stad zonder
verdediging was, werd om 16.30 uur de witte vlag gehesen, om verdere
verwoesting te stoppen.
439. Doortocht van de Duitsers
De volgende dagen trokken 100.000 Duitsers door Diest. Hun paarden bedekten
de straatstenen met een dikke laag mest. De schaarse burgers die zich buiten
waagden, liepen als over een tapijt. Na de doortocht had men nog dagen werk om
dat goedje voor de deur weg te werken. Waar moest men ermee heen, als men geen
tuintje bezat? In de Begaardenkazerne lieten de Duitsers twintig zieke paarden
ter verzorging achter. Bij hun doortocht verboden ze streng nog klokken te
luiden. Ze vreesden dat men daarmee signalen zou geven aan het Belgische leger.
Een officier vertelde dat de pastoor van Schaffen opgehangen was, omdat hij de
klokken toch had laten luiden. Achteraf bleek dat de man wel was gefolterd en
voor dood achtergelaten. De Duitsers waren er namelijk van overtuigd dat ze in
Schoonaarde niet door het geregelde Belgische leger waren beschoten en schreven
hun verliezen toe aan vrijschutters (‘franc-tireurs’). Drieëndertig
Schaffenaars moesten die waan met hun leven bekopen, vele huizen gingen in de
vlammen op. Hiermee wilden de Duitsers vooral terreur zaaien bij de bevolking
om die koest te houden.
440. Een geruchtmakende brief I
Na de aftocht van het Belgische leger lieten de mensen het hoofd
hangen. De Duitse propaganda probeerde de schending van ons grondgebied goed te
praten met de beschuldiging dat België zich helemaal niet neutraal had gedragen
vóór het conflict. De slechte behandeling van burgers op vele plaatsen
rechtvaardigde het door het optreden van vrijschutters in te roepen. Kardinaal
Mercier vond het dus nodig zijn mensen een riem onder het hart te steken.
Daarom schreef hij einde 1914 een herderlijke brief, ‘Vaderlandsliefde en
uithoudingsvermogen’, die op 3 januari 1915 en volgende zondagen op de kansel
voorgelezen moest worden. Hierin vermeldde hij uitvoerig de verwoesting in zijn
bisdom, het deporteren en fusilleren van onschuldige burgers. In de ogen van de
gewezen professor filosofie was de bezetter geen wettig gezag en dus waren de
burgers hem geen achting, genegenheid en gehoorzaamheid verschuldigd. De
kardinaal verzekerde zijn landgenoten dat ze zouden overwinnen.
441. Een geruchtmakende brief II
De seminaristen hadden het origineel van de brief van de kardinaal uit
Mechelen meegebracht en aan de pastoors bezorgd. Geen wonder dat deze brief de
Duitsers zwaar op de maag lag. Ze bewogen hemel en aarde om het verder lezen te
voorkomen. Ze verboden het voorlezen en kwamen het schrijven in de pastorieën
opeisen. De pastoors gaven hun exemplaar af, maar intussen circuleerden er
reeds vele clandestiene drukken. In Diest zorgde drukker Eugeen Uten daarvoor.
De pastorale brief vond wereldwijde weerklank in de vrije pers. Achteraf
moesten de dekens bij de kardinaal verslag uitbrengen over hoe alles verlopen
was. Het militaire bestuur durfde Mercier zelf niet onder handen te nemen. Het
woord van een prins der Kerk, zoals men een aartsbisschop soms noemde, dwong
een zekere eerbied af bij de Duitse aristocraten, zoals baron M. von Bissing en
later L. von Falkenhausen, die België bestuurden. Lagere geestelijken die de
Duitsers tegen de schenen trapten, moesten echter hun verzet met hun hoofd
bekopen. Ook in de toekomst zou de kardinaal geen blad voor de mond nemen.
442. Verzet en verwarring
Ons land volgde het Greenwichuur, maar in november 1914 voerden de
Duitsers hier de Midden-Europese tijd in, zoals in hun land. Alle klokken werden
dus één uur vooruitgezet. Kerken, stations, cafés, restaurants, winkels,
banken, theaters konden zich daaraan niet onttrekken. Privé-personen toonden
hun patriottisme door mordicus het Belgische uur aan te houden. Op
overlijdensaankondigingen las men dikwijls: ‘lijkdienst te 9 uur B.T.’, waarbij
de letters stonden voor ‘Belgische tijd’. Zo moest men het officiële uur niet
vermelden. Gaf men dit toch aan, dan stond er: ’10 uur T.U.’ (Torenuur). Dit
was voor de Duitsers een doorn in het oog. Drukkers mochten voortaan geen ander
uur meer aangeven dan het Midden-Europese. ‘Duitse tijd’ mochten ze er niet aan
toevoegen. Geen wonder dat door die twee bestaande stelsels vele afspraken
misliepen. De verwarring steeg ten top toen de Duitsers op 1 mei 1916 het zomeruur
invoerden. Sommigen bleven bij de oude Belgische tijd zweren. Zo was het voor
hen bijvoorbeeld 7 uur. Anderen zagen wel voordelen in een eigen Belgisch
zomeruur. Zo konden ze ’s avonds langer genieten van het zonnelicht en dure
verlichting uitsparen. Voor hen was het op dat ogenblik reeds 8 uur, terwijl
voor de Duitsers de klok al 9 sloeg. Na de oorlog, in 1919, voerde de Belgische
regering zelf het zomeruur in.
443. Een parkje rond de kerk I
In bijdrage 188 hebben we de geschiedenis van
ons gewezen kerkhof verhaald tot 1880. Er circuleerden ideeën genoeg om het een
nieuwe bestemming te geven, maar intussen bleef het een verwaarloosd terrein.
Met julikermis 1897 demonstreerde de brandweer er voor vele kijklustigen reddingsoperaties.
Een houten stelling, vuur en water kwamen eraan te pas. Het leek net echt. Maar
meestal was het pleintje een plek waar de jongens in de buurt bleven ravotten
of een robbertje vochten. Meisjes gooiden er hun diabolo omhoog en vingen hem
weer op op het touwtje. Of ze lieten geduldig hun jojo langs het koordje
klimmen en dalen. De oorlog en de daaruit ontstane werkloosheid zouden er
echter anders over beslissen. In 1915 stelde de firma Michiels uit
Scherpenheuvel aan de kerkfabriek van de Lievevrouwparochie voor om er een
parkje aan te leggen, met bomen, bloemen en heesters. Ze vroeg daarvoor 200
frank. Het kerkbestuur ging daarmee akkoord, als de firma de tuin ook
onderhield. Als tegenprestatie mocht zij dan een reclamebord op een van de
hoeken plaatsen.
444. Een parkje rond de kerk II
Het werd een lust voor het oog met al die geurige meidoornen,
gespreksstof voor de hele stad. ‘De Diestenaar’, het frontblad voor de soldaten
van het kanton Diest achter de IJzer bericht erover en spreekt van een square.
Voor dit bij ons zeldzame verschijnsel had de correspondent blijkbaar niet zo
vlug een passende Nederlandse term bij de hand. In juni 1919 kreeg het nieuwe
beeld van het H. Hart daar een gepaste plaats. Na de oorlog werd het parkje met
kippengaas afgerasterd. In 1930 liet deze afsluiting echter al te wensen over.
Maar wegens de crisis moest men tot 1935 wachten, alvorens er een ijzeren hek
rond de tuin kwam. Over een reclamebord hebben we geen nadere gegevens. Maar
reeds lang vóór het nieuwe tuintje ontsierden reclameplaten de toren en de
ingang van de kerk.
445. Nationaal Hulp- en Voedingscomité I
Door de blokkade van de geallieerden en de opeisingen van de Duitsers
vielen onze fabrieken stil en dreigde de hongersnood. Hiertegen waren de
armencommissie en de Vincentianen niet opgewassen. De levensduurte droogde de
bronnen van de liefdadigheid op. Het genootschap van St.-Vincentius bleef
echter gezinnen bezoeken, maar de verslagen vermelden niet wat het er
uitdeelde. In 1916 ondersteunde de parochiale afdeling 38 gezinnen. Gelukkig
bestond het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Het werd in Diest opgericht in
december 1914. het mocht levensmiddelen uit de Verenigde Staten invoeren, omdat
de Duitsers garandeerden dat ze die niet voor zich zouden gebruiken. Neutrale
waarnemers hielden dat in het oog. Zo kon de plaatselijke afdeling een rantsoen
meel, rijst, erwten, bonen, spek, gecondenseerde melk aan de bevolking bezorgen
tegen een lage prijs. Armen kregen hun rantsoen soms zelfs helemaal gratis. In
Diest ontving 20 à 30 % van de bevolking steun.
446. Nationaal Hulp- en Voedingscomité II
Het comité ontvouwde een veelzijdige werking. Een voorloper van ‘Kind
en Gezin’ zorgde voor de versterking van baby’s en moeders. Het aantal
teringlijders nam onrustwekkend toe. Eind december 1918 werden er te Diest 123
tbc-lijders verzorgd. Hun werd onder mee een voedzame maaltijd opgediend.
Schoolkinderen kregen dagelijks een hartige koek. Ze moesten die wel ter plekke
opeten, want anders dreigde die soms op de zwarte markt te belanden. In vier
grote ketels van 200 tot 700 liter kookte het comité volkssoep. Men kon ze
onder meer afhalen in de meisjesschool van de Peetersstraat. Elk gezin kreeg
meestal een halve liter per hoofd. Hoeveel stond op een kaart die men dagelijks
liet afstempelen. In de Christusogen functioneerde een goedkoop restaurant.
Voor 40 centiem ontving men er een volledige maaltijd: soep, gehakt, groenten,
190 gr aardappelen en 70 gr brood. In oktober 1917 telde het 550 klanten. Daar
de aardappelen echter schaars en duur waren, schepte men er dikwijls koolrabbi
ofte rutabaga’s op het bord. En toen haakten vele gegadigden af. Dat alles
slorpte natuurlijk veel geld op. Het hulpcomité bezat dan ook het monopolie
voor collectes. Alle strekkingen waren erin vertegenwoordigd.
447. Deportatie I
Gebrek aan grondstoffen legde de Belgische industrie grotendeels lam.
Eind 1916 telde ons land 536.000 werklozen. Op een werklozenkas konden ze niet
rekenen. De Duitsers profiteerden van deze toestand om arbeiders te werven voor
vrijwillig werk in Duitsland. Zo maakten ze daar mannen vrij voor legerdienst,
want de oorlog eiste zijn tol. Niet genoeg Belgen verbonden zich hiertoe en
daarom gingen de Duitsers vanaf de herfst van 1916 tot dwangmaatregelen over.
De Belgische bisschoppen en vooraanstaanden hadden hierover reeds in oktober
1916 bij gouverneur-generaal von Bissing geprotesteerd, maar zonder resultaat,
want de orders gingen uit van een hoger niveau. De bezetter beweerde dat hij
alleen maar werklozen opeiste die steun genoten. Daarom vroegen ze de lijst van
echte werklozen aan de gemeenten, maar die weigerden doorgaans, zoals Diest. En
zo moest iedereen zich aanbieden. Op 24 november 1916 moesten alle mannen van
de stad en het kanton tussen 17 en 55 jaar op de Grote Markt verzamelen. Ze
moesten zich van een deken, winterkledij, stevige schoenen, lepel en vork en
voedsel voor één dag voorzien.
448. Deportatie II
Van de Markt gingen de opgeroepenen onder bewaking naar de fabriek
Simonis aan het station. Daar werden ze geschift. Maar of men nu werkloos was
of niet, speelde hierbij geen rol. De Duitse industrie was ten andere best
gediend met geschoolde arbeiders die hun vaardigheid nog niet verleerd hadden.
132 Diestenaars werden zo uitgekozen en moesten de gereedstaande trein naar
Duitsland in. Vele gewone Landsturmers zagen dit met lede ogen aan, want deze
maatregel maakte hun makkers thuis tot kanonnenvlees en verlengde de oorlog.
Hier en daar zorgde een bewaker er dus voor dat een gedeporteerde bij wie hij
ingekwartierd was, terechtkwam in de rij van vrijgestelden. Ter plekke in
Duitsland weigerden velen te arbeiden. Ze werden in een kamp opgesloten en
leden grote ontbering. Als de Duitsers al een betere verpleging voor hun
slachtoffers hadden gewenst, dan konden ze die toch niet verstrekken, want door
de blokkade leden zelfs de eigen bevolking en het leger honger. In december
1916 gaf kardinaal Mercier enkele praktische wenken aan de pastoors om de
opgeroepenen met goede raad bij te staan. Priesters moesten toen nog vaak als
sociale raadsman fungeren.
449. Deportatie III
De kardinaal raadde aan dat de opgeroepenen bij het onderzoek hun
belastingsbrief, een getuigschrift van hun werkgever met attest van de gemeente
of een doktersbriefje afgaven. Zo glipten sommigen door de mazen van het net.
Maar voor echte behoeftigen viel het sterk te vrezen dat ze als dwangarbeiders
meegevoerd zouden worden. Voor hen moesten de parochie en het gemeentelijke
hulpcomité de handen ineenslaan om ze van klederen en steun te voorzien. Ook de
achtergebleven gezinsleden mochten ze niet aan hun lot overlaten. In de
Lievevrouwparochie gaven de Vincentianen aan zulke gezinnen een bijkomende
wekelijkse steun van 1,25 frank. De traditionele kerstpreek van de welsprekende
J. Meerbergen bracht dat jaar 162 frank op. Edward Verreydt, de organist van
Sint-Sulpitius, die reeds vele liederen getoonzet had en meer dan een
plaatselijke bekendheid genoot, gaf in 1916 een liederavond voor de
gedeporteerden.
450. Deportatie IV
Vele mensen schroomden ervoor tijdens de oorlog vermakelijkheden bij te
wonen, nu zoveel landgenoten achter de IJzer vochten, als dwangarbeider
meegesleept waren of aangehouden wegens hun vaderlandsliefde. Toneel- en
muziekverenigingen die tijdens de oorlog niet meer wensten op te treden, maakten
toch een uitzondering voor goede doeleinden. In 1918 was de enige beschikbare
zaal, de Casino, bijna wekelijks benomen voor liefdadigheidsvoorstellingen. In
februari 1917 richtten de kardinaal, senatoren en volksvertegenwoordigers een
verzoekschrift aan keizer Wilhelm. In maart gaf deze instructies om mensen die
ten onrechte als werkloos naar Duitsland waren gevoerd, onmiddellijk naar
België te laten terugkeren en verdere deportaties tot nader order stop te
zetten. Intussen liet de kardinaal de parochiegeestelijken formulieren
invullen, van attesten voorzien, om de terugkeer aan te vragen van de ten
onrechte gedeporteerden. Kardinaal Mercier centraliseerde deze verzoeken en
maakte ze over aan de Duitse gouverneur-generaal. Voor het bisdom Mechelen zomaar
liefst 4236!
451. Inleveringen I
Door de blokkade van de geallieerden heerste er in Duitsland een groot
gebrek aan grondstoffen. In 1917 arriveerde het beval in Diest om alle koperen
en nikkelen voorwerpen in te leveren bij Simonis. Ook prikkeldraad en wol
werden aangeslagen. Als men de wol uit zijn matras deed en er stro instak,
betaalden de Duitsers daarvoor 3,5 frank. Ze kwamen de huizen afzoeken en namen
mee wat hun aanstond. Wijselijk verstopten de mensen zoveel ze maar konden. Op
8 februari 1918 liet gouverneur-generaal L. von Falkenhausen weten dat hij
weldra de klokken zou opeisen en de tinnen orgelpijpen. Kardinaal Mercier vroeg
daarom aan de pastoors een nauwkeurige beschrijving van de klokken op te maken.
Zo weten we dat de twee grootste klokken van de Lievevrouwkerk, die A.L. Van
Aerschodt uit Leuven in 1838 had gegoten, respectievelijk de toon do en fa
voortbrachten. Dat zouden we nu niet meer kunnen achterhalen, want ze werden in
1943 aangeslagen.
452. Inleveringen II
Op 10 maart 1918 las de clerus het hevige protest van de kardinaal
tegen deze aanslag van de klokken voor. De priesters moesten ook in de mis bij
het openingsgebed een oratie bijvoegen tegen vervolgers en boosdoeners. Op 7
juni 1918 boden twee Duitsers zich aan de Lievevrouwkerk. Ze vroegen beleefd om
de sleutels van de toren; ze wilden de klokken zien. Maar pastoor Vandevelde
weigerde resoluut ze af te geven. Hij moest ook aan zijn overheid gehoorzamen,
want de kardinaal had aan de pastoors hierover strikte instructies gegeven, zei
hij. ’s Anderendaags ontving de pastoor een schrijven vanwege de centrale voor
grondstoffen: bij een volgend bezoek zouden ze desnoods de torendeur
openbreken, wat ze in het begijnhof tevergeefs geprobeerd hadden. Maar ze
hebben zich in de Lievevrouwparochie niet meer laten zien. Paus Benedictus XV
kwam bij de Duitse overheid tussenbeide en bereikte dat die op haar beslissing
terugkwam. De klokken kregen 25 jaar uitstel. In 1919 vroeg kardinaal Mercier
jaarlijks op 2 augustus de stormklok te luiden ’s middags bij het angelus. Zo
wilde hij het behoud van de klokken en orgels gedenken.
453. Op zoek naar een kerk I
In juni 1918 riep de plaatselijke commandant deken Verstrepen, pastoor
Pals van het begijnhof, prior Honhon van de kruisheren en pastoor Vandevelde
van de Lievevrouwparochie bij zich. Het Duitse gouvernement zocht namelijk in
ons bisdom enkele kerken waar Lutherse soldaten de eredienst zouden kunnen
volgen. De ontbodenen verklaarden dat het kerkelijke recht zoiets verbood. Het
is weinig waarschijnlijk dat ze in Diest reeds op de hoogte waren van het
wetboek voor kerkelijk recht dat in 1917 in Rome gepubliceerd was en in deze
kwestie minder onverbiddelijk lijkt. De priesters legden aan de officier uit
dat kerken gewijde gebouwen zijn. Door die wijding zijn ze voor altijd
uitsluitend voor de katholieke eredienst bestemd. Hun een andere bestemming
geven zou een heiligschennis wezen. Rome verbood ze afwisselend voor
katholieken en andersgelovigen te gebruiken, want dit zou de mensen ergeren.
Werd een katholieke kerk toch opgeëist, dan was ze geschonden en mochten er
daarin geen katholieke plechtigheden meer gebeuren. Daarvan zouden de
katholieke Duitse soldaten zelf het slachtoffer zijn. Soms zag men in de kerk
inderdaad Landsturmers, mannen tussen 39 en 45, die de orde in het bezette
gebied handhaafden. Ze konden goed volgen, want alles gebeurde hier immers in
het Latijn, zoals in Duitsland.
454. Op zoek naar een kerk II
De argumentatie van de Diestse parochiepriesters scheen de commandant
te overtuigen. Ik heb reden om te veronderstellen dat kardinaal Mercier deze
bewijsvoering aan zijn priesters ter hand had gesteld. Hij gebruikt ze zelf in
een schrijven aan gouverneur-generaal von Falkenhausen in juli 1918. Hij
ontwikkelt daarin vooral de aanstoot die de Belgische gelovigen aan dergelijk
gebruik van hun kerken zouden nemen. In tegenstelling met andere landen kenden
de mensen bij ons sinds de Contrareformatie (16de eeuw) praktisch
alleen het rooms-katholieke geloof. Voor andere geloofsopvattingen betoonden ze
weinig begrip. Het gebruik van hun heilige plaatsen door andersgelovigen zou
onze mensen erg kwetsen, zodat men in dat gebouw de eigen eredienst niet meer
zou kunnen uitoefenen, alhoewel dit in andere landen oogluikend werd
toegestaan. Ik meen echter dat de generaal vooral oor had voor een ander
argument van de kardinaal: door deze maatregel zouden de Duitsers nog meer de
haat van de Belgen op zich laden. Er kwam een andere oplossing: de protestanten
konden hun diensten in Diest in een zaal van het nieuwe patronaat houden, de
latere Patria. Evangelische eenheden hadden het hier vroeger ook zo moeten
doen. Met Kerstmis 1914 vierden die van Mecklenburg-Schwerin hun dienst in de
Casino.
455. Spaanse griep
Waar de grote pestepidemie 1918-1919 eigenlijk is begonnen, heeft men
nog altijd niet volledig kunnen achterhalen. Omdat de koning van Spanje een van
de eerste slachtoffers was, gaf dat land zijn naam aan deze hevige influenza.
Naar schatting maakte ze 27 miljoen slachtoffers over de hele wereld, beduidend
meer dan de Eerste Wereldoorlog zelf. Tegen de kwaal bestond geen enkel afdoend
middel. Men kon de zieken alleen maar wat afzonderen om de gezonden niet te
besmetten. Maar dat was op dat ogenblik makkelijker gezegd dan gedaan. Er
woonden toen grotere gezinnen opeengepakt in kleinere woningen. Soms moesten ze
daar nog logies geven aan geëvacueerde burgers uit Noord-Frankrijk en
West-Vlaanderen. Of Duitse soldaten inkwartieren. Daarbij hadden de vele
ontberingen tijdens de oorlog de weerstand van de mensen ondermijnd. Het kon
gebeuren dat een patiënt op weg naar herstel leek en de volgende dag overleed.
Het schijnt zelfs dat deze epidemie vooral de jongeren niet spaarde. In
november 1918 nam ze wat af, maar ze herleefde in het voorjaar. Telde de Lievevrouwparochie
rond 1913 jaarlijks gemiddeld 15 begrafenissen op 1750 parochianen, dan liep
dat getal in 1918 op tot 26 en in 1919 tot 24. In 1924 zakte het aantal weer
tot 12.
456. Vrede I
Op maandag 11 november 1918 geraakte het nieuws van de wapenstilstand
’s morgens in Diest bekend. Overal verscheen de nationale driekleur aan de
huizen. Gewone mensen hadden nooit een vlag bezeten. Met knippen en verven van
stoffen improviseerden ze de juiste combinatie. De nog aanwezige Duitsers
lieten hen betijen. De volgende dag doorkruisten de harmonie en Sint-Cecilia de
straten. Groot en klein vergezelde de muziek, zong en danste. De beiaard liet
zich weer horen; hij had vier jaar gezwegen. De beschieting van 1914 had het
klavier beschadigd. Een Belgische waarnemer was toen op het nippertje aan de
dood ontsnapt. Beiaardier Vandeplas speelde nu de nationale hymnen van de
geallieerden. Duitsers kwamen hem zeggen: Wunderschön! Volgens een
afgesproken schema ontruimde de bezetter het land. Het prachtige leger van 1914
leek nu soms een hoop zigeuners: wagens door boerenpaarden getrokken met
daarachter loslopende veulens en ezels. Op de wagens lag allerlei rommel:
emmers, draad, meubels, kippen. Soldaten in versleten uniform boden dekens,
schoenen, zelfs wapens te koop aan. Tijdens de warme augustus 1914 had de
doortrekkende legermassa in de open lucht kunnen overnachten. Nu vorderde zij
onderdak tot in de kleinste woning.
457. Vrede II
Vanaf 17 november passeerden de Duitsers nog druppelsgewijs. Op
zaterdag 23 november deden de Belgische jagers hun blijde intrede in de
feestelijk versierde straten. ’s Anderendaags zong deken Verstrepen het
plechtige Te Deum. Voor de officieren hield hij een Franse
vaderlandslievende toespraak. Na de stress en de ontberingen van de oorlog stortten
de mensen zich in een roes van vrolijkheid en vermaak. De uitstalramen bleven
nog een poosje leeg, maar elke zondag was er groot bal. Er was één danszaal op
vijf herbergen. Alle kermisorgels speelden populaire soldatenliederen.
Danstenten met veel spiegels lokten. Iedere buurt had zijn soldatenkermis.
Cinema’s met films als ‘Vervloekt zij de oorlog’ werden nog populairder. Na de
voorstellingen zong het staande publiek de Brabançonne. Met julikermis 1919
brachten 200 uitvoerders de cantate ‘België vrij’, onder leiding van Adolf
Hermans, leraar aan de middelbare school.
458. Vrede III
Intussen kreeg Diest een stukje oorlogsbuit: een Duits kanon, dat vóór
het stadhuis werd opgesteld. Eind september 1919 bedachten de welgestelden de
oud-strijders met een eetmaal. Gezinnen boden een middagmaal aan aan één of
twee soldaten. Bij de inwijding van het monument voor de gesneuvelden in 1920
nodigde de stad op haar beurt haar gewezen strijders uit op een banket. Het is
goed dat de Kerk bij de vrede wat dieper dacht. Kardinaal Mercier vroeg in 1919
de gelovigen op de eerste vrijdag speciaal te communiceren, wat met de
toenmalige heersende voorschriften niet zo gemakkelijk was, en hun communie op
te offeren als dank voor de goede afloop van de oorlog. Voor de gesneuvelden
zouden de parochies jaarlijks een plechtig requiem opdragen.
459. Erelijst I
In 1921 bracht de Lievevrouwparochie achteraan in de kerk een
gedenktafel aan. Bovenaan betreurt de Moeder van Smarten er de
parochianen-oorlogsslachtoffers. Vooral in de Lievevrouwkerk genoot de piëta,
de voorstelling van Maria met haar dode zoon op de schoot, vroeger grote
verering. Tot in 1942 hing haar aloud beeld achteraan in de kerk tegen een
pilaar. Het was omhangen door een kostbare mantel. Maar dat jaar werd dit stuk
uit een verdwenen Antwerps retabel gestolen. Onder de afbeelding van de
treurende moeder op de gedenktafel vormen de zestien namen van de slachtoffers
samen een staalkaart van de getroffen landgenoten. De veertienjarige Hendrik
Cypers raakte er als onschuldig niet-strijder tussen (zie nr. 438). Frans Voet,
het sportieve lid van de Sint-Jan-Berchmansturnkring, sneuvelde reeds op 6
augustus 1914 bij de gevechten rond Luik. Alfons Clerkx en Victor Vandermolen
vielen bij de aftocht naar en de invallen rond het nationale bolwerk Antwerpen.
Leopold Boogaerts en Petrus Verleysen schreven het begin van het epos aan de
IJzer.
460. Erelijst II
Broeder Heliodorus, in de wereld Petrus Bogaerts, de directeur van de
jongensschool in de Kruisstraat, werd als zovele onderwijzers opgeroepen voor
de geneeskundige dienst en overleed reeds in 1915 in het hospitaal van Calais.
Frans Werrens overleed in dat van Hoogstraten (1917). Luitenant Jan Tulkens,
officier bij onze Diestse brandweer en actieve Vincentiaan in de Lievevrouwparochie,
viel tijdens het eindoffensief in oktober 1918. Hoe moorddadig dit was, bewezen
ook Jan Daniëls en Jan Sannen. Sommigen hadden zich als vrijwilliger gemeld,
zoals de 16-jarige Frans Pulinckx. Hij overleefde de kwaal niet die hij aan het
front had opgelopen. Vrijwilliger Jan De Coster was pas 22, toen hij na een
dodelijke kwetsuur in 1918 overleed. Vrijwilliger Frans Pauwels viel tijdens
het eindoffensief. Charles Willio maakte als apotheker deel uit van de
geneeskundige dienst. Hij werd krijgsgevangen genomen. Volgens de Haagse
vredesconferentie mocht hij niet in gevangenschap blijven. Hij werd in 1918
uitgewisseld, maar overleefde de uitputting van het gevangenenkamp niet en
stief in augustus van dat jaar.
461. Erelijst III
Nog jaren na de wapenstilstand bezwijken oudgedienden aan de letsels
van de gasaanvallen, zoals Carolus Van Houtvin. Tijdens zijn begrafenis in 1920
heeft een hele groep oorlogsverminkten op het koor van de Lievevrouwkerk
plaatsgenomen. Diest toont massaal zijn medeleven: de offer duurt tot aan het
einde van de mis, zoals bij de groten der aarde. Wie later aan
oorlogsverwondingen overleed, is echter niet meer in de lijst opgenomen, maar
verdient evenzeer onze dankbaarheid. Volgens het voorschrift van de kardinaal
werden er nog vele jaren in november missen voor de gesneuvelden opgedragen.
Sommige jongens verdienen een bijzondere attentie. Zij zijn op dit bord
terechtgekomen als verliezers van een loterij. Tot in 1909 zorgde een loting
voor de rekrutering voor het Belgische leger. Wie daarbij een laag nummer trok,
moest soldaat worden. Bemiddelde pechvogels konden zich vrijkopen door een
plaatsvervanger te betalen. De wet van 1913 voerde pas de algemene dienstplicht
in. Maar bij het uitbreken van de oorlog was haar uitwerking nog maar
nauwelijks voelbaar. Het gros van de geoefende soldaten behoorde nog tot het
oude bestel. Wie daarbij sneuvelde, had dubbel pech. Een foto en nadere
beschrijving van de eretafel vindt men in “Uit steen en brons. Standbeelden,
monumenten en gedenkplaten in Groot-Diest”, uitgegeven door het Cultureel
Centrum Begijnhof Diest in 2001.
462. Een monument voor het H. Hart I
In zijn bekende brief ‘Vaderlandsliefde en uithoudingsvermogen’ (zie
nrs. 440-441) pleitte kardinaal Mercier er reeds voor dat we bij de bevrijding
erkentelijk moesten zijn jegens het H. Hart. Hij verwachtte op dat ogenblik een
speciale inspanning, opdat de nationale basiliek die men vóór de oorlog had
beloofd, er na de vrede spoedig zou komen. Op het ogenblik van het schrijven,
december 1914, waren alleen nog maar de grondwerken beëindigd van het
neogotisch heiligdom dat Langerock had ontworpen. Sommigen zullen wel vreemd
opgekeken hebben, want in december 1914 geloofden nog weinig Belgen in een
spoedige overwinning. De gelovigen hoopten op hulp van boven: de devotie tot
het H. Hart wakkerde geweldig aan. Franse soldaten droegen een
kenteken met ‘Sacré Coeur de Jésus, espoir et salut de la France’. In sommige kerken
van ons land plantte men naast het H. Hart de nationale driekleur. Op het geel
was een bloedend hart met doornenkroon geborduurd. Vele gezinnen schaften zich
nog vlug een beeld aan en wikkelden de driekleur rond de sokkel.
463. Een monument voor het H. Hart II
Ook in de Lievevrouwparochie leefde de devotie weer op. In 1916 waren er
alle bonden opgeheven, behalve die van het H. Hart. Meer nog, dat jaar ging men
die nog beter volgens het boekje organiseren. Ondanks Duitse censuur en
papierschaarste bezorgde drukker Van Boxmeer een handboekje voor de mannelijke
leden met liederen en gebeden. Hun dank omdat Diest voor veel onheil gespaard
was gebleven, betuigden de parochianen met een monument in het parkje naast de
kerk. Op 29 juni 1919 werd het ingewijd. De schola cantorum van de
broederschool zong de mis van broeder Basile. Abt G. Crets van Averbode zegende
het beeld. De Lievevrouwparochie wijdde zich toe aan het H. Hart, terwijl een
groot koor onder begeleiding van de fanfare lofliederen uitvoerde. Dat monument
staat er nog. Professor R. Lemaire ontwierp het voetstuk, dat de Diestse steenhouwer
J. Maillet uitwerkte. Het beeld zelf kwam uit het Tiense atelier Dendove.
Diezelfde zondag van de plechtigheid stroomden 200.000 mensen naar Koekelberg
om hun dank en toewijding te betuigen.
464. Verering van het H. Hart
De belangstelling voor het H. Hart bij de inzegening van het monument
was geen strovuurtje. Nog jaren nadien huldigde de parochie het H. Hart
plechtig op zijn feest met bloemen, toespraak en toewijding. De parochiale
mannenbond nam in 1926 zelfs een nieuwe vlag in gebruik onder grote
belangstelling van de bonden uit de omgeving. Bij die jaarlijkse hulde bracht
het gemengde parochiekoor ook telkens een cantate ten gehore, eerder een
rariteit in de parochie. Zulk een zangstuk met koor en solopartijen maakte
sinds de laatste helft van de 19de eeuw furore bij feesten. Een
cantate paarde immers het nuttige aan het aangename: naast het genieten van
muziek gaf ze de luisteraars kans tot lering en zedenles, een goed alternatief
voor toespraken. Ik illustreer dit met enkele naoorlogse stukken uit de
omgeving van Diest. In 1919 werd ‘België vrij’ gebracht, onder leiding van A.
Hermans met 200 uitvoerders. Halen herdacht de slag der Zilveren Helmen in 1924
met een cantate van A. Cuppens op muziek van de Diestenaar E. Verreydt, met
maar liefst 350 uitvoerders. Zulk een massa was niet overbodig, als men een
boodschap wilde overbrengen in open lucht, want geluidsversterkers bestonden
nog niet. Men kon de toehoorders natuurlijk de tekst in handen stoppen.
Datzelfde jaar werd Ons Huis in de Koning-Albertstraat ingewijd met Gloria
Flori van A. De Boeck. Voor het 60-jarige bestaan van de fanfare Sint-Cecilia
in 1925 schreef A. Hermans, die lang het koor van de Lievevrouwparochie
gedirigeerd had, de muziek op tekst van J. Maes.
465. Berchmansviering 1921 I
In 1921 was de heilige Diestenaar 300 jaar overleden. In de
Lievevrouwkerk liet men bij die gelegenheid de voet van de kolommen verven en
het portaal witten, want de kerk was ingeschakeld in de plechtigheden.
Overigens was deze belangstelling voor Sint-Jan geen plotse bevlieging. In de
parochie bestond reeds lang een erewacht van St.-Jan Berchmans, die in 1926
zelfs een nieuwe vlag liet wijden. In 1929 zal Berchmans een nieuw altaar
krijgen in de noordelijke kruisbeuk van de kerk. Maar keren we terug naar 1921.
Van 7 tot 15 augustus beleefde Diest dan een onvergetelijke week. Elke dag
kwamen andere verenigingen Sint-Jan vereren. Zeven augustus bracht de
vrouwengilden en katholieke meisjes op de been. Deze laatsten vierden de
hoogmis in de Lievevrouwkerk, die vol liep. ’s Anderendaags volgden de
kruistochters het lof in de kerk.
466. Berchmansviering 1921 II
Dan stroomden de Vlaamse en Waalse leerlingen en studenten naar Diest, de bonden van het H. Hart, de Mariacongregaties, de parochies uit de omgeving. Een praalstoet ging uit, een cantate weerklonk, maar de klap op de vuurpijl was toch wel de mini-jamboree van de scouts. Ze hadden hun tenten opgeslagen aan fort Leopold, betwistten allerlei competities op het terrein van Standaard (nu parkeerterrein aan de Halve Maan). Ze demonstreerden draadloze telegrafie en E.H.B.O., waaraan Diestenaren en toeristen zich vergaapten. Op 13 augustus volgden de Vlaamse padvinders de hoogmis in Sint-Sulpitius en de Franstalige in de Lievevrouwkerk. De rector van het St.-Barbaracollege van Gent preekte er. Op 14 augustus bezocht kardinaal Mercier het tentenkamp. ’s Anderendaags defileerden 700 scouts door de straten. Een gedenkplaat in het Berchmanshuisje herinnert nog altijd aan die heuglijke dag.
467. Verenigingen
Vóór 1900 droegen de parochiepriesters hoofdzakelijk de mis op,
preekten, hoorden urenlang biecht vóór de feesten en dienden de sacramenten
toe. Maar op het einde van de 19de eeuw zag de kerkelijke overheid
de toekomst van de Kerk in katholieke sociale werken en verenigingen. Men kon
voortaan bijna alleen nog zielzorg verrichten, als men rusteloos allerlei
bewegingen organiseerde, vooral voor de gewone man of vrouw. De toekomstige
priesters werden in die zin op de seminaries gevormd. Die verandering kon men ook
in de Lievevrouwparochie merken. Vóór de Eerste Wereldoorlog ontstonden een
parochiale pensioenkas en mijnwerkersbond (zie nrs. 400
tot 404). Na 1919 zette deze ontwikkelingslijn zich nog meer door. Met
organisaties beoogde de Kerk de samenleving opnieuw christelijk te maken. Op de
Lievevrouwparochie poogden dat vooral de tuinbouwersgilde, de Eucharistische
Kruistocht, de K.A.J. Wij wijden daar nu enkele bijdragen aan. De oudste
vereniging, de tuiniersbond, startte in juni 1918. Eigenlijk vrij laat, want in
1913 bestonden er reeds 87 tuinbouwersgilden elders in het land.
468. De Tuinbouwersbond
Tuiniersverenigingen waren overigens zelf maar nakomelingen van de
Boerenbond, die reeds in 1890 zijn activiteiten voor de kleine landbouwer
begonnen was. In de Diestse buurgemeenten Molenstede, Webbekom, Deurne en
Schaffen werkte de Boerenbond reeds lang. Maar het duurde tot 1908 eer Leuven
belangstelling vertoonde voor de tuinbouwers. Dus krabbelde de afdeling van de
Lievevrouwparochie nog niet zo ver achterna. In Diest waren in 1920 nog 104
mensen bedrijvig in de landbouw en 12 in de tuinbouw. Proost en stichter in de
parochie was onderpastoor A. Havermans, de motor van vele verenigingen.
Voorzitter was J. Nackers. De koster Louis Laureys (zie nr. 430) deed het
schrijfwerk. De bond telde in 1918 veertig leden, in 1922 vijftig. De gilde
organiseerde lessen, kocht gemeenschappelijke tuinbouwzaden aan en betrachtte
ook de godsdienstige vorming van de leden met spreekbeurten, artikels in hun
tijdschrift, mis en lof en bedevaarten. Ze vergaderden gewoonlijk in de
broederschool in de Kruisstraat, later in ‘De Warande’ op de Veemarkt of in de
Patria. Leraar Schammel van het college hield voor hen een lezing met
lichtbeelden over Lourdes. Hun patroon, H. Isidoor, vierden ze rond 10 mei in
de Lievevrouwkerk. Ook de Boerinnengilde kwam in 1925 naar deze kerk, maar dan
op Lichtmis.
469. Eucharistische Kruistocht I
We weten dat Pius X (1903-1914) de klemtoon had gelegd op de beleving
van de eucharistie (zie nrs. 409-411). Reeds vóór de
Eerste Wereldoorlog had de Lievevrouwparochie een wekelijkse kindermis
ingevoerd. In 1920 zou een nieuw initiatief het verzorgde communiceren onder de
jeugd propageren: de Eucharistische Kruistocht. De abdij van Averbode nam
hierbij het voortouw onder de bezieling van priester Edward Poppe. De bond gaf
een eigen tijdschrift uit, ‘Zonneland’, en telde op zijn hoogtepunt rond 1930
meer dan 200.000 leden, die beloofden eenmaal in de week te communiceren. Ze
verbonden zich ook ertoe te bidden, uit zelfverloochening een offer te brengen
voor een bijzondere intentie, die tijdens de catechese of in de vergadering
werd aanbevolen. Hun vurig optreden voor het geloof noemden ze kruistocht; de bewegingen
uit die tijd gebruikten graag de woorden ‘strijd’ en ‘kamp’. Ze speldden fier
hun opvallend kenteken op met een wit kruis en een kelk. Ouderen onder ons
kennen nog hun krijgslustig strijdlied: ‘In dichte drommen staat, o Heer, uw
kruisleger bereid…’
470. Eucharistische Kruistocht II
Reeds in de Berchmansviering van 1921 stapten kruistochters op en
volgden het lof in de Lievevrouwkerk. In 1922 telde de afdeling van de
Lievevrouwparochie reeds 40 leden. Een weekblad noemt hen de bloem van de
parochiale jeugd. Op 19 augustus 1923 trokken 1200 deelnemers uit het decanaat
Diest door de stad voor een vergadering. Dergelijke decanale dagen gebeurden
ook de volgende jaren. De kruistochters van de Lievevrouwparochie waren trouw
op post voor de jaarlijkse bloemenhulde aan het H. Hart. In 1924 voerden ze een
muziekdrama op, Chao, voor de Congomissie van hun parochiegenoot, pater Saenen.
Aan het einde van de jaren dertig was de beweging echter over haar hoogtepunt
heen: zoveel andere verenigingen spraken de jeugd meer aan. Dankzij de vrije
basisscholen vertoonde de E.K. nog zwakke tekenen van leven in de parochie. De
kruistochters hielden nog hun communiedag op donderdag en namen nog deel aan de
decanale dagen, bijvoorbeeld in Averbode in 1962 en in Diest in 1963. Velen
bewaarden nog als volwassenen de verdieping die hun leven had gekregen.
471. De K.A.J. I
De Kristene Arbeiders Jeugd beoogde de werkende
jongeren godsdienstig, moreel en sociaal te vormen. Ze spoorde hen aan apostel
te zijn in hun arbeidsomgeving. Priester J. Cardijn was de grote bezieler van
deze beweging. Zijn slogan: ‘Geen slaven, geen machines, maar schone mensen!’,
resumeerde dit streven. In 1924 werden de bestaande verenigingen voor
arbeidende jongens gebundeld in de K.A.J. Voor de meisjes volgde de V.K.A.J. in
1927. De leden heetten voortaan kajotters en kajotsters, afgeleid van de
beginletters van de naam van de bond. Als ze de Nederlandse benaming voor de
letter J gebruikt zouden hebben, ‘jee’, zou dit slecht geklonken hebben:
‘kajeeër’. Daarom gebruikten ze de Duitse naam voor J: ‘jot’. De beweging
verspreidde zich over vele landen, o.a. Frankrijk en Nederland. Ook in Diest
mocht ze niet ontbreken. De christelijke arbeidersvereniging voor volwassenen
kende in de stad een dynamische start in 1919. In 1924 opende ze feestelijk
haar lokalen in de Langesteenweg (nu Koning-Albertstraat en vishandel Wellens).
Bij die gelegenheid voerden bekende figuren er het woord: pater Anicetus Cool
(broer van August), minister Prosper Poullet en senator Broeckx uit Hasselt.
472. De K.A.J. II
We weten dat de kajotters in de toneelzaal van ‘Ons Huis’ op de
Langesteenweg reeds in februari 1929 korte schetsen opvoerden, evergreens als
‘De verdraaide sectie’. Niet verwonderlijk, want een van de eerste leiders heette
Frans Boons. Op 12 mei datzelfde jaar werd hun vlag ingewijd met de uitvoering
van een cantate op tekst van E.H. J. Maes en muziek van K. Miry. Jaar na jaar
hielden ze samen hun Pasen: ze biechtten en communiceerden in de paasweek. Zo
overwonnen ze het menselijke opzicht. Daarna ontbeten ze feestelijk samen in
Ons Huis. Voor die actie spraken ze ook andere jonge arbeiders aan om te delen
in de paasvreugde. Kajotters en kajotsters bezochten de werkende jeugd aan huis
en leverden er een speciaal blad af met de sprekende titel: ‘Revolutie! Wij
willen!’ Stakingen en werkloosheid hielden het land toen in onrust. Terloops
weze gezegd dat ook de Bond van het H. Hart in 1936 in gevatheid niet onderdeed
met zijn paasaffiche: ‘Bankroet!’ Het was de tijd dat vele banken over de kop
gingen. Op 2200 plaatsen in ons land baden en offerden jongens en meisjes voor
het slagen van hun paasactie.
473. De K.A.J. III
Het maakte indruk hoe kajotters en kajotsters met Goede Vrijdag het
kruis versierden in hun atelier. Om 15 uur die dag, het sterfuur van Jezus,
hielden ze een minuut stilte op hun werk. Maar de nationale K.A.J. verloor ook
de andere noden niet uit het oog en richtte werklozenkampen in voor jeugd
zonder werk. De Diestse afdeling opende in 1934 een kajottershuis met
slaapgelegenheid. Een welvoorziene bibliotheek zorgde er voor de vorming van de
leden. Uit vorige bijdrage weten we reeds dat de beweging handig gebruik maakte
van de moderne reclametechniek. Ook om leden te werven wendde de K.A.J. voor
die tijd moderne methodes aan. In juli 1932 toerde een propagandawagen door de
dorpen rond Diest. Het gros van de Diestse leden volgde die met bevlagde
fietsen. Dit vervoermiddel lag reeds in het bereik van de werkende klasse. Op
een pleintje in Kaggevinne, Schaffen, Molenstede, Zichem of Scherpenheuvel
voerden ze dan een spreekkoor op om de beweging te leren kennen.
474. Spreekkoren
Spreekkoren namen nu stilaan de rol van de cantates over (zie nr. 464).
Deze toen moderne kunstvorm was rond 1923 in Duitsland ontstaan. Allerlei
gedachtestelsels wisten hem handig te bespelen, bijvoorbeeld het communisme.
Met woord en bewegingen verkondigde een geleide groep een boodschap in korte en
rake zinnen. Afwisselend droegen nu eens alle uitvoerders, dan weer
afzonderlijke groepen de tekst voor vanop verschillende podia. Met Rerum
Novarum 1935 brachten de kajotters nogmaals een spreekkoor op het binnenplein
van Ons Huis. Datzelfde jaar mobiliseerde de landelijke beweging maar liefst
80.000 mensen voor een massaspel en spreekkoor in Brussel, waartoe ook de
Diestse afdelingen hun steentje bijdroegen. Bestond er aanvankelijk maar één
afdeling in de stad, dan had in 1934 ook de Lievevrouwparochie haar afdeling
voor jongens en meisjes. In 1937 was Hendrik Laureyn, latere kerkmeester van
deze parochie, gewestelijk leider van de K.A.J. Voor sommige kringen was al dit
jeugdige enthousiasme een doorn in het oog. Met lede ogen zagen ze pastoors
door velden en bossen lopen met half gemilitariseerde kinderen, om het met de
woorden van een van hun pamfletten te zeggen.
475. De V.K.A.J.
De ‘Vrouwelijke Kristene Arbeidersjeugd’ richtte zich tot alle meisjes
uit het arbeidersmilieu, ook tot hen die geen bezoldigde arbeid buitenshuis
verrichtten. In 1929 was ze reeds bedrijvig in Diest. Ten voordele van de
parochiale werken van de Lievevrouwkerk voerde ze dat jaar het stuk ‘Pilatus’
dochter’ op. In 1930 stonden ze op de planken met ‘Maria Magdalena’ voor
hetzelfde doel. Na de aanstelling van pastoor Lens in 1930 bezat de
Lievevrouwparochie haar eigen afdeling. In de parochiale processie van 15
augustus 1934 stapten er voor het eerst maar liefst veertig kajotsters! Dat
jaar ontvingen ze ook hun vlag. De kajotsters zongen ook mee in het
parochiekoor als dit meerstemmige missen uitvoerde. Daarover handelen we later.
Ook zij ijverden ervoor dat andere meisjes samen met hen hun paasbiecht zouden
uitspreken, communiceren en gezamenlijk ontbijten. Bij vele leden van de K.A.J.
en de V.K.A.J. drukte de vorming die ze in hun beweging ontvingen een
blijvende, onbaatzuchtige, actief christelijke stempel op de rest van hun
leven. Er bestonden in Diest nog andere bewegingen, zoals de scouts, gidsen,
K.S.A., werkliedenbonden en verenigingen voor de middenstand, maar zij
behoorden niet tot de Lievevrouwparochie en daarom behandelen we ze niet in
deze kroniek.
476. Elektriciteit I
We weten nog uit bijdragen 253 en 254 dat
de stad in 1889 haar plan om elektriciteit in te voeren, bij gebrek aan
belangstelling moest opbergen. De gasverlichting (1907) betekende reeds een
hele vooruitgang, maar vertoonde nog vele kinderziekten. Sommige Diestenaren
brachten echter reeds zelf stroom voort in hun bedrijf. Tijdens de Eerste
Wereldoorlog voorzagen de Duitsers gebouwen waar manschappen gelegerd waren, van
stroom, die ze via een zeer primitieve leiding aanvoerden uit de mijn van
Beringen, die toen volop in aanbouw was. Maar in 1922 waagde de stad eindelijk
de sprong: ze sloot een overeenkomst met de maatschappij E.N.B. Het jaar daarop
werd de leiding gelegd en in sommige huizen brandden er toen reeds lampen op
proef. In 1924 verschenen de draden voor de straatverlichting. De
Lievevrouwkerk kon niet achterna hinken. De heer Servaes zou er de
elektriciteit installeren voor 3700 fr. In december schenen de lichten.
477. Elektriciteit II
In 1926 nam een elektrische ventilator het werk van de orgelblazer
over. De lage spanning in het begin (140 volt) beveiligde wel het gebruik van
deze nog onvertrouwde energiebron, maar veroorzaakte ook talrijke pannes bij
overbelasting. Maar meestal sprongen de mensen nog zuinig met het nieuwe middel
om, want elektriciteit was duur. In 1927 rekende de maatschappij voor een
kilowattuur 1,8 fr. aan en de stad deed er nog een schepje belasting bovenop.
Op dat ogenblik verdiende een ongeschoolde arbeider in de bouw 2,42 fr. per
uur. Nog in 1933 kostte een kilo suiker 3,32 fr., slechts een fractie meer dan
men toen voor een kilowattuur betaalde. Zo kwistig als nu ging niemand toen met
licht om. De Koning-Albertstraat was de best verlichte straat. Met de nodige
tussenafstand hing daar een lamp van 150 watt aan een draad over de weg. Lang
niet iedereen was happig op stroom: in 1936 was het stadhuis nog altijd niet
elektrisch verlicht.
478. De Broederschool I
In 1908 had deken Verstrepen een ruim terrein in de Kruisstraat
gekocht. Daar zou een nieuwe vrije basisschool voor jongens komen, die het
bestaande katholieke schooltje in de Vestenstraat moest vervangen (zie nrs. 318-320). Het onderwijs kreeg er een nieuw elan onder
de broeders van Scheppers, genoemd naar hun Mechelse stichter. Telde het
vroegere schooltje slechts twee klassen, het nieuwe complex had er vier, want
het aantal leerlingen steeg tot 288 in 1918. De verlenging van de leerplicht
zal hierbij wel een rol gespeeld hebben. In 1914 vierden de broeders het
75-jarige bestaan van hun kloostercongregatie. De leerlingen genoten van
krentenbrood en cacao. Daarna vergaapten ze zich aan een spelende fonograaf.
Nog wat nieuws: in de winter lieten de broeders soms de speelplaats onder water
lopen, zodat de broeders konden schaatsen en de jeugd baantje glijden.
479. De Broederschool II
Vóór de Eerste Wereldoorlog gaven vier broeders les in de Kruisstraat.
Een vijfde verzorgde het huishoudelijke werk in hun woning naast de school.
Voor de Lievevrouwparochie was zo’n school naast de deur een buitenkansje om
met een kindermis en een knapenkoor te starten. Op zon- en feestdagen
vergezelden de broeders hun leerlingen voor de diensten in de kerk.
Verenigingen van de parochie mochten er vergaderen. Na de Eerste Wereldoorlog
werden de broeders stilaan vervangen door gewone onderwijzers en
onderwijzeressen. Reeds vóór 1930 draaide de school geheel om zeven leken. Na
het vertrek van de broeders was Alfons Claes het eerste schoolhoofd; Adolf Bas
volgde hem op. Maar zowel in de gemeenteschool in de buurt als in de
Kruisstraat slonk het aantal leerlingen allengs. Leerlingen uit onbemiddelde
gezinnen werden ondanks de wet nogal eens uit de klas gehouden om thuis
allerlei karweitjes op te knappen. Anderzijds zagen steeds meer ouders door de
gestegen welvaart mogelijkheden dat hun kinderen het verder zouden brengen in
het leven. En daarom kozen velen voor het basisonderwijs in de middelbare
school of het college.
480. De Broederschool III
Na het basisonderwijs volgden ze er nog enkele jaren middelbaar
onderwijs. Ze konden daar ook gratis terecht of tegen verlaagd schoolgeld. Op
een vakschool in Diest zouden de jongens nog tot 1947 moeten wachten, toen
minister K. Huysmans de Rijkstechnische School in de Grauwzustersstraat
plechtig opende. De gemeentelijke basisschool 1 voor jongens was er gestopt. Om
zich te verdedigen tegen deze trend, probeerde de broederschool haar blazoen
wat op te poetsen. Daarom hield ze in 1925 een heuse prijsuitdeling in de
Patria. Met declamatie, zang, gymnastiek en toneelstukjes werd de laatste
schooldag een echt feest. Deken Dubois had er geld voor over. Ook de volgende
jaren zouden ze dat nog doen. Ook het Sinterklaasfeest werd belangrijker. In
1928 deelde de school dan 175 kg speculaas en 1010 sinaasappelen uit. In de
gemeenteraad vroegen sommigen de proclamatie ook wat meer luister bij te zetten
in de stedelijke jongens- en meisjesscholen, wat de middelbare school reeds
lang deed. Maar voor volkskinderen was dat wel veel gevraagd.
481. De Broederschool IV
Voor volkskinderen stak het bij sommigen allemaal niet zo nauw. Als
soldaten op doortocht waren voor de gebruikelijke manoeuvres in Beverlo,
moesten de klassen dikwijls ontruimd worden om militairen te logeren. In 1934
bestond de katholieke volksschool vijftig jaar, als men haar debuut in de
Vestenstraat meerekende. Ze vierden dat met een plechtige mis in de
Lievevrouwkerk en volksspelen en koffiefeest in de Kruisstraat. Maar zoals de
gemeentelijke jongens- en meisjesschool was de broederschool gedoemd om te
verdwijnen. In 1960 telde ze nog slechts zestig leerlingen en twee
leerkrachten, schoolhoofd meegerekend. Toen de heer Bas in 1962 met pensioen
ging, bleef Paul Ceyssens alleen over met een 20-tal leerlingen. Maar hij
opende nieuwe mogelijkheden voor de school door er buitengewoon lager onderwijs
in te richten (1969), waarvoor grote behoefte ontstond. Opnieuw steeg het
aantal scholieren en leerkrachten. In 1979 zegende kardinaal Suenens nieuwe lokalen
in voor deze bloeiende school, die voortaan de Warandeschool heet.
482. Heiligen in de Lievevrouwkerk I
Zoals schilders, musici, schrijvers zijn ook heiligen aan de smaak van
de mode onderhevig. Daarom schommelt hun populariteit in de loop der eeuwen en
dingen steeds nieuwe sinten om de gunst van de mensen. Alleen Maria is in de
Lievevrouwkerk nooit vergeten geworden. Vóór 1500 genoot de H. Catharina er
eveneens een bijzondere verering. Wagenmakers, spinsters, naaisters en
breisters aanriepen haar. Vooral die laatste beroepen werden in de parochie
druk beoefend. Sint-Stefanus beschermde toen de zakkendragers, de boottrekkers
en kruiwageniers. De laatsten hadden het hier vooral druk met bier weg te
brengen. Koks en wie zich verbrand hadden, vielen de H. Laurentius te voet. De
H. Barbara was de toevlucht voor wie met springstof moest omgaan. Dus genoot ze
grote populariteit bij de mijnwerkers in het begin van de 20ste
eeuw. De H. Agatha hielp hij brand; in de tijd van de strodaken, lemen en
houten huizen moest ze dikwijls tussenbeide komen. Sint-Nicolaas patroneerde de
winkeliers. Vóór de verwoesting (1580) bezat de Lievevrouwkerk ook een grote
relikwie van hem.
483. Heiligen in de Lievevrouwkerk II
Tot Anna, grootmoeder van Jezus, namen de bejaarden hun toevlucht, de
aanstaande moeders, kantwerksters en lakenmakers. Pest, dysenterie, cholera
waren nog ver weg uit de buurt: dan moest Sint-Rochus helpen. Vóór 1500 hadden
al deze heiligen hun altaar in de Lievevrouwkerk, maar soms tegen een pilaar.
Na de verwoesting van 1580 kregen alleen Sint-Anna en Sint-Rochus hun altaar
terug. In 1805 haalde pastoor Van Hout Sint-Antonius naar de kerk, toen de
minderbroederskerk waar hij druk vereerd werd, afgebroken werd. Toen het
Sint-Vincentiusgenootschap op de parochie verscheen, kochten de bestuursleden
een beeld van hun patroon (1878). Een groep met de H. Familie kwam de
parochianen het heilig gezin van Nazareth voor ogen houden in 1880, in een tijd
dat het gezinsleven steeds meer in de verdrukking geraakte. Na zijn heiligverklaring
in 1888 kreeg Jan Berchmans natuurlijk een ereplaats in de Lievevrouwkerk. In
1925 kreeg hij gezelschap van een andere jeugdige heilige, de heilige Theresia
van Lisieux.
484. Theresia van Lisieux
Als jong meisje trad ze in bij de karmelietessen van Lisieux
(Frankrijk). Ze overleed aan tuberculose in 1897, toen ze pas 24 jaar oud was.
Theresia bereikte haar heiligheid via haar zogenoemde ‘Kleine weg’. Ze blonk
alleen uit door haar grote liefde tot Christus en de mensen. Met haar gebed en lijden
hoopte ze dat zondaars weer de weg naar de liefde van de Heer zouden vinden.
Haar jeugd en haar kloosterleven beschrijft ze in het beroemde boek
‘Geschiedenis van een ziel’. In 1925 verklaarde paus Pius XI haar heilig. Vóór
haar dood beloofde ze: ‘Ik zal een regen van rozen uit de hemel doen
neerdalen’. En: ‘Ik zal mijn hemel doorbrengen met goed te doen’. Die belofte
hield ze. De mensen hoopten dus vast op haar voorspraak, vooral in een tijd dat
de tering nog zo ongenadig toesloeg. Haar beeld mocht in de Lievevrouwkerk niet
ontbreken. Ook in processies was ze destijds een geliefde verschijning. Ze
wordt voorgesteld als een karmelietes (zwarte sluier, witte mantel, bruin
kleed) met een kruisbeeld en rozen. De allernieuwste aanwinsten in de
Lievevrouwkerk zijn het beeld van O.-L.-Vrouw van Fatima en van de H. Rita. Die
zullen we later behandelen, want ze dateren van na de Tweede Wereldoorlog.
485. Bezoek van koningin Elisabeth
Op 29 maart 1929 teisterde een mijngasontploffing de mijn van
Waterschei. Hierbij kwamen een dertigtal kompels om, onder wie F. Merckx uit de
Kruisstraat. Op tweede paasdag bezocht koningin Elisabeth het beproefde gezin.
De wagens van de vorstin en haar gevolg stopten even op de Grote Markt, waar
burgemeester Alenus haar begroette, en reden toen naar de woning van het
slachtoffer. De koningin omhelsde de weduwe en de vier kinderen, sprak enkele
troostwoorden en overhandigde een milde gift. Veel volk was samengestroomd en
juichte hare majesteit toe. De kinderen uit de buurt drumden naar voren om een
glimp van haar op te vangen. F. Merckx kreeg een plechtige dienst in de
Lievevrouwkerk, met grote toeloop en vele kransen. Iedereen was sterk onder de
indruk. Voor het beproefde gezin collecteerde de voetbalclub ‘Hoger op’ op zijn
terrein aan de gasfabriek. De nationale vakbond verleende 158 fr. steun.
486. Kerkzang I
In bijdragen 374 en 383 gingen we de muziek in
de Lievevrouwkerk na tot aan de Eerste Wereldoorlog. We volgen nu die
geschiedenis tot 1940. Pastoor Vandevelde ging de kerkzang fel ter harte. Hij
stelde een bundel liederen ter ere van Sint-Antonius van Padua samen, onder
andere ‘Si quaeris miracula’ (‘Als je mirakels zoekt’), ‘O sidus Hispaniae’ (‘o
roem van Spanje’ – de heilige stamde weliswaar uit Lissabon, maar bij zijn
geboorte was Portugal een deel van Spanje). Die liederen luisterden de gezongen
mis op dinsdag op, die soms een volle kerk trok. De pastoor vervaardigde ook
een boekje met de vespers en completen van de gedurige aanbidding. Met hoogdagen
werden deze gebeden uit het kerkelijke officie in de namiddag gezongen, wat men
nu nog alleen in kloosters aantreft.
487. Kerkzang II
In 1922 volgde August Gijpens onze organist en kapelmeester Adolf
Hermans op. De nieuwe titularis had aan het Lemmensinstituut gestudeerd en
componeerde onder andere de operette ‘Het Medaillon’, die in de Patria werd
opgevoerd. In 1926 hoorde men in de Lievevrouwkerk missen van Dumont, Haller,
Gounod, Moortgat. Bij de eerste communie in 1927 zong het koor onder zijn leiding
een vierstemmig Marialied van De Paillet. In 1928 nam Alfons Claes, het
schoolhoofd van de broederschool, achter het orgel plaats. Pastoor Vandevelde
overleed plots in 1930, maar de impuls die hij in zijn parochie aan de kerkzang
gegeven had, werkte nog lang na. Met Hemelvaart 1933 zong het koor de mis van
Perosi, onder orkestbegeleiding. Met Christus-Koning dat jaar schrokken ze niet
terug voor een achtstemmige mis van C. Verhulst voor orgel en orkest.
488. Kerkzang III
In 1934 weerklonk de Ceciliamis van Ch. Gounod voor vier gemengde
stemmen en orkest. De parochiale V.K.A.J. verleende haar medewerking.
Christus-Koning dat jaar bracht de mis ter ere van de H. Cyprianus van broeder
Basile. Met Allerheiligen weerklonk de hymne ‘Et ego Johannes’ van Gounod. Het
knapenkoor verzorgde dan telkens de moeilijke gezangen, eigen aan het feest.
Pasen 1935 bracht een mis van A. De Boeck. Tijdens de offerande weerklonk het
bekende Alleluja van Händel. Rond die tijd was Frans Pulinckx kapelmeester.
Naast de vermelde missen zouden er de volgende jaren af en toe speciale stukken
op het repertoire staan, zoals in 1938 het ‘Panis angelicus’ van Caesar Franck.
489. Crisis I
Rond 1929 slabakte het bedrijfsleven. Overal nam de werkloosheid toe.
Het juiste aantal in ons land kende men niet, alleen het aantal arbeidslozen
die zich daartegen hadden verzekerd. In 1934 bedroeg dat 403.373. In
werkelijkheid waren er misschien dubbel zoveel, want die verzekering was niet
verplicht. Men liet zich daarvoor inschrijven bij een kas van de vakbond. Ons
schijnt dat officiële getal van 403.373 misschien niet bijzonder hoog. Maar
bedenk dat het hier hoofdzakelijk mannen aangaf, want vrouwen namen toen nog
maar weinig deel aan de arbeidsmarkt. ‘De vrouw aan de haard’, was toen bij velen
het parool. Als aangeslotene ontving men in 1934 gedurende een bepaalde tijd
wekelijks 109 fr., minder dan het strikte minimum. Daarna hielp het nieuwe
‘Nationale Crisisfonds’, als men kon aanwijzen dat men behoeftig was. Wie
echter over andere inkomsten beschikte, hoger dan het bestaansminimum, kwam bij
de staat niet meer aan de bak. De wet verbood ook dat gemeenten of provincies
deze vergoeding wat aanvulden.
490. Crisis II
Prijzen en lonen zakten. Om verdere prijsdalingen tegen te gaan,
verbrandden sommige landen scheepsladingen van hun voortgebrachte koffie en
graan. Elders goten ze daarvoor de melk in de beek. Onze regering koos lange
tijd voor een sterke frank, zodat we goedkoop uit het buitenland konden
invoeren. Maar om daar zelf nog wat producten te kunnen afzetten, moesten onze
eigen prijzen en lonen naar omlaag. De index daalde voortdurend. Werklieden die
de wallen aan de Hasseltsepoort afbraken, trokken in 1935 3,5 fr. per uur. Een
ongeschoolde in de bouw verdiende 3,68 fr. Arbeidsters begonnen in 1937 met een
uurloon van 1,75 fr. Een keukenmeid moest genoegen nemen met maandelijks 300
fr., maar die genoot ook nog kost en inwoon. Al kostte een brood van anderhalve
kilo slechts 1,50 fr., toch waren velen blij als er ergens een bedeeld werd.
Armen uit de stad gingen bij de boeren een boterham schooien. Sommige diensten
reikten soep uit. Er werd armoede geleden!
491. Zuinig is de boodschap
Het was de tijd dat we nog met muntjes rekenden van 5, 10, 25 en 50
centiemen en met frankskes [ deze tekst werd geschreven voor de invoering van
de euro ]. Voor 25 centiem had men in 1935 al een zakje frieten. Voor 75
centiem kon men een glas bier bestellen, voor 1 frank een cervelaatworst. Tabak
Van der Elst 50 gr kostte 2 fr., een krant 35 centiem, maar hij was veel dunner
dan nu. Voor een pond gehakt betaalde men 4 fr. Een pond biefstuk stond 6 à 7
fr. genoteerd. Een pond spek niet veel minder: 5 à 6 fr., maar bij het bakken
kon men kostbaar broodsmeersel recupereren. Het mag goedkoop lijken, maar de
lonen waren navenant. Zuinigheid was de boodschap. De kranten namen geregeld
reclame op voor stroop, die naar ze beweerden even voordelig de boter verving,
zo voedzaam was en waarop de jeugd zo dol was. De prijs van de boter schommelde
om de 18 fr. voor 1 kilo. Voor wie echte boter onbetaalbaar was geworden en
reuzel te min, beloofde een margarinefabrikant: ‘La vie est belle et sans
souci, pour qui de Solo se nourrit’. In het Frans klonken die beloften zoveel
mooier, want vele mensen zagen het niet meer zitten.
492. Zuinig overal
Voor het tot je doordrong dat margarine het leven zorgeloze maakte,
moest je wel een mondje Frans kennen. Maar het Sint-Elisabethgasthuis heette in
Diest nog ‘Hôpital Civil’. Onze straatnaamborden waren nog tweetalig.
Veranderde een straat wel eens van naam, zoals de Nieuwstraat in Guido
Gezellestraat, dan kwam er een eentalig Nederlands naambord. Sommige raadsleden
hadden wel voorgesteld ze meteen allemaal eentalig te maken, maar de meesten
vonden dat het geld daarvoor beter voor sociale doeleinde besteed werd. Het
stadsbestuur wilde de mensen ook wat zuinigheid bijbrengen. Met carnaval 1932
verboden de vroede vaderen maskers te dragen om onbezonnen verteer af te
remmen. Veel mensen besnoeiden hun uitgaven spontaan. In 1935 bleef er maar één
danszaal over, terwijl men er in 1919 één aantrof op vijf herbergen. Na de
oorlog mocht men plots iedere zondag ban houden. In 1936 liet het stadsbestuur
wel maskers toe, maar men moest zich eerst op het politiebureau aangeven, 2 à 3
fr. betalen en dan kreeg men een nummer. De opbrengst ging naar het ‘Werk van
de Melk’, voor zuigelingen in arme gezinnen.
493. Lichtpunten I
Sinds 1930 brachten kinderbijslagen een beetje verlichting voor
loontrekkenden met een kinderrijk gezin. Zelfstandigen zouden hierop tot 1937
moeten wachten, toen onze economie reeds beter draaide. Met Kerstmis 1931
riepen onze bisschoppen de gelovigen op tot een kruistocht van christelijke
liefdadigheid. Wie nog niet onder de crisis te lijden had, vroegen ze soberder
te leven. In zijn encycliek ‘Caritati Christi’ wees Pius XI erop dat de mensen
moesten terugkeren tot de juiste verhouding tussen werken en rusten. Die was nu
zoek, tot groot nadeel van het economische en morele leven. De paus stond dus
enigszins een verkorting van de arbeidsduur voor, zodat meer mensen aan de
arbeidsmarkt konden deelnemen. Een deeltje van hun langere vrije tijd konden ze
dan besteden aan gebed, hulp van boven. In St.-Sulpitius vormden de
Vincentianen en Dames van barmhartigheid een hulpcomité. Die vrouwelijke tak
van het Vincentiusgenootschap bestond in Diest sinds 1928. Ze bezorgden vooral
ingezamelde kledingstukken.
494. Lichtpunten II
In de Lievevrouwparochie gaf het Vincentiusgenootschap in 1932 aan
bepaalde kinderrijke gezinnen een brood van 2 kilogram. Wegens de crisis ging
die steun zelfs tijdens de zomer door. Veel vermochten de Vincentianen niet,
want hun bedelsermoenen leden ook onder de crisis. Want voetbal en film hielden
de mensen uit het lof; daar kwam minder geld in de collectebus. In 1935 kregen
behoeftige kinderen vanwege milde schenkers driemaal per week een kosteloze
koffiemaaltijd in de grote zaal van Ons Huis op de Langesteenweg. De
vrouwengilde diende hierbij op; in 1936 voor 200 kinderen. Vele kinderen kwamen
immers nuchter naar school. Daarom wilden sommigen opnieuw de schoolsoep
invoeren in de gemeentescholen, maar dit voorstel werd verworpen. De stad
probeerde werklozen een baan te bezorgen bij de afbraak van de forten. Maar het
ministerie weigerde subsidie. Daarop ging de stad daarvoor een lening aan, die
ze zou afbetalen met de verkoop van gronden die na de sloop vrijkwamen,
bijvoorbeeld aan de huidige Koningin-Astridlaan. Diest was overigens de enige
gemeente in het kanton die werklozen een bijslag schonk.
495. Lichtpunten III
Tijdens de crisis besloten de kerkmeesters van de Lievevrouwparochie de
landpacht te verlagen, want ook de landbouwers klaagden steen en been. Ze
ontvingen nu 42 % minder voor hun varkens dan in 1929 en 70 % minder voor hun
aardappelen. Boter en eieren volgden dezelfde trend. In 1933 bood het plan-De
Man een sprankeltje hoop. Met een grootse campagne propageerde het een nieuw
beleid. Om de economie van het land gezond te maken, stelde het voor sommige
sectoren te nationaliseren en arbeidsplaatsen te scheppen door werken van
openbaar nut te laten uitvoeren. Het wou ook aan de boeren tegemoetkomen en aan
de bedreigde middenstand. In de grotere steden lokten immers nieuwe warenhuizen
als Priba, Uniprix en Sarma klanten met ongelooflijke prijzen. Om die standen
te bereiken, zegde het plan vaarwel aan de klassenstrijd. Dat nam iedereen in
de socialistische partij van De Man niet. Een geleide staatseconomie streek ook
de grote industriëlen tegen de haren in. Daarom kreeg het plan van De Man
nauwelijks een begin van uitvoering. De socialistische voorman kwam in Diest
zijn plan voorstellen in de Flora (de latere Century). Leden van de fietsclub
‘Het rode Wiel’ doorkruisten de dorpen met tussen hun spaken: ‘Plan De Man!’.
Enthousiasme was er genoeg.
496. Verschijningen I
In die sfeer van armoede en onrust zochten velen hun toevlucht tot een
hogere macht. Nood deed bidden. En ze kregen een teken. Tussen 29 november 1932
en 3 januari 1933 zagen vijf kinderen in Beauraing herhaaldelijk een witte dame
met blauwe gordel en gouden hart. De kranten stonden er vol van. De mensen
stroomden ernaartoe. Bij de laatste verschijning waren 25.000 personen
samengekomen, ook velen die alles met een kritisch oog bekeken. In januari en
februari 1933 zag een elfjarig meisje uit een arm gezin in Banneux Maria. Ze
stelde zich voor als de Maagd der armen. De Kerk sprak zich over deze
gebeurtenissen nog niet uit. Maar spoedig vertrokken er geregeld bussen uit
Diest naar deze Waalse oorden.
497. Verschijningen II
Weldra begonnen mensen uit verschillende plaatsen Onze-Lieve-Vrouw te
zien. Spotters ensceneerden zelfs verschijningen om vrome lieden voor het lapje
te houden. Zwakke geesten kregen waanvoorstellingen. De verwarring steeg ten
top. Wat moest men bij dit alles denken? De kerkelijke overheid reageerde zeer
gereserveerd. De toeloop naar sommige plaatsen keurden de bisschoppen
nadrukkelijk af. Naar oorden waar het bovennatuurlijke van de gebeurtenissen
niet vaststond, mochten de priesters geen bedevaarten inrichten. Maar de
verering van Maria te Beauraing en Banneux kreeg na ernstig onderzoek enkele
jaren later de kerkelijke goedkeuring. Vooral de devotie voor de Maagd der
armen liet overal sporen na in kapelletjes en beelden, zoals Lourdes dat gedaan
had. De bisschoppen wezen bij hun goedkeuring op de betekenis van deze
verschijningen: ‘Zowel in Beauraing als in Banneux heeft de Moeder van God ons
herhaald dat ze het verlossingswerk van haar Zoon blijft ondersteunen, door het
lijden te verlichten en zondaars te bekeren’.
498. Herstel I
In 1935 slaagde een regering waarin de drie nationale partijen van toen
zetelden, erin de economie in ons land uit het dal te halen. Ze devalueerde
fors de frank. Daardoor werden onze goederen aantrekkelijk voor het buitenland.
Onze export verdubbelde. De goedkope frank lokte ook veel buitenlanders naar de
Wereldtentoonstelling van Brussel dat jaar. Het aantal werklozen daalde tot
100.000. Het dagelijkse minimumloon bedroeg toen 32 fr. Arbeiders kregen
voortaan zes dagen vakantie met loon. Vroeger genoten alleen mensen in
staatsdienst en bankbedienden en werknemers van een erg sociale baas dit
voorrecht. De gewone man zag nu voor het eerst de zee en de Ardennen.
Radiotreinen brachten hen voor een prikje naar de mooiste plekjes. Via
luidsprekers kregen de reizigers inlichtingen over de bezienswaardigheden en
muziek. Muziek kreeg stilaan meer plaats in het leven dankzij de radio. Steeds
meer mensen konden zich zo’n toestel aanschaffen. Vanaf 1934 moesten werklozen
geen luistergeld meer betalen.
499. Herstel II
Voor een radiotoestel betaalde men nu reeds minder. Enkele prijzen uit
1934 in Diest voor thans verdwenen merken. Een F.N.R. met 7 lampen kostte 2350
fr., Radio Stokvis 2200 fr., N.S.F. 2450 fr., Radiobell 2650 fr. Maar daarvoor
moest een vader met het minimumloon 70 à 80 dagen werken! Zelfs in de
Begijnenstraat trof men toen twee radiowinkels aan! Een radio stoorde nog niet
het straatbeeld: er hoefde geen antenne op het dak, zoals achttien jaar later
met de beginnende televisie. Maar op plaatsen met druk verkeer was de muziek
soms ongenietbaar wegens vreselijk gekraak. Zoals nu de kabelmaatschappij
treffelijke beelden aflevert, zorgde een radiocentrale op de Grote Markt voor
een goede ontvangst bij de aangeslotenen via een leiding langs de gevels. Leden
konden platen of enkele zenders beluisteren. Vanaf 1937 stemden velen af op
Radio Loksbergen, een katholieke privé-zender voor Limburg en Oost-Brabant. De
zender stond in Loksbergen, maar de studio bevond zich in Diest aan de
Turnhoutsebaan. De directeur, G. Keersmaeckers, zou later omkomen in het
verzet.
500. Langs de straten I
Het was de tijd dat de ringlaan rond Diest nog niet bestond. Alle
verkeer moest dus de stad doorkruisen. Alhoewel nog veel besteld werd met
handkarren, bakfietsen, bestel- en bierwagens met paardentractie, groeide het
gemotoriseerde verkeer gestaag. Reden er anno 1920 in België nog maar 20.000
motorrijtuigen, dan circuleerden er in 1930 reeds 160.000 personen- en
vrachtwagens en autobussen. Nieuwe verkeersregels probeerden dat alles in goede
banen te leiden. Het politiereglement van Diest bepaalde in 1930 dat auto’s en
motoren in de stad slechts tegen 12 km per uur mochten rijden. Aan het
kruispunt van de Leuvensestraat met de Botermarkt regelde een agent het
verkeer, evenals op de Grote Markt. Aan de Christusogen zorgde een spiegel voor
meer veiligheid. In 1934 legde de minister op dat auto’s voortaan met een teken
te kennen moesten geven dat ze van richting veranderden. Fietsers moesten
voortaan een rood achterlicht hebben. In 1937 kreeg het kruispunt aan de
Botermarkt een verkeerslicht, de hoek van de Koning-Albertstraat en de
Schaffensestraat een jaar later.
501. Langs de straten II
De Schaffense- en de Koning-Albertstraat floreerden. Buitenlieden
troffen in eerstgenoemde maar liefst twee zaadhandels: een Kempense en een
Brabantse. De straat was een goudmijn voor slagers en bakkers. Een garage
verkocht er – het zal wel eens voorgevallen zijn – onze nationale trots: auto’s
Minerva. Maar ook in volle stad, in de Overstraat, Hasseltsestraat en elders
ontbrak het niet aan garages van bekende merken. Niet dat die al in het bereik
waren van de gewone man. Voor een goedkoop Belgisch merk, Imperia, dokte men in
1938 26.900 fr. af. Meer indruk maakte men natuurlijk met een Chevrolet
cabriolet. Die kostte 45.000 fr. in 1935, zoveel als een nieuwe arbeiderswoning
met alle comfort van toen. Sinds 1922 bezochten de Diestse socialisten in de
Schaffensestraat hun Volkshuis en coöperatieve winkel. In 1931 openden ze er
hun feestzaal. Aan koffiebranderij Stroobants kruiste een stoomtram de straat,
op weg naar het station. De trams vertraagden en de jeugd liet zich een tijdje
meerijden op de treeplank, niet altijd zonder ongevallen. Sinds 1932 reden er
op de lijn naar Koersel motorwagens, die hun doortocht met een herhaald poeha
aankondigden. Zo’n snelle dieseltram bracht de reiziger in 65 minuten van Diest
naar Leuven.
502. Langs de straten III
In de Bruidstraat brachten een paar kruidenierswinkels nog een karige
bijverdienste. Hier en ook elders in de stad woonden er nog landbouwers en
tuiniers. Wie aardappelen teelde, leefde met de vrees dat ook in Diest de
coloradokever zou opduiken en de struiken kaal vreten. Als men er een vond,
moest men dat in 1936 bij de burgemeester melden. Deze bracht dan per telegram
de minister van landbouw op de hoogte. Anno 1938 ontdekte men in Diest het
eerste exemplaar aan de Leuvensepoort. De strijd kon beginnen. Vele Diestse
senioren hebben in de Overstraat nog de kliniek van dokter P. Van de Kerkhof
gekend. De neogotische Kredietbank heette nog Volksbank. Spreuken in de
gebrandschilderde ramen van de lokettenzaal riepen de cliënteel op bedachtzaam
met hun geld om te springen. Dan volgden de middelbare school voor jongens en
voor meisjes. De stedelijke scholen voor basisonderwijs liepen stilaan leeg,
omdat je daar bijna gratis middelbaar onderwijs kon volgen. Er was groot gebrek
aan klassen om dat op te vangen. Voor de jongens werden er in 1933 elf moderne
lokalen aanbesteed op de Veemarkt. De meisjes echter zouden nog lang in de
gebouwen huizen, waar in de 19de eeuw nog bejaarde armen een
onderkomen hadden gevonden.
503. Langs de straten IV
Een kant van de Veemarkt was nog afgelijnd met lage huisjes. Vele
veekooplui kwamen er ’s woensdags een opkikkertje gebruiken. In die tijd waren
er geen ijzeren staven genoeg om de koeien aan te binden. Sommige kooplui
brachten iemand mee om het vee vast te houden. Grotere schooljongens verdienden
zo soms wat zakgeld. De Zevenweeënstraat was toen veel smaller. Er moest nog
geen verkeer naar de ringlaan. Na de Tweede Wereldoorlog werd ze verbreed,
doordat men de bakstenen warandemuur afbrak en een stukje afnam van de erfenis
van dokter Verstappen. Er kwamen een lage omheining en nieuwe kapelletjes. De
Vestenstraat wachtte tot 1932 op een riolering. Maar het stiefkind was de F.
Allenstraat: die was in 1939 nog niet gekasseid. Zonder de fabriek ‘Allard’
betekende ze een verloren hoek, want het nieuwe atheneum verrees er pas na de
Tweede Wereldoorlog. Grotere drukte heerste er in de nauwe Antwerpsestraat. Aan
de kant van de fortificaties stonden ook nog huizen. Het verkeer uit richting
Veerle naar Tessenderlo en Beringen moest nog onder de Schaffensepoort duiken.
Wel werden er reeds plannen gemaakt voor een rechtstreekse verbinding buiten de
stad, maar de uitvoering startte slechts onder de Duitsers.
504. Langs de straten V
Voorbij de Fonteingang met zijn sigarenfabriek waren de schilderachtige
huisjes met hun puntgevel nog niet verdwenen in de Begijnenstraat. De jongens
van de stedelijke basisschool en van de broederschool in de Kruisstraat
brachten er nog veel leven. De psychiatrische inrichting van de Grauwzusters
was nog zeer bescheiden, maar ze bood ook onderdak aan een kraaminrichting. In
de M. Theysstraat stroomde nog de Verversgracht. De brouwerijen Ooms, Duysters,
Cerckel brouwden nog hun Gildebier, Kerelsbier, Kerstbock, Super-Diest, Dortox,
Galapils, limonade Bola. De St.-Jozefskliniek beperkte zich tot een grote
burgerwoning tegen de straat. De Koning-Albertstraat trok vele kooplustigen. Verdwenen
zijn er het complex van de katholieke arbeidersbeweging, Ons Huis, met zijn
feestzalen, café, diensten, Welvaartswinkel. Het atheneum vond er ook onderdak
– bij manier van spreken – in het versleten voormalige cellenbroedersklooster.
Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde het naar betere oorden aan het
Weerstandsplein. Over de post spreken we in volgende bijdragen.
505. Post en telefoon I
Na vele omzwervingen in de stad, onder meer langs de burgerlijke
godshuizen in de Overstraat, waar later de rijksmiddelbare meisjesschool kwam,
langs ‘De Haan’ op de Grote Markt, werd er voor de post in 1901 eindelijk een
treffelijk kantoor gebouwd in de Koning-Albertstraat. Het ranke torentje was
geen fantasietje. Via deze openingen liepen de luchtleidingen van de telefoon
naar de centrale die in hetzelfde gebouw werd aangebracht. Communicatie
gebeurde toen nog hoofdzakelijk per post. De post werd zelfs tweemaal daags
bezorgd en de krant ook op zondag besteld. Tussen 1930 en 1941 schommelde het
port voor een brief van 70 centiem in 1930 tot 75 centiem in 1938 en 1 frank in
1941. In 1930 telde ons land nog maar 224.805 telefoonaansluitingen, Diest
volgens het telefoonboek ongeveer 160. Maar de Diestse centrale bediende ook
Assent, Bekkevoort, Engsbergen, Halen, Kaggevinne, Meldert, Molenstede,
Schaffen, Zelem. In Diest kon men rechtstreeks verbonden worden met Aarschot,
Brussel, Hasselt, Leuven. Voor andere oproepen, bijvoorbeeld Antwerpen, moest
de centrale eerst een andere centrale uit de omgeving opbellen om de oproep
door te verbinden. Alle aansluitingen gebeurden nog handbediend. Omdat de zone
Diest niet belangrijk was, bestond er nog geen nachtdienst.
506. Post en telefoon II
Afgaande op de telefoonnummers was de verffabriek Mathijs uit Zelem de
eerste aangeslotene van de zone Diest. Hommelen, koloniale waren op de
Botermarkt, kreeg nummer twee, brouwer Maris – Van Nitsen in de Proosdij nummer
drie. Betekende dit dat deze abonnees het eerst waren toegetreden of gebruikte
men een ander criterium voor de nummering? Het hoogste nummer was 228. Deken Du
Bois en pastoor Lens beschikten nog niet over een toestel. Maar ook het
atheneum en het college en andere scholen kon men nog niet telefonisch
bereiken. Dokters, notarissen, banken, nijverheden, het gasthuis, de alexianen,
het gemeentebestuur en de politie schatten dit communicatiemiddel reeds naar
waarde. Gewone mensen konden het zich nog niet permitteren. Maar zij konden nog
in de post terecht tussen 8 en 12 en tussen 14 en 18 uur. Een tweede centrale
in het primitieve station was open van 7 tot 21 uur.
507. Gouden bruiloften I
Zeldzaam waren echtparen die vroeger hun gouden en diamanten bruiloft
mochten vieren. De mensen huwden later en stierven jonger. Maar iedereen leefde
toen meer verbonden met elkaar: toerisme begon pas. Voor verzet was je
aangewezen op de eigen gemeente: met de kermis, het toneel, de
wielerwedstrijden, het voetbal. Het werd intenser beleefd. Bij gouden
bruiloften leefde de hele buurt mee. In volgende bijdragen genieten we mee met
sommige jubilarissen uit de parochie van vóór 1940. In 1905 feestte de
Schaffensestraat om Jan Haesevoets en Coleta Verboven. Om 9 uur woonden ze de
dankmis bij in de Lievevrouwkerk. De hele straat was versierd met praalbogen en
duizenden ballonnetjes. Alle huizen vlagden. ’s Avonds lokte een feestelijke
verlichting met kaarsjes en vetpotjes veel volk. De Koninklijke Harmonie en de
fanfare Sint-Cecilia brachten een serenade. Ook twee zangverenigingen deden
mee: het ‘Lyrisch Zanggenootschap’ en Concordia. Een prachtig vuurwerk sloot de
feestelijkheden af.
508. Gouden bruiloften II
In 1911 huldigde de Schaffensestraat de echtelingen J. Moestermans –
Vaes. Weer overal praalbogen, vlaggen en jaarschriften. Weer kwamen de fanfare
en de harmonie ’s avonds spelen. Maar ditmaal verliep het niet zo vreedzaam. In
de stad heerste toen een gespannen politieke sfeer. De harmonie speelde het
strijdlied en het Vrijheidslied, dat Raf Verhulst had gedicht toen Diest een
halve eeuw liberale meerderheid had gevierd: ‘Naar Diest, naar Diest, de groene
vest. Oase nog in zandwoestijn!’ Vooral het refrein werd een meezinger: ‘Voor
vrijheid, voor vrijheid van geest en van gedacht!’ Burgemeester Robeyns en
katholieke raadslieden die ook hun opwachting maakten, werden uitgefloten. Wat
later kwam de oorlog. De lust en het geld om te feesten ontbraken. Er
verschenen ook geen plaatselijke weekbladen om de jubileums te verslaan.
Bovendien zagen de Duitsers manifestaties van het volk met lede ogen aan, want
die groeiden telkens uit tot gelegenheden om zijn vaderlandsliefde te luchten.
509. Gouden bruiloften III
Op 5 april 1926 waren Frans Luyten en Maria Rodet uit de Bruidstraat
vijftig jaar gehuwd. Een interessante toelichting die toen nog voor vele
bejaarden gold: Frans had reeds vanaf zijn tiende aan de bouwwerf van de forten
rond Antwerpen gewerkt. Na een mis in de Lievevrouwkerk werd het paar op het
stadhuis ontvangen en het kreeg er twee zetels. De Bruidstraat was prachtig
versierd met boompjes, praalbogen en jaaropschriften. De nieuwe elektrische
verlichting gaf aan het geheel een ongekende glans. De Koninklijke Harmonie,
Sint-Cecilia en de nieuwkomer, de harmonie ‘Vermaak na Arbeid’, brachten er hun
muzikale hulde, evenals twee koren. De viering van Justin De Coster – Keuninckx
uit de Bruidstraat in 1927 verliep volgens hetzelfde schema. In juli 1929 kwam
het echtpaar E. Gerst – Corten met een koets naar de kerk langs de versierde
Antwerpse- en Schaffensestraat. Na de gebruikelijke serenade werd er ’s avonds
een vuurwerk afgestoken. Jules Van Hoof en Pauline Clerx uit de
Pesthuizenstraat vierden hun gouden bruiloft anno 1930 in bescheiden kring. De
crisis stak op. Maar de mis in de kerk en de serenade van de muziekverenigingen
ontbraken niet.
510. Gouden bruiloften IV
Frans Luyten en Marie Rodet konden in 1936 nog hun diamanten bruiloft
vieren. De stad zorgde voor een beiaardconcert, de Lievevrouwkerk voor een
meerstemmige jubelmis met orkest. Op hun tocht naar het stadhuis ging een
gekostumeerde stoet de jubilarissen vooraf. De hele wijk was versierd en verlicht.
Op dat ogenblik telde Diest reeds vier muziekverenigingen: de Koninklijke
Harmonie, St.-Cecilia, Vermaak na Arbeid en de jongste aanwinst, de ‘Peter
Benoitkring’. Zij zorgden voor de muzikale noot. Natuurlijk ontbrak het
volksbal niet. Tot laat in de nacht weerklonken de populaire deuntjes van toen:
‘Daar bij die molen’, ‘Twee ogen zo blauw’, ‘Regendroppels’. Ook de andere
wijken van de stad volgden bij hun hulde aan gouden en diamanten jubilarissen
hetzelfde stramien. Tussen 1930 en 1940 mochten steeds meer deze gelukkige
dagen beleven. Bij ons weten sloten Frans Rodet en Rosalie Oeyen uit de
Bruidstraat in april 1939 het rijtje af tijdens de behandelde periode.
Bruidstraat en Grauwzustersstraat hadden weer hun beste beentje voorgezet. Eind
augustus dat jaar begon de mobilisatie en hing een nieuwe oorlog in de lucht.
Het hoofd stond niet meer zo op feesten.
511. Gouden priesterjubileum
Waren gouden bruiloften destijds eerder zeldzaam, dat een priester de
50ste verjaardag van zijn wijding nog in eigen parochie kon vieren,
viel nog minder vaak voor. In november 1907 mocht de pastoor van de
Lievevrouwparochie, Franciscus Oliviers, dat beleven met de uitzonderlijke
assistentie van kardinaal Mercier. De pastoor had hem nog zijn eerste lessen
Latijn gegeven en de jongen had zijn mis gediend (zie nr.
340). De fanfare Sint-Cecilia en de kinderen van de parochie haalden de
jubilaris af aan de pastorie. De jongens droegen Belgische vlaggetjes, de
meisjes bloemen en planten. Er stapte ook een rij herdertjes mee. De meeste
huizen vlagden. Pastoor Oliviers had een aangenaam karakter en hield van zijn
mensen. In de prachtig versierde kerk had de kardinaal plaatsgenomen op een
troon. Hij hield een feestsermoen in het Vlaams. Het parochiekoor zong de
veelstemmige mis ‘In nomine Jesu’ van Jos Vrancken onder leiding van Adolf
Hermans. Na de mis overhandigde de kardinaal een zilveren relikwie van
St.-Franciscus van Sales (patroon van de jubilaris) aan de pastoor. De
Mariacongregatie schonk een kazuifel. En de pastoor liet brood uitdelen aan de
armen. Op rust in Diest mocht hij nog zijn 65 jaar priesterschap vieren.
512. Installatie van nieuwe pastoors I
Vroeger bleven pastoors lang in dienst. Ze werden in de
Lievevrouwparochie steeds bijgestaan door jeugdige onderpastoors en konden
rekenen op de hulp van de kruisheren en de leraars van het college. Voor de
hele 19de eeuw volstonden vijf titularissen: P. Van Hout (reeds
sinds 1794), G. De Groot, H. Timmermans (door een hartkwaal geveld), Fr. Vervoort
en Fr. Oliviers. Die nam pas ontslag in 1912. Werd dus ergens een nieuwe
pastoor benoemd, dan ging dit niet ongemerkt voorbij. Aan de grens van de
parochie, gewoonlijk aan de Antwerpsestraat, want sinds 1865 kon men naar Diest
sporen, stond dan een triomfboog. Langs bevlagde en versierde straten reed de
nieuwe herder in een koets naar de kerk. Een hele stoet ging vooraf: katholieke
fanfare, turnvereniging, boerenbond, patronaat, arbeidersverenigingen,
congregaties, genootschap van de H. Familie, broederschappen. Op andere
plaatsen groeide dit uit tot een echte optocht met gekostumeerde groepen en
wagens die de taak van de pastoor uitbeeldden. Een heuglijk evenement!
513. Installatie van nieuwe pastoors II
Op 13 mei 1912 werd Ernest Van de Velde plechtig in de
Lievevrouwparochie aangesteld. Als onderpastoor van de Lievevrouwkerk te Tienen
had hij nog gediend onder de jongere broer van zijn voorganger Oliviers. Hoe
een dubbeltje rollen kan! In Tienen was hij proost geweest van de Xaverianen,
met hun fanfare en gymnastische afdeling. Aan het postkantoor, waar de parochie
begint, bood het dochtertje van postmeester Van der Molen hem een ruiker
bloemen aan. Een stoet van 82 maagden, een herder met zijn lammetje, St.-Jan
Berchmans, katholieke verenigingen uit Diest en Tienen brachten hem naar de
kerk. Aan de ingang overhandigde de dochter van kerkmeester Bruyninckx hem de
sleutels en getuigde in naam van de jeugd van wat een pastoor voor hen
betekende. Het viel op dat de aanwezigen in de kerk het ‘Veni Creator’
meezongen, het gebed tot de H. Geest. Het parochiale kinderkoor verzorgde het
Mariagezang voor de paastijd, ‘Regina Coeli’. Dan las een getuige de
benoemingsbrief voor. Deken Verstrepen leidde de nieuwe pastoor naar de
doopvont, biechtstoel, kansel, tabernakel en communiebank, waar hij zijn ambt
zou uitoefenen. Tijdens de receptie in de Patria was de nieuwe pastoor
aangenaam verrast daar ook door burgemeester Robeyns en gemeenteraadsleden te
worden begroet. In Tienen waren de verhoudingen met het stadsbestuur toen meer
gespannen.
514. Installatie van nieuwe pastoors III
Pastoor Van de Velde overleed plots in november 1930. E.H. Jan Lens,
doctor in de natuur- en wiskunde, volgde hem op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog
was hij aalmoezenier geweest bij de Zwarte Duivels, fietsers bekend om de
verrassende aanslagen die ze aan de vijand toebrachten in het begin van de
krijgsverrichtingen. Op zondag 14 december werd hij plechtig aangesteld. Met
strooibiljetten wakkerde het feestcomité de mensen aan om pastoor Lens goed te
onthalen: ‘Parochianen van Onze-Lieve-Vrouw, onthaal uw nieuwe herder op
hartelijke en geestdriftige wijze! Bevlag uw huizen, versier uw gevels met
jaarschriften, vooral in de straten waar de stoet doortrekt’. Ook vroeg het op
14 december eens te communiceren en die communie aan Maria Onbevlekt Ontvangen
aan te bieden, opdat pastoor Lens in zijn opdracht zou slagen. De gelovigen
gingen toen nog niet zo vaak te communie, want meestal ging daar de moeilijke
karwei van de biecht aan vooraf.
515. Installatie van nieuwe pastoors IV
E.H. Lens werd aan de Antwerpsepoort afgehaald. Een lange rij
schoolkinderen en verenigingen bracht hem door de Antwerpsestraat, de
Schaffense-, de Koning-Albert-, Paal-, Over- en Bruidstraat, langs de
Zevenweeën-, Kruis- en Begijnenstraat, door de hele parochie dus, naar de kerk,
voor de aanstelling door deken Dubois. Dit keer kon de feestzitting op eigen
territorium gebeuren: in de zaal van de christelijke sociale werken, Ons Huis,
in de Koning-Albertstraat. De voorzitter van de kerkfabriek maakte van zijn
toespraak gebruik om het gemeentebestuur te vragen, dat het tussenbeide zou
komen bij het herstel van het kerkdak. Hij wees ook op een betere afsluiting
van het parkje langs de Begijnenstraat. De tand des tijds en de ravottende
jeugd hadden daar reeds lelijk toegeslagen. De beginnende recessie zou hier
echter stokken tussen de wielen steken. Het duurde nog jaren vóór die wensen in
vervulling gingen. Maar toen onze economie weer wat opleefde, in 1935, werd de
onooglijke afsluiting weer toonbaar. Niet toevallig in het jaar van de
Wereldtentoonstelling van Brussel: België en Diest verzorgden hun etalage!
516. Herstel van het kerkdak
Maar liefst 2000m² dak van de Lievevrouwkerk moest dringend worden
vernieuwd. De uitvoering werd op 166.500 fr. geraamd. Een frank was toen nog
geen onooglijk muntje (zie nrs. 490-491). Toch besloot de kerkfabriek in 1931
door de zure appel te bijten. De parochie moest zelf de helft van de uitgaven
dekken. Voor de rest zouden het rijk, de stad en de provincie tussenbeide
komen, maar de provincie zegde haar bijdrage af. Het aandeel van de parochie
zelf lag zomaar niet in een laatje te rapen. In 1934 lieten de kerkmeesters in
de stad een inschrijvingslijst circuleren. Destijds een beproefd middel om
fondsen te verzamelen, want op zulk een open lijst wilde niemand zich blameren.
Ze bracht 33.250 fr. op, ondanks de crisis. Het ontbrekende werd bij het
Gemeentekrediet geleend. Die som hoopte het kerkbestuur met Vlaamse kermissen
te kunnen afbetalen. In 1935 kreeg Frans Van Schoubroeck het werk toegewezen en
hij startte op 22 juli.
517. Vlaamse kermissen I
Omdat men er iets terugkrijgt, houden de mensen op een Vlaamse kermis –
het kind heeft vele namen – de hand minder strak op de knop van hun geldbeugel.
Dat wisten ze in Diest reeds lang vóór de Eerste Wereldoorlog (zie nr. 298). In die tijd, toen gevoel en verbeelding
troef waren, vonden velen het zalig eens de prachtige parken van brouwer Pieck,
notaris Van Assche, rentenier Denis Verstappen en anderen te betreden. Voor
haar eigen Vlaamse kermis kon de Lievevrouwparochie daarom nergens beter
terecht dan in de tuin van de voormalige pastorie in de M. Theysstraat (thans
politiebureau). De oudere Diestenaars hebben die nog in zijn volle glorie
gekend. In 1605 had pastoor Emmerick dit perceel met woning geërfd van een
weldoenster. De vroegere pastorie naast de kerk was immers tijdens de troebelen
van 1580 vernield. Het huidige gebouw van rond 1760 is van de hand van de Antwerpse
kunstenaar Frans Somers, die in 1754 het beeldhouwwerk van het hoofdaltaar van
de parochiekerk had vervaardigd (zie nrs. 97 tot 102).
518. Vlaamse kermissen II
Nu nog ziet men de lange voortuin die van de straat naar het huis
leidt. Maar achter de pastorie lag een uitgestrekt goed dat tot aan de Demer
reikte. Vóór de Franse revolutie verhuurden sommige pastoors een groot stuk aan
een tuinier, die naast de pacht ook nog groenten en fruit afleverde. Tot aan de
Franse overheersing bediende een witheer van Tongerlo de Lievevrouwkerk.
Kloosters onderhielden toen beduidend meer vleesloze dagen dan de gewone
gelovigen. Daarom bezat de pastorie ook een vijver, die de nodige vis bezorgde.
Overigens was het goed een mengsel van moestuin, boomgaard en lusthof met
bruggetjes, bloembedden, bomen, struiken en kronkelpaadjes. In dergelijk park
verwachtte men cupido’s en andere voorstellingen uit de Oudheid. In het park
van de pastoor prijkte een St.-Franciscus in terracotta. Vroeger had hij de
tuin van het minderbroederklooster in dezelfde straat gesierd (gewezen
brouwerij Cerckel). Maar de Fransen hadden dat klooster van de kaart geveegd.
Nu zat deze grote natuurvriend, die voor vogels en vissen had gepreekt, rustig
te mediteren in het groen van de pastorietuin.
519. Vlaamse kermissen III
De tuin van de voormalige pastorie van de Lievevrouwparochie bood dus
de geschikte omgeving om een liefdadigheidsbazaar in te richten. Een eerste had
plaats op 22, 23 en 24 augustus 1936. De prijzen van de onvermijdelijke tombola
kon men achteraf afhalen in het zaaltje van het patronaat naast de kerk. Over
dit lokaal handelen we later. Over de Vlaamse kermis van 1937 beschikken we
over meer gegevens. Men kon er deelnemen aan een koers voor konijnen, een ballonwedstrijd,
vissen, tombola, of het poppenspel bekijken en wat gebruiken in de cafetaria.
Ondanks de beslommeringen om de Berchmansfeesten zag men in 1938 niet van het
parochiefeest af. In 1939 was er weer een Vlaamse kermis gepland, maar toen
stak de mobilisatie stokken in de wielen: alles werd afgelast. De verkoop van
de loterijbriefjes was echter reeds aan de gang. Wie reeds een lotje gekocht
had, kwam er nochtans niet bedrogen uit. De trekking zou op de tweede kerstdag
gebeuren, toen de nieuwe parochiezaal ingewijd werd. Hoeveel deze feesten in
het laatje brachten voor de afbetaling van het kerkdak, weten we niet.
520. Berchmansviering 1938 I
In 1938 herdacht Diest dat Sint-Jan vijftig jaar geleden heilig was
verklaard. In de dertiger jaren van de vorige eeuw genoot de heilige Diestenaar
nog een zekere belangstelling vanwege de katholieke studerende jeugd. Op zijn
sterfdag in augustus pelgrimeerden duizenden scholieren en studenten naar Diest
en Scherpenheuvel. Soms werden ze daar onthaald op een spreekkoor, zoals in
1935 op ‘Jeugdlitanie’. Pater Jozef Boon, bekend om zijn massaspelen als het
Heilig-Bloedspel te Brugge, had het geschreven. Zijn leerlingen uit het college
van Essen en de K.S.A. van Diest voerden het op. Arthur Meulemans, dirigent bij
de nationale omroep, componeerde en begeleidende muziek voor beiaard voor.
Sint-Jan had ook nog een ruime plaats in het hart van vele Diestenaars. Gewone
mensen overhaalden het feestcomité tot grootsere dingen dat dit aanvankelijk
gepland had, bijvoorbeeld een historische praalstoet. Een wat luisterrijke
processie zou vlugger in elkaar gestoken zijn met de reeds bestaande
processiegroepen.
521. Berchmansfeesten 1938 II
Het feestcomité maakte kundig gebruik van de toenmaals moderne
veroveringen als elektriciteit, radio, film en pers. E.N.B., de
elektriciteitsverdeler, zou stroom leveren tegen een verminderd tarief en
ervoor zorgen dat een sterk verbruik vlot kon verlopen, want ze zou kwistig
omgesprongen worden met deze nieuwkomer uit 1924. In de grote straten verrezen
lichtzuilen met natuurlijke bloemen en planten. In de Schaffensestraat
bijvoorbeeld waren er sobere pijlers, bekroond met palmboompjes. De
Sulpitiuskerk, het stadhuis, het Spijker, het huis van Oranje, de
begijnhofpoort, de Ezeldijkmolen baadden onder het licht van sterke
schijnwerpers. Boven de Schaffensepoort straalde een reusachtig kruis. Radio
Loksbergen zond de voornaamste plechtigheden uit; het N.I.R. bracht reportages.
Voor het bioscoopjournaal werden opnamen van de versiering en de plechtigheid
gedraaid. De pers versloeg breed de verschillende manifestaties, ook de
buitenlandse als De Maasbode, Le Matin, Le Journal de Roubaix, de Osservatore
Romano.
522. Berchmansfeesten 1938 III
Diest verwachtte een massatoeloop. Er waren vijf grote bewaakte
parkeerplaatsen voorzien voor 1400 voertuigen, o.a. één op de speelplaats van
de huidige Warandeschool. Zoveel auto’s zullen er wel niet verwacht zijn: de
fiets was nog het populaire verkeersmiddel. Het Rode Kruis zorgde voor drie
hulpposten bij gebeurlijke ongevallen. In ons verslag over de plechtigheden
beperken we ons tot enkele opvallende gebeurtenissen. Van overal waren
relikwieën van Sint-Jan samengebracht in de kerk van Kaggevinne. Die was in
1923 voltooid en toegewijd aan de jongen die daar zo dikwijls in de buurt
gepasseerd was op bedevaart naar Scherpenheuvel. De avond van 12 augustus
bracht een indrukwekkende fakkeltocht de relieken naar de St.-Sulpitiuskerk.
Frans van Immerseel had daarvoor een praalwagen ontworpen: een gouden zuil met
nissen voor de relieken, geflankeerd door vier zilveren engelen van beeldhouwer
Albert Poels. Het geheel verried meesterhanden!
523. Berchmansfeesten 1938 IV
Op zaterdag 13 augustus bracht de jeugd op een reusachtig podium op de
Grote Markt het massaspel ‘Heilige van Droom en Daad’. Marcel Brauns s.j. had
de tekst geschreven en Antoon van de Velde voerde de regie. Hij genoot grote
bekendheid met zijn toneelstukken Tijl en Radeske en maakte nog meer naam als
regisseur van massaspelen, zoals het Heilig-Bloedspel te Brugge. Op 14, 15 en
21 augustus gingen de praalstoet en de processie uit. Ze bestonden uit 27
groepen en 11 praalwagens. Binnen het bestek van deze parochiekroniek kan het
niet de bedoeling zijn al dat heerlijks te beschrijven, maar een paar groepen uit
de Lievevrouwparochie roepen we wel in herinnering. Het wijkcomité van de
Schaffensestraat beeldde het ambacht van de leerlooiers uit, waartoe vader
Berchmans behoorde. De eikenschors om huiden te looien lieten ze malen in de
Ezeldijkmolen.
524. Berchmansfeesten 1938 V
De Koning-Albertstraat bracht Arnold IV tot leven. Deze heer van Diest
had de kapel aan de boet van de Warande, waar de burchtbewoners de mis
bijwoonden, aan de abdij van Tongerlo geschonken. Ze groeide uit tot de
Lievevrouwkerk. Ook het begijnhof dankt zijn ontstaan aan hem. Maar in de stoet
kreeg deze heer een meer spectaculaire rol: te paard in het gezelschap van
andere edelen voor de jacht, met helpers, drijvers en een meute honden. Andere
groepen evoceerden o.a. de lakenhandel, wijnteelt, de ziekenzorg, het
begijnhof. Sint-Jan had mensen van verschillende gezindheid weer
bijeengebracht. In de processie viel een afdeling van 115 Nederlandse
Graalmeisjes op met hun ruime mantels, grote hoeden met brede rand en veertig
vaandels. Deze meisjesorganisatie trok overal de aandacht met haar stijlvol,
spectaculaire optreden, bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse stille omgang in
Amsterdam en hun Pinksterfeest aldaar. Ook de rest van de processie leefde
dankzij zingende en palmen wuivende engelen uit Hanswijk, Scherpenheuvel,
Maastricht en Kaggevinne. Diest deed er inspiratie op voor toekomstige
sacramentsprocessies.
525. Berchmansviering 1938 VI
Op 15 augustus kwam de Katholieke Turnersbond hulde brengen aan de
jeugdheilige. Om 10 uur droeg pastoor Lens voor hen de mis op. De
Lievevrouwkerk was te klein. Onder leiding van Fr. Pulinckx zong het
parochiekoor de mis van A. De Boeck voor knapen en mannen. Tijdens het
offertorium weerklonk het bekende Panis Angelicus van C. Franck. Na de mis
defileerden een duizendtal turners met hun vlaggen voorbij het geboortehuis van
Sint-Jan. ’s Namiddags stapten ze in de praalstoet voor de wagen met relieken.
Toen de duisternis inviel, vergastten ze de talrijke kijklustigen op fijne
balletten en halsbrekende oefeningen. Kleurrijke lichteffecten maakten de
uitvoering nog fantastischer. Heel die tijd ontbrak het niet aan culturele
manifestaties. Op zondag 14 en 21 augustus konden de mensen ’s avonds op de
Grote Markt genieten van de Jubelcantate die Edward Vereydt, vóór de Eerste
Wereldoorlog organist van St.-Sulpitius, in 1921 gecomponeerd had ter ere van
Sint-Jan. E.H. J. Maes, godsdienstleraar aan het atheneum, schreef de tekst.
Een groot orkest met bazuinen en trompetten begeleidde het koor (samen 250
uitvoerders) onder leiding van M. Troosters. Woensdag die week bracht het
befaamde Vlaamse Volkstoneel onder Staf Bruggen het stuk ‘Kinderen van ons
Volk’ van A. Coolen, dat toen furore maakte. Augustus 1938 zou lang in het
geheugen leven!
526. Het patronaat I
In nrs. 385 tot 399 schreven we over de eerste
patronaten in Diest. Na de Eerste Wereldoorlog sloegen de activiteiten met de
jeugd andere richtingen in. Nieuwe bewegingen voor specifieke doelgroepen zagen
het licht in Diest, o.a. scouts, K.A.J. en K.S.A. Maar welmenende mensen bleven
een oog hebben voor de talrijke niet-georganiseerde jeugd, zowel in de
St.-Sulpitius- als in de Lievevrouwparochie. Het patronaat van laatstgenoemde
gebruikte de tuinen die de kerkfabriek bezat achter de eerste huizen van de
Bruidstraat. Sinds lang stond er ook een klein lokaal langs de Begijnenstraat,
waar nu Club Tijl is. In de dertiger jaren van vorige eeuw stond het ’s zondags
open voor de oudere jongens, de vrije namiddag op donderdag voor de meisjes. De
onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouw, de kapelaan van het begijnhof en
vrijwilligers hielden het draaiend. De Sulpitiusparochie beschikte natuurlijk
over ruimere mogelijkheden in het complex van de Peetersstraat (nu
Uylenspiegel), beschreven in nrs. 398 en 399.
527. Het patronaat II
Na de Eerste Wereldoorlog echter wilden steeds meer organisaties het
complex in de Peetersstraat gebruiken. In de grote zaal liep een resem
toneelopvoeringen van katholieke bewegingen. Door het succes van het witte doek
groeide de Patria stilaan uit tot een heuse bioscoop, waarvoor de trouwe
patronaatsjeugd soms een vrijkaartje kreeg, maar deken Dubois met zijn
verenigingen soms in de weg liep. Hij zocht uitkomst in de Lievevrouwparochie,
die achter de kerk voldoende terreinen bezat voor een ruim lokaal. Voor pastoor
Lens kwam dit goed uit. Hij droomde van een onderkomen voor de catechese. De
kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw verpachtte daarom in juni 1939 voor 99 jaar
een perceel aan de parochiale werken van het decanaat, om er een parochiezaal
te bouwen. De planmakers hadden er geen vermoeden van wat hun boven het hoofd
hing. Want spoedig volgden mobilisatie, oorlog tussen Duitsland en Frankrijk –
Engeland. Maar toch kon de nieuwe zaal op tweede kerstdag 1939 ingezegend
worden, gevolgd door een gezellig samenzijn. De jongens van het patronaat
voerden korte schetsen op over het reilen en zeilen van de parochie. De tombola
van de in september afgelaste Vlaamse Kermis werd eindelijk getrokken (zie nr.
519).
528. Het patronaat III
De zaal rechtvaardigde haar bestaan. Sinds september krioelde het in
Diest immers van soldaten, die het naburige Albertkanaal moesten verdedigen.
Toen ze hier hun draai gevonden hadden, organiseerden ze allerlei feesten om de
manschappen te verstrooien en ook om behoeftige gezinnen van opgeroepenen te
ondersteunen. De Casino en de Patria konden de aanvragen soms niet meer
slikken. In de Lievevrouwparochie voerden de meisjes van het patronaat
‘Christene heldinnen’ op, ten voordele van het Vincentiusgenootschap. Ironie
van het lot: voor 13 mei 1940, tweede pinksterdag, kondigde het parochieblad
‘De Klok’ nog een gezellig samenzijn voor de ouders aan, waar de groten de
ouders op toneelstukjes zouden vergasten. Maar die dag zouden de Duitsers vóór
de Schaffensepoort staan en de buurt met artillerie bestoken! Tijdens de oorlog
moesten de activiteiten van de bewegingen zo onopvallend mogelijk gebeuren, met
het oog op de bezetting. In 1945 hervatte de katholieke turnkring er haar
oefeningen. Ook de K.A.J. en V.K.A.J. traden er nu op, want ze waren hun
thuishaven, Ons Huis, in de Koning-Albertstraat kwijt. Het patronaat ging nog
altijd door. Onder de impuls van M. Leenaerts groeide het stilaan uit tot
Jeugdclub Tijl.
529. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie I
In nrs. 417 tot 423 hebben we de
geschiedenis van het parochieblad behandeld tot 1930. Om een of andere reden
schakelde de Lievevrouwparochie na 1930 ook over op vier bladzijden klein
formaat (27,5 bij 18 cm). De economische crisis in het begin van de dertiger
jaren was er misschien niet vreemd aan. Het werd gedrukt bij de broeders Uten
en voerde als titel ‘Onze Klok. Parochieblad van Onze-Lieve-Vrouw’. In april
1940 was het aan zijn 19de jaargang toe. Het verscheen maandelijks
en bevatte ook het nieuws van het begijnhof, niet van de St.-Sulpitiusparochie.
Het paasnummer van dat jaar besteedde veel aandacht aan Pasen, de paascommunie
die de pastoor tijdens de paasweek zou brengen aan zieken en bejaarden. Mannen
en tieners werd dringend verzocht dan het H. Sacrament met licht te
vergezellen. Omdat Pasen in 1940 reeds op 24 maart viel, had de bisschop de
plechtige communie voor de kinderen, die anders 14 dagen voor Pasen gebeurde,
naar 28 april verschoven. Vier dagen ervoor begon voor hen een soort retraite.
Ook over het begijnhof biedt dat nummer interessante wetenswaardigheden.
Destijds werd de catechese ook na de plechtige communie voortgezet. Catechismus
van volharding heette dat. In 1939-1940 omvatte die 35 lessen. Zestien kinderen
van het begijnhof volgden die!
530. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie II
Het aprilnummer van ‘Onze Klok’ 1940 bevat enkele bijzonderheden over
het verloop van de plechtige communie destijds. In 1940 ging het om 11 jongens
en 16 meisjes. Die hadden twee jaar catechese gevolgd en zouden dat onderricht
afronden in de catechismus van volharding. Op de heuglijke dag verzamelden de
kinderen om halfzeven (’s morgens) in het parochiepatronaat. Onder klokkengelui
en orgelspel stapten ze in stoet naar de kerk voor de communiemis van zeven
uur. Om tien uur waren ze weer op post voor de hoogmis en de vernieuwing van de
doopbeloften. Het feestelijke middagmaal thuis onderbraken ze voor het lof van
drie uur, met opdracht aan Maria en Te Deum. Dan ontvingen ze ook een
gedachtenis. In het begijnhof had alles hetzelfde verloop voor vijf jongens en drie meisjes. Daar
onthaalde kapelaan Dorsfeld hen na het lof in zijn kapelanij. De kapelaan
kondigde ook aan dat hij in de week van 28 april in de huizen jaar jaarlijkse
collecte zou doen voor de St.-Pieterspenning (zie nr.
259). Was alles volgens ‘Onze Klok’ verlopen, dan hadden ze op maandag na
Pinksteren (13 mei) Leonardus gevierd met zijn begankenis. Volgens oud gebruik
kon men in de Lievevrouwkerk de meioefeningen volgen ’s avonds om halfacht met
rozenhoedje, lezing uit een vroom boek, kort lof, Marialied en de verering van
haar relieken. De oorlog zou al deze plannen doorkruisen.
531. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie III
In ‘Onze Klok’ van St.-Sulpitius, nr. 75 van 1939, vinden we ook
interessante informatie. Er wordt aangekondigd dat in de processie van 11 juni
voor de eerste keer een groep zingende engelen zal optreden onder begeleiding
van instrumenten. Ze zullen het ‘Loflied der engelen’ zingen van de Limburgse
componist Jaminé. Groepen uit Maastricht en Mechelen hadden dit voorgedaan
tijdens de Berchmansviering van 1938. De zusters van de Voorzienigheid
bezorgden weer eens de nodige uitvoerders, gewaden, vleugels en palmen. Zij
stoffeerden trouwens een groot deel van de stedelijke sacramentsprocessie en
die van de Lievevrouwkerk op 15 augustus. De groep oogstte grote bijval, maar
voor een volgend optreden zou ze tot na de oorlog moeten wachten. Het parochieblad
bevatte ook een oproep om de pas geopende schatkamer van de Sulpitiuskerk te
bezoeken. En een teken des tijds: de parochiejeugd was in mei in groten getale
komen bidden voor de vrede, waartoe Pius XII de gelovigen had uitgenodigd.
532. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie IV
De Duitse bezetting maakte een einde aan de grote vooroorlogse
parochiebladen als ‘De Ster’ en ‘Onze Plicht’. De pers was voortaan aan censuur
onderworpen. De vele kleine plaatselijke kerkelijke blaadjes in het oog houden
was ondoenlijk. Daarbij slorpten ze zoveel schaars papier op, dat de Duitsers
voor eigen doeleinden wilden gebruiken. Maar bij de gelovigen wilde het bewind
voorlopig nog niet de indruk wekken dat het tegen het geloof was. Daarom
aanvaardde de bezetter in februari 1941 het voorstel van het Studiecentrum voor
Zielzorg en Predikatie van de dominicanen om één groot blad uit te geven met
godsdienstige informatie: ‘De Stem uit het Vaderhuis’. Zo viel er minder in de
gaten te houden en werd er minder papier verspild. Het blad zou maandelijks op
klein formaat verschijnen (22 bij 29 cm). Plaatselijk mochten drukkers op de
achtste bladzijde het eigen parochienieuws drukken. Deken Dubois centraliseerde
de abonnementen voor Diest. Drukker Uten drukte de Diestse kerkelijke
bladzijde. Een jaarabonnement (12 nummers) kostte 1,4 fr. In Diest waren er in
1943 675 abonnees; sommigen kregen het blad kosteloos dankzij de kas van de
deken.
533. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie V
Op het einde van de oorlog waren er reeds 372 parochies aangesloten bij
‘De Stem uit het Vaderhuis’. Ondanks het kleine formaat kregen de lezers er een
hele verdieping van hun geloofskennis en concrete wenken voor hun gedrag in
deze moeilijke tijden: de armen gedenken, woeker vermijden, kalm blijven. Men
vond er ook praktische tips om met eenvoudige, nog voorhanden zijnde dingen nog
wat lekkers op tafel te brengen. Over het oorlogsgebeuren hield het blad
gedwongen zijn mond. Na de bevrijding gaf Diest weer een eigen parochieblaadje
uit op de pers van M. Uten, bij wie tot in 1954 ook ‘De Diestenaar’ verscheen.
Datzelfde jaar startte bij hem ‘Het Hagelands Nieuws’, dat zich tot de hele
streek richtte. De verantwoordelijke uitgever was eerst de v.z.w. Wehani, sinds
1958 De Ark. De groep inspireerde zich aan het streven van prof. E. Vliebergh
(† 1925). Deze had het leven op het platteland bestudeerd en in zijn boek ‘Het
Hageland’ wilde hij de gemeenschapszin van de mensen versterken en hen bewust
maken van hun eigen mogelijkheden.
534. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie VI
Het doel van ‘Het Hagelands Nieuws’ was wel hoog gegrepen. Het bracht
nieuwtjes en belangrijk nieuws uit dorpen en steden van de streek, interessant
of vervelend, en sloeg niet zo goed aan. Dit weekblad was geen parochieblad.
Maar in 1960 begon de samenwerking met Halewijn – Parochieblad Antwerpen, dat
vroeger ‘De Stem uit het Vaderhuis’ had verspreid. Voortaan gaf de eerste
bladzijde parochiaal nieuws van St.-Sulpitius, Onze-Lieve-Vrouw, St.-Catharina,
Webbekom, Kaggevinne, de kruisheren, St.-Martha en de kapel van de alexianen.
Na de stichting van de Jan-Berchmansparochie werd ook daarover bericht. De
binnenbladzijden bevatten godsdienstige artikelen van het Studiecentrum
Antwerpen en het gebruikelijke streeknieuws zoals vroeger. Het laatste nummer
volgens deze formule verscheen met Kerstmis 1966. Op de voorzijde prijkte reeds
de titel ‘Het Hagelands Parochieblad’. In 1967 verdween ‘Het Hagelands Nieuws’.
Zijn taak als parochieblad nam ‘Kerkelijk Leven’ over, dat nu vlotter ‘Kerk en
Leven’ heet.
535. Nieuwe glasramen I
536. Nieuwe glasramen II
Glazenier Frans Crickx kreeg de opdracht. Hij was geboren in
Sint-Gillis in 1893 en overleed te Jette in 1979. Van 1927 tot 1967 leidde hij
te Laken in de Kunstenaarsstraat een van de grootste glasschildersateliers van
het land. Hij werkt gewoonlijk naar tekeningen van L. Ch. Crespin
(Sint-Joost-ten-Node 1892-1953). Fr. Crickx kreeg opdrachten voor openbare
gebouwen, maar vooral kerken deden een beroep op hem, meer dan 500! En niet van
de minste: o.a. de basiliek van Koekelberg, kerken in Turnhout, Hoogstraten,
Tervuren. Dichter bij ons vindt men werk van hem in St.-Germanus Tienen (1947)
en in de O.-L.Vrouwkerk van Aarschot, waar hij het leven en de verheerlijking
van Maria oproept. In hetzelfde gebouw kan men niet naast het grote raam boven
het westportaal kijken: het Laatste Oordeel naar een ontwerp van H. Hizette.
Het werk van Crickx valt op door zijn sprankelende kleuren. Voor de
Lievevrouwkerk van Diest leverde hij werk tussen 1937 en 1962.
537. Nieuwe glasramen III
Aan de Lievevrouwkerk bezorgde Fr. Crickx ramen voor de zijbeuken in
1938, 1940, 1942, 1957 en 1962. Het werk was over jaren gespreid: in één keer
had de parochie dat nooit kunnen bekostigen, want de vooroorlogse ramen kostten
4000 toenmalige franken het stuk. Blak vóór 1940 betaalde men voor een ei
ongeveer 0,50 fr., voor een pakje waspoeder Vigor 1,35 fr., voor 250 gr Solo
2,5 fr. Vierduizend frank doeg men zomaar niet in zijn portefeuille! De nieuwe
ramen stellen taferelen uit het leven van Maria voor. Aan de kant van het
St.-Jozefsaltaar: de aankondiging van Jezus’ geboorte, het bezoek aan
Elisabeth, de geboorte en opdracht van Jezus, Jezus als twaalfjarige in de
tempel. In de andere zijbeuk, beginnend achteraan: Maria onder het kruis, Maria
met de dode Jezus op de schoot, O.-L.-Vrouw ten hemel opgenomen. Origineler is
het volgende tafereel: Maria spreidt haar beschermende mantel over de
Lievevrouwkerk. Zulk een ‘mantelmadonna’ was in onze streken een niet zo vaak
voorkomend thema. Diest was de inval van 1940 zonder groot onheil doorgekomen.
Een dankbare weldoenster schonk daarom dit venster in 1942. Dat gebaar was ook
toekomstgericht: vanaf 1942 dreven de geallieerden immers hun bombardementen
op. In tegenstelling met de buursteden Leuven, Aarschot en Hasselt ontkwam
Diest bijna heelhuids aan de luchtaanvallen van 1943 en 1944. Belangrijke
doelwitten waren er in het eigenlijke Diest wel niet te vinden, maar in de
oorlogsvoering verloopt alles niet altijd volgens de nuchtere logica.
538. Nieuwe glasramen IV
In 1957 zou dezelfde weldoenster nogmaals haar dankbaar hart tonen met
een raam. Andere parochianen hadden reeds de weg gewezen. Daarvan getuigen de
vensters van Maria’s bezoek en de opdracht in de tempel. Sommige mensen hielden
de reden van de schenking voor zich, terwijl het allereerste glasraam, de
aankondiging van Jezus’ geboorte, eerder bedoeld was als herinnering aan de
afgelopen herstellingswerken en het afscheid van de voorzitter van de
kerkfabriek. Ter gedachtenis aan het Eerste Vaticaans concilie (1870) had de
kerk de preekstoel gekocht (zie nrs 264 tot 271).
Leidinggevende kringen in de Lievevrouwparochie beseften dat het Tweede
Vaticaans concilie een nieuwe mijlpaal voor de Kerk zou worden. De opening van
dit concilie in 1962 herdacht de parochie door met Jezus lerend in de tempel en
met een raam in de toenmalige doopkapel (nu Berchmanskapel) heel toepasselijk:
het doopsel van Jezus. De bergruimte aan de andere kant van het portaal kreeg
een eerder statisch en conventioneel uitgevoerd tafereel: Jezus thuis te
Nazareth.
539. Nieuwe glasramen V
Fr. Crickx en zijn tekenaars lieten zich niet leiden door de symboliek
en de voorschriften van de neogotiek, die in de 19de, begin 20ste
eeuw de kerkelijke kunst beheersten. Anderzijds moesten ze hun werk inpassen in
een vroeggotisch gebouw. Daarom omlijstten ze hun taferelen met gotische
motieven. In zulk gebouw met smalle vensters heerste een gedempte sfeer. Om
deze stemming te versterken, gebruikte de glazenier in al zijn taferelen een
bebloemde blauwe achtergrond. De onderschriften van de ramen zijn zeer
verzorgd. Behalve met één bondig Nederlands “Uit dank 1957”, licht de
kunstenaar zijn werk toe in sierlijk, dichterlijk Latijn. Binnen het korte
bestek van deze bijdragen laten we u even proeven. Bij de geboorte: ‘Laetantis
infante in praesepio genitricis praesidio fruantur oblatores’. Betekent: ‘Dat
de schenkers de bescherming mogen genieten van de moeder die zich verblijdt om
het kind in de kribbe’. Bij de Piëta: ‘Triste flevit uxor in obitu Joseph.
Genitrix in amplexu geniti saginati. Christo, puerperae,
Joseph hoc offerunt donatores’. In vertaling: ‘Bedroefd weende de echtgenote bij de
dood van Jozef, de moeder die haar zoon, het offerlam, omhelsde. Aan Christus,
aan de moeder, aan Jozef offeren de schenkers dit’.
540. Naar een Tweede Wereldoorlog I
Wie in de late dertiger jaren de krant las of luisterde naar het
gesproken dagblad, zoals de nieuwsberichten op de radio toen heetten, vreesde
terecht dat er niets in huis zou komen van de droom ‘Nooit meer oorlog’. In
1938 schafte Diest zich een sirene voor luchtalarm aan, die elke maand getest
werd. In september 1938, toen Hitler delen van Tsjecho-Slowakije opeiste,
werden in België vijf lichtingen opnieuw onder de wapens geroepen. De kardinaal
schreef een gebed voor de vrede voor, dat de priesters in iedere mis baden.
Gelukkig mochten onze jongens op 1 oktober weer naar huis. Voor de militaire
overheid was het een leerrijke oefening geweest voor de algemene mobilisatie in
augustus 1939, toen Frankrijk en Engeland niet langer lijdzaam toekeken als
Duitsland Polen binnenviel. In volgende stukjes brengen we enkele flitsen uit
de Tweede Wereldoorlog die de Lievevrouwparochie raken. Onze beschikbare
bronnen en het bestek beperken de bijdragen. Maar mogelijk zullen ze ertoe
bijdragen dat sommige feitjes niet uit het geheugen verdwijnen.
541. Naar een Tweede Wereldoorlog II
Ook de Spaanse burgeroorlog (1936-1939), toen vele Diestenaren zich
ontfermden over vluchtelingetjes uit het anti-Francokamp, leerde de mensen wat
ze in zulke moderne oorlog mochten verwachten. In juni 1939 oefende de
provincie Brabant voor luchtbescherming. De straatverlichting moest gedempt
worden of uitgeschakeld, hindernissen met witte strepen aangewezen. Cafés
zouden een lichtsluis moeten aanbrengen, voor wie in- of uitging. De stad
ontving een motorspuit voor de brandweer, gasmaskers en zandzakjes. Het Rode
Kruis leerde dat laatste materiaal te gebruiken. Eind augustus 1939 werd ons
leger opnieuw op voet van oorlog geplaatst. Pastoor Lens stond er een hele tijd
alleen voor, want zijn pas benoemde jonge onderpastoor, A. Laeremans, en de
helpers uit het college waren eveneens onder de wapens geroepen. ’s Avonds
hield men in alle kerken dagelijks een gebedsuur voor de vrede. In
Sint-Sulpitius woonden 800 mensen dagelijks die oefening bij. In de
Lievevrouwkerk baden de aanwezigen dan het rozenkransje van de Zeven Smarten
van Maria. Ze gebruikten daarvoor een speciaal paternoster met zeven tientjes
om zeven pijnlijke gebeurtenissen uit het leven van Maria te overdenken. In de
parochie was Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën sinds eeuwen een begrip (zie nrs. 34 tot 37 en 353 tot
357).
542. Mobilisatie
Dat de kostwinner opgeroepen werd, kwam hard aan voor de gezinnen. Zijn
vrouw moest het stellen met dagelijks 8 fr., plus 3,50 fr. per kind. De
wederopgeroepene kreeg van het leger dagelijks 0,30 fr. zakgeld, vanaf oktober
één frank, de prijs van een pilsje. Voor noodlijdende gezinnen verrezen dus
overal steuncomités. Talentrijke militairen richtten overal feesten in om hun
kameraden te ontspannen en deze comités te steunen. Een toneelavond en collecte
van de scouts spekte de kas van het Vincentiusgenootschap. Het Rode Kruis
richtte een atelier in om kledingstukken en linnen te herstellen. Voor de
gemobiliseerden ‘ergens te velde’ werden boeken en tijdschriften ingezameld.
Voor soldaten die soms wat behoefte hadden aan een rustig hoekje, richtte het
Davidsfonds in de Patria een leeszaal in, waar naast lectuur ook een kopje
koffie en briefpapier ter beschikking stonden. Er kwam een strenge winter. In
de verblijfplaatsen te velde werd veel kou geleden. Goede zielen breiden voor
onze jongens handschoenen, dassen en bivakmutsen. Die laatste waren in ons land
een vreemd verschijnsel, de mensen noemden ze passe-montagnes. Ook gewone
burgers raakten door hun voorraad steenkolen, want de hevige vorst belemmerde
de aanvoer.
543. Luchtbescherming
Om de burgers tegen luchtaanvallen te beschermen, voorzag de stad
openbare schuilplaatsen in de Casino, De Haan, de Molensteen, de kazematten aan
de Leuvense- en de Antwerpsepoort. Die hadden eertijds als onderkomen voor
soldaten en opslagplaatsen gediend. Aan de Hasseltsepoort en aan café Georges,
waar een wandelweg naar de Demer begon (nu Valleilaan), werden loopgraven
gegraven. Het stadsbestuur lichtte de mensen ook in hoe ze hun woning tegen
luchtaanvallen konden beveiligen. Sommige mensen kleefden plakband op hun
ruiten. Maar bij de vliegeniers van Schaffen was de oorlog reeds een stukje
bittere realiteit. Met hun Hurricanes, de modernste toestellen waarover België
toen beschikte, probeerden ze vreemde vliegtuigen die ons luchtruim schonden,
te onderscheppen. Bij zulk een treffen boven de Ardennen werd een Schaffense
piloot dodelijk getroffen. Anderen overleefden het neerhalen van hun toestel.
Diest leefde met hen mee, want vele vliegeniers logeerden in de stad en zetten
er wel eens de bloemetjes buiten.
544. 10 mei 1940
Op 10 mei 1940 werd het voor de piloten en voor de burgers plots
menens. In de morgen tussen 4.30 en 5.45 uur bombardeerden de Duitse
vliegtuigen het vliegveld van Schaffen en vernielden daarbij onze beste
toestellen. Bij hun terugvlucht maakten ze zich af van hun overgebleven bommen
boven de E. Robeynslaan en maakten er slachtoffers onder de burgers. Op 11 mei
bestookten de Duitsers de drukke verkeerswegen aan de ingang van de stad, het
arsenaal, de omgeving van de gasfabriek. Hierbij werden 46 woningen zwaar
beschadigd of vernield. Bij de luchtaanvallen van 10 en 11 mei bleef de
Lievevrouwparochie gespaard, maar vele Diestenaars ontvluchtten de stad. Te
land rukte de vijand snel op. Het Belgische leger blies de bruggen aan de
Zwarte Beek, aan het station, onder de tramlijn naar Beringen en de middelste
brug aan de Schaffensepoort op. Op maandag 13 mei tegen de avond stonden de
Duitsers reeds voor die poort. Met hun artillerie beschoten ze de buurt. Op
dinsdag 14 mei trokken de eerste Duitsers door Diest.
545. Een kort verslag I
Korte tijd na de wapenstilstand vroeg de kardinaal inlichtingen over de
parochies en scholen. In het decanaat Diest was het nergens tot een massavlucht
gekomen, tenzij in Schaffen. Niet zo verwonderlijk daar, na het bombardement
van 10 mei en met de herinnering aan de terreur in augustus 1914 in dat dorp.
Dat alles had ook elders veel mensen op de loop gebracht. In het decanaat waren
17 op de 21 pastoors op post gebleven. Door het springen van een brug hadden de
kerk van Kortenaken en die van Molenstede schade opgelopen. Op dat ogenblik
waren er in het bisdom Mechelen, dat toen ook de provincie Antwerpen omvatte,
38 kerken geheel of gedeeltelijk vernietigd en 82 waren er met kleine of grote
schade van afgekomen. In de Lievevrouwkerk waren de ramen licht getroffen,
gelukkig niet de gebrandschilderde. Een projectiel was door het dak van het
patronaat gedrongen. Ook de kroonlijst en het dak van de pastorie waren licht
getroffen.
546. Een kort verslag II
Pastoor Lens stelde ook enkele vragen, want de instructies van de
kardinaal geraakten maar moeilijk ter bestemming: alle communicatie was nog
ontredderd. Moest het dagelijkse lof voor de vrede nog doorgaan? Nu hij alleen
voor de diensten stond, vroeg hij of hij het aantal zondagsmissen tot drie
mocht terugbrengen: die van halfzeven, acht en tien uur. Om meer dan één mis
per dag te mogen celebreren had de priester een speciale toestemming nodig, die
niet zo gemakkelijk verleend werd. Zijn onderpastoor en de helpers uit het
college waren nog krijgsgevangenen. In april 1940 waren er 507 priesters van
het bisdom Mechelen opgeroepen. Veel tijd om een voorgeschreven gebed ten tijde
van oorlog op te leggen was de bisschop niet gegund geweest: ‘Moge de
Almachtige deze gruwelijke tijd verkorten en de woestheid der aanvallers
bedwingen’. Dat kon je nu moeilijk hardop in de kerk lezen, zelfs in het
Latijn. De kardinaal schreef nu een gebed voor ter ere van het H. Hart voor het
behoud van ons vaderland.
547. Een moeilijke tijd
Voor de gezinnen, voor de Kerk en de Lievevrouwkerk brak nu een
moeilijke tijd aan. Allerlei waren werden stilaan onvindbaar of onbetaalbaar
voor gewone mensen. Ook de liturgie in de kerk moest zich daarnaar schikken.
Normaal mocht men in de godslamp vóór het tabernakel alleen maar dure olijfolie
gebruiken. Nu keurde de bisschop ook andere olie goed, zelfs petroleum, die
zelf al een schaars goedje werd. Later vond hij zelfs een elektrisch lampje
goed. Voor de mis was vroeger een bepaald aantal kaarsen voorgeschreven uit
echte bijenwas. Nu volstond het als er nog één echte waskaars ontstoken werd
vanaf de prefatie. De viering mocht beginnen met gewone vetkaarsen. Toen die
ook zeldzaam werden, mochten elektrische namaakkaarsen in de plaats komen. Aan
de kerk te verwarmen viel niet meer te denken met schlamm, kolenstof die je
soms op de kop kon tikken. Zelfs lucifers waren schaars. Gelukkig bestonden er
nog geen avondmissen, wel vroegmissen, want er mocht geen lichtstraaltje naar
buiten schijnen. Verduister de ramen van een kerk maar! Deze ongemakken waren
echter niets vergeleken met de narigheid die de gezinnen ondervonden, maar die
zal de oudere generatie wel doorvertellen.
548. Een moeilijke tijd voor de Kerk I
Destijds werden we nog niet overspoeld door nieuwsuitzendingen. Maar
ook wie vóór 1940 slechts eenmaal in de week ‘De Gazette van Diest’ las, kon
vermoeden welke moeilijke tijd de Kerk van ons land nu te wachten stond. Na
1933 hadden de berichten uit Duitsland steeds nieuwe rampzaligheid gebracht:
aanhoudingen, ontbinding van de katholieke verenigingen, verbod van
publicaties, verdachtmakingen… Tijdens de jaarlijkse retraites voor priesters
had kardinaal Van Roey herhaaldelijk gewaarschuwd voor de gevaarlijke theorieën
van het racisme en hen aangespoord de jongeren de ogen te openen. En toch
hebben sommigen na de oorlog beweerd dat de Kerk onder één hoedje met de
bezetter speelde! De eerste maanden van de oorlog bleek dat die in een land
waar het geloof nog zoveel invloed had, er niet op uit was direct moeilijkheden
met de Kerk te zoeken. Achteraf is het geweten dat de militaire bevelhebber van
België en de grote man van het burgerlijke bestuur geen nazi’s waren. Ze
behartigden de belangen van Duitsland, maar gingen conflicten en wrijvingen
zoveel mogelijk uit de weg. Ze werden argwanend door de partij-instanties op de
vingers gekeken. Een doorn in het oog van de nazi’s waren de bestaande
katholieke organisaties.
549. Een moeilijke tijd voor de Kerk II
Katholieke organisaties bloeiden in ons land. Sinds de Eerste
Wereldoorlog spoorde de Kerk de gelovigen immers aan meer deel te nemen aan het
apostolaat (zie nrs. 467 tot 475). Gewone leken
konden immers mensen bereiken waarop priesters geen invloed meer hadden. Zulke
verenigingen bekeek de bezetter met argwaan. In vergaderingen in de kerk voor
godsdienstige vorming met als thema ‘Gaven en deugden van de apostolaatsactie’
of ‘De bovennatuurlijke grondslag van de persoonlijkheid’, vonden de Duitsers
geen graten. Andere, meer geladen onderwerpen waren echter taboe. Volgens het
Duitse boekje moest voor elke vergadering toestemming worden gevraagd aan de
verantwoordelijke Duitse commandant. Vooral jeugdbewegingen werden in het oog
gehouden. Vergaderen in openlucht en optochten werden verboden. Door hun spel,
ontspanning, fysieke training kwamen de jeugdbewegingen in het vaarwater van
verenigingen die een nieuwe orde, in nazigeest, voorstonden en de hele jeugd
van het land wilden aanpakken. Toen kardinaal Van Roey in 1943 protesteerde
tegen het roven van de kerkklokken, sloegen de Duitsers terug. Ze verboden aan
de scouts en de K.A.J. nog een uniform te dragen. We wijden nu enkele bijdragen
aan beide bewegingen die zeer bedrijvig waren op het grondgebied van de
Lievevrouwparochie.
550. De scouts bloeien I
Was het misschien omdat er anders nog weinig te beleven viel voor
jongeren, dat de jeugdbeweging zo een aantrek had? Over de K.A.J. vóór de
oorlog schreven we reeds onder nrs. 471 tot 475. Over
de scouts repten we toen nog niet, omdat ze in het begin vooral in het college
bedrijvig waren. E.H. Schammel, die de groep in 1919 mee had opgericht, was in
de Lievevrouwparochie geen onbekende. Deze collegeleraar deed soms dienst in de
Lievevrouwkerk. Zijn vader, gewezen wiskundeleraar aan het college van Tienen,
woonde in de Begijnenstraat. Met Kerstmis 1919 legden de eerste scouts van de
St.-Jan Berchmansgroep hun beloften af. In het begin hadden ze dikwijls
vergaderd en gespeeld in de stedelijke jongensschool in de Grauwzustersstraat
(nu Dorlandcentrum). In 1933 ontstond een tweede groep, Sint-Tarcisius, die
zich speciaal tot de leerlingen van het atheneum richtte. Zij vergaderden onder
andere in de broederschool (nu Warandeschool).
551. De scouts bloeien II
Drijvende krachten achter deze groepen waren onder anderen de zonen van
Frans Draye, kerkmeester van de Lievevrouwparochie, en E.H. André Van Dijck en
zijn zussen. De oorlog bood de padvinders – ‘scouts’ hoorden de Duitsers niet
zo graag – gelegenheid tot nieuwe Goede Daden. Na de capitulatie, toen alle
communicatie nog lam lag, organiseerden ze met toestemming van de Kommandantur
samen met andere scoutsafdelingen een koerierdienst, zodat men wat nieuws kreeg
van zijn her en der verstrooide familie en vrienden. In 1942 bij de ramp van
Tessenderlo – de fabriek was daar ontploft – waren ze bij de eerste helpers.
Hadden de leerlingen van het atheneum en het college reeds hun scoutsgroep, wat
ze in Diest toen nog de volksjeugd noemden, viel nog tussen de mazen. Zij ging
deken Dubois bijzonder ter harte. Hij opende de ogen van vele leiders voor dit
braakliggende terrein.
552. De scouts bloeien III
Voor de volksjeugd werd een derde groep scouts gesticht in 1941, de Don
Bosco-groep. Ze vergaderden in de broederschool en beschikten over een lokaal
onder de toneelzaal van de Lievevrouwparochie. Ze speelden op de open ruimte
achter het koor van de Lievevrouwkerk. Soms sneuvelde er wel eens een ruit. De
groep trok velen aan. Tijdens de winter 1942-1943 slaagde de leiding erin om
elke zondag een voedzaam middagmaal aan de welpen voor te schotelen. De latere
deken van Diest, Van Uytven, bedelde daartoe de nodige waren bij goedhartige
landbouwers van Kortenaken, waar hij toen pastoor was. Ze hadden iets over voor
die stadsmusjes. Andere goede zielen bekommerden zich om de kleding van de
minst bemiddelden. De Don Bosco-groep zou na de oorlog een beter onderkomen
vinden in de forten. In 1950 smolten Sint-Tarcisius en Don Bosco samen tot de
Sint-Jorisridders.
553. De scouts bloeien IV
Eindelijk, op 4 mei 1941, sloeg het uur van de vrouwelijke tak van de
beweging, de gidsen. Zeventien gegadigden traden aan bij de meisjes van de
middelbare school: Sint-Lutgardis. In het begin moesten ze het lokaal van de
deken in de Kruisstraat nog delen met de burgerjeugd. Iedere bond kreeg daarin
twee muren die hij mocht versieren en ook dagen waarop hij mocht vergaderen.
Maar soms hadden de andere gebruikers alles in wanorde achtergelaten, de
versiering en leuzen niet gerespecteerd. De deken moest voortdurend bemiddelen.
In november volgde de groep van de meisjes van de Voorzienigheid,
Sint-Godelieve. Sint-Lutgardis hield geslaagde kampvuren op de speelplaats van
de broederschool, natuurlijk op klaarlichte dag. Langzamerhand leerden ze de geplogenheden
van de bond kennen. Hun Goede Daden pasten ze aan de actuele noden aan. Met
Kerstmis brachten groepjes speelgoed, snoep, bloedworst en taart naar enkele
behoeftige gezinnen. Na het uniformverbod door de Duitsers voelden de gidsen
zich een beetje als samenzweersters, als ze in de pas gingen of ongevraagd
bosspel hielden. Dat maakte alles nog aantrekkelijker.
554. Strijdbare kajotters en kajotsters I
Nog meer dan jeugd als scouts en K.S.A. waren de christelijke
arbeidersbewegingen een ergernis voor de Duitsers. Hadden ze in bevriende
organisaties nog geen die de gehele jeugd volgens de nieuwe beginselen zou
kunnen opleiden, op sommige takken van de sociale beweging had de bezetter
reeds de hand kunnen leggen: de vakbonden. Om stand te houden in de storm gaven
de christelijke verenigingen hun leden dan ook een stevige vorming in
studiekringen. Zo deed ook de K.A.J. Ze beschikten nog over lokalen in Ons Huis
in de Koning-Albertstraat. Maar ze kwamen ook elders bijeen. Toestemming
vroegen ze niet. Vanaf 1942 konden sommige jongens plots gegrepen worden om in
Duitsland te gaan werken. Volgens Cardijn moest de K.A.J. zorgen voor de
alzijdige belangen van de jonge arbeider. Voor de bezetter was hij een
gevaarlijk man. De oorlogsburgemeester weigerde de toestemming om de kanunnik
op een gewestvergadering te Diest te laten komen spreken. Zoals vóór de oorlog
(nrs. 472, 475) stak de K.A.J. ieder jaar veel energie
in de paasactie, in 1942 onder het motto: ‘En toch schijnt de zon’. Als men met
Pasen te biechten was geweest en al de duisternis van de zonde door het
sacrament werd weggenomen, werd alles weer licht. Dit zalige gevoel wilden ze
hun werkmakkers niet onthouden. Ze nodigden befaamde predikanten uit. En hun
woord sloeg bij velen aan.
555. Strijdbare kajotters en kajotsters II
Op 6 oktober 1942 maakte een decreet van de bezetter de arbeidsdienst
verplicht in België of Duitsland, voor alle mannelijke arbeiders van 18 tot 50
jaar. Eerst gold die ook voor vrouwen tussen 21 en 35 jaar, maar onder het
hevige protest van de christelijke vrouwenbeweging werd de maatregel
ingetrokken. Daarmee wilden de Duitsers nog meer eigen krachten vrijmaken voor
het alles verslindende front. Vrijwilligers zagen er op dat ogenblik al tegen
op naar een land te gaan werken dat steeds meer door bombardementen getroffen
werd. In een herderlijk schrijven protesteerden de Belgische bisschoppen hevig
tegen deze deportaties. Deze scherpe brief werd in de zondagsmissen
voorgelezen. Vele fabrieksdirecteurs probeerden zoveel mogelijk arbeiders in
België te houden. Ze lieten het werk vertragen, legden de productie soms een
uur stil. Maar de Duitsers doorzagen het spel. Ze voerden de 48-urenweek in.
Daartoe werden sommige arbeiders overtollig en getroffen door de verordening.
De Duitsers eisten lijsten van de arbeiders, maar meestal weigerde de directie
die af te leveren. Maar voor de betrokken jongens betekende naar een match of
de bioscoop gaan, trein of tram nemen, voortaan een groot risico. Overal werden
onverhoedse razzia’s gehouden.
556. Strijdbare kajotters en kajotsters III
Bij de K.A.J. gold het ordewoord: niet tekenen, niet vertrekken! De
christelijke arbeidersvereniging belegde vergaderingen waar men aan de weet
kwam hoe men de Duitse verordening kon omzeilen: wettelijk, omdat er misschien
nog een vrijstelling te bekomen was. Hoe op het laatste ogenblik te verdwijnen,
terwijl iedereen je had zien vertrekken. Wie niet vertrok, was voortaan een
vogelvrijverklaarde. Hij had geen enkel recht meer op rantsoen en moest
onderduiken. De ruime zolder van de Lievevrouwkerk heeft dikwijls een tijdelijk
onderkomen geboden aan bedreigde jongens. Prijzenswaardig was de solidariteit
onder mensen die zelf ontbering kenden. In Diest werd er onmiddellijk een
steuncomité opgericht, met als voorzitter Frans Boons, met mevrouw Smitt,
juffrouw Bas en de latere kerkmeester van de Lievevrouwparochie, Hendrik
Laureyn. Het trachtte de weggevoerden op alle manieren te helpen, bijvoorbeeld
een schuilplaats helpen zoeken. Aan wie toch moest vertrekken, bezorgde het wat
eten, kleding, een kerkboekje en een paternoster. Diest bleef met hen
corresponderen, opdat ze zich niet verlaten zouden voelen. Ze ontvingen nuttige
wenken om er zich zo goed mogelijk door te slaan en het rechte pad niet te
verlaten in een land met lossere zeden. In 1945 werd de leuze: ‘Teruggekeerden,
wij helpen u’.
557. De piëta gestolen I
Vóór 1940, toen de mensen nog zeer streekgebonden leefden, betekende
het voor de plaatselijke rubriek van de kranten nog nieuws als ergens een paar
kippen of konijnen gestolen waren. Maar tijdens de bezetting werden diefstallen
een ware plaag. De dunne dagbladen kregen geen papier meer om ze allemaal op te
nemen. Maar kerken bleven nog veelal gespaard: gelovigen schroomden immers iets
gewijds uit het huis van God weg te nemen. In 1942 waarschuwde de kardinaal
pastoors en kerkmeesters voor toenemende diefstallen in de kerken. Op 27
augustus 1942 was de piëta uit de Lievevrouwkerk verdwenen. Het beeld hing
tegen de laatste pilaar achteraan, tegenover het gedenkteken voor de
gesneuvelden. Het rustte op een prachtige sokkel onder een groot kruis. Het
stelde Maria voor, vol smart maar ook berustend, als Jezus van het kruis is
afgenomen. Het eikenhouten beeld was veelkleurig beschilderd, wat de vele
wonden accentueerde die de gekruisigde had opgelopen. Soms kreeg het een
purperen mantel omgeslagen. Links en rechts hingen ingelijste zilveren
ex-voto’s. Men vindt de illustratie bij nr. 14.
558. De piëta gestolen II
Beelden als de treurende Maria, de lijdende Christus, het Jezuskindje
hielpen de mensen om hun hart te laten spreken bij het bidden. Ze wilden niet
alleen om iets te vragen, maar een stukje liefde en medeleven betonen aan Jezus
en zijn moeder. In de Lievevrouwkerk groepeerde een vereniging, een
broederschap, dergelijke vereerders van de bedroefde Lievevrouw. Reeds rond
1481 was in de kerk een altaar met retabel, een geschilderd of gebeeldhouwd
achterstuk, aan haar gewijd. Mogelijk hadden de parochianen dit beeld uit het
achterstuk nog kunnen redden, na de ramp van 1580. Deze godsdienstige praktijk
leefde weer op, toen rond 1635 de pest weer honderden slachtoffers maakte. Voor
Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën werden in 1637 kapelletjes opgericht die haar
smarten herdachten. De gestolen piëta van de Lievevrouwkerk paste in die reeks.
Op het einde van de 17de eeuw teisterde bloeddiarree de stad. Alleen
al in de Lievevrouwparochie stierven daaraan 269 mensen. Voortaan trokken de
vereerders iedere vierde zondag van de maand in processie langs de kapelletjes.
’s Winters gebeurde dat in de kerk.
559. De piëta gestolen III
Rond 1900 had de verering van het H. Hart de devotie tot de zeven
smarten verdrongen. In 1889 had de Lievevrouwparochie nog een praalstoet georganiseerd
om het 250-jarige bestaan van de herinrichting van de broederschap en de bouw
van de kapelletjes te gedenken. Eigenlijk had men dat reeds in 1887 moeten
doen, maar iedereen had toen de handen vol met de Berchmansviering van 1888. De
processie in de kerk hield stand tot in 1959. Onder een baldakijn werd tijdens
het lof het H. Sacrament rondgedragen, vergezeld van enkele flambouwdragers. In
de zijbeuk stond altijd een rek met fakkels. Maar stilaan bleven ze ongebruikt,
want mannen die de lichten hadden moeten dragen, kwamen niet meer naar het lof.
Het was niet omdat de kerk een voorstelling van de bedroefde Maria miste. War
Macken had een repliek gemaakt van het gestolen beeld. Maar het nieuwe stuk had
hij niet de magische kracht van het oude kunnen meegeven, meenden de
vereerders.
560. De piëta gestolen IV
War Macken (1883-1970) hebben vele Diestenaars nog gekend als de
schilder die zoveel verdwenen hoekjes uit Diest vereeuwigd heeft. Maar
eigenlijk was hij meubelmaker van opleiding. Wie het betalen kon, verlangde
meer dan wat seriewerk, liefst meubels met originele, gebeeldhouwde versiering.
Mackens geslaagde kopie van de piëta hangt thans in de St.-Jan Berchmanskapel
van de kerk. Voor het origineel heeft Sint-Jan wellicht nog geknield, toen hij bij
pastoor Emmerick verbleef. Tijdens de televisie-uitzending ‘Schatten op zolder’
herkende G. Van der Linden, toenmalig stadsarchivaris, het gestolen goed. Hij
was zeer vertrouwd met de kunst in Diest en richtte o.a. de schatkamer van de
St.-Sulpitiuskerk en het stedelijk
museum in. Hij was eveneens corresponderend lid van de Commissie voor
Monumenten. Kunstverzamelaar Jules Bongaerts, voorzitter van de Vrienden van
het Stedelijk Museum, kreeg het in 1983 voor elkaar dat de Lievevrouwparochie
de piëta terugkreeg. Voor alle veiligheid prijkt het beeld nu in het museum.
Ook na 1942 verdween er nog veel uit de Lievevrouwkerk, die gedurende de dag
open blijft, zoals een prachtige reliekhouder met de pestheiligen. Ook dat
kostbare stuk wist J. Bongaerts terug te vinden, namelijk in Breda, en het kwam
terug naar Diest (nu eveneens in het museum te bewonderen).
561. Opeising van de klokken
Laten we nu terugkeren naar de oorlogsomstandigheden. Op 15 maart 1943
schreef de kardinaal een protestbrief tegen het opeisen van de klokken, die in
de kerken werd voorgelezen. Dit wekte grote ontstemming bij de Duitsers, die de
klokken wilden hergieten tot schiettuig. Ze reageerden fel: jeugdbewegingen
mochten geen uniform meer dragen, kopieermachines werden in beslag genomen,
godsdienstige tijdschriften kregen minder papier, de seminaristen zouden ook
een tijd moeten werken alvorens aan hun opleiding te beginnen. De brief wekte
enthousiasme bij de patriotten. Ze leverden niet graag materiaal om tegen
bevriende legers te gebruiken. Onder gelovigen ging de slogan rond: ‘Wie met
klokken schiet, wint de oorlog niet’. Klokken waren immers gewijde voorwerpen.
Ze hadden zoveel blijde en droeve gebeurtenissen begeleid. Eind oktober 1943
was Diest aan de beurt. De avond voor de opeising kwamen vele mensen naar de
kerken, om zelf de bedreigde klokken nog eens te luiden. In de Lievevrouwkerk
namen de Duitsers de twee grootste mee, respectievelijk 1227 en 1011 kilogram.
Het ergerde de toeschouwers dat een Belgische firma dit werk uitvoerde en dat
de arbeiders daarbij brutaal tekeer gingen. Uit België werden er 4568 klokken
weggevoerd. Enkele konden na de oorlog nog gerecupereerd worden, maar de
Lievevrouwparochie was de hare kwijt.
562. Verscheurd I
Altijd verschillen mensen van mening, maar dat leidt niet altijd tot
excessen. De oorlog echter dreef de verscheurdheid ten top. Enkele feiten.
Enerzijds het drama van het gezin Houlteaux uit de M. Theysstraat bij de
bevrijding, anderzijds de gedenksteen op het Weerstandsplein van mensen die het
concentratiekamp niet overleefden. De Commissaris Neyskenslaan, Jan Gorislaan,
de gedenkplaat van M. Van Caester tegen de rijkswachtkazerne, verwijzen
allemaal naar levensoffers voor het vaderland. Het parochieblad, De Stem uit
het Vaderhuis, van 22 oktober 1944 drukte de volgende verklaring vanwege de
redactie af: ‘De mensen die uit lichtzinnigheid, dwaling of eigenbelang de
verplichtingen van de vaderlandsliefde vergeten hebben, hebben een harde les
gekregen. Voor alle zonden is er vergiffenis. We moeten nu vergeten’. Dit viel
bij velen niet in goede aarde en deze uitlatingen werden deken Dubois in de
schoenen geschoven.
563. Verscheurd II
Kwatongen verspreidden allerlei verzinsels over de houding van deken
Dubois tijdens en na de oorlog. Ze trokken de vaderlandsliefde van deze
aalmoezenier uit de Eerste Wereldoorlog in twijfel. Het moet de man pijnlijk
geraakt hebben. Tijdens de oorlog was hij de laatste toeverlaat voor vele
sukkelaars geweest. Hij schonk aan de armen meer weg dan hij bezat: voedsel, kleding,
rantsoenzegels. Begin 1941 gaf hij maaltijden voor alle arme kinderen in Ons
Tehuis. Bij de bevrijding pleitte hij voor de kleine man die in het verkeerde
vaarwater was terechtgekomen. Met gebroken hart nam hij in 1947 ontslag. Nog
lang hing zijn foto op een ereplaats in vele Diestse huizen. In januari 1945
smeekte kardinaal Van Roey de gelovigen in een brief niet te vervallen in de
afschuwelijke methodes van de Duitse beulen. Nog steeds werd er geweifeld
tussen haat, vergeten en vergeven.
564. Bevrijd I
Op 6 september 1944 arriveerden de Engelsen echt in Diest. De stad had
hun komst reeds voorbarig gevierd de dag voorheen, met klokkengelui. Op 8
september kreeg de feeststemming een opdoffer. Een Duits straalvliegtuig wierp
een clusterbom af op de Koning-Albertstraat, waar veel troepen passeerden. Ze
maakte elf dodelijke slachtoffers onder de burgers en veel gewonden. Een ander
(?) Duits vliegtuig bestookte de buurt van de kruisherenkerk en veroorzaakte
brand in een nabijgelegen bakkerij. Vanaf 12 oktober vielen er vliegende bommen
over België. In Diest sloegen ze gelukkig maar in op minder bevolkte uithoeken.
Maar tijdens de zaterdagse mis in de St.-Sulpitiuskerk was de kerk te klein. De
eerste maanden bleven de burgers nog door schaarste geplaagd wegens
transportmoeilijkheden en omdat de nieuwe diensten nog niet gesmeerd liepen. De
geallieerden hielpen wat, maar zolang de Schelde dicht bleef, waren ze zelf nog
aangewezen op verre Franse havens. Pas in 1949 zou de ravitailliseringsdienst
opgedoekt kunnen worden.
565. Bevrijd II
Op 8 mei 1945, einde van de oorlog, kon Diest eindelijk het feest van
de overwinning vieren met een Te Deum en een optocht van scholen en
verenigingen. Mensen uit de concentratiekampen kwamen terug, maar hoe!
Opgeëiste arbeiders die de bombardementen hadden overleefd, werden verwelkomd.
Anderen bleven achter, gedood of vermist. De stemming wisselde voortdurend. Op
19 augustus huldigde een praalstoet het verzet van Diest doorheen de eeuwen in
45 taferelen. Elke wijk verzorgde een groep. De Schaffense- en Antwerpsestraat
bootsten op een wagen de rouwhulde uit aan het monument voor de gesneuvelden op
de Graanmarkt. De stoet sloot met een groep die Jan Berchmans eerde. Vele
Diestenaars waren er vast van overtuigd dat hij zijn stad nogmaals veilig door
een oorlog had geloodst.
566. Openbare kruisweg I
Vele Diestenaars leefden lang mee met het lijden van Jezus. In elke
kerk baden enkelingen of de gemeenschap geregeld de kruisweg met zijn 14
staties. Vóór de oorlog woonden velen tijdens de vasten de wekelijkse
passiesermoenen bij de kruisheren bij. Na de bevrijding brachten ze die onder
nieuwe, sensatie makende titels: ‘Het zware dossier’ of ‘Doodstraf geëist’
(1946). Het was de tijd van de repressie. Veertien dagen vóór Pasen dat jaar droeg
Michel Van Attenhoven, bekend als declamator en regisseur, bij de zusters van
de Voorzienigheid in de Demerstraat de kruisweg van Paul Claudel voor, onder
begeleiding van piano, viool en cello. Reeds in 1940 hield de Sulpitiusparochie
op Goede Vrijdag een kruisprocessie door de stad. Tijdens de bezetting waren
zulke manifestaties echter verboden. Maar in 1945 knoopte men bij dit gebruik
weer aan.
567. Openbare kruisweg II
Veertien dagen vóór Pasen 1945 werden veertien grote kruisen naar alle
hoeken van de stad gedragen, terwijl de resterende klokken van alle kerken en
kapellen luidden. In de Lievevrouwparochie stonden kruisen in de Schaffense-,
Koning-Albert- en Zevenweeënstraat. Zaterdag vóór Palmzondag prijkten bijna
overal versierde kruisbeelden in de uitstalramen. Op Goede Vrijdag brachten
leden van de verschillende Katholieke-Actiebewegingen de wijkkruisen naar het
Verstappenplein voor een kruisweg in open lucht. De radiocentrale had er
luidsprekers geïnstalleerd. Veertien momenten uit de lijdensweg van Jezus
werden gloedvol herdacht. Latere jaren bleven de kruisen waar ze waren
neergezet en trokken de gelovigen biddend naar die plaatsen, bijvoorbeeld in
1949 naar de citadel, waar enkele dakloze gezinnen een onderkomen hadden
gevonden in de kazematten. In 1950 trok men naar het begijnhof. Dit gebruik
hield nog jaren stand, maar het toenemende verkeer, het slinkende aantal
deelnemers en het barre weer zouden het einde van deze kruishulde betekenen.
568. Een ijzeren gordijn
Na de oorlog bekoelden de verhoudingen tussen Oost en West. Velen
vreesden het zegevierende communisme. Reeds in 1946 sprak Churchill van een
‘ijzeren gordijn’ dat over Europa was neergedaald. Van overal in Oost-Europa
stroomden immers onrustbarende tijdingen binnen. Een nieuwe oorlog tussen Oost
en West kon kon ieder ogenblik losbarsten met vreselijke wapens. De kranten
beschreven uitvoerig hoe gewone mensen zich wat tegen een atoomaanval konden
beschermen. Rijken lieten atoomvrije schuilplaatsen bouwen. Scholen bereidden
de leerlingen op een aanval voor. Andere weken uit naar onze kolonie of
Zuid-Amerika, minder bedreigde oorden. De Lievevrouwparochie stelde zich onder
de schutsmantel van Maria, zoals ze dat in 1942 reeds had gedaan met een
glasraam. Ditmaal bestelde de kerk een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima
bij de Brabantse beeldhouwer-edelsmid Kamiel Colruyt uit Lembeek (1908-1973).
569. Fatima
Waarom werd juist Onze-Lieve-Vrouw van Fatima de uitverkorene? Vóór
Wereldoorlog II wisten maar weinigen in ons land van de Mariaverschijningen in
Fatima (Portugal). Van mei tot oktober 1917 hadden drie kinderen daar Maria
gezien, toen ze de kudde hoedden. Lucia, de oudste, was toen tien, haar neef
Francisco negen en haar nichtje Jacintha zeven. Maria vroeg hun om dagelijks de
rozenkrans te bidden, opdat de oorlog, waarin ook Portugal verwikkeld was, een
einde zou nemen. De zienertjes moesten iedere dertiende van de maand naar die
plek terugkomen. Ze kregen ook een geheime boodschap mee. Steeds meer mensen
stroomden op die plek samen. Op 13 oktober zag een meer dan duizendkoppige
menigte vreemde verschijnselen aan de zon, die volgens getuigen trilde en
danste en allerlei kleuren aannam. De twee jongste zieners stierven een paar
jaar nadien. Lucia ging op internaat. Later trad ze in bij zusters in Spanje.
Ze beschouwde het als haar opdracht dat de mensen meer het onbevlekte hart van
Maria gingen vereren, want dat had Maria bij de verschijning gevraagd. De
verering voor Onze-Lieve-Vrouw van Fatima groeide gestaag en was na Wereldoorlog
II ruimschoots in België doorgedrongen. Dat Maria de bekering van het zo
gevreesde Rusland voorzegd had mits de gelovigen tot haar bleven bidden,
speelde daarbij een belangrijke rol.
570. Kamiel Colruyt
We begrijpen nu beter waarom de weldoeners uitgerekend een
Onze-Lieve-Vrouw van Fatima bestelden in die onzekere jaren van de Koude
Oorlog. De uitvoerder, Kamiel Colruyt, was niet de eerste de beste. Grote
beelden van hem in gedreven koper staan in vele kerken, onder meer in
Scherpenheuvel en in de St.-Michielskathedraal van Brussel. Het tabernakel van
de basiliek van Maria Boodschap in Nazareth, de paaskandelaar van de abdij van
Orval, vele miskelken, zoals die van deken Fierens zaliger in de
St.-Sulpitiuskerk, komen van zijn hand. Aan hem vertrouwde men ook de
restauratie toe van het beschadigde, beroemde schrijn van St.-Gertrudis in
Nijvel. Voor het nieuwe beeld van de Lievevrouwparochie vroeg de kerkfabriek
eerst het advies van de commissie van monumenten, want in een geklasseerd
gebouw doet men niet wat men wil. Die commissie was er niet zo gelukkig mee:
naast neogotische beelden van de gebroeders Goyers en de laatgotische
Onze-Lieve-Vrouw van Beilaer zou dit moderne koperen stuk fel afsteken in het
oude gebouw. Het beeld werd daarom naar de noordelijke kruisbeuk verbannen,
waar de schenkers het bleven vertroetelen, ook toen de Sovjetagressie van
West-Europa onwaarschijnlijker was geworden. Voor wie meer vertrouwd is met de
voorstelling van de madonna van Fatima, wijzen we erop dat het beeld daar toentertijd
nog niet gekroond was.
571. Berchmansviering 1949 I
In 1949 herdacht Diest dat Jan Berchmans 350 jaar geleden geboren was.
We hebben reeds in de bijdragen 245-246 beschreven
hoe de stad zijn zaligverklaring in 1865 gevierd had. Onder nrs. 341 tot 345 beschreven we de feesten van 1885 bij
zijn heiligverklaring. Dat werd 25 jaar later herdacht (1913) en behandeld in
nrs. 520 tot 524. Een steeds terugkerend
gegeven bij al deze plechtigheden was een indrukwekkende processie of stoet.
Maar rond 1950 trok dit steeds minder bezoekers aan. Bekende processies zoals
die van Geel kregen in de loop der jaren steeds minder een godsdienstig
kleedje. Ook de plannen van het Diests stadsbestuur volgden die trend. Ze
wilden de heilige stadsgenoot wat dichter bij de mensen van hun tijd brengen
met activiteiten die hen aanspraken. Dat zinde niet iedereen. Sommigen meenden
dat het te veel op kermisattracties leek, met die folkloristische stoet,
turners, volksdans en kampvuur. Een beetje wat sommigen dachten bij de nieuwe
11-juliviering in 2002.
572. Berchmansviering 1949 II
De kerkelijke overheid was dergelijke viering niet genegen. Het
schitterende vertoon van 1938 lag pas achter de rug. Ons land verkeerde nog in
een herstelperiode. Daarom wilden de kerkelijke overheden het bij uitsluitend
kerkelijke plechtigheden houden. Deze werden in maart voorbereid door een
triduüm (drie dagen) dat pater De Wit s.j. predikte. Op 21 maart kregen de
leerlingen van het college een dag vrij. Vele verenigingen kwamen op bedevaart
naar Diest. Zo in mei de wielrenners van Sporta en de jezuïetencolleges: de
Waalse op 29 mei, de Vlaamse op 31 mei. De laatsten volgden de mis in de Sulpitiuskerk,
opgeluisterd door hun Antwerps knapenkoor. Daarna trokken ze in stoet naar het
openluchttheater. Daar picknickten ze. Daarna was er samenzang onder leiding
van Willem Demeyere. In een tijd dat de mensen nog niet overspoeld werden met
platen en allerlei festivals zongen ze graag samen. Velen beheersten een heel
repertoire aan Nederlandse liederen. Zangleraar Demeyere was een bekende
figuur: hij was aangezocht om het nieuw opgerichte Belgische leger enkele
stapliederen aan te leren, om de manschappen van onze bezettingsmacht in
Duitsland wat meer stijl te geven.
573. Berchmansviering 1949 III
Ondanks de tweespalt kon men in Diest merken dat vele mensen blij waren
met de feesten rond Berchmans. Aan de gevel van het stadhuis hing zijn
reusachtig portret, gemaakt naar een linosnede van de Diestse tekenacademie.
Langs de huizen hingen wimpels, over de straten vlaggen zoals voorheen.
Beiaardconcerten waren niet uit de lucht. Ze werden nog niet gestoord door
lawaaihinder. Diest mocht toen prat gaan op uitstekende beiaardiers: Theo
Vandeplas, al vóór de Eerste Wereldoorlog in dienst, en twee stadsgenoten in
opleiding, die het ver zouden brengen: Eugeen Uten later in Brugge en Jean
Vanderlinden in Nederland. In het openluchttheater voerden bekende gezelschappen
bij die gelegenheid ernstige stukken op, zoals ‘De boodschap aan Maria’ van
Paul Claudel, de Franse dichter en schrijver die destijds buitengewone
waardering genoot. In juli had men meer volkse feesten: turnen, ballet,
volksdans, concerten.
574. Jubileum pastoor Matheve
In juli 1943 werd E.H. Lens pastoor benoemd in Onze-Lieve-Vrouw-Waver.
Juliaan Matheve, onderpastoor in de Lievevrouwparochie van Borgerhout, volgde
hem op. Wegens de oorlog ging zijn aanstelling buiten de kerk zonder vertoon
voorbij. In 1950 vierde hij zijn 40-jarig priesterjubileum. De feesteling had
helaas weer pech: wegens een beenbreuk kon hij zelf niet voorgaan in de
dankmis. Op dat ogenblik was de parochie een poos zonder onderpastoor. Wel
waren er toen nog talrijke wijdelingen, maar nieuwe scholen en parochies
slorpten die onmiddellijk op. Daarom werd in sommige kerken de
onderpastoorplaats reeds spaarzaam ingevuld. In afwachting hielpen leraars van
het college de pastoor wat uit de nood. E.H. L. De Koninck, de latere stichter
van het V.T.I. Mariëndaal, hield de kanselrede bij de jubileummis. Marcel
Troosters, met het koor van Sint-Sulpitius, luisterde de dienst op. In
Antwerpen had onderpastoor Matheve zich fel ingezet voor de muziek en het
toneel in zijn parochie. Een goede kennis van hem, A. Reinaerts, van de
Koninklijke Vlaamse Opera, zong het ‘Panis Angelicus’ van C. Franck en het
‘Agnus Dei’ van Bizet. De gevierde had geen geschenken voor zichzelf gewenst,
maar wel nuttige dingen voor de kerk.
575. E.H. J. Matheve
Rond die tijd bezat de Lievevrouwparochie geen eigen
Katholieke-Actiebewegingen als K.A.J., Boerenbond, K.A.V., K.W.B., N.C.M.V.,
enz. Die richtten zich eerder tot de hele stad. Daarin kregen de geestelijken
van Sint-Sulpitius, Onze-Lieve-Vrouw en begijnhof ieder hun taak. Volgens de
traditie was pastoor Matheve proost van de christelijke middenstandsvrouwen.
Met kapelaan De Cupere van het begijnhof had hij ook het patronaat naast de
kerk onder zijn hoede. Enkele welwillende mensen als de Juchtmansen, M.
Leenaerts, U. Vanhemeldonck en anderen hielden het draaiend. Een wankele
gezondheid dwong pastoor Matheve in 1955 zijn ontslag aan te bieden, want de
bedrijvigheid in de kerk zelf slorpte erg veel van de krachten van de
zielenherders op: gezongen missen in de week, lof, kruisweg, triduüms, octaven,
processie, biecht horen, bonden van het H. Hart. We geven nu wat meer
toelichting bij sommige oefeningen die nu meestal in onbruik zijn geraakt.
576. De kerk gonst van activiteiten I
Een gonzende bijenkorf leek de Lievevrouwkerk rond 1950 door de
talrijke missen die er werden opgedragen: ’s zondags om 7, 8, 10 en 11 uur, in
de week om 6.35 en 7.15 uur. Dat waren de officiële missen, aangekondigd in het
parochieblad. Maar daarnaast lazen vele collegeleraars en priesters op bezoek
bij familie een mis aan een zijaltaar. Zo stoorden de celebranten elkaar niet,
want deze vieringen gebeurden soms op hetzelfde uur. In Sint-Sulpitius kwam dit
natuurlijk nog meer voor. Na het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) zouden
deze priesters samen aan een nieuw soort altaar kunnen staan. Want meestal was
dergelijke privé-mis een solopartij, alleen bijgewoond door een misdienaar. De
priester las de mis met gedempte stem, de koorknaap gebruikte een klein
belletje. De trouwe koster van de parochie, Victor Goyvaerts, stak tijdig de
kaarsen aan. Ontbraken de misdienaars, dan spoedde hij zich van het ene altaar
naar het andere om de schenkkannetjes met wijn en water aan te reiken. Was er
op datzelfde ogenblik een dienst bezig aan het hoofdaltaar, dan haalde hij
intussen ook nog het stoelgeld of een andere penning van de gelovigen op.
577. De kerk gonst van activiteiten II
De officiële vieringen gebeurden aan het hoofdaltaar, ver op het koor.
De mis van 7.15 uur was nogal dikwijls een gezongen jaargetijde (de verjaardag
van een overlijden). Soms werd deze gezongen mis zelfs opgeluisterd door een of
twee priesters, toegevoegd aan de celebrant. Daarvoor deed men een beroep op de
kruisheren, collegeleraars en de onderpastoor. Er was nog geen priestertekort.
Vele jaren bespeelde Albert Deconinck daarbij het orgel. Hij en de koster waren
dan de enige zangers. Met de Sint-Antoniusmis zat de kant aan zijn altaar haast
vol, want de geliefde heilige kreeg zijn mis dichter bij het volk, aan zijn
altaar. Alles gebeurde nog in het Latijn, maar men kon goed volgen met de
vertaling in het volksmissaal, dat velen ten geschenke kregen bij hun plechtige
communie. Rond 1960 zouden de lezingen reeds in het Nederlands voorgelezen
mogen worden. Maar er waren toen nog geen aparte stukken uit de bijbel voor
iedere dag voorzien, behalve tijdens de vasten. Daarom las de celebrant dan de
gemeenschappelijke lezingen voor een heilige of hernam hij het epistel en het
evangelie van de zondag voordien. Voor overledenen werd dikwijls de bekende
requiemmis gebruikt.
EINDE VAN DE PAROCHIEKRONIEK
(auteur
overleden in november 2002)