Welkom op de Website van

PIERRE   TROUILLEZ

 

Docent Johannes XXIII-seminarie te Leuven

Redactiesecretaris van COLLATIONES, Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal.

 

Bruidstraat 2, B-3290 Diest

E-mail: pierre.trouillez@skynet.be

 

Laatst bijgewerkt op 3 maart 2013

 

Op deze website vindt U:

Nieuws over mijn publicaties

De Parochiekroniek van de O.-L.-Vrouwparochie (en Diest)  [ klikken op het onderstreepte woord ]

 

n

Publicaties 

       N I E U W !

 

De Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting (5de – 7de eeuw)

            Leuven, Davidsfonds, 2010, 334 blz., 16,5 x 24 cm – ISBN 978-90-77942-48-2 – € 27, 50.

            (info@davidsfonds.be)

 

Hoe verliep de christianisering van de Germaanse stammen? In welke streken werd het evangelie al vroeg verspreid en in welke verliep dat moeizaam? Welke rol hadden christelijke symbolen zoals het doopsel, heiligen en wonderen in het proces? Hoe werd Benedictus de patroon van Europa en hoe belangrijk was de bekering van Clovis voor de Kerk en het Westen? Dit boek zoekt een antwoord op al deze vragen en reist daarvoor terug naar de tijd van de 5de tot de 7de eeuw na Christus. Een boeiende periode waarin de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen zich voltrok en de Germaanse wereld en het christendom elkaar voor het eerst ontmoetten.

 

 
           

                                                                  

           

Bevrijd en gebonden. De Kerk van Constantijn (4de – 5de eeuw)

            Leuven, Davidsfonds, 2006, 308 blz., 16,5 x 24 cm –  € 24, 95. ISBN 90 5826 419 X.

 

 
        Verkrijgbaar via Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/    (in zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)

 

Hoe is een gelovige gemeenschap van miljoenen christenen ooit kunnen ontstaan uit een groep van twaalf apostelen en een handvol volgelingen? Een fascinerende vraag. Dit boek begeleidt de lezer in de zoektocht naar het antwoord. Na drie eeuwen als een marginale en vaak verdachte religieuze groep overleefd te hebben, begint de christelijke Kerk vanaf 313 aan haar veroveringstocht van de hele maatschappij. Keizer Constantijn doet aan positieve discriminatie: er worden muntstukken geslagen met Christusafbeeldingen, kerken verrijzen, geestelijken moeten niet langer gemeenschapsdiensten uitvoeren, de georganiseerde liefdadigheid is een feit… Het religieuze beleid van Constantijn kan men best kwalificeren als een van de grootste verrassingen in de geschiedenis.

Maar er is ook een keerzijde aan de medaille: de Kerk kan de liefdevolle gemeenschap van broeders en zusters niet realiseren in een samenleving waar de verruwing groeit door armoede en uitsluiting, konkelende clerici en ethisch lakse gelovigen brengen de christelijke gemeenschap in diskrediet. Bevrijd en gebonden. De Kerk van Constantijn brengt een wervelend totaalbeeld van de wellicht belangrijkste scharnierperiode uit onze westerse geschiedenis.

 
                   Warm aanbevolen door  Herman van Rompuy

                                                                                                          president van Europa

                                                                                              http://hermanvanrompuy.typepad.com/boeken

 

¨

 

Van Petrus tot Constantijn. De eerste christenen

Leuven, Davidsfonds, 2002, 374 blz. – Kan alleen nog besteld worden via Digital Printing on Demand bij

Verkrijgbaar via Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/    (in zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)

 

 

       

Een boek over het succesverhaal van de jonge Kerk…

Het enthousiasme van een authentiek geloof!

Wie waren de eerste christenen ‘in godsnaam’? Waarom voelden ze zich aangetrokken tot die marginale beweging? En hoe heeft het prille christendom zich gaandeweg kunnen manifesteren?

Met Paulus is de jonge Kerk het waagstuk aangegaan om buiten haar vertrouwde milieu te treden. In het Romeinse rijk zou ze haar vernieuwende kracht bewijzen. Christen-zijn was er allesbehalve evident. Toch werden de eerste drie eeuwen van het christendom een succesverhaal.

Van de eerste verkondiging door Petrus tot de bekering van keizer Constantijn exploreert de auteur hoe christelijke denkers van de begintijd, maar evenzeer gewone gelovigen, hun geloof beleefden en overdachten.

De vroege Kerk is groot geworden door het enthousiasme van een authentiek geloof. Zonder alles te verwedden op structuren en dogmatiek, wist ze mensen aan te spreken. Een bron van inspiratie voor het christendom vandaag?

 
 

 


                       

 

           

 

            Het boek werd als tweede genomineerd voor de Tweejaarlijkse Prijs van het Religieuze Boek 2004.

 

           

n

 

Naar wie zouden wij anders gaan?

Ontmoetingen met Jezus, de Christus

Leuven, Davidsfonds, 1998, 188 blz., € 19,75, ISBN 90 6152 577 2

Verkrijgbaar via Digital Printing on Demand: www.shopmybook.com/nl/    (in zoekvenster rechts boven TROUILLEZ invullen)

 

 

Met zijn boek wil Pierre Trouillez juist aan de zoekende mens in de huidige verwarring vastigheid geven door hem vertrouwd te maken met de rijkdom en de kracht van Jezus’ woorden en daden. Ook hij gaat op onderzoek uit naar de historische Jezus, maar stoot ook verder door naar de werkingsgeschiedenis van Christus. De auteur focust zijn betoog, dat een uitwerking is van zijn cursus christologie aan het Hoger Instituut voor Godsdienstwetenschappen in Brussel, niet alleen op de mens Jezus, maar ook op zijn ideeën en de invloed van zijn nieuwe leer over het vaderschap van God en de verwachting van Gods Rijk. Hierbij loopt hij niet om de vragen heen die in de hedendaagse Jezusliteratuur en –onderzoek (onder andere het Amerikaanse Jesus Seminar) worden gesteld. Een degelijk standaardwerk over ons geloof (in Kerk en Leven, 9 sept. 1998).

 

 
             

 

 

 

Dit boek werd als tweede genomineerd voor de Tweejaarlijkse Prijs van het Religieuze Boek 2000.

 

n

 

         - De eerste kerstening van de Lage Landen. Een verhaal van slagen en falen

         - Op weg naar een christenheid in de Lage Landen         

           

Eerste twee hoofdstukken in P. Nissen (red.), Geloven in de Lage Landen.

Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom

Leuven, Davidsfonds, 2004.

 

 

n

 

Naar een nieuwe dialoog tussen geloof en wetenschappen.

.        De bijdrage van het procesdenken

           

            In L. Aerts – M. Steen (red.), Iedere grens voorbij. Visies over God

                Averbode, Altiora, 1999.

 

Een beoordeling:

“Hoewel de gemiddelde tijdgenoot zijn religiositeit veeleer affectief beleeft,

staan sommige wetenschappelijke denkers en theologen meer open voor

elkaars opvattingen. Zo schetst Pierre Trouillez inzichtelijk de overgang

van het klassieke wereldbeeld van Newton naar Prigogine en de procestheologie

van Whitehead en Hartshorne” (De Standaard, 7 mei 1999).

 

 

 n

 

            Wanneer viert God feest? Origenes en de menselijkheid van God

           

in  L. Aerts – M. Steen (red.), Met een naam en een gezicht. Christelijke visies op God,

                 Averbode, Altiora, 2002.

 

Als de Schrift zo sterk de mensbetrokkenheid en bewogenheid van God laat oplichten, dan moet dit toch haaks staan op het ideaal van de ‘apatheia tou Theou’ of totale onbewogenheid van God, dat in de Griekse Oudheid zo hoog in het vaandel gevoerd werd? De bijdrage laat inderdaad zien hoe vroegchristelijke auteurs, zoals Origenes, met deze spanning hebben geworsteld. De uitspraken van Origenes over de bijbels-christelijke ‘pathische’ God, de liefhebbende God, klonken ongehoord in de oren van geschoolde heidenen, waar waren ook voor de oudchristelijke theologie allesbehalve evident. De bijdrage laat zien hoe gedurfd zij waren en hoe zij actueel en inspirerend blijven. ‘Omdat wij menen dat de huidige geloofscrisis in het Westen minder te maken heeft met beurse plekken van het kerkinstituut dan met de kwaliteit van het godsgeloof, durven wij te stellen dat theologische bijdragen zoals die van Origenes en levende getuigenissen zoals die van de oude Kerk over de mensbetrokkenheid van God, nog altijd verrassend actueel zijn” (besluit van de bijdrage).

 

 

 

n

 

Gestalten van de Kerk in de geschiedenis

      

            in J. Stevens (red.) Geloven in de kerk. Een multidisciplinaire benadering

            (Averbode, Altiora, 2000).

                                                                                                                     

n

 

 

Een selectie van mijn vroegere publicaties

 

- ‘De grond van mijn grond’. De gedichten van Jan Luyken als theologische vindplaats, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1975, nr. 4.

- Volksgeloof in de middeleeuwen. Een beeld uit de ‘Canterbury Tales’ van G. Chaucer, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1984, nr 4.

- Het Petrusambt in de patrologie: een verkenning, in Communio 1985, nr. 2/3.

- Kan een rijke gered worden? Stemmen over geloof en bezit in de tijd van de Kerkvaders, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1986, nr. 3.

- ‘Het bloed van de christenen is een zaad’. De Kerkvaders en de vervolgingen, in Communio 1987, nr. 2.

- ‘Het heilige is voor de heiligen’. De Kerkvaders en het geloof in de gemeenschap der heiligen, in Communio 1988, nr. 1.

- Over Jürgen Moltmann, theoloog van de hoop, in Hoop en opstanding. Feestbundel bij het emeritaat van Herman-Emiel Mertens (red. G. De Schrijver - R. Michiels - L. Boeve), Leuven, Acco, 1993.

- Isâ, Jezus in de koran, in Emmaüs 1993, nr. 5-6.

- De bevrijdende kracht van de drie-eenheidsleer. Over het trinitaire programma van Jürgen Moltmann, in Collationes 1996, nr. 1.

- Waarheid en dwaling: wie ziet het onderscheid? De ‘geloofszin’ van de gelovigen als belofte en uitdaging, in Tijdschrift voor Geestelijk Leven 1996, nr. 5.

- ‘Toevertrouwd met de dienst van Jezus Christus’. Het diaconaat in de eerste eeuwen, in Sacerdos 1996-1997, nr. 3.

- De tekenen van de tijd en de christelijke hoop, in Innerlijk Leven 1997, nr. 4.

- Jezus, gave van de heilige Geest voor ons heil, in Nieuw Leven 1998, nr. 1.

- Belofte en vervulling. De zending van de Geest die opricht en vernieuwt, in Nieuw Leven 1998, nr. 2.

- De heilige Geest: levensbron en drijfkracht van de christelijke gemeenschap, in Nieuw Leven 1998, nr. 3.

- De heilige Geest, die allen en alles vernieuwt, in Nieuw Leven 1998, nr. 4.

- “Vanaf de bisschoppen tot en met de laatste lekengelovigen”. De geloofszin van de gelovigen in de tijd van de kerkvaders en in het leven van de Kerk vandaag, in J. Haers – T. Merrigan – P. De Mey (red.), ‘Volk van God en gemeenschap van de geloven’. Pleidooien voor een zorgzame kerkopbouw. Feestbundel bij het emeritaat van Robrecht Michiels, Averbode, Altiora, 1999.

- Het nieuwe Godsvolk uit de menigte geroepen… De Kerk als Volk van God, in Nieuw Leven 2000, nr. 3.

- Oriëntaties voor de kerkopbouw in het post-Constantinum, in Toekomst voor de gereformeerde traditie (red. K. van Bekkum), z.p., Nederlands Dagblad, 2004.

- De eerste kerstening van de Lage Landen. Een verhaal van slagen en falen, in Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom (red. P. Nissen), Leuven, Davidsfonds, 2004, 203 p., p. 9-17.

- Op weg naar een christenheid in de Lage Landen, in Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom (red. P. Nissen), Leuven, Davidsfonds, 2004, 203 p., p. 19-25.

- Wereldgodsdiensten, in Wegwijs Cultuur (red. R. Dillemans – A. Schramme), Leuven, Davidsfonds, 2005, 392 p., p. 24-26.

- ‘Het geloof heeft alles met eenvoud te maken’. Hilarius van Poitiers, in Collationes. Vlaams Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2005, nr. 3.

- Geloof als hoop voor de wereld. Duitse theoloog Jürgen Moltmann tachtig, in Tertio 7 (2006) 334, p. 14-15.

- Isidorus van Sevilla. Bruggenbouwer tussen oud en nieuw, in Collationes. Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2008, 1.

- Catechese en liturgie in de oude Kerk. Oriëntatiepunten en vragen voor de situatie van vandaag, in Tijdschrift voor Liturgie, 52ste Liturgisch Congres 2007: ‘Liturgie vieren: groeien in geloof, p. 74 [18] – 81 [25].

- In de vuurlijn van de Vandalen. Uit de kerkgeschiedenis van Noord-Afrika, in Collationes. Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2010, nr. 3.    

- Monniken maken het historische ‘verschil’. Monastiek charisma in scharniermomenten, in De Kovel. Monastiek trijdschrift, 2012, nr. 21, januari 2012.

- De Heilige Bonifatius en de nieuwe start van de Frankische Kerk, in Communio. Tijdschrift voor Theologie en Pastoraal, 2013, 1.

- Met een nieuwe adem… De Kerk in de tijd van Sint-Jan Berchmans (nawerking concilie van Trente), in Jan Berchmans van Diest. De verre tocht naar het licht, Diest, Jaarboek Vrienden van de Sint-Sulpitiuskerk, 2013.  

 

g

 

                       

 

 

PAROCHIEKRONIEK VAN DE O.-L.-VROUWPAROCHIE VAN DIEST

 

Tekstvak:  Sinds 1988 verscheen in het parochieblad wekelijks de Parochiekroniek van de hand van Marcel Huon, oud-leraar van het St.-Jan Berchmanscollege van Diest en hulppriester in de Onze-Lieve-Vrouwparochie aldaar. We publiceren hier de hele reeks, tot de laatste bijdrage, die geredigeerd werd enkele weken voor het overlijden van de auteur op 10 november 2002.

Men moet het woord “parochiekroniek” ruim verstaan. De Onze-Lieve-Vrouwparochie was geen eiland, zonder bindingen met het Diestse stadsleven en met het reilen en zeilen van heel de samenleving. Daarom kan deze kroniek ook interessant zijn voor wie belangstelt in de algemene schiedenis van onze contreien.

 

→ Soms worden bedragen in oude munten vermeld. Om een idee te krijgen van wat deze bedragen

            in de 18de eeuw voorstelden: zie nrs. 99-100.

 

 

1. De Burchtkapel

Reeds in 1211 stond er een kapel op de plaats van de huidige Lievevrouwkerk. Daar woonden de bewoners van de kleine burcht op het Tafelrond de mis bij. De Baruytstraat (nu Bruidstraat) bracht hen rechtstreeks naar dat deel van de Warande (nu het stadspark van Diest). De dienstdoende kapelaan werd aangesteld door de abt van Tongerlo en bezoldigd door de burchtheer, die daarvoor de tienden opstreek. Voor het onderhoud van de priester en het kerkgebouw en ook voor de ondersteuning van de armen had keizer Karel de Grote immers destijds het geven van tienden verplicht gemaakt.

 

2. De Tienden

Tienden geven betekende dat de mensen een tiende van hun veldgewassen, vruchten, jonge dieren aan de Kerk moesten afstaan. Maar in de gezagsloze tijd na de dood van Karel de Grote in 814 waren vele kerken en hun inkomsten in het bezit van de plaatselijke heren geraakt. Toen het gezag van de pausen groter geworden was, werd er tegen deze toestanden opgetreden. Om hun geweten gerust te stellen, schonken de heren dan hun tienden en kerken aan de opkomende abdijen. Zo had Arnoldus II in 1163 zijn rechten van de Diestse St.-Sulpitiuskerk aan de abdij van de Tongerlo afgestaan.

 

3. De Tienden II

In 1233 schonk de kleinzoon van Arnoldus II, Arnoldus IV, ook de inkomsten van zijn burchtkapel aan de abdij van Tongerlo. Voortaan zouden de paters er de dienst verzorgen op eigen kosten. Nu de heer zijn burchtkapel afgestaan had, liet hij voor zichzelf en zijn huisgenoten een nieuwe bidplaats bouwen op het voorhof naast zijn burchttoren. Hiervan werden in de Warande sporen teruggevonden tijdens opgravingen in 1987.

 

4. Nieuwe parochies

Tot het midden van de 13de eeuw volstond één parochiekerk voor Diest: St.-Sulpitius. Volgens berekeningen van M. Van der Eycken in zijn “Geschiedenis van Diest” telden de stad in 1142 hooguit 1200 inwoners. Maar de opkomende lakennijverheid en de vrijheid die je hier genoot, lokten veel mensen uit de omgeving naar Diest. Een goeie 200 jaar later wordt het aantal inwoners op 7000 geschat. Nu moesten er wel nieuwe parochies opgericht worden: die van O.-L.-Vrouw en St.-Jan de Doper. Op 1 juli 1253 ging een deel van de St.-Sulpitiusparochie over naar Onze-Lieve-Vrouw, volgens een akkoord tussen abt Johannes van Tongerlo en Arnoldus IV. De nieuwe parochie bestreek ook een deel van Schoonaarde (thans een gedeelte van Schaffen).

 

5. Nieuwe kerk

De voormalige burchtkapel was natuurlijk te klein om het stijgend aantal gelovigen op te vangen. Stukje bij beetje werd ze afgebroken en rees onze huidige kerk op. In 1255 moet het koor reeds klaar geweest zijn, want toen werd het hoofdaltaar geconsacreerd. De werken vorderden langzaam, want pas op 10 februari 1288 zegende een zekere Bonaventura de kerk in. Wie de bouwmeesters waren, is niet geweten. De bouwtrant zal wel door de abdij van Tongerlo voorgeschreven zijn.

 

6. Witheren I

Evenals de St.-Sulpitiuskerk zou onze kerk bediend worden door de witheren van Tongerlo. Dit bleef zo tot aan de Franse Revolutie. In het begin bleef de rector van O.-L.-Vrouw ondergeschikt aan de proost van St.-Sulpitius. Beiden waren norbertijnen, volgelingen van St.-Norbertus. Deze had in 1121 zijn eerste klooster gesticht in Prémontré, bij Laon in Noord-Frankrijk. Vandaar hun andere naam: premonstratenzers.

 

7. Witheren II

Norbertus, de stichter van de witheren, wilde dat de leden van zijn nieuwe orde als kanunniken het openbare koorgebed zouden verzorgen, in gemeenschap zouden leven en tevens de zielzorg in de parochies zouden behartigen. Als teken van armoede droegen ze een priesterkleed van ongeverfd wit laken. De formule van St.-Norbertus kende een groot succes. Reeds vóór 1140 telde het grondgebied van de huidige bisdommen Mechelen en Antwerpen negen mannenabdijen voor witheren. Die van Tongerlo werd in 1130 gesticht en bediende vele parochies. De abt droeg zijn kandidaten voor aan de bisschop; die benoemde en hield toezicht. Tot aan de nieuwe indeling van de bisdommen na het concilie van Trente (1545-1563) hing Diest af van het bisdom Luik.

 

8. Opleiding van de priesters

Vóór het concilie van Trente bestonden er bij ons nog geen seminaries, inrichtingen voor de opleiding van niet-kloosterlijke priesters. Belangstellenden gingen ergens in de leer bij een pastoor. Ze leerden er de mis lezen en de sacramenten toedienen. Hun kennis van de geloofsleer en de bijbel was meestal erg beperkt. Hun morele vorming hing af van het voorbeeld dat hun leermeester gaf. De wereldlijke priester was een selfmade man. Daarentegen waren de priesters-kloosterlingen, zoals de witheren, in hun abdij beter gevormd in kennis, vroomheid en plichtsbesef. Parochies met witheren (zoals de onze) troffen het dus meestal beter.

 

9. Namen van de pastoors tot 1550

Hendrik (in 1253), Jacob van Alcmaer (in 1431), Theodoric Schoerman (in 1441), Dirk van Indoven (in 1450), Arnold Beckers († 1488), Nicolaas Van den Huys (in 1498), Augustinus Verlaer (in 1524), Cornelius Hooghe († 1544), Joannes van Grootzundert (vóór 1549), Jacob Geeraerts (in 1553). Er zijn opvallende leemtes in de lijst. Dit komt door het speciale statuut van de O.-L.-Vrouwkerk. Zij was wel een parochiekerk, maar bleef afhangen van de hoofdkerk St.-Sulpitius. Haar bedienaar was slechts de plaatsvervanger van de pastoor van St.-Sulpitius en hij werd door de abt zelf aangeduid zonder inmenging van het bisdom. De benoeming van deze zielzorger werd daarom niet opgetekend in het parochieregister. Ook in andere stukken worden ze zelden vermeld. Na het concilie van Trente werden hun namen wel zorgvuldig genoteerd en is de lijst volledig (die publiceren we later).

 

10. Bourgondische gotiek

De orde van Premonstreit (Witheren) was door haar Franse oorsprong goed vertrouwd met de daar opkomende gotische stijl. Bij de bouw van haar sobere kerken liet ze zich inspireren door de cisterciënzers. In België is onze kerk misschien wel de enige overgeblevene in deze bepaalde trant. Het gewelf van ons koor telt namelijk zes ribben in plaats van de gebruikelijke vier. Aan de buitenkant zie je een dubbele rij van smalle lancetvensters, dichtgemetseld toen het huidige hoge portiekaltaar werd geplaatst. Geen versiering, tenzij de fries met hangbogen onder de daklijst.

 

11. Onze-Lieve-Vrouw ter Berderen

Aanvankelijk was alleen het koor gewelfd. De kruisbeuk werd pas in de laatste helft van de 14de eeuw overkluisd, gelet op de sluitsteen met het wapenschild van Hendrik van Diest en zijn echtgenote Elisabeth van Hoorn: ze huwden in 1359. Het schip zelf bleef nog lang zonder gewelf, zodat je de balken en planken van het dakgestel kon zien. Onze-Lieve-Vrouw ter Berderen heet de kerk in oude geschriften (berd = Oudnederlands voor plank). Voor het hoogkoor hing een triomfkruis, geflankeerd door Maria en Johannes. Het koor werd met de hemel vergeleken en het schip met de aarde. Tussen beide hing het verzoenende kruis.

 

12. Uitzicht van de kerk

De middenbeuk van onze kerk werd afgesloten door een stoere westertoren. Men kwam toen binnen via zijportalen achteraan in het schip. Het doksaal en het orgel bevonden zich aan de linkerkant van het koor. In beide armen van de kruisbeuk was een aanbouwsel: een lage kapel, verlicht door drie smalle vensters. In het St.-Nicolaaskoor werd een stuk arm van de grote kindervriend en patroon der winkeliers vereerd. In het Heilig-Kruiskoor was een relikwie van Jezus’ kruis. Toen de huidige hoge altaren in de kruisbeuk opgericht werden, verdwenen deze kapellen achter een muur. Ze dienden nu als sacristie en bergplaats (tot op vandaag).

 

13. Altaren

In de loop der tijden groeide het aantal altaren in onze kerk. Vrome mensen lieten geld of grond na om aan een bijzonder altaar missen te lezen voor overledenen of ter ere van een heilige. Dit gebeurde door priesters die verder geen parochiaal dienstwerk verrichtten. Zo stichtte de overste van onze buren, de Begarden, in 1272 het H.-Geestaltaar. In 1275 bestond reeds het St.-Nicolaasaltaar. Verder stonden er in 1481 nog de altaren van St.-Catharina, St.-Jan de Evangelist, Stefanus en Laurentius, Barbara en Agatha. Bij het H.-Kruisaltaar vierde de rederijkerskamer “Christusogen” sinds 1502 haar kerkelijke feesten. Het hoofdaltaar was toegewijd aan O.-L.-Vrouw.

 

14. Mariaverering

Reeds vóór 1449 werd Maria in onze kerk vereerd onder de naam O.-L.-Vrouw van Beilaer. Beilaer was een gehucht nabij het centrum van het huidige Kaggevinne. Daar bezat onze parochie de vereiste grond die haar bestaan verzekerde. Dank zij een broederschap genoot O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën grote populariteit. Sinds 1470 prijkte het beeld in een mooi versierde nis op het altaar. In een prachtig retabel werden de zeven smarten van Maria uitgebeeld. Een stuk daarvan werd gered: de moeder met haar dode Jezus op de schoot. Deze “piëta”, zoals deze voorstelling heet, kan men nu bewonderen in het stedelijk museum. In de huidige Berchmanskapel van de kerk hangt een kopie van War Macken, gemaakt omdat het oorspronkelijke beeld in 1942 gestolen werd (en intussen dus teruggevonden). Een “marianum”, een tweezijdig Mariabeeld omgeven door een rozenkrans, hing vanaf 1520 achteraan in het schip van de zolder af.

    

15. Onze-Lieve-Vrouw van Munster

In de Middeleeuwen werden de toeristen niet gelokt door een zonnig strand of prachtige gebouwen. De reizigers van toen waren vaak pelgrims en ze zochten relikwieën te vereren, overblijfselen van heiligen of van wat met hen in verband had gestaan. De bedevaarders bezochten het schrijn of het graf, omdat de heilige daar het best bereikbaar was om tussenbeide te komen bij God. In die tijd bezat de kerk een grote verzameling relikwieën, die alle zeven jaar veertien dagen lang werden getoond, zoals in Aken, Maastricht en Tongeren. Tijdens hun tocht naar de grote heiligdommen zakten vele pelgrims ook naar onze kerk af. O.-L.-Vrouw van Munster (van monstrare: tonen) heet de kerk dan ook in oude teksten.

 

16. Middeleeuwse vroomheid

De sluitsteen met het wapen van koning Petrus IV van Aragon in de linker kruisbeuk wijst wellicht op een eerbewijs van deze vorst aan ons heiligdom. Diezelfde verering dreef vrome mannen en vrouwen ertoe zich te laten opsluiten of inmetselen in een kluis die tegen onze kerk was aangebouwd. Door een opening in de kerkmuur konden ze de diensten volgen. Zo’n cel stond er al vóór 1473. Ze werd vernield in 1580. In verband met de middeleeuwse vroomheid komen we nog even terug op de relikwieënverering en stellen we de vraag hoe onze kerk aan zulk een rijke relikwieënschat gekomen is. Tijdgenoten beweerden dat ze ergens overzee gestolen was en naar hier gebracht. Door hertog Jan van Brabant, werd er gefluisterd. Diefstal was toen een garantie voor hun echtheid. Het protestantisme en de godsdienstoorlogen zouden met dit alles schoon schip maken.

 

17. Verval en protest

Zoals in elke tijd vertoonde de Kerk ook toen minder fraaie kanten. De verering van de relikwieën liep uit de hand. Mensen zwierven maanden door Europa van de ene bedevaartplaats naar de andere, terwijl ze het voornaamste vergaten: de navolging van Christus en het waardig ontvangen van de sacramenten. Ze gingen zelden te communie. In de plaats van biecht, berouw en boete voor hun zonden meenden ze alles goed te maken met het kopen van aflaten. Vele priesters beperkten hun werk tot het mislezen. Paus en bisschoppen gedroegen zich dikwijls meer als wereldlijke vorsten dan als zielenherders. Maar niet iedereen legde zich bij deze toestand neer. Rond 1500 verlangden velen naar een herstel van het kerkelijk leven.

 

18. Godsdienstoorlogen

Luther en Calvijn streefden naar een terugkeer tot het evangelie. Ook in de officiële Kerk wensten velen een hervorming. Maar deze twee groepen geraakten in conflict over de aard en de reikwijdte van de veranderingen. Zo kwam het tot een breuk. Vorsten kozen partij voor het oude of het nieuwe geloof en begonnen een gewapende strijd. Natuurlijk hadden ze daarbij ook politieke bedoelingen. Koning Filips II wilde onze gewesten voor Spanje behouden. Willem van Oranje schaarde de opstandelingen achter zich. Gedurende tientallen jaren zou de oorlog lelijk huishouden in ons land.

 

19. Een spoor van verwoesting

Tijdens het conflict tussen Willem van Oranje en Filips II wisselde Diest van handen zoals een versleten muntstuk. In 1578 keerde het tij echter in het voordeel van Spanje. Vluchtende Oranjetroepen lieten een spoor van verwoesting na in de omgeving van de stad. De Allerheiligenkapel, het klooster van St.-Bernardusdal, Sint-Salvator, de kerk van Sint-Jan, de kapel van O.-L.-Vrouw-ten-Hogen-Wijngaard en de Lazarij lagen in puin. Maar het ergste wachtte Diest in 1580. Franse huursoldaten onder het bevel van kolonel de la Garde drongen in de nacht van 8 juni bij verrassing in de vesting. De aanvoerder eiste een oorlogsschatting van 60.000 gulden, te betalen door de instellingen van de stad, om verdere plunderingen en opeisingen te voorkomen. Bedenk dat een arbeider toen ongeveer een halve gulden per dag verdiende!

 

20. De kerk stort in

Daar de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw hun deel van de brandschatting niet konden of wilden betalen, werd de kerk geplunderd. Altaren, heiligenbeelden, relikwieën en glasramen werden stukgeslagen. Het lood konden de soldaten best gebruiken om kogels te gieten. Daarom braken ze de loden goten en afvoerpijpen uit de toren en ook alle ijzerwerk, zodat de spits van de toren later neerstortte en daarbij het schip van de kerk vernielde. Alleen de romp van de toren, de kruisbeuk en het koor stonden nog overeind. De pastorie, die toen in de Begijnenstraat lag tegenover de poort van de Begarden, en alle documenten gingen in de vlammen op. 1580 werd trouwens ook een rampjaar voor andere kerken en kapellen. St.-Sulpitius, St.-Barbara, St.-Jacob en St.-Anna werden geplunderd. Het klooster van de Begarden werd in de as gelegd, dat van de minderbroeders en de kapel van de grauwzusters verwoest. De geestelijkheid werd het leven onmogelijk gemaakt en ze vluchtte uit de stad.

 

21. Het einde?

Drie jaar bleef de Lievevrouwkerk zonder priester. Pas in mei 1583 kwam Diest weer in Spaanse handen en kon er opnieuw aan de eredienst gedacht worden. Er woonden nog slechts 300 mensen in de parochie. Het volk drumde samen in het enge koor, met achter zich het dakloze schip, vóór zich gapende vensters zonder ruiten. Wind en regen joegen erdoor. Stel je zo’n dienst in volle winter voor! De kerkmeesters zorgden voor een spoedige noodreparatie; ze verkochten daarvoor het zilverwerk. Want de abt van Tongerlo dacht er al aan de pastoor elders te benoemen. Voor de 30 parochies van het toenmalige decanaat Diest waren slechts 15 zielzorgers beschikbaar. De kerkmeesters gingen bij de aartsbisschop in Mechelen de zaak bepleiten en de Lievevrouwparochie behield haar pastoor.

 

22. Moeizaam herstel

Vanaf 1606 werd het herstel grondig aangepakt. In Mechelen werd een nieuw beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer aangekocht (nu te bezichtigen in het stedelijk museum). In 1608 werd het schip gedekt. De toren werd wat gerepareerd, zodat het torenuurwerk weer geplaatst kon worden. De kerkmeesters hadden het zolang verborgen in het Liefkintsgodshuis, een instelling voor armen van de parochie, gelegen in het Palmboomstraatje. Maar wat nog van de toren overeind stond, betekende een gevaar voor de voorbijgangers. Hij werd dus in 1612 afgeslankt tot aan de nok van het kerkschip. Strodekker Loïs stopte voorlopig het grote torenvenster. Het verminkte Mariabeeld in het klokkenhuis kreeg weer een hand met een druif en het Jezuske een handje. Het jaar daarop hing er weer een klokje in de toren.

 

23. Verfraaiing

Nu het schip onder dak lag, kon de verfraaiing beginnen. De kerk werd geplaveid, gewit en ze kreeg een eiken plafond. De oude preekstoel werd met een nieuwe voet en een klankbord uitgerust. Langs de Begijnenstraat, waar de kluis had gestaan, werd de muur hersteld. Het grote venster in de dwarsbeuk aan die kant kreeg nieuw maaswerk en glas. We schreven toen 1622, het jaar dat er opnieuw orgelmuziek in de kerk klonk. In 1625 werd bij Antoon Du Bois een andere preekstoel besteld. Adriaan Van Panteghem vervaardigde in 1627 weer een afsluiting rond het H.-Kruiskoor. Datzelfde jaar werd de calvariegroep boven de ingang van het koor hersteld en geschilderd. Landdeken J. Bouckaert, de pastoor van Scherpenheuvel, verkocht in 1630 aan de parochie een tweedehandse doopvont, waarvan het deksel in de oorlogsomstandigheden in de slag was gebleven. Dit mooie renaissancestuk prijkt nu nog op het koor. Het wordt uitvoeriger beschreven in de nrs. 424-425 (met illustraties).

 

24. Pastoors die de geschiedenisboeken haalden

Eerst geven we de lijst van de pastoors vanaf 1550 tot aan de Franse Revolutie van 1789: Jacob Geeraerts (in 1553), Gerard van Rosendael (vóór 1559), Judocus Roefs (in 1557), Jacob olmen (in 1557), Johan van Zichem († 1564), Georgius Noyen (in 1561), Jacob Vekemans (in 1579), Jacob Piermans (in 1579), Hendrik Ghijsselen (1584-1592), Jacob Van der Borght (1594-1595), Gisbert Van den Broeck (1595-1599), Johan Coenen (1599-1600), Petrus van Emmerick (1601-1616), Johan Francken (1616-1623), Johan Verbrugghen (1623-1629), Johan Van de Put (1629-1642), Huybrecht Smits (1642-1653), Thomas Verdonck (1653-1663), Johan Kuysten (1663-1664), Petrus Blieck (1664-1689), Frans Van Hove (1689-1694), Gerlacus Sallaerts (1692-1701), Cornelius Pauli (1702-1715), Lodewijk Wijckmans (1715-1737), Paul ’t Kint (1737-1749), Bonaventura de Tourier (1749-1763), Thomas Gillebert (1763-1767), Lucas Thiden (1767-1794), Siardus Van Hout (1794-1814).

In de herstelperiode van de kerk in de eerste helft van de 17de eeuw blonken twee van bovengenoemde pastoors bijzonder uit: de eerste om zijn latere loopbaan, de andere als begeleider van een toekomstige heilige. Jacobus Van der Borght doceerde godgeleerdheid aan de toekomstige witheren van Averbode, die in 1584 een toevlucht hadden gezocht in hun refugiehuis te Diest. Intussen nam hij nog de zielzorg in de Lievevrouwparochie waar. Daarna werd hij achtereenvolgens pastoor van het Begijnhof, landdeken van Diest, professor aan de universiteit van Leuven en in 1610 bisschop van Roermond. Petrus van Emmerick was in tegenstelling tot sommige toenmalige priesters een man van zelfdiscipline en studie. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, waarin de grote kerkvaders, theologen, klassieke Latijnse en Griekse schrijvers en humanisten vertegenwoordigd waren. Muziekboeken met o.a. stukken van Orlandus Lassus, een klavecimbel en clavichord wijzen erop dat er in zijn pastorie vaak muziek gemaakt werd.

 

25. St.-Jan Berchmans in de Lievevrouwparochie

In 1609 brak voor Jan Berchmans de tijd van het middelbaar onderwijs aan. Daar moeder ziekelijk was en hij thuis moeilijk kon studeren, ging hij in de kost bij pastoor Van Emmerick in de huidige M. Theysstraat. In 1605 had Margriet Van de Kasteele daar haar huis nagelaten aan de parochiepriester, die na de ramp van 1580 een huurhuis betrok. In de M. Theysstraat bleef de pastorie tot in 1976. Het gebouw doet nu dienst als politiebureau, maar Jan Berchmans heeft het nooit gezien, want het dateert pas uit 1761. De woning van pastoor Van Emmerick lag wel op hetzelfde uitgestrekte terrein, maar was veel kleiner. Hier was Jan in goede handen. Om het kostgeld te drukken – de pastoor had het zelf niet breed – zou onze leerling in zijn vrije tijd een handje in het huis toesteken.

 

26. Van Emmerick herinnert zich

De kostgangertjes van de pastoor sliepen op zolder en studeerden in de huiskamer. Gelukkig hadden ze een grote tuin om te stoeien. Jan knikkerde er wel eens, maar hij hield meer van lezen. Als hulpje beschikte hij ten andere niet over zoveel vrije tijd als de anderen. Hij las voor uit een stichtelijk boek tijdens de maaltijd en paste op de deur. Jans status had echter ook goede kanten: hij mocht de mis van de pastoor dienen, hem vergezellen op bedevaart naar Scherpenheuvel en mee op reis gaan naar ’s-Hertogenbosch, de geboorteplaats van zijn heer.

 

27. Jan Berchmans in de Lievevrouwkerk

In 1610 deed Jan bij ons zijn eerste communie, nog vrij jong voor die tijd. Het mocht toen pas na een behoorlijke instructie en als men tot ‘de jaren des onderscheids’ gekomen was, een zekere volwassenheid had bereikt. Het gebeurde toen nog niet in een gezamenlijke plechtigheid. In de Lievevrouwkerk bad hij soms het rozenhoedje voor het nieuwe beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer. Nog één herinnering uit die tijd: op het feest van Onnozele Kinderen (28 dec.) waren de jongens baas in het gezin, in het klooster en in de kerk. Zij kregen voor één dag de macht overgedragen. Zo mocht Jan in 1609 voor één dag pastoor spelen tijdens het lof. Met de koorkap op zijn schouders bewierookte hij het Allerheiligste, zong de gebeden en hield een korte preek. Dat maakte grote indruk. Wegens financiële moeilijkheden van vader moest Jan in 1612 het kosthuis van de pastoor verlaten. Gelukkig vond hij toen een onderkomen bij landdeken Haymo Timmermans op het begijnhof.

 

28. Mensen rond St.-Jan

Jans tante, Margaretha Berchmans, de echtgenote van Renier Wellens, overleed in 1635 aan de pest en kreeg haar graf in onze kerk. Zijn oom, Frans Berchmans, huwde in 1611 in onze kerk met Anna Van Olmen uit onze parochie. Zoals grootvader en vader Berchmans was hij leerlooier. Hij leverde het haar, toen onze kerk in 1612 bepleisterd werd. Vrachtvoerder Steven Van Santbeeck voerde daartoe speciale lijm uit Mechelen aan. In een brief verwijst Jan naar diens kar als een mogelijk reismiddel om hem te komen bezoeken, vóór zijn intrede in het klooster. Steven werd in 1624 in de Lievevrouwparochie begraven.

 

29. Vroege verering van St.-Jan in onze parochie

Al spoedig na zijn dood werd Berchmans in Diest vereerd. Met nieuwjaar 1679 ontsnapte de herberg van weduwe Filip Vlayen aan een ware ramp. Het huis stond op de huidige Koning-Albertstraat tegenover het toenmalige cellebroedersklooster (het vooroorlogse atheneum). Er waren meer dan 40 personen aanwezig voor de uitdeling van buskruit voor het feestgeschut ’s avonds. Door onvoorzichtigheid ontplofte het goedje. De gelagkamer werd vernield. Alleen een schilderij van Jan Berchmans hing nog heel aan de beschadigde muur. Niemand werd echter gedood of zwaar gewond. De aanwezigen schreven de gelukkige afloop aan de tussenkomst van St.-Jan toe. Hoe populair moet onze toekomstige heilige toen in Diest geweest zijn, als zijn portret reeds aan de muur van een herberg hing!

 

30. Het kerkmeubilair wordt aangepast

Het concilie van Trente (midden 16de eeuw) beveiligde bepaalde punten van het katholieke geloof die door de protestanten aangevochten werden, zoals: de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie, het sacrament van de biecht en de Mariaverering. De praktische toepassing van het concilie werd langzaam zichtbaar aan nieuwe uitrustingen in onze kerk. Het volk zou voortaan beter onderricht worden en de preek werd verplicht. De lange sermoenen gebeurden toen nog vóór de mis en de sermoenklok nodigde de gelovigen tijdig uit voor de vroegmis om 7 uur en de hoogmis om 9 uur. Op paasdinsdag 1607 was onze kerk voldoende hersteld, zodat er voor de eerste maal gepredikt kon worden in de “gebroken kerk”, zoals een kerkmeester het noteerde. De oude kansel werd hersteld in 1613. Zijn opvolger uit 1625 zou dienst doen tot in 1870.

 

31. Het Heilig-Sacramentsaltaar

Het concilie van Trente beklemtoonde dat Christus werkelijk aanwezig is in de H. Hostie. Die werd nu met eerbied omringd. Vroeger werden enkele geconsacreerde hosties voor de ziekencommunie bewaard in een sacramentshuisje tegen de zijmuur van het koor. Voortaan zouden ze dichter bij de mensen berusten in het tabernakel van het nieuwe H.-Sacramentsaltaar (1644), op de plaats van het huidige St.-Jozefsaltaar. Abt Augustinus Wichmans van Tongerlo schonk daarvoor een prachtig schilderij. Het stelde de triomf van Norbertus voor over de ketter Tanchelm, die de reële tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie loochende. Daarom heette dit altaar ook St.-Norbertusaltaar. De stichter van de witheren werd in 1582 zalig verklaard.

 

32. Eerbied voor het H. Sacrament

De eerbied voor de eucharistie uitte zich nu ook bij het communiceren. Voortaan ontving men de communie niet meer staande, maar geknield aan een communiebank. Die kwam er bij ons in 1648. Om het sacrament uit te stallen, maakte Abraham Van Malderen een troonhemel. We bezaten reeds eerder monstransen, maar in 1671 kochten we bij Gillis Goetsbloets uit Hasselt het prachtige stuk dan men nu in het stedelijk museum kan bewonderen. Voor de processie op Sacramentsdag werd de kerk met lis bestrooid. De priester schreed dan onder de hemel (1651), geflankeerd door grote lantaarns. Ook de berechtingen verliepen plechtig onder een kleiner baldakijn met begeleiding van bel en lichten.

 

33. Biechtstoelen

Vóór het concilie van Trente knielde de biechteling neer aan de voeten van de priester, die in een armstoel zat. Nu werd deze losse stoel en heel meubel, vast tegen de muur. De gelovigen waren verplicht eenmaal per jaar te biechten, in principe bij de pastoor van hun parochie. Bij ons stond de eerste biechtstoel in 1646 in het H.-Kruiskoor. Ons mooiste exemplaar, in de zuidelijke zijbeuk, werd in 1692 besteld bij Jan Maison, soms ook Meson gespeld. Het beeldhouwwerk kost hij in Antwerpen. Om de uitgaven te dekken, werden de bomen op het kerkhof verkocht. Het afgedankte St.-Nicolaaskoor werd in 1695 in gericht tot een aparte sacristie voor de pastoor. In deze stille ruimte konden doven en gebrekkigen gemakkelijker biechten. De sacristie werd ook gebruikt voor de ondertrouw en de huwelijksinzegeningen. De twee biechtstoelen in de noorderbeuk zijn afkomstig uit het minderbroedersklooster, dat tijdens de Franse Revolutie werd afgeschaft.

 

34. De Zevenweeënstraat

De naam van deze nog bestaande straat herinnert ons aan een aloude vrome oefening ter ere van Maria. In de Middeleeuwen, toen zoveel moeders hun kinderen verloren in de oorlog of door besmettelijke ziekten, zochten de mensen troost bij O.-L.-Vrouw. Ook zij had haar zoon moeten afgeven en veel leed gekend. De mensen dachten dan vooral aan de zeven droevige gebeurtenissen uit haar leven. Simeon voorspelde in de tempel dat Maria’s kind veel tegenkanting zou ondervinden. Het gezin moest naar Egypte vluchten. Bij zijn eerste bedevaart naar Jeruzalem was Jezus verloren. En vooral die laatste dag van zijn leven: de ontmoeting met haar gefolterde zoon, de kruisiging, het dode lichaam op haar schoot en de begrafenis. Men spreekt daarom over de zeven weeën of smarten van Maria. Er zijn in het evangelie wel meer droeve momenten in haar leven te vinden. Maar het getal 7 was in de Oudheid en lang daarna een heilig getal.

 

35. Oprichting van de kapelletjes

In de 17de eeuw maakte de pest weer zeer veel slachtoffers. Volgens ons begrafenisregister stierven er in 1634 260 mensen aan deze epidemie, in heel Diest 800. Daaronder waren ook vele soldaten die met hun gezin bij deze mensen gelogeerd hadden. Geen wonder dat de gelovigen opnieuw te rade gingen bij O.-L.-Vrouw van Smarten. Haar ter ere werden er dan ook in 1637 zeven kapelletjes opgericht in de omgeving van de kerk. Abt Theodoor Verbraecken van Tongerlo wijdde ze plechtig in en stelde het broederschap ter ere van O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën in. In Antwerpen werden de nodige devotieboekjes besteld, die men voor 8 stuivers kon kopen. Voor de oude piëta in de kerk vervaardigde Jan van Tielborgh uit Leuven een nieuw altaar. Aanvankelijk was de belangstelling groot, zolang de nood was aan de man.

 

36. Herstel van de devotie

In 1692 blies pastoor Gerlacus Sallaert de broederschap nieuw leven in. Droevige omstandigheden kwamen hem daarbij te hulp. Tijdens de jaren 1692-1694 werd de stad namelijk geteisterd door bloeddiaree. In drie jaar tijd telde men 269 overlijdens. Daarbij waren ook veel vreemde soldaten, maar voor onze gemeenschap met 900 parochianen bleef het een catastrofe. Voortaan celebreerde de pastoor elke vierde zondag van de maand een plechtige mis met twee assistenten aan het altaar van de Zeven Weeën. Na het lof trok dan een processie langs de kapelletjes. Tijdens de winter gebeurde dat in de kerk. Ondertussen werd een Stabat Mater gezongen, dat de heer Borrekens, stedelijk zang- en schoolmeester, hiervoor speciaal had gecomponeerd. Deze processie kende een lang leven. Nog in 1959 werd het H. Sacrament elke vierde zondag in de kerk rondgedragen onder een baldakijn en vergezeld door enkele flambouwdragers.

 

37. Het lot van de kapelletjes

Van de zeven kapelletjes blijft er nog één in zijn oorspronkelijke vorm bewaard. Het staat ingemetseld naast de barokke poort van St.-Annendaal (Grauwzustersstraat). Hierdoor krijgen we een idee van de verdwenen gebouwtjes. In de nissen stonden taferelen van de zeven smarten achter gevlochten koperdraad. Bij de grauwzusters is dat het vierde “mysterie”: Maria ziet hoe Jezus onder zijn kruis bezwijkt. Toen de oorspronkelijke voorstellingen in brokkelige zandsteen verweerd waren, plaatsten de mensen allerlei heiligenbeelden in de nissen. Op een foto uit het begin van de 20ste eeuw zien we nog een kapelletje in de Begijnenstraat, tegen de voorgevel van het eerste huis na het kerkplein. Andere stonden wellicht tegenover de toren, in de Bruidstraat, dicht bij het begijnhof en natuurlijk in de Zevenweeënstraat.

 

38. De huidige kapelletjes in de Zevenweeënstraat

Het kapelletje tegenover de Rode-Kruisstraat behoorde tot de reeks van zeven uit 1637. Maar in 1953 werd de Zevenweeënstraat verbreed ten koste van de Warande, het stadspark. De oude bakstenen muur en het kapelletje werden afgebroken en vernieuwd. Het kreeg een moderne vorm en een groot beeld. Het tweede, tegenover de Bruidstraat, werd na de afbraak vrij getrouw gerestaureerd. Eigenlijk is dit buiten reeks. Dat ziet men aan de afmetingen, het verzorgde fronton. Het vanouds geklede Mariabeeldje op een troontje is geen tafereel uit de zeven smarten. Volgens de kerkrekeningen werd eraan gebouwd in 1653. Het jaarvers op de nieuwe gedenkplaat spreekt van een speciale plechtigheid in 1656. De mensen uit de buurt hebben deze twee kapelletjes altijd in ere gehouden. Dit is hun redding geweest, want daarom werden ze heropgebouwd. Op zondag 3 oktober 1954 werden ze met een kaarsjesprocessie feestelijk ingewijd.

 

39. Onze kerk komt er weer bovenop

Indien Jan Berchmans na 1650 nog eens naar onze kerk was teruggekomen, zou hij zijn ogen niet geloofd hebben. In 1651 maakten onze kerkmeesters een akkoord om het laatste ongewelfde deel van het schip te overwelven. De stad gaf hiervoor 200 gulden subsidie. Boven de grote poort buiten werd een nieuw Mariabeeld geplaatst (1657). De kerk werd geplaveid met blauwe en witte steen en gewit (1665). Nu kwam er ook geld beschikbaar om de eredienst meer luister bij te zetten. Onze nieuwe monstrans uit Hasselt (1671) kostte 324 gulden. Op paasdag 1672 droeg de pastoor voor het eerst een zilverlaken kazuifel met gouden bloemen, in Antwerpen besteld voor 146 gulden. Geen wonder dat die weelde sommige handen deed jeuken om hun slag te slaan.

 

40. Inbraak

Op 17 augustus 1672 drongen dieven via een venster in de zijbeuk aan de Begijnenstraat de kerk binnen. Met een ploegijzer braken ze het sanctuarium open, de plaats waar gewijde voorwerpen bewaard werden. Ze namen er alles mee: een vergulde ciborie, een zilveren doosje voor de H. Olie, een ander om de communie aan de zieken te brengen en een derde waarin grote hosties bewaard werden. De hosties schudden ze uit op de vloer. Van de nieuwe monstrans namen ze alleen het lichte bovenwerk mee. De zware voet lieten ze achter, misschien omdat ze opgeschrikt werden. Meester Goetsbloets repareerde de monstrans. Voor de berechting moest de pastoor een tijdje de olie gaan lenen in de St.-Janskerk.

 

De Heer Luc Carlens uit Diepenbeek vond in 2011 in het Rijksarchief van Hasselt een brief van pastoor Blieck aan zilversmid Goetbloets van Hasselt met de lijst van de gestolen voorwerpen, zodat hij zou weten dat ze van de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Diest afkomstig zijn als iemand ze te koop zou aanbieden: ‘Meester Gielis. West van herten gegroet. Den setiensten deses snachts is ons sacrarium berooft. 1. Inden eersten onsen communie kop den welchen is silver vergult, den voet is cleijn, den cop is gelijck een groote terine comme. De h hostien hebben sij op de steenen gescudt. 2. Een silvere buskens gelijkck een torenken met een cruisken op, onder den voet drij leeuwkens.Dit diende voor de hijligen olie van de siecken. 3. Twee buskens aen een, deen is geteekent met een O, dander met een C. Alle bijde met scelkens op, ende welcke men toe doen met een silvere naalde hangende aen een silvere ketincke. 4. Een silvere doosken, daer twintich oft dertich groote hostien in kunden liggen, boven het schele is gesteken Chries aen het kruis. 5. Een silvere dousken, gelijck aen een groot agnus dei, toevouwende en sluytende met een silvere spelle hangende aen een silvere ketinxke, op deen deel syn dry caskens voor de h olie ende het hylick crisma, de scelken syn geteeckent met deze letteren o, c, i. Op het bovenste deel is een casken voor de h hostie, daer is oock een sceilken toe, rustende op een knoppeken. Men doet dit oock toe met een plaetken, al van silver, boven staet opgesteken den gecruysten Christus. 6. Van onse remonstrantie syn wech, de twee torenkens, met sinte Peeter ende sinte Paulus. Van het torenken van ons Lieve Vrouwe dry oft vier colummekens, oock den troon en het heel torenken van Chrus refuegens met den pellicaen ende het cruyske. Ick bidde u L wilt eens vernemen ofter iet van dit te coop quamp. F. Petrus Blieck Pastor Beate Marie In Diest 17 Augusti 1672.’

 

41. Kostbaar vaatwerk

In maart 1673, een half jaar na de diefstal, leverde Frans Offermans uit Antwerpen een nieuw zilveren oliedoosje en een gegraveerde kelk in verguld zilver, die 100 toenmalige gulden kostte. Datzelfde jaar werd er goudleder gehangen achter de stoelen naast het hoofdaltaar, een dure wandbekleding. Bij dezelfde goudsmid kocht pastoor Blieck nog een andere vergulde kelk met pateen, lepeltje en schaal voor de communie en betaalde daarvoor 215 gulden. Voor voorwerpen die in aanraking kwamen met Christus’ lichaam en bloed werden alleen goud en zilver waardig genoeg bevonden. Ze werden voortaan wel veiliger opgeborgen in een bewaarplaats met getraliede vensters. Intussen kregen ook de zijaltaren antependia, versierde voorhangsels voor de altaartafel. Dat alles dank zij milde parochianen! Daarom kon er in 1675 zelfs aan een nieuw orgel gedacht worden.

 

42. Orgel en oksaal

Uit een Latijnse tekst van 1481 zou je kunnen afleiden dat we toen reeds over een orgel beschikten. Het was eerder klein en stond opgesteld tegen de noordelijke zijmuur in het koor. Zo kon het gemakkelijk de toon aangeven aan de priester en de paar zangers beneden. Boven de ingang van het koor hing een groot kruisbeeld met Maria en St.-Jan. Er is ook sprake van een oksaal. Stond dit onder deze triomfgroep of vormde het een kleine zijtribune rond het orgeltje? We hebben daarover slechts schaarse gegevens. Dit alles had fel te lijden tijdens de verwoesting van 1580. In 1607 leverde de smid ijzers om het oksaal vast te maken. De orgelbouwer herstelde enkele pijpen van het positief, zoals het gemakkelijk verplaatsbaar orgeltje heette.

 

43. Een reeks orgels

In 1637 kochten we een nieuw orgel voor 240 gulden. De organist van Zichem nam het oude over voor 24 gulden. Na een tijd geraakte onze aanwinst versleten en in 1675 bestelden we een kwaliteitsproduct bij de bekwame orgelmaker Jan Dekens uit Haacht. Die had het vak geleerd bij de Duitse meester Hans Goltfusse. Ook de bedevaartskerk Kortenbos, St.-Germanus in Tienen en de abdij van Averbode bestelden bij deze fabrikant. Aan hem werd in verschillende schijven 559 gulden uitbetaald. Maar de meester treuzelde met de uitvoering, zodat onze kerkmeesters tegen hem moesten procederen.

 

44. Een nieuw oksaal

Terwijl Jan Dekens in zijn atelier in Mechelen het binnenwerk van het orgel vervaardigde, werd er in Diest niet stilgezeten. Hier bouwde Jan Masson, ons reeds bekend om zijn biechtstoel, de versierde orgelkast. Hij vroeg daarvoor 427 gulden. De abt van Tongerlo droeg hiertoe graag 60 gulden bij, als zijn wapen maar op de kast werd aangebracht. Ons smalle oksaaltje, met zijn gevlochten borstwering van witte wilgentwijgen, reikte niet meer voor dit gevaarte. Er was daar nauwelijks plaats voor een orgeltje, de orgelspeler en de blaasbalgtrapper. Timmerman Matthijs van Kempen moest achteraan in de kerk een nieuwe galerij aanleggen. Prijs 338 gulden. De aanschaf van het nieuwe orgel was dus geen peulschil.

 

45. Het orgel arriveert

Eindelijk in 1677 voerde schipper Cornelis de Putter de orgelpijpen en instrumenten aan. De vracht kostte 7 gulden en 4 stuivers (een stuiver was het 20ste deel van een gulden). Zakdragers ontvingen samen 10 stuivers om alles uit het schip te laden. Jan Dekens kwam een tijdje bij de pastoor logeren toen hij alles monteerde. Tot aan zijn dood onderhield hij het orgel, al kregen de kerkmeesters het nog wel eens met hem aan de stok. In 1680 moesten agenten de meester tweemaal arresteren, waarvoor de kerk 6 stuivers betaalde. Het oude orgeltje uit 1637 namen de cellebroeders in 1685 voor 40 gulden over. Onze nieuwe aanwinst hield stand tot in 1828. Wel behoefde het instrument grote herstellingen in 1738 en 1783. Een Jan Dekensorgel kan men nu nog beluisteren in de St.-Germanuskerk van Tienen. Dit enig overgebleven werkstuk van de meester werd in 1988 gerestaureerd.

 

46. Gregoriaanse zang

De aankoop van orgels wijst erop dat onze parochie belang hechtte aan muziek. We weten niet of pastoor Van Emmerick de polyfonische stukken uit zijn bibliotheek ooit heeft kunnen laten uitvoeren in onze kerk. Meestal werd er slechts eenstemmig gregoriaans gezongen. De eerste jaren van de herstelperiode (1608-1612) knapten koster Peter Leenders en wat later twee zangers, Cornelis van Welck en Jan Vinx, dit karweitje op. Later (1622) namen onze overburen, de begaarden, dit voor hun rekening. Maar vanaf 1636 tot 1677 luisterden de studenten en geestelijken van het Persoonscollege op donderdag en zondag in koorhemd het lof op. Latijnse zang stond op het schoolprogramma. Op Driekoningenavond kregen ze een traktatie. Het Persoonscollege was een soort kosthuis voor leerlingen aan het stadscollege. Het stond op de plaats van de latere (en intussen verdwenen) kliniek van dr. Van de Kerkhof in de Overstraat. Daar herinnert een gedenksteen nog steeds aan deze stichting van Nikolaas Esschius, die bekommerd was om priesterroepingen.

 

47. Feestmuziek

Tijdens de wederopbouw stelde onze kerk zich tevreden met gregoriaanse zang en orgelbegeleiding. Voor een feestelijke klank zorgden toen reeds (1608) twee speellieden die op kermisdag gehuurd werden. Maar dat was een luxe-uitgave. Onze muzikale pastoor Johan Verbrugghen (1623-1629), die zelf het orgel bespeelde, betaalde zangers en muzikanten nog uit eigen zak. Vanaf 1650 was er voor extraatjes wat geld beschikbaar. Bij plechtige gelegenheden weerklonk er meerstemmige muziek, bv. op het feest van Maria-Geboorte, Allerheiligen, tijdens de gulden mis in de advent en in het lof van palmzondag. Daarvoor werden speciale muzikanten ontboden als Filip Steens en Theodorus Van Herp. Welk instrument ze bespeelden, staat niet opgetekend, mogelijk de viool en hout. We geven nog een lijstje van de organisten tot aan de Franse revolutie: Aart Wiggers, Baldewijn Defontain, Hendrik van den Hove, Theodoor van der Straten, Petrus van Loffveldt, J.B. van Hove, Traedts, Jacops, Ceuppens, Peter Cuppens, een organiste Joanna Keupens (1740) en Johannes Kenes.

 

48. Niet de minste

Uit het voorgaande is reeds gebleken dat de Lievevrouwparochie stilaan weer in goeden doen kwam. Ze was niet de minste van het toenmalige landdecanaat Diest. Dit omvatte tussen 1596 en 1801 niet minder dan 32 parochies. In 1792 zelfs 37. Tot dit uitgestrekte gebied behoorden Aarschot, Betekom, Glabbeek, Halen, Linkhout, Meensel, Scherpenheuvel, Tielt en Zichem, om slechts enkele plaatsen te noemen. Als we de parochies naar het aantal inwoners rangschikken, stonden St.-Sulpitius (Diest) en Aarschot steeds vooraan. Onze parochie, Halen, Scherpenheuvel en Langdorp wisselden elkaar af voor de volgende plaatsen. Een epidemie of vlucht voor de vijand konden de uitslag van de tellingen fel dooreenwerpen. In 1675 telde onze parochie 900 inwoners en in 1697 1014. De pastoor kon dus best hulp gebruiken.

 

49. Onze eerste onderpastoor

Wegens priestertekort was er in 1600 geen enkele onderpastoor in het decanaat. In 1682 waren er reeds 14 werkzaam. Onze kerk moest wachten tot in 1677. Er was reeds lang om een onderpastoor gevraagd, maar de abt van Tongerlo kon zijn onderhoud niet betalen. Pastoor Blieck bracht daartoe de nodige middelen bijeen. Sinds het begin van die eeuw waren er belangrijke sommen nagelaten om jaarlijks missen voor de overledenen te lezen. Ze werden aan de abdij overgemaakt. Met de intrest kon een kapelaan bezoldigd worden. Onze eerste onderpastoor was Evermodus Plumants, witheer van Tongerlo, zoals zijn 17 opvolgers tot 1797.

 

50. Onderpastoor of niet?

De kapelaan woonde bij de pastoor in. Hij hielp hem bij het zingen van de hoogmis, vespers en lof, bij de catechismus en het toedienen van de sacramenten. Hij las mis voor de parochianen alle zondagen en geboden feestdagen. In 1652 waren er in ons bisdom nog 32 heiligendagen met verplicht mishoren en zondagsrust. Iedereen ging echter niet akkoord met de schikking die de pastoor met de stichtingen had getroffen. Was dit geld niet nagelaten voor een priester uit het bisdom en niet voor een kloosterling? De stadsmagistraat bemoeide zich met de zaak en vond een voor hem voordelige oplossing. Een deel van het inkomen van de onderpastoor werd toegewezen aan de priester-rector van het weeshuis, aan wie de stad zelf geen behoorlijk salaris kon geven. Als tegenprestatie zou deze priester in de O.-L.-Vrouwkerk helpen. Maar de rector verwaarloosde zijn dienst in de parochie en dit experiment mislukte, zodat de parochie haar aparte onderpastoor behield.

 

51. Kerk en gemeente

De tussenkomst van de stad bij de benoeming van de onderpastoor kan ons misschien verbazen. Vóór de Franse revolutie, toen Kerk en staat nog niet gescheiden waren, had het stadsbestuur een grote bevoegdheid in godsdienstige zaken. De magistraat waakte over de tijdelijke belangen van de Kerk. Hij stelde de kerkmeesters aan als zijn vertegenwoordigers ter plekke. Jaarlijks moesten dezen een zeer gedetailleerd verslag over de inkomsten en de uitgaven van de parochie indienen bij het gemeentebestuur, de oppervoogden die af en toe een subsidie verleenden. Dat is nog zeer begrijpelijk. Andere schikkingen zijn in onze tijd minder verstaanbaar. Op bevel van het stadhuis werd op het feest van de H. Carolus Borromeüs een plechtige mis gezongen opdat de stad gespaard zou blijven van de pest (in 1720 in de St.-Sulpitiuskerk). De magistraat gelastte daar ook missen om regen te vragen (1733) en als dank voor het goede weer bij het inhalen van de oogst (1763).

 

52. De benoeming van de koster

Het stadsbestuur regelde heel wat godsdienstige zaken, bv. wanneer precies de jaarlijkse bedevaart van de stad naar Scherpenheuvel in september gehouden werd en het klokgelui bij de begrafenissen. In St.-Sulpitius benoemde de stad de organist en zelfs de orgelblazer (1637). In 1682 wilde de magistraat in onze kerk de koster aanstellen. Maar de pastoor en de kerkmeesters verzetten zich hiertegen. Hierop haalde de schout met geweld enige meubelen uit het huis van de kerkmeesters Walter Cordijs en Jan-Baptist Janssens. Maar die werden teruggegeven toen onze parochie het proces bij de Raad van Brabant gewonnen had. De kandidaat van de stad werd afgezet en onze eigen keuze, Gaspar Libens, mocht zijn dienst als koster voortzetten.

 

53. Wat een koster zoal deed

De koster had het druk. Luiden voor plechtige diensten, sermoen, missen, lof en vespers. De altaren versieren, het lijnwaad reinigen, alben opvouwen, het koperwerk poetsen. Zorgen voor kaarsen en voor olie voor de godslamp. Het torenuurwerk opwinden, vuiligheid van de honden in de kerk opruimen, muizenvallen plaatsen in kerk en sacristie. Alsof dat alles niet volstond, was hij vaak nog onderwijzer in onze parochieschool. Voor ieder kind dat hij leerde lezen en schrijven, ontving hij maandelijks 3 stuivers. Voor behoeftige kinderen betaalde de armenraad hem. Waarschijnlijk gaf hij les in een huis van de kerk bij het kerkhof. Dagelijks moest hij met de kinderen naar de mis van de pastoor komen, ook ’s avonds naar het lof en ’s zondags naar de catechismus. Hij moest daarbij beletten dat de kinderen in de kerk praatten of op het kerkhof speelden.

 

54. Kosters van de parochie

Niet iedere koster was bekwaam om te onderwijzen. Maar als de kerkmeesters en de pastoor een kerkdienaar kozen, ging hun voorkeur naar iemand die school kon houden. Voor onderwijs konden de kinderen in onze parochie vanaf 1608 overigens terecht bij de paters begaarden, waar ze Frans, muziek en rekenen leerden. Voor juffrouwen was er van 1650 tot 1698 de kostschool van de zusters lorreinozen, waar Frans, goede manieren en handwerk op het programma stonden. In 1687 hield Elisabeth Vranckx apart school voor meisjes. We voegen hierbij het lijstje van onze kosters tot aan de Franse revolutie, voor zover hun naam overgeleverd is: Peter Luenders (1608), Hendrik Cools, Antoon Cools, Jan van Luyck, Jan Oosten, Gaspar Libens, Karel Leirens, Nicolaas Cooman, Willem Vrancken, Jan Vrancken, Jan Snijders, Jozef Snijders, Petrus Mertens en Jacob Verreydt (1791).

 

55. Populaire heiligen

We hebben reeds gesproken over de grote Mariaverering in onze kerk. In de 17de eeuw, de periode die we nog altijd behandelen, waren er in de O.-L.-Vrouwkerk nog andere heiligen zeer in trek: St.-Jozef en St.-Rochus. Reeds in de Middeleeuwen vereerden de timmerlieden de H. Jozef als hun patroon. Nu werd hij ook populair bij andere bevolkingsgroepen. De stoot daartoe had de heilige Theresia van Avila gegeven. Ze koos hem tot de voornaamste patroon van het inwendige gebed van haar orde, de karmelietessen. In 1621 breidde paus Gregorius XV het feest van St.-Jozef (19 maart) uit tot de gehele Kerk. In die tijd van oorlogen en besmettelijke ziekten aanriepen de mensen hem voor een zalige dood. In onze kerk stond er reeds een St.-Jozefsaltaar sinds 1646. Waarschijnlijk werd daarvoor het altaar van de H. Drievuldigheid gebruikt, een van de mooiste van de kerk. Daar werd de plaats van St.-Jozef in de 19de eeuw ingenomen door St.-Antonius van Padua.

 

56. St.-Jozef

Het beeld van St.-Jozef stelt hem voor met het opgeschorte kleed van de werkende man. De lelietak in zijn linkerhand is het symbool van onschuld en zuiverheid. De andere grote hand houdt hij beschermend achter het kindje Jezus. Gewoonlijk leidt de voedstervader Jezus bij de hand. Nog iets ongewoons: de kleine Jezus trapt op een dreigende slang en doodt het ondier met zijn speelgoedkruis (dat zilveren kruis is nu van tussen de handen weggenomen). St.-Jozef bleef bij ons zeer geliefd. In 1699 werd hem ter ere een broederschap opgericht. De leden namen op zich de berechtingen van de zieken met licht te vergezellen. Zijn altaar kreeg kandelaars, een antependium (1904), een geschilderde troon (1711). Het werd als marmer geverfd (1742). Maria Ludovica de Sua schonk een reliekhouder met buste van Jozef en Maria en een kruis in het midden en met als opschrift: ‘Familia Sacra’ (H. Familie). Deze gift mocht alleen op dit altaar gebruikt worden. De aardse drievuldigheid Jezus, Maria en Jozef, zoals men ze soms noemde, werd overkoepeld door de hemelse drie-eenheid op het fronton van het altaar.

 

57. St.-Rochus

St.-Rochus (1295-1327) verdeelde zijn vermogen onder de armen en trok als pelgrim door Italië. Hij verzorgde er pestlijders en werd zelf door de ziekte aangetast. Toen werd hij door iedereen gemeden. Alleen zijn hond bleef hem trouw. Rochus genas, maar werd bij zijn terugkeer in zijn geboortestad Montpellier voor een spion aangezien en hij stierf er in de gevangenis. Vanaf het einde van de 15de eeuw werd hij als pestheilige vereerd. St.-Rochus wordt afgebeeld met de hoed en de staf van de pelgrim. Hij heft zijn kleed op en toont de pestbuil op zijn been. Het huidige beeld in de kerk dateert uit de 2de helft van de 17de eeuw. Het prijkte vroeger in een kapelletje tegen de gevel van de kerk, dat bij de restauratie van de 19de eeuw werd afgebroken.

 

58. Verering van de H. Rochus

Tegen de zuilen van het kruispand stonden het altaartje van St.-Rochus en dat van St.-Anna. Beide verdwenen in 1826. Het schilderij dat het achterstuk van Rochus’ altaar versierde, hangt nu achteraan in de kerk. Het is een werk van Antoon Clevenbergh (einde 18de eeuw). Gedurende de 17de eeuw werden in Diest niet minder dan 29 jaren met besmettelijke ziekten als pest en dysenterie geteld, tijdens de 18de eeuw nog 12. Als de nood aan de man kwam, zoals in 1639, werd het kapelletje van Rochus hersteld, bepleisterd en gewit. Dan beschilderde Peter Stramot zijn beeld (1667). Dan werd er weer aan zijn altaar gedacht. Het kreeg een mooi kleed met franjes (1612), een nieuwe trede (1636), een antependium (1730). Dan werden ter ere van onze pestheilige noodmissen opgedragen, maanden lang (1633-1634). Rochus en Jozef gaven hun naam aan nieuwe klokken die in 1750 gegoten werden.

 

59. Graven in de kerk

In principe was de kerkelijke overheid tegen het begraven in het kerkgebouw. Ze liet dit wel toe voor priesters, mannelijke en vrouwelijke kloosterlingen en sommige beschermheren van de parochie. Het hoge tarief betekende immers extra inkomsten voor het onderhoud van het gebouw. De meest gewilde plaats was in het koor, dicht bij het altaar. Daar werd bv. onze pastoor Hubertus Smits begraven, die in 1653 aan de pest overleed. De meeste pastoors stierven niet tijdens hun ambtsperiode. Na hun ontslag verhuisden ze en ze werden dus in een andere gemeente begraven. Het koor was ook begraafplaats voor onze overburen, de paters begarden, zolang hun kapel niet hersteld was (1612). Drossaard ridder Hugo de Croeser, de vertegenwoordiger van de prinsen van Oranje, woonde in de Overstraat (huidige school). Ook hij kreeg hier in 1630 een laatste rustplaats voor hem en zijn familie. Zijn grafmonument was versierd met de familiewapens. Onder het koor rustten ook de drossaards Lamoraal Boonaert (1641) en Arnold Cox (1779).

 

60. Dicht bij de heiligen

Uiteraard kon niet iedereen in het koor begraven worden. In 1725 werden de lichamen van de zusters bonnefanten, in de volksmond lorreinozen, uit hun klooster  (dat intussen de brouwerij ‘Het Gulden Hoefijzer’ was geworden) naar onze kerk overgebracht en in het schip tegenover de preekstoel begraven. Niet alleen geestelijken en hooggeplaatsten echter verkozen een graf in de kerk en wel om uiteenlopende redenen. Men was er immers dichter bij het verlossende kruisoffer van Christus. Bij het laatste oordeel was men bovendien in het veilige gezelschap van de heiligen, wier gebeenten in de kerk vereerd werden. Daarom waren rustplaatsen bij het altaar van het H. Kruis, het H. Sacrament, de H. Drievuldigheid, O.-L.-Vrouw van Smarten en St.-Anna zeer in trek. Slechts uitzonderlijk werd voor de begrafenis een grafkelder gebruikt, zoals voor de familie de Croeser. Meestal werd de vloer gewoon opengebroken en het lichaam ter aarde besteld. De opgebroken plaveien werden daarna slordig teruggelegd.

 

61. Veel eer

De graven in de kerk zakten soms in en dan was er werk aan de vloer. Al bij al kwam men in de kerk in een fatsoenlijk graf terecht en niet in een massakuil zoals soms op het kerkhof. Een rustplaats in de kerk was tenslotte ook eervoller, omdat ze meer kostte. Het gelui, het baarkleed, het aantal brandende kaarsen waren dan immers navenant, zoals we later zullen behandelen. Niet iedereen kon zich dat veroorloven. In de periode 1700-1784 werden niettemin 432 mensen in onze kerk begraven, 15 % van de overledenen, waaronder ook kinderen. In strenge winters, zoals in 1695, 1715-1716, 1740, 1772, 1784, als er wegens de vorst geen graven op het kerkhof gedolven konden worden, werd evenwel iedereen in de kerk onder de toren begraven. Deze uitzondering staat telkens uitdrukkelijk in het begrafenisregister vermeld.

 

62. Een ongezonde toestand

Tussen 1628 en 1637 moest onze kerkvloer 113 maal opengebroken worden. Ook slachtoffers van de pest en andere epidemieën werden binnen begraven. Dat was gevaarlijk. In 1634 verordende het stadsbestuur voor St.-Sulpitius dat wie aan de ‘haastige ziekte’ stierf, niet meer in de kerk begraven mocht worden, tenzij men een toeslag van 25 gulden boven de gewone begrafeniskosten betaalde. We weten niet of deze maatregel ook voor de O.-L.-Vrouwparochie gold. Tijdens de pestjaren 1634-1635 stootte men niettemin nog 46 maal op een grafkuil in onze kerk. Geen wonder dat het er onaangenaam rook, om het zacht uit te drukken. Slechts weinigen ergerden zich daar nochtans aan, tot keizer Jozef II in 1784 verbood nog in kerken en kapellen te begraven. Een wijs besluit!

                                                                                                                     

63. Het parochiale kerkhof

Veruit de meeste mensen werden op het parochiale kerkhof begraven. Het lag helemaal rond de kerk. Het noordelijke deel langs de toen veel smallere Begijnenstraat reikte tot een de nog bestaan gotische poort van de begarden. Trek dan een loodrechte lijn naar het zuiden tot aan het huidige zijwegje aan de Bruidstraat , dat tot 1820 doorliep naar de Grauwzustersstraat en de zuidergrens vormde. In het westen strekte het zich uit langs de Bruidstraat  vanaf de kerk tot aan het voornoemde paadje. Het kerkhof was helemaal ommuurd. Men kwam er binnen via deuren aan de straatkant of draaibomen aan de achterzijde. Kinderen mochten er niet komen spelen, dieren niet komen weiden. Het was immers een gewijde plaats, als het ware een verlengstuk van het kerkgebouw. In 1675 werden er twee blikken platen op de kerkhofmuur geslagen met het verbod nog vuilnis op het kerkhof te storten. Voor de ongeletterden zal deze waarschuwing wel vergezeld geweest zijn van een afbeelding die de straffen schilderde welke de overtreders te wachten stonden, zoals dit voor andere stedelijke verordeningen gebeurde.

 

64. Een heilige plaats

Net zo goed als een kerk kon het kerkhof ontheiligd worden door moord of bloedvergieten of de begrafenis van een onwaardige. Voor de laatsten was een speciaal plekje ongewijde grond gereserveerd. In de andere gevallen moest de ontwijding door een speciale ritus hersteld worden, zoals in 1793 gebeurde na een duel. Daar onze begraafplaats ruim was, werd niet het hele terrein door recente graven ingenomen. Er groeide dan ook gras, dat de koster verhuurde. Verder was het beplant met olmen, beuken en essen. De meest gewaardeerde plek lag rond het koor. Hier werden de kinderen begraven. In sommige rampjaren zullen de doden wel ter aarde besteld zijn in een gemeenschappelijk graf. De armen werden in een zak genaaid, zonder kist. Een kist kostte minstens 2 gulden (1737). In 1634-35 stierven er in onze parochie 260 mensen aan de pest, in 1693 156 parochianen aan bloeddiaree.

 

65. Een hoog sterftecijfer

In 1624 werd Jacobus Poelmans uit Schaffen in de parochie begraven; ‘wellicht een honderjarige’, noteert het register. Maria Boogaerts was er 103 in 1653. Katharina Van de Vonden werd 80 in 1702. De gouden huwelijksjubilarissen Nicolaas Veriannen en Barbara Brabants werden nadien bij elkaar begraven (1720). Dit waren echter uitzonderlijke gevallen: de meeste mensen stierven toen jong. Liefst 47 % van de sterfgevallen tussen 1653 en 1703 bestond in onze parochie uit kinderen en tieners. Volgens de berekening van dokter M. Meeus bedroeg het sterftecijfer in Diest in dezelfde periode gemiddeld 40 per 1000. Een paar recente cijfers voor België: in 1900 was dit 19 per 1000, in 1984 11, 8. Grote sterfjaren met meer dan 50 overlijdens waren in onze parochie: 1629, 1675, 1692, 1693, 1694, 1702, 1719, 1720, 1754, 1765 en 1785.

 

66. Sluiting van de kerkhoven

Het begraven gebeurde slechts oppervlakkig. In 1728 werd voorgeschreven dat de grafmaker de graven minstens 4 voet (ca. 1, 12 m) moest delven. Vanaf 1784 werd het kerkhof rond de St.-Sulpitiuskerk om gezondheidsredenen afgeschaft. De overledenen van die parochie werden voortaan die van de O.-L.-Vrouw- en de St.-Jansparochie begraven. Keizer Jozef II bande echter alle kerkhoven uit de steden. Het stadsbestuur besloot toen een nieuwe begraafplaats aan te leggen buiten de Hasseltsepoort. De grond daarvoor werd echter pas in 1924 (sic!) gekocht. De laatste begrafenis op onze dodenakker gebeurde op 3 juli 1798. Voortaan werd alleen nog het St.-Janskerkhof gebruikt. Er werd nochtans een uitzondering gemaakt voor de 18 verdronken boerenkrijgers die half november van dat jaar aan de brug aan de Zwartebeek aanspoelden. Ze werden met karren naar ons kerkhof gebracht en verdwenen er in een massagraf. Wat er verder met ons kerkhof gebeurde, behandelen we later.

 

67. De begrafenis

Al bleef het gezegde waar: ‘Voor de dood is iedereen gelijk’, de uitvaartplechtigheden waren toen gevoelig ongelijker dan nu. De lijkdienst kon om 9, 10 of 10.30 uur geschieden. Met groot gelui kostte dat in 1784 respectievelijk 3 gulden 2 stuivers, 10 gulden en 21 gulden. Voor armen werd een gelezen mis opgedragen of enkel de absoute gebeden ter kwijtschelding van hun zonden. Er was keus uit drie lijkkleden waarmee de katafalk bedekt werd. Het beste kon men in 1639 huren voor 4 gulden, het minste voor 1 gulden. Voor kinderen en sommige volwassenen werd soms een wit baarkleed gebruikt. Ook het aantal kaarsen rond de baar en op het altaar schommelde fel. Als er meer dan 16 brandden, behoorde je tot de topklasse.

 

68. De rouwstoet

De stand van de overledene kon men evenens opmaken uit de rouwstoet. Voor wie zijn graf in de kerk kreeg, kwam de proost van St.-Sulpitius met het kapittel het lijk afhalen in het sterfhuis en begeleidde het naar de kerk, waar onze pastoor de mis opdroeg. Later, toen ook welgestelden een plaats op het kerkhof vroegen, bleef dit eerbetoon voor hen behouden. In sommige lijkstoeten stapten bovendien de augustijnen, de minderbroeders, de schutterij, wezen en armen mee. Soms waren er toortsen en muziek. Gildenbroeders vergezelden hun vakgenoot naar zijn ultieme rustplaats. Armen lieten zich inschrijven in een broederschap. Zo waren ook zij niet alleen op hun laatste tocht en zou er gebeden worden en missen opgedragen voor gewone mensen als ‘Hans den Duits, doof Heinken, Van hier op een ander en dat klein vrouwtje wier naam niet geweten was’, die het dodenregister optekende. Voor een armengraf werd zelfs niet het minimum gerekend: 6 stuivers.

 

69. Onze klokken

Ook de klokken galmden de status van de overledene uit. Zodra onze kerk enigszins hersteld was, werden een middelgrote klok (1606) en twee kleinere (1608, 1613) aangeschaft. Hun gebruik was aan strenge regels onderworpen. Groot gelui was vroeger altijd bestemd voor bepaalde personen en voor wie in de kerk begraven werd. Maar in 1658 bepaalde het stadsbestuur dat voortaan iedereen hiervan genieten mocht, als er per poos 12 gulden toeslag betaald werd. Of deze weeldebelasting lang behouden bleef, weten we niet. Rond 1720 bestelden onze kerkmeesters een nieuwe klok bij Alex Jullien uit Lier. Voortaan kon je dank zij de 4 klokken het onderscheid tussen de begrafenissen duidelijk horen. Voor de hoogste categorie (flambouwlijken) luidden de grootste en de twee volgende klokken. Voor een graf in de kerk 2de categorie luidden de 2 grootste. Voor kerkhoflijken met gezongen mis werden de 2 middelste gebruikt. Was er dan slechts een gelezen mis of werd een kind begraven, klonken de 2 kleinste. Voor straatarmen bleven de klokken stom.

 

70. Het gelui was nooit uit de lucht

Ook uit het aantal pozen dat er geluid werd, kon je iemands positie opmaken. Dat kon al van ’s middags of ’s avonds vóór de begrafenis zijn of enkel op de dag zelf. Sommigen bestelden 24 pozen, waarvan enkele van drie kwartier. Bij de dood van ‘onze genadigde’ keizer Karel VI (1740) en soevereine Maria Theresia (1781) galmde het groot gelui driemaal daags gedurende zes weken uit alle kerktorens. Zo stil was het dus bepaald niet in de goede oude tijd. Wel hadden de koster en de luiders werk en kon het kerkbestuur beter de eindjes aan elkaar knopen. Dit had ook zijn keerzijde. Klokken, klepels en touwen versleten snel door dit intense gebruik en moesten geregeld vervangen worden. In 1644 viel de klepel zelfs uit de grote klok. In 1634 (een pestjaar) scheurde een klok. Schipper David De Putter voer ze naar Mechelen om te hergieten. In 1749 hergoot A.J. Van den Gheyn uit Leuven de grootste klok. Kort daarop was ze weer gebarsten. De klokkengieter wilde toen weglopen, maar onze kerkmeesters paaiden hem met 80 gulden extra. In 1756 had hij weer werk met de tweede klok en 9 jaar later met de kleinste. De perikelen waren nog niet voorbij. In 1782 hergoot J. Huaert uit Antwerpen nog meer eens de grote klok.

 

71. Onze schilderijen

In de loop der eeuwen verwierf onze kerk heel wat schilderijen. De tand des tijds spaarde ze echter niet. Ook de mode sprak een woordje mee. Dan verdwenen sommige uit het oog of werden verkocht. De kerkrekeningen leren ons dat ze zelden aangekocht werden. Gelukkig schonken milde gevers soms een doek. Vermits er dan geen uitgaven waren, werd er niets in de rekeningen geboekt. Had onze kerk ze zelf betaald, zouden we tenminste de prijs, de precieze datum en de naam van de kunstenaar kennen. De meeste werken waren ook niet gesigneerd en slechts kopieën. Sommige kennen we alleen uit de archieven, andere hangen nog in de kerk. We geven nu een lijstje van onze schilderijen tot aan de Franse revolutie en beginnen met de verdwenen schilderstukken. In 1534 vermaakte Jan Reyners een ‘Maria Boodschap’ aan de kerk. Ze moest worden geplaatst bij het altaar van St.-Barbara aan de pilaar tegen het graf van zijn vrouw.

 

72. Kostbare werken

In 1797 selecteerden experts de schilderijen uit onze kerken, die ze de moeite vonden om op te nemen in het centrale museum ten bate van het volk. In onze kerk kwamen twee werken daarvoor in aanmerking. Het eerste was een op hout geschilderde ‘Aanbidden van de wijzen’. Het stond op een rechter zijaltaartje, maar is nu spoorloos. Het andere uitgezochte doek was het groot blazoen van de rederijkerskamer ‘Christusogen’. Het hing bij ons in het H.-Kruiskoor. In het met de barokke afsluiting omheinde koor woonden de leden de plechtige mis bij op de feesten van de Kruisvinding en de Kruisverheffing. Later verhuisde het naar de sacristie. Gelukkig kunnen we het nog bewonderen in het stedelijk museum. Het panorama van Diest op de achtergrond is gewoon verbeelding en geeft helaas geen informatie over onze stad rond 1600, toen het geschilderd werd.

 

73. Verdwenen schilderijen

Waar bleven de twee doeken we rond 1644 van abt Wichmans ontvingen? Over het eerste, de Triomf van St.-Norbertus, spraken we reeds in bijdrage 31. De commissarissen G. Coene en M. Dimartinelli namen het nog op in hun inventaris van 1797. Ze gewaagden niet meer van het tweede doek dat we van de abdij kregen: St.-Norbertus ontvangt het witte habijt uit de handen van Maria. Dit schilderij prijkte op het St.-Anna-altaar tegen een van de pilaren vooraan. Dit altaar werd in 1826 afgebroken. Verdwenen ook het schilderij van de H. Drievuldigheid, dat Nicolaas Stramot in 1675 repareerde? Welk stuk hing er boven het vroegere hoofdaltaar? Tijdens de vasten werd dit door een voorhangsel aan het oog onttrokken (1641), want zijn pracht vloekte met de boetestemming. We weten ook dat gezworen verkoper Peter Zellekaerts in 1683 enkele oude schilderijen verkocht, samen voor 9 gulden. Tweedehandse schilderstukken waren toen overigens ook elders relatief goedkoop.

 

74. Een kostbaar geschenk

In 1723 ontvingen we van pater Fr. Hendrix een klein Mariaportret op koper. De schenker behoorde tot een tak van de minderbroeders die aan de oorspronkelijke regel van Franciscus vasthield, de recollecten. Diestenaar Hendrix was in 1700 te Rome geprofest en zijn vader Guillaume kreeg bij die gelegenheid 20 gulden subsidie van ons stadsbestuur voor een nieuwe kap voor de neofiet. Onze kerkmeesters waren zeer in hun schik met het Mariaportret als geschenk. Ze offreerden aan de broer van de schenker 11 gulden als tegenprestatie. Het schilderijtje werd achteraan in de noordelijke zijbeuk opgehangen. Schrijnwerker Marcus Van de Plas, die later ons hoofdaltaar zou uitvoeren, bouwde er voor 31 gulden een monumentaal kader rond. Hierop schreef de Diestse schilder Andries Stramot in gouden letters het bewogen verhaal van dit tafereeltje. Vóór dit opschrift helemaal verbleekt is, drukken we in nr. 75 af.

 

75. Een reizend schilderij

De tekst onder het schilderijtje besproken in nr. 74 luidt in moderne spelling: ‘Ware afbeelding van het groot miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw onder de titel Toevlucht der Zondaren. Miraculeus geschilderd door Lucas. Staande in de zilveren kapel te Innsbrück in Tirol. Nageschilderd door broeder Lucas, recollect der voorgeschreven stad en van daar gedragen naar Jeruzalem door broeder Francis Hendrix, geboortig van Diest, recoll. van het convent te Wenen, missionaris van het H. Graf Christi binnen Jeruzalem, waarop dit eerbiedwaardig beeld twee dagen en nachten heeft gelegen en is aldaar gewijd ende heeft drie dagen gestaan op het graf van de allerheiligste Moeder Gods, wanneer voor hetzelve beeld zijn geschied verscheidene sacrificiën der misse. Ende is aan deze kerk door de voorgeschreven broeder Fr. Hendrix vereerd op 2 maart 1723’. Welke avonturen het tafereeltje nog beleefde nadat het in 1985 gestolen werd, kunnen we u helaas niet vertellen.

 

76. Portretten van pastoors

In de sacristie hangen vier portretten van pastoors van onze parochie. Het was een zeer verspreid gebruik bij de witheren dat pastoors hun portret lieten schilderen. Dat was dan bestemd voor de ontvangkamer in de pastorie. Bij hun vertrek verhuisde het gewoonlijk mee naar de nieuwe parochie. Hoe die vier dan toch in onze sacristie terechtkwamen, blijft dus een raadsel. Voor één althans, het bekende portret van pastoor Van Emmerick, bestaat er een verklaring. Tot aan de Franse revolutie hing het in de prelaatskamer bij de proost van St.-Sulpitius, tot de Fransen de proostdij onteigenden. Voor zijn benoeming in de O.-L.-Vrouwparochie was Van Emmerick een gezien man in de abdij. Als circator bezocht hij de witherenvestigingen om er de tucht te inspecteren. Daar hij de pastoor en leermeester van een mogelijk nieuwe heilige – Jan Berchmans – was geweest, werd met zijn beeltenis niet zo lichtvaardig omgesprongen. Zo belandde zijn portret ten slotte in onze sacristie tot in 1888. Toen maakte Thomas De Backer, een veelbelovend jonge schilder uit onze parochie die aan de academie in Antwerpen studeerde, er een kopie van voor onze kerk. Het originele doek verhuisde daarna naar de abdij van Tongerlo.

 

77. De andere pastoorsportretten

We kunnen veronderstellen dat de afbeeldingen van Johan Coenen en Johan Verbrugghen ook afkomstig zijn uit de onteigende proostdij van St.-Sulpitius. Beiden werden immers na een kort verblijf in de O.-L.-Vrouwparochie tot proost van de Sulpitiuskerk bevorderd. Johan Coenen was daar hoofd van het kapittel tussen 1607 en 1615 en werd dan prior, tweede in bevel, van Tongerlo. Johan Verbrugghen (te herkennen aan zijn paternoster met palmhouten kralen) was proost van 1629 tot 1635, toen hij aan de pest overleed. Voor de derde geportretteerde, Cornelius Pauli, echter gaat deze verklaring niet op. Wel was hij als gewezen circator een gezien man in de abdij. Hij werd trouwens in 1715 tot pastoor van het belangrijke Duffel bevorderd. Hij was 52, 12 jaar pastoor in onze parochie, toen hij zich liet schilderen in zijn met bont omzoomd koorhabijt. Het is jammer dat we geen geschilderde portretten bezitten van verdienstelijke figuren als J. Blieck, B. de Tourier en anderen. Ook in de abdij van Tongerlo zijn er geen enkele afbeeldingen van pastoors van de O.-L.-Vrouwparochie bewaard gebleven.

 

78. Lijdenstaferelen

Na het concilie van Trente leefde de verering van het lijden van Jezus weer op. Daarvan getuigt onze ‘averechtse kruisweg’ (einde 17de eeuw). Het volk noemde hem later zo, omdat hij in tegenstelling met onze jongere gipsen kruisweg achteraan in de kerk begint. De vroegste kruiswegen telden slechts 7 staties en ook de overwogen episodes verschilden enigszins van de thans gebruikelijke: Jezus in de olijfhof, de geseling, Jezus met de doornenkroon. Naast ons beter vertrouwde: Veronica met haar doek, Jezus van zijn klederen beroofd, de kruisiging en de kruisdood. [ In de herfst van 2000 werd deze kruisweg gestolen ]. Hoe groot de lijdensdevotie in onze kerk was, valt op door de schilderijen die later naar de sacristie of bergplaats verhuisden. Een interessante Ecce Homo naar Rubens (1625), Jezus ontmoet de wenende vrouwen, een kopie naar een verdwenen werk van Jan van den Hoecke (1650). Dit doek liet juffrouw Berges in 1856 aan onze kerk. Het werd toen op 6 à 7 frank geschat. Uit het begin van de 18de eeuw stammen: De bewening van Christus, de kruisafneming naar het beroemde doek van Rubens. Waarschijnlijk allemaal giften van weldoeners.

 

79. Andere voorstellingen

Uit al die bewaarde lijdenstaferelen, uit de altaren van O.-L.-Vrouw van Smarten (1758) en van de Kruisvinding (1767), uit het aan het museum uitgeleende beeldhouwwerk (de Piëta, Christus in het graf) zou men kunnen afleiden dat de mensen in onze kerk vooral het lijden van Jezus en zijn moeder vereerden. Deze indruk wordt evenwel afgezwakt door de onderwerpen van de verdwenen schilderijen die toen toch ook het geloofsleven inspireerden (zie vorige bijdragen) en door andere thans nog bewaarde doeken. In de noordelijke kruisbeuk hangt ‘Maria bezoekt Elisabeth’ (1ste helft 18de eeuw). In de zuidelijke kruisbeuk is een reusachtig doek, dat 2, 35 bij 3, 95 m meet: ‘De verzoening tussen Jacob en Ezau’. Over deze gebeurtenis kan men in de bijbel lezen in Genesis 32 en 33. Achteraan in de kerk: St.-Rochus door Antoon Clevenberg (rond 1790). Van deze Leuvense schilder hangen er nog werken in de O.-L.-Vrouw ter Predikheren aldaar. Boven een offerblok spoorde een klein schilderijtje op blik de gelovigen tot goedgeefsheid voor de armen aan: ‘Om Godts wille alhier een caritaet ten dienst van alle schamel huysen’. Het wordt thans in het museum bewaard. Vrijgevigheid zonder oneerlijke bedoelingen beoogde ook de ‘Dood van Ananias’. Het verhaal van Ananias en Safira vindt men in Handelingen, 5, 1-11. Door hevige waterschade in de bergplaats ging dit doek echter in 1978 onherroepelijk verloren.

 

80. Aanwinsten

Toen onze pastorie in de M. Theysstraat ontruimd werd (1776) groeide ons kunstbezit met twee schilderijen aan: ‘Boodschap van de engel en ‘Heilige Familie’.  Op dit laatste stuk treffen we een merkwaardige voorstelling van St.-Jozef aan. De voedstervader leest zijn gezin voor uit de H. Schrift. Volledigheidshalve citeren we nog volgend oncontroleerbaar weekbladartikel van 1920: ‘In de O.-L.-Vrouwkerk berust een schilderij, waarvoor de mensen in toeloop kwamen bidden. Men vertelt dat een krankzinnige die in een diepe put was gesprongen er tegen ieders verwachting volkomen genezen werd uitgehaald, terwijl men voor zijn redding bad voor deze schilderij’. Op welke schilderij dit artikel doelt, wordt niet nader bepaald en ook de archiefstukken gewagen niet van zulk een toeloop. Misschien gaat het om het schilderijtje ‘Toevlucht der zondaren’, dat we reeds bespraken.

 

81. Giften

De gewone ontvangsten aan renten, huur, begrafenisrechten en de schaal lieten onze kerkmeesters weinig ruimte voor grote uitgaven. Gelukkig waren er ook buitengewone inkomsten als de verkoop van bomen, afbraakmateriaal, maar vooral giften van de gelovigen. Met het oog op de eeuwigheid probeerden mensen in testamenten hun slechte daden goed te maken. Sommigen met een angstvallig geweten lieten aan de Kerk zelfs enkele stuivers na voor het geval dat ze ooit onwetend onrechtvaardig goed hadden bezeten. Het hoeft niet altijd restitutie te zijn geweest, toen Adriaan Wiggers (1603) 300 gulden legateerde, het echtpaar Jan Quints-Vandenhove (1624) evenveel, of Frederik Sweerts (1625) 50 gulden. De weduwe uit ‘In het Lommel’ legateerde zelfs 1000 gulden. Aan grote legaten was meestal een stichting van missen verbonden. Jan Kaasmans vermaakte daarvoor 800 gulden (1611), Godefridus van den Goedenhuysen en zijn zuster liefst 2500 gulden (1779), die uitgeplaatst werden voor de aanleg van de straatweg Leuven – Diest.

 

82. Godspenningen en voetpenningen

Bij een verkoop of verhuur vielen er wel eens godspenningen aan de kerk: enkele stuivers handgeld. Enkele keren worden er ook voetpenningen vernoemd: waarschijnlijk standgeld voor kraampjes bij de kerk. Sommige giften waren in natura. Een kip, een haan (1606) respectievelijk voor 12 en 6 stuivers verkocht. De trouwring van een overledene (1636), die 6 gulden 6 stuivers opbracht, een rode sluier, zilverwerk. Vele geschenken bleven echter het beeld van Maria sieren: een vergulde zilveren ketting, zilveren medailles, koralen paternosters en ringetjes (1741). Sommige schenkingen hadden een welbepaalde bestemming. Renneke van Bree schonk 37 gulden voor het tafereel op het Maria-altaar (1628). Elisabeth Fierckel en Margriet Crijters gaven giften voor de bouw van het kapelletje aan de Warande (1653). Toen de klokken hergoten werden (1749), kwamen peter en meter over de brug: beiden met 59 gulden. Dikwijls moest er ook brood worden uitgereikt aan de armen die de lijkdienst of het jaargetijde bijwoonden.

 

83. Steun van hogerhand

De abt van Tongerlo droeg bij voor de nieuwe orgelkas (1678), de houten wandbekleding van de zijpanden (1739), maar dan moest wel zijn wapenschild daarin aangebracht worden. Het stadsbestuur steunde de heropbouw van de kerk tussen 1608-1613 met 325 gulden en later (1651) het bekluizen van het nog ongewelfde deel (200 gulden). Het kwam tussenbeide voor een nieuwe klok (1721) en een torenuurwerk (1768), dat Jozef Hendrickx uit Mechelen vervaardigde en waarvoor overigens nog in de stad gecollecteerd werd. Af en toe kon er zelfs wat af voor een prijsje aan wie trouw de catechismusles op zondagnamiddag bijwoonde. Met grote tussenpozen (1717, 1734, 1740) ontvingen onze parochie dan 16, 22 en 35 gulden. De stad had het zelf niet breed.

 

84. Oorlog en geweld

De grote vrijgevigheid van onze voorouders zou ons misschien doen denken dat ze altijd voorspoedige tijden beleefden. Niets is minder waar. Van 1568 tot 1748 heerste er altijd ergens oorlog in ons land. Al werd er zelden gevochten in de buurt van de Diest, toch drukten de vijandelijkheden op de bevolking. Onze stad was immers een garnizoensplaats. Bijna altijd lagen er militairen van vriend of vijand in de poorten en verdedigingswerken, in de soldatenhuizen, die sommige burgers verhuurden. Als het garnizoen overtalrijk was, werden de manschappen ingekwartierd bij de inwoners. Dan deelden ze dikwijls de enige kamer met de gastheer en zijn gezin en speelden de baas in huis. De vergoedingen voor deze inkwartiering putten de stadskas uit en joegen de belastingen de hoogte in. Enkele echo’s van dat leven onder soldaten zijn tot in ons kerkarchief doorgedrongen. Het zijn slechts kleine feitjes, maar ze roepen die woelige tijd voor de geest.

 

85. Woelige tijden

Zoals we reeds eerder geschreven hebben (nrs. 19, 20, 21) was 1580 een rampjaar voor onze parochie. Bejaarden, die het nog gehoord hadden van hun ouders, vertelden aan pastoor Sallaerts dat onze toren en kerk nochtans met 50 gulden gered hadden kunnen worden. Maar na de algemene plundering van de stad waren de mensen zo bang, dat niemand durfde tonen dat er nog geld te vinden was. En dus weigerden onze kerkmeesters dit geringe bedrag te betalen, met alle gevolgen ervan. ‘Vermits de vijanden Fransozen de stad geoccupeerd hebben’, kwam er tussen 1580-1582 geen cijns meer binnen en geraakte de armenzorg in het gedrang. Bevriende legers maakten het echter niet minder bont. De slecht betaalde huurlingen in Spaanse dienst sloegen dikwijls aan het muiten. Wee de stad die ze moest logeren! Diest was herhaalde malen het slachtoffer. Op 8 december 1606 werd er in onze kerk niet gepreekt ‘omdat de gemutineerden (opstandige soldaten) meenden in de stad te komen’. Ze arriveerden werkelijk en bleven een goed jaar. Met presentjes aan hun aanvoerder probeerde ons kerkbestuur hen te kalmeren: ‘Een zilveren beker gekocht om te schenken aan de secretaris van de gemutineerden: 10 gulden, 6 stuivers (1608)’.

 

86. Onveiligheid

Toen pastoor Van Emmerick rond die tijd ook in Schaffen de zielzorg moest waarnemen, liet hij zich door gewapende Diestenaren begeleiden. Tochten op het platteland waren steeds onveilig. Zo namen onze kerkmeesters in 1628 twee soldaten als bescherming mee, toen ze in Reinrode hout gingen halen voor de herstelling van de kerk. Wegens perikel liet de ontvanger die de renten ging halen in Halen, zich vergezellen door een soldaat (1650). In 1676 moesten de kerkmeesters naar Mechelen rijden om de orgelmaker voor het gerecht te dagen. Het werd een dure aangelegenheid. Voor de kar, het vrijgeleide wegens de Duitse troepen en hun verblijf brachten ze 16 gulden in rekening. Men moest ook de soldij betalen van twee soldaten die de kerk bewaakten tegen de geuzen of ‘Hollanders’. Geen nood, in juli 1635 kwamen onze Spaanse bevrijders, ‘ceuninx volk’. Van een oudje in het Liefkintsgodshuis roofden ze alle kleren. Een soldaat kreeg 12 stuivers toegestopt om er de veiligheid te verzekeren. Pastoor Van de Put moest in 1634, we citeren; ‘de geuzen of Hollanders 12 stuivers geven’. Waarschijnlijk ging het om de soldij van twee soldaten die de kerk bewaakten.

 

87. Toen kon je ook lachen

Ondanks al het leed dat besmettelijke ziekten, bezetting en inkwartiering veroorzaakten, konden de mensen soms ook eens lachen. We behandelen hier niet de georganiseerde pret die er te beleven viel, als op kermisdagen de toneelgezelschappen ‘De Lelie’ en ‘De Christusogen’ bijna een hele week hun opvoeringen brachten op de Grote Markt. Ook het dagelijkse leven was een schouwtoneel. Ook toen hadden kleinen en grote lieden hun hebbelijkheden. Om die kleine kanten kon men zich ergeren of glimlachen, net als nu. In enkele bijdragen genieten we nu mee van zulke voorvalletjes die ons archief haalden. Wie ze daarin neerpende, zag er wellicht niet altijd zelf de humoristische kant van.

 

88. Kordate vrouwen

We hebben reeds eerder verteld (nr. 52) dat de schout in 1684 meubels aansloeg bij de kerkmeesters W. Cordijs en J.B. Janssens, omdat ze er zich tegen verzetten dat het stadsbestuur de koster van onze parochie zou benoemen. Een andere kerkmeester, Arnold Danckaerts, had zich toen bangelijk buiten de zaak gehouden. Maar zijn vrouw wilde niet wilde dat hij zou afsteken bij zijn collega’s en uitgelachen worden. Ze ontbood zelf de schout: ‘Wij willen niet afsteken. Kom, neem hier ook wat meubels mee!’ Een derde-ordelinge van St.-Franciscus had niet uitdrukkelijk gevraagd om bij de minderbroeders begraven te worden en dus gebeurde haar uitvaart in onze kerk. Gevolg: haar devote vriendinnen woonden de dienst niet bij en strooiden tegen alle gewoonte geen bloemen bij de baar (1691).

 

89. Een plezante schoonmaak

In juni 1717 had Jan Vleesens de kerk gewit voor 105 gulden. Daarna was er natuurlijk een grondige schoonmaak nodig. De kerkmeesters trakteerden de vele helpers met een ton bier en een koekje. Tegen het bevel van pastoor L. Wijckmans hadden ze de drank in het H.-Kruiskoor gelegd, ‘waar ze aten en dronken, tappende het bier met emmers’. De pastoor trad hiertegen op. Toen haalden ze bier uit de brouwerijen, ‘waaruit grote disorders gesproten zijn’, noteert hij. ‘Dit moet in de toekomst belet worden. Twintig personen ongeveer zullen aangesteld worden, voor en na eens drinken en daarna een koekje met een glas bier ontvangen, als de kerkmeesters het believen’. Over de kosten van die fameuze drinkpartij zwijgen de kerkrekeningen.

 

90. Herrie om een preek

In 1692 had pastoor Sallaerts gepreekt over de plicht van de herder om het woord Gods te verkondigen en van de gelovigen om naar het sermoen te luisteren. Hij liet daarbij duidelijk verstaan dat ze naar de preek in de parochiekerk moesten komen. Dit viel niet in dovemansoren bij de minderbroeders. Op hun kansel vielen ze deze uitspraak aan. De volgende zondag zakte er ongewoon veel volk naar onze kerk af. Ze wilden horen hoe de pastoor hierop zou reageren. Hij zweeg wijselijk, maar noteerde in zijn handboek: ‘Misschien komen de mensen zo weinig naar de sermoenen omdat de pastoors de waarheid te plat zeggen. Ze lopen liever op een ander om histories en exempelen te horen, wat aangenamer is voor hun zinnelijkheid en nieuwsgierigheid. De paters berispen niet zoveel, omdat ze minder de fouten kennen als de herders’. Het voorval met de paters werd ten slotte in der minne geregeld.

 

91. Wedijver

Om zijn strenge opvattingen over moraal ging pastoor Sallaerts door voor een jansenist ( jansenisten waren voorstanders van een uiterst strenge levenswijze en van de predestinatie; ze waren door de Kerk veroordeeld als ketters). Op andere gebieden was hij dat zeker niet. Hij verklaarde uitdrukkelijk dat hij gehoorzaamde aan de paus en zijn decreten. ‘Het is een teken van onderscheid tussen katholiek of niet-katholiek’, waren zijn woorden. Jansenisten gaven ten andere ook minder om de heiligenverering en de aflaten. We weten echter reeds dat Sallaerts nieuw leven inblies in de devotie tot de kapelletjes (nr. 36). Ook op het stuk van aflaten trof hem geen verwijt. In 1696 had hij voor onze kerk van Rome een volle aflaat bekomen op het feest van St.-Norbertus. Dit werd met briefjes op de kerkdeuren aangekondigd. In St.-Sulpitius werden die briefjes afgetrokken en daar verkondigden ze een eigen aflaat, evenwel zonder machtiging volgens onze pastoor. Die rivaliteit tussen beide kerken was het volk niet onbekend. Sprak de volksmond van oudsher niet monkelend over ‘de dag dat Jezuken zijn moederken komt bezoeken’, als de 3de paasdag de proost met het kapittel van St.-Sulpitius de hoogmis in onze kerk kwam zingen? Ook zagen de pastoors van de Lievevrouwkerk met lede ogen dat het kapittel bij hen de plechtige begrafenissen opluisterde. Dan liepen ze er slechts voor spek en bonen bij tussen deze heren.

 

92. Eindelijk vrede

We hebben ons relaas over oorlog en geweld even onderbroken met een komisch intermezzo, maar nu nemen we de draad van de gebeurtenissen weer op. In 1713 kwamen de Spaanse Nederlanden onder Oostenrijk en de inkwartieringen verminderden. Maar in 1746 was Diest weer in Franse handen. Ze openden een militaire bakkerij in het Liefkintsgodshuis en de inwonende behoeftige oude vrouwen moesten maar elders een kamer gaan huren, waarvoor de rentmeesters konden afdokken. Er kwam geen huur meer binnen van de weiden in Molenstede, omdat de Franse paarden alles hadden afgeweid. Lang zou deze bezetting echter niet duren. In 1748 werd de vrede van Aken getekend. Nu werd het 40 jaar rustig en groeide de welvaart alom. Dat zou zich ook in onze kerk weerspiegelen. Ze werd verfraaid met het grotendeels nog bestaande meubilair, gewelven in de zijbeuken, lambrisering en een nieuwe, arduinen poort. Hierover zullen de volgende bijdragen handelen.

 

93. Lambrisering

Sinds 1892 zijn de muren van de zijpanden aan de binnenzijde met marmerplaten bekleed. Dit is geen overbodige luxe. Die wanden waren immers helemaal doortrokken van vocht, afkomstig van het grondwater, overlopende en lekkende goten, regenvlagen. Daartegen was geen pleister, kalk of verf bestand. Daarom zagen ze er altijd slordig uit. Dus besloten onze kerkmeesters in 1737 het ondergedeelte met hout te bekleden. Arnold Aerts knapte het werk op en zijn weduwe rekende daarvoor 411 gulden aan. De stad schonk hiervoor 280 gulden en ook de prelaat van Tongerlo droeg 50 gulden bij, als zijn wapen in de lambrisering werd aangebracht. Of dit beschot tot in 1892 standhield, weten we niet.

 

94. Een nieuw hoofdaltaar

In onze kerk staan geen meubelen meer uit de beginperiode. Zelfs als de memel en de verwoesting van 1580 ze gespaard zouden hebben, zouden ze toch in de loop der jaren het slachtoffer geworden zijn van de veranderende smaak. Ook kerkuitrusting volgt de mode. Toen er na 1748 eindelijk vrede heerste en meer welstand kwam, kon men het meubilair aanpassen aan de smaak van toen. Eerst kwam de blikvanger aan de beurt: het hoofdaltaar. In juni 1754 kwam de Leuvense meesterschilder en architect A.J. Van Campen ter plaatse de opmetingen doen. Hij ontwierp het model en ontving daarvoor 25 gulden. In een O.-L.-Vrouwkerk was het opgelegde thema vanzelfsprekend Maria. Of Van Campen dit onderwerp naar eigen inspiratie uitwerkte of volgens richtlijnen uit Diest, weten we niet. De ontwikkeling van de gedachte verraadt alleszins een ongewone vertrouwdheid met de H. Schrift. In dit verband zouden we kunnen denken aan onze toenmalige pastoor, Bonaventura de Tourier (1747-1763). Hij was zeker niet de eerste de beste. Vroeger was hij prior geweest in de abdij van Tongerlo en in 1749 werd hij landdeken van ons uitgestrekt decanaat.

 

95. Een meesterlijke compositie

De gedachte die ons hoofdaltaar uitdrukt is: de aankondiging van de verlossing. De boodschap aan Maria staat centraal. Bij sommige altaren vindt men wat uiteenlopende stukken opgesteld: allerlei heiligen en voorstellingen. In onze kerk past elk onderdeel schitterend als omraming van de hoofdgedachte. Het middenstuk spreekt voor zichzelf. De taferelen daarboven vragen wel om wat toelichting. Boven de zuilen: de boodschap aan Gideon. Een afgezant van God vraagt hem de redder van zijn volk te worden en de vijand uit het land te jagen. Gideon bad dan om een teken: ‘Indien Gij werkelijk Israël door mijn hand wilt bevrijden, laat dan de dauw alleen op de schapenvacht komen hier op de dorsvloer en laat de grond eromheen droog blijven’. En zo gebeurde het (lees in de bijbel Rechters, hoofdstuk 6).

 

96. ‘Ros in solo vellere’

Het wonder met de wollen vacht staat afgebeeld boven het opschrift: ‘Ros in solo vellere’ (‘Dauw op de vacht alleen’). In de kerkelijke kunst was deze voorstelling een zeer gebruikelijk symbool voor het maagdelijke moederschap van Maria. De beeldhouwer heeft boven de galerij ook koning David afgebeeld. Hij was de stamvader van Jezus, over wie de engel Gabriël in zijn aankondiging gewaagt. Het centrale tafereel wordt rechts geflankeerd door de profeet Jeremia (met de boekrol) en links door Jesaja. Ontegensprekelijk heeft de kunstenaar deze twee figuren gekozen om hun uitspraken die op de sokkels worden geciteerd. Jeremia 31, 22 luidt: ‘De Heer heeft iets nieuws op aarde geschapen: de vrouw zal de man omvangen’. Jesaja 7, 14 luidt: ‘Zie, een maagd zal moeder worden’. Beide teksten leest de Kerk als toespelingen op Maria en Christus.

 

97. Het plan wordt uitgevoerd

In juli 1754 reisde rentmeester Michaël Tielens naar Mechelen en Antwerpen. Hij besprak er de condities van meerdere beeldhouwers, o.a. met Th. Verhaegen, wiens werk vele Mechelse kerken siert. Maar misschien lag zulke befaamde meester buiten de financiële mogelijkheden van de O.-L-.Vrouwparochie. Op 10 augustus werd het altaar aanbesteed. Het beeldhouwwerk zou de Antwerpenaar Francis Somers leveren voor 1385 gulden, die in tranches werden afbetaald. Het is niet duidelijk of het hier vader of zoon Francis Somers betreft. Van deze laatste staat nog werk in de kerk van Loenhout en Kapellen (Antwerpen). De schrijnwerkerij zou de Diestenaar Marcus Van de Plas uitvoeren voor 1679 gulden. Hij had ons vroeger reeds het ornament voor een schilderijtje bezorgd (zie nr. 74) en een nieuwe communiebank (1742).

 

98. De rekeningen stapelen zich op

Intussen werd het oude tabernakel afgebroken. Om het reusachtige altaar te kunnen opstellen, metselde Sebastiaan Wanex enige vensters in het koor dicht en andere werden opengemaakt, waarvoor de weduwe van glazenier Stramot glasramen leverde. Het metselwerk kostte 102 gulden, de ramen 107. Zolang de werkzaamheden duurden, werd er mis gelezen aan een voorlopig altaar midden in de kerk (21 gulden). En steeds kwamen er nieuwe rekeningen binnen. Twee karren voerden de beelden uit Antwerpen aan (25 gulden). Uit de stad arriveerden ook de kapitelen van de kolommen en de versierde top van het altaar; vrachtkosten 20 gulden. Voor de pilaren tegen de zijmuren van het koor bracht M. Van de Plas extra 29 gulden in rekening. De tombe onder de altaartafel (78 gulden), twee vazen en schelpen (40 gulden) rekende Somers apart aan. In 1760 verguldde Jacobus de Craen het opschrift ‘Ros in solo vellere’ (12 gulden). Al die prijzen staan uitgedrukt in waarden van toen. Als we even de som maken: voor het altaar (ontwerp, vracht inbegrepen) 3293 gulden, voor de bijkomende kosten (metselwerk, glas, noodaltaar) 230 gulden. In de volgende bijdrage belichten we wat een gulden toen betekende.

 

99. Toenmalige lonen

Ons kerkbestuur moest voor het nieuwe altaar 3293 Brabantse gulden betalen. Was dit veel of weinig? We zullen dit bedrag niet omrekenen in hedendaagse franken of in euro’s. We vergelijken het liever met lonen en prijzen uit die tijd. We herinneren eraan: 1 gulden = 20 stuivers. Eén stuiver = 4 oorden. Eén oord = 6 groten. Hoeveel verdiende een arbeider in onze stad? In 1757 ruimde Mathijs Deré de Demer tegen 12 stuivers per dag. Maaiers en pikkers verdienden 14 stuivers (1748). Zware, maar goed betaalde ongeschoolde arbeid. Het daggeld van de ongeschoolde Velpmans werd op 8 stuivers geschat, ‘als hij werk heeft’, staat erbij genoteerd. Een wasvrouw verdiende evenveel. Een inwonende keukenmeid kreeg een jaarloon van 40 gulden, plus een deel van de fooien als er gasten kwamen. Gespecialiseerde arbeidskrachten trokken natuurlijk meer. Een schaliedekker verdiende samen met zijn knecht 24 stuivers. In 1783 ontving een steenkapper 1 gulden per dag. Voor het langdurige verzorgen van het fijt rekende de geneesheer in 1752 7 gulden aan, de chirurgijn 5 stuivers en 1 oord voor een aderlating (1778).

 

100. Prijzen

Wat kon men daarmee kopen? Brood betekende toen het hoofdbestanddeel van de voeding. Er waren broden van 1, 2 tot 6 stuiver. Die prijs was wettelijk vastgesteld en bleef van kracht tot aan de Franse revolutie. Wel schommelde het gewicht van zo’n brood naargelang de duurte van het graan. Ook het beste bier kostte toen onveranderlijk 2 stuiver de pot van 1,7 liter. De kwaliteit hing echter af van de graanprijs. Hollandse jenever ging 14 stuiver de pot (1751). Wie kon er zich de luxe veroorloven van een pond chocolade, 35 stuiver? Voor een paar schoenen betaalde men in 1754 1 gulden 1 stuiver, voor een grotere maat enkele stuivers meer. Gelukkig waren klompen goedkoop: 3 stuiver en 1 oord het paar. Een paar kousen gold 18 stuiver. Een jakje kostte 3 gulden 3 stuiver, een laken, rok 4 gulden 18 stuiver. Een lederen broek voor jongens ging 38 stuiver 2 oorden, een hoed voor mannen 1 gulden 11 stuivers. Voor een el lijnwaad werd 13 stuiver en 1 oord gerekend. Een jaar kamerhuur bedroeg 9 gulden in 1749. Voor een pot smout voor de verlichting telde men in 1747 8 stuivers neer. Een zak boskolen voor de verwarming gold 11 stuivers (1743), mutsaards 6 gulden voor honderd (1755). Zeep kocht men in 1748 tegen 11 oorden het toenmalige pond (464 gram).

 

101. Financiële toestand van de kerk

Uit de vorige bijdragen kunnen we afleiden dat het nieuwe altaar een enorme uitgave betekende. Van 1700 tot 1792, toen de laatste rekening goedgekeurd werd, hielden de kerkmeesters hun inkomsten en uitgaven goed in evenwicht. De tekorten in een jaar met buitengewone uitgaven werden op termijn steeds door overschotten gedekt. Het was dus geen ramp dat de laatste rekening met het nadelige saldo van 215 gulden sloot. Tussen 1700 en 1754 bedroeg het gemiddelde jaarinkomen van de kerk 824 gulden. Er viel dus niet aan te denken de kosten van het altaar met de gewone overschotten te vereffenen. Nu waren er buitengewone inkomsten nodig. Gelukkig tastten de mensen voor een besteding die ze voor hun ogen zagen gebeuren, dieper in hun zak. Er kwamen dan ook onverwachte giften binnen. In 1756 gaf mevrouw De Rademaecker 350 gulden, ene P.S. 107 gulden, gewone mensen 90 gulden. Nog in 1758 schonk een Antwerpenaar 100 gulden. Maar de hoofdbrok zouden loterijen bezorgen.

 

102. Loterijen

Er is niets nieuws onder de zon. In 1549 hadden de kerkmeesters van St.-Sulpitius reeds een loterij ingericht om de schulden af te betalen. Loterijen werden vaak georganiseerd voor een liefdadig of openbaar doel. De prijzen bestonden meestal uit een combinatie van luxevoorwerpen (als zilveren tafelserviezen, kandelaars, bekers, zoutvaten) met een som geld. Loten kon men bemachtigen door inschrijving op een intekenboek. Men kon ze contant betalen, maar ook in natura met een schilderij, vee, stoffen. Dat werden dan prijzen. Voor grote tombola’s werd met gravures reclame gemaakt. De overheid controleerde of er geen bedrog werd gepleegd en de trekking gebeurde op een openbare plaats. Onze rentmeester, Michaël Tielens, notaris van beroep, organiseerde in 1753 en 1754 maar liefst drie loterijen. De eerste bracht voor de kerk 1298 gulden op, de tweede 2413 gulden, maar de derde leverde 50 gulden verlies. Over de concrete uitvoering reppen de kerkrekeningen niet. Sommige winnaars bedachten het hoofdaltaar met een milde gift. Wie 400 gulden won, schonk 10 gulden. De hoogste prijs gaf 50 gulden, waaruit we misschien kunnen afleiden dat hij 2000 gulden trok. Wat onze tombola’s in de lage tot middelgrote categorie classificeert. In 1758 werden de instrumenten van de loterij voor 25 gulden verkocht aan de kerkmeesters van O.-L.-Vrouw in Tienen. Kansspelen moeten een rage geweest zijn, in zoverre dat in 1763 het verbod kwam nog loterijen in te richten zonder octrooi.

 

103. Nieuwe altaren

Nu de kerk een nieuw hoofdaltaar rijk was, vielen andere altaren uit de toon, welke kunsthistorische waarde ze ook gehad mogen hebben. Deze keer moesten de kerkmeesters niet opdraaien voor hun vervanging. Daar zorgden andere verantwoordelijken voor. We vinden dan ook geen uitgaven hieromtrent in de kerkrekeningen. De broederschap van O.-L.-Vrouw van Smarten werd in 1637 opgericht en stond nog altijd in de gunst. In 1758 liet ze haar nieuw altaar installeren. Een Latijns chronogram herinnert er ons aan: Matri Dolorosae confraternitas hoc posuit (De broederschap heeft dit geplaatst voor de bedroefde Moeder). Maria wordt er voorgesteld doorstoken door het zwaard van Simeons profetie (lees Lucas 2, 35). Allerlei voorwerpen roepen het lijden van Jezus op: de geselkolom en –zweep, de haan bij Petrus’ verloochening, het doek van Veronica, de spons met zure wijn, de lans die het hart doorboorde. Daar alles bekostigd werd door de leden, moeten we u de naam van de kunstenaar en de kostprijs schuldig blijven.

 

104. Een druk gebruikt altaar

Dank zij de bijdragen van de ingeschreven broeders en zusters was het altaar goed uitgerust met kandelaars en doeken. Voor hun processie op de laatste zondag van de maand (zie nr. 36) beschikten ze over een eigen kruis en vaandel en een gewaad voor de vaandrig. Voor wie met de schaal collecteerde tijdens hun plechtigheden, hing er een zwarte laken mantel in een aparte kast. Kostbare en dierbare geschenken prijkten in twee met zwart gevoerde, ingelijste panelen aan het altaar: gouden en zilveren kruisjes, oorbellen, ringen, medaillons met relieken, hartjes. Het altaar van de broederschap was niet alleen maar een sierstuk. Het werd druk gebruikt. Elke zaterdag en maandag werd er mis gelezen. De 4de zondag van de maand werd er een plechtige mis met drie heren gezongen. Nog in 1779 stichtten Johannes en Maria van den Goedenhuysen een dagelijkse mis op de weekdagen, die aan dit altaar gecelebreerd moest worden. In 1758 begon daar ook het maandelijkse lof voor de overleden leden en weldoeners. Tijdens die plechtigheid werd een katafalk opgesteld. Zeven platen met geschilderde doodshoofden verhoogden de droevige sfeer. We mogen dit lof niet verwarren met het lof van de doodsstrijd, dat velen nog gekend hebben. Dit kwam er pas na de sluiting van de St.-Janskerk (1823).

 

105. Altaar van het H. Kruis

In 1767 kregen de kerkmeesters toestemming van het stadsbestuur om een nieuw altaar te maken in het koor van het H. Kruis. Ook hierover vinden we geen gegevens in de kerkrekeningen. Misschien droegen de Christusogen daartoe bij, want de zuidelijke arm van de dwarsbeuk was ‘hun’ koor. Dit altaar werd soberder uitgevoerd. Een halfverheven beeldwerk beeldt de kruisvinding af. De H. Helena, de moeder van keizer Constantijn, reisde naar Jeruzalem om het kruis van Christus terug te vinden. Bij opgravingen werden er drie kruisen opgedolven. Welk was dat van Jezus? De plaatselijke bisschop Macarius liet ze aanraken door een doodzieke vrouw. Bij het contact met het derde kruis genas ze. Ook dit altaar werd op vaste tijden gebruikt. Elke woensdag en vrijdag las de onderpastoor er mis. Hij droeg dan een rood kazuifel. Voor de feesten van kruisvinding (3 mei) en kruisverheffing (14 september) was er een speciaal rood gewaad gereserveerd. Elke vrijdag tijdens de vasten gebeurde er een plechtige mis met assistentie. In die tijd hadden de zijaltaren werkelijk een functie. Ook aan het St.-Jozefsaltaar en dat van het H. Sacrament moesten bepaalde missen opgedragen worden volgens testamentaire beschikkingen.

 

106. Zijbeuken

Wie ergens iets vernieuwt, weet dat andere kosten zullen volgen. Toen onze nieuwe altaren er stonden, staken sommige dingen te zeer af, bv. onze zijbeuken en de vloer. Die beuken waren nog niet gewelfd. Men keek er nog altijd op de balken, latten en planken van het leien dak. Deze schamelheid vloekte met de barokke weelde van de altaren en de lambrisering. In 1764 werd er dan ook besloten de panden te overwelven. Marcus Van de Plas, die in onze kerk zijn proeven reeds had afgelegd, tekende het model. Meestermetselaar Jozef Barthelemy voerde het uit en ontving 173 gulden als loon. Voor de ribben van het gewelf kapte Baptist Paris witte arduin (315 gulden). Daartussen kwamen bakstenen (51 gulden). We mogen blij zijn dat de overkluizing nog in gotische trant gebeurde. Op dat ogenblik koos men elders, bv. in de begijnenkerk, voor stucwerk in rococostijl.

 

107. Vloer

Toen viel onze kerkvloer weer uit de toon. Geen wonder, hij moest telkens ergens opgebroken worden om mensen te begraven. Dus lag hij er allesbehalve effen bij, met hier en daar een afgesleten zerksteen en daartussen gebarsten plaveien. In 1775 bestelden onze kerkmeesters in Namen 1400 zwarte marmeren stenen, kostprijs 588 gulden. Voor het vervoer werd maar eventjes 300 gulden aangerekend. Voor het koor werden in 1783 witte en zwarte plaveien uit Antwerpen aangewend. Ook kwam er een arduinen trap aan de communiebank. Gelukkig zou deze nieuwe vloer niet meer zo dikwijls geschonden worden, want vanaf 1784 waren graven in de kerk verboden.

       

108. Een nieuwe ingang

Rond 1777 oordeelden onze kerkmeesters dat de ingang van de kerk wel wat aanlokkelijker mocht zijn. Een blauwe arduinen poort zou een meer eigentijds cachet geven aan dit gebouw in ouderwetse, gotische stijl. F.J. Guyaux ontwierp het model. Hij had er geen idee van hoeveel de uitvoering zou kosten en reisde speciaal naar Namen voor meer informatie. Een steenkapper uit Sint-Truiden, Jozef, Henquet, nam het werk aan voor 294 gulden. De passende kerkdeur leverde Johannes Bogaerts. Hem werd 16 gulden uitbetaald als loon. Er ging voor 19 gulden eik in die deur en voor 43 gulden ijzerwerk. Dit laatste bezorgde Antoon Pieck. Beeldsnijder F. Roucourt uit Brussel vervaardigde het Mariabeeld in de nis: een glimlachende Maria met een speels kindje dat haar hoofddoek wil afrukken. Het is uitgevoerd in gebakken aarde. Prijs: 21 gulden. Deze kunstenaar leverde ook verscheidene apostelbeelden voor de St.-Sulpitiuskerk. Hij inspireerde zich daarbij meestal op werk van grote meesters. Na die nieuwe poort moest het portaal aangepast worden. Jozef Guyaux tekende het plan in 1782.

 

109. Herstel en verval

Het zal niemand verbazen dat onze kerk die tussen 1255 en 1288 gebouwd werd, stilaan sleet begon te vertonen. Vooral de pilaren wezen zich als zwakke plekken uit. Reeds in 1684 moest Thomas De Marez ze repareren. In 1754 scheurde een kolom aan het koor. Ze werd met ijzer gebonden en geankerd door meestersmid Peter Smedts, die voor zijn arbeid 28 gulden ontving. Jan Troost levende 536 pond ijzerwerk, waarvoor 50 gulden betaald werd. Ook moesten er enkele stenen vervangen worden. Die kapte Michel Dieu. Jan Broche metselde ze voor 21 gulden. Niettemin zou deze pijler het in 1830 begeven met alle gevolgen vandien. In bijdrage 22 hebben we reeds vermeld dat de resten van onze oorspronkelijke toren in 1612 werden afgeslankt tot aan de nok van het kerkschip. Dat stompje werd ooievaarsnest genoemd. Die naam berustte vermoedelijk niet op louter fantasie. In 1782 werd dit laatste stuk afgebroken. Daarboven kwam een nieuw dak en onze ‘toren’ kreeg het ons vertrouwde uitzicht. Intussen werd onze zuidgevel bouwvallig. Op 10 augustus 1793 leende Johan Jozef Troosters renteloos 1000 gulden voor de herstelling. Let op de datum! Onze mensen waren wel zeer optimistisch. Van 22 november 1792 tot 19 maart 1793 had onze stad immers reeds kennisgemaakt met de Franse republiek en haar houding tegenover de godsdienst.

 

110. Uur en tijd

Onze voorouders waren geen slaaf van de tijd. Het duurde overigens tot vorige eeuw, eer ieder huis zijn uurwerk bezat. Het luiden van de klok ’s morgens, ’s middags en ’s avonds gaf de mensen een zeker houvast voor hun dagindeling. Voor precieze afspraken lieten ze zich leiden door de slag van het torenuurwerk. Voor de gemeenschap was een torenklok dus onmisbaar. Bij de verwoesting van onze kerk in 1580 hadden de kerkmeesters dit kostbare bezit dan ook in veiligheid gebracht in het Liefkintsgodshuis (zie nr. 22). Over die instelling zullen we later handelen. Zo gauw ons torenstompje in 1613 weer in voldoende staat verkeerde, reinigde en herstelde Peter Coymans het raderwerk. Toen kon het uurwerk opnieuw in de toren. Het ijzerwerk werd zorgvuldig afgeschermd door een kast, die een zekere Philips eromheen timmerde. Welke waarde onze mensen aan de inhoud hechtten, blijkt uit de naam ‘schrijn’ waarmee de nieuw bewerkte kast uit 1663 in de registers staat opgetekend.

 

111. Een nieuw uurwerk

De aandrijving van het torenuurwerk gebeurde door een zwaar gewicht, dat de koster na verloop van tijd telkens weer moest opwinden. Hij moest er ook voor zorgen dat de klok min of meer juist liep. Hij kon ze richten naar het uur van St.-Sulpitius of naar een zonnewijzer. Kon men het uur reeds aan een wijzerplaat aflezen? Zo ja, dan stond deze zeker niet in het roosvenster dat we nu kennen, want dat dateert pas uit de 19de eeuw. Rond 1760 moest ons eeuwenoud uurwerk vervangen worden. Tot nu van het algemeen keurde de stad in 1764 een bijdrage van 10 pistolen goed, uit te keren zodra het af was. Ook werd er geld in de stad ingezameld. In 1765 kwam C. Lion uit Leuven om het werk te bespreken. Uiteindelijk werd het horloge aan Jozef Henderickx uit Mechelen aanbesteed, die het vóór 24 juni 1765 in de toren moest plaatsen. Hij zou daarvoor in twee afbetalingen 200 gulden en 180 gulden ontvangen. Maar we moesten tot 1768 op de levering wachten. In 1783 werd de plaats waar het gewicht van de klok neerkwam, afgeschut, wat een nauwkeuriger werking garandeerde.

 

112. Comfort

Eeuwenlang bood de Lievevrouwkerk weinig comfort aan de kerkgangers. De meesten volgden staande de lange diensten, want officieel waren er geen zitplaatsen of kniebanken voorzien. De oude kerkrekeningen spreken dus niet van inkomsten door stoelengeld of van een vergoeding voor de stoelenzetster. Ook het kostersreglement gewaagt niet van het ordenen van zitmeubelen. Wellicht brachten sommigen een stoel of en knielkussen mee. In de 14de eeuw had het stadsbestuur dit nog strikt verboden. Dan hadden de kerkmeesters het wel gemakkelijker. We weten niet hoe de toestand vóór de verwoesting van 1580 was, maar voor hen had Adriaan van Pantegem reeds in 1626 achteraan een gestoelte vervaardigd tegelijk met het nieuwe kerkportaal. Daar troonden ze in hun zwarte laken mantel, vóór en na de rondgang met het kwakkelberd, zoals het collectebakje toen heette. Niemand kon zo maar op hun plaats glippen, want de zijdeurtjes van hun gestoelte waren op slot.

 

113. Stoelen en banken

Er waren nog meer gestoelten voorhanden: in het hoge koor, vóór het H.-Kruisaltaar voor de Christusogen. Wie gedurende de dag even de kerk bezocht, knielde neer op een bank aan het wijwatervat of hier en daar aan een beeld in de zijbeuken. Enkele van die knielbanken uit de 18de eeuw zijn nog bewaard. Voor de aanschuivende biechtelingen verwaardigde Laureys van Maldeghem twee banken in het H.-Kruiskoor (1688). Het best verzorgd waren aanvankelijk nog de schoolkinderen die dagelijks de mis en het lof bijwoonden en de catechismusleerlingen. Zij namen plaats in de catechismusbanken. Maar naar het einde van de 18de eeuw kreeg iedereen meer comfort. Toen in november 1797 gemeentelijke ambtenaren de inventaris van de kerk kwamen opnemen, telden ze reeds 53 zit- en knielbanken.

 

114. Verwarming

Onze voorouders waren beter gehard tegen de kou. Thuis verwarmde het haardvuur in de wijde open schouw de vertrekken maar matig. Pas rond 1750 kwamen er kachels bij de rijken. Daarom maakten de mensen veel gebruik van voetverwarmers, kastjes met gaten in het bovenstuk, waarin een ijzeren of stenen pot met brandende houtskool geschoven kon worden. In de kerk kon natuurlijk geen haard gestookt worden. Dus boden dergelijke voetstoven een oplossing. Wie het zich kon veroorloven, nam zo zijn verwarming mee naar de kerk. Wegens brandgevaar op straat was ons stadsbestuur in de 14de eeuw daar streng tegen opgetreden. Het had verbonden banken en voetstoven in de kerk te plaatsen. Die voorwerpen werden aangeslagen. We veronderstellen dat deze maatregel later werd ingetrokken, vermits Gielis Fabri in 1681 een nieuw ‘cassoor’ aan de kerk leverde. Vanaf 1759 koopt het kerkbestuur geregeld zakken boskolen. In 1791 is er sprake van een kolenhok. We mogen aannemen dat deze houtskool bestemd was voor de komfoortjes van de kerkmeesters en de pastoor. Als die urenlang in de biechtstoel zat, kwam zo’n voetverwarmer goed van pas. Ook aan het altaar verwarmden de priesters hun verkleumde handen aan dergelijke warmtebron.

 

115. Vuur en licht

In 1870 wordt er steenkool gekocht voor de verwarming van de sacristie. De gewone gelovigen zaten in de Diestse kerken nog lang in de kou. Pas in 1922 werden er in de Lievevrouwkerk twee kachels geplaatst. De geldmiddelen en de Eerste Wereldoorlog maakten het niet eerder mogelijk. Met deze uitweiding hebben we een grote sprong in de geschiedenis gemaakt. We keren nu terug naar de jaren 1600-1700. Ook wat de verlichting betreft, waren onze voorouders weinig verwend, noch thuis, noch op straat, noch in de kerk. Maar bij sommige begrafenissen werd er niet op het dure licht gezien. Van die overvloed profiteerden de kerken en andere instellingen voor hun dagelijkse verlichting. Want die dikke waskaarsen waren na de plechtigheid ver van opgebrand. Het keurboek van de stad Diest bepaalde in de 15de eeuw hoe de restanten verdeeld moesten worden. Brandden er vier kaarsen bij een uitvaart, dan kregen de eigen kerk, het gasthuis, de minderbroeders en de straat van de overledene (voor de wegverlichting) er elk één. Brandden er zes kaarsen in St.-Sulpitius, dan deelde ook de Lievevrouwkerk mee en omgekeerd. Als de familieleden er anders wilden over beschikken, moesten ze de officiële rechthebbenden vergoeden.

 

116. Verlichting

Anno 1614, in volle herstelperiode, bestelde de Lievevrouwkerk een grote ijzeren kandelaar met twee kronen en ook nog eens twee voetstukken om koperen kandelaars op te zetten. Daarmee moesten de gelovigen het toen stellen. Avonddiensten kwamen overigens niet voor en om in de donkere vroegmissen zijn paternoster te bidden, was dat klaar genoeg. Gebeden lezen uit een kerkboek konden de meesten toch niet, gesteld dat ze zulke kostbaarheden bezaten. Aan de altaren hielpen koperen armen en kandelaars de mislezer de grote druk van het missaal te ontcijferen. Voor het Allerheiligste waakte een koperen lamp, gevoed door raapolie. Vier kandelaars verlichtten de zangers in het koorgestoelte. In de 18de eeuw, toen de kerk wat meer welstand genoot, verschenen er meer lampen en een koperen kroonluchter in het schip. In de zijbeuken werden toen koperen armen aangebracht onder de averechtse kruisweg. Pas halverwege de 19de eeuw brachten petroleumlampen een verbetering. Op gaslicht en elektriciteit moest Diest tot in de 20ste eeuw wachten.

 

117. Tafels van de H. Geest

Tot nu toe hebben we hoofdzakelijk geschreven over aankopen en verbouwingen aan de Lievevrouwkerk. Maar men mag van christenen vooral verwachten dat ze oog hadden voor de medemens, vooral de arme, de behoeftige bejaarde en het weeskind. Vanaf de Middeleeuwen lenigden de H.-Geesttafels, instellingen voor kerkelijke armenzorg, de voornaamste noden. In het begin had iedere kerk haar eigen armentafel voor de eigen parochianen. Niet-Diestenaars bleven van de verdeling verstoken. Uit de jaren 1400 zijn vele testamenten bewaard, die de armen van de O.-L.-Vrouwparochie bedachten. Soms enkel om brood uit te delen bij een begrafenis, dan weer voor een jaarlijkse uitreiking. Zo zorgde Margriet van Corpt in 1458 ervoor dat ieder jaar op Witte Donderdag brood bedeeld werd in de kerk. Met de jaren groeide het aantal van deze stichtingen.

 

118. Uitdelingen in de kerk

Rond 1500 verdeelde de H.-Geesttafel in de Lievevrouwparochie met Allerheiligen een mud rogge in gebakken brood. Een mud was ruim 100 liter. Op 8 december werd anderhalve mud uitgedeeld. Vijftien dagen vóór Kerstmis werd er voor 3 Rijnsgulden brood gebakken. Op het feest zelf één mud. Met Nieuwjaar ontving elke arme een wittebrood van een vierde stuiver en op Driekoningen voor een halve stuiver. Met Lichtmis en Maria-Boodschap werd er weer 150 liter rogge verbakken. Halfvasten werd gevierd met een mud rogge. Maar vooral in de Goede Week was het feest voor de armen. Met Palmzondag kregen ze een wit broodje, op Goede Vrijdag zowel roggebrood als wit brood. Voor Pasen kregen ze het baksel uit één mud rogge. Hier breekt het lijstje af. We weten dus niet wat de armen tijdens de rest van het jaar ontvingen. Misschien hadden de erflaters geoordeeld dat met de betere jaargetijden het hoogste leed geleden was en de mensen dan wel aan de kost konden komen.

 

119. Armenzorg

Toen Diest aangroeide, ontstonden er misbruiken. Sommigen probeerden in meerdere parochies van de uitdelingen te profiteren of verhuisden naar een meer goedgeefse. In 1531 reageerde keizer Karel V tegen deze misstanden door zijn armenwet. Hierdoor centraliseerde hij plaatselijk de hele armenzorg. Zo smolten alle H.-Geesttafels van Diest samen. De uitdeling gebeurde nog in de parochies, maar na een nauwkeurig onderzoek. In elke kerk kwamen er offerblokken en inzamelingen voor de noodlijdenden. De opbrengst werd in de centrale kas gestort. Die deelde verder nog schoenen, klompen, stof, haring uit, zelden een klein weekgeld. We mogen veronderstellen dat de armen van de Lievevrouwparochie zoals de behoeftigen van de St.-Jansparochie, ook wekelijks één brood en drie potten bier ontvingen. Dit laatste was geen luxe, want water was dikwijls besmet. De steun kon oplopen tot dagelijks één pot bier en 5 broden per week.

 

120. Latere schenkingen

Ook nadat de armenzorg reeds gecentraliseerd was, bepaalden sommige testamenten dat de uitdeling in de Lievevrouwkerk moest gebeuren. Meestal stipuleerden die dat er mikken uitgereikt zouden worden bij de begrafenis of een broodje aan armen die het jaargetijde bijwoonden. Met Allerheiligen, Kerstmis, Pasen en Pinksteren werden als gevolg van een stichting 5 halsters (ongeveer 150 liter) koren verbakken en uitgedeeld. Jaarlijks, later om de twee jaar, deelden de kerkmeesters ook stof uit: tieretein (half wollen half garen weefsel), karsije (grof laken) en flanel. Ze kochten die bij rollen aan en versneden ze tot stukken. Aldegonda Peeters had in 1684 daarvoor een stuk grond nagelaten en haar zuster Elisabeth vermaakte voor ditzelfde doel 600 gulden. De lappen werden uitgereikt rond Kerstmis op hun jaargetijde, dat de volksmond daarom de lappenmis noemde. De pastoor moest deze bedeling een week tevoren op de kansel aankondigen, zodat de armen die ervan wilden genieten, de jaarmis konden bijwonen.

 

121. Bejaardenzorg. Het Liefkints-godshuis

Noodlijdende bejaarden vonden onderdak in een godshuis. We behandelen hier alleen de liefdadige gestichten op de O.-L.-Vrouwparochie. Het Liefkints-godshuis (1306) droeg de naam van zijn stichter, Hendrik Liefkint. Het werd bestuurd door de kerkmeesters van de parochie en heette daarom ook het kerkengasthuis van O.-L.-Vrouw. Het lag in het Palmboomstraatje. De uitgestrekte tuin grensde aan de Verversgracht in de M. Theysstraat. Een trap daalde er naar het water. Tegen een vergoeding mochten de mensen daar hun linnen komen spoelen en in de tuin laten bleken. De bewoners van het gesticht, vier bejaarde vrouwen in 1792, ontvingen ieder wekelijks 5 stuivers en 2 oorden. Bijna genoeg voor elke dag een brood. Met Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen kregen ze 5 stuivers extra. Ook met kermis en vastenavond genoten ze deze traktatie. Per persoon werden 100 mutsaards en 2 zakken houtskool uitgereikt voor de verwarming en 2 potten smout voor de verlichting. Als er een bewoonster stierf, erfde het godshuis haar meubeltjes. Maar de hoofdinkomsten leverden het pachtgeld van weiden en hopgaarden in de Bruid- en Kruisstraat, alsmede de jaarlijkse verkoop van hooi.

 

122. Het Palmboomgodshuis

Lambert Van den Dijck en Beatrix Nerincx stichtten het in 1468. Het lag eerst op de Lange Steenweg, maar reeds in 1476 verhuisde het naar de Paddenpoel in de Grauwzustersstraat tegenover St.-Annendaal. Het herbergde zes begunstigden, zowel mannen als vrouwen. De voorwaarden om opgenomen te worden: boven de veertig zijn, gebrekkelijk, onbekwaam om de kost te winnen, binnen Diest wonen en zonder kwade ziekten en manieren zijn. Hun zaterdagse toelage bedroeg 6 stuivers (1733). Naast de vier hoogdagen, kermis en vastenavond viel er voor hen nog een extraatje af met halfvasten en Witte Donderdag. Op Lichtmis ontvingen ze een waskaars en in de vasten een halster erwten (ca. 30 liter) en een kan smout. Naast de gebruikelijke inkomsten uit pachtgeld trok het godshuis ook de visserijrechten op de Demer tussen Zichem en Diest.

 

123. Andere bejaardentehuizen

In de Begijnenstraat lag het Kympen-godshuis. Een parochiaan uit de Bruidstraat, Hendrik Kympen, stichtte het in 1419. Het bood een onderkomen aan zes oudjes, zowel mannen als vrouwen. De stichting werd beheerd door de proosten van de kapittels in St.-Jan en St.-Sulpitius. Nog in de Begijnenstraat had kanunnik Jan Halbiers zijn huis nagelaten ten behoeve van enkele arme bejaarden (1554). In de Schaffensestraat vond men het Boomgodshuis (1467) op de plaats van het intussen verdwenen Volkshuis. Het dankte zijn naam aan Godfried van den Boom. Twee behoeftige vrouwen genoten er onderdak. Al deze bejaardentehuizen stonden na de hervorming van keizer Karel open voor rechthebbenden uit heel Diest. Zo konden parochianen van de O.-L.-Vrouwparochie dus ook terecht buiten het grondgebied van die parochie, bv. in het Blerengodshuis bij de St.-Annakapel, het Schollengodshuis in de Beverstraat (nu Hasselstsestraat) en in het Stevensgodshuis op het St.-Jansveld. Maar die vallen buiten het bestek van deze parochiekroniek.

 

124. Weeshuis

De H.-Geesttafel bekommerde zich ook om het lot van wezen en vondelingen. In het begin werden ze uitbesteed bij pleegouders, aan wie de armenmeester een jaarlijkse vergoeding uitkeerde. Toen het aantal weeskinderen rond 1660-1670 sterk was toegenomen, stonden er echter niet meer voldoende pleeggezinnen ter beschikking. Het stadsbestuur zocht dan naar een andere oplossing, zoals die reeds in Leuven en Brussel bestond: een weeshuis oprichten. In 1682 kocht men daartoe een huis in de Overstraat. Het lag op de plaats van de huidige middenschool en ressorteerde dus enigszins onder de O.-L.-Vrouwparochie. Uit bijdrage 50 weten we dat de vroede gemeentevaderen oordeelden dat de onderpastoor van de kerk zijn taak daar en het bestuur van de instelling best kon combineren. Maar niemand kan twee heren dienen, zodat er na deze mislukte poging een aparte priester-rector werd benoemd. Voortaan mochten de kinderen tot 20 jaar in het weeshuis verblijven, hoewel uitbestedingen ook nog voorkwamen.

 

125. Verzorging van de wezen

Op materieel vlak hadden de wezen het niet zo slecht. De kost was vrij goed. Driemaal in de wek kwam er vlees op tafel: zondags, dinsdags en donderdags. De vrijdag was toen een onthoudingsdag en ook de woensdag was tijdens de vasten vleesloos. Soms werd er dan haring of stokvis opgediend. In de eigen boerderij werden varkens vetgemest. Ter afwisseling kochten ze rundvlees, kalfvlees of schapenvlees. De boterhammen werden met boter gesmeerd. Bij feestelijke gelegenheden aten ze wittebrood en mastellen (platte koeken met anijs). We denken niet dat de levensstandaard van de gewone man in 1783 hoger lag. Honderd jaar later zouden vele gezinnen in onze stad dit peil niet bereiken. Zesmaal per jaar, op Driekoningen, verloren maandag, vastenavond, O.-L.-Vrouw-kermis (julikermis), St.-Denijs en met Onnozele-Kinderendag kreeg het weeshuis een halve ton zesguldenbier. Voor de rest van het jaar waren er nog elf tonnen van dat brouwsel beschikbaar. Met Kerstmis feestten ze met een ton extra achtguldenbier. Met Onnozele-Kinderendag werden de vier jongste wezen door het stadsbestuur speciaal getrakteerd.

 

126. Het leven van een wees

De dag van een wees was door een vast reglement geregeld. Ze droegen verplicht een bruin uniform met blauwe of zwarte kraag. Op zon- en feestdagen zag men ze in rij naar de O.-L.-Vrouwkerk stappen voor de mis van 7 uur. Ze volgden die tot na het sermoen en gingen dan ontbijten in het tehuis. Ze keerden terug naar de kerk voor de hoogmis en ’s namiddags voor de catechismus, de vespers en het lof. Bij grote begrafenissen vergezelden ze de lijkstoet met flambouwen. Daarvoor kregen ze een oordje als zakgeld. Waren er niet genoeg wezen beschikbaar, dan deed de rector een beroep op andere kinderen. In de week leerden de grote jongens een vak bij een ambachtsman in de stad, meestal bij een schoen- of kleermaker. De vergoeding die ze daarbij verdienden, moesten ze aan de rector overmaken. Die diende voor hun uitzet, als ze de inrichting verlieten wanneer ze twintig waren. Wie zulk een leercontract in de stad had, moest om 11 uur naar huis keren en er leren en schrijven tot aan het middagmaal. Daardoor waren wezen in 1783 beter geletterd dan vele volkskinderen een eeuw later.

 

127. Eeuwigdurende aanbidding

Bij ons is deze godsdienstoefening beter bekend als gedurige aanbidding. Vroeger werd op een bepaalde datum het H. Sacrament ononderbroken aanbeden, doordat mensen elkaar onafgebroken de hele dag opvolgden in gebed. Deze devotie was in Frankrijk reeds populair sinds de 16de eeuw. Paus Clemens XI moedigde dit gebruik aan door zijn Instructio Clementina. Rond 1769 ijverde de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal Franckenberg, ervoor dat alle parochies zulk een biddag zouden organiseren. Datzelfde jaar koos iedere kerk van Diest een datum in afspraak met elkaar en met het stadsbestuur. In de O.-L.-Vrouwkerk werd waarschijnlijk 5 augustus genomen, de dag waarop oudere Diestenaars de aanbidding nog beleefd hebben. Wie toetrad tot de broederschap van de gedurige aanbidding, kreeg dan een uur toegewezen om het uitgestelde H. Sacrament gezelschap te houden. Het ideaal zou geweest zijn dat deze aanbidding ook ’s nachts werd voortgezet. Over de praktische uitwerking in de Lievevrouwkerk toen zijn we echter niet ingelicht. Over de regeling in de 19de eeuw zullen we nog berichten.

 

128. Reorganisatie van de parochie

De wijk rond St.-Jan de Doper kende niet de aangroei die men bij de stichting verwacht had. In de St.-Janskerk was er soms geen enkel doopsel, huwelijk of begrafenis in een heel jaar. Daarom wilden de bisschop en de abt van Tongerlo deze parochie in 1784 verenigen met de O.-L.-Vrouwparochie. Maar het kapittel, de pastoor en de mensen verweerden zich. Na het decreet van keizer Jozef II van 29 mei 1786 kon een reorganisatie evenwel niet meer tegengehouden worden. De keizer wilde overal de uitgestrekte en overbevolkte parochies herschikken, zodat de priesters het welzijn van de gelovigen beter konden behartigen. In het kleine Diest was dit nooit een probleem geweest. Toch maakte landmeter Albert Neulemans een plan op voor een nieuwe verdeling. Bij de regeling van 15 september 1786 bleven de grenzen van de Lievevrouwparochie en het Begijnhof ongewijzigd. Het gebied van de St.-Sulpitiusparochie zou echter verkleind worden door de kapellen van de minderbroeders (thans verdwenen) en augustijnen (nu kruisheren) als parochiekerk in te schakelen. De St.-Annakapel (hoek Hasseltse- en St.-Annastraat) zou de rol van de bouwvallige St.-Jan overnemen. Maar door de Brabantse Omwenteling (1789) en de Franse inval kwam daar niets van in huis.

 

129. Hervorming van Jozef II

Keizer Jozef II regeerde van 1780 tot 1790. Hij wilde onze gewesten een modern, doelmatig bestuur en rechtspraak geven. Ook de werking van de Kerk ontsnapte niet aan zijn bemoeienis. Zijn ordonnantie van 17 maart 1783 schafte bepaalde kloosters af die niet bedrijvig waren in de zielzorg, het onderwijs of de verpleging. Hun inkomsten zouden besteed worden om het aantal parochies te vermeerderen. In Diest werd geen enkel klooster door deze maatregel getroffen. We weten reeds dat hij in 1784 verbood nog in kerken en kapellen te begraven. Kerkhoven in het midden van de stad, zoals dat van St.-Sulpitius, werden gesloten. Op 26 september 1785 verordende hij dat alle ordonnanties en edicten ’s zondags in de kerk voorgelezen moesten worden. Daarna zou het plakkaat nog 14 dagen in het portaal blijven hangen. Overal werd er geklaagd dat de diensten nu te lang duurden. Daarom liet de keizer op 17 december 1787 weten dat dit voorschrift slechts voor zeer speciale ordonnanties gold.

 

130. Nog meer verordeningen

Op 11 februari 1786 luidde het bevel: alle kermissen vallen voortaan op dezelfde dag: de 2de zondag na Pasen. Kermis, eigenlijk het herdenken van de kerkwijding, betekende voor de keizer geld en voedsel verspillen, met als nasleep een hoopvechtpartijen. Pastoors die hiervan afweken, kregen 570 gulden boete op de hals. We hebben niet kunnen achterhalen of Diest zich aan die bepaling stoorde. Op 8 april 1786 werden alle broederschappen afgeschaft. Er moest een inventaris van hun bezittingen opgemaakt worden. Die zouden te beurt vallen aan de nieuwe Confrerie van de werkende naastenliefde. In onze kerk werden de broederschap van O.-L.-Vrouw van 7 Weeën en die van St.-Jozef door deze maatregel getroffen. Op 10 mei 1786 werd er afgekondigd: buiten de gewone kruisdagen (bidtocht door de velden om voor schade aan de veldvruchten gespaard te blijven) mogen er maar twee processies zijn: één op Sacramentsdag, de tweede op een andere feestdag. Beelden, muziek en gekostumeerde groepen werden daaruit geweerd. Ook groepsbedevaarten werden verboden. Desondanks bleef de processie van de H. Rozenkrans als die jaren doorgaan in de St.-Sulpitiusparochie. Misschien gebeurde ze dan binnen het kerkgebouw. Zo kon onze maandelijkse omgang langs de kapelletjes binnen de kerk geschieden, wat vroeger al het geval was bij slecht weer. Wel werd de algemene bedevaart van de stad Diest naar Scherpenheuvel in september een paar jaar geschorst, maar hervat na de dood van de keizer in 1790.

 

131. Te veel is te veel

Er veranderde dus heel wat in de Kerk! De geplande reorganisatie van de parochies in Diest hebben we in bijdrage 128 behandeld. Uit bekommernis om de zielzorg wilde de keizer ook een betere opleiding aan de clerus bezorgen. Daarom verving hij in 1786 de bisschoppelijke seminaries door één enkel Seminarie-Generaal in Leuven. Dit lokte hevig verzet uit in de kerkelijke milieus. En dan hebben we nog niet over zijn nieuwe huwelijkswetgeving gesproken (28 september 1784). Hierdoor behield de Kerk alleen nog maar zeggenschap over het sacramentele aspect van het huwelijk. Als contract zou het voortaan volledig onder de burgerlijke wetgeving vallen. De grondige hervorming van de administratie en het gerecht vallen buiten het raam van deze parochiekroniek. Die maatregelen veroorzaakten nog meer ongenoegen. We stippen hier alleen feiten aan die de Lievevrouwparochie raken. Op 8 juni 1787 werd te Diest een vrijwilligerskorps opgericht om de orde te handhaven, desnoods zelfs tegen de Oostenrijkers. De toenmalige pastoor, Lucas Thiden, en onderpastoor Paulus Wijnants tekenden voor 3 gulden en 3 stuivers in om de patriotten, zoals die vrijwilligers heetten, uniformen te bezorgen. Op bevel van hogerhand werd deze eenheid einde september van dat jaar ontbonden. De keizer had er geen goed oog in.

 

132. De Brabantse Omwenteling

Na de ontbinding van de patriottenkorpsen weken vele tegenstanders van de keizer uit naar het buitenland: het prinsbisdom Luik of Nederland. Daar vormde generaal Van der Meersch een leger dat op een gunstige gelegenheid wachtte om ons land binnen te vallen. In Diest ontstond toen het gebruik dat mensen in groepjes samenkwamen om de rozenkrans te bidden voor de uitgeweken jeugd en voor het heil van het vaderland. Deze goede gewoonte zal hun in de komende tijden nog te pas komen, zoals we zullen zien. Op 24 november 1789 veroverde het legertje patriotten Diest. Aan Van der Meersch, die hier een tijdje zijn hoofdkwartier vestigde, bood de stad een diner aan. In januari 1790 werd de Republiek der Verenigde Nederlandse Staten uitgeroepen. In Diest werd de staak der vrijheid geplant. Zulk een versierde paal zag men in onze streken anders maar met kermis, vastenavond en de paardenjaarmarkt. Intussen was de toestand echter niet zo rooskleurig, want in het zuiden groeide de Oostenrijkse tegenstand.

 

133. Kanonnen voor het vaderland

Onze stad liet in september 1790 zes kanonnen kopen voor de jonge staat. De schuttersgilden, rederijkers, ambachten, kapittels van St.-Jan en St.-Sulpitius, het begijnhof, de kloosters schonken daarvoor een bijdrage. Maar de minderbroeders en de pastoor van O.-L.-Vrouw onthielden zich. Vanwege de arme volgelingen van St.-Franciscus is dit begrijpelijk. Maar waarom bleef de pastoor afzijdig? Misschien liet zijn mager inkomen het ook niet toe. Misschien moeten we de verklaring zoeken in een rapport dat de deken vroeger over hem gemaakt had: Lucas Thiden was een ijverig, beminnelijk en vredestichtend man. De Diestenaren waren zo al genoeg verdeeld in keizersgezinden en patriotten, in behoudsgezinden en vooruitstrevenden. De Diestse artillerie, de uitgedeelde geweren en sabels, de vrijwilligers konden niet meer baten. Nog werden in onze kerk in oktober negen missen voor het vaderland gelezen en ook een voor de gesneuvelde patriotten. Maar eind november 1790 was Diest opnieuw in Oostenrijkse handen. De wapens moesten ingeleverd, de vaderlandse kokardes afgelegd worden. De staak der vrijheid werd uitgedaan. Aan de voorgevel van het stadhuis hing weer een schild met de Oostenrijkse arend.

 

134. Het jaar 1792

Op 6 november 1792 versloeg de Franse generaal Dumouriez de Oostenrijkers te Jemappes en de 22ste arriveerden de Fransen in Diest. Drie dagen later werd de staak der vrijheid weer geplant. Dit keer zag hij er anders uit. Op de top stak een kegelvormige muts, de Frygische muts, het hoofddeksel dat de Romeinse slaven bij hun vrijlating ontvingen. Het was de symbolische verklaring dat de mensen niet langer onderworpen waren aan de oude heren. Volgens de proclamatie van de generaal kwamen de Fransen als bondgenoten en broeders. België zou een gematigde republiek worden met eigen gekozen vertegenwoordigers. De Oostenrijkse arend werd verwijderd. Op 28 november kondigden onze bijeengeroepen schutterskorpsen, rederijkerskamers en ambachtsgilden af dat ze zich hielden aan de oude wetten van het hertogdom Brabant en aan de katholieke godsdienst. Als hun wettige vertegenwoordigers erkenden ze de vroegere afgevaardigden. Alle kloostergemeenschappen van Diest sloten zich bij deze verklaring aan. Weldra zag Parijs in dat een onafhankelijke Belgische republiek niet mogelijk was. Alles zou op de Franse leest geschoeid moeten worden. Maar voorlopig kregen ze daartoe geen gelegenheid.

 

135. De Oostenrijkers komen terug

Van de Franse plannen kwam nog niets in huis, want op 18 maart 1793 wonnen de Oostenrijkers de slag van Neerwinden en twee dagen later namen ze de vesting Diest in. Dat kostte hun niet geringe verliezen. Zoals het vaak gebeurt, koelden de overwinnaars hun woede op de burgers en op de krijgsgevangenen. Maar in de Lievevrouwparochie vielen daarbij geen slachtoffers. De terugkeer van de Oostenrijkers bracht geen orde en veiligheid in de stad. De parochiekerk kon daarvan meespreken. Op 8 april dat jaar werd er ’s nachts ingebroken. De daders drongen binnen door een venster op het koor. Ze stoorden zich daarbij weinig aan de buren en forceerden de deur van de sacristie. Daar haalden ze alles overhoop. Wat ze meenamen wordt in het verslag niet vermeld. Men wist toen nog niet dat door de kortstondige terugkeer van de oude meesters de kerk aan veel erger onheil ontsnapte, nl. aan de brutale maatregelen die toen in Frankrijk tegen de godsdienst woedden. Maar het was slechts een kort uitstel van executie. Door hun overwinning bij Fleurus (26 juni 1794) werden de Fransen weer de baas. Op 24 juli waren ze weer in Diest.

 

136. Wat ons te wachten stond

In Frankrijk hadden de geestelijken afstand gedaan van hun voorrechten zoals de tienden. Voortaan zou de staat voorzien in de priesterwedde, de armenzorg en het onderhoud van de kerken. Om de staatskas te spijzigen werden alle kerkelijke goederen onteigend en kloosters en kapittels afgeschaft. Zoals alle ambtenaren moesten de priesters de eed van trouw aan de grondwet afleggen. Op weigering volgde ontslag. Ongeveer de helft had die eed gezworen om hun parochianen niet in de steek te laten. Dat alles was reeds gebeurd vóór de eerste Franse inval. Terwijl ons land eventjes in Oostenrijkse handen terugkeerde, verergerde de situatie in Frankrijk. Als gevolg van de oorlogen met het buitenland oefende het regime een schrikbewind uit tegen de binnenlandse vijanden van de revolutie. Koning Lodewijk XVI werd onthoofd. Eedweigeraars werden vervolgd. Maar ook het katholicisme in zijn geheel werd gewantrouwd en verdacht gemaakt. Frankrijk werd systematisch ontkerstend. Een nieuwe kalender, een bureau van burgerlijke stand en de sluiting van vele kerken pasten in dit plan.

 

137. Oorlogsheffing

Bij hun tweede inval behandelden de Fransen ons land niet meer als bevriend gebied, maar als een wingewest dat zoveel mogelijk uitgeperst moest worden. Op 6 oktober 1794 kreeg Diest voor zijn deel 150.000 Franse pond brandschatting opgelegd. Dat bedrag werd op de edellieden, rijken en geestelijken verhaald. Om de uitvoering af te dwingen werden aanstonds gijzelaars genomen. De pastoor van het begijnhof, een pater van de begaarden, de overste van de cellenbroeders, enkele voorname ingezetenen werden naar Frankrijk weggevoerd, totdat eenderde van de som was gestort. Om zo vlug mogelijk 54.600 pond bijeen te krijgen, werden de kloosters, de geestelijken en enkele notabelen aangeschreven. Sinds mei was Siardus Van Hout pastoor van de O.-L.-Vrouwparochie. Hij kreeg 500 pond voor zijn rekening. Omgerekend in onze oude vertrouwde munt was dat 272 gulden. Nog een vergelijkingspunt: in Leuven ontvingen werkwilligen 2 pond dagloon in Frans papiergeld (assignaten). Dat verminderde echter snel in waarde. Daarom moest de belasting in sterke, klinkende munt betaald worden. Verscheidene Diestenaars vonden dat ze hoog waren aangeslagen, maar hun verzoek tot vermindering werd afgewezen. De bijdrage van pastoor Van Hout werd echter op 300 pond gebracht, waarvan hij er 210 betaalde.

 

138. Langzaam maar zeker

Reeds in februari 1793 hadden verscheidene steden, waaronder Diest, in een volksraadpleging hun verlangen uitgedrukt met Frankrijk verenigd te worden. Maar de terugkeer van de Oostenrijkers had de uitvoering doorkruist. Toen de Fransen ons land opnieuw veroverd hadden, maakten ze echter geen haast van de aanhechting. Een bezet gebied konden ze immers met een geruster gemoed uitzuigen dan een streek met nieuwe landgenoten. Om aan die druk te ontsnappen vroegen steeds meer stadsbesturen de vereniging met Frankrijk aan. Op 1 oktober 1795 werd de annexatie goedgekeurd. Na vele nederlagen tekende Oostenrijk zelf op 17 oktober 1797 de definitieve afstand van de Zuidelijke Nederlanden. Toch werden onze streken nog niet volledig gelijkgesteld met Frankrijk. Alle Franse wetten werden hier nog niet toegepast. Pas in december 1796 golden de nieuw uitgevaardigde wetten ook bij ons. De vroegere besluiten werd nog niet toegepast. Slechts in januari 1797 werd een selectie daarvan gepubliceerd, die hier van kracht zou worden. We behandelen in deze kroniek alleen de veranderingen die het godsdienstige leven raakten. Om de bevolking rustig te houden werd de godsdienst voorlopig gespaard. De veranderingen gebeurden zeer geleidelijk.

 

139. Alles gaat voort

In 1795 moesten de tienden nog betaald worden aan de tiendheffers, maar wel tot profijt van de republiek. Daarna werden ze afgeschaft als overblijfselen van het gehate leenstelsel. In de Lievevrouwkerk gingen de diensten intussen gewoon door. Ondanks de nieuwe kalender – zie later – lazen de minderbroeders de elfuurmis op de geboden feestdagen in de week tot in 1797. Tot datzelfde jaar ontvingen de augustijnen hun 24 stuivers om de jaarlijkse passie te preken. Tot dan betaalden het gemeentebestuur en de H.-Geesttafel de gestichte missen en jaargetijden getrouw uit, zoals de pastorie haar renten aan de armentafel kweet. De klokken luidden als gewoonlijk. Toen in 1795 de jaarlijkse bedevaart van Schaffen naar Scherpenheuvel uittrok, galmden de klokken van de Lievevrouwkerk en de Allerheiligenkapel op haar doortocht. Nog op 6 juni 1797 benoemde het stadsbestuur kerkmeesters van St.-Sulpitius en O.-L.-Vrouw. Al werden de godsdienstoefeningen toegelaten, de republiek verloor haar doelstellingen niet uit het oog: de scheiding van Kerk en staat en het breken van het kerkelijke gezag.

 

140. De burgerlijke stand I

Het kerkelijke gezag kreeg een eerste lelijke deuk, toen het op 14 november 1794 mogelijk werd alleen burgerlijk te trouwen. Dit contract kon door echtscheiding ontbonden worden. Ook wie voor de Kerk wilde huwen, moest eerst voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen, zoals thans nog het geval is. Aanvankelijk stoorden de trouwlustigen zich weinig aan dit nieuwe voorschrift. Op 17 juni 1796 werd de officiële registratie van geboorten, huwelijken en overlijdens ingevoerd. Eeuwenlang hadden de pastoors deze gegevens bijgehouden. Het verleende hun een zeker aanzien bij de mensen. Ook andersdenkenden moesten hiervoor een beroep doen op de Kerk. De nieuwe maatregel bespaarde hun deze moeilijke stap. Pastoor Van Hout boekte het laatste doopsel in het officiële register op 17 augustus 1796. Het doop- en begrafenisregister werden ingeleverd bij het gemeentebestuur (23 augustus 1796). Na de laatste intekening vinden we in het Frans genoteerd: ‘Het lopende register om de geboorten van de burgers van Diest vast te stellen, wordt aldus afgesloten door mij, ondergetekende, voorzitter van het Diests gemeentebestuur, Pierre Malingré’.

 

141. De burgerlijke stand II

Malingré had het geboorteregister afgesloten op 23 augustus 1796. De volgende bladzijde begint met een Franse geboorteakte, opgemaakt door de gemeenteambtenaar Godfried Coene op 9 september van dat jaar. Deze data staan natuurlijk uitgedrukt volgens de officiële nieuwe Franse tijdrekening. Ook ons begrafenisregister sloot Malingré op 23 augustus af. Voortaan maakte de stad de overlijdensakten op. Voor binnenkerkelijk gebruik ging de pastoor voort met het bijhouden van zijn eigen registers, die in de kerk bewaard werden. Hij noteerde alles in het Latijn, zoals vanouds. De gemeenteadministratie werd helemaal in het Frans gevoerd. Ook de vele proclamaties tot het volk en de verordeningen werden in die taal geafficheerd; er stond wel een Nederlandse vertaling bij.

 

142. De Kerk meer en meer teruggedrongen

Langzaam verloor de Kerk haar greep op het openbare leven. De armenhulp werd aan het gemeentebestuur toegewezen. Op 7 oktober 1796 kreeg de Commissie der burgerlijke gasthuizen het weeshuis en de bejaardentehuizen onder haar bevoegdheid. In november van dat jaar verving het Bureau van Weldadigheid de oude Tafels van de H. Geest. Was het nieuwe gemeentebestuur niet antiklerikaal, dan konden geestelijken aanvankelijk nog deel uitmaken van het bestuur van die instellingen. Maar het besluit van 18 januari 1798 zou daaruit alle onbeëdigde priesters weren. Zo ver was het nog niet. Vanaf 6 december 1796 mochten priesters buiten de kerk geen priesterkledij meer dragen. De witheren van de parochie liepen voortaan in burger met een lange zwarte jas, kniebroek, zwarte kousen en lage schoenen met gespen. Later hebben ze dit toch nog opvallende pak laten varen. Vanaf 1797 mocht de processie niet meer buiten de kerk gaan. Ze ging dus in de kerk rond. Maar de mensen legden ’s namiddags na het lof de vertrouwde processieweg af, terwijl ze de gewone liederen zongen. De communie naar de zieken mocht niet meer plechtig gebeuren. De pastoor droeg voortaan de H. Hostie onder zijn mantel en was slechts vergezeld van de koster.

 

143. De nieuwe kalender

Met het uitroepen van de republiek in Frankrijk op 22 september 1792 begon een totaal nieuw tijdperk, dachten de revolutionairen. Zoals wij spreken over 500 vóór Christus of 2001 na Christus, zouden zij die dag als het vertrekpunt van een eigen tijdrekening gebruiken. De 22ste september 1792 was de eerste dag van het jaar één. De republikeinse kalender wilde elke herinnering aan de tijd van de dwingelanden uitwissen. De namen van onze maanden stamden uit het oude Rome. Juli herinnerde aan Julius Caesar en Augustus aan de bekende keizer. Weg ermee! De nieuwe namen riepen een dichterlijk beeld op van de wisselende jaargetijden op het platteland. Bijvoorbeeld: brumaire (mistmaand), ventôse (windmaand), germinal (kiemmaand), messidor (oogstmaand). Zo erg was dat niet. De moeilijkheid schuilde erin dat 1 brumaire kon beginnen op 22, 23 of 24 oktober en kon lopen tot 20, 21 of 22 november. Wie nog volgens de oude trant rekende, had dus een omzettabel nodig. Moeilijker was nog dat de Fransen deze mensen ook wilden indelen volgens het tiendelige stelsel. Voor maten, gewichten en munteenheden betekende dit een grote vooruitgang. Maar wat zou het betekenen voor de tijdrekening?

 

144. Een antikerkelijke kalender

Elke maand zou voortaan 30 dagen tellen met drie weken van 10 dagen. Elke dag telde 10 uren van 100 minuten. Deze dagindeling is echter bijna nooit toegepast, omdat aangepaste uurwerken daarvoor ontbraken. Hoe praktisch ook bedoeld, met hun indeling in weken wilden de republikeinen alle bindingen met kerkelijke feesten uitschakelen. In het nieuwe stelsel konden de zondagen midden in de week vallen en ze verdwenen als rustdagen. Winkelactiviteiten, markten en het werk gingen in theorie gewoon door en het bijwonen van de mis werd aldus erg bemoeilijkt. In plaats van de zondag werd nu elke tiende dag een vrije dag. Als alles volgens de zin van Parijs verliep – maar de praktijk was wel anders – zouden de mensen op die dag een kokarde op hoed of borst dragen en stak er een driekleurig vaantje aan elk huis. Ze zouden dan ook de burgerlijke feesten bijwonen, waarover later. Onze vroegere kalender bakende de weg door het jaar niet alleen met zondagen af, maar ook met vele kerkelijke feesten. In 1771 waren er buiten de zondagen nog veertien dagen waarop geen lichamelijke arbeid verricht werd en het mishoren gold. Ook die werden nu afgeschaft.

 

145. De heiligen verdwijnen van de almanak

Vroeger had elke dag zijn naamheilige, zoals nu nog het geval is. Ook in het burgerlijke leven gebruikten de mensen die soms liever dan te spreken over (bijvoorbeeld) 30 november. Men sprak over het vervallen van de huur op ‘St.-Andries’. Kerkrekeningen begonnen met St.-Denijs (9 oktober). Sommige contracten vingen aan met St.-Jansmis (24 juni). Gedenkdagen van heiligen vormden de spil van weerspreuken. ‘Apollonia is een kwaad wijf’, klonk het in plaats van: ‘Op 9 februari kan het hard vriezen’. In de republikeinse almanak werden alle sinten geschrapt. De kalender verheerlijkte voortaan de gewassen, dieren, landbouwwerktuigen en gesteenten. In plaats van Andreas werd in 1793 het houweel vereerd. St.-Denijs ruimde plaats voor boekweit. St.-Jan de Doper moest het in 1794 afleggen tegen rozemarijn. Maar zelfs in Frankrijk kenden deze nieuwe benamingen geen succes en ze verdwenen geruisloos. De nieuwe kalender werd in onze contreien begin 1796 ingevoerd. Napoleon schaften hem weer af vanaf nieuwjaar 1806. Intussen moest men er wel leren mee leven.

 

146. Een moeilijke aanpassing

In officiële diensten was de republikeinse kalender verplicht. Drukkers gaven almanakken uit met de oude en nieuwe tijdrekening naast elkaar. Toen pastoor Van Hout nog registers van de burgerlijke stand bijhield (zie nr. 140) gebruikte hij de twee stelsels. Bij zijn eerste doopsel in 1796 vermeldt hij in het Latijn: 15 februari of volgens de nieuwe stijl van de Franse Republiek 26 pluviôse jaar IV. Het eerste overlijden dat jaar was op 27 januari ofte 20 pluviôse. Ook in zijn eigen register voor binnenkerkelijk gebruik noteerde hij tot 28 december 1805 meestal beide jaartellingen. In het dagelijkse leven echter geraakte de kalender moeilijk ingeburgerd. Zo werden de huren in 1798 nog altijd betaald op St.-Andries. Alhoewel de geboden feestdagen en zondagen in Franse ogen niet meer bestonden, liepen de vieringen in de kerk gewoon door. Of ze nu minder werden bijgewoond, weten we niet. De Diestse spijkermeester, die de prijs van het brood moest bepalen, dateerde zijn gegevens in 1797 nog altijd volgens de oude kalender. Als de gemeentesecretaris verslag uitbracht over de besluiten van de raad, vergaloppeerde hij zich soms en schreef hij over het feest van ‘14 juillet’ dat ze zouden organiseren en – nog erger flater, want in het Nederlands! – over 18 augustus en dat in 1798!

 

147. Republikeinse feesten

Waren de oude feesten en rustdagen (theoretisch) afgeschaft, op de nieuwe vrije dagen kwamen republikeinse vieringen om de mensen de republikeinse geest mee te geven. Dan werden de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis van de republiek in herinnering gebracht, zoals de bestorming van de Bastille en de onthoofding van de koning. Andere feesten beoogden de morele opvoeding van de burgers. Enkele voorbeelden. Op het feest van de bejaarden werden twaalf deugdzame ouderen aan de jeugd tot voorbeeld gesteld. De dag van de jeugd moedigde de jongeren aan om de schoollessen bij te wonen. Op een andere decadi (tiende dag) werden de ouders van de soldaten, van verdienstelijke ambtenaren, van een talrijk gezin gehuldigd. Bij gebrek aan een aangepast lokaal gebeurde in Diest alles op de Grote Markt of in het stadhuis. Toen de kloosters met hun bedehuizen openbaar verkocht werden, vroegen onze burgervaders in 1799 de augustijnenkerk (nu kruisherenkerk) niet te verkopen. Dan kon die gebruikt worden als tempel voor de republikeinse plechtigheden. Maar dit verzoek werd afgewezen. Tijd om een ander gebouw in te palmen kregen ze niet meer. De nieuwe baas, Napoleon, droeg de revolutionaire feesten niet in zijn hart en schafte ze in 1802 af. In februari 1800 liet het stadsbestuur weten dat in Diest geen enkel kerkelijk gebouw gediend had voor de nationale feesten en dat er dus geen teruggegeven moesten worden voor de uitoefening van de eredienst.

 

148. Geen geld voor feesten

Hoofdbrok van de vieringen waren gloeiende redevoeringen en militaire muziek. Een enkele keer lette ons stadsbestuur wat minder op de kosten. Op het feest van de soevereiniteit van het volk werd het altaar van het vaderland opgesteld onder de vrijheidsboom tussen vier oude taxussen. Op het feest van de overwinning, de eer en de vrede had men ’s avonds feestelijke verlichting in open lucht. Dit kreeg in de Lievevrouwparochie nog een staartje. Zoals gewoonlijk vloeide het bier rijkelijk. Die dag vernielden overtuigde vierders enkele beelden van de Zevenweeënweg (1798). Maar meestal was de stadskas leeg. Toen de weldaden van de republiek gevierd werden, was er geen geld voor prijzen van een wedloop. Het valt fel te betwijfelen of de bevolking deze plechtigheden waardeerde. Sommigen konden er zich niet aan onttrekken: de republikeinse ambtenaren, de nieuwe schoolmeesters en hun schaarse leerlingen, de speciaal uitgenodigde bejaarden die van de bijstand leefden. Vele mensen werkten gewoon door. Ze hadden al genoeg verlet met de kerkelijke feestdagen. De maatregelen tegen de godsdienst, die steeds meer bespeurbaar werden, en vooral de verplichte militaire dienst die boven het hoofd hing, bekoelden bij de meesten ieder enthousiasme.

 

149. Afschaffing van de kloosters I

Als gevolg van vroegere buitensporige uitgaven stak Frankrijk diep in de schuld. Daarom besliste de Nationale Vergadering op 2 november 1789 de eigendommen van de Kerk in beslag te nemen. Op 13 januari 1790 werden alle kloosters opgeheven en onteigend. Toen ons land bij Frankrijk aangehecht werd, waren deze maatregelen hier niet onmiddellijk van kracht. Maar op 1 september 1796 was het zover. De abdijen en kloosters werden afgeschaft en hun goederen aangeslagen. Alles zou openbaar verkocht worden. Wie voor onderwijs of ziekenverpleging zorgde, bleef voorlopig gespaard. Voor hun verder levensonderhoud ontvingen de kloosterlingen een waardebon, waarmee ze genationaliseerde kerkelijke eigendommen konden kopen. De Diestse geestelijken meenden die in geweten te moeten weigeren. Commissarissen eisten in de kloosters alle gegevens op over het financieel beheer, maakten een inventaris van de inboedel en legden een lijst aan van de leden met het oog op de bons. Als die aangeboden werden, kregen de paters, zusters of broeders 20 dagen om de gebouwen te verlaten. De meesten tekenden verzet aan tegen de afschaffing, omdat ze buiten de muren hun geloften aan God niet meer zouden kunnen naleven.

 

150. Afschaffing van de kloosters II

Mede door de vijandige houding van de Diestse bevolking moest de gemeentelijke overheid een beroep doen op de gewapende macht om de kloosterlingen uit te drijven. Als dezen de gebouwen verlaten hadden, werd ter controle een nieuwe inventaris opgesteld voor de openbare verkoping. Daarbij bleek dat er intussen reeds veel verdwenen was, bv. de biechtstoelen bij de minderbroeders. Twee daarvan kwamen later in de noordelijke zijbeuk van de O.-L.-Vrouwkerk terecht. Op de een of andere manier kwam deze kerk ook in het bezit van een oude kelk, afkomstig van de begarden, misschien verworven bij de veiling. Maar de afschaffing van de kloosters had voor de Lievevrouwparochie en die van St.-Sulpitius nog veel diepere gevolgen. Beide kerken werden immers bediend door witheren. Voor hun benoeming stelde de abt van Tongerlo zijn kandidaten aan de bisschop voor. Van de abdij ontvingen ze hun bezoldiging, voortkomende uit de tienden. Daarop konden ze ook rekenen bij grote herstellingen aan de kerk. Dat alles viel weg, toen de abdij van Tongerlo op 6 december 1796 werd opgeheven en het jaar nadien verkocht werd. Voor pastoor Siardus Van Hout en zijn kapelaan Lucas Laureys stortte de wereld in.

 

151. De overburen van de kerk worden ontruimd

We volgen nu in enkele bijdragen het lot van de kloostergemeenschappen in de Lievevrouwparochie. De parochiekerk stond nog in de steigers, toen de begarden zich in 1268 aan de overzijde vestigden. De begarden of bogaarden zou men kunnen aanzien als de mannelijke tak van de begijnen. Ze leefden ongehuwd in gemeenschap, volgden een bepaald reglement, maar legden geen kloostergeloften af. Ze bleven dan ook lange tijd een beweging van leken in de Kerk. Tijdens de Middeleeuwen verdienden ze hun levensonderhoud in de lakennijverheid. Later openden ze een Franse school en gaven ze catechese. In 1796 telde de gemeenschap 12 priesters en 4 broeders. Op 1 december moesten ze hun klooster verlaten. Buiten werden ze omhelsd door hun overste en ontvingen zijn zegen. Sommigen gingen in de stad wonen en zetten hun taak voort, anderen verlieten Diest. Met het oog op betere tijden kocht de overste het hoofdaltaar, de preek- en biechtstoel, de communiebank en het gestoelte van hun kapel op, toen de inboedel geveild werd. Maar de begarden kwamen deze klap nooit meer te boven. Hun klooster diende achtereenvolgens als gevangenis en spinnerij. In 1817 kocht de gemeente het aan om als stadscollege te dienen. Vanaf 1834 werd het een kazerne, later een militair depot. Na de Eerste Wereldoorlog voorzag het in de grote woningnood die toen in de stad heerste. Daarna nam een sigarenfabriek zijn intrek in een deel van de gebouwen. Vanaf 1948 gebruikte Shoepost de rest als werkplaats. Van het klooster zelf blijft niet veel meer over dan een inrijpoort in de Begijnenstraat.

 

152. De alexianen

Vele huidige Diestenaars hebben de alexianen of cellenbroeders nog weten wonen in de Mariëndaalstraat, maar tot 1854 waren ze gevestigd in de Koning-Albertstraat. Als zodanig vielen ze in het begin onder het geestelijk bestuur van de pastoor van O.-L.-Vrouw. Sinds 1375 werkten ze in de gezondheidszorg. Vooral in tijden van pest en besmettelijke ziekten werd op hen een beroep gedaan voor de verpleging en begrafenis van slachtoffers die iedereen meed. Tot ver in de omtrek gingen ze dan hulp verlenen. Vanaf de 17de eeuw boden ze ook onderdak aan geesteszieken. Op 3 januari 1797 werd hun klooster aangeslagen. De acht broeders trokken burgerkleren aan en verzorgden hun kostgangers als vroeger met toestemming van het stadsbestuur. Ze mochten hun kapel voort gebruiken, maar die werd aan de straatkant afgesloten. Doch op 14 mei 1798 gelastte het departement dat de laatste, nog bewoonde kloosters zouden worden ontruimd. Na het concordaat van Napoleon (waarover later meer) konden de broeders terugkeren, maar de gebouwen bleven bezit van de godshuizen. Van 1854 tot 1959 zetten de alexianen hun taak voort in de Mariëndaalstraat. In 1983 overleed de laatste Diestse cellenbroeder. De gebouwen in de Koning-Albertstraat boden na 1854 onderkomen aan bejaarden en wezen, vervolgens aan de middelbare jongensschool en het koninklijk atheneum. In 1984 werden ze op de kapel na afgebroken.

 

153. De grauwzusters

Thans zijn de grauwzusters de oudste resterende kloostergemeenschap van Diest. Reeds in 1376 verpleegden de celzusters, zoals ze ook genoemd worden, de zieken aan huis. De H.-Geesttafel van O.-L.-Vrouw schonk hun een woning met tuin aan het begijnhof en ook een wekelijkse toelage. Als de pest woedde, waren de zusters onontbeerlijk. Velen stierven als offer van hun plicht. Ook de verwoesting van 1580 kwam de gemeenschap te boven. Toen de Fransen de kloosters ophieven, mochten zij voorlopig blijven, maar ze moesten wel burgerkleren aantrekken. Op 13 september 1798 echter moesten ook zij hun gebouwen verlaten. De 32 zusters gingen in de oude pastorie van het begijnhof wonen. Hun klooster werd verkocht. Daar de kopers niet prompt betaalden, overwoog het stadsbestuur het als opslagplaats voor veevoeder in te richten. Onder Napoleon kochten de zusters hun eigendom terug (1807). Ze vonden het in een onherkenbare staat terug. Moedig begonnen ze aan de herstelling. In 1849 onderscheidden ze zich bij het verzorgen van de cholerapatiënten. Sedertdien namen ze ook geesteszieken op. De moderne psychiatrische kliniek St.-Annendael zet deze taak voort.

 

154. De eed van trouw

Terwijl de kloosters dicht gingen, werden de parochiepriesters nog even ongemoeid gelaten. Maar wat in Frankrijk gebeurd was, liet hun niet veel hoop meer. Daar waren de priesters staatsambtenaren geworden en als zodanig moesten ze trouw zweren aan de staat en de grondwet. In 1795 luidde de formule: ‘Ik erken het volk als soeverein en ik beloof onderwerping en gehoorzaamheid aan de wetten van de republiek’. De meningen over deze eed waren zeer verdeeld. Betekende dit niet dat je de antigodsdienstige politiek van de regering goedkeurde? Was de republiek wel de wettige regering? Kon je de parochianen aan hun lot overlaten? De eedweigeraars werden immers uit hun dienst ontzet, riskeerden gevangenis en zelfs de doodstraf. Dit hing af van de wisselende machthebbers. De parochiekerk werd gesloten, tenzij er een beëdigde priester de dienst voortzette. Maar die werd door de gelovigen dikwijls niet aanvaard. Daarom was er in de Franse Kerk grote verdeeldheid ontstaan. Op 26 januari 1797 werd deze eed van trouw ook in ons land opgelegd. In Diest werd er nog geen haast gemaakt met de invoering, maar in mei 1797 was het zo ver.

 

155. Een onmogelijke eed

De Diestse priesters konden zich aanbieden tot 19 mei 1797, maar geen legde de eed af. Ze richtten een petitie tot het stadsbestuur om de vervolgingen op te schorten die de weigeraars boven het hoofd hingen, zolang het departement zich nog niet uitgesproken had. Het stadsbestuur verklaarde zich onbevoegd om deze wens in te willigen, maar zoals het overigens in andere steden gebeurde, liet het de priesters nog oogluikend begaan. Op 4 september 1797 kwam in Frankrijk een radicaler strekking aan de macht. Ze eiste een stipte toepassing van de wet. Een nieuwe, scherpere eedformule werd opgelegd: ‘Ik zweer haat aan het koningschap en aan de anarchie en trouw aan de republiek en de grondwet’. Haat zweren werd echter door het christendom verboden. Op 12 september werden de Diestenaars met de grote klok bijeengeroepen, de maatregelen werden vanop de pui van het stadhuis afgelezen en verder in de straten uitgebeld. Geen enkele priester bood zich aan voor de eed, dus mochten ze geen dienst meer verrichten in de kerk. Nu werd daarop streng toegezien. De mensen konden nog een paar zondagen naar de mis gaan in Webbekom en Scherpenheuvel, zolang de wet daar niet was afgekondigd. Daarna vonden ze een noodoplossing.

 

156. Blinde missen

Hoewel er geen diensten meer gedaan mochten worden, waren de kerken aanvankelijk nog toegankelijk. De mensen kwamen er samen om het rozenhoedje te bidden. Op zon- en feestdagen werden er gebedsdiensten gehouden zonder priester, de zogenaamde blinde missen. De zangers zongen het kyrie, gloria en sanctus, net als tijdens een echte mis. De gelovigen stonden op aan het evangelie, bogen eerbiedig het hoofd als de belslag de fictieve consecratie aankondigde, ze maakten het kruisteken bij de wegzending, hoewel er niemand aan het altaar stond. Het gebeurde in het begin nog wel dat een priester op dat ogenblik werkelijk de mis opdroeg in de sacristie. Lang zouden deze bijeenkomsten niet meer kunnen doorgaan, want kerken zonder bedienaar moesten volgens de wet gesloten worden. Op 25 oktober 1797 vroegen de mensen aan het stadsbestuur dat ze hun godsdienstoefeningen mochten voortzetten in de kerken. Op 3 november werden commissarissen benoemd voor het in bewaring stellen van de kerken en pastorieën.

 

157. De kerken gesloten

Toen het stadsbestuur twee commissarissen had benoemd voor het sekwester en het opmaken van de inventaris, dachten de mensen dat de kerken onmiddellijk gesloten zouden worden. Dus probeerden de kerkgangers in St.-Sulpitius en O.-L.-Vrouw nog zoveel mogelijk te redden, maar daarbij werd wel eens een stuk gebroken of beschadigd. De overheid belde uit dat ze alles moesten terugbrengen, met niet veel succes. Op 13 november 1797 begaven de twee ambtenaren zich naar de O.-L.-Vrouwkerk en maakten er de inventaris op. De grote stukken zoals altaren, gestoelte, biechtstoelen, preekstoel, doopvont, orgel waren nog aanwezig. Maar de kasten in de sacristie en schatkamer waren leeg. Toen alles genoteerd was, werd de deur van de sacristie verzegeld en een bewaker aangesteld. Voorlopig mochten de mensen nog in de kerk komen. ’s Anderendaags moest de rentmeester, Michel Tielens, zijn boeken en registers afgeven, want de kerk verloor ook haar onroerende bezittingen. Op 2 januari 1798 gingen alle kerken in Diest dicht. De Franse commissaris Pottier kon op 1 juni 1798 met genoegen hogerhand laten weten dat in Diest geen enkele kerk open was, ondanks alle klachten van de bevolking. Toch forceerde deze soms de toegang om te kunnen bidden. De avond vóór 25 maart, Maria Boodschap, brak het volk in de O.-L.-Vrouwkerk een zijdeur open, zodat men er het rozenhoedje kon bidden op het feest. Toen ze daar lucht van kregen, haastten de gendarmen zich om alles weer te sluiten.

 

158. Beloken Tijd

Nu begon de Beloken Tijd, de tijd der gesloten kerken en het verborgen godsdienstige leven. Op 7 september 1797 had pastoor Van Hout een laatste maal in de O.-L.-Vrouwkerk gedoopt. Voortaan zou hij dat heimelijk in de huizen moeten doen, want als eedweigeraar mocht hij geen doopsels meer toedienen. Vroeger werden de kinderen binnen de 24 uur na de geboorte gedoopt. Als de pastoor zelf op de vlucht is (hierover handelen we later), doopt onderpastoor Lucas Laureys, die na de sluiting van de pastorie onderdak gevonden had op de Lange Steenweg. Toen die ook had moeten onderduiken, deden de mensen een beroep op een of andere pater die nog in Diest verbleef, bv. de begard H. Peeters, die een onderkomen had aan het einde van de Schaffensestraat. Veel dienst bewezen ook de minderbroeders J. Van Espen en C. Vanderschilden, die om uiteenlopende redenen minder gevaar liepen. Laatstgenoemde was 69. Daarom had hij bij een eventuele aanhouding geen verbanning naar een Frans eiland meer te vrezen. Hij kon nog wel opgesloten worden in eigen land. Voor de 36-jarige Van Espen bestond deze dreiging nog wel. Maar tijdens de Boerenkrijg had hij een Franse huzaar gered. Als hij gesnapt werd, kon hij enigszins hopen op clementie. Na die opstand in november 1798 werd het voor alle priesters te gevaarlijk om zich nog op straat te wagen. Dan zouden anderen het doopsel moeten toedienen.

 

159. Nooddopen en vormsel

In tijd van nood mag iedereen dopen, maar de aangewezen persoon voor nooddopen was natuurlijk de vroedvrouw, in de O.-L.-Vrouwparochie Antoinette Slosser. Zij had voor haar aanstelling moeten bewijzen dat ze kon dopen. In normale tijden deed ze dit soms als er gevreesd werd dat het kind de geboorte niet zou overleven. Van november 1798 tot dezelfde maand 1799 doopte ze alle borelingen, ook de gezonde. Bij zulke nooddopen werden allerlei ceremoniën weggelaten, zoals de handoplegging, de zalving met chrisma, het snuifje zout in de mond van de baby. Toen in januari 1800 de toestand bijna normaal werd, vulde de onderpastoor deze riten aan, eerst nog aan huis. Bij twijfelgevallen deed hij zelfs de hele plechtigheid over. Vormsels konden volgens de toenmalige regeling helemaal niet meer toegediend worden, want daarvoor was een bisschop nodig. Onze kardinaal, de Franckenberg, was reeds in oktober 1797 over de grens gezet, omdat hij de eed van haat niet had afgelegd. Maar tussen 1796 en dat ogenblik had hij meer dan 100.000 mensen gevormd! De ziekelijke bisschop besloot zich daarvoor niet meer te verplaatsen. De vormelingen gingen zelf met peter en meter naar Mechelen. De pastoors spraken hierover een dag met de bisschop af. Alhoewel men in beginsel minstens 6 jaar moest zijn voor dit sacrament, werden er zelfs kleuters op de arm gevormd. Dit gebeurde in de kapel van het seminarie, want de bisschop was zijn paleis reeds kwijt. Voor de kinderen werd het toch nog een blije dag: het binnenplein van het seminarie stond vol kramen met peperkoek, speelgoed en kersen!

 

160. Nog vlug trouwen

Ook de huwelijken konden voortaan niet meer in de Lievevrouwkerk gebeuren. In het begin vonden de trouwlustigen soms wel ergens een kerk die nog niet gesloten was. De procedure tot de sluiting vergde tijd en kon niet overal tegelijk voltrokken worden. In oktober 1797 vonden drie jonge paren uit de Lievevrouwparochie nog hun toevlucht in Zoerle, Vorst en Walem, hoewel noch de jongen noch het meisje daar woonden. Pastoor Van Hout verleende aan de vreemde herders daartoe de toelating. Anders zouden die huwelijken ongeldig geweest zijn. Sinds november 1794 moest men vóór het kerkelijk huwelijk eerst voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen. Stoorden de mensen zich aan dit voorschrift? We hebben dit eens gecontroleerd voor de kerkelijke huwelijken uit de Lievevrouwparochie in 1799. We hebben dat jaar gekozen, omdat we kunnen vergelijken met de lijst burgerlijke huwelijken van datzelfde jaar. Voor 1798 gaat dat niet, want die lijst is tijdens de Boerenkrijg vernield. Het schijnt dat onze jongens het papier gebruikt hebben als hulzen voor hun geweer. Van de zeven paren toen in de Lievevrouwparochie hebben er twee zich stipt aan het voorschrift gehouden. Twee zijn nooit op het stadhuis verschenen. Drie gaven hun verbintenis veel later aan: respectievelijk in 1803, 1800 en 1802, toen ons land wat vrijer kon ademen.

 

161. Geheime huwelijken

Trouwen kon niet meer in de kerk. Zolang pastoor Van Hout nog in de pastorie woonde, zegende hij de huwelijken daar in. Maar weldra moest hij die ontruimen en werden de huwelijksbeloften elders in de parochie afgenomen, soms door de onderpastoor. Als beiden ondergedoken zijn, doet pater Peeters dit met delegatie van de onderpastoor. Vanaf 16 april 1800 begint de kapelaan ze weer in te zegenen, vanaf 17 september weer de pastoor, maar altijd nog in een of ander huis. Omdat er geen diensten meer in de kerk gehouden werden, moest men ook afzien van de gebruikelijke huwelijksaankondigingen op drie achtereenvolgende zondagen. De bedoeling van die ‘roepen’ was dat de gelovigen mogelijke beletsels kenbaar zouden maken aan de pastoor. Nu werden de trouwers daarvan vrijgesteld. Maar ze moesten wel zweren dat er geen wettelijke redenen tegen het sluiten van hun huwelijk bestonden, bv. nauwe bloedverwantschap of een eerdere verbintenis. Die eedaflegging werd telkens in het register vermeld. Pas op 24 augustus 1802 krijgt alles weer zijn normale gang: roepen en inzegening in de kerk.

 

162. De andere sacramenten

In Diest was geen enkel bedehuis nog toegankelijk. Maar elders had hier en daar een priester wel de eed afgelegd. Een affiche aan de ingang van de kerk maakte dit bekend. Daar bleef de kerk open. Dit was bv. het geval in Scherpenheuvel, waar de rechtmatige bedienaars, de paters oratorianen, verjaagd waren of aangehouden, maar een beëdigd priester uit het Brusselse was opgedaagd. De gelovigen kwamen er nog bedevaarten, maar velen verlieten de kerk als de celebrant de mis begon. Ze aanzagen zulke priesters als ketters. Wie nog de mis wilde bijwonen en communiceren, kon dit soms in het geheim bij een ondergedoken priester, die in een of ander huis voor een vertrouwd groepje de mis opdroeg op een altaarsteen. Daar kon men ook zijn biecht spreken. De ziekenzalving vormde een groot probleem. Dan moest de priester zijn schuilplaats verlaten, zich op straat wagen en heimelijk de zieke berechten. Ook al werd er niet altijd echt op priesters gejaagd, elke kerkelijke activiteit was hun verboden. Bij de begrafenis konden de lichamen niet meer naar de O.-L.-Vrouwkerk gebracht worden. De overledenen werden dikwijls zonder aanwezigheid van een geestelijke op het St.-Janskerkhof begraven. Op 25 augustus 1797 noteert pastoor Van Hout voor het laatst: ‘Op het kerkhof van O.-L.-Vrouw door mij begraven’. Hij registreert de begrafenissen verder tot 3 juli 1798. Daarna heeft hij de stad verlaten.

 

163. Toen de klokken zwegen

Het werd reeds heel wat stiller in de stad, toen eind 1796 de kloosters ontruimd werden, de klokken daar weggehaald, stukgeslagen en verkocht. In oktober 1797 begonnen ook de torens van de parochiekerken steeds meer te zwijgen. Ze nodigden alleen nog maar uit voor de rozenkrans. Maar op 2 januari 1798 viel ook dat uit. Zelfs het angelus luiden werd verboden. Voortaan klonken de klokken slechts op de officiële rustdagen, elke tiende dag, de decadi’s, op de Franse feesten en overwinningen. Dan speelde ook de beiaard. Op 26 december 1798 beval generaal Barbou alle klokken naar beneden te laten en te verbrijzelen. In de dorpen waren daarmee immers signalen gegeven tijdens de Boerenkrijg. Eind januari 1799 werd dat bevel in Diest uitgevoerd. Bij de klokkenroof in de kloosters was er echter hier en daar wel een klok aan Franse handen ontsnapt en verborgen. Met hun zwakke stemmetjes vielen ze misschien niet onder de maatregel van de generaal. Wegens hun gering gewicht konden ze ook gemakkelijker in veiligheid gebracht worden. Toen het ergste achter de rug was, verkocht pater A. Crampen ons een klokje dat hij uit het klooster van de begarden had gered (1807). Ook in St.-Sulpitius bleef het kleinste klokje gespaard.

 

164. Geen spoor van godsdienst meer

In vorige bijdragen beschreven we hoe moeilijk het werd om vanaf eind 1797 zijn godsdienst nog te beleven. Maar de Fransen wilden zelfs elke herinnering aan de eredienst uitwissen. Op 31 augustus 1797 werd het verbod op uiterlijke godsdienstige tekens in België toepasselijk. De mensen mochten op de openbare weg niet meer gestoord worden door de aanblik van iets dat aan de eredienst herinnerde. Op 18 september waarschuwde politiecommissaris Delandre alle geestelijken die nog niet in burger liepen. De begijntjes vervingen voortaan hun hoofddoek door een muts met lintje. Alle heiligen- en kruisbeelden langs de straten moesten verdwijnen. Op de torens van kerken en kapellen werden de haan en het kruis verwijderd. We vermelden reeds (nr. 148) dat enkele feestvierders beeldjes in de Zevenweeënstraat stuksloegen. We weten niet of ze in Diest alles altijd zo radicaal opruimden. In de O.-L.-Vrouwparochie bleven het oude Mariabeeldje in het kapelletje aan de Bruidstraat en de madonna boven de kerkdeur bijvoorbeeld gespaard. Misschien hadden de mensen ze tijdig in veiligheid gebracht. Wat er ook van zij, het stadsbestuur rapporteerde op 6 november 1797 dat het in Diest geen spoor van openbare godsdienstige tekens meer aantrof.

 

165. Sluiting van de pastorie

De priesters die geweigerd hadden de eed af te leggen, haalden zich natuurlijk ook veel narigheid op de hals. Ze riskeerden allerlei strafmaatregelen (waarover later). Om te beginnen verloren ze hun pastorie, mogelijk hun laatste pastorale vergoeding, nu de tienden waren afgeschaft. Nog op 1 januari 1796 had pastoor Van Hout zijn uitgestrekte tuin aan een tuinier verhuurd, die hem de nodige groenten en fruit zou leveren en tevens 12 gulden pacht betalen. Op 13 november 1797 kreeg de pastorie het bezoek van twee gemeenteambtenaren. Aan de aanwezige onderpastoor brachten ze de boodschap over dat de geestelijken binnen de 14 dagen na de terugkeer van de pastoor het huis moesten ontruimen. Als er daarna nog meubels gevonden werden, zouden die aangeslagen worden en als nationaal goed verkocht worden. Onderpastoor Laureys antwoordde dat ze zich zouden schikken naar de wet. In afwachting stelden de commissarissen een bewaker aan om het gebouw te beschermen. Eind februari 1798 bestemde het gemeentebestuur de pastorie tot openbare meisjesschool en woning voor de onderwijzeres. In de gewezen proostdij van St.-Sulpitius zou een onderwijzer met de jongens zijn intrek nemen. Die scholen startten echter pas eind mei. Maar pastoor Van Hout maakte geen haast met de ontruiming, zodat de onderwijzeres Destombe nog een tijdje met hem onder één dak moest wonen. Dat kon niet goed aflopen!

 

166. Conflict met de onderwijzeres

Pastoor Van Hout had volgens verklaring van de onderwijzeres vierkant tegen haar gezegd: ‘Ik zal al doen wat ik kan om u zonder leerlingen te houden en u van honger te doen sterven’. En hij had woord gehouden. Na een paar weken was ze haar 32 leerlingen kwijt en meteen een deel van haar inkomen, want de meisjes moesten iets betalen voor het onderricht. De mensen verbraken alles relaties met haar. De bakker weigerde haar brood te leveren. Brouwersgasten uit de aanpalende brouwerij wierpen stenen in de klas. Waagde ze zich in de tuin, dan werden honden op haar losgelaten. Kippen en fruit verdwenen. Was dat alles aan de pastoor te wijten? Onderwijzer De Prince had namelijk evenmin succes. Op 20 februari 1799 diende hij zijn ontslag in. Daarbij kon de proostdij niet langer als lagere school gebruikt worden. Als voormalig kloosterbezit werd ze verkocht, ondanks protest van het gemeentebestuur. De vijf privé-schooltjes, waarvan de koster van O.-L.-Vrouw, Jacobus Verreydt, er één openhield, kenden meer succes. Maar ook mevrouw Destombe hield voet bij stuk.

 

167. Vervolging van de priesters I

Door zijn botsing met de onderwijzeres liep pastoor Van Hout vanzelfsprekend in de kijker. Priesters stonden hoe dan ook reeds op de Franse zwarte lijst. Maar wie de openbare orde verstoorden, prijkten bovenaan. Hun naam werd aan het departement overgemaakt. Parijs veroordeelde hen vervolgens tot deportatie over zee. Vóór de Boerenkrijg waren er dat 875, maar slechts 71 konden gevat worden. Daar de Engelsen jacht maakten op de Franse schepen, zaten ze voorlopig vast in Rochefort of op de eilanden Ré en Oléron, waar ze door de slechte behandeling als vliegen stierven. Onze landdeken, Petrus Van der Smissen, die pastoor was in Herk, werd daar op 10 juli 1798 aangehouden en naar Ré gedeporteerd. Na zijn vrijlating in 1800 keerde hij als een wrak terug en overleed spoedig nadien. In mei 1798 wilde de republikeinse commissaris van Diest, Louis Pottier uit Rijsel, ook zijn sporen verdienen. In Diest was de eerste aangeklaagde de pastoor van het Begijnhof, Petrus Van Bever. Die had reeds in 1794 als gijzelaar kennisgemaakt met de gevangenis (zie nr. 137). Hij woonde nog in de infirmerie, maar wist aan het gevaar te ontkomen. Een tweede zwart schaap was minderbroeder Jan Lina. Hij was wijselijk ondergedoken, want voor zijn aanhouding bestond er bij de Fransen ernstige C:\Users\Pierre\Documents\LITURGIE\NEGENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR                          12.docgrond.

 

168. Vervolging van de priesters II

De derde kandidaat op de zwarte lijst was de augustijn Petrus Heylen, retoricaleraar aan hun Diests college. De paters Lina en Heylen waren mede verwikkeld geraakt in een geval van bezetenheid in Scherpenheuvel. Op 12 augustus 1797 had een vader zijn dochter naar het heiligdom gebracht om de duivel uit haar te verdrijven. De plaatselijke paters oratorianen zaten met dit ongewoon verzoek verveeld. Was het meisje echt bezeten? Ze riepen er onze Diestse paters bij en de rector van de Leuvense universiteit, J. Havelange. De pers kreeg er lucht van en maakte het geval belachelijk. De rector daagde de redacteur van “Le républicain du Nord” uit ter plaatse te komen zien. De Franse namen deze beroering niet: de rector werd naar Guyana verbannen, de oratorianen volgden. Pater Heylen werd wijselijk verstopt bij de cellebroeders, maar bij een huiszoeking ontdekt (13 juni 1798). Daar hij tekenen van krankzinnigheid gaf of voorwendde, mocht hij in een Brusselse gevangenis blijven. Wat er ook van zij, na zijn terugkeer leefde onze augustijn nog vele jaren samen met andere confraters in de Overstraat en preekte hij in de Lievevrouwkerk nog meermaals de passie.

 

169. Van Hout opgespoord

Nadat de pastoor van de O.-L.Vrouwparochie uiteindelijk toch zijn pastorie verlaten had, vestigde hij zich ergens in de stad, misschien op het Begijnhof, waar we hem in 1810 opnieuw aantreffen. De onderpastoor vond een onderkomen in de Koning-Albertstraat (Lange Steenweg). Zo verbleven er in 1798 62 priesters en paters die hun pastorie of klooster verloren hadden, in de stad. Voorlopig was dit nog geen onderduikadres. De gevaarlijke elementen onder hen werden echter in het oog gehouden. Rond 20 juli deed de politie een huiszoeking bij pastoor Van Hout, maar hij vertoefde niet meer op het aangegeven adres. Hij was naar Hasselt uitgeweken, werd er beweerd. Op 8 september 1798 kwam het bevel tot zijn deportatie af. Maar hij bleef buiten schot. Meer en meer priesters moesten nu gaan schuilen tot in betere tijden, ook de onderpastoor Lucas Laureys. Na de Boerenkrijg stonden er 7549 geestelijken op de zwarte lijst. In mei 1799 leefden er in Diest slechts 17 niet clandestien, meestal bejaarden en zieken. Zij hadden enkel huisarrest of een binnenlandse gevangenis te vrezen.

 

170. Gedwongen krijgsdienst

De wet van 5 september 1798 voerde de algemene dienstplicht in voor alle ongehuwde jongens tussen 20 en 25 jaar. Door loting werd daarvan een aantal soldaten uitgezocht naar de behoefte van het ogenblik. Deze wet bracht in onze streken grote verslagenheid, want vroeger kende men hier slechts beroepsvrijwilligers. De spontane afkeer tegen deze maatregel werd nog gevoed door de richtlijnen van de Kerk, die ondergronds circuleerden. In het Franse leger liepen de jongens het gevaar hun geloof te verliezen en bedorven te worden. Als soldaat zouden ze wetten tegen de godsdienst en de rechtvaardigheid moeten helpen toepassen. Dat was niet denkbeeldig: men had de Fransen hier aan het werk gezien. De ouders moesten bijgevolg hun zonen ten zeerste uit het hoofd praten vrijwillig dienst te nemen. Als de jongens zich niet aan de dienstplicht konden onttrekken, moest ze het vast besluit nemen bevelen tot slechte dingen te weigeren en desnoods te deserteren. Deze krasse taal zouden de Fransen niet vergeten en alle priesters zouden ze moeten bekopen tijdens de Boerenkrijg. Onze bevolking had reeds veel moeten verduren, zoals de godsdienstvervolging. De gedwongen krijgsdienst deed de maat overlopen.

 

171. De Boerenkrijg I

In oktober 1798 kwam het in Overmere tot een spontane opstand, die zich vooral op het platteland uitbreidde over de Vlaamse departementen. Het is hier niet de plaats om het verloop van de Boerenkrijg nogmaals uit de doeken te doen. Evenmin kunnen we dit doen voor wat zich toen in Diest afspeelde. We beperken ons tot enkele gebeurtenissen in de O.-L.-Vrouwparochie. De Boeren bezetten Diest een eerste leer op 24 oktober, toen de Franse gendarmen een strafexpeditie uitvoerden tegen de dorpen. Maar op 26 oktober marcheerde generaal Durutte de stad binnen. De soldaten bekoelden hun woede op de bevolking. Jan Baptist Klé uit de Begijnenstraat werd door sabelslagen gedood. Pierre Distelmans uit dezelfde straat werd neergeschoten en met de bajonet afgemaakt. De Fransen lieten hier echter slechts een klein detachement achter, zodat de Boeren op 11 november Diest weer konden innemen via de Schaffensepoort. De broer van de portier daar was bij de ‘brigands’. Tijdens de schermutselingen bij de kerk werden twee Fransen doodgeschoten. Sommigen konden nog vluchten of verscholen zich bij burgers.

 

172. De Boerenkrijg II

Intussen kwamen de Fransen terug en omsingelden de stad. In de nacht van 14 november slaagden de Boeren erin de stad te verlaten via een noodbrug over de vestinggracht in de buurt van de sluizen. Ten slotte bezweek deze constructie en de laatste aftrekkenden verdronken. Aan de brug over de Zwarte Beek in de Schaffensestraat spoelden 18 lijken aan. Ze werden met karren naar het O.-L.-Vrouwkerkhof gebracht en in een massagraf begraven. Toen de Boerenopstand was neergeslagen, zaten 153 brigands, zoals de Fransen deze jongens kleinerend noemden, in het voormalige begaardenklooster opgesloten. Op 11 september 1898 herdacht Diest de Boerenkrijg. Een gewezen stadsgenoot, beeldhouwer Désiré Duwaerts, ontwierp hiervoor een marmeren gedenkplaat. Ze stelt een getroffen strijder voor. Toen de St.-Sulpitiusparochie niet zo ingenomen was met het ontwerp, dacht het comité een de O.-L.-Vrouwkerk, mits pastoor Oliviers het wilde. Daar in de buurt was heel wat leed geleden. Voorlopig werd het werk in de Allerheiligenkapel opgesteld en daarna verhuisde het naar de hoofdkerk.

 

173. Napoleon

Op 9 november 1799 bracht een staatsgreep in Frankrijk andere mensen aan het bewind: drie consuls onder wie de bekende generaal Napoleon. Hij trachtte de meerderheid van de bevolking aan zijn kant te krijgen en die was godsdienstig. Daarom verlangde hij naar betere betrekkingen met de Kerk. Weldra vernam Diest dat de eed van haat verviel en dat de eredienst weer vrij beoefend kon worden. Wel moesten de priesters zweren: ‘Ik beloof trouw aan de wetten van de republiek’, zoals alle ambtenaren trouwens. Wie deze belofte niet wenste af te leggen, werd niet meer vervolgd, maar mocht ook geen dienst meer doen. De Diestse priesters vertrouwden de nieuwe regering nog niet. Hoe konden ze weten of in de toekomst geen wetten zouden verschijnen die strijdig waren met hun geweten? Trouwens, onze verbannen bisschop de Franckenberg verbood de belofte af te leggen. Tekenen van hoop waren het nochtans toen in januari 1800 de eerste aangehouden geestelijken terugkeerden uit Franse en Belgische gevangenissen en de kerkdeuren weer opengingen.

 

174. De kerken gaan open

Op 23 januari 1800 opende de politiecommissaris St.-Sulpitius, de Lievevrouwkerk en die van het begijnhof. Nog diezelfde dag begonnen mensen aan de nodige grote schoonmaak. Voortaan konden de gelovigen er weer de rozenkrans bidden, af en toe een gebedsdienst bijwonen (een mis zonder priester aan het altaar). Nog gold het bevel dat alleen beëdigde priesters mis mochten lezen. En die waren er in Diest niet. Toch celebreerden de anderen toch heimelijk in de sacristie. Langzaam bleek het dat ook zij zich nu vrijer konden bewegen. De pastoor en onderpastoor van de Lievevrouwparochie hielden zich nog schuil. In januari reeds vulden de paters Peeters en Van Hespen nog vele nooddopen aan (zie nr. 159). Vanaf april doopte de onderpastoor weer, maar nog altijd aan huis. Ook de kerkelijke huwelijken gebeurden nog ergens in de parochie, zoals de registers vermelden. Zeker vanaf september was ook pastoor Van Hout weer present. Het was een hele opluchting toen de mensen einde juni 1800 vernamen dat Napoleon een concordaat wilde sluiten met de paus. Maar dat vergde lange en moeilijke onderhandelingen. Pas op 15 juli 1801 werd de definitieve tekst getekend. In Parijs werd het concordaat afgekondigd met Pasen (18 april) 1802. Vanaf Pinksteren kon in Diest alles weer gewoon gebeuren.

 

175. Het concordaat

Bij een overeenkomst moeten beide partijen water in hun wijn doen. Voor de Kerk was het voornaamste winstpunt dat ze weer recht op bestaan kreeg. Maar ze moest veel toegevingen doen. Daarbij ging Napoleon in de bijgevoegde uitvoeringsbesluiten gans eigenmachtig te werk. Zo kreeg hij nog steviger controle op het kerkelijk leven. Enkele punten uit het verdrag. De vroegere bisschoppen moesten aftreden. Om financiële redenen werd het aantal bisdommen sterk verminderd. Voor ons lans bleven slechts Mechelen, Doornik, Gent, Luik en Namen over, met erg gewijzigde grenzen. De kopers van genationaliseerde kerkelijke goederen – zwart goed noemden de mensen het – zouden niet meer lastig gevallen worden. Als tegenprestatie zou de regering voor een passend onderhoud van de bisschoppen en pastoors zorgen. De toekomstige keizer zou zelf de bisschoppen benoemen en die de pastoors, maar enkel mensen die in de gratie van de regering stonden. Ondanks alle toegevingen van de Kerk waren de verwoede republikeinen met dit verdrag geenszins in hun schik. De gelovigen waren opgelucht. Ze wisten niet wat Napoleon nog allemaal voor zich hield.

 

176. Reorganisatie

Het concordaat bracht grote veranderingen mee. In heel ons uitgestrekt nieuw bisdom Mechelen-Antwerpen bleven er omwille van de bezuinigingen slechts dertig parochiekerken over en evenveel pastoors, namelijk in elk vrederechterlijk kanton één. In het kanton Diest was dat de St.-Sulpitiusparochie. De overige veertien kerken van het kanton werden gedegradeerd tot bijkerken met een bedienaar, de rector. De priesters moesten trouw aan het concordaat beloven. Voor onze nieuwe, Franse bisschop, J. de Roquelaure, omvatte dit ook de eigenmachtige uitvoeringsbesluiten van Napoleon, waarmee niet iedereen akkoord ging. Alle betrekkingen werden open verklaard en de bisschop deed nieuwe benoemingen. In afwachting daarvan zette iedereen zijn vroeger ambt voort. Begin 1803 ondertekende Siardus Van Hout nog als pastoor. In augustus tekent hij als rector en heet hij Petrus. Hij heeft zijn kloosternaam moeten afleggen en moet weer zijn doopnaam gebruiken. Het was een dubbele verlaging van status: van pastoor tot bedienaar, van kloosterling tot gewone priester. Bovendien zou hij geen staatswedde trekken. Die was slechts voor het handjevol pastoors. Bedienaars van bijkerken en onderpastoors moesten zich tevreden stellen met een vergoeding van de gemeente.

 

177. Geldmiddelen voor de Kerk

De kerken waren opnieuw geopend, de bedienaren van de eredienst aangesteld. Intussen regelden de prefecten en de bisschop het beheer van de geldmiddelen van de Kerk. De eersten stelden drie kerkmeesters aan voor het bestuur van de goederen; in de Lievevrouwparochie Jan Jozef Troosters, Arnold Cox en Arnold Hermans. Voorlopig werden de kerkbezittingen nog nationaal beheerd. Als ze teruggegeven werden, zouden die inkomsten volstaan voor een goede werking. In afwachting dacht het stadsbestuur in juli 1803 eraan een belasting op te leggen aan wie deze last kon dragen. De gemeente zou ook de dienstdoende priesters betalen, zolang de staat hun geen wedde gaf. De nieuwe kerkmeesters stonden voor een moeilijke opgave. Voor sommige gronden stonden de huren open sinds 1795. Wel te begrijpen voor de kartuizers van Zelem, die verjaagd waren. Bepaalde hooigewassen in het broek van Diest, Halen, Molenstede, Zelem, Zelk en Zichem leverden tot Napoleon niets meer op. Sinds 1797 kon onze stad geen intrest meer betalen op de lening voor de aanleg van de steenweg naar Leuven. De nieuwe beheerders spanden zich in om al die achterstallen zo mogelijk nog te innen.

 

178. Nieuwe inkomsten

Volgens de uitvoeringsbesluiten van het concordaat richtte de bisschop voor iedere parochiekerk een plaatselijke beheerraad op voor de gewone inkomsten en uitgaven van de eredienst, de kerkfabriek. Drie leden werden daarvoor gekozen en de pastoor was voorzitter. Zij waakten over het onderhoud en de kleine herstellingen van de bedeplaats, bezorgden de nodige middelen voor het verloop van de eredienst. Daarvoor beschikten ze over de opbrengst van de schaal, de offerblokken, de giften en de waskaarsen voortkomende van de lijkdiensten, net als vroeger. Maar de bisschop ontsloot ook een nieuwe bron van inkomsten: het stoelengeld. Daar was vroeger nooit een bijdrage voor gevraagd. Toen de Lievevrouwkerk gesloten werd, stonden er 53 zit- en knielbanken. Nu werden er meer en meer stoelen aangeschaft. Zo eentje kostte 1 gulden 2 oorden. Vanaf 1804 werd er stoelengeld gevraagd, wat toen maandelijks ongeveer 6 gulden in het laatje bracht. Sommige mensen hadden graag een vaste stoel. Men kon daar een abonnement op nemen. Die huren brachten jaarlijks 50 gulden op. De kerkfabriek kon die nieuwe inkomsten goed gebruiken voor de luister van de eredienst, zoals verdere bijdragen zullen aantonen.

 

179. Sint-Antonius

Het zal niemand verbazen dat deze populaire franciscaanse heilige in Diest bij de minderbroeders vereerd werd. In 1749 vergrootte ze hun kerk met een nieuwe Antoniusbeuk. De gelovigen konden er speciale aflaten verdienen op het feest van de heilige (13 juni)

en iedere dinsdag. Op die dag was de heilige begraven en dat werd de oorsprong van de devotie der negen dinsdagen. De paters bezaten ook relikwieën van hun ordebroeder. Maar de Franse Revolutie maakte een bruusk einde aan deze verering. Op 5 januari 1797 moesten de minderbroeders hun klooster verlaten. Het werd verkocht. De kerk diende een tijd als paardenstal en werd daarna afgebroken. Zouden de mensen nu voorgoed de hulp van hun geliefde voorspreker moeten missen, die ze ook voor kleine zaken mochten aanspreken? Pastoor Van Hout voelde hun nood en zou Antonius naar zijn kerk halen. In november 1805 werd zijn beeld geplaatst op het vroegere altaar van St.-Jozef, waar het nu nog altijd prijkt.  

 

180. H. Antonius in de O.-L.-Vrouwkerk

We weten niet of het huidige beeld uit de kerk van de minderbroeders stamt. Het is een minder gebruikelijke voorstelling. Ze herinnert aan de volgende legende. Te Rimini versmaadde een uitgehongerde ezel het aangeboden voer en boog de knieën voor het H. Sacrament dat Antonius droeg. Hierop ging ook zijn baas in de eucharistie geloven. Op een biechtstoel die de parochie van de minderbroeders kocht, vindt men een meer gewone afbeelding van de heilige: Antonius met op de arm het kind Jezus dat op een boek zit. Het verhaal gaat dat de heilige ’s nachts het Jezuskind op bezoek kreeg. Het boek wijst erop dat hij goed de H. Schrift kende en er met vuur over preekte. Hoe de heilige ook wordt voorgesteld, hij heeft altijd een jong voorkomen. Hij was dan ook pas 36, toen hij in Padua overleed.

 

181. Een bloeiende devotie

Op 17 oktober 1805 vroeg pastoor Van Hout aan de pauselijke gezant bij Napoleon dat de aflaten die aan de minderbroederskerk verleend waren, omwille van de relikwieën van St.-Antonius, voortaan in zijn kerk verdiend zouden kunnen worden, daar die de relikwieën had gekregen. Via vicaris-generaal Forgeur kwam een bevestigend antwoord op 16 mei 1806. Toegestaan, maar op woensdag. In het begin gebeurde de Antoniusmis in de Lievevrouwkerk dus op woensdag. Die dag was er ook een speciaal lof. Vóór het altaar van de geliefde heilige werden in 1808 een antependium, kandelaars en ruikers gekocht. Dankzij milde gaven kon het in 1818 als marmer geschilderd worden.

 

182. Broederschap

In 1846 werd een broederschap van St.-Antonius opgericht. Het aansluitingsgeld bedroeg één frank. Daarbij betaalden mannen een jaarlijkse bijdrage van 75 centiem (waarschijnlijk als gezinshoofd), vrouwen 25 centiem. De aangeslotenen kregen bij hun overlijden een mis. Daarbij werd er elk jaar een plechtige lijkdienst gecelebreerd voor de afgestorven leden. Jaarlijks werd er ook een andere solemnele mis opgedragen voor de levende broeders en zusters. In 1865 telde de broederschap 196 vrouwelijke en 61 mannelijke leden. Het feest van Antonius werd gedurende acht dagen (een octaaf) gevierd. De eerste mis werd dan om vijf uur ’s morgens gelezen! Zo moest niemand zijn werk verletten. Een lof met sermoen om 20 uur sloot de dag af. Iedere dinsdag was de kerk propvol vereerders.

 

183. Aankopen

Pastoor Van Hout haalde niet alleen de devotie tot St.-Antonius naar zijn kerk. Hij bevorderde ook de reeds bestaande uitingen van vroomheid. Reeds lang was er buiten de kerk een H. Graf gebouwd, omgeven door een staketsel. Daar kwamen de mensen Christus in het graf vereren. Tijdens de laatste dagen van de Goede Week werd erbij gewaakt. Het kerkbestuur liet het verven en vernieuwen (1805). Bij de Leuvense schilder Antoon Clevenbergh werden schilderijen van St.-Rochus en St.-Anna besteld (1804). Samen voor 135 gulden. St.-Anna, moeder van Maria, werd veel aangeroepen als de kinderzegen uitbleef. Rochus kon men niet missen in de strijd tegen besmettelijke ziekten. Deze heiligen kregen ook een nieuw altaar, samen 43 gulden, met de nodige antependia, voorhangsels die de altaartafel een feestelijk uitzicht gaven.

 

184. Aankopen uit verdwenen kloosters

De minderbroeders Daems en Mondelaers verkochten aan de parochie elk een biechtstoel die aan de Fransen ontsnapt was, voor 100 gulden. Voor de uitgedreven kloosterlingen had het concordaat immers niets opgelost: kloosters bleven verboden, behalve dan de onmisbare broeders en zusters in de verpleging, zoals de gasthuiszusters, alexianen en grauwzusters. Hadden de anderen nog wat uit hun klooster kunnen redden in de hoop dat alles weer als vroeger zou worden, stilaan bleek deze verwachting niet uit te komen. Sommige in de stad gebleven minderbroeders, augustijnen en begaarden trokken nu en dan een kleine vergoeding als ze in de parochiekerken dienst bewezen. Nu begonnen ze hun mager onderhoud aan te vullen door de verkoop van allerlei liturgische voorwerpen waarvoor ze geen gebruik meer verwachtten: missalen, kelkdoekjes, kazuifels. Te Leuven bestelde de parochie in 1806 een klok voor 718 gulden. Het jaar daarop bezorgde pater Crampen van de begaarden aan de parochie een klein klokje van 192 gulden. De kleine klokjes dienden onder andere voor het slaan van het uur en het halfuur.

 

185. Nog meer aankopen

Broeder Jacobus van de begaarden maakte voor de parochie in 1807 een houten monstrans om de hostie ter verering uit te stellen tijdens het lof. Het prachtstuk uit 1671, dat men nu kan bewonderen in het stedelijk museum, was natuurlijk niet voor dagelijks gebruik bedoeld en bleef voorlopig best nog veilig opgeborgen. Later, in 1820, schafte de parochie bij de Leuvense koperslager, P.J. Donckers, een gewone koperen monstrans aan tegen 35 gulden. Datzelfde jaar leverde die ook een roodkoperen wierookvat voor 18 gulden. In 1834 zou de parochie daar ook twaalf mooie koperen kandelaars bestellen, die nog gebruikt worden. Zwaarder drukte op het parochiebudget van 1811 de aankoop van misgewaad en ornamenten bij Baye in Antwerpen voor liefst 1600 gulden. De kerk was nochtans reeds goed voorzien van kazuifels, koorkappen en bijhorende gewaden voor diaken en subdiaken in alle liturgische kleuren. Om de uitgaven te drukken, deden de kerkmeesters soms ook wel iets van de hand dat niet direct meer nuttig was. Zo verkochten ze in 1818 aan de pastoor van Miskom een altaar dat opgeborgen stond in de schatkamer. Dat bracht 9 gulden, 16 stuivers op. In 1821 verkochten ze een kelk. Het gebeurde wel eens dat de parochie een kunstwerk kreeg. In 1823 moest schilder P. De Craen een schilderij schoonmaken dat aan de kerk geschonken was. Hij ontving daarvoor 4 gulden.

 

186. Het kostershuis

Uit vorige stukjes weten we dat de parochie, ondanks enkele jaren ondergronds bestaan, zich springlevend toonde toen ze weer wat vrijheid genoot. Deze bijdrage onderstreept dat nog. De kerkmeesters wilden zo vlug mogelijk een huis bouwen voor de koster. Sinds 1791 was dat nog altijd Jacob Verreydt. Zijn zoon Victor volgde hem in 1814 op. In 1868 werd Julien Mattijs tot koster aangesteld. De koster zou gratis in het huis mogen wonen als tegemoetkoming in zijn loon. Verder mocht hij nog het zuidelijk kerkhof als tuin gebruiken, als vergoeding voor het opwinden van het uurwerk. Zijn vast maandloon bedroeg aanvankelijk 9 gulden, 6 stuivers. Reeds op 18 maart 1803 sloten Johan Jozef Troosters en zijn zuster Kristina voor notaris Cox een overeenkomst, waarbij ze aan het kerkbestuur 544 frank 21 centiemen leenden ofte 300 gulden. Alhoewel sinds 1795 de franc als officiële munt gold, rekenden de mensen nog altijd met gulden en stuivers. Reeds in 1807 kon deze lening terugbetaald worden, samen met de intrest voor drie jaar. Het nieuwe huis zou opgetrokken worden op een gedeelte van het kerkhof ten zuiden van de kerk. Na restauratie (1982-1983) dient het huis thans als woning voor de pastoor (zie de foto bij nr. 237).

 

187. Eerbied voor de doden

De nieuwe woning voor de koster werd gebouwd op grond van de kerk: het kerkhof. Sinds 1798 werd daar niet meer begraven, maar de jaren voordien was de begraafplaats intens gebruikt, daar ook de overledenen van St.-Sulpitius sinds 1784 hier hun laatste rustplaats kregen. Was het kerkhof vol, dan gebeurden de teraardebestellingen weer een tijd rond de St.-Janskerk. In maart 1805 werd een deel van de parochiale dodenakker zuidelijk langs de kerk ontruimd. De geraamten werden opgedolven in aanwezigheid van minderbroeder Christiani en elders opnieuw begraven. Voor die afgestorvenen werd een mis gezongen en ook de pastoor las nog missen voor hen. Pater Lina preekte bij gelegenheid van de ontruiming een hele meditatie over de dood. Dit fijngevoelig, schroomvol omgaan met stoffelijke menselijke resten geeft te denken aan hedendaagse mensen, in een tijd die niet zo angstvallig met de doden omspringt.

 

188. Het parochiale kerkhof

Nu er niet meer begraven werd, werden ook andere delen van het kerkhof als tuin verhuurd. De oude weg die van de Bruidstraat naar St.-Annendaal voerde, werd afgeschaft en bij het kerkhof ingelijfd (1820). De stad kocht een deel van de begraafplaats langs de Begijnenstraat (1821). Ze waren het er nog niet over eens of daar een openbaar plein zou komen of bouwplaatsen. Maar voor die laatste bestond onvoldoende belangstelling. In 1845 keurde de raad het goed dat een van de beide botermarkten daarheen overgebracht zou worden. Maar de mensen kwamen er niet op af. Reeds in 1855 werd er gedacht aan gasverlichting in Diest. De nodige gashouder zou kunnen opgesteld worden…. juist op het kerkhof. Maar dat is niets geworden. In 1864 werd het kerkhof gelijkgemaakt, met bomen beplant en afgespannen met een ketting aan arduinen palen. Rond die tijd wilden sommigen er nogmaals de botermarkt oprichten, maar een rondvraag onder de bevolking kelderde dit voorstel. Ook het plan uit 1878 om er de varkensmarkt te houden, bleef een hersenschim. Dat er soms (1880) vuilnis uitgestort werd als de straten geruimd werden, was echter harde werkelijkheid.

 

189. Als de oorlog woedt

In het stukje over het kerkhof keken we vooruit tot diep in de 19de eeuw. We keren nu op onze stappen terug, naar de tijd van Napoleon. De activiteiten in de kerk en de aankopen zouden misschien het vermoeden wekken dat de mensen toen in een paradijselijke toestand leefden. Niets was minder waar, zoals volgende bijdragen zullen aantonen. Zolang Napoleon aanbleef (tot 1814), was er oorlog. Dagelijks las de priester voor het epistel een bijkomend gebed in oorlogstijd. Na het lof werd een extra psalm voor de vrede ingelast, die vele Diestenaars aanging. Vele jongens die een laag nummer hadden getrokken, waren ingelijfd in het Franse leger. Wie niet direct erin was geloot, werd bij de reserve ingedeeld en kon nog opgeroepen worden. Kapitaalkrachtigen konden een plaatsvervanger huren. Maar hun prijs steeg snel. In 1805 vroegen ze reeds 1000 gulden om te vervangen. De slagvelden verslonden veel levens.

 

190. Soldaten van Napoleon

Hoeveel jongens van Diest opgeroepen werden, is niet geweten. Ook niet hoeveel er sneuvelden. Het best zijn we ingelicht over militairen die in een ziekenhuis stierven. De directeur van het hospitaal liet immers het overlijden aan de gemeenten weten. Voor zover men kan nagaan, kwamen er in Diest 23 overlijdensberichten binnen uit hospitalen over heel Europa: Bayonne, Brest, Brussel, Florence, Hamburg, Luxemburg, Madrid, Namen, Pamplona, Parijs, Salamanca, Saintes, Valencia, Wenen en nog andere plaatsen. Dikwijls luidde de doodsoorzaak: koorts. Misschien het gevolg van verwondingen. De geneeskunde beschikte nog niet over onze moderne middelen in de strijd tegen kwetsuren. Sommigen stierven aan tering. De berichten kwamen soms lang na de feiten. Pas in 1816 vernam de familie Corns uit de Begijnenstraat dat hun zoon Christiaan in 1807 te Braunau overleden was. Het gezin Sroyen-Meers zag hun zoon Jan onder dienst gaan in 1805. Reeds in 1807 bezweek hij aan koorts, maar dat werd pas in 1818 gemeld. Heel wat mensen vernamen nooit meer iets over de opgeroepene. Over wie op het slagveld gebleven was, werd aan de gemeente niets meegedeeld. Over de slachtoffers van de veldtocht tegen Rusland bestaan nergens veel gegevens. Ouders en familieleden werden misschien soms nog ingelicht door een strijdmakker.

 

191. Ter ere van de keizer

Op 2 december 1804 kroonde Napoleon zichzelf tot keizer. In 1807 kreeg het stadsbestuur van Diest de richtlijn dat iedere grote gemeente op de verjaardag van de kroning een bruidschat moest geven aan een meisje dat op die dag met een oudstrijder trouwde. De stad trok daar toen 250 frank voor uit. Dit werd een jaarlijks gebruik. Het eerde vooral het jonge bruidje dat haar leven opofferde in dienst van een invalide. Zo Annemarie Kayzer, die op 3 december 1811 met Norbert Naerhuysen uit de Lievevrouwparochie trouwde. Hij had in het 8ste linieregiment gediend. Op 7 december 1812 trad een andere parochiaan, Filip Poels, in het huwelijk met Johanna Van Haesendonck. De man had in Pruisen, Polen en Spanje gevochten. Het paar ontving van stadswege 600 frank als bruidgift. Voor het laatst werd dit geschenk in november 1813 verleend. In april 1810 was de keizer met Marie-Louise getrouwd. Ook die keer gaf de stad een som mee aan twee oudgedienden bij hun trouw.

 

192. Een nieuwe catechismus

Leefden de ouders met dienstplichtigen onder grote ongerustheid, ook de Kerk kende vele kopzorgen. In 1807 legde Napoleon aan alle katholieke onderdanen van het keizerrijk een nieuwe catechismus op. Daardoor matigde hij zich eigenlijk een recht van de bisschoppen aan. Velen ergerden zich aan de nadruk die het boek legde op de plichten jegens de keizer: ‘De christenen zijn schuldig aan de prinsen die hen besturen – en wij in het bijzonder aan Napoleon de Eerste, onze keizer – liefde, eerbied, gehoorzaamheid, trouw, militaire dienst en belastingen’. Wie daaraan tekortkwam, wachtte de eeuwige verdoemenis. Geen wonder dat er zoveel verzet oprees. Een priester van het Begijnhof te Diest liet clandestien een boek verschijnen: ‘De katholieke vader lerende zijn bejaarde kinderen’. Die vader verwittigt zijn kinderen, die zelf reeds ouders zijn, ervan dat de catechismus niet de goedkeuring van de paus wegdraagt.

 

193. Een nieuwe heilige

In het Frankrijk van vóór de revolutie, waar de meeste koningen Lodewijk heetten, was de H. Lodewijk een nationale feestdag. Nu zouden ze de geboortedag van Napoleon (15 augustus) met grote plechtigheid vieren. De keizer wenste daar ook een godsdienstig kleedje aan te geven met een luisterrijke dienst in de kerk en een processie. Maar op die datum vierde men reeds sinds jaar en dag de tenhemelopneming van Maria. Doch daarmee was de eer van de keizer niet gediend. Er moest die dag iets als zijn naamheilige komen. Ijverig werd er naar een patroon gezocht, maar een St.-Napoleon stond nergens vermeld. Ten slotte redde een martelaar uit Alexandrië, die in de 4de eeuw leefde, de keizer uit de verlegenheid. Wel ging het om een Neapolis of Neapolus. Op een paar letters werd er niet gekeken. In 1814, toen de Fransen weer naar huis waren, was St.-Neapolis reeds lang vergeten, maar op 14 augustus dat jaar werden de kapelletjes van de Zevenweeënstraat opgeknapt. De beeldjes werden er weer ingezet voor de Mariaprocessie ’s anderendaags, zoals het vroeger was geweest.

 

194. Bidden voor de keizer

Op last van de keizer werden bij zijn overwinningen Te-Deums aangeheven, de plechtige dankhymne van de Kerk, zo genoemd naar de Latijnse beginwoorden ‘Te Deum laudamus’ (‘U, God, loven we’). Na de hoogmis werd het ‘Domine salvum fac’ (‘Heer, schenk heil aan…’) gezongen voor de republiek en de consul, later voor de keizer (dit gebeurde ook nog voor koning Boudewijn). En in de daarop volgende oratie was er sprake van de zeer christelijke en devote dienaar van God. Toen Napoleon in 1809 de pauselijke staten had ingelijfd, in de kerkban geslagen was en de paus gevangen zat, kon deze bede nog moeilijk over de lippen komen. In het bisdom Mechelen weigerden 300 priesters dat nog te zingen. Ten andere, de gelovigen stapten dan ostentatief op. Dus was de hoogmis op vele plaatsen een gelezen mis en dan verviel het gebed voor de keizer. Pastoors die het gebed niet lazen, werden gestraft, zoals Petrus van Bever van het Begijnhof (zie nrs. 137 en 167).

 

195. Stevenisten

Het aanmatigende optreden van Napoleon lokte natuurlijk verzet uit. De hevigste tegenstanders wezen het hele concordaat af en scheurden zich af van de Kerk, die ze de nieuwe Kerk van Napoleon noemden. Ze werden ten onrechte Stevenisten genoemd, naar Cornelis Stevens, de vicaris-generaal van het bisdom Namen. Die bleef de nieuwe bisschoppen als wettig erkennen, maar verzette zich tegen sommigen nadere regelingen. Op het Begijnhof woonde zulk een harde groep. Toen pastoor Van Bever mordicus weigerde voor de keizer te bidden, verbood de bisschop hem nog verder mis te lezen. Bij zijn overlijden (1817) werd hij burgerlijk begraven. In augustus 1813 hielden de gendarmen drijfjacht op het Begijnhof. Enige priesters en begijntjes werden gevankelijk naar Brussel gevoerd. Er waren bij hen boekjes tegen de regering gevonden. Enkele dagen later moesten alle begijnen het hof verlaten. Hun nieuwe woonplaats moest twee uur van Diest verwijderd zijn. We betwijfelen echter of dit bevel van de prefect stipt uitgevoerd werd.

 

196. De parochie afgeschaft

Het decreet van 30 september 1807 trof de Lievevrouwkerk als een donderslag bij heldere hemel. Ze werd namelijk niet meer behouden als hulpkerk. In maart 1809 kwam het rondschrijven van de minister die de uitvoering regelde. Praktisch kwam het erop neer dat de staat de bedienaar niet meer zou bezoldigen. Overigens ging de werking voort. Pastoor Van Hout deed dienst tot in juli 1810 en verhuisde naar het Begijnhof, waarschijnlijk als gevolg van de nieuw geschapen toestand. In 1814 stierf hij in het hospitaal aan dysenterie. De dienst in de kerk werd intussen voortgezet door de onderpastoors en deken Vandermoeren van de St.-Sulpitiuskerk, die de registers ondertekenden als bedienaar van de Lievevrouwparochie. In 1815 was het rijk van Napoleon uit en werden onze streken bij Nederland gevoegd. Mensen van de parochie trokken nu hun stoute schoenen aan en verzochten het gemeentebestuur om de Lievevrouwparochie opnieuw in te richten en een eigen pastoor te geven. Want nu werd de zielzorg verwaarloosd. Vooral ’s nachts, als er zieken moesten bediend worden, duurde het soms lang vooraleer een priester ter plaatse was. De burgervaderen beloofden hun medewerking bij de kerkelijke overheid. In december 1816 werd eindelijk een nieuwe pastoor aangesteld, Petrus de Geest.

 

197. Hollands bewind

Tijdens het Hollands bewind mocht geen enkele kerk of kapel gebruikt worden zonder toestemming van de koning. In overleg met het bisdom werd een lijst van de noodzakelijke bidplaatsen opgemaakt. De aanvraag moest ingediend worden bij de koning. In 1824 dienden enkele vooraanstaanden van de parochie een smeekschrift in bij de bisschop om de O.-L.-Vrouwkerk als kapel te behouden. De gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van de provincie, vroegen aan de gemeenteraad om advies. De raad oordeelde dat de kerk niet afgeschaft kon worden zonder groot nadeel voor veel mensen. Volgens normen van 1786 moest men bij het bouwen van een parochiekerk erop letten dat de helft van de parochianen erin kon. Zelfs de grote St.-Sulpitiuskerk zou de mensen van de Lievevrouwparochie er niet meer bij kunnen nemen, was de redenering. Het verzoek viel in goede aarde. In juli 1827 was er feest in de parochie. Koning Willem I had een concordaat met paus Leo XII gesloten. Bij die gelegenheid was de kerk rijkelijk versierd, wat 11 gulden kostte.

 

198. Sint-Bernardsdal

Na de verwoesting van hun abdij in 1578 op de Kloosterberg hadden de cisterciënzerinnen zich in de Hasseltsestraat gevestigd, op de plaats waar later het stedelijk ziekenhuis zou komen. Het waren religieuzen van de orde van Cîteaux. St.-Bernardus had hun orde tot bloei gebracht. Daarom heette hun vestiging St.-Bernardsdal. Op 14 november 1796 moesten de twintig zusters hun klooster verlaten. Ze vonden onderdak aan de overkant, in de reeds eerder onteigende commanderij van de Duitse ridders. De kerk van St.-Bernardsdal werd afgebroken en de overige gebouwen verkocht. De zusters verkochten aan de Lievevrouwparochie in 1817 een neteldoeks communiekleed, een tapijtje en kerklinnen. Voor 9 gulden en 12 stuivers boden ze ook een 18de-eeuws beeld van de H. Agatha met omlijsting aan. Dat kreeg zijn plaats rechts in het koor van de Lievevrouwkerk. Agatha was een martelares uit Sicilië. Om haar van Christus te doen afvallen, liet men haar hevige folteringen ondergaan. Haar borsten werden afgesneden. Daarom wordt ze voorgesteld terwijl ze die op een schotel draagt. Ze werd vereerd om haar moedig geloof en zuiverheid. De mensen riepen ook haar voorspraak in tegen brandgevaar.

 

199. Onvervulde verwachtingen

De zusters gaven aan de parochie ook hun relikwieën van het H. Kruis en van de heilige Jozef, Agatha en Barbara. Alle gezet in zilveren doosjes, met de bijhorende getuigschriften van echtheid. Maar er werd wel één voorwaarde vastgelegd. De Lievevrouwkerk zou de relieken en het beeld van Agatha moeten teruggeven ‘als we het geluk zouden hebben nog eens te worden hersteld’. De vooruitzichten hierop waren echter somber. In 1818 bepaalde Willem I dat contemplatieve orden (vooral gewijd aan het gebed) geen nieuwe leden mochten aannemen. Orden en congregaties die zich aan onderwijs of ziekenverpleging wijdden (zoals de gasthuiszusters, alexianen en grauwzusters), moesten hun statuten aan de regering voorleggen. Dan konden ze wettig bestaan. Deze maatregel veroorzaakte veel ongenoegen in ons land. De Belgische grondwet zou de volledig vrijheid geven aan de kloosters. Maar de Diestse cisterciënzerinnen kwamen de slag niet meer te boven.

 

200. Alles verslijt

In de bijdragen 43, 44 en 45 schreven we dat de Lievevrouwkerk in 1675 een orgel besteld had bij Jan Dekens in Mechelen. Het werd geregeld onderhouden en hersteld, maar intussen was het 150 jaar oud geworden. Na het concordaat van Napoleon kon de organist van vóór de revolutie, Johan Kennes, zijn taak weer aanvatten. Na zijn overlijden (1809) sprong pater Van de Bon een tijdje in. Vanaf 1811 tot in de veertiger jaren speelde Felix Vostes. In 1812 nam vader of zoon Van Overbeek, orgelbouwers uit het Mechelse, het orgel grondig onder handen, voor 335 gulden. In 1821 vergde het klavier reparaties. Beantwoordde zijn klank niet meer aan de toenmalige romantische smaak? Was het versleten? Wat er ook van zij, rond 1824 – Hendrik Timmermans is dan pastoor – begonnen mensen te geven voor een nieuw orgel. Theresia Potdoer had er 100 Franse kronen voor over (325 gulden) en Katharina Mathijs 200 gulden. Daar zou echter nog veel gebedeld moeten worden. Het chronogram op het huidige orgel liegt er niet om: ‘Civium donis constructa fuerunt’ (‘gebouwd met de giften van de inwoners’). Onderpastoor Vervoort, de oom van de bekende weldoener van de armeninstellingen, schoot later, in de Belgische tijd, nog 5.986 frank voor. Pas in 1853 werd hem het laatste van de schuld afbetaald.

 

201. Onze orgelbouwer

In ons land leefden er in die tijd twee befaamde geslachten van orgelbouwers: Van Peteghem met 300 instrumenten op zijn naam en De la Haye, die er 200 schiep, zowel voor Nederland als België. De kerkmeesters van de parochie wendden zich tot Jan-Jozef De la Haye (1786-1845) uit Antwerpen, die zelf soms met Delhaye ondertekende. Het werd van onze kandidaat kon best de vergelijking doorstaan met dat van de late Van Peteghems. Hij was bedreven in zijn vak en deponeerde een brevet voor de verbetering van het pedaal. Hij hechtte veel belang aan de orgelkast. In de Lievevrouwkerk is het een klassiek geïnspireerd meubel. Zulke neoklassieke orgelkasten zijn zeer zeldzaam. In onze streek staan nog orgels van zijn hand: in Glabbeek (St.-Nicolaas), Kumtich (St.-Egidius) en Paal (St.-Jan de Doper). Ze zijn van latere datum. Aan het instrument in de Lievevrouwkerk begon de meester in 1827. Het kan moeilijk dat het orgel reeds in 1828 af was, zoals het chronogram zegt. Nog in 1846 voegde zijn zoon er belangrijke stukken aan toe. De familie zorgde nog lang voor het onderhoud.

 

202. Het orgel

Het was zeker een blijk van vertrouwen vanwege de Antwerpse meester dat J.L. Verspeek, een schrijnwerker uit de parochie, de orgelkast mocht uitvoeren. Ze kostte 202 gulden. Er kwamen veel ornamenten bij te pas: rozetten (op een roos gelijkende versiering), olijfbladen, palmen. Niet te vergeten de slang rond de wijzerplaat van het uurwerk, die zich in de staart bijt. Dat is een oud symbool voor de eeuwigheid (geen begin noch einde). Dat alles leverde J.J. Petrolini uit Brussel. Belangrijker was natuurlijk het binnenwerk. De meester gebruikte meer dan het doorsnee gehalte tin voor de pijpen. De kritiek uit die tijd noemde het een goed orgel. Over de oorspronkelijke klank kunnen we niet meer oordelen, want het binnenwerk werd gedeeltelijk veranderd in 1875 en 1892 door orgelbouwer Stevens uit Duffel. Met de aanschaf van dit orgel had de parochie haar financiële mogelijkheden overschat, omdat de kerk niet van rampen gespaard bleef, zoals we nog zullen zien. De parochie stak diep in de schuld en verkocht in 1837 zilveren kandelaars en een beeld van O.-L.-Vrouw van Smarten en van St.-Jozef. De pastoor van Horpmaal nam het oude orgel over voor 736 gulden en nog moesten de geldschieters wachten. Over het muziekleven in de kerk zullen we eerlang handelen.

 

203. De instorting

In bijdrage 109 schreven we dat in 1754 een kolom aan het koor scheurde. Ze werd met ijzer gebonden en geankerd. Enkele stenen werden vervangen. Men was weer gerust. Bij zijn jaarlijkse kerkvisitatie in oktober 1829 noteerde deken Mafoy: ‘De kerk is proper en heeft geen vermeldenswaardige reparaties nodig’. Zo leek het, maar op woensdag 30 juni 1830 om half elf ’s avonds begaf de pilaar van het koor naast het St.-Jozefsaltaar het. In die hoek kwamen een deel van het gewelf en van de koormuur naar beneden. Gelukkig werden er toen zo laat nooit diensten gehouden, zodat er geen slachtoffers vielen. Ondanks de verwoesting gingen de vieringen in de kerk zo goed en zo kwaad als het ging voort. Onderpastoor Vervoort diende op 4 juli reeds een doopsel toe. De doopvont achteraan bleef natuurlijk gespaard. Op 12 juli vond er een begrafenis plaats. Maar de devoties tot de H. Antonius en St.-Jozef leden wel onder de schade aan de zijaltaren, wat zich uitdrukte in de schaal en de offerblokken. Aandachtige lezers zullen reeds gemerkt hebben dat we de instorting enigszins anders dateren dan gebruikelijk (in de nacht van 2 juli). Onze datum (30 juni) steunt op de kerkrekeningen.

 

204. De schade

De instorting berokkende in die hoek van het koor grote schade. Het dak en de muur moesten daar worden afgebroken, twee vensters vernieuwd. Steenkapper J. Prevenaire hieuw bijna een jaar lang stenen. Voor de vernielde vloer kocht men blauwe en grijze plaveien, ook wit en rood marmeren uit het Naamse (Samson). Schrijnwerker K. Van Roo uit de parochie werkte in 1836 maandenlang aan het gestoelte. Architect Van Arenbergh had de supervisie over het geheel. Ook de altaren in de noordelijke dwarsbeuk waren getroffen. Dat van St.-Jozef natuurlijk het ergst, maar zelfs dat van O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën was beschadigd. In de andere dwarsbeuk had ook het altaar van St.-Antonius geleden. Schrijnwerker L. Verspeek verving onder andere twee tombes, het eigenlijke lichaam van een altaar. Het geheel van de werkzaamheden kostte 19.575 frank (sinds 1833 rekenden de Belgen met franken). Er werd 3877 frank ingezameld in de stad. Er kwam nog voor 2148 frank binnen. De provincie en de stad schonken elk 2116 frank subsidie. De kerkmeesters schraapten 2510 frank bij elkaar. Oude stenen, twee biechtstoelen, een zilveren kelk werden verkocht. Maar nog kwam men 4707 frank te kort. Gelukkig schonken de grauwzusters 5800 frank renteloos voorschot aan pastoor Timmermans. Tot in 1898 werd er op die schuld afbetaald.

 

205. Een curiositeit

Op de deur van een kast in de sacristie hangt nog een rouwaffiche van pastoor Timmermans. Ze meet 35 bij 43 cm. In de 18de en 19de eeuw werden zulke biljetten aangeplakt aan de kerkdeuren en naar de kloosters verzonden. Ze vermeldden de naam en de leeftijd van de overledene en riepen de gelovigen op tot gebed. De reusachtige doodsbrief in de sacristie lijkt vooral voor priesters en kloosterlingen bestemd, want hij is in sierlijk, ronkend Latijn opgesteld. De affiche werd te Leuven gedrukt bij de universitaire drukkers Vanlinthout en Vandenzande. Bovenaan manen twee doodshoofden en gekruiste beenderen tot ernst. Ze flankeren een kruis met het bekende opschrift: ‘Hodie mihi, cras tibi’ (‘Vandaag is het aan mij, morgen aan jou’). Doodsbrieven van het huidige formaat verschenen pas in het begin van de 20ste eeuw. Rouwaanplakbiljetten als dat in de sacristie worden thans nog gebruikt in Brugge. Wat vertelt de rouwaffiche ons over pastoor Timmermans?

 

206. Hendrik Timmermans

De doodsbrief leert ons dat pastoor Timmermans in 1796 geboren werd in St.-Martinus-Vissenaken en na zijn gymnasium het bisschoppelijk seminarie van Mechelen bezocht. Bij zijn priesterwijding was hij 22 jaar. Zeer jong! Volgens het huidige kerkelijk wetboek (van 1983) moet de wijdeling 25 jaar geworden zijn. Ontheffing van één jaar kan gegeven worden. Maar in die tijd bestond er nog geen eenvormig kerkelijk recht. Komt daarbij dat de priesteropleiding in de Franse tijd tot 1800 onmogelijk was en later onder Napoleon veel moeilijkheden ondervond, want de keizer wilde die naar zijn hand zetten. Er heerste dus gebrek aan jonge priesters. In datzelfde jaar 1818 kreeg H. Timmermans zijn eerste plaats als onderpastoor in Boom. In 1823 werd hij pastoor in de Lievevrouwparochie. Het doodsbericht vermeldt zijn ijver voor zijn kerk na de instorting van het gewelf. Hij heeft ze herbouwd dankzij de giften van de gelovigen uit heel de streek. Dat wisten we reeds. Maar we vernemen ook dat pastoor Timmermans zich de armen aantrok, zowel door het geven van aalmoezen, als door het oprichten van een door iedereen geprezen armenschool, wat nog aan de beurt komt.

 

207. Nog over pastoor Timmermans

De doodsbrief in de sacristie leert ook dat pastoor Timmermans hielp bij de restauratie van het Grauwzustersklooster. De kopers hadden het als een puinhoop achtergelaten. Onder Napoleon konden de zusters hun eigendom terugkopen. Maar aan serieuze heropbouw kon pas gedacht worden na 1830, toen België van Nederland was afgescheurd. Van de Belgische grondwet mochten kloostergemeenschappen weer wettig bestaan. Er traden dan nieuwe novicen binnen. We weten uit nr. 204 dat de zusters op hun beurt de O.-L.-Vrouwkerk uit geldverlegengheid hielpen. Op 25 april 1837 overleed pastoor Timmermans, jong en onverwachts. In de muur van het koor herinnert een zwarte steen met zijn naam en het jaartal 1830 aan het werk van deze ijverige priester, die de kerk ook een nieuw orgel bezorgde. In de 19de eeuw waren er nog verdienstelijke pastoors van de O.-L.-Vrouwparochie, maar als de historische bronnen over hen zwijgen, blijft de geschiedschrijving sprakeloos.

 

208. Werken met systeem

Nagelaten documenten bewijzen dat pastoor Timmermans zijn taak als predikant ernstig opvatte. In 1828 kreeg hij van de bisschop voor vijf jaar vergunning om verboden boeken te lezen en te bezitten. Dit om hun stellingen beter te kunnen weerleggen. Tussen 1824 en 1828 noteerde hij trouw in een register het onderwerp van zijn preken. Hij gaf ook aan op welke bladzijde in welk handboek documentatie daarover te vinden was. Hij moest dus over een serieuze persoonlijke bibliotheek beschikken. Even nauwgezet schreef hij er telkens bij met welk Latijns citaat – meestal genomen uit het evangelie van de mis – hij zijn predikatie zou beginnen. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de mis nog in het Latijn gebeurde, was een dergelijke aanvang van een sermoen zeer gebruikelijk. Alhoewel in die tijd nog ieder jaar dezelfde lezingen terugkwamen – nu pas om de drie jaar – behandelde de pastoor telkens een verschillend onderwerp of aspect op die bepaalde zondag. Het aangelegde register friste daarvoor zijn geheugen op. Op die manier kregen de mensen in de loop der jaren de hele christelijke leer en moraal uiteengezet. Sommige onderrichtingen waren wel tijdgebonden. Een paar voorbeelden. Een dienstbode is aan zijn meester eerbied, gehoorzaamheid en trouw schuldig. Een andere keer kwamen de plichten der meesters jegens hun dienstboden ter sprake. Met carnaval werd er gepreekt over ‘dansvergaderingen’.

 

209. De Zusters van de Voorzienigheid

Het doodsbericht van pastoor Timmermans gewaagt van zijn school voor de armen, door iedereen geprezen. Op zijn aanvraag kwamen er in de zomer van 1835 twee zusters naar Diest, om in de O.-L.-Vrouwparochie in oktober een meisjesschooltje voor volkskinderen te beginnen. Ze behoorden tot de congregatie van de Voorzienigheid. Die was al vóór de revolutie in Frankrijk gesticht en bloeide er. Sinds 1822 werkten ze reeds op enkele plaatsen in België. Diest zou de dertiende stichting in ons land worden. Hoe de pastoor die toen minder bekende zusters heeft ontdekt, weten we niet. Sinds 1834 immers hadden ze hun noviciaat in het verre Harlue bij Eghezée. Pas in 1836 werd Champion hun moederhuis. Onderwijzende congregaties die gratis werkten voor volkskinderen, waren toen nog schaars in ons land. De pastoor had dus geluk gehad! Zuster Filomeen Burny, afkomstig van Elsene, sprak Vlaams. Zij kon de meisjes leren lezen, schrijven en rekenen. De andere zuster, Helena Winand van Jodoigne, nam het huishouden waar.

 

210. Lager onderwijs

Schoolplicht was er toen nog niet; pas in 1914 werd ze in ons land ingevoerd. Maar de mensen begonnen toch meer en meer belang te hechten aan lager onderwijs. Er bestonden op dat gebied in Diest reeds enkele privé-schooltjes, bijvoorbeeld dat van Jean Louis Weesen in de Hal. Daar betaalde men voor onderricht toen maandelijks 1,5 frank, zowat het dagloon van een arbeider. Voor arme jongens en meisjes was er één school en één onderwijzer. Links op het einde van de Begijnenstraat, tegenover de Grauwzustersstraat, gaf Abraham Ouborg sinds 1827 les in een huis van de stad. Hij mocht daar gratis wonen en ontving ook een vergoeding van stadswege. Hij was afkomstig van Dordrecht en gehuwd met een Belgische. De gemeentelijke jongensschool was daar tot in 1903 gehuisvest en telde in haar glorietijd vier klaslokalen. Dat jaar verhuisde ze naar nieuwe gebouwen op het terrein waar zich nu de stedelijke bibliotheek bevindt. Hoe de heer Ouborg alle leergierige onbemiddelde Diestse scholieren in het eerste schooltje kon onderbrengen en onderwijzen, is voor ons onbegrijpelijk. Vermoedelijk waagden zich maar weinig meisjes in zulk een mierennest.

 

211. Een school voor arme meisjes

De stad was dus blij met de komst van de zusters. Van de congregatie van de Voorzienigheid hadden ze nog niet gehoord. In het begin noemden ze hen Zusters van Liefde. Vanaf Pasen 1835 huurde het stadsbestuur voor hen bij de Burgerlijke Godshuizen het Palmboomgodshuis in de Grauwzustersstraat (zie nr. 122). Vóór de Franse revolutie woonden daar zes bejaarden, zowel mannen als vrouwen. Het bestond uit een paar witgekalkte huizen. Aanvankelijk moesten de zusters de ruimte nog delen met een gezin. De religieuzen waren er eng en primitief behuisd zoals hun arme scholiertjes. Kwam er een medezuster ven elders op bezoek, dan moest die gaan logeren bij de grauwzusters. Slechts aan iets hadden ze geen gebrek: aan schoolkinderen, zeker niet aan arme. We weten niet hoeveel onbemiddelde leerlingen er bij de start in oktober 1835 les volgden. Na 1842 weten we hoeveel kinderen gratis lager onderwijs mochten volgen. In 1844 kregen 232 jongens die kans bij meester Ouborg en 208 meisjes bij de zusters. In 1846 zou de onderwijzer 268 jongens onder zijn hoede hebben en de zusters 273 meisjes, als alle arme kinderen kwamen. Maar zoveel zijn er nooit samen opgedaagd. Niemand moest immers naar school! In de zomer bleven de leerlingen ten andere gemakkelijker afwezig om thuis te helpen.

 

212. Veel leerlingen

De wet van 1842 gaf de gemeenten de opdracht voor kosteloos lager onderwijs te zorgen, althans voor de behoeftigen. De term was wel ruim te verstaan. Rechthebbende waren: wie geholpen werd door het armenbestuur, arbeiders zonder enig ander inkomen dan hun loon, iedereen die onmogelijk onderwijs kon betalen. In vorige bijdrage noteerden we voor een paar jaar hoeveel kinderen daarvoor in aanmerking kwamen. Armen in engere zin woonden er trouwend genoeg in Diest. In 1848 stonden 3000 van de 8000 inwoners op de steunlijst. Voorlopig richtte de stad zelf geen kosteloos onderwijs in. Voor de arme meisjes werd de school van de zusters aangenomen. Voortaan betaalde het stadsbestuur de schoolbehoeften van de leerlingen, de verwarming van de klassen en de wedde voor de zusters. Het schoolbezoek steeg. Mensen beseften steeds beter dat scholing hun kansen verbeterde. Nog iets stimuleerde hen: om in aanmerking te komen voor een jaarlijkse prijs voor zindelijkheid vanwege de gemeente, moest men zijn kinderen naar school sturen. Een commissie bezocht de huizen van de armen en verleende prijzen in natura aan de properste woningen. Waar de kinderen trouw school liepen, hadden ze de beste kans daarop.

 

213. Stijgend succes I

In 1840 waren er reeds drie zusters nodig. Hun school moest dringend vergroot worden. De stad betaalde een hogere huurprijs aan het bestuur der godshuizen. Maar voor het schoolmeubilair stonden de religieuzen zelf in. Een tentoonstelling met verkoop van kunst en antiek in de Halle, waarvoor de stad ook een mahonie commode afstond, hielp hen door de hoogste nood heen. In 1847 telde de Diestse kloostergemeenschap reeds vier leden. Ze vonden voor zichzelf een ruimer onderkomen in de M. Theysstraat (1845), maar de armenschool voor meisjes bleef nog in de Grauwzustersstraat gevestigd. Wel richtten de zusters in hun nieuw verblijf een betalende school in, waar Frans werd gegeven. Dit op aandringen van de burgerij. Ze aanvaardden er ook enkele internen. In 1858 lieten de zusters hun oog vallen op de leegstaande bogaardenkazerne. De soldaten daar waren intussen in de citadel ondergebracht. Maar de stad wou dit gebouw niet goedkoop laten gaan. Een ferme prijs kon de overste niet betalen en de stad behield haar eigendom.

 

214. Stijgend succes II

In 1860 konden de zusters de oude gendarmerie in de Demerstraat kopen. Ze bouwden daar drie ruime, luchtige klassen. De school voor arme meisjes verliet de Lievevrouwparochie en nam haar intrek op de Kaai in een stadsgebouw dat vroeger als stedelijke brouwerij, later als slachthuis, had gediend (nu de blok Van Havare – ACLVB). Maar lang zouden de zusters daar niet onderwijzen. Reeds in 1859 werd er immers in de gemeenteraad de vraag opgeworpen of de stad geen eigen gemeentelijke meisjesschool zou oprichten. De knoop werd in 1862 doorgehakt, toen de regering de stad verplichtte de stadsgebouwen zelf te gebruiken. Op 1 maart 1863 vlogen de zusters buiten op de Kaai. Hun onderwijs was niet meer aangenomen. Gelukkig waren hun nieuwe lokalen klaar. De gemeenteschool voor arme meisjes bleef daar gevestigd tot in 1882, toen ze naar de Peetersstraat verhuisde. De verdere geschiedenis van de gemeenschap van de Voorzienigheid valt buiten het bestek van deze parochiekroniek.

 

215. De mensen van toen I

Voorafgaande bijdragen handelden over de activiteiten van pastoor Timmermans en de zusters van de Voorzienigheid. Het is tijd dat ook de gewone mensen eens aan de beurt komen, die in de periode 1830-1850 leefden. We belichten enkele opvallende dingen. In de Schaffensestraat woonden toen nog zes boeren, maar je telde er ook 24 winkels, naast vijf bakkers en drie slagers. Er waren in heel die lange straat slechts vijf tappers. Naast geschoolde arbeiders, zoals schrijnwerkers, schoenlappers, kleermakers, metselaars, smeden, een koperslager, een gareelmaker en een schaliedekker, vond men er ook veertien handwerkers en vijf dagloners. Sommigen kwamen als timmermans- of molenaarsknecht of als bakkersjongen aan de kost. Maar ook voor ons vreemde beroepen kwamen voor: een blijker, zakkendrager, woltrekker, een vrouw die vlas hekelde, een wever, een barbier. Er woonden ook twee brouwers, een azijnbrouwer, een jeneverstoker, een handelaar, een koopman in stenen en kalk. Het was een drukke straat. Al wie uit de Kempen kwam, moest hier passeren.

 

216. De mensen van toen II

De Begijnenstraat was minder in trek voor handel: men vond er slechts één bakker, één slager en één herberg. Er leefden 22 dagloners, die er nooit zeker van waren dat ze de volgende dag aan de slag konden, en negen handwerkers met een beetje meer zekerheid. Andere arbeiders werkten in dienst bij een bepaalde vakman: schilder, schrijnwerker, kleermaker, pottenbakker, schaliedekker. Maar ook van hen vielen velen in de winter zonder werk. Vrouwen verdienden een schamel centje met breien, spinnen en strijken. In diezelfde straat leefden echter ook onderwijzer Ouborg, drie renteniers en twee ambtenaren. De paperassen van de administratie voedden toch nog maar enkele mensen. Het valt op hoe weinigen op een kantoor werkten. In de Grauwzustersstraat en de Zevenweeënstraat stonden maar enkele huizen. In de Bruidstraat was geen enkele winkel of herberg. Boven, tegenover het kapelletje, oefende een olieslager zijn lawaaierig bedrijf uit. We weten niet of de geelgieter uit die straat ter plekke zijn gietwaren uit geel koper vervaardigde. Benevens de gewone beroepen trof men er ook een zeldzame vogel aan: een tewerkgestelde in de militaire bakkerij.

 

217. De mensen van toen III

In de Overstraat vermelden we het weeshuis (nu school van het gemeenschapsonderwijs), waar 25 jongens en 28 meisjes verbleven, maar ook 25 bejaarde vrouwen en 18 mannen boven de zestig. De mutsenplooister en de pruikenmaker uit die straat zouden weldra het slachtoffer worden van de wisselende mode. De hoogste belastingbetalers vond men in de Overstraat, het Weerbroek en de Langesteenweg. Maar ook in deze dure straten waren ambachtslieden, handwerkers en dagloners gevestigd. In het Weerbroek (later M. Theysstraat) woonden vijf brouwers, één distilleerder, de toenmalige burgemeester Schenaerts, dokter Vervoort en ook pastoor Timmermans met onderpastoor Vervoort. Ook de Langesteenweg (nu Koning-Albertstraat) bezorgde Diest de naam van bierstad: drie brouwerijen en een stokerij waren er gevestigd. Maar ook boekdrukker Clerinckx was er bedrijvig. In die tijd van de propere Demer gaf er nog iemand visser als beroep aan. Opvallend is ook het hoge aantal dienstboden, die toen in onze stad tewerkgesteld waren: liefst 448! Ze waren echter niet allemaal huisbedienden. Velen werkten als gast bij een ambachtsman.

 

218. Armoede

In 1885 lichtte onze kerkfabriek toe waarom ze zelf zo weinig uittrok voor de restauratie van de kerk: ‘Onze parochie bevat naast enkele bemiddelde inwoners een groot aantal geringe huishoudens en een overgroot getal werklieden of arme mensen’. Deze verklaring kon ze ook vijftig jaar eerder afgelegd hebben over de periode die we nu behandelen. Armoede was overigens troef in heel de stad, zoals we zullen aantonen. Ziekteverzekering, uitkering voor werklozen, kinderbijslag bestonden niet. Bij gebrek aan goede verkeerswegen kwijnde onze plaatselijke nijverheid. De lonen waren dus laag. In 1838 ontving een arbeider die graafwerken uitvoerde of bomen plantte 85 centiem per dag. Voor het gevaarlijke bomen snoeien werd 1,20 frank betaald. Een wever kreeg 24 centiem voor een el lijnwaad. Rond 1850 verdiende een arbeider 1,50 frank per dag. Een brood van twee kilo kostte toen 46 centiem, een katoenen deken 3 frank en een wollen 9,50 frank. Een werkdag duurde soms 13 à 14 uur. Dagloners waren blij als ze weer een dag werk vonden. In de zomer hielpen ze veel bij de landbouw, die toen nog niet gemechaniseerd was. In de winter konden veel vaklieden als schaliedekkers, metselaars en schrijnwerkers, de kost voor hun gezin niet verdienen en waren op steun aangewezen. Later (1855) ving het stadsbestuur dit enigszins op. Het liet in het dode seizoen openbare werken uitvoeren. Zo werden bijvoorbeeld de Kruisstraat en de Vestenstraat dan gekasseid. Vroeger waren die tijdens het grootste deel van het jaar modderpoelen en een gevaar voor de gezondheid.

 

219. Steun

De minste tegenslag kon toen voor een gezin een ramp betekenen. Stierf bij een dagloner de koe, dan kon hij geen andere kopen zonder steun. Van een weduwe liet het armbestuur de handkar repareren, zodat ze kon blijven bier leveren. Een bakker kreeg hulp om meel te kunnen kopen. Door tegenslag kon hij die grondstof niet meer betalen. Nu kon hij blijven werken. In ruil verwachtte het armbestuur een aangepast gedrag vanwege de armen. Een jonge man verloor zijn steun wegens slecht gedrag en luiaardij. Anderen werden geschrapt, omdat hun woning te vuil was ondanks herhaalde waarschuwingen. In 1849 werden in de Onze-Lieve-Vrouwkerk dertien stoelen geplaatst aan het altaar van het H. Kruis. Ze waren bestemd voor de oude mannen uit het gesticht. De directeur moest erop letten dat ze dagelijks de mis en het lof bijwoonden. Hun werd ook de les gespeld dat ze alleen in hun zakdoek mochten spuwen. Wie driemaal spijbelde, zou uit de inrichting gezet worden. Mensen die in Diest niet aan een uitkering geraakten, trokken naar Luik en Antwerpen, waar het armbestuur gemakkelijker gaf. Maar dat geld moest de Diestse armencommissie achteraf aan die steden vergoeden. Sommige armen bedelden enkel dagen. Dan werden ze door de gendarmen opgepakt en naar een bedelaarskolonie gebracht. Zo geraakten ze door het kwade seizoen. Maar ook voor hen moest de stad uiteindelijk opdraaien.

 

220. Hongersnood

In de winter van 1844-1845 bevroren de tarwe- en koolzaadvelden. Tot overmaat van ramp mislukten nog de aardappelen in juni 1845. Vooral de bleekblauwe en bleekrode rassen waren getroffen. Normaal leverde een hectare toen 200 hectoliter knollen op, nu slechts 20 hectoliter. Het volgende jaar deed de regen de roggeoogst rotten. Daardoor werd het basisvoedsel voor de gewone man onbetaalbaar. Tijdens de koude winter van 1846-1847 gingen de aardappelen en de rogge driemaal zo duur als in 1844. Velen stierven van honger en koude. Het armenbestuur moest toen tweemaal zoveel uitgeven als het introk. In 1844 deelde het reeds 14.163 broden van anderhalve kilo uit. Een arme die totaal onbekwaam was om te werken, ontving wekelijks twee broden en vier frank per maand. Maar nu in deze hongerwinter vreesde men dat het aantal steuntrekkenden met een derde zou toenemen. Het armenbestuur kocht wijselijk buitenlands graan. Werd dit te duur, zoals in 1853, dan deelde men aardappelen uit. Dan ontving elk gezin 10 kilo aardappelen in plaats van brood. Van de 7751 Diestenaars genoten 535 gezinnen met 1833 leden steun in 1849. in 1859 waren dit 541 gezinnen met 2164 personen. De stad telde toen 7506 inwoners. In de Lievevrouwparochie omvatte het werkgebied van de armendokter 225 gezinnen (in 1857). De andere armendokter bediende 275 gezinnen van de St.-Sulpitiusparochie. Het distributiekantoor, waar de hulp verdeeld werd, lag in de Begijnenstraat naast de armenschool. Het was opzettelijk in een stille straat gevestigd, want velen schaamde zich om bij de commissie te moeten aankloppen.

 

221. Buitenkansjes

Af en toe viel er wel een extraatje af voor de armen. Een rijke brouwer tastte eens diep in zijn zak voor een buitengewone bedeling van brood. Soms gebeurde dit bij testament bij een begrafenis. Sommige beschikkingen hadden zelfs de Franse revolutie overleefd. Als gevolg van een stichting van 1700 werden toen nog jaarlijks acht halster koren tot brood verbakken voor de armen van onze parochie. Een halster werd toen in 28 liters omgerekend. In 1846 gaven de harmonie en het militair muziekkorps concerten ten bate van de behoeftigen. Sinds 1851 was ook het St.-Vincentiusgenootschap in Diest bedrijvig met als voorzitter deken Mafoy en als ondervoorzitter pastoor Vervoort van de O.-L.-Vrouwparochie. Zij steunden 27 gezinnen met brood, aardappelen, rijst, beddenlaken, dekens en gruis. Aan deze vereniging zullen nog bijdragen gewijd worden. Arme kinderen ontvingen soms van het armenbestuur kleding om naar school te kunnen gaan. Bij de prijsuitdeling werden stoffen uitgedeeld om bloezen en hemden te maken. Een buitenkans was het ook toen de commissie in december 1848 strozakken bezorgde.

 

222. Het pandjeshuis

In uiterste nood kon de behoeftige zich ook tot de bank van lening wenden. Ze was in 1826 onder koning Willem I opgericht om de kleine man te beschermen tegen woekerpraktijken. Ze lag in de Cleynaertstraat. Men kon er kleren, huisraad, juwelen in onderpand afgeven. De belener ontving dan een zekere som en een bewijs, het lommerdbriefje. Hiermee kon hij zijn pand inlossen tegen de betaling van de geleende som en de onkosten. Ze rekenden 15% jaarlijkse intrest aan ten bate van het armenfonds. Na een bepaalde tijd werden de niet afgehaalde voorwerpen openbaar verkocht. Soms geraakten ouders zo in geldnood, dat ze de kleren van hun kinderen naar de lommerd brachten, als ze de giften van het armenbestuur al niet eerder verkocht hadden! Sommige jaren (1866) werd er zoveel verpand dat het pandjeshuis geld te kort kwam en bij de armencommissie moest lenen. Men werd nochtans niet altijd vriendelijk op de bank van lening ontvangen. Dikwijls heette het: ‘Vandaag geen geld! Vandaag slechts open voor inlossing, niet voor afgave’.

 

223. Woningnood

Omdat hier mogelijk meer werkgelegenheid was, zochten veel mensen van het platteland de stad op. Armen kregen in hun dorp de raad zich in Diest te vestigen, waar de armencommissie meer armslag had. Na enkele jaren konden ze dan hier steun genieten. Toen in 1837 de nieuwe versterkingen gebouwd werden, werden vele arbeiderswoningen die in de weg lagen, gesloopt. Daardoor heerste er een grote woningnood. Eigenaars bouwden in hun tuin enkele zeer kleine huisjes rond een binnenpleintje, door een smalle gang met de straat verbonden. In ruimere woningen werd dikwijls een kamer onderverhuurd. Maar de helft van de huizen was zonder verdieping, soms nog met lemen wanden. Vele bewoners beschikten slechts over één vertrek, dat dienst deed als keuken en slaapkamer. De kinderen sliepen dan op zolder onder de pannen op een grote strozak, zonder lakens of dekens, met een hoopje vodden als dekking. Was er een sterfgeval, dan moest de overledene naar het lijkenhuisje op het St.-Janskerkhof worden overgebracht, want het gezin moest anders dezelfde kamer met hem delen. Armen braken soms hout uit het dak van hun huurhuis om te kunnen stoken. Ook gingen ze zich nogal eens een keer bevoorraden in de bossen van het armenbestuur, eerder dan bij particulieren, want ze oordeelden dat de bossen van ‘den arme’ enigszins van hen waren. De commissie bezorgde wel wat brandstof, aanvankelijk brandhout, vanaf 1848 steenkool. Die brandde beter in de kachel. Ze werd per schip uit Brussel aangevoerd.

 

224. Een kind van de armoede

Terwijl de rekeningen van het nieuwe orgel en het koorgewelf zich opstapelden, heerste er in de Lievevrouwparochie grote armoede, zoals vorige bijdragen hebben aangetoond. Maar het was ook een tijd van veel besmettelijke ziekten, die snel om zich heen grepen, zoals de cholera. Die ziekte kenmerkte zich door hevige buikloop met veel vochtverlies. In de zwaarste gevallen volgde de dood. Het overbrengen van de cholerabacillen gebeurde door het gebruik van voedsel of water dat besmet was door menselijke stoelgang. Nu liet in gewone omstandigheden de hygiëne toen reeds te wensen over, maar in september 1831 verergerde de toestand. Toen werd namelijk het eerste Belgische legerkamp in Diest en omgeving ingericht om ons nieuwe leger te trainen. Duizenden soldaten verbleven in het kamp. Door gebrekkige watervoorziening en sanitair bleven besmettelijke ziekten dan ook niet uit. Dezelfde maand schreef de gouverneur dat men in het gasthuis meer geneesheren in dienst moest nemen met het oog op de cholera. Voortaan zouden er twee dokters werken. Het gasthuis beschikte over 32 bedden. Bijkomende militaire hospitalen werden opgericht in het Bogaardenklooster, in de Hallen en in St.-Bernardsdal.

 

225. De cholera

De cholera richtte een ware ravage aan onder de militairen, maar ze spaarde evenmin de burgers. Waren er in 1831 in de Lievevrouwparochie 17 sterfgevallen op 1300 inwoners, dan werden er in 1832 38 mensen begraven, onder wie 7 kinderen. In 1833 ontvingen zuster Rosa en Aldegonda van het gasthuis ieder 30 frank, omdat ze het jaar tevoren de cholerapatiënten verzorgd hadden. De cellebroeders Michel en Peter kragen elk 20 frank, omdat ze de zieken in een draagstoel naar het gasthuis vervoerden. Zij waren de ambulance van toen! Men had er reeds enig vermoeden van dat ongezonde toestanden besmettelijke ziekten in de hand werken. Het stadsbestuur liet dan ook alle vuilnis van de straten verwijderen. De ervaring had onze burgervaderen geleerd. Toen in 1848 een nieuwe epidemie dreigde, troffen ze de nodige maatregelen. Eerst zagen ze uit naar lokalen voor de geneeskundige opvang. De armenschool van meneer Ouborg in de Begijnenstraat (zie nr. 210) leek hun geschikt voor mensen in observatie en herstel. De school van de zusters der Voorzienigheid in de Grauwzustersstraat zou de choleralijders opnemen. De zusters – welke wordt niet nader verklaard – zouden ze zo nodig verzorgen. Of deze plannen zo uitgevoerd werden, weten we niet. Wat er ook van zij, de grauwzusters kweten zich schitterend van deze menslievende taak. Ze ontvingen daarom een beloning van de stad en een dankbrief van koning Leopold I. De ziekte maakte toen 32 slachtoffers in Diest, maar ze woedde niet speciaal in de Lievevrouwparochie.

 

226. Nog maatregelen

Een andere maatregel: aan de armen werd tweemaal per week krachtige vleessoep uitgedeeld. De stad verbood dat voortaan nog kelders als logement zouden worden verhuurd, dat men in huis nog kippen en konijnen zou kweken. Het bestuur schreef ook voor latrines te bouwen en mesthopen niet te dicht bij de straat aan te leggen. En de eigenaars zagen voortaan niet meer op een emmer kalk om ongezonde woningen te witten. Maar niet iedereen had begrip voor deze voorschriften. De aandacht voor de cholera mag ons niet uit het oog doen verliezen dat nog andere ziekten het leven belaagden. Tuberculose eiste jaarlijks een hoge tol in alle milieus. In 1857 was ze de oorzaak van eenderde der sterfgevallen. Op het einde van de eeuw veroorzaakte ze nog steeds 11% van de overlijdens. Over een andere gesel, de pokken, zullen we later handelen.

 

227. Opnieuw cholera

Ook in 1854 brak de ziekte weer uit. Erger was het in 1866. Toen begon de plaag einde mei en ze duurde tot half oktober. Van juni tot op 9 november vielen er in Diest 60 slachtoffers. Vooral in de Schaffensestraat, Antwerpsestraat en Begijnenstraat, maar ook elders. De Sint-Denijskermis werd daarom verdaagd. In hun nood namen de mensen hun toevlucht tot St.-Rochus, de voorspreker bij besmettelijke ziekten. In de Lievevrouwkerk werd dat jaar zijn broederschap opgericht. Duizend mensen lieten zich inschrijven. Er werden speciale gebeden gezegd en er was een grote toeloop naar alle kerken. In iedere straat werd er gecollecteerd om missen te laten lezen. Het beeld van St.-Rochus in de Lievevrouwkerk kreeg een zilveren staf, betaald door een inzameling in de stad. Op het stadhuis zagen ze dit gebedel met lede ogen aan. Sommige inzamelaars werden bij de commissaris op het matje geroepen, wat dan weer protest uitlokte.

 

228. Nieuwe klokken

In 1838 schafte de Lievevrouwparochie twee nieuwe klokken aan. De stad schonk daarvoor 2000 frank subsidie, gespreid over twee jaar. Het gemeentebestuur kwam over de brug, omdat het wist dat de kerkfabriek diep in de schuld zat na de instorting van 1830. De aankoop was verantwoord, want de ene klok die de kerk bezat, was gebarsten. De klokken goot André Louis Van Aerschodt uit Leuven. Van moederskant was hij een kleinzoon van Andreas Lodewijk Van den Gheyn. De Van den Gheyns vormden een beroemd geslacht van klokkengieters. Een voorzaat van hem, Andreas Jozef, had reeds in 1749, 1756 en 1766 voor de parochie gewerkt. Die stond bekend voor zijn uitstekende beiaarden (zie nr. 70). André Louis wist dus wel waarom hij zijn eigen werk met de twee familienamen tekende: Van Aerschodt – Van den Gheyn. Deze klokken werden in oktober 1943 weggehaald voor de Duitse wapenindustrie.

 

229. Mariaverering

De eeuwen door bloeide de devotie tot de H. Maagd in de Lievevrouwkerk. Heette die niet Onze-Lieve-Vrouw-ter-Berderen, Onze-Lieve-Vrouw van Munster? In bijdrage 14 schreven we hoe Maria in de kerk aangeroepen werd onder de naam ‘Onze-Lieve-Vrouw van Beilaer. Haar beeld ging tijdens de verwoesting van 1580 verloren. Maar de kerkmeesters bestelden een nieuw beeld (1606). Dit werd tot in de 20ste eeuw vereerd, maar uit vrees voor diefstal werd het in veiligheid gebracht in het stadsmuseum. Velen hebben nog de vereerde piëta (Maria met de dode Jezus op de schoot) weten hangen. Ze werd in 1942 ontvreemd. Maar door de inspanningen van Jules Bongaerts kreeg de parochie ze weer. Ze staat nu veilig in het stadsmuseum. Onze-Lieve-Vrouw van Smarten vond veel aantrek (zie nrs. 35-36). Sinds 1723 zochten de mensen hulp bij Maria, Toevlucht der Zondaren. In de nis boven de nieuwe ingang (1777) mocht Maria’s beeld niet ontbreken. In de beloken tijd, toen de Fransen de eredienst verboden, kwamen de mensen samen om de rozenkrans te bidden. De Mariaverering is dus van alle tijden, maar in de 19de eeuw kende zij een buitengewone bloei, het onderwerp van volgende bijdragen.

 

230. Opleving van de devotie

De bestaande Mariadevotie werd in de 19de eeuw nog aangewakkerd door verscheidene verschijningen van de H. Maagd. In 1830 verscheen Maria aan zuster Cathérine Labouré in Parijs. Ze kreeg de opdracht een medaille met de afbeelding van de verschijning te verspreiden. In juni 1832 heerste er cholera in Parijs. De Dochters van Liefde reikten toen de medaille uit in de wijken. In een minimum van tijd geraakte ze overal bekend als een miraculeuze medaille, ook in ons land. Er bestonden zelfs al vroeg exemplaren met Vlaamse opschriften: ‘O Maria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot U nemen’. We mogen aannemen dat ze ook in Diest geen onbekende was. In 1846 zagen twee herderskinderen in La Salette (bij Grenoble) Maria in een visioen. Ze weende en droeg de kinderen op dat ze de mensen moesten aansporen beter hun zondagsplicht te vervullen en minder te vloeken. Deze gebeurtenis bracht veel pelgrims op de been. Maar na de verschijning te Lourdes (1858) zou La Salette verdrongen worden. De gebeurtenissen in de Pyreneeën vonden weerklank tot in de Lievevrouwkerk van Diest. Maar dat komt later aan bod.

 

231. Een nieuwe eretitel voor Maria

De bekroning van de Mariaverering in de 19de eeuw was de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. De mening daarover was tot dan toe vrij. Maar de voorstanders groeiden aan, naarmate men duidelijker ging inzien dat Maria’s ouders, Joachim en Anna, geen verdienste hadden aan dit privilege. Alleen de verlossing vooraf door Christus had haar van de erfzonde bevrijd. We weten dat Jan Berchmans plechtig had beloofd dit voorrecht van Jezus’ moeder altijd te verdedigen. In 1849 peilde paus Pius IX naar de opinie van de geestelijkheid en de gelovigen op dit stuk. Op 8 december 1854 definieerde de paus plechtig dat Maria vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan door de verdiensten van Christus gevrijwaard is gebleven van de erfzonde en vervuld met Gods genade. Eind april 1855 werd de broederschap der Onbevlekte Ontvangenis in de Lievevrouwkerk opgericht. Hun speciale feestdag was 8 december. Dan werd een dienst met volle pracht opgedragen voor de leden. De acht volgende dagen was er ’s avonds lof en sermoen. Dit octaaf werd afgesloten met een plechtige rouwmis voor de overleden leden. De broederschap telde op het einde van de eeuw 400 ingeschrevenen.

 

232. Voor Maria

Na vorige bijdragen weten we dat de aloude Mariaverering nieuwe bezieling kreeg dank zij de verschijningen en de afkondiging van het dogma van Maria’s onbevlekte ontvangenis. Ook in de Lievevrouwkerk kreeg Jezus’ moeder rond die tijd een vernieuwde aandacht. In 1844 kocht pastoor Vervoort een gotische troonhemel voor het beeld van O.-L.-Vrouw van Beilaer. Dit schitterende staaltje van geduldige ambachtskunst kan men nu nog bewonderen in de Berchmanskapel in de kerk. J. F. Lambrechts schilderde het stuk en spaarde het dure bladgoud niet. Wie de troon vervaardigde en hoeveel hij kostte, verklappen de kerkrekeningen niet, want de kerkfabriek moest niet bijdragen bij deze aanschaf. Pastoor Vervoort ontving daarvoor verscheidene giften, o.a. 2000 frank (van toen!) van juffrouw E. Rijmen. Sommige Diestenaars hebben nog gezien hoe in de meimaand en bij bepaalde Mariafeesten dit baldakijn op een speciaal altaar werd opgesteld. Het oude madonnabeeld kreeg ook een nieuwe mantel. Vooraan werd een nieuwe in goud geborduurde schoot voorgebonden. Beide werden bij G. Numan in Antwerpen gekocht. De mantel kostte 1063 frank. Voor de boord vroegen ze nog eens 506 frank.

 

233. Een onverdachte getuige

In vorige bijdragen toonden we aan dat de Mariaverering in de parochie bloeide. Dit wordt gestaafd door een getuigenis uit onverdachte hoek, namelijk van het weekblad ‘De weergalm van Diest’. Dat was een wekelijks nieuws- en advertentieblad, uitgegeven door Charles Dewinter op de Langesteenweg. Onder zijn titel voerde het als leus: ‘Waarheid, vrijheid, onpartijdigheid’. Het leunde aan bij de plaatselijke liberale partij. In het nummer waaruit we citeren, is de redactie niet mals voor de ‘laster- en leugentaal van de klerikale bladen’. Die vielen immers de regering-Rogier aan. Het lijdt geen twijfel dat de schrijver in zijn achterhoofd daarbij dacht aan de plaatselijke, toen nog katholieke, Demerbode van Adriaan Havermans, die in dezelfde straat woonde. Die concurrent mocht de affiches drukken voor het octaaf van Onze-Lieve-Vrouw (8-15 september) in de Lievevrouwkerk. De pastoor liet er zo 28 verspreiden. Maar het kan veranderen! De Demerbode en zijn uitgever zouden enkele jaren later van kleur veranderen, na onenigheid met de plaatselijke katholieke volksvertegenwoordiger J. Beeckman. En datzelfde jaar begon Charles Dewinter met de editie van een nieuw katholiek blad, ‘De Gazette van Diest’! Deze gegevens helpen ons een oordeel te vormen over het volgende artikel omtrent de Lievevrouwkerk.

 

234. Zo hoor je het eens van een ander

De ‘Weergalm van Diest’ schrijft op 18 augustus 1852: ‘De jaarlijkse plechtigheid van Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart is hier zondag in de parochiale kerk O.-L.-Vrouw luisterrijk gevierd. We mogen vrij zeggen dat de godsdienstige omgang welke hier zondag plaatshad, in luister en pracht heeft uitgemunt. Door een talrijke menigte inwoners gevolgd, is ze met een twijfelachtig weer uitgetrokken, doch verder gedurende haar ganse omgang met goed weer begunstigd geweest. Omdat het bijna de hele dag had geregend tot de processie uittrok, zijn er dit jaar geen altaren kunnen opgericht worden. Niets bleef er volgens ons te wensen over dan een harmonie. Jaarlijks groeit deze processie in pracht aan. De kerk van O.-L.-Vrouw is heden luisterrijk versierd. Nog niet lang geleden heeft men het Mariabeeld vereerd met een rijke mantel en troon. Thans ziet men zilveren lantaarnen, prachtige zetels, een kostbaar tapijt en uitgezochte loof- en bloemenkransen hetzelve omringen’. We weten niet waarom de redacteur dit lovende artikel schreef. Op het eerste gezicht is het een onbelangrijk stukje gemengd nieuws. Maar dat jaar 1852 krijgt het in Diest een beetje de betekenis van een petitie, van een waardeoordeel, want op dat ogenblik hangt het voortbestaan van de Lievevrouwkerk aan een zijden draadje!

 

235. Op zoek naar subsidie

In april 1852 vroeg het kerkbestuur de tussenkomst van de stad om herstellingswerken aan de kerk uit te voeren. Als Diest steunde, zouden ook de staat en de provincie bijspringen. Zelf beschikte de parochie over 4000 frank van toen (een werkman verdiende dan 1 à 1,5 frank per dag). Het stadsbestuur vond de werken noodzakelijk, want volgens hen stond de kerk op invallen. Maar ze hadden geen geld voor een subsidie. We moeten toegeven dat Diest op dat ogenblik weinig armslag had. De stad zat nog altijd opgescheept met de schulden voor de aanleg van de weg Leuven – Diest in de jaren 1780. Veel profijt had de stad er nooit aan gehad, want de Fransen hadden na hun inval de weg genationaliseerd. De vroede vaderen moesten elk dubbeltje tienmaal omkeren. Maar ze hoopten dat de provincie en de staat wat meer zouden bijdragen, nu de stad in gebreke moest blijven. Het was ten andere elders reeds gebeurd dat staat en provincie werken ondersteunden, als de gemeente te diep in de schulden stak. De gouverneur van de provincie beet echter niet in het voorstel van het stadsbestuur.

 

236. Beslissend jaar 1852

De gouverneur stelde een andere oplossing voor. Zou er geen nieuwe kerk gebouwd kunnen worden in de richting Kaggevinne-Assent, in plaats van 31.142 frank (zoveel zou het toen kosten) uit te geven om een oude kerk te herstellen? De Lievevrouwkerk zou dan gesloten worden, de begijnhofkerk zou haar rol overnemen. Gelukkig achtten verscheidene raadsleden dit voorstel onaanvaardbaar. Ze argumenteerden: de begijnhofkerk is te klein om de mensen uit die hoek van de stad op te vangen. Als de Lievevrouwkerk hersteld wordt, is er geen behoefte aan een nieuwe elders. Het gemeentebestuur zou de nodige stappen doen om de steun van staat en provincie te verkrijgen. Van hun kant krompen de kerkmeesters hun plannen in. Ze zouden zich voorlopig beperken tot de restauratie van het dak en de voorgevel. Dat alleen werd toch nog op 9000 frank geraamd. De zijgevel zou later aan de beurt komen. Intussen was reeds gebleken dat ze onmogelijk steun konden lospeuteren van provincie en staat, als de gemeente zelf de hand op de knip van de geldbeurs hield. Daarom bezorgde de kerkfabriek zelf een naamloze schenking aan de stadskas onder voorwaarde dat dit bedrag aan de restauratie van de kerk besteed zou worden. In de toekomst zouden er nog vele anonieme giften gestort worden, als de stad moest subsidiëren en niet kon en dus ook de steun van provincie en staat weg dreigde te vallen.

 

237. Veranderingen aan de voorgevel

Eerst werd het dak openbaar aanbesteed. Er verscheen een annonce zowel in De Weergalm als in de Demerbode (zie nr. 233). De werken begonnen in september 1854 en duurden tot juli 1855. Heel het oude dak, met de leien en het onderliggende houtwerk, werd immers vernieuwd. Stadsarchitect Van Roelen tekende het plan voor de restauratie van de voorgevel. Die schatte hij op 5150 frank, waarvan de kerk zelf 1700 frank zou betalen. Boven de poort verdween het grote gotische venster. Het werd vervangen door een cirkelvormig raam, het huidige roosvenster. Zulke vensters vindt men in de westgevel van beroemde Franse kerken als Chartres, Laon, Reims. De doopkapel links kreeg een spitsboogvenster zoals er reeds een in de bergruimte rechts achteraan stond. De gotiek vierde toen weer hoogtij. De eeuwenoude nis met het beeld van St.-Rochus verdween uit de gevel rechts. Ze had een Renaissance fronton, een driehoekig vlak met lijsten omsloten, zoals men die boven klassieke gevels of ramen ziet. De werken aan de voorgevel met het afbreken en de te vervangen ijzerzandsteen kostten uiteindelijk 11.331 frank. Maar dat wist men pas in 1859, toen dat af was.

 

238. Restauratie van de absis I

Daarna drongen herstellingswerken aan de koornis zich op. De Leuvense architect Van Arenbergh schetste het plan. Het kreeg de goedkeuring van de commissie voor monumenten. De werken werden openbaar besteed in juli 1865. Maar de inschrijvingen lagen te hoog. Met toestemming van de gemeente zou de kerkfabriek dan zelf de materialen leveren, naargelang ze gebruikt werden. Het kappen van ijzerzandsteen werd aanbesteed. Die vond men nergens kant en klaar. Een partij ruwe steen werd in een groeve te Testelt gewonnen. De eigenaar vroeg 18 frank per kubieke meter voor de grondstof zelf. Daarnaast moesten de arbeiders die de stenen trokken, betaald worden. Ze verdienden 1,5 frank per dag. Om het poeder aan te steken om de stenen te doen springen, rekende men 25,5 frank. Vooral de vervoerkosten wogen door. In Testelt lagen toen slechts aardewegen. Een eerste kasseiweg zou daar pas in 1876 komen. Het transport was dus geen lachertje. Voor het vervoer van de groeve naar het station in de gemeente vroeg men 25,5 frank.

 

239. Restauratie van de absis II

Gelukkig voor de parochiale financies reed sinds januari 1865 de trein tot Diest. Die werkte goedkoper. De spoorweg vervoerde 10.000 kg steen van Testelt naar Diest voor 14 frank. Maar om de stenen van het station van Diest naar de kerk te brengen, moest men aan de voerman nog eens 10 frank afdokken. Als de stenen op de werf lagen, kwamen er nog andere kosten. Ze moesten nog op het gewenste formaat gekapt worden, naargelang de plaats waar ze gebruikt zouden worden. Dat was de taak van steenkapper Barrat en zijn helpers. De parochie kocht ook een grote partij ijzerzandsteen in Schaffen. Zij werden ineens met karren aangebracht. Voerman Claes rekende volgens de grootte van de karrenvracht 5 frank of 7,5 frank. Smid Broeders uit Schaffen had zijn handen vol met beitels en houwelen te scherpen. We mogen ook niet meester-metselaar J.B. Dewelle vergeten, die al de bouwstoffen verwerkte.

 

240. Nog maar restaureren

Op 19 oktober 1872 bracht iemand die poolshoogte van de toestand van de Lievevrouwkerk kwam nemen, volgend verslag uit bij de commissie van monumenten: ‘Het gebouw heeft aanzienlijke en dringende herstellingen nodig. Sommige delen kunnen als tamelijk goed bewaarde puinen aangezien worden. De zijgevels, vooral die van de sacristieën, zijn in een ellendige staat, op verscheidene plaatsen zijn ze gescheurd. Het koor is in 1869 goed gerestaureerd. Het is jammer dat de restauratie niet op grote schaal kan gebeuren. Het gebouw vraagt om onmiddellijke werken aan al zijn delen’. Architect Van Arenbergh maakte een plan op waarin de werken over vier fasen gespreid werden. Hij hield daarmee rekening met de geldmiddelen van de kerk. Eerste fase: de linker sacristie en zijmuur van het koor, door de architect geraamd op 9569 frank. Tweede fase: de linker dwarsbeuk. Geschatte prijs: 18.227 frank. Derde fase: de rechter sacristie en zijmuur van het koor, volgens raming ook 9569 frank. Vierde fase: rechter dwarsbeuk. Die zou eveneens 18.227 frank kosten. Allereerst zou men het dringendste van de eerste fase uitvoeren. De kerkfabriek kon daar 2669 frank voor missen. Het aandeel van de stad werd weer geregeld door een naamloze gift van 1000 frank. Maar dat vonden ze hogerhand niet genoeg. Staat en provincie wilden slechts instaan voor een derde. De parochie dreef dan haar tussenkomst ook tot een derde op, want onverwacht waren oude schulden terugbetaald.

 

241. Een buitenkansje I

Om een betere verbinding met Leuven te hebben, had Diest in 1778 een geplaveide weg naar die stad laten aanleggen. Vijf tolhuizen onderweg zorgden ervoor dat de gebruikers een vergoeding betaalden. Ook de verpachting van de diligencedienst zou moeten helpen om de lening af te betalen, die Diest voor de aanleg van de weg had aangegaan en die tot 382.245 gulden van die tijd opliep. De Brabantse Omwenteling (1789-1790) en de Franse bezetting doorkruisten echter deze optimistische verwachting. De weg werd staatseigendom. Maar Diest bleef met een enorme schuldenlast zitten. De provincieraad spoorde de gemeente voortdurend aan deze schuld te vereffenen. Hij beknibbelde de uitgave voor de muziek- en tekenschool, de bijwedde van de onderpastoor, de toelage voor het armenbestuur in noodjaren, want dat waren geen noodzakelijke uitgaven. De geldschieters gingen voor! De stad moest daarvoor vreselijk in het lijntje lopen. Ze kon zich niet langer doof houden.

 

242. Een buitenkansje II

In 1868 zegde de gemeenteraad bereid te zijn de schuldeisers terug te betalen, als de studie van deze zaak rijp is. Want niemand wist hoeveel de schuld precies bedroeg. De minister stelde voor te besparen op de straatverlichting of een speciale belasting te innen op de kleinhandel in alcohol en tabak. Weinig bruikbare wenken! In 1870 werden de voorschieters opgeroepen hun recht te bewijzen. Hun werd voorgesteld dat ze eenvijfde zouden terugkrijgen. Maar dat vonden ze onaanvaardbaar. Daarop verhoogde de stad haar aanbod tot 40%. Nu waren de meesten tevreden. De stad leende 80.000 frank bij het Gemeentekrediet. De Lievevrouwkerk had zeven sommen tegoed, samen voor 19.262 frank. In 1785 onder andere had de parochie 1500 gulden uitgeleend, in de hoop daarvoor 3,5% te krijgen. Maar sinds 1794 bracht de lening niets meer op. De kerkfabriek nam dus in 1872 genoegen met de terugbetaling van 40% ofte 7704 frank. Voor de restauratie van de kerk kwam deze som als uit de hemel gevallen.

 

243. Beschermd monument

Eind 1871 was de absis van het koor hersteld. In het vooruitzicht van de aflossing van de oude lening durfden de kerkmeesters met een geruster gemoed de eerste fase van het plan-Van Arenbergh aan. Er bestond ook goede hoop dat men hogerhand met meer subsidies over de brug zou komen. In april 1874 schreef de commissie van monumenten naar de minister als antwoord op de vraag of de Lievevrouwkerk een buitengewone subsidie verdiende: ‘Het is geen eersterangsmonument, maar belangrijk genoeg om tot de derde categorie te behoren. Het interessantst zijn het koor en de dwarsbeuk met gebeitelde sluitstenen’. Aangeraden werd bij de restauratie van de puntgevels aan de zijkapellen niet te veel gave, nieuwe ijzerzandsteen te gebruiken, want de herstelde absis zag er te nieuw uit. Met de zijkapellen bedoelde de correspondent de aanbouwsels in de dwarsbeuk die sinds de hoge altaren door een muur verstopt waren. Die vroegere kapellen werden nu als bergplaats en sacristie gebruikt (zie nr. 12). Bij komende werken mocht men alleen de meest versleten stenen vervangen. De nieuwe moesten volgens de oude methode gekapt worden, om ze een antiek uitzicht te geven. Dit verslag miste zijn uitwerking niet. De parochie ontving van de provincie 1600 frank. En wegens het archeologische belang van de kerk schonk het ministerie 2400 frank. Datzelfde jaar 1874 werd de kerk opgenomen in de lijst der monumentale kerken derde klasse.

 

244. De kerk ontvangt een schilderij

De opeenvolgende restauraties hebben ons reeds door driekwart van de 19de eeuw gevoerd. Al die herstellingswerken zouden de indruk kunnen wekken dat er in de Lievevrouwkerk toen niets anders gebeurde dan bouwen. De volgende bijdragen zullen deze misvatting herstellen. In 1855 overleed Johanna Berges. Ze woonde aan het einde van de Schaffensestraat. Haar vader, Frans Berges, was rond 1777 kerkmeester van de Lievevrouwparochie geweest. Bij testament schonk ze aan de parochie een groot schilderij (110 bij 162 cm) dat in de sacristie hangt. Het stelt Jezus voor op weg naar Calvarië. De lijdende Heer keert zich een ogenblik om en blikt ons pijnlijk aan. Het is een kopie van een doek van Jan Van den Hoecke (Antwerpen, 1611-1651), een leerling van Rubens. Het werk is beïnvloed door deze meester. Na zijn verblijf te Rome maakte Van den Hoecke echter vooral monumentale schilderijen met meer beheerste figuren. Hij werkte voor aartshertog Leopold-Wilhelm. Veel van zijn doeken hangen in Wenen. De St.-Sulpitiuskerk bezit van hem ‘De afdoening van het kruis’. Het erfstuk van de Lievevrouwparochie is waarschijnlijk afkomstig van een opgedoekt klooster of kapel. Toen waren er koopjes te doen. Door zijn formaat past het slecht in een gewoon interieur. In 1856 werd het op 5 à 6 frank geschat.

 

245. Berchmansfeesten 1865

Op 9 mei 1865 werd Jan Berchmans zalig verklaard, de laatste stap vóór de heiligverklaring. Diest vierde hem van 13 tot 20 augustus. Overal zag men in de straten boompjes en praalbogen. De huizen waren met bloemen, guirlandes en opschriften behangen. In de namiddag van de eerste dag werd er verzameld bij de kapel van O.-L.-Vrouw van Bijstand. Om drie uur legde kardinaal Engelbertus Sterckx een wervel, vingerkootjes en een stukje linnen van de nieuwe zalige in een schrijn. Dat zou plechtig in stoet Diest worden binnengedragen. Vooraan stapte een detachement van het garnizoen met trommels en hoornen. De groepen maagdekens werden onderbroken door de muziek van de harmonie, het koor ‘La Concorde’ en de zangers van de H. Familie. Dat de eerste twee verenigingen meededen, was niet zo vanzelfsprekend. Maar voor de zalige van hun stad werd de politieke onenigheid een ogenblik vergeten. Indrukwekkend was de groep van honderd geestelijken. Achteraan wisselden de in Diest geboren priesters elkaar af om de relikwieënkast te dragen. De kardinaal schreed achter het schrijn met mijter en staf voorbij een dichte menigte. De processie hield stil bij de kruisheren- en Lievevrouwkerk. Daar was in de portalen een altaar opgericht en de bisschop zong er een oratie. De stoet eindigde in de hoofdkerk.

 

246. De Lievevrouwparochie viert Jan Berchmans

We lezen in een verslag uit 1865: ‘Met niet minder smaak is de O.-L.-Vrouwkerk versierd. Schone draperieën, bloemkransen en festoenen hangen daar in overvloed rond de vensters en tot tussen de pilaren. Menig zinnig jaarvers wordt er met genoegen gelezen. Aan de voorgevel herinneren drie Latijnse chronograms eraan dat Johannes in onze kerk zijn eerste communie deed en dat hij de Diesterse lucht heeft ingeademd. Binnen in de kerk hangen rijke metalen lusters tussen de pilaren, wat ten goede komt aan de algemene opschik. Aan de preekstoel, tegen het oxaal en de zuilen: overal jaarverzen. Op het koor, onder een blauwe overdekking, staat het beeld van Maria in een prachtige gotische troon. Daar zie je ook een schone oude schilderij die de gelukzalige voorstelt. Buiten de kerk is een Engelse tuin aangelegd op het vroegere kerkhof. Tegen het gebouw verheft zich een berg met een eik. Aan de boom hangt een madonna. De kleine Berchmans knielt ervoor en bidt’.

 

247. Langs de straten I

In de stad hingen duizenden opschriften en chronogrammen. Een chronogram is een zin waarin bepaalde letters de waarde hebben van de Romeinse cijfers. Samengeteld vormen ze dan het gewenste jaartal. Daartoe moest men evenwel de taal soms in allerlei bochten wringen. Het was destijds een geliefde denksport bij heuglijke gebeurtenissen zulk een passend jaarvers of tijdvers op te stellen. We plukten enkele gewone verzen en chronogrammen uit de Lievevrouwparochie die ons iets verraden van het denken en voelen van toen. Nederlandse opschriften overheersten natuurlijk, maar Franse en Latijnse ontbraken niet. Aan het einde van de Schaffensestraat las men: ‘In dit huis, alhoewel klein, zal Joannes Berchmans willekom zijn. Hier brandt men een honderdtal lichten. Daarom zal men voor de duivel niet zwichten’. In diezelfde straat las men bij huidenvetter François: ‘Aujourd’hui elle est fière sa patrie la Belgique de pouvoir célébrer une telle fête catholique’. Het venijn zat hier in de staart. Andersdenkenden zullen de steek wel gevoeld hebben.

 

248. Langs de straten II

Bij bankier Versluysen en bij weduwe Frison op de Abalie hingen maar liefst vijf teksten. Sinds 1857 waren de wezen en de bejaarden ondergebracht in het gewezen cellebroedersklooster op de Lange Steenweg. Daar spoorde een vers tot milddadigheid aan: ‘Draag oud en arm in het hart. Wil hun tranen stelpen. Hoe zoet is het, o mens, uw medemens te helpen’. Een verre echo van wat een gemeenteraadslid had voorgesteld: ‘Joannes was van arme afkomst. We kunnen hem niet beter vieren dan met op 13 augustus alle arme kinderen van de stad in het nieuw te steken’. Er waren toen 827 arme kinderen van twee tot veertien jaar. Dat kon Bruintje niet trekken! Door sommigen werd ten andere betwist of Berchmans wel zo arm was. Tegen de voorgevel van de Lievevrouwkerk werd verkondigd dat Jan uit ‘honestis parentibus’ geboren was. Maar dat honestus kon zowel geacht, voornaam als deugdzaam betekenen. Een beslissende stellingname was het dus niet.

 

249. De kapelletjes

De kapelletjes in de Zevenweeënstraat waren met zulk een smaak versierd dat de kardinaal, die ’s avonds de wijken ging bezichtigen, de mensen van de buurt er hartelijk om feliciteerde. Boven het kapelletje tegenover de Kruisstraat las men: ‘Jan Berchmans vieren we in ons hart en bidden met een goed betrouw ter ere Gods en Onze-Lieve-Vrouw’. Dat tegenover de Bruidstraat pronkte met: ‘Engelbertus kardinaal verhoopt bescherming in Johannes’ zaligspraak’. En voor wie het nog niet wist: ‘Le jeune Berchmans habita jadis cette ville’. Correcte chronogrammen die 1865 opleverden. ’s Avonds waren bijna alle huizen van de stad feestelijk verlicht. Zo’n verlichting betekende wat in die tijd!

 

250. Het was donker op straat I

In de 19de eeuw was de verlichting in de huizen en op straat zeer spaarzaam. Reeds onder Napoleon beschikte Diest nochtans over 57 straatlantaarns, die met koolzaad- en visolie gevoed werden. Maar toen de Engelse blokkade de prijs van de olie geweldig de hoogte injoeg, begon het stadsbestuur drastisch te bezuinigen. In de Napoleontische tijd brandden er samen nog slechts 25 lantaarns: op de Grote Markt, in de twee belangrijkste straten en langs het water. In 1848 waren er reeds 78 straatlichten. De Schaffensestraat was goed bedeeld met één lantaarn aan de Christusoog, één aan de Lange Brug bij de Ezeldijkmolen, één aan de herberg ‘De leste stuiver’ en een laatste aan de Antwerpsestraat. De Overstraat in heel haar lengte tot aan de Ketelstraat – de F. Moonsstraat bestond toen nog niet – telde er ook maar vier. Voor de Begijnenstraat vond men twee lichtpunten genoeg: één aan de Bogaardenkazerne en één aan de armenschool. De Bruidstraat moest het stellen met die ene tegen het huis van de koster. In de Zevenweeënstraat tastten ze volledig in het duister. De Grauwzustersstraat was ook onverlicht, maar kon nog enigszins profiteren van de lantaarn aan de armenschool.

 

251. Het was donker op straat II

Er werd geen olie verspild. Ieder jaar werd een rooster opgemaakt met de dagen van volle verlichting, halve verlichting (wanneer slechts de helft brandde) en die zonder licht. Van mei tot half augustus schenen de lampen niet. Als volgens de kalender de maan goed aan de hemel stond, was slechts de helft van de lantaarns nodig. Maar wolken doorkruisten soms dat mooie schema. Of de wind blies de vlam uit, als de ruiten gebroken waren. Ook menselijke tekortkomingen brachten de plannen in de war: de lampen werden te laat ontstoken of te vlug gedoofd. Olie bestemd voor de reservoirs werd achterovergedrukt. In 1854 dacht de gemeenteraad ernstig aan gasverlichting. De gashouder zou dan op het gewezen kerkhof van O.-L.-Vrouw komen. Maar het bestuur aarzelde om de knoop door te hakken, want jaarlijks werd de gasverlichting nog geperfectioneerd. En ze hoopten dat door de spoorverbinding de steenkool, de grondstof voor de gaswinning, goedkoper zou worden.

 

252. Verlichting van de kerk

In de Lievevrouwkerk gebruikte men toen zoals in de huizen quinquets, olielampen met dubbele luchtstroom. Tot 1850 werden ze gevoed met geklaarde olie. ‘Gekleerd smout’ staat er dikwijls in de rekeningen, dus uit zaad geslagen olie. Maar de prijs steeg voortdurend. In 1852 kwam er een radicale verandering in. De kerkmeesters bestelden in Turnhout 8 lampen Camphine Lyre met lampenkap en glazen. Ze kostten 18 frank per stuk. Daarbij hoorde een nieuwe brandstof: camphine. In 1853 is die ook in Diest verkrijgbaar bij apotheker H. Van Nitsen, die overigens ook verf en vernis verkocht. Hij rekende 80 centiemen per liter. De kerkmeesters sloegen grote hoeveelheden in, bv. 66 liter in 1855. In 1861 wordt de eerste lampolie gelost in Antwerpen. Het jaar daarop vermeldt de parochiale boekhouder: ‘olie photogène’ (lichtgevende olie), in 1864 simpelweg petrol. De prijs van de petroleum daalt van 80 centiem per liter (1864) naar 70 centiem het jaar daarop en zakt tot 46 centiem in 1868. Iedereen prees het heldere licht. Nogal wat klaarder dan met koolzaadolie! En goedkoper ook. Hoe gevaarlijk petroleumlampen echter waren die omgestoten werden, hoe gemakkelijk de glazen braken door de hitte, hoe kwalijk het rook, zouden de mensen nog ondervinden.

 

253. Elektriciteit

Van gaslicht kwam voorlopig niets in huis, want de geldmiddelen lieten het niet toe. In 1889 werden de straten bijgevolg nog altijd met petroleum verlicht, maar er brandden nu reeds 186 lampen. Hiervan negen in de Schaffensestraat, vier in de Begijnenstraat, drie in de Bruidstraat. Ook de Zevenweeënstraat had nu een lantaarn. Het stadsbestuur werd dikwijls verweten dat Diest met zijn verlichting ver achterna sukkelde. Daarom bestudeerde een commissie in 1889 de mogelijkheid om elektriciteit in te voeren. Dat was niet zo eenvoudig, want Diest zou dan zelf een krachtcentrale moeten installeren met stoommachine en dynamo. Dat bleef realiseerbaar als er voldoende verbruikers gevonden werden. Er zouden 500 lampen afgenomen moeten worden, die samen jaarlijks 500.000 uur brandden. Dan zou een elektrische straatverlichting voor de stad betaalbaar worden. Om de markt te peilen, werd de mensen gevraagd in te tekenen, zonder dat het hen tot iets verbond. Daarop kwamen slechts 16 inschrijvingen binnen, samen goed voor 101 lampen en 75.000 uur gebruik. Een fiasco!

 

254. Afgewezen

Gezinnen waar men het niet breed had, werden natuurlijk afgeschrikt door de 25 centiem die het nieuwe licht zou kosten, ook als het dagelijks maar vier uur brandde. Met een paar lampen van 35 en 50 watt in huis, zoals de firma voorstelde, zou onze tijd zeker geen vrede meer nemen. Maar toen was men zuinig met licht. Burgemeester Theys nam zelf maar drie lampen voor zijn rekening, evenveel als zijn schoonzoon Frantz Vandenhove, de schilder. Huidenvetter J. François hield het bij vier. Hij schatte het verbruik op 450 uur jaarlijks. De schilder sprong er niet zo zuinig mee om: hij voorzag 2000 uur licht. Molenaar Theodoor Kennes van de Ezeldijkmolen kon 17 gloeilampen gebruiken, de brouwerij ‘De drie Kronen’ 22. Maar dat waren uitschieters! Pastoor oliviers van de Lievevrouwkerk had geen interesse getoond, evenmin als de grote meerderheid van de bevolking. Dus bleven de petroleumlampen op straat. In 1896 telde men 224 lantaarns. Zes opstekers hadden er hun werk mee. Gasverlichting zou er pas in 1907 komen.

 

255. Feestverlichting I

Met voorgaande bijdragen probeerden we op te roepen hoe donker het gewoonlijk in het 19de-eeuwse Diest was. Vreemdelingen die bij duisternis naar het station moesten, lieten zich door een begeleider met licht vergezellen om niet in het water te sukkelen. Wij die niet van licht gespeend zijn, gaan nog graag naar feestverlichting kijken. Ook toen konden de mensen zich geen luisterrijk feest indenken zonder verlichting. Het gaf hun een opkikker. Ik laat nu enkele tijdgenoten aan het woord. ‘Duizenden kaarsen en lichtglaasjes bedwelmen het oog en hingen als lange gouden of veelkleurige linten langs de gevels’ (in 1871 bij de viering van paus Pius IX). Een andere stem: ‘Ganse straten zijn als lichtgangen geworden. Sommige gevels leken één lichtstraal. Aan het stadhuis hingen piramiden met gekleurde lampions’ (in 1888, Berchmansfeesten). Dat had effect op de stemming van de duizenden nieuwsgierigen die langs de straten flaneerden. Jubileerde de koning of het vaderland, dan hoorde men ’s avonds een eigenaardige mengeling van geluiden: het knetteren van de vuurpotjes, klokken, muziek en zang van een maatschappij of koor, de salvo’s van de vestingartillerie (zoals op 21 juli 1860). Waar ze elders met knalpoeder probeerden de indruk van geschut te wekken, was het in Diest echt!

 

256. Feestverlichting II

De avond voor het feest van St.-Barbara (4 december) hield de fanfare van het garnizoen een schitterende fakkeltocht door de voornaamste straten. Dat deden ook de harmonie en St.-Cecilia bij bijzondere gelegenheden. ‘Dat gaf een sprookjesachtig effect’, verklaarden de tijdgenoten. Onze voorouders lieten aan hun gevoelens meer de vrije loop. Het moest allemaal niet zo zakelijk zijn. Lieten de mensen in 1816 nog vetpotjes branden op de vensterbank, later waren het gekleurde glaasjes, eerst nog met olie gevuld, daarna met een vaste brandstof. Zulke lichtjes werden niet zo gemakkelijk uitgewaaid als kaarsen. Die Venetiaanse lantarentjes had men in 1888 vanaf 4 centiem tot 8 frank. Er bestonden ijzeren lusters waarin 25 glaasjes gemonteerd waren. Maar ook waar de beurs niet zo goed gevuld was, wilde men bij grote feesten niet achter blijven. Bezoekers prezen de verlichting van de kapelletjes in de Lievevrouwparochie bij de Berchmansviering van 1865. bij gebrek aan wat anders kon men nog altijd een kaars in een aardappel steken.

 

257. Feestverlichting III

De feestverlichting kon algemeen zijn bij grote vieringen, soms ook plaatselijk. Met juli-kermis waren bijvoorbeeld het Verstappenplein en de kiosk aldaar met pektonnen, fakkels en Bengaals vuur verlicht. De harmonie gaf dan een concert en er was volksbal onder de bomen. Daar in de buurt had men het katholieke lokaal ‘De Warande’, dat over een stukke van het gelijknamige park mocht beschikken. Op sommige dagen van de zomerkermis was de tuin met kronen, bogen, sterren versierd. ‘Met de schijn van de piramiden versmolt zich het zachter licht van Venetiaanse lantarens. Bij tussenpozen verspreidde Bengaals vuur zijn afwisselende kleuren’, berichtte een ooggetuige. In 1875 bij het gouden priesterjubileum van pastoor Vervoort van de Lievevrouwparochie was de voorgevel van de pastorie schitterend verlicht. Met Abalie-kermis (we schrijven er later over) gaf de buurt een Venetiaans feest op de Demer en baadde de Schaffensestraat in het licht. Op 15 juli 1890 werd zelfs een vuurwerk afgestoken op het kerkplein van Onze-Lieve-Vrouw. Onze voorouders gaven voedsel aan hun gevoel en verbeelding: op het feest van Kruisvinding (3 mei) kwamen de gelovigen ’s avonds de rozenkrans bidden aan het ijzeren kruis op het Sint-Janskerkhof, dat zelf feestelijk verlicht was (1878).

 

258. Pius IX

Tijdens zijn lange regering (1846-1878) werd de onbevlekte ontvangenis van Maria tot dogma uitgeroepen en had het eerste Vaticaans concilie plaats. De gelovigen vereerden hem als een veilig baken en treurden om het verlies van de kerkelijke staat (1870). Na de val van Napoleon waren de pausen opnieuw in het bezit van hun grondgebied hersteld. Zo was Italië weer verdeeld in verschillende koninkrijken, hertogdommen en de kerkelijke staat. Maar onder de mensen ontwaakte een beweging die het land onder één bestuur wilde verenigen. De rijkjes vielen het ene na het andere. Ook voor de paus was het een hopeloze zaak dat hij zijn wereldlijke macht zou kunnen behouden. Pius IX vond echter dat een eigen gebied noodzakelijk was om geestelijk onafhankelijk te blijven.

 

259. Zoeaven

Uit vele landen boden geestdriftige jongelingen zich aan om de pauselijke staat te verdedigen, de zoeaven. Uit ons land 143, waaronder ook uit Diest. Een jonge Diestenaar verloor hierdoor zijn Belgische nationaliteit en stemrecht. Om dit vrijwilligerslegertje enigszins te kunnen onderhouden, werd er geld ingezameld: de St.-Pieterspenning. Tot in de 20ste eeuw bleef deze vrijwillige gift ten behoeve van de paus nog in voege, ook als die geen leger en staat meer had. Want het mocht allemaal niet baten: in september 1870 werd het laatste bolwerk van de paus, Rome, ingenomen. Van toen af beschouwde de paus zich als de gevangene van het Vaticaan (tot in 1928). Hij weigerde het Italiaanse grondgebied te betreden. Ondanks het verlies van zijn wereldlijke macht nam de invloed van de paus toe. Hoezeer Pius IX geliefd was, zou ook in Diest blijken.

 

260. Pauselijk jubileum

Op 16 juni 1871 vierde Pius IX zijn zilveren jubileum als paus. De mensen lieten dit feest niet aan zich voorbijgaan. Overal werden geel-witte vlaggen, chronogrammen en transparanten gemaakt. Op de kerktorens staken reusachtige vlaggen uit. Aan de huizen wapperden honderden vlaggen. Overal prijkte een afbeelding van de paus te midden van versieringen en jaarschriften. Die avond was de verlichting bijna algemeen. Sommigen deden niet mee, want met zijn veroordeling van bepaalde moderne opvattingen had Pius IX de liberalen tegen zich in het harnas gejaagd (1864). De overtuigden onthielden zich dus, maar velen tilden niet zwaar aan deze grief en verlichtten mee. Geen straatje, geen afgelegen hoekje, geen huisje zonder versiering en kaarsjes. Voorbijgangers prezen de feestverlichting bij pastoor Vervoort, de cellenbroeders en de kruisheren. Een ooggetuige schrijft: ‘Aandoenlijke manifestatie van de arme mensen: gekleurde vaantjes, wat groen, een beeldje of een prentje met daarbij enkele lichtjes. De verstotelingen der fortuin weten in hun lijden hun hart naar God te verheffen. De geliefde naam van de stadhouder van Christus is hun diep in de ziel geprent’. Dezelfde avond stapte de fanfare St.-Cecilia met fakkels door de straten.

 

261. Pastoor Vervoort I

Frans Vervoort was gedurende 51 jaar in de Lievevrouwparochie bedrijvig, van 1825 tot zijn dood in 1876. Eerst als onderpastoor, vanaf 1837 als pastoor. Zijn broer Jacques vestigde zich als dokter in de stad, maar hij verloor reeds jong zijn vrouw. De dokter had een zoon, Charles, de neef dus van de pastoor. Vader en zoon overleden in hetzelfde jaar 1871. Charles liet bijna 91 ha grond na aan de godshuizen en het armenbestuur, plus zijn huis in het Wederbroek, dat als bejaardentehuis voor zieken en gebrekkigen ingericht moest worden (nu C.G.S.O.). De familie van moederskant protesteerde tegen deze wilsbeschikking. Pastoor Vervoort, de enige erfgenaam van vaderszijde, reclameerde niet. Wel had dokter Vervoort tot zijn dood de goederen van de priester beheerd en die inkomsten moesten nog afgerekend worden. Meer verlangde hij niet. Misschien mogen we een verband leggen tussen deze uitkering en de aanschaf van de nieuwe preekstoel van de Lievevrouwkerk (1872). Maar het was niet enkel om deze inschikkelijkheid bij de erfenis dat pastoor Vervoort bij zijn afsterven in het stadsrapport volgend compliment kreeg: ‘Zijn geest van verdraagzaamheid bezorgde hem algemene achting en aanzien’.

 

262. Pastoor Vervoort II

In die zin spreekt ook de lijkrede aan zijn graf: ‘Een man die door zijn vriendschappelijke aard geen vijanden kende. Bij wie wraak een woord zonder betekenis was. Tijdens zijn lange loopbaan poogde hij altijd vrede en eendracht te stichten, om van vijanden vrienden te maken. Hij voelde aan dat alle mensen van nature gelijk zijn en daarom was hij een volksvriend’. Een paar voorbeelden ter illustratie. In 1845 namen de eerste kruisheren hun intrek in het vroegere augustijnenklooster. Op 29 mei ging hun kerk open. Pastoor Vervoort preekt in de plechtige mis. Deken Mafoy (1839-1861) zag hen niet zo graag komen, want het waren hoe dan ook concurrenten voor St.-Sulpitius. Daarom had de bisschop de paters zekere beperkingen opgelegd. Ze mochten om 6 uur ’s morgens geen mis inrichten, zolang in de grote kerk op dat uur catechismus gegeven werd. Hun hoogmis moest vóór 9 uur gebeuren. De deken vreesde ook dat ze een college zouden openen en zo in het vaarwater zouden komen van het stadscollege, dat toen nog een priester als directeur had. Maar in 1850 kwam deze inrichting helemaal onder controle van de stad. Sommige ouders vroegen daarom dat de kruisheren een school zouden beginnen. Maar de kardinaal had dat vroeger verboden. Om de stemming in Mechelen te verkennen en om te onderhandelen deed de prior een beroep op pastoor Vervoort. Het liep niet van een leien dakje, want de bisschop hoopte nog steeds dat de stad de vroegere toestand zou herstellen. Vervoort slaagde in zijn bemiddeling en de paters begonnen hun lessen in oktober 1852.

 

263. Gouden priesterjubileum

Op 14 juni 1875 vierde pastoor Vervoort zijn gouden priesterjubileum. In de parochie waren de straten prachtig versierd. De pastoor en de talrijke geestelijken en kerkmeesters begaven zich in stoet van de pastorie (in de M. Theysstraat) naar de kerk. Vooraf gingen 30 meisjes die bloemen strooiden en de St.-Ceciliafanfare. De jubilaris ontving als geschenk zilveren schenkkannetjes, een dito schotel die nog altijd gebruikt wordt en een rijk versierd missaal. In de namiddag kwamen de fanfare en twee koren, ‘Het Lyrisch Zanggenootschap’ en ‘IJver en Eendracht’, spontaan de jubilaris huldigen. In het eerste koor zongen meestal mensen uit de kleine burgerij en werklieden. Het behoorde tot de katholieke strekking. Vanwege ‘IJver en Eendracht’ was die huldeblijk niet zo vanzelfsprekend, het werd vooral van liberale kant gesteund. ’s Avonds was de verlichting algemeen. De pastoor wandelde met zijn genodigden door de straten. Overal werd hij hartelijk onthaald. De mensen riepen: ‘Leve de pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwkerk!’ Frans Vervoort had bijna 40 jaar aan het roer van de parochie gestaan.

 

264. Een nieuwe preekstoel

We wijden nu enige bijdragen aan enkele aankopen tussen 1870-1880 die het interieur van onze kerk wijzigden. De meest opvallende was wel de preekstoel. Op een oude prentkaart waarop allerlei bezienswaardigheden van Diest staan afgebeeld, wordt de O.-L.-Vrouwkerk opgeroepen door haar nieuwe kansel. Tot dan gebruikte men nog altijd de preekstoel dien Antoon Du Bois in 1625 had geleverd (zie nr. 23). Die vertoonde misschien sleet, maar hij was vooral oudmodisch. Gotiek was in de 19de eeuw immers de mode, zoals nog zal blijken. Rond 1871 had pastoor Vervoort de gelegenheid een enig stuk op de kop te tikken, dat reeds een hele geschiedenis achter de rug had.

 

265. Prijswinnaar

In het Latijn staat op de achterkant van de preekstoel (ook weergegeven op het bord ervóór): ‘In het jaar onzes Heren 1870, toen paus Pius IX ter gelegenheid van de oecumenische bijeenkomst in het Vaticaan oude en nieuwe christelijke kunstwerken uit de hele katholieke wereld in Rome had bijeengebracht, werd deze preekstoel, die door de gebroeders Goyers uit Leuven met buitengewone handvaardigheid gemaakt was, met een premie onderscheiden. Hij kwam naar onze kerk in het jaar 1871, toen Z. E. Heer Frans Vervoort pastoor was’. In Diest maakte de volksmond van deze tekst dat Pius IX vanop deze kansel gepreekt had. Volgens een werk dat pastoor Oliviers in opdracht van kardinaal Goossens schreef, kostte hij 8000 frank (een arbeider verdiende toen met moeite 2 frank per dag). De kansel werd betaald door milde giften. Het kerkbestuur moest slechts de twee arbeiders vergoeden die hem haalden en opstelden: 8 frank. Dat gebeurde op 19 november 1871. nog lang stond er in een advertentie in De Gazette van Diest dat de oude preekstoel te koop was. In 1875 ontving de pastoor er 200 frank voor.

 

266. De gebroeders Goyers

De stamvader van dit beeldsnijdersgeslacht was afkomstig van Mechelen en vestigde zich in Leuven. Ziin zoon Egidius I restaureerde het Leuvense stadhuis. Vier van diens zonen waren insgelijks beeldsnijder: Hendrik, Peter, Willem en Egidius II. Ze genoten een grote faam, tot in het buitenland. Hun atelier leverde het koorgestoelte van St.-Rombouts in Mechelen, het altaar van het H. Sacrament in de St.-Michielskathedraal te Brussel, om maar wat werk te noemen. Preekstoelen van hun hand staan onder meer in de O.-L.-Vrouwkerk van Hoei, in de St.-Jozefskerk van Leuven en in de O.-L.-Vrouwkerk van Diest. Alle zijn volgens een zelfde model vervaardigd. In Hoei heeft men de kuip echter op een reeds bestaande voet geplaatst. De kansel van Leuven is jonger dan die van Diest en wat meer versierd. Misschien was de preekstoel van Diest het eerste, oorspronkelijke model. Die had uiteindelijk toch op een buitenlandse tentoonstelling geprijkt.

 

267. Als een toren

In enkele bijdragen zullen we nu de kansel meer in detail bespreken. Door zijn ranke kap lijkt de preekstoel op een gotische sacramentstoren. Wij weten niet waar de ontwerpers in ons land nog een echte middeleeuwse kansel hadden kunnen vinden om inspiratie op te doen. In de dom van Pisa staat er zo een (1302). Maar meestal hadden die oude stukken het veld moeten ruimen voor renaissance- of barokmeubelen volgens de heersende smaak. Toen de gotiek weer troef was, ontleenden de kunstenaars bij gebrek aan oorspronkelijke stukken dan maar inspiratie aan gotische gebouwen. Zo werd de preekstoel een toren. Het streven naar de hoogte is ten andere een van de kenmerken van de gotiek. ‘Vanwaar je hem ook bekijkt, zijn vorm wendt de gedachte hemelwaarts’, oordeelde een kunstkenner in de 19de eeuw. De gotiek had een voorliefde voor siertorentjes. Die eindigen in kruisbloemen. De hellende vlakken van de pinakels zijn met hogels, een soort van knoppen en bloesems, versierd, zoals bij gotische gebouwen. De kunstenaar waren als het ware bang om iets leeg te laten.

 

268. De kuip

Tot het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) verkondigde de priester Gods woord vanop de kansel. Vanaf die plaats kon hij zich meestal voor iedereen duidelijk hoorbaar maken, tenminste met enige stemverheffing. Op micro’s kunnen we nog niet zo lang rekenen. Op de kuip, het deel waar de redenaar stond, prijkten taferelen uit het leven van Maria: haar huwelijk met Jozef, de boodschap van de engel, het bezoek aan Elisabeth, de vlucht naar Egypte. De meeste van deze gebeurtenissen kent men wel uit de evangelies. Voor het huwelijk van Jozef en Maria vond de kunstenaar inspiratie in een oud apocrief (dit wil zeggen niet officieel erkend) verhaal uit het jaar 200, namelijk het vóórevangelie van Jakobus. Onder de naam van de apostel Jakobus vertelt de schrijver over het leven van Maria en de kinderjaren van Jezus. Volgens dit boekje wilde de hogepriester Maria uithuwelijken. Daarom werden de weduwnaars bijeengeroepen. Ze moesten een stad meebrengen. De hogepriester nam die staven mee in de tempel. De staf van Jozef kreeg bloemen en er vloog zelfs een duif uit. Jozef werd dus de uitverkorenen en hij nam Maria onder zijn hoede. Op het eerste paneel tegen de trap wordt Jozef met zijn bloeiende staf voorgesteld.

 

269. Rijk aan zinnebeelden

De taferelen op de kuip worden geflankeerd door symbolen van het geloof (vrouw met kruis en kelk), de hoop (figuur met anker), de liefde (persoon met hart) en de christelijke leer (vrouw met grote schriftrol). Van de voet hebben de kunstenaars minder werk gemaakt. Tussen de zuilen die de kuip schragen, zien we panelen met loofwerk en vruchten: druiven, noten, amandelen. Symbool van de geestelijke vruchten die de predikatie voortbrengt. Vooral de kap is rijk aan zinnebeelden. Het klankbord lijkt met zijn afrastering en de zes ronde hoektorentjes op een versterkte stad, het nieuwe Jeruzalem. In de middeleeuwse kunst worden vele voorstellingen die voor de Kerk worden gebruikt, ook op Maria toegepast. De grond daarvoor is dat Maria een beeld is van de Kerk. Een voorbeeld: zoals de Kerk de bruid van Christus is, wordt ook Maria zijn bruid genoemd. Is de Kerk het nieuwe Jeruzalem (Apocalyps 21, 1-2), dan denkt de ontwerper van het klankbord hierbij ook aan Maria, die de heilige stad is die uit de hemel neerdaalt. Zo zou men de verschijning van Onze-Lieve-Vrouw in Lourdes kunnen formuleren. De aangehaalde passage uit de Apocalyps werd vroeger op 11 februari gebuikt als intredelied op het feest van de verschijning te Lourdes.

 

270. De apostelen

Op de ronde torens van de vestingmuur staan apostelen en evangelisten. Volgens Apocalyps 21, 14 zijn aan de muur van het hemelse Jeruzalem twaalf zuilen aangebracht met de namen der apostelen. We herkennen hen aan de speciale voorwerpen die ze hebben meegekregen en waardoor ze van anderen onderscheiden worden: hun attributen. Petrus (boek en sleutels), Johannes (adelaar), Paulus (zwaard), Matteüs (een kind aan zijn zijde), Lucas (een rund) en Marcus (een leeuw). De torens zijn verbonden door een afsluiting met bogen. In het midden wordt die telkens onderbroken door een puntgevel. Die doet denken aan wimbergen, de steile topgevels boven gotische vensters en portalen. De gevel is bekroond met een kruisbloem en versierd met drie elkaar snijdende cirkelbogen met drie bladeren of bloemen. Dit getal verwijst naar de H. Drie-eenheid. Zes andere apostelen staan in bepinakelde nissen op de tweede verdieping van de kap. Behalve het Andrieskruis van Andreas kunnen we hier echter hun attributen moeilijk identificeren.

 

271. Conclusie

In vorige bijdragen schreven we dat het klankbord van de kansel van de Lievevrouwkerk doet denken aan een versterkte stad. De gebroeders Goyers kunnen we niet meer om uitleg vragen. Ze werkten alleszins met symbolen. Misschien hadden ze ook een gesloten tuin voor ogen. Op Maria worden de woorden van het Hooglied (4, 12) toegepast: ‘Een gesloten hof ben je, mijn zuster, mijn bruid, een gesloten hof, een verzegelde bron’. Die gesloten tuin is een beeld van de onbevlekte ontvangenis. De Heer heeft haar gevrijwaard tegen de zonde. Hoog in de spits staat Maria met samengevouwen handen, de onbevlekte ontvangene zoals Bernadette haar te Lourdes zag. Als compositie mogen we de preekstoel zeker geslaagd noemen. De afwerking geeft blijk van goed vakmanschap. Bij het beeldhouwwerk zelf (de taferelen en de heiligen) missen we de originele trekken die de beeldsnijders uit de laatgotiek (1400-1500) aan hun werk meegaven, bijvoorbeeld aan hun retabels.

 

272. De kruiswegoefening

De kruiswegoefening bestond reeds in de 15de en 16de eeuw. Omdat niet iedereen naar Jeruzalem kon reizen om de historische lijdensweg van Jezus te volgen, werden er in onze kerken afbeeldingen aangebracht die deze smartelijke tocht opriepen. De mensen keken naar die taferelen en leefden mee met de lijdende Christus. Het aantal staties schommelde van 7 tot 43! De oude “averechtse kruisweg” in de Lievevrouwkerk is daar een voorbeeld van (zie nr. 78). Maar geleidelijk werden 14 staties gebruikelijk. De feiten waaraan ze herinneren zijn aan de evangelies ontleend en daarvan afgeleid. Bijvoorbeeld het herhaalde vallen van Jezus. De episode met Veronica stamt uit een apocrief boek, ‘De Handelingen van Paulus’, die niet officieel door de Kerk erkend wordt. Ook nu nog blijft het zinvol de passie van Christus biddend te overdenken. Op Goede Vrijdag 1991 wijdde paus Johannes Paulus II een totaal nieuwe kruisweg in te Rome in het Colosseum. Die beperkt zich tot de lijdensgeschiedenis volgens de H. Schrift. Bij moderne kruiswegen wordt er soms een 15de statie aan toegevoegd: de verrijzenis.

 

273. De averechtse kruisweg in de O.-L.-Vrouwkerk

Misschien moeten we geen speciale reden zoeken achter het feit dat die oude kruisweg (17de eeuw) achteraan in de kerk begin en niet vooraan zoals de recentere. Hij moest toch ergens aanvangen. Nu is het wel zo dat tot aan de 17de eeuw in Jeruzalem de overdenking van het lijden begon aan het H. Graf en eindigde bij het paleis van Pilatus. Dat was echt achterstevoren! Misschien hebben de mensen die de averechtse kruisweg aanbrachten, daaraan willen herinneren. Tot 1940 werd deze kruisweg nog gedaan voor stervenden die een zware doodsstrijd doorworstelden. Dan werden zeven gehuwde of ongehuwde vrouwen, naargelang de stervende getrouwd was of niet, bijeengeroepen door een goede ziel. Aan iedere statie ontstaken ze een kaars op de koperen arm onder het schilderij en baden voor de zieltogende. Ook van buiten de parochie kwamen groepjes de kruisweg van de doodsstrijd bidden. Niemand maakte opmerkingen dat er op dat ogenblik juist een mis of lof bezig was. De mens in doodsnood kon niet wachten! [ Deze bijdrage werd geschreven vóór de averechtse kruisweg in 2000 gestolen werd ]

 

274. De gipsen kruisweg

In de 19de eeuw lieten de mensen zich meer door hun gevoel meeslepen. Dit kwam ook tot uiting in hun gebed. Ze dachten aan de liefde van Jezus voor hen en vereerden daarom het H. Hart. Ze voelden sterk mee met de lijdende Christus, als ze biddend langs de taferelen van de kruisweg gingen. Deze vrome oefening kende overal een groeiend succes. Maar in de Lievevrouwkerk kon men aan de oude kruisweg met zeven lijdenstaferelen moeilijk de gebruikelijk geworden 14 staties bidden. Pastoor Vervoort bedelde in 1874 genoeg samen om er een nieuwe aan te schaffen. Elke statie kostte 100 frank. Uit een stukje intekenlijst weten we dat  parochianen 300 frank, 45 frank, 25 frank schonken. De opvolger van Vervoort, Oliviers, vertelt dat de kruisweg gemaakt werd door Geefs uit Antwerpen. Maar in zijn manuscript vermeldt hij helaas de voornaam van de kunstenaar niet. Er waren meerdere beeldhouwers Geefs.

 

275. De kunstenaars

De gebroeders Willem, Jozef, Aloys, Jean, Theodoor en Alexander Geefs waren allen beeldhouwers. Willem was de belangrijkste. Hij was zeer productief. Bekend zijn zijn standbeeld van generaal Belliard in Brussel en dat van Leopold I op de Congreskolom aldaar. Zijn jongere broer Jozef gaf ook blijk van veel talent en leverde tal van religieuze beelden voor de kerken van Antwerpen. Maar de kruisweg in de Lievevrouwkerk kan ook van een andere, minder dure, broer stammen. Hij werd in gips gegoten en daarna veelkleurig beschilderd. Omdat de oorspronkelijke kleuren verschoten waren, werd hij rond 1985 in steenkleur overschilderd. Zoals het werk van Willem en Jozef is hij in neoklassieke stijl, alhoewel neogotiek toen toch troef was. Zoals in de Oudheid behandelden ze hun onderwerp met ietwat koele terughoudendheid. De gevoelens van de optredende personen worden niet overdreven in de verf gezet. In tegenstelling met vele kruiswegen uit die tijd wordt de aandacht niet afgeleid door het decor van de handeling. Hier bestaat de achtergrond meestal slechts uit lanspunten en veldtekens van de soldaten, behalve dan in het paleis van Pilatus.

 

276. Lourdes

Op 11 februari 1858 verscheen Maria in Lourdes in een nis van de rots van Massabielle aan een 14-jarig meisjes, Bernadette. Nog zeventien verschijningen volgden. Op 25 maart maakte de dame haar naam bekend: Ik ben de onbevlekte ontvangenis. De hemel scheen te bevestigen wat Pius IX vier jaar eerder als dogma had laten afkondigen. Na een streng onderzoek erkende de plaatselijke bisschop de verschijningen als authentiek (1862). Beeldhouwer Jozef Fabisch hieuw een marmeren beeld voor de grot in 1864. Bernadette beschreef voor hem de dame: ze droeg een lange witte jurk en een blauwe ceintuur. Haar hoofd was met een sluier bedekt en op haar voeten rustte een gele roos. Om de arm hing een grote paternoster met zes tientjes, zoals de birgittijnen bidden, een kloosterorde door de H. Birgitta van Zweden gesticht. Die was in die streek gebruikelijk. Onze gewone paternoster, afkomstig van St.-Dominicus, telt vijf tientjes. De verschijningen maakten ook in België grote indruk. Vele landgenoten trokken reeds individueel naar Lourdes. In 1874 was er voor het eerst een eigen Belgische bedevaart. Toen zongen ze reeds het bekende Ave, ave, ave Maria.

 

277. Lourdes in de Lievevrouwparochie I

De grot van Lourdes werd zo populair dat ze overal werd nagebootst. Oostakker was er vlug bij: in 1873. Pastoor Vervoort wilde in zijn parochie ook de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes bevorderen. Hij dacht aan een broederschap onder deze naam. Maar in de Lievevrouwkerk kon men zich sinds 1855 laten inschrijven in de broederschap der Onbevlekte Ontvangenis (zie nr. 231). Uiteindelijk ging het toch om dezelfde madonna. Vanuit Mechelen kreeg hij de raad liever de grote Mariafeesten te vieren en gewijd water te bezorgen aan wie erom vroeg. In 1874 tekenden de mensen in de parochie in voor een houten beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Het werd besteld voor 590 frank bij oude kennissen, de gebroeders Goyers uit Leuven. Zij hadden de kansel vervaardigd en zouden later aan de kerk nog het H.-Hartbeeld leveren. Beide beelden prijken nog in de Lievevrouwkerk, in de buurt van het nieuwe altaar.

 

278. Lourdes in de Lievevrouwparochie II

Velen zullen nu moeite hebben om in het Mariabeeld van Goyers de vertrouwde Lievevrouw van Lourdes te herkennen. Als Bernadette al niet hoog opliep met het beeld van Fabisch – ze vond de gestalte van Maria te groot en ze had er ook veel jonger uitgezien – dan gelden deze bezwaren dubbel voor de madonna van Goyers. Die is een rijke dame van middelbare leeftijd geworden. Haar witte jurk is met goud doorweven. Haar blauwe gordel draagt gestileerde lelies. Haar lange hoofddoek is rijk met bloemen versierd. Waarschijnlijk had de beeldhouwer het ons zo vertrouwde beeld van Fabisch nog niet gezien. De communicatiemiddelen functioneerden nog niet zoals nu. In Leuven hadden ze wel de verklaringen van Bernadette gelezen en die op hun manier uitgewerkt. De grote ingrediënten voor een Lourdesmadonna zijn er. Ook een twijg van een wilde rozelaar en twee rozen ontbreken niet aan haar voeten. Wel mist Maria een paternnoster, doch die kon nog altijd tussen haar vingers geschoven worden. Maar we zijn nu eenmaal de klassieke voorstelling gewend en daarom bevreemdt deze Lievevrouw ons.

 

279. Onze grot

Pastoor Oliviers zou het werk van zijn voorganger de kroon opzetten. In 1877 bestelde hij een grot bij de Diestse gebroeders Hendrik en Jozef De Koninck. Deze pottenbakkers waren befaamd om hun bloempotten, vazen en tuinmeubelen. Hun producten prijkten op vele tentoonstellingen, zowel in het binnen- als buitenland, bijvoorbeeld Maastricht, Parijs, Florence, Porto, Jumet, Leuven, Spa. Ze kaapten er vele onderscheidingen weg. Datzelfde jaar 1877 werden ze door de koning gedecoreerd. De grot kostte 1056 frank, maar Jozef gaf 200 frank reductie. Beeldhouwer Louis Van Emelen uit Leuven leverde de beelden van Maria en Bernadette voor 148 frank. Alles werd betaald met particuliere giften. We laten nu een tijdgenoot de beelden beschrijven: ‘Er ligt iets hemels zoet, iets indrukwekkends over het wezen van de H. Maagd, terwijl de verrukking uit het aangezicht van Bernadette straalt’.

 

280. Inzegening

Op 21 oktober 1877 zat de kerk tijdens het lof vol tot op het koor. Pater Hiertz, dominicaan, bracht de gelovigen in stemming. Pastoor Oliviers wijdde het Mariabeeld. Een lange rij maagdekens met brandende kaarsen begeleidde de madonna naar de grot. Intussen zongen de congreganisten van de H. Aloysius Marialiederen met koor, solisten en instrumentale begeleiding. De congregatie was in het kruisherencollege opgericht (1857) met het doel de godsvrucht en broederliefde te bevorderen. Ze kwamen wekelijks samen. Ouders stuurden hun tieners naar deze vrome vereniging om hen van de straat te houden. Een patronaat of jeugdbeweging bestond toen nog niet in Diest. Aan de grot werd de rozenkrans gebeden. Ten slotte zongen alle aanwezigen een dreunend Marialied. De grot viel in de smaak. Een journalist uit die tijd schreef: ‘Over de prachtige grot is reeds veel gezegd. We zullen er slechts bijvoegen dat alle vreemdelingen [ we zouden ze nu toeristen noemen ] overeenstemmen nergens iets zo schoons te hebben gezien’.

 

281. Onze communiebank I

Tijdens de pastoors Vervoort en Oliviers kreeg de Lievevrouwkerk een ander uitzicht. Er kwam een nieuwe preekstoel, een kruisweg, de grot. Maar een behoorlijke communiebank ontbrak. In bijdrage 32 gewaagden we reeds van een heilige tafel uit 1648. Na het concilie van Trente (midden 16de eeuw) vervingen communiebanken overal de vroegere hekken tussen koor en schip. Het nieuwe meubel bood het voordeel dat men eerbiedig knielend de hostie ontving. Dat oude stuk in de Lievevrouwkerk was verplaatsbaar. Toen bijvoorbeeld in 1738 de kinderen hun eerste communie deden, knielden ze gewoon op de trap van het koor. Twee als engelen verklede jongens hielden intussen het communiekleed open, waaronder de communicanten de handen staken. Gewoonlijk lag die dwaal op het meubel zelf. Ze moest voorkomen dat de hostie op de grond viel. De eucharistie werd sinds de 10de eeuw op de tong uitgereikt. Door hen zo apart te nemen, ontsnapten de kinderen aan het gedrang van de volwassenen, die op dat ogenblik elders in de kerk aan de verhuisde communiebank neerknielden.   

 

282. Onze communiebank II

In 1742 bestelde de kerk voor 50 gulden een nieuwe communiebank bij Marcus Van de Plas, die later de schrijnwerkerij voor het hoofdaltaar zou verzorgen. Maar toen in 1830 een hoek van ons koor instortte, werd dat stuk grotendeels onder het puin verbrijzeld. Misschien is de zogenaamde ‘communiebank van Jan Berchmans’ daar nog een overblijfsel van. Ze stond lang voor de grot opgesteld en werd in 1923 hersteld en van een koperen plaat voorzien. Voortaan behielp men zich met enkele lange knielbanken aan de ingang van het koor, zoals men er nu nog aantreft bij het beeld van Sint-Rita. Maar in 1878 ontving de parochie subsidie voor een nieuw meubel vanwege staat, provincie en stad. Daarom had de commissie voor monumenten meer dan ooit haar zegje in de zaak, waarover meer in een volgende bijdrage. De opdracht ging naar de jonge beeldhouwer Désiré Duwaerts (1850-1901). Deze geboren Diestenaar volgde eerst drie jaar tekenschool in zijn geboortestad bij Louis Lambrechts en kreeg daarna zijn opleiding in de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, waar hij zich later als beeldhouwer vestigde.

 

283. D. Duwaerts

In de wedstrijd voor de prijs van Rome in 1877 behaalde Duwaerts een eervolle onderscheiding met zijn Gallische krijgsgevangene. In die prijskamp voor jonge kunstenaars dong ook ene G. Geefs mee, afstammeling van de bekende beeldhouwersfamilie (zie nr. 275). Duwaerts schiep bij voorkeur religieuze kunst, bijvoorbeeld een Ecce Homo voor de basiliek van Halle, de Sint-Jan Berchmans bij de kruisheren. In 1878 leverde hij voor de Lievevrouwkerk de communiebank waarvan nu de ene vleugel naast de paaskaars staat en de andere de noordelijke dwarsbeuk afsluit. Andere opdrachten: de standaarden van De Broedermin (de voorloper van het ziekenfonds ‘Het Volk van Diest’), van St.-Cecilia en het Lyrisch Zanggenootschap. Voor de Koninklijke Vlaamse Academie beitelde hij een marmaren borstbeeld van Karel Ledeganck, de dichter van ‘De drie Zustersteden’. Een buste van Leo XIII, die in 1878 tot paus werd gekozen, vond veel aftrek. Later ontwierp hij voor de Sulpitiuskerk de gedenkplaat voor de Boerenkrijg (zie nr. 172). De kunstenaar exposeerde herhaaldelijk in de Scheldestad. Het Handelsblad zag in zijn profane stukken als Lentebloemen en de Berisping een geestige Breughel aan het werk, die goed wist weer te geven wat hij in het dagelijkse leven had waargenomen.

 

284. Neogotiek

Het zal niemand verbazen dat Duwaerts voor zijn communiebank in een gotische kerk de neogotische stijl aanwendde. In de katholieke congressen te Mechelen werd de gotiek opgehemeld als de enige christelijke kunst. De Middeleeuwen werden vooruitgeschoven als model voor het politieke bestuur, het economische bestel en het sociale leven. De gotische stijl riep de sfeer op van die vervlogen periode. Toen deze trant opnieuw gebruikt werd, kon hij dus op een geestdriftig onthaal rekenen vanwege de conservatieven in de katholieke partij. Hij stemde het best overeen met hun doeleinden. Afgezien daarvan waren ook de bekende schrijvers Walter Scott en Victor Hugo niet vreemd aan dit heimwee naar de Middeleeuwen. In België was de grote promotor van de neogotiek J.B. de Béthune. Hij ontwierp o.a. de abdij van Maredsous. Hij ging op het oorlogspad om alles uit de kerken te verwijderen wat naar de ‘heidense’ stijlen uit de 17de en 18de eeuw zweemde. Hij en zijn vrienden slaagden erin de neogotiek in brede kring te verspreiden. Pas na de Eerste Wereldoorlog boette ze aan belangstelling in.

 

285. Beschrijving

Duwaerts vatte zijn communiebank op als een dubbele bogengalerij tussen koor en schip. De voorste arcade wordt door brede gotische bogen gevormd, de achterste door smalle, lancetvormige in de trant van de koorvensters. Die achterste rij lijkt geïnspireerd door de bovenste galerij aan de westbouw van de Notre-Dame in Parijs. De voorste arcade wordt door vijf nissen onderbroken. Daarin bemerken we een H. Hart en een O.-L.-Vrouw van het H. Hart, twee populaire devoties uit die tijd. Het feest van het H. Hart werd in 1856 voor de hele Kerk voorgeschreven. Parallel waarmee ontwikkelde zich de verering van het hart van Maria, dat een symbool is van haar liefde tot God en de mensen. De broederschap van O.-L.-Vrouw van het H. Hart was in 1876 in de abdij van Averbode ingesteld en telde duizenden leden. Ook bij de Diestse kruisheren was haar beeld zeer populair. In de andere nissen worden volgens een tijdgenoot de goddelijke deugden afgebeeld, maar dan met ongewone zinnebeeldige kentekens. De kunstenaar ontving voor zijn werk 1400 frank.

 

286. Het oordeel

De commissie voor monumenten was met het stuk niet zo zeer in haar schik. Ze vond dat Duwaerts teveel elementen aan de bouwkunst ontleend had en niet genoeg gewerkt had in de trant van middeleeuws meubilair. Maar wie neogotisch werk wilde afleveren, liet zich door oude voorbeelden inspireren. Gotische gebouwen bestonden er nog genoeg, maar waar had de kunstenaar nog een middeleeuwse communiebank kunnen vinden? Die hadden in de loop der eeuwen het veld moeten ruimen voor renaissance- en barokmeubelen, als ze al ooit bestaan hadden! Misschien had hij eerder moeten denken aan een tafel. Een communiebank is tenslotte toch de heilige tafel! Maar het staat nog te bezien dat de gelovigen zulk een ongewoon exemplaar aanvaard zouden hebben. Al was het geen hoogstandje zoals de preekstoel van de kerk, de voorstanders van neogotiek waren in hun nopjes. De ‘Gazette van Diest’ liet doorschemeren dat deze communiebank misschien de weg zou banen voor een toekomstig gotisch altaar. Gelukkig is dat niet gebeurd!

 

287. Pokken

Na de reeks bijdragen over het veranderende meubilair in de kerk tussen 1870 en 1880 kijken we weer eens naar de mensen van die tijd. Het was er niet enkel rozengeur en maneschijn. Arme mensen leefden in erbarmelijke hygiënische omstandigheden, waren dikwijls ondervoed en werden dus een gemakkelijke prooi van allerlei besmettelijke ziekten zoals de cholera in 1832, 1854, 1866 (zie nrs. 224 tot 227). Maar ook de pokken zaaiden toen dood en verderf. De ziekte uitte zich door hoge koorts en hevige hoofdpijn. Op de huid verschenen rode vlekken die aangroeiden tot blaasjes. Als die uitdroogden, vormden zij korsten. Bij het afvallen lieten ze een diep litteken achter. Wie de pokken overleefde, was voor zijn leven getekend. Vroeger overleden 20 tot 30 % van de gevallen. Deze virusziekte was zeer besmettelijk. Het volstond soms in een vertrek te komen met een patiënt om aangestoken te worden. Mensen met slechts één woonkamer en één slaapkamer konden hun zieke onmogelijk isoleren. Alleen preventieve inenting bood een bevredigend resultaat.

 

288. Pokken II

Reeds in 1845 drukte kardinaal Sterckx de pastoors op het hart dat ze de inenting zouden propageren. Sinds 1849 was het in Diest voorgeschreven dat alle kinderen die het lager onderwijs bezochten, gevaccineerd moesten zijn. Armen konden gratis de pokken laten zetten bij de armendokter, maar ze waren daar nogal huiverig voor, want ze vreesden dat de inenting de ziekte aantrok. In de periode 1864-1865 was te Diest één achtste der bevolking door de pokken getroffen, van alle leeftijden. Werden er in de stad de dertig jaar voordien gemiddeld 200 begrafenissen geteld, dan nam 1865 292 sterfgevallen voor zijn rekening. In de Lievevrouwparochie bedroeg het jaargemiddelde gedurende diezelfde tijdspanne 25 overlijdens. Maar in 1864 werden 31 mensen begraven, onder wie 13 kinderen. In 1865 33, onder wie 19 kinderen. Nog eens 31 in 1866, 8 kinderen inbegrepen, maar in dat jaar heerste ook nog de cholera vanaf mei.

 

289. Trieste cijfers

Om deze cijfers goed te interpreteren, mogen we niet uit het oog verliezen dat het sterftecijfer toen hoe dan ook hoger lag dan nu. Volgens een studie van dokter M. Meeus stierven in Diest 31 inwoners op 1000 tussen 1801 en 1815. Zijn onderzoek eindigt dat jaar. De eeuw daarvoor waren er gelukkiger decennia: 24 overlijdens op 1000 tussen 1761 en 1770; 27 op 1000 van 1781 tot 1790. Maar gewoonlijk lag het sterftecijfer in de 18de eeuw tussen 32 en 39. Ons land ging de 20ste eeuw in met 19 overlijdens op 1000 landgenoten. Thans zijn er dan 11. Maar met dezelfde lage mortaliteit als nu zouden we toen reeds meer overlijdens betreurd hebben, want er woonden dan meer mensen in de parochie: 1750 in 1900. Diest zou pas eind 1893 over een lijkkoets beschikken. Vroeger werd de kist onder een baarkleed op een berrie naar het St.-Janskerkhof gedragen, meestal door de cellenbroeders. Dat materiaal behoorde toe aan de kerken. Voor een burgerlijke begrafenis ontleende de stad de benodigdheden aan het militair hospitaal. Als er bij een arme iemand aan de pokken stierf, werd die dikwijls naar de St.-Janskerk overgebracht, waarvan een plek als lijkenhuis diende. Anders moesten de levenden dezelfde kamer met de overledene delen.

 

290. Maatregelen

De epidemie sleepte aan tot 1868. Als gevolg van de plaag besloot de stad aan arme kinderen nu en dan soep en een kledingstuk te geven, want ze waren meestal slecht gekleed en gevoed. In 1867 werden de dokters Isidoor Nihoul en Jules Cox tot armenarts benoemd. Hun voorgangers hadden zich weinig om hun taak bekommerd. De nieuwe armendokters hadden het jaar voordien gratis de cholerapatiënten behandeld. Door ondervinding wijzer geworden, stelde het stadsbestuur in 1871 een geneesheer aan, die als de plaag weer toesloeg, de mensen gratis opnieuw zou inenten als dit meer dan 10 jaar geleden gebeurd was: Ch. Theys, de broer van de burgemeester. Maar van februari tot augustus 1871 eisten de pokken toch nog 144 levens op.

 

291. Nieuwe aanval

De pokkenepidemie kwam terug in juli 1879 en woedde tot februari 1880. Enkel reeds in 1879 maakte ze 107 dodelijke slachtoffers, maar de plaag bereikte haar hoogtepunt in januari en februari 1880. Kinderen tot twee jaar bleken het kwetsbaarst te zijn. In de Lievevrouwparochie waren het ergst getroffen de Antwerpsestraat (6 overlijdens), de Schaffensestraat (6), de Begijnenstraat (5). In mindere mate de Vestenstraat (3), Zevenweeënstraat en Grauwzustersstraat (elk 2). De scholen werden gesloten, de klassen gewit. Tot overmaat van ellende viel half november reeds de eerste sneeuw en vroor het sterk. De straten lagen lang bedolven onder de sneeuw. De vuilniskar kon geen vuilnis meer ophalen. Uiteindelijk werd de geruimde sneeuw plus het straatvuil maar naar het pleintje naast de Lievevrouwkerk overgebracht. Niet bepaald gezond voor de geteisterde buurt!

 

292. Tegenmaatregelen

Wegens de omvang van de epidemie werd de gezondheidscommissie bijeengeroepen. Die beval hernieuwde inenting aan, de besmetten naar het gasthuis te evacueren en de mesthopen tegen de straten weg te halen. Het armenbestuur gaf bij de behoeftigen pakjes chloorkalk af om hun woning te ontsmetten. Maar er ging behoorlijk wat tijd overheen, alvorens werd uitgebeld bij welke dokters en wanneer ze zich konden laten vaccineren. In 1893-94 heersten de pokken opnieuw. Het eerste jaar overleden daaraan 28 mensen, het tweede 13. Alle kinderen van de gemeentescholen werden ingeënt of opnieuw de pokken gezet. Bleef de epidemie in Diest binnen de perken, elders was ze zo ernstig dat de legermanoeuvres van 1893 werden uitgesteld.

 

293. Het Sint-Vincentiusgenootschap

Uit documenten weten we dat het Sint-Vincentiusgenootschap een eerste maal in 1851 in Diest werd opgericht (zie nr. 221). Maar volgens een grafrede voor gewezen burgemeester Jean André Cantillion in 1879 zou die eerste voorzitter geweest zijn in 1848. De redenaar leefde weliswaar dichter bij de feiten, maar ook zijn geheugen kan een steekje laten vallen hebben. De vereniging was in 1833 in Parijs begonnen. In 1852 herbergde Diest een van de 62 in België bestaande conferenties, zoals het genootschap zijn onderafdelingen noemde. Op de wekelijkse vergadering werd er namelijk beraadslaagd welke armen ze zouden steunen. In 1881 telde het genootschap in ons land reeds 625 dergelijke conferenties. Een bekende armenvriend uit die eerste jaren was onderpastoor Denis Soeten, die zijn liturgisch gewaad aan de Lievevrouwkerk naliet. Jammer genoeg was dat eerste genootschap in Diest geen lang leven beschoren. We weten niet waarom het in januari 1857 zijn activiteit stopte. Ook in de gemeenteraad moesten ze toegeven dat ze moeilijk mensen vonden die de armen discreet aan huis wilden bezoeken.

 

294. Het Sint-Vincentiusgenootschap opnieuw opgericht

Er bleef nochtans grote vraag naar een Vincentiusgenootschap dat een eind zou maken aan het bedelen langs de straten en kies de noodlijdenden die niet durfden aankloppen, zou helpen. Op 24 juni 1877 werd het opnieuw in de Lievevrouwparochie opgericht. Het begijnhof sloot zich hierbij aan. De pastoor aldaar, J. Van Meel, die goed zijn woord kon doen, legde op het feest van St.-Vincentius de betekenis van het werk uit. Een geldinzameling in de kerk bezorgde het nodige beginkapitaal. In augustus herrees het ook in de St.-Sulpitiusparochie. Het jaar nadien kochten enkele bestuursleden van de afdeling van de Lievevrouwparochie het beeld van St.-Vincentius dat men nu nog in de kerk ziet. In 1879 verzocht deze afdeling om aansluiting bij het landelijk genootschap. Uit die aanvraag weten we dat de Lievevrouwparochie en het begijnhof toen samen 2500 inwoners telden, van wie 800 armen. Daarvan steunde de conferentie 97 gezinnen. Meer lieten de bescheiden middelen niet toe. Men sprong alleen mensen bij die niet door de officiële armenzorg geholpen werden. Weliswaar beschikte de Diestse armenkas op dat ogenblik over ruimere fondsen dankzij de stichting Vervoort (zie nr. 261). Maar de heren van de openbare steun waren niet zo toeschietelijk voor wie niet tot hun gezindheid behoorde.

 

295. De beweging doorgelicht

Het Vincentiusgenootschap groepeerde een aantal mannen die hun geloof wilden verdiepen door het beoefenen van de christelijke naastenliefde. Vrouwen konden zich aansluiten bij een andere weldadige vereniging, de Dames van Barmhartigheid, die rond 1900 in Diest bedrijvig waren. De leden moesten wel financieel bij machte zijn om de behoeftigen geldelijk te steunen. Daarom waren het meestal gegoede burgers. Want vele vaklieden, de kleine middenstand, nog gezwegen van de ongeschoolde arbeiders, moesten soms zelf voor steun aankloppen. Volgens de aanbevelingen op de officiële erkenningsbrief van 1879 moest de weldadigheid van de Vincentianen niet gebeuren om hun aanzien te vergroten, noch als een soort van vrijetijdsbesteding. Ze moesten werkelijk van de armen houden, hen bezoeken zoals ze Christus zouden bezoeken. Er moest ook een hartelijke sfeer heersen in hun wekelijkse vergadering op donderdag in de pastorie. Van hogerhand werd ook aangeraden het genootschap buiten de politiek te houden. Dat was aanvankelijk gemakkelijk, want de armen mochten tot 1894 niet naar de stembus gaan.

 

296. Een vergadering

In 1883 telde het Vincentiusgenootschap van de Lievevrouwparochie 15 werkende leden, 31 ereleden en 44 beschermende leden. Alleen de eerste categorie woonde de wekelijkse bijeenkomsten in de pastorie bij. Ereleden namen deel aan de algemene vergaderingen en jaarlijkse missen. Het eerste kwartier van de bijeenkomst was voorbehouden aan gebed en meditatie. Ze overwogen een stukje evangelie of de ‘Navolging van Christus’ of een geschrift van hun menslievende patroon St.-Vincentius. Daarna bespraken ze de nieuwe aanvragen en de bezochte gezinnen. De samenstelling van het gezin, het beroep en inkomen, de gezondheid, het onderhoud van de woning werden onder de loep genomen. Of het gezin niet door wangedrag, zoals dronkenschap, in de ellende was terechtgekomen? Als het naar wens van het hoofdbestuur was gegaan, zouden de godsdienstige praktijk, de scholen die de kinderen bezochten, slecht gedrag, geen rol spelen om een gezin op te nemen of te schrappen. Jezus zag ook niet naar de persoon. Maar hoe dan ook, de beperkte middelen dwongen onze conferentie ertoe een keuze te maken. De wekelijkse vergadering sloot met gebeden en een inzameling onder de aanwezigen.

 

297. Geldmiddelen I

Gelukkig kon het Vincentiusgenootschap rekenen op de wekelijkse inzameling na de vergadering en op de bijdragen van de beschermende leden. ’s Zondags stonden de Vincentianen na mis en lof met collectebussen aan de kerkdeuren. In de zomer collecteerden ze maar eenmaal in de maand. Er werd verondersteld dat iedereen in dat seizoen werk had gevonden en dus verviel van steun. Jaarlijks werd een welsprekende predikant ontboden, die in een liefdadigheidssermoen het hart van de kerkgangers vermurwde. Soms gebruikte het genootschap moderne methodes om de kas te spekken. In 1880 richtte H. Linten, de toekomstige schoonvader van de latere burgemeester E. Alenus, met de St.-Ceciliafanfare een tombola in. De afdeling van de Lievevrouwparochie ontving daarvan 75 frank als haar aandeel. Met St.-Denijskermis in 1897 liet E. Benner één avond zijn carrousel draaien voor het Sinterklaasfeest van de christelijke scholen, zoals hij op een ander moment deed voor de filantropen, die soep uitdeelden in de gemeentescholen.

 

298. Geldmiddelen II

In 1898 haastte iedereen zich naar de zaal in het college waar kermisreiziger Grandsart-Courtois ‘bewegende lichttekeningen’ vertoonde. Iets enigs: de film was pas in 1895 uitgevonden. Op de Warande werden denderende Vlaamse kermissen gehouden voor het werk, waar men o.a. patates frites kon eten (1902). Friet was toen nog zo vreemd dat hij een exotische naam droeg. Met de opbrengt konden de Vincentianen de arme kinderen in de katholieke scholen een nuttig sinterklaasgeschenk geven. Die van de gemeentescholen werden van andere zijden getrakteerd. En waarom geen duivenwedstrijd op Noyon voor het goede doel, zoals in 1905 in ‘De Kroon’ op de Langesteenweg? Bij het overlijden van een vooraanstaande kreeg het genootschap soms een mild bedrag of liet de familie een groot wit brood uitdelen, wat zeer welkom was. Maar meermaals moest de penningmeester bekennen dat de kas krap zat. In 1877 moesten de Vincentianen in de Lievevrouwparochie de steun beperken tot 58 gezinnen, terwijl er 150 voor in aanmerking kwamen. De conferentie van Sint-Sulpitius bezocht er 118.

 

299. Steun I

De steun beperkte zich meestal tot brood, rijst, spek, aardappelen en gruis voor de verwarming. Daarvoor werden bonnen overhandigd, die bij de middenstand konden worden ingeruild. Na een milde gift werden er soms jurkjes, hemdjes en andere kledingstukken uitgedeeld. Zo ontving ieder gezin een deken in 1895. Soms strozakken (1900) of een matras, maar een kachel kon Bruin niet trekken (1906). Vele voorstellen op de wekelijkse conferenties konden onmogelijk uitgevoerd worden, bijvoorbeeld de eerstecommunicanten kleden die bij de Voorzienigheid naar school gingen (1877). Die kinderen waren toen twaalfjarigen. In 1884 was het voor hen feest met een krentenbrood, een pak koffie en cichorei of met zo’n brood, een pond rijst en een pond spek (1886). In een overmoedige bui werd het plan geopperd alle kinderen die naar de katholieke scholen gingen, te kleden of althans zoveel mogelijk. Het draaide uit op een paar klompen (1879). Vergeten we niet: dat jaar heersten de pokken (zie nrs. 287 tot 289) en begon de schoolstrijd, die we later zullen behandelen. Heel gepast trokken de Vincentianen dat jaar 200 frank uit om de dokter en de apotheker te betalen voor armen die door de officiële diensten niet geholpen werden.

 

300. Steun II

De Vincentianen bezochten de gezinnen niet alleen om wat stoffelijke hulp te brengen. Ze moesten een oprechte belangstelling betonen voor het wel en wee van hun beschermelingen, hun goede raad geven op alle gebied en van hen goede christenen maken. In dat verband citeren we enkele initiatieven. Eind 1877 schoten de bestuursleden van de Lievevrouwparochie in hun zak en kochten 200 almanakken ‘Allemans gerief’, het jaar daarop 232. Deze volksalmanak werd in Antwerpen uitgegeven en was zeer populair om zijn stichtende artikelen, raadgevingen voor de gezondheid en vrolijke stukjes. In 1880 schonken de Vincentianen een bijdrage voor de Katholieke Volksbibliotheek die enkele jaren voordien in de Katholieke Kring was opgericht. Ze verzamelden gelezen kranten en gaven ze ter lezing door aan gezinnen waar men kon lezen. In 1914 steunden ze Volksontwikkeling. Deze tak van de Algemene Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding was datzelfde jaar in Diest gestart met voordrachten in de Hallenzaal. Onderwerpen van uiteenlopende aard kwamen aan bod, bijvoorbeeld pater Damiaan, Palestina, zon en sterren. Men betaalde 0,25 frank voor de drie lezingen. In 1922 gaven de Vincentianen van de Lievevrouwparochie 100 frank om het toenmalige parochieblad ‘De Ster’ gratis te verspreiden.

 

301. Steun III

Het Vincentiusgenootschap hielp afzonderlijke armen. Het spoorde zijn beschermelingen aan tot geduld en gelatenheid. Het zocht er niet naar de diepe oorzaken van de armoede te bekampen zoals de vakbonden, die de kwestie met sociale wetten wilden oplossen. Een Diestse christen-democraat formuleerde dat laatste als volgt in 1897: ‘Schoolsoep voor kinderen is goed, maar het zou beter zijn dat vader genoeg verdiende om zijn gezin te voeden’. Er zijn aanwijzingen dat sommige Vincentianen van de parochie die mening deelden. In 1913 stuurde de afdeling-Onze-Lieve-Vrouw 10 frank steun naar de slachtoffers van een lockout in Roeselare. Daar waren 2000 textielarbeiders, aangesloten bij de christelijke vakbeweging, na een staking weggezonden. Het christelijk syndicaat organiseerde een grote steuncampagne en uiteindelijk kwam het tot een compromis. Gaven de Vincentianen gehoor aan deze oproep, omdat E.H. Roest, voormalig onderpastoor van de Lievevrouwparochie en op dat ogenblik pastoor van het begijnhof, in het bestuur van de afdeling zat? In 1911 had hij de opbrengst van een inzameling in de kerken uitgedeeld aan de Diestse mijnwerkers die door een staking in Luik waren getroffen. Pastoor Roest stond aan de wieg van de christelijke mijnwerkersbond (1911) en allerlei sociale voorzieningen, maar dat zullen we nog behandelen.

 

302. Wie kreeg steun?

In 1878 steunde het Vincentiusgenootschap in de Lievevrouwparochie 62 gezinnen, in 1879 65. Het aantal slonk: in 1885 waren het er nog 36, tien jaar later 30. Tegen het einde van de 19de eeuw nam de welvaart toe, de lonen stegen. Maar een strenge winter kon de mensen weer naar de steun jagen. In de eerste periode van zijn bestaan had het hoofdbestuur aangeraden het werk buiten de politiek te houden (zie nr. 295). Maar toen de strijd tussen de gezindheden verscherpte, ging het genootschap in gemeenten met een liberaal bestuur zoals in Diest een tegengewicht vormen voor het armenbestuur. In oktober 1879 begon de schoolstrijd. Gezinnen die hun kinderen naar het vrij onderwijs stuurden, riskeerden hun officiële steun te verliezen. Daarom hielpen de Vincentianen in 1880 46 scholieren. Gingen de kinderen echter naar een gemeenteschool, kwamen ze op een zwart blaadje bij het genootschap. Ook wegens slecht gedrag kon een gezin uitgesloten worden of omdat de kinderen niet meer naar de catechese kwamen na de eerste communie. Wegens zijn geringe financiële armslag moest het genootschap wel selecteren. Maar het bestuur toonde er wel begrip voor dat ouders onder dreiging hun kinderen naar de gemeenteschool stuurden, als dat kroost tenminste regelmatig de catecheselessen volgde.

 

303. Wie kreeg steun? II

Pas in 1894, toen alle mannen voor het eerst mochten stemmen, werd het voor het Vincentiusgenootschap moeilijk buiten het politieke vaarwater te blijven. Tijdens de verkiezingen werden voorwerpen als dekens en strozakken aangekocht en onder de armen verdeeld. Twee vliegen in één klap: de handelaars en de beschermelingen werden gunstig gezind. Men kan deze jacht op stemmen misschien niet fraai vinden, maar de officiële armenzorg was toen nog volledig in handen van de tegenpartij en beschikte over veel meer troeven op dat gebied. Rond de eeuwwisseling kon een behoeftig gezin helaas ook tussen twee stoelen terechtkomen, als het namelijk tot een nieuwe opkomende gezindheid behoorde: het socialisme. Dan was het noch bij de Vincentianen, noch bij het armenbestuur van de stad welkom. We hebben de geschiedenis van het genootschap tot 1914 beschreven. In een latere bijdrage volgen we het verdere verloop van zijn bestaan tot 1943.

 

304. Volksmissies I

Voor het godsdienstig leven in de Lievevrouwparochie speelden de volksmissies in de 19de eeuw een belangrijke rol. We wijden er nu enkele bijdragen aan. Voor de ouderen onder ons spreken we niet in raadsels, want zij hebben dergelijke zendingen nog meegemaakt: enkele paters die dagelijks meerdere sermoenen preekten, speciale oefeningen inrichtten en dat tien dagen lang. De volksmissie kwam tegemoet aan een tekort aan godsdienstonderricht en ze beoogde tevens het christelijk leven te vernieuwen, door de twijfelaars en afvalligen te bekeren en de echte gelovigen in hun overtuiging te doen volharden. Het idee leefde reeds eeuwen. In 1570 beval het provinciaal concilie van Mechelen reeds de volksmissie aan om het volk te evangeliseren, nadat de mensen jarenlang verwaarloosd waren tijdens de godsdienstoorlogen. Maar deze zendingen braken pas helemaal door na 1830. Voor de Lievevrouwparochie hebben wij althans geen spoor van eerdere volksmissies gevonden. Wel werd er elk jaar rond Pasen intens gepreekt over het lijden van Jezus. In 1836 raadde kardinaal Sterckx volksmissies aan.

 

305. Volksmissies II

In een tijd waar nog niet zoveel te beleven viel, waren de zeven- of tienjaarlijkse missies een gebeurtenis. Er was nog geen sport, radio of bioscoop. De zware preken over dood, oordeel, hel en hemel trokken de mensen aan, die zelden de gelegenheid hadden zulke getalenteerde redenaars te horen. In het begin gebeurden de missies voor de parochies van Sint-Sulpitius en Onze-Lieve-Vrouw niet op dezelfde datum. Zo konden de liefhebbers tweemaal van de attractie genieten. Vroeg in de morgen, in de Lievevrouwkerk reeds om halfzes, werd er onderricht over het christelijk leven. Dat ogenblik waren de dienstboden meestal nog vrij. Ook mensen van het platteland die in Diest hun brood verdienden, konden de morgenpreken bijwonen. De preek van 9 uur bereikte een ander gehoor. Maar de kroon op het werk zetten de predikanten in het avondsermoen van 19 tot 20 uur. Sommigen brachten de kerk aan het wenen met aandoenlijke histories. De gevolgen van slecht leven werden tot in de details geschilderd, met alle verschrikkingen van de eeuwige verdoemenis. De mensen griezelden erbij. Tijdens de missies van 1897 viel in de Lievevrouwkerk een man dood, terwijl hij te communie ging. In de St.-Sulpitiuskerk had men ook elke namiddag een Frans sermoen, dat veel volk lokte.

 

306. Volksmissies III

In Diest predikten meestal de jezuïeten en de redemptoristen de volksmissies, elders de minderbroeders en de passionisten. Hoe dan ook, het waren mannen met een stem als een klok (geluidsversterkers bestonden nog niet) en volleerde redenaars. De redemptoristen zwaaiden met hun groot borstkruis. Het kruis in de vuist! Een van hen, pater Bloete, was van 1864 tot 1872 onderpastoor in de St.-Sulpitiusparochie geweest, alvorens hij in de congregatie van St.-Alphonsus intrad. Hij was befaamd over het gehele land. Tijdens de missie van 1887 stroomden er, als we de cijfers mogen geloven, drie- à vierduizend toehoorders naar de avondsermoenen in de Sulpitiuskerk. De mensen gingen een uur te vroeg om plaats te vinden. Ze namen stoelen van thuis mee, want er waren er niet genoeg in de kerk. Ze trotseerden uren de koude, want de missie ging soms in het putje van de winter door: eind november (1897), januari (1888)… In 1854 las men in de bladen: ‘In 7 à 8 kerken van Parijs onderhouden kachels een gematigde warmte. De begijnhofkerk te Brussel heeft dit voorbeeld nagevolgd. Twee grote kachels zijn daar ontstoken’. Maar Diest is Brussel niet. Met nieuwjaar 1893 wenste een redacteur van de Gazette: ‘Als nieuwjaarswens voor St.-Sulpitius worden drie grote, goed verwarmde kachels gewenst, want in de winter is dat geen broeikas!’ Pas in 1922 werden er in de O.-L.-Vrouwkerk twee kachels geplaatst.

 

307. Volksmissies IV

Met allerlei speciale plechtigheden als Mariahulde, kruisverering, feestelijke verlichting met kaarsjes in de kerk, vormden de volksmissies een attractie op zichzelf. In de Lievevrouwkerk hangt het missiekruis van 1888 nog altijd in de zuidelijke kruisbeuk. Op 24 januari 1888 werd het in een luisterrijke optocht op een prachtig getooide berrie door de versierde straten gedragen. De Begijnenstraat was volgepropt. Naarmate de processie vorderde, groeide de menigte aan. Aan de biechten en communies kon men oordelen of de zending in haar opzet geslaagd was. De mensen stroomden naar de biechtstoel. Het was een gelegenheid om een vreemde biechtvader te treffen en hun geweten in orde te brengen. Ze moesten urenlang aanschuiven. Een verslag uit 1878 leert ons dat de redemptoristen niet talrijk genoeg waren om van al het volk biecht te horen. Het was toen echt niet gebruikelijk veel te communiceren. De meesten deden dat slechts een paar maal in het jaar. De invloed van het strenge jansenisme (zie nr. 91) remde hen af. Maar na een goede biecht voelden ze zich daartoe weer waardig. In die zin is het veelzeggend dat er tijdens de missie van 1864 dagen waren dat er in de Sulpitiuskerk 1500 communies werden uitgereikt. Nog lang daarna herinnerde het missiekruis dat in de kerken bleef hangen de gelovigen aan hun goede voornemens.

 

308. De schoolstrijd

Bijdragen over de pokken (nrs. 288 e.v.) en het Vincentiusgenootschap (nrs. 293 e.v.) hebben het de lezer duidelijk gemaakt dat het in Diest niet altijd koek en ei was met mensen die verschillende opinies beleden. In 1879 barstte er zelfs een schoolstrijd los. We kunnen niet voorbijgaan aan een gebeurtenis die zo haar stempel drukte op de stad. Vanzelfsprekend lag de christelijke opvoeding van de jeugd onze bisschoppen nauw aan het hart. Reeds in 1832 spoorden ze de pastoors aan om christelijke scholen te stichten. Bij pastoor Timmermans van de Lievevrouwparochie was dat niet in dovemansoren gevallen. We weten dat hij daartoe de Zusters van de Voorzienigheid naar Diest ontbood (nrs. 209 e.v.). De wet op het lager onderwijs van 1842 erkende dat de godsdienst het hele onderwijs diende te doordringen. De Kerk mocht toezicht houden op het catecheseonderricht in de scholen. Rijk en arm kon in de gemeentescholen een christelijke opvoeding ontvangen, althans in de kleine steden en op het platteland. De antiklerikale vleugel in de liberale partij zag dit echter met lede ogen aan. Die streefde naar een volledige scheiding van Kerk en staat. Toen ze dan in 1878 de meerderheid in het parlement verwierven, kondigden ze een nieuwe wet aan op het lager onderwijs, die de invloed van de geestelijkheid fel zou kortwieken.

 

309. De nieuwe wet

We vatten de nieuwe schoolwet kort samen. Elke gemeente moest voortaan ten minste één officiële lagere school bezitten. Vrije scholen kwamen daarvoor niet meer in aanmerking en verloren hun subsidie. Van de leerkrachten werd een diploma van een officiële normaalschool vereist. Het godsdienstonderwijs verdween uit het programma. De geestelijkheid mocht nog wel catechese inrichten, maar buiten de lesuren, in een apart lokaal, tenminste als de ouders daarom vroegen. Om het onderwijs neutraal te houden, mocht er tijdens de andere vakken niet gesproken worden over God. De Kerk probeerde deze ‘ongelukswet’, zoals ze die noemde, af te weren. Vóór het wetsvoorstel was goedgekeurd, werden handtekeningen ertegen verzameld. In januari 1879 schreef kardinaal Dechamps een speciaal gebed voor, dat ’s zondags na de preek gebeden werd en dat eindigde met: ‘Van scholen zonder God en van schoolmeesters zonder geloof, verlos ons, Heer’. De bisschop voorzag echter dat het wetsvoorstel aanvaard zou worden en in april van dat jaar maakte hij zijn tegenzet bekend: overal parochiescholen oprichten.

 

310. Schoolcomités I

Op 23 april 1879 riep deken Bergeys van Diest zijn pastoors bijeen met het oog op de inrichting van parochiescholen. Tegen oktober moest iedere parochie een katholieke school hebben, waar de arme kinderen kosteloos toegelaten werden. Desnoods moest een voorlopig lokaal dienst doen. Het onderwijs van de meisjes baarde geen grote zorg. De zusters van de Voorzienigheid gaven in hun nieuwe klassen in de Vissersstraat (1868) les aan niet-betalende leerlingen. Voor betalende meisjes stonden er reeds lokalen in de Demerstraat. Voor de jongens echter bestond er nog geen eigenlijke vrije basisschool. Wel kon men bij de kruisheren sinds 1852 vanaf tien jaar terecht in het college van het H. Kruis. Een paar klassen bereidden daar voor op de humaniora. Dankzij studiebeurzen konden daar enkele minder vermogende leerlingen studeren. Maar voor het gros van de jongens moest alles nog uit de grond gestampt worden. Een schoolcomité werd opgericht. Voorzitter was Jozef Cantillion, lid van de provinciale raad. J. Smolders, voorzitter van de kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw, H. Linten, J. Lemmens, A. Verstappen, L. Di Martinelli maakten er deel van uit. Omdat er in Diest geen afstanden bestonden, volstond hier één interparochiale school.

 

311. Schoolcomités II

Op 1 juli 1879 werd de nieuwe onderwijswet ondertekend. Vanaf 7 juli kondigde de priester na elk sermoen op de kansel aan: ‘We gaan een vaderons en een weesgegroet bidden om voor alle katholieke Belgen van God de genade te bekomen dat ze zouden meewerken in het oprichten en onderhouden van christelijke scholen in alle parochies van ons land’. Een niet-aflatende edelmoedigheid werd inderdaad van katholieke zijde vereist. Het ministerie had namelijk een stok in de wielen gestoken en verbood de vrije scholen in kerken, pastorieën of andere gebouwen van de kerk te vestigen. De pastoors mochten ook de leerkrachten niet huisvesten. Dus moest het comité een school bouwen, inrichten en onderhouden. Tevens draaide het op voor de wedde van het personeel. Voor de kwaliteit van het onderwijs benoemde het comité immers bij voorkeur gediplomeerden die elders ontslag hadden genomen. Daarom versmaadde het de vijf of tien centiemen van de volksmens niet, die wekelijks aan huis werden opgehaald. De katholieke Diestenaren riepen de mensen op om geld te geven voor scholen in plaats van het af te dragen voor de beschaving van Afrika, wat de liberalen toen propageerden. Met Abaliekermis 1879 werd er in oktober goede sier gemaakt. Sommigen juichten dat verteer toe: beter je geld zo opmaken, dan dat het in de collectebussen van de vrije scholen verdween. De gemoederen waren verhit.

 

312. Maatregelen van de bisschoppen

De kerkelijke autoriteiten reageerden scherp op de nieuwe schoolwet. Biecht en communie zouden worden geweigerd aan de leerkrachten van de staatsscholen, aan de leerlingen van de officiële normaalscholen en aan de ouders die hun kroost naar ‘de scholen zonder God’ zouden sturen. De leerkrachten daar moesten ontslag nemen. Er werden wel uitzonderingen toegestaan voor jonge onderwijzers die nog een tijdje moesten lesgeven om vrijgesteld van militaire dienst te zijn. Evenals voor ouderen kort voor hun pensioen die nergens nog werk zouden vinden. Zij konden vrijstelling bekomen van de bisschop, die elk geval apart zou onderzoeken. De kardinaal betreurde het dat de ongelukswet van leerkrachten die persoonlijk godsdienstig waren, martelaars maakte of afvalligen. Ook ouders ontsnapten wegens overmacht aan de sancties, als er ter plekke geen katholieke school was of indien ze zwaar financieel verlies zouden lijden als de kinderen naar het vrije net overstapten. Maar dan mochten het geloof en de goede zeden van hun kroost geen gevaar lopen, bijvoorbeeld door slechte handboeken.

 

313. Gevolgen

In tegenstelling met wat elders in uitgesproken katholieke gemeenten gebeurde, liep de openbare school in Diest niet leeg. In Veerle, werd er verteld, zat er nog maar één scholier in de gemeenteschool. Wat de Diestse leerkrachten betreft: alleen de directrice van de meisjesschool, juffrouw A. Steenackers, en drie begijntjes die bewaarschool hielden op het begijnhof, boden hun ontslag aan. Burgemeester Theys liet weten dat er in de stadsscholen gebeden zou worden zoals vroeger, dat de kruisbeelden bleven en de catechismus het eerste en het laatste halfuur gegeven zou worden. De handen van het gemeentebestuur waren in deze zaak gebonden. Ook deken Bergeys zat tussen twee stoelen. Jarenlang had hij het catecheseonderricht geïnspecteerd in de gemeentescholen van de kantons Diest en Glabbeek. Hij drukte zijn erkentelijkheid uit tegenover de onderwijzers en betreurde dat hij die taak niet voort kon zetten, maar hij moest zich aan de richtlijnen van de bisschop houden. Alhoewel het stadsbestuur verzekerde dat de priester met ontzag behandeld zou worden in de scholen en de nodige steun zou krijgen, moest de deken laten weten dat catechese in geweten niet toegestaan was. Leerkrachten die bleven, mochten geen catechese meer geven. Want daarvoor was een kerkelijke zending nodig vanwege de bisschop, aan wie het toekwam godsdienstonderricht te organiseren in zijn bisdom.

 

314. Leerlingenslag

Intussen stonden de ouders onder druk. Leden van de armencommissie liepen de huizen van de armen af. Ze dreigden ermee dat ze de steuntrekkers wel zouden vinden in de winter: ‘Uw kind of uw boekje!’ Dat boekje gaf recht op steun en kosteloze geneeskundige verzorging. Een vrouw van tweeëntachtig verloor haar maandelijkse vijf frank steun, want ze was de zuster van een ontslagnemende begijn. Tijdens de pokkenepidemie van 1879 ging het werkelijk over de schreef. Het armenbureau weigerde aan twee gezinnen doodskistjes voor hun kinderen, omdat hun kroost vrij onderwijs volgde. Om diezelfde reden werd een voorschrift van dokter Nihoul afgewezen voor een gezin waar alle kinderen aan de pokken leden. De geneesheer had goed schrijven op zijn briefje: ‘Kinderen zijn ziek, kolen en hulp, grote miserie!’ Twee aanstaande moeders moesten ook niet meer rekenen op een kosteloze tussenkomst van de vroedvrouw. Zo ging het eraan toe in Diest. Op andere plaatsen, met een katholiek bestuur, waren de verdrukten echter aan de kant van het openbaar onderwijs te vinden. De onverdraagzaamheid was overal groot.

 

315. Grof geschut

In juni 1880 antwoordde de regering met grof geschut. Ze riep haar ambassadeur bij het Vaticaan terug, omdat paus Leo XIII de Belgische bisschoppen niet op de vingers tikte. De rekeningen van de kerkfabriek werden voortaan met argusogen nageplozen en zelden goedgekeurd. Als tegenzet betoonde de geestelijkheid maar matige belangstelling voor de viering van vijftig jaar onafhankelijk België dat jaar. Ze hield het bij Te-Deums. Intussen verwerkten de zusters van de Voorzienigheid de aangroei van hun leerlingen met een nieuwe bewaarschool (1886). Voor de jongens werden inderhaast een paar klassen ingericht in de Paardenstraat, waarschijnlijk in de bijgebouwen van graanhandelaar H. Linten, de toekomstige schoonvader van notaris Alenus, aan wie de straat haar huidige naam ontleent. Als onderwijzer werd Jan Palmaers van de gemeenteschool Mechelen-Zuid aangeworven. Leonard Vandebrande uit dezelfde stad stond hem als repetitor bij.

 

316. De vrije basisschool voor jongens

Zoals gewoonlijk begon het schooljaar pas in oktober, zodat de jeugd bij graan- en aardappeloogst kon helpen. Die eerste schooldag moeten tachtig leerlingen langs een dreigende haag kijklustigen passeren. In de Demerstraat werden 120 meisjes geteld. Maar in het voorjaar van 1880 waren er reeds 198 jongens ingeschreven en bij de zusters 202 meisjes. Even vergelijken: het gemeentebestuur berekende dat er in Diest dat jaar 315 jongens en 334 meisjes recht hadden op gratis onderwijs. Maar een behoorlijk aantal lapte dit aan zijn laars, want er bestond geen leerplicht. In deze cijfers waren de scholieren van welgestelde ouders niet begrepen. In 1880 kwam het schoolcomité in het bezit van een oud herenhuis met een grote tuin in de Peetersstraat. Notaris Verreydt beschreef het op naam van twee zonen van provincieraadslid Cantillion. Daar er nog geen vzw’s bestonden, kon het comiré zelf niets bezitten.

 

317. De vrije basisschool voor jongens II

Tegen oktober 1880 stonden in de tuin twee gelijkvloerse klassen en twee op de verdieping. Het was een gebouw in rode baksteen, zonder versiersels, maar wel gezond met zijn hoge plafonds en klapramen. De bovenste lokalen waren door een planken afsluiting gescheiden, zodat ze in een zaal veranderd konden worden. Voortaan gaven hier vele katholieke verenigingen hun feesten, vóór de ‘Patria’ bestond (1905). Het bouwwerk deed dienst tot in 1936. In zijn soberheid moest het fel onderdoen voor de nieuwe gemeentelijke meisjesschool, die in 1882 in dezelfde straat verrees en waarvoor de stad zich had laten inspireren door een Leuvens model. Met haar geheel overdekte speelplaats, arduin en zandsteen, met haar ruime directiewoning, was ze een ‘école comme une halle’. Zo woordspeelden kwade tongen die graag een mondje Frans uitstalden. Dat gebouw werd in 1995 afgebroken. Keren we terug naar de vrije school. Na een paar jaren waren er teveel leerlingen voor de heer Palmaers en zijn repetitor. Louis Vandijck, een van de eerste leerlingen, moest dan inspringen. Toen die in 1884 zijn militaire dienst deed, volgde broer Frans hem op. Deze had geen enkele opleiding genoten, maar hij beschikte over een natuurlijke aanleg en hij bleef aan tot in 1926.

 

318. De jongensschool verhuist

In 1885 bezweek het H.-Kruiscollege onder financiële moeilijkheden. Daardoor kwamen nieuwe lasten op de schouders van het comité drukken. Alhoewel het aartsbisdom zelf het pas opgerichte eigen college voor de helft financierde, werd er toch weer een beroep gedaan op de mildheid van dezelfde weldoeners. Maar bovendien mocht dat instituut over de pas gebouwde lokalen in de Peetersstraat beschikken. Het schoolcomité moest dus uitzien naar een ander onderkomen voor de bestaande basisschool. De volksschool met meester Vandebrande verhuisde naar de Vestenstraat dicht bij de begijnenpoort. Toen de nieuwe aartsbisschop, Mgr. Goossens, wat later kennis kwam maken met Diest, vergat hij de bannelingen in dat achterhoekje niet. Zoals vele collega’s en ondervoede, door tbc ondermijnde leerlingen, bereikte Leonard Vandebrande geen hoge ouderdom. Hij overleed in 1890, 46 jaar oud. In 1895 was Gustaaf Vannerom er schoolhoofd. Rond 1900 Alfons Molijn. Daarna Louis De Coninck, terwijl Frans Van Dijck de eerste klas gaf. Met excuses voor het niet noemen van andere, onbekende pioniers.

 

319. Enkele cijfers

We herinneren nog even aan de startcijfers van het vrije net in 1879: 80 jongens en 120 meisjes; voorjaar 1880 198 jongens en 202 meisjes. Deze getallen moeten we echter met een kritisch oog bekijken, want ze stammen uit een sympathiserende bron. Voor 1895 schatte of onderschatte het gemeentebestuur het aantal jongens in de vrije school op 150 à 180. Wat protest uitlokte bij de katholieken: er waren 234 leerlingen ingeschreven. In de gemeenteschool voor jongens zaten er toen 284. Voor 1895 beschikken we echter over vergelijkbare officiële cijfers. Karel Ghoos, het schoolhoofd van de gemeenteschool in de buurt, telde 302 scholieren. Gustaaf Vannerom in de Vestenstraat 103. In het openbare net trof men 321 meisjes aan. Bij de zusters 98. Samen hadden toen 900 kinderen in Diest recht op gratis onderwijs. 46 daarvan lieten zich niet zien. Hoe het ook zij: de lokalen waren zo reeds overal overbevolkt. De gemeentelijke basisschool in de Begijnenstraat omvatte drie klassen. In één ruimte drumden 72 scholieren samen, in een andere 98 (in 1899)!

 

320. De broederschool

Het vrije net kon moeilijk optornen tegen de tastbare voordelen die de concurrentie aanbood, al was het maar de schoolsoep die de liefdadige vereniging ‘Les Philantropes’ daar bekostigde of de extra’s van het armenbureau. Met Sinterklaas 1907 echter kon het bij hun tegenpartij, de Vincentianen, ook een keer niet op. Ieder kind van de katholieke scholen kreeg een hemd, een paar sokken, klompen, pet of das, een mik, snoep en speelgoed. Maar het was vooral door de bevolkingsaanwas van Diest en de machtswijziging die zich voltrok op het stadhuis, dat de vrije basisschool een groeiend succes kende. In 1907 moest er een derde lokaal ingericht worden. In 1908 kocht deken F. Verstreken een ruim terrein in de Kruisstraat, op de plaats van de huidige Warandeschool. Het gebouw dat er werd opgetrokken, kon iedere vergelijking doorstaan. Het bakent daar nog altijd de speelplaats in het westen af. De broeders van O.-L.-Vrouw van Barmhartigheid uit het Scheppersinstituut van Mechelen ontfermden zich voortaan over het onderwijs. Maar dat is stof voor bijdragen als we die periode zullen behandelen.

 

321. H. Familie I

In de laatste helft van de 19de eeuw groeide de belangstelling voor het heilig gezin van Nazareth. In februari 1880 wijdde paus Leo XIII een encycliek aan het huisgezin. Naar het begin van de brief werd ze ‘Arcanum divinae sapientiae’ genoemd (‘Het geheim van de goddelijke wijsheid’). Op dat ogenblik kwam het gezinsleven steeds meer in verdrukking. Het aantal echtscheidingen steeg en het geboortecijfer daalde. Door de opkomende industrialisatie moesten veel mensen hun brood ver van huis verdienen. Ook vrouwen en zelfs kinderen werden door het arbeidsproces opgeslorpt, zodat de familieband verslapte. De predikanten van volksmissies (zie nrs. 304 tot 307), vooral de redemptoristen, probeerden dat onheil te keren. Reeds in 1847 hadden die paters in Luik een aartsbroederschap van de H. Familie opgericht, dat in 1883 ongeveer 300.000 leden telde. In 1878 preekten ze een missie in de Lievevrouwkerk en ze bevalen hun broederschap sterk aan. Dat moet reeds in een of andere vorm in Diest bestaan hebben, want in 1877 luisterden zangers van de H. Familie de halfoogstprocessie in de Lievevrouwparochie op.

 

322. H. Familie II

Als gevolg van de volksmissie van 1878 werd de parochie op 3 september van dat jaar aangesloten bij de aartsbroederschap van de H. Familie in Luik. Voortaan mocht een beeld van het heilig gezin van Nazareth in de Lievevrouwkerk niet ontbreken. In 1880 bestelde men er een bij beeldhouwer Van Emelen uit Leuven, die aan de parochie reeds de madonna in de grot en Bernadette geleverd had en in 1888 een Jan Berchmans zou bezorgen. Het kostte 330 frank en werd op 1 februari gewijd. Het staat nog altijd in de noordelijke zijbeuk. Terloops wordt vermeld dat de afdeling van Onze-Lieve-Vrouw toen reeds 500 leden telde. We onderstellen dat iedere persoon van een gezin werd meegerekend. De aangeslotenen hielden hun vrome oefening ’s zondags na het lof. Een priester preekte over een heilige, de tien geboden. De aanwezigen zongen er ook gemakkelijke liederen, die iedereen kon meezingen.

 

323. H. Familie III

Paus Leo XIII liet het niet bij zijn zendbrief Arcanum. In een schrijven uit 1892 zag hij de redding van de gezinnen in de navolging van de voorbeelden van Jezus, Maria en Jozef en het dagelijkse bidden thuis. Hij propageerde het genootschap van de H. Familie. Het heilig gezin kreeg een speciaal feest. We kennen deze paus gewoonlijk maar als de man van ‘Rerum Novarum’ en als diplomaat. Maar hij was ook dichter en schreef zelf de lofzangen op dit feest voor het brevier. De oproep van de paus vond weerklank. Kardinaal Goossens wijdde er zijn vastenbrief van 1895 aan. Hij drong er sterk op aan dat iedere parochie zulk een genootschap zou organiseren en een register zou aanleggen met de inschrijvingen. De mensen waren trots op het diploma dat ze dan ontvingen. Vele prenten hingen er bij de man uit de straat nog niet aan de muur! De Lievevrouwparochie reageerde prompt. Op 8 december 1895 werd het genootschap er ingesteld. In 1899 maakten 196 gezinnen er deel van uit. In 1898 hamerde de kardinaal er nog steeds op.

 

324. Een kostbare erfenis I

In januari 1885 wees juffrouw Regina Zérezo, wonende in ‘De Wereld’, de Lievevrouwkerk bij testament een eiken kast met glazen deuren toe, die nu nog links op het koor hangt. Op de achtergrond waren twee wapenschilden geschilderd, het ene van Jan de Zérezo, schepen van Diest, in Leuven geboren (1748), het andere van zijn echtgenote, Katherina Regina Cordeys (1748-1793). Zij was de dochter van de toenmalige drossaard, die de prins van Oranje in Diest vertegenwoordigde. De inhoud van dit kastje was evenwel veel ouder dan de edelachtbare dragers van de wapenborden. Het was een reliekhouder in de vorm van een laat-Renaissance miniatuuraltaartje uit 1661. in dit altaartje waren 8 beeldjes verwerkt en 22 relikwieën, hoofdzakelijk van pestheiligen. De kerkfabriek had echter niet zoveel op met deze nalatenschap, zoals we in de volgende bijdrage zullen zien.

 

325. Een kostbare erfenis II

De kerk aanvaardde dit erfstuk, omdat er geen verplichtingen aan verbonden waren en om de wil van de vrome erflaatster te eerbiedigen. Praktisch nut voor de eredienst had de nalatenschap niet. In de 19de eeuw vereerden de mensen nochtans nog graag relikwieën. Maar die in het altaartje waren niet echt, meenden ze in de parochie, want ze droegen geen wassen zegel van de kerkelijke overheid als erkenning van de echtheid en er waren evenmin documenten die dit staafden. Daarom konden ze niet vereerd worden (bij nader toezien blijkt dat sommige wel degelijk verzegeld zijn). Het kerkbestuur vond het ook maar niks dat de doosjes met de relieken van tin of blik waren. Bovendien waren de handen van de houten beeldjes soms verminkt. Kunstkenners schatten de waarde in 1885 op 40 à 55 frank. Antiekdieven echter apprecieerden het beter in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw. De Heer J. Bongaerts en de toenmalige kerkmeesters hebben hemel en aarde moeten bewegen om het stuk opnieuw in het bezit van de parochie te krijgen. Veiligheidshalve wordt het altaartje nu geborgen in het stedelijke museum. Het kastje hadden de dieven ter plaatse gelaten. Hierin hangt nu een brief van kardinaal Danneels, die de parochie feliciteert met het schilderen van de kerk in 1988.

 

326. Relieken

In de 17de eeuw woedde de pest herhaaldelijk in Diest, bijvoorbeeld in 1604, 1625, 1633, 1634, 1635. Bij dergelijke calamiteiten namen de mensen vol vertrouwen hun toevlucht tot de heiligen. Zij waren de hulpverleners en specialisten voor die tijd. Gewone mensen trachtten God te bereiken via wezens van vlees en bloed die zijn onvoorspelbare goedheid enigszins aanschouwelijk maken; ze hoopten dat de heiligen hen zouden aanbevelen bij de Heer. Hun relieken vereren was een voelbaar en liefdevol contact met de heilige zelf: een deeltje van zijn lichaam, een stukje kleding, iets wat het gebeente van de heilige had aangeraakt. Maar de onverzadigbare vraag van kerken en particulieren gaf aanleiding tot veel misbruik. Tijdens de kruistochten werd veel uit het gewiekste Oosten naar het lichtgelovige Westen gebracht. Enkele voorbeelden: de kathedraal Saint-Aubin van Namen bewaarde haar van de baard van Jezus, een doekje uit zijn kindskorf, een tand van Petrus. In de kathedraal van Doornik trof men haar van Maria Magdalena en overschot van de vijf gerstebroden. In de St.-Catharinakerk te Maaseik vereerde men een steen die Stefanus trof en de spons die Jezus gereikt werd op het kruis. Later mocht men alleen nog maar echte relieken vereren, gegarandeerd met een stempel in rode lak of was.

 

327. Meer over het reliekaltaartje I

Het 4de concilie van Lateranen (1215) en dat van Trente (1545-1563) verboden de verkoop van relikwieën. Wij vinden het verzamelen en vereren ervan misschien een rare bedoening. Maar leggen sommige moderne mensen geen collectie aan van voorwerpen die aan hun popidolen hebben toebehoord? Wie bewaart er niet piëteitsvol tastbare herinneringen aan geliefden? Het altaartje is voornamelijk een verzameling van heiligen die tegen de pest werden aangeroepen. Maar er staan ook andere noodhelpers bij. Op de top prijkt de H. Kristoffel, de reus met het kindje Jezus. Hij beschermde tegen een onvoorziene dood. Als men zijn beeld gezien had, zou men die dag niet onverwachts sterven. Zijn beeldje is groter dan de andere, want men moest het goed kunnen zien. Op de bovenste rij staan twee pestheiligen bij uitstek: Adriaan en Sebastiaan. St.-Adriaan draagt het aambeeld waarop zijn benen werden stukgeslagen. St.-Sebastiaan draagt een boog. Als lid van de keizerlijke garde zal hij die ook gehanteerd hebben. Maar hij viel zelf onder de pijlen. Pijlen waren sedert de Oudheid zinnebeelden van de pest, een straf vanwege de goden. In een nis tussen beide heiligen staat Maria. Zij mocht natuurlijk niet ontbreken.

 

328. Meer over het reliekaltaartje II

Op de middelste rij ziet men de woestijnheilige Antonius en de pelgrim Rochus. St.-Antonius-abt werd in de Middeleeuwen aangeroepen tegen een ongeneeslijke huidziekte, het Antoniusvuur. Zijn broederschap mocht lang drie gemerkte varkentjes in Diest laten lopen, die hun kost langs de straat zochten. Bij het slachten kregen de armen er hun part van. St.-Rochus moeten we als de grote pestheilige niet meer voorstellen na bijdragen 57, 58 en 227. Centraal in de rij staat St.-Jan de Doper, eigenlijk vereerd tegen het huilen en de stuipen bij kinderen. De twee bisschoppen op het onderste vlak kregen geen speciale attributen, daarom kunnen we ze niet met zekerheid identificeren. We kiezen voor Sulpitius en Dionysius, de patroons van de Diestse hoofdkerk en van de stad, omdat de beschermheiligen van de andere parochiekerken ook vertegenwoordigd zijn: Onze-Lieve-Vrouw en St.-Jan de Doper. Het altaar bevat ten andere een doosje met relieken van St.-Denijs en in Duitsland wordt die als pestheilige vereerd. Elders meer om gespaard te blijven van overlast door soldaten. De specialiteit van Sulpitius was nierziekten.

 

329. Wederwaardigheden met de toren I

In september 1874 verscheen volgend bericht in De Gazette van Diest: ‘De paus is eergisteren bijna verongelukt op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk. Als schrijnwerker oefende Simons daar herstellingswerken uit. Door een onvoorziene beweging van de klok stortte de stelling plots naar beneden. Simons liep lichte kneuzingen op, die hem enkele dagen arbeidsongeschikt maakten’. Sensatie, als men alleen het begin leest. We menen echter niet dat de opsteller zich aan een grapje gewaagd heeft met de vereerde Pius IX (zie nrs. 258, 259, 260). De manier waarop hij het bericht brengt, verraadt nochtans een zekere humor, die het toenmalige Diest snapte. Haast iedereen werd destijds met een bijnaam bestempeld. Zo heette pastoor Roest van het begijnhof het koolputterke – we weten reeds waarom (zie nr. 301). Soms kende men de echte naam van iemand pas, als men hem op het doodsprentje of het grafkruis zag.

 

330. Wederwaardigheden met de toren II

Begin juni 1889 sloeg de bliksem in op de toren van het begijnhof. Een paar dagen later, op 7 juni, werd die van de Lievevrouwkerk getroffen. Hier ontstond een begin van brand. Er was schade aan de toren, klokken, uurwerk en orgel. Gelukkig kwam de brandweer snel ter plekke en kon ze het onheil beperken. Om hun prompt optreden ontving het corps 25 frank van de verzekering. De kerkfabriek trok 595 frank schadevergoeding. Na deze perikelen besloot de kerkfabriek een bliksemafleider te installeren, zoals die reeds op vele plaatsen bestond. Dat zou 593 frank kosten. Daarom deden ze een beroep op de edelmoedigheid van de parochianen. Tevens ontvingen ze 100 frank toelage van de provincie en van het ministerie van justitie. De Lievevrouwparochie was er beter van afgekomen dan de kruisheren. Met Pinksteren 1877 stichtte blikseminslag brand in de bovenste peer van hun toren. Kruis en haan stortten naar beneden. Voor de plaatselijke brandweer was het een onmogelijke opdracht. Maar de kanonniers van het garnizoen konden met hun beter materiaal het vuur bedwingen. Met julikermis 1897 gaven de stedelijke brandweerlieden een demonstratie op het pleintje naast de Lievevrouwkerk. Daar stond een hele constructie om de reddingswerken in hun werking te vertonen. Het jaar daarop was het echter bittere ernst, toen de Ezeldijkmolen een prooi van de vlammen werd.

 

331. Toen de bisschop kwam vormen I

Thans brengt het vormsel even wat feeststemming in de betrokken gezinnen en in de parochiekerk. Het gebeurt nu jaarlijks en daarom is het niet zo buitengewoon. Ook de bedienaar van het vormsel is nu meestal een gewone priester, daartoe door de bisschop gemachtigd, want die zou dat onmogelijk overal jaarlijks zelf kunnen doen. Vroeger kwam de kerkvoogd zelf vormen met min of meer lange tussenperiodes. Dan kwamen kinderen van meerdere parochies uit Diest en omgeving samen in Sint-Sulpitius. Het was een zeldzame gebeurtenis. Daarom werd de bisschop plechtig onthaald, vooral als het de eerste keer was dat hij Diest bezocht. In volgende bijdragen geven we daar twee voorbeelden van: een bezoek uit 1724 en een ander uit 1885. In 1724 was een bisschop nog een hoogwaardigheidsbekleder. In die eeuw waren alle bisschoppen van Mechelen nog van adel. Hun namen liegen er niet om: Humbert-Willem a Precipiano, Thomas-Philippus d’ Alsace, Jan-Hendrik von Franckenberg. In die tijd, toen Kerk en staat nog niet gescheiden waren, werden ze overal met de nodige honneurs ontvangen.

 

332. Toen de bisschop kwam vormen II

Op 27 september 1724 liet de landdeken per expresse weten dat de kardinaal zou komen vormen op een nader te bepalen dag. De stedelijke overheid beraadslaagde met de proost van St.-Sulpitius hoe Zijne Eminentie ingehaald zou moeten worden. De proost daagde op met een groot boek dat beschreef hoe de bisschop, komende als legaat van de paus, ingehaald moet worden onder een baldakijn. Het stadsbestuur vond echter dat de bisschop maar als bisschop kwam. Het deed daarom navraag hoe ze het elders hadden gedaan. Op 5 oktober gingen de proost, de schout en burgemeester de kardinaal, die Scherpenheuvel bezocht, daar opzoeken om de datum af te spreken en de nodige regelingen te treffen. De kerkvoogd maakte het Diest gemakkelijk door zo goed als incognito te komen, op zondagavond 8 oktober. Daarom moesten de autoriteiten hem niet buiten de poorten van de stad opwachten. Ze konden hem uit de proostdij afhalen. Op 6 oktober werd omgebeld: ‘Iedereen moet de straat voor zijn erf vegen op boete van 3 gulden’. In St.-Sulpitius werden alle altaren op zijn best gesierd.

 

333. Aankomst

Al wilde kardinaal d’Alsace onopgemerkt blijven, zijn aankomst in de stad baarde opzien. Op de vooravond arriveerde hij met zijn karos, zijn staatsiewagen bespannen met zes paarden. Die van de abt van Tongerlo, die al eens in de stad verscheen, moest het stellen met vier paarden. Maar deze extra bespanning van de wagen was geen overbodige luxe in oktober over Hagelandse wegen, die door de vele houtwagens zo waren uitgereden, dat men er slechts met halve vrachten kon passeren en een dubbel aantal paarden. Bestrate wegen liepen er toen nog niet naar Diest. Een lichtere reiskoets voor vier personen, een berline, door twee paarden getrokken, volgde de karos van de kardinaal. De hoge bezoeker was vergezeld door hulpbisschop A. d’Espinosa, landdeken Collier van Langdorp, een secretaris, twee kamerlingen en verscheidene knechten. De kardinaal nam zijn intrek in de proostdij. De beide koetsen, paarden en knechten vonden onderdak in ‘De Pelikaan’, een voorname afspanning in de huidige St.-Jan Berchmansstraat in de buurt van ‘Het Lammeke’. Het stadsbestuur wachtte de bisschop in korps op en bood de erewijn aan.

 

334. De grote dag

Op 9 oktober 1724 bracht het stadsbestuur de kardinaal processiegewijs van de proostdij naar de St.-Sulpitiuskerk. Achter het witte processievaandel openden koralen de stoet. Dan volgden de St.-Sebastiaansgilde, de St.-Barbaragilde en de St.-Jorisgilde met hun toortsen, zwarte mantels en de koningen met de sierkettingen met zilveren platen. Na hen kwamen de augustijnen, de minderbroeders, de kanunniken van de grote kerk, de proost met koorkap. Dan de kardinaal in rode toog met een lange sleep die gedragen moest worden. Maar toen het hoge gezelschap de proostdij verliet, begon het te regenen. De kardinaal vroeg om een baldakijn. Gelukkig had de Sulpitiuskerk zich voor enkele jaren een nieuwe troonhemel aangeschaft voor de processie van het H. Sacrament. Zes mannen van de raad droegen dus dat pronkstuk. Het baldakijn werd voorafgegaan door een groot zilveren kruis en gevolgd door de hulpbisschop, de secretaris, de landdeken, de stedelijke raad, de schout. Achter hen marcheerden ’s heren dienaars met hun hellebaarden en de rode roede van justitie. Na hen volgde veel volk de stoet over de Ketelstraat en Marktstraat. Intussen galmde de grote klok en speelde de beiaard. Aan de trappen van de kerk vormden de gilden de haag. Het was ongeveer tien uur, toen de bisschop begon te vormen tot halfeen.

 

335. Visitatie

De namiddag van 9 oktober en de volgende dagen vormde de hulpbisschop d’Espinosa. Intussen bezocht de kardinaal de Lievevrouwkerk, die van St.-Jan de Doper, de kloosters en het begijnhof. Hij wilde zich vergewissen van de toestand van de gebouwen, het meubilair, de eerbied voor de sacramenten, het gedrag van de geestelijkheid en de gelovigen. ’s Avonds had hij andere verplichtingen. Hij moest aanzitten aan de jaarlijkse fameuze schepenmaaltijd. De vroede vaderen van Diest hadden die in september uitgesteld om de bisschop te kunnen uitnodigen. Schepen A. Coppal, wiens beurt het was om te trakteren, gaf daarvoor 120 gulden. Daarvoor moest een maaier destijds minstens 7 maanden hard zwoegen. De stad legde de rest bij. Er prijkte zoveel op het menu, dat ze gewoonlijk de maaltijd over twee dagen spreidden. Er waren vooral vleesgerechten: worst, kip, schapenbout, ham, rund, speenvarken, kalkoen, kalfsnieren, haas en konijn, patrijs, leeuweriken of vinken. En onze voorouders geraakten dat alles de baas!

 

336. Afscheid

Tot 14 oktober 1724 werd er elke dag gevormd. Die dag vertrok de kardinaal na de middag, na de overheid bedankt te hebben. Bij zijn afscheid speelde de beiaard en luidde de grote klok zoals op grote feesten. Kardinaal d’Alsace mocht niet klagen over Diest, want de stad betaalde ook de rekening van de knechten en de paarden in ‘De Pelikaan’. We zijn over dit vormselbezoek zo goed op de hoogte, omdat de toenmalige stadssecretaris alle details zorgvuldig heeft opgetekend. De kardinaal kwam ook in 1750 vormen. Door vorige ervaring geleerd vroeg hij geen grote kosten te doen en slechts zes schotels op te dienen plus dessert. Dezelfde eeuw zouden nog andere bisschoppen komen vormen, onder andere in 1761 en 1778. Maar onze bronnen verklappen niet of het telkens zulk een grandioos onthaal werd.

 

337. Blijde inkomsten in de 19de eeuw

Victor Dechamps was in 1867 kardinaal Sterckx opgevolgd. Op 22 juni deed hij zijn eerste intrede in Diest. Een stoet van geestelijken bracht hem naar de Sulpitiuskerk. Voor de hoge gast waren de straten versierd en de mensen staken feestelijk licht aan. We leefden echter niet meer in de tijd vóór de Franse revolutie. Het gemeentebestuur was wel uitgenodigd, maar hield zich afzijdig, omdat het hier uitsluitend een godsdienstige plechtigheid gold. Op maandag 6 juli 1885 bracht de volgende kardinaal, Goossens, zijn eerste bezoek aan Diest. De bisschop arriveerde met de trein. Stationschef A. Marteleur had de wachtkamer van zijn houten station met bloemen en planten versierd, zoals het jaar voordien toen koning Leopold II de grote manoeuvres in het Hageland kwam inspecteren. Deken Wuyts wachtte de kardinaal op en ze zetten hun tocht per rijtuig voort. De enige fatsoenlijke weg om toen van het station het centrum te bereiken, liep via de Antwerpsestraat, Schaffensestraat en Langesteenweg.

 

338. Bezoek aan de stad I

Op dinsdag 7 juli 1885 vormde de bisschop om 9 uur de kinderen van de Sulpitiusparochie en om 11 uur die van de andere parochies. In de namiddag bezocht hij het gasthuis en de grauwzusters. Zo passeerde hij de Zevenweeënstraat. De straat hing vol slingers van groen en papieren bloemen. Hier en daar stond een boompje. De bewoners hadden hun beelden en prenten voor het raam uitgestald als voor een processie. Ook de bekende kapelletjes waren schitterend versierd. Kardinaal Goossens hield bij elkaar deur even halt en wisselde een woordje met de mensen, die daarmee niet weinig in hun schik waren. Diestenaars uit chiquere buurten erkenden dat de Zevenweeënstraat eer van haar werk haalde.

 

339-340. Bezoek aan de stad II

Na het bezoek aan de celzusters trok Monseigneur Goossens via de Vestenstraat naar het begijnhof. Overal begroette het volk hem geestdriftig. Onderweg bezocht hij nog de nieuwe katholieke basisschool voor jongens, die we reeds kennen uit bijdrage 318. ’s Anderendaags ging hij kennismaken met de zusters van de Voorzienigheid, de kruisheren en de cellenbroeders. In de namiddag reisde hij weer af met de trein. De driedaagse visite was een kluif voor het plaatselijke katholieke weekblad, dat alles in geuren en kleuren rapporteerde. In Diest konden ze na de pokken en de schoolstrijd zulk een opkikkertje best gebruiken. In 1907 kwam de nieuwe aartsbisschop, Mgr. D. Mercier, voor het eerst in Diest vormen. Aan de meeste huizen hingen vlaggen. Wat hem echter speciaal naar de Demerstad bracht, was het gouden priesterjubileum van zijn oud-leraar, pastoor Oliviers van de Lievevrouwkerk, aan wie hij veel te danken had. De kardinaal beklom de kansel van de kerk en sprak de aanwezigen toe in het Vlaams. Bij zijn bezoek aan de mini-jamboree van de scouts in augustus 1921 werd hij officieel op het stadhuis ontvangen. Deze eer viel ook zijn opvolger, Mgr. J. Van Roey, te beurt, toen hij in 1927 kwam vormen.

 

341. De Berchmansfeesten van 1888 I

De volgende bijdragen roepen de Berchmansfeesten van 1888 op. Op 15 januari dat jaar werd Jan Berchmans heilig verklaard. Diest zou zijn illustere stadsgenoot waardig huldigen in augustus. We geven daarvan enkele treffende bijzonderheden, vooral betreffende de Lievevrouwparochie. Wekelijks werd er in iedere straat gecollecteerd voor de versiering. Armen deden meer dan hun middelen toelieten. De laatste weken hadden de mensen geen tijd meer voor vergaderingen, want ze moesten papieren bloemen en slingers maken. Verheugend was dat het gekibbel tussen de plaatselijke weekbladen ophield. Alle namen ze bereidwillig de mededelingen van het organiserend comité op. De Diestenaren voelden zich dan ook niet weinig gevleid door de eer die aan een van hen te beurt viel. Waar ergens de biografie van Berchmans gelezen zou worden, zou men immers op de naam van zijn geboortestad botsen. Bij velen leefde ook de droom dat Diest een beroemde bedevaartplaats zou worden met stromen volk. In afwachting verscheen reeds een elixir ‘Sint-Jan Berchmans’ op de markt. Natuurlijk ook levensbeschrijvingen, een bedevaartvaantje, prenten, litanieën. Voorlopig floreerde de verkoop van lampions, kaarsen, lantaarntjes, fakkels voor de verlichting en gekleurd papier, vlaggen en draperieën voor de versiering.

 

342. De Berchmansfeesten van 1888 II

Kardinaal Goossens wijdde een herderlijke brief aan de heiligverklaring en hij schreef een driedaagse voor met godvruchtige oefeningen en preken. Het stadsbestuur was niet erg geneigd om officieel met de viering mee te doen, uit protest tegen de onvaderlandse houding van de geestelijkheid tijdens de feesten van 1880 (zie nr. 315). Maar de meeste raadsleden drongen erop aan dat het stadhuis van Diest bevlagd en verlicht zou worden. Een toelage kon er echter niet van af. Particulieren evenwel vergaten gemakkelijker het oude zeer. Eigenaars van een grote mouterij, een graanmolen en brouwerij die beslist geen pilaarbijters waren, stelden graag wagens en paarden voor de stoet ter beschikking. Ze volgden hierin het voorbeeld van de hertogin van Arenberg uit Heverlee, die haar eeuwenoude staatsiekoets had uitgeleend, waarin de groep van de familie Berchmans was gezeten. Bijna iedereen vlagde en verlichtte. Langs de straten waren boompjes geplant en triomfbogen opgericht. Aan sommige huizen hingen rode of blauwe draperieën, bij andere vormden rozen en lelies een krans rond het venster.

 

343. Versiering van de Lievevrouwkerk

De Lievevrouwkerk was prachtig, misschien wat overdadig versierd. Maar men kon niet genoeg voor Berchmans doen. Boven het hoofdaltaar hingen de wapens van paus Leo XIII, kardinaal Goossens en Monseigneur Anthonis. Bij beeldhouwer Van Emelen in Leuven had de parochie zopas een beeld van Sint-Jan gekocht. Het prijkte op een altaar op het koor onder de mooiste vergulde troonhemel die de parochie bezat. Daarboven vormden vier blauwe draperieën met gouden sterren een reusachtig baldakijn. In het schip hing een vergulde kroon met kostbare vederbossen. Rode en blauwe afhangende stof, chronogrammen, slingers met eikenbladeren, kerkvaandels bekleedden muren en pilaren. Pastoor Emmerick en het wapen van de abdij van Tongerlo ontbraken niet op de balustrade van het oksaal. Op 15 augustus celebreerde Monseigneur Anthonis, bisschop van Constantia, in de Lievevrouwkerk een pontificale hoogmis en lof. Daarna ging de traditionele processie uit. Ze was nu verrijkt met enkele groepen uit de Berchmansstoet.

 

344. De Berchmansstoet

De eigenlijke feeststoet trok op 13 en 19 augustus door de straten. Hij bestond uit een historisch en een religieus deel. Het eerste riep de geschiedenis van Diest en van de heilige op. In de processie stapten broederschappen uit vele plaatsen, een lange rij kloosterlingen en priesters. Daarna volgden de relikwieënkast, kardinaal Goossens en meerdere bisschoppen en monseigneurs. In de Lievevrouwparochie kwam de stoet voorbij de Langesteenweg, de Schaffensestraat, het Wederbroek, de Overstraat. In de Abalie kon men hem zelfs tweemaal zien passeren. In de ‘Rode Leeuw’ en de Christusogen verhuurde men dan ook vensters en kamers voor de kijklustigen, want op straat wemelde het van de duizenden bezoekers die speciale treinen in de stad uitgoten. Wie wat langer bleef, bewonderde ’s avonds de toverachtige verlichting en het vuurwerk.

 

345. Jaarverzen en opschriften

Aan de gevels uitten de mensen hun gevoelens voor Sint-Jan en hun wensen in chronogrammen en verzen. In de 19de eeuw was het een hele sport voor de geest om dergelijke jaarverzen op te stellen. Bepaalde letters moesten samen 1888 vormen. Het waren meestal vrome spreuken als: ‘Berchmans, Diestenaar, verlos uw inboorlingen van alle kwalen’. Anderen waren trots op hun stad omwille van de nieuwe heilige: ‘Diest, alhoewel klein, door Johannes’ leven boven veel prachtige steden verheven’. Voor sommigen was het echter puur reclame: ‘Wie de heilige viert van allen kant vindt hier veel lekkers voor de tand’. Of zonder omwegen: ‘Meilleur chocolat vendu prix fixe’. Of : ‘Chapeau de luxe J. Berchmans pour trois francs soixante’. Er waren ook Franse en Latijnse chronogrammen en verzen. In de Schaffensestraat hingen er 23, waaronder twee Franse en één Latijnse. In het parochiale deel van de Langesteenweg 27, waaronder zeven Franse en één Latijnse. In de Lievevrouwparochie misbruikte echter niemand de nieuwe heilige voor reclame.

 

346. Abaliekermis

We weten onderhand wel dat deze parochiekroniek zich niet beperkt tot wat zich onder het dak van de Lievevrouwkerk afspeelt. Zo handelden sommige bijdragen over de armoede, de besmettelijke ziekten, de straatverlichting. We mogen ook eens een prettige kant van het leven bekijken: de wijkkermis in de Schaffensestraat tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw. Abaliekermis moet al veel eerder bestaan hebben, maar ze was stilaan uitgedoofd. Op 26 oktober 1879 werd ze opnieuw ingericht. In die tijd zonder radio en tv, zonder voetbal en wedrennen, zonder veel plezierreizen, met lage lonen en veel armoede, genoten de plaatselijke feesten veel aantrek. Ook als men het geld niet kon laten rollen, kon men daar immers zijn ogen de kost geven. Abaliekermis was misschien wel de eerste, maar niet de enige wijkkermis. Sint-Jansveld, Sint-Job, stationskermis, tramstatiekermis aan de Leuvensepoort, de buurt rond de vroegere Sint-Annakapel en wellicht nog andere, lokten publiek. Bij sommige mensen waren al deze feestelijkheden nochtans een doorn in het oog, om verschillende redenen, zoals we in volgende bijdragen behandelen.

 

347. Een doorn in het oog I

We weten niet hoe de toenmalige pastoor van de Lievevrouwparochie, P.F. Oliviers, erover dacht, maar zulk een gemengde ontspanning was reeds lang een doorn in het oog van de kerkelijke overheid. In de tijd van Jan Berchmans mochten gehuwden slechts gaan dansen na het lof en de vespers. Maar de gemengde ontmoetingen van de jeugd keurden de bisschoppen ten zeerste af. Tijdens de lange winteravonden kwamen meisjes en vrouwen samen om te spinnen. Jongens en mannen zochten het gezelschap op. Het was spinning of spinavond. Als het de waarheid vertelt, vermeldt het verslag van een visite aan de Lievevrouwkerk in 1685 dat onder pastoor P. Blieck dergelijke bijeenkomsten niet meer gebeurden. Uitgeroeid waren ze niet, want in 1697 schreven de bisschoppen een gezamenlijke brief tegen de dartele samenkomsten van jongens en meisjes in de herbergen en bij spinning. De vastenbrief van 1817 hanteerde grof geschut tegen de bals: ‘We hebben met schroom vernomen dat men danst in die vergaderingen op een dartele wijze. Dat die dansen duren tot diep in de nacht’. De pastoors moesten daarom ter gelegenheid van de kermis aan die brief blijven herinneren en preken tegen herbergiers die bals inrichten. Nog in 1828 preekte pastoor Timmermans tegen de ‘dansvergaderingen’ met carnaval.

 

348. Een doorn in het oog II

Niet alleen de kerkelijke overheid aanzag de toename van de kermissen met lede ogen aan. Ook sommige burgerkringen spaarden hun kritiek niet. Ze hadden er begrip voor dat de Abaliekermis ingericht was om wat verteer in deze wijk te brengen. De middenstanders uit deze uithoek hadden reeds vele serieuze kansen aan hun neus zien voorbijgaan: een botermarkt (1864), een varkensmarkt. Maar een wijkkermis was voor de nerigdoeners slechts een nepremedie. De gedachten van de burgerstand gingen ook naar de gewone man die hier zijn zuur verdiende centjes verspilde, terwijl de winter voor de deur stond. Dan viel het werk stil. Van uitkeringen bij werkloosheid was nog geen sprake. Er zou dan weer geschooid moeten worden. Nu werd men op Abaliekermis niet altijd armer. Men kon mededingen naar de prijzen op de volksspelen en er een ham, een kiel, een broek, een vest, wat geld wegkapen, als men handig was of niet vies van bepaalde opdrachten. Volksspelen waren soms weinig verheffend, bijvoorbeeld stroop likken, pap en mosterd eten, iets in een zak met bloem zoeken. Niet iedereen leende zich daartoe. Maar zover onze bronnen reiken, bleef alles nog binnen de perken in de Schaffensestraat. ‘Er heerste een echte feestvreugde, op zijn Bruegels’, herinnert iemand zich nog.

 

349. Volksspelen I

Natuurlijk ontbrak het mastklimmen niet op 26 oktober 1879. Als men de met bruine zeep ingesmeerde paal had beklommen, kon men op de top een prijs afhaken. Bij kuipjerijden stond de kamper op een handkar en moest hij met een stok een kuip met water doen kantelen die over de straat hing. Bij het kikvors voeren moest men op een kruiwagen een paar kikkers naar de eindstreep kruien. Bij een ander spel moest de vrouw de man kruien. Elders een varken bij de staart pakken, zaklopen, pap eten, touwtje springen. Inschrijven kon in ‘De Molensteen’. Op ‘De grote Draai’ naar de Antwerpsestraat en de Schaffensepoort stond een kiosk, met Bengaals vuur verlicht. Andere gegadigden kwamen om het bal in ‘De Laatste Stuiver’ en ‘Het Christusoog’. In oktober 1880 organiseerden de inrichters een groot festival. De Abalie was feestelijk verlicht. Toen kruiste de Demer nog aan de Ezeldijkmolen; de Verversgracht deed dat naast ‘De Rode Leeuw’. Dan was er nog een half uitgedroogde beek, waar later het tramspoor zou lopen. Met al dat water leek de buurt een klein Venetië. Er kwam dan ook feeëriek Venetiaans feest op de Demer, naast de oude ingrediënten: volksspelen, bal, vuurwerk.

 

350. Volksspelen II

Over sommige Abaliekermissen vóór 1900 beschikken we niet over gegevens. Voor 1891 noteren we als nieuwigheden: eieren kloppen, paling eten, duel met de spuit, pap en mosterd eten. In augustus 1892: wit en zwart, appel bijten, aardappelen rapen, dansen met het koddigste kostuum. In september 1893 stond onder andere paling bijten op het programma. Na de eeuwwisseling werden fietsen ook betaalbaar voor de gewone man. Ze inspireerden tot nieuwe attracties zoals in 1908: langzaam rijden en eieren rijden. Bij dit laatste moest men met het voorwiel de eieren ontwijken en met het achterwiel er zoveel mogelijk verbrijzelen. Een andere keer was het ringsteken. Hier moest de fietser zoveel mogelijk ringen op een biljartstok rijgen. Festivals, optochten met muziek vrolijkten de feesten op. In de naaste buurt ontbrak het niet aan brouwerijen: de Brouwketel, het Hoefijzer, de Zwaan, de Rode Leeuw. De brouwers schonken een vat bier, dat midden op de straat werd leeggedronken.

 

351. De Abalie I

In deze reeks zal een woordje over de Schaffensestraat niet misstaan. Vele Diestenaars aanzagen haar als de belangrijkste van de stad. Vele handelaars en caféhouders verdienden er hun brood met passanten naar het station, Beringen en Limburg. We vernoemen hier slechts enkele namen die op de voorgrond traden bij kermissen en wijkkermis gedurende het laatste kwart van de 19de eeuw. Daar uithangborden wel eens wisselen, zullen ze nooit allemaal tegelijk in de straat gehangen hebben. In ‘De Mortier’ op de hoek van de Langesteenweg en de Abalie verkochten ze verse mosselen. Daar schuins tegenover was het gewezen lokaal van de Christusogen. In 1879 was het een herberg met een grote bovenzaal voor toneel, vergaderingen en bals. In 1902 lokte de uitbater vele nieuwsgierigen met een grote fonograaf die romances en liederen speelde. De meeste Diestenaars hadden dat nog nooit gehoord of gezien. De ‘Rode Leeuw’ was vroeger de brouwerij en stokerij Peeters-Mathijs; later een herberg waar de kleine kruisboog vergaderde.

   

352. De Abalie II

Met kermis prees ‘De Molensteen’ zijn fijne hesp en vlaai aan. De afspanning ‘De Ster’ beschikte over een kegelbaan. Ook de handboogschutters waren er welkom. Later voerde ze reclame met haar fijn onderhouden lusthof. Rond 1900 kom men er als in de opkomende melksalons van de grote steden dagelijks verse melk consumeren tegen 10 centiem het glas. Daarnaast baatte de baas nog een kolenhandel uit. Hoe populair boogschutterij toen was, bewijst “De Lommer”, waar men nog een derde variant kon beoefenen: de bolboog. In de Schaffensestraat hoefde niemand in de 19de eeuw dorst te lijden. Naast de reeds geciteerde ondernemingen kon men ook terecht in ‘Klein Beringen’, ‘De Bonte Koei’, na vernieuwing ‘De Nieuwe Koei’, ‘De Klok’, ‘De Laatste Stuiver’, met zijn kegelbaan, ‘Le Grand Café’, met zijn uitheems bier. En er ontglippen ons zeker nog de namen van andere.

 

353. De praalstoet van de Lievevrouwparochie

In de jaren tachtig van de 19de eeuw lokten meerdere stoeten de kijklustigen naar Diest. We reppen dan niet over carnavalsoptochten, intredes van de bisschop of de stoeten van 1880, toen België 50 jaar bestond, en 1888, bij de heiligverklaring van Berchmans. De Lievevrouwkerk meende in 1889 ook niet ten achter te mogen blijven. Aanleiding was dat de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten in de parochie 250 jaar bestond. Toen de pest in 1634 Diest in rouw dompelde, zochten de mensen troost bij de beproefde Moeder. Haar ter ere werden er in de buurt van de Lievevrouwkerk zeven kapelletjes gebouwd (zie nrs. 34 tot 37). Men kon zich ook laten inschrijven in een broederschap (1637). In 1692 blies pastoor Sallaerts deze vereniging nieuw leven in. Het was de tijd dat Diest door bloeddiaree geteisterd werd. Dat jaar startte ook de processie langs de kapelletjes elke vierde zondag na het lof. Tijdens het Frans bestuur kwam de nood weer aan de man. Alle kerken waren gesloten, maar de mensen bleven biddend ‘de weg langs de kapelletjes gaan’, zoals men in Diest zegde.

 

354. De broederschap

In 1857 verscheen bij drukker Ad. Havermans een brochure met de lange titel: ‘Het koninklijk en miraculeus broederschap van O.-L.-Vrouw der zeven weeën opgeregt in de parochiale kerk van Onze-Lieve-Vrouw te Diest in het jaar 1637 en nu wederom vernieuwd en goedgekeurd door Zijne Eminentie de Kardinaal Aartsbisschop van Mechelen de 31 maart 1857’. Het boekje beschreef de voordelen van het lidmaatschap: aflaten, een jaarlijkse plechtige mis, het lof van de doodstrijd ’s maandags. Ook het reglement: een man moest jaarlijks 1 frank bijdrage betalen, een vrouw 0,5 frank. Men vond er ook vele gebeden tot O.-L.-Vrouw van zeven weeën, onder andere een speciale rozenkrans van 49 weesgegroeten. Dan dacht men bij elk droevig moment uit het leven van Maria even na en bad vervolgens zeven weesgegroeten.

 

355. De viering

De jubelviering van de Lievevrouwparochie kwam rijkelijk laat, want eigenlijk had ze in 1887 moeten gebeuren. Maar de Berchmansfeesten slorpten toen elke aandacht op. Uitstel werd echter geen afstel. De parochie vierde de moeder van smarten acht dagen lang van 15 tot 22 september 1889. Op 15 september kwam iedereen luisteren naar pater Bloete, de bekende volkspredikant met zijn forse stem, goede uitspraak en treffende vergelijkingen. De redemptorist lokte zo reeds volk, want men kende hem als een vroegere onderpastoor van Sint-Sulpitius. Tijdens het jubileumoctaaf zat de kerk iedere morgen en avond vol. Koster Mathijs had alles mooi versierd. De praalstoet ging tweemaal uit, op 15 en 22 september na het lof. Hij volgde de Overstraat, Nieuwstraat (nu G. Gezellestraat), Wolvenstraat, Botermarkt, Markt en Langesteenweg. Aan de optocht namen wel geen wagens, ruiters en ambachten deel zoals bij de Berchmansstoet. Alles werd door kinderen uitgebeeld in prachtige kostuums.

 

356. De stoet

In het eerste deel beeldden groepen de zeven smarten van Maria uit. In het tweede deel stapten bekende personen op, die een grote verering hadden gekoesterd voor de bedroefde moeder van Jezus: de apostel Johannes, de heilige koning Lodewijk met zijn gevolg, keizer Maximiliaan en Karel V, Albrecht en Isabella, edellieden en gewone mensen. De volgende afdeling bracht hulde aan het beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Het werd gevolgd door een hele schaar van vereerders. Niet te vergeten een groep Servieten, de Dienaars van Maria, een Italiaanse bedelorde (gesticht in 1233), die in Maria inspiratie vonden voor hun geestelijk leven en sociale activiteit. Hun zeven stichters waren pas in 1888 heilig verklaard. Nooit heeft Diest zoveel pausen, kardinalen, bisschoppen en priesters bij elkaar gezien. Jan Berchmans ontbrak natuurlijk niet op het appel. Hij had trouwens deze piëta echt vereerd in de Lievevrouwkerk, toen hij bij de pastoor inwoonde.

 

357. Een oordeel

Toeschouwers oordeelden dat de optocht niet moest onderdoen voor zijn voorgangers. Er heerste vooral veel orde. Dat alles zo geslaagd was, dankte men onder meer aan het organisatietalent van E.H. S. Van Winkel, de oprichter van een papierverwerkende nijverheid in de Refugiestraat en van het eerste jongenspatronaat in Diest (1890). Hijzelf schreef het succes toe aan de goede medewerking. Daardoor kon op zo korte tijd met zo weinig middelen een stoet in elkaar gestoken worden, waarover iedereen tevreden was. Als nasleep van de jubileumfeesten opperden sommigen de gedachte de vier ontbrekende kapelletjes weer op te bouwen. Maar de restauratie van de bouwvallige Lievevrouwkerk zelf eiste op dat ogenblik reeds te grote financiële offers.

 

358. Een nieuw glasraam I

Grote vensters zoals die in de dwarsbeuk van de Lievevrouwkerk hebben veel te lijden onder de wind. De glazenmaker moest ze bijna ieder jaar wat herstellen. Vooral het netwerk van het zuidelijke raam verkeerde in allerslechtste staat en dreigde bij een hevige windstoot te bezwijken. In 1886 besloot pastoor Oliviers een nieuw raam te plaatsen. Architect Van Arenbergh tekende het plan; de commissie van monumenten keurde het goed. De uitvoering werd aan de bekende firma Stalins en Janssens te Antwerpen toevertrouwd. Het werk beeldt grote promotors af van het geloofspunt van de onbevlekte ontvangenis van Maria. Dit betekent dat ze door de verdienste van Christus behoed bleef voor de zonde (zie nr. 231). In het midden staat Pius IX, die dit dogma proclameerde in 1854. Rechts Franciscus van Sales, die al zijn krachten inzette voor het herstel van het katholieke geloof in de omgeving van Genève. In merkwaardige geschriften als ‘Inleiding tot het devote leven’, betoogde hij dat ook gewone mensen een dieper godsdienstig leven kunnen leiden, maar dan aangepast aan hun levensomstandigheden.

 

359. Het nieuwe glasraam II

Franciscus van Sales was de naamheilige van pastoor Oliviers, die het raam bekostigde. De linkse heilige herkent iedere Diestenaar. Jan Berchmans had plechtig beloofd de onbevlekte ontvangenis van Maria altijd te verdedigen. Onder iedere persoon staat een wapen: dat van Pius IX, van Genève en Diest. Het roosvenster bovenaan verbeeldt het Lam Gods, omringd door engelen. Onderaan staan twee teksten. Links het jaartalvers: ‘Parochus Petrus Franciscus Oliviers donis Mariae erexit’ (= 1886; ‘Pastoor P. Fr. Oliviers heeft het met giften opgericht voor Maria’). Rechts: ‘Stalins et Janssens me fecerunt’ (‘Stalins en Janssens hebben me gemaakt’). Over deze glazeniers handelen we in een volgende bijdrage. Het raam kostte 2500 frank. De overheid moest hiervoor geen cent bijdragen. Het werk paste uitstekend bij de grot van Lourdes (1877), waar Maria zich aan Bernadette voorstelt als: ‘Ik ben de onbevlekte ontvangenis’.

 

360. Stalins-Janssens

Dank zij de medewerking van de Antwerpenaars M. Gruyaert, G. Molders en A. Van Spilbeeck hebben we meer gegevens over de glazeniers August Stalins en zijn medewerker Alfons Janssens kunnen achterhalen. Stalins studeerde aan de academie van Antwerpen en bekwaamde zich bij meerdere Engelse glazeniers. In 1863 stichtte hij een atelier, waar hij in het begin tevens het beroep van fotograaf uitoefende. Vanaf 1865 begon de samenwerking met Alfons Janssens. Ze genoten een groeiende bekendheid. Hun atelier werd het grootste van de provincie Antwerpen. De zoon van August Stalins, Augustijn, volgde hem in 1906 op. In 1923 ging de werkplaats echter over in andere handen en verdween de handelsnaam.

 

361. Een gewaardeerde firma

Het atelier Stalins-Janssens leverde glasramen aan honderden kerken, vooral in de provincies Antwerpen en Brabant. Ook uit het buitenland kwamen bestellingen. Het behaalde gouden medailles op tentoonstellingen in Antwerpen, Brussel, Luik, Parijs. Maar ook particulieren smukten graag hun woning op met profane voorstellingen van deze glazeniers. Toch lag hun werkterrein vooral in kerkelijke kunst. Ze kregen opdrachten voor de kathedraal van Antwerpen, de kerken van St.-Dymphna in Geel, St.-Leonardus in Zoutleeuw, de abdij van Tongerlo en nog zoveel andere plaatsen. In Diest leverde het atelier in 1894 ook de glasramen voor de kruisherenkerk, voorstellende het H. Hart en de H. Odilia. Maar vooral voor de Lievevrouwkerk waren de kunstenaars in Diest bedrijvig. De geschilderde ramen die ze voor het koor leverden, zullen weinigen nu bekijken, omdat men daar nooit komt. De mis wordt nu meer naar voren opgedragen. Maar vroeger gebeurden alle plechtigheden aan het hoofdaltaar. Het hoogkoor was toen echt de belangrijkste ruimte in de kerk. In 1891, toen de parochie zich weer gebrandschilderde ramen kon permitteren, kregen deze plaats dus de voorrang. Voor de vensters in het schip was de kerk pas na de Tweede Wereldoorlog bij kas.

 

362. De ramen van het koor I

Links is het bovenste venster aan het heilige gezin van Nazaret gewijd. Het glasraam daaronder vertoont de H. Alfons, de stichter van de redemptoristen en een groot moraaltheoloog. Naast hem St.-Norbertus, de stichter van de witheren, die vroeger de Lievevrouwkerk bedienden. De monstrans in zijn hand herinnert er ons aan dat hij het H. Sacrament tegen de ketters verdedigde. De ketter Tanchelm ligt als een dwerg aan zijn voeten. Het bovenste raam rechts eert de patroonheiligen van het echtpaar dat dit venster voor zijn rekening nam: Isidoor en Philomena Verheyden-Spinau. De heilige Isidoor van Madrid was een modelhoeveknecht, een noeste werker en een devoot christen. De landbouwers kozen hem als beschermheilige. Over St.-Philomena is minder bekend. In 1802 vond men in een Romeinse catacombe beenderen, een flesje met bloed, wat erop wees dat het om een martelares ging, en drie stukken grafsteen die men bijeenpuzzelde als ‘Philomena’. Deze verder onbekende martelares werd in de 19de eeuw zeer populair onder impuls van de heilige pastoor van Ars.

 

363. De ramen van het koor II

De figuren van het onderste venster rechts zijn ten zeerste verbonden met de eucharistie: Juliana van Cornillon bij Luik en Thomas van Aquino. De H. Juliana draagt een monstrans. Ze blonk uit door een grote devotie tot de eucharistie. Ze wist haar bisschop te overhalen een jaarlijks feest in te richten voor de verering van het H. Sacrament (1246). Paus Urbanus IV, die vroeger bedrijvig was geweest in het bisdom Luik, breidde de viering van Sacramentsdag tot de hele Kerk uit in 1264. De grote godgeleerde Thomas van Aquino schreef prachtige Latijnse hymnen voor dit feest. Een schijf met stralen op zijn borst betekent dat hij met zijn werken de Kerk verlichtte. Al deze ramen kostten samen 2200 frank. Onder het venster van Alfonsus en Norbertus herinnert de afkorting P.F.O.P.B.M.V. aan pastoor Oliviers (‘Petrus Franciscus Oliviers pastor Beatae Mariae Virginis’).

 

364. Hun mooiste raam

In 1897 moest de noordelijke dwarsbeuk dringend hersteld worden. Ook dat grote venster schreeuwde om een gebrandschilderd raam. Deze arm van de kruisbeuk was het domein van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën, die toen in de Lievevrouwkerk een grote verering genoot (zie nrs. 354 tot 357). Het nieuwe werk van de firma Stalins-Janssens zou dus aan die zeven pijnlijke momenten uit het leven van Maria gewijd zijn. In 1898 verleende de commissie van monumenten haar toestemming tot het project. Ze eiste wel dat dit met medaillons zou gebeuren en niet met grote figuren zoals in de zuidelijke dwarsbeuk. De kunstenaars werkten dus in de stijl van Chartres, zoals ze trouwens reeds elders hadden gedaan. We gaan die bekende lijdenstaferelen niet opnieuw beschrijven (zie nr. 34). Maar wie heeft al ooit rond het roosvenster bovenaan de volgende tekst kunnen ontcijferen? ‘Humiliavit se metipsum, factus oboediens usque ad mortem, mortem autem crucis’ (‘Hij heeft zichzelf vernederd, onderdanig geworden tot de dood en nog wel tot de kruisdood’). Het is een citaat uit de bekende Christushymne in de brief van Paulus aan de Filippenzen (Fil 2, 8). De glazeniers vroegen voor dit raam 3000 frank. Het is zeker hun best geslaagde werk in de Lievevrouwkerk. Het onderschrift onderaan brengt de milde schenkers in herinnering: ‘Me dedit I. Verheyden-Spinau 1898’.

 

365. Herstellingen zonder einde I

Op 1 juli 1891 richtte een hevig onweer met hagel een ware ravage aan de Diestse daken aan. Ook dat van de Lievevrouwkerk bleef niet gespaard. De dikke hagelstenen verbrijzelden vele leien. Op meerdere plaatsen doorboorden ze zelfs de planken waarop de schalies vastgenageld waren. Het water drong door de gewelven tot in de kerk. Het kerkbestuur moest flink zijn spaarpot aanspreken om dit alles te verhelpen. In 1894 tekende de Leuvense architect P. Langerock een algemeen plan voor het volledige herstel van de kerk. Hij raamde het op 230.500 frank. Bedenk dat een arbeider toen hooguit 3 à 4 frank dagloon trok. De ontwerper zag het groots: een toren van 65 m, een zijbeuk met portaal. In het transept wou hij de schatkamer weer in een kapel veranderen zoals eertijds (zie nr. 12). Paul Langerock was dan ook niet de eerste de beste. Hij mocht het eerste ontwerp maken voor de H.-Hartbasiliek van Koekelberg, een groot neogotisch gebouw (1905). Het was bedoeld als een nationaal prestigemonument, waartoe de gelovigen van heel het land zouden bijdragen uit erkentelijkheid jegens het H. Hart. Van dat gebouw waren slechts de fundamenten af, toen de Eerste Wereldoorlog alles stillegde. Na de oorlog maakte een andere architect een nieuw plan voor de huidige basiliek.

 

366. Herstellingen zonder einde II

Het gemeentebestuur was er niet happig op om Langerocks prestigieuze project voor de Lievevrouwkerk te steunen. Op vraag van de commissie van monumenten maakte de architect in 1897 dus een ander plan op voor de dringendste restauratiewerken. Ze betroffen de noordelijke kruisbeuk met de schatkamer en het magazijn. Hiervan werden de kosten op 23.939 frank geschat. Hiervoor zouden de stad, de provincie en het ministerie wel mee betalen. Het werk startte in april 1897, maar lag reeds stil in juli 1898, bij gebrek aan ijzerzandsteen. Toen dachten ze eraan voor de minst opvallende delen dan maar Franse roze zandsteen te gebruiken. Maar de commissie wees dit voorstel af. De aannemer bleef voort zoeken en vond ten slotte een groeve die geen te buitensporige prijs vroeg. Alhoewel er dan hier en daar in de uitvoering gesnoeid werd, moest de kerkfabriek toch nog heel wat toeleggen. Het werk sleepte aan tot in 1902. Op 4 december 1921 teisterde een onweer opnieuw het dak van de kerk en rukte de bedekking van een steunbeer af. Weer deden de kerkmeesters een beroep op Langerock. Deze overleed echter in 1924 en mocht zelfs het begin van het herstel niet meer beleven.

 

367. Goedkoop? I

In vorige bijdragen hebben we het atelier Stalins-Janssens het glasraam aan de grot laten plaatsen voor 2500 frank (1886). Weldoeners bezorgden de vensters in het koor voor 2200 frank (1891) en dat in de noorderdwarsbeuk tegen 3000 frank (1898). In dezelfde periode raamde men het volledige herstel van de Lievevrouwkerk volgens het ambitieuze plan-Langerock op 230.500 frank. Wie nu nog redeneert in oude Belgische franken, zal dat geen geweldige bedragen vinden, maar het gaat om prijzen uit de zogeheten goede oude tijd. In 1899 kon men in ‘De Grauwe Gans’ middagmalen vanaf 1,25 frank. Bij Holemans kocht men een dozijn Zeeuwse oesters voor 20 centiem. Een kilo ossenvlees van eerste kwaliteit kostte 1,50 frank. In 1903 wilde de regering het alcoholverbruik wat afremmen en sloeg ze de accijnzen op sterke dranken met de helft op. Met de meerinkomsten wilde ze de staatsschuld wat delgen en meer mensen laten genieten van een arbeiderspensioen. Na de nieuwe wet betaalde men voor een borrel 10 centiem. Een fles jenever in een goedkopere winkel kostte na de opslag 1,15 frank. Voor 40 centiem had men een fles geuzelambiek.

 

368. Goedkoop? II

Wilde men een zoet mondje halen, dan vond men in een goedkopere winkel (er waren nog geen warenhuizen) een plak chocolade vanaf 0,35 frank. Het aardse paradijs! Of toch niet? Een arbeiderswoning in de Bruidstraat kon men huren tegen 1,6 frank wekelijks. Ineens een maandhuur betalen ging voor velen niet. Hoe zou men 6,4 frank bijeenkrijgen als er zoveel noodzakelijke en verlokkende dingen te koop waren? Een weduwe ging uit naaien voor een dagloon van 0,60 frank. Het ongezonde Vieille Montagne in Balen zocht arbeiders uit de streek van Diest. Ze zouden er dagelijks 3,5 frank verdienen. Seizoenarbeiders die in Chimay wilden hooien, kregen 4 frank aangeboden, plus de reiskosten. Grondwerkers voor de aanleg van een spoorlijn in Wallonië verdienden 40 à 45 centiem per uur. Men kan uitrekenen hoeveel er na een dag van tien, twaalf of meer uren labeur in hun loonzakje stak. Rond Charleroi vroegen ze werklieden met vier jongens. De kinderen zouden 1,25 tot 1,5 frank krijgen als dagloon. Zou de best betaalde werkman de bevlieging hebben gekregen om aan de Lievevrouwkerk een gebrandschilderd raam te schenken, dan kwam hij met een paar jaar zwoegen nog niet toe om het goedkoopste te betalen. Het aardse paradijs?

 

369. Muziek in Diest I

In de bijdragen 43 tot 47 hebben we de muziek in de Lievevrouwkerk behandeld tot aan de Franse revolutie. In volgende afleveringen schetsen we dit wezenlijke deel van de kerkdiensten tot aan de Eerste Wereldoorlog. We doen dit in een breder kader. Vroeger, toen we nog niet verwend waren door platen, cd’s of radio, was een muziekuitvoering een evenement. Was het omdat de muziek de zeden verzacht? Onze vroede vaderen hechtten er eertijds zeer veel belang aan. We geven daarvan enkele voorbeelden. Diest veroorloofde zich een goede beiaard. De beiaardier luisterde markt- en feestdagen op. Een feest was toen nooit ver uit de buurt. Heiligen, overwinningen, activiteiten van schuttersgilden en toneelgezelschappen, het bezoek van de eigen heer of van een ander hoog personage zoals keizer Karel of de bisschop, waren gelegenheden tot feesten. Dagelijks speelde het automatische klokkenspel een deuntje voor de halve en de hele uurslag. En om de drie maand werden deze wijsjes veranderd!

 

370. Muziek in Diest II

Het Diestse stadsbestuur beschouwde de Sulpitiuskerk enigszins als het uithangbord van de stad. Zang en begeleiding mochten daar niet afsteken tegen andere gemeenten. Daarom bezoldigde het bestuur daar een zangmeester. Die werd zorgvuldig uitgekozen, soms na advertenties in de krant en een wedstrijd. De man moest het vioolspel verzorgen en vier koorzangers, volwassenen of knapen, opleiden. Zij moesten het koorofficie van de kanunniken opfleuren. Bij feestelijke gelegenheden zongen ze meerstemmig. De koralen droegen een rode toog, een wit koorhemd en een bonnet zoals de geestelijken. Het oog moest ook iets hebben! Velen van deze zangmeesters componeerden, zoals de di Martinelli’s, F. Procureur, J.B. Vandervliet. De stad betaalde ook de organist van St.-Sulpitius en de orgelblazer, een onmisbaar iemand vóór de huidige automatisering. De kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw vroegen of hun organist, Aart Wiggers, ook een gage kon krijgen en vrijstelling van soldateninkwartiering, zoals zijn collega van Sint-Sulpitius (1639). Afgewezen! De St.-Jan Baptistkerk telde toen ook nog mee. Daar kreeg de orgelspeler vrijdom van verbruiksbelasting van zes amen bier (1531).

 

371. Muziek in Diest III

De schoolmeester moest ervoor zorgen dat de zang in de twee kapittelkerken, St.-Sulpitius en St.-Jan, ordentelijk verliep. Daarom moest hij de scholieren die daar de diensten bijwoonden, leren zingen of dat door iemand laten doen. De jongens moesten bij de beurtzang de antwoorden aankunnen. Maar ook die van de Lievevrouwkerk moesten daartoe in staat zijn. Zijn leerlingen die in het Persoonscollege op de Overstraat verbleven, hielpen de zang in deze kerk verzorgen in het lof op zondag en donderdag. Als er een begrafenis was in het gasthuis, kwamen vier zangers van de grote kerk over, bijgestaan door drie schooljongens, die daarvoor drie stuivers ontvingen. Daarvoor moest een metselaarsknecht in die tijd van Albrecht en Isabella bijna een halve dag zwoegen (hij ontving vier stuivers per halve dag). In de St.-Sulpitiuskerk had iemand een speciale rente gesticht om door het kapittel ‘Inviolata’ te laten zingen, een loflied op Maria de onbevlekte. Alhoewel er nog geen fanfare of harmonie bestond, kon men zich geen processie indenken zonder speellieden, al waren het maar twee fluitspelers of drie muzikanten. In 1773 vergezelden Duitse muzikanten de juliprocessie van St.-Sulpitius. Maar ook in de processie van de Wijngaardkapel en in de bidtocht van de Lievevrouwparochie ontbrak de muziek niet. Keizer Jozef II zou echter verklede groepen, beelden en muziek uit deze vrome optochten bannen (1786).

 

372. Muziek buiten de kerk

Dat de zang en de muziek in de kerken bloeiden, was ten dele omdat de mensen graag muziek hoorden. Enkele voorbeelden. Als de leerlingen van het stadscollege of ‘De Lelie’ of de ‘Christusogen’ toneel opvoerden in de halle, vrolijkten speellieden dikwijls het feest op: een cellist, violisten of trompettisten. De fameuze schepenmaaltijd (zie nr. 335) werd verlevendigd door vier violisten en een bas. Er kwam ook een dansmeester aan te pas. Het ging er daar soms zo vrolijk aan toe dat de twee politieagenten, die er de orde moesten handhaven, in een bepaald jaar hun helm kwijt geraakten. Rond die tijd beschikte Diest over een academie musicaal, zoals de speellieden trots in de rekeningen heten (1718). Ook als de schutters en de rederijkers goede sier maakten, ontbrak de muziek niet. Nog een laatste staaltje: toen Diest in 1746 zestien rekruten voor de Franse koning moest leveren, kregen de vrijwilligers (?) goede kost en brandewijn. Om hen nog meer op te monteren, speelden enkele violisten en een bas. Voor alle zekerheid werden de kandidaten toch bewaakt, opdat ze er niet vandoor zouden muizen zonder een contract te tekenen.

 

373. Muziek na de Franse revolutie

De scheiding tussen Kerk en staat na de Franse revolutie schiep andere toestanden voor de kerkmuziek. De stad voelde zich niet meer geroepen om deze muziek te financieren. Toch bleef ze nog een tijdje het muzikale gebeuren in St.-Sulpitius als een soort van reclamebord, een kwaliteitslabel, voor Diest beschouwen. Het gemeentebestuur stelde er prijs op dat die kerk over een goede organist kon beschikken. Daarom gaf het ondersteuning, want de kerkmeesters konden hem maar een karig loon aanbieden (1841). Op dat ogenblik had Jacobus Nicolaas Lemmens, die later wereldfaam zou genieten, er zijn ontslag aangeboden, om zich verder te bekwamen aan het conservatorium in Brussel. De gemeenteraad oordeelde, om het met hun woorden te zeggen: ‘De beoefening van de muziekkunst zet een soort van zoetigheid en glans bij aan de samenleving’. Daarom hechtten ze veel belang aan muziekonderricht. Ze subsidieerden de muziekverenigingen en koren. Sommige raadsleden vonden echter dat Diest te veel uitgaf voor deze kunst. Al durfden ze niet zover gaan als koning Leopold II, die het een duur lawaai noemde. Andere collega’s deelden dit standpunt echter niet. Hun opvatting was dat muziek een hoofdbestanddeel van de beschaving is.

 

374. Muziek in de Lievevrouwkerk I

De voorafgaande stukjes hebben opgeroepen welk groot belang Diest aan muziek hechtte. Die goede ontvangst vond de muziek ook in de Lievevrouwkerk. Hoewel de financiële toestand van deze kerk na de instorting van 1830 niet zo denderend was, vonden de pastoors en de kerkfabriek nog steeds wat geld om de eredienst meer luister bij te zetten. Sinds 2 januari 1798 waren alle Diestse kerken door toedoen van de Fransen gesloten geweest. Onder Napoleon herbegon de eredienst op 18 juli 1802. Voor die prille jaren vinden we van 1804 tot 1809 als organist Johan Kenes vermeld. Bij zijn begrafenis rekenden de kerkmeesters geen onkosten aan, misschien uit erkentelijkheid, mogelijk ook omdat hij arm was. Behoeftigen kregen altijd een kosteloze begrafenis. Felix Vostes volgde hem op tot aan zijn dood in 1853. Voor 1816 vermelden de kerkrekeningen dat de zangers en de muzikanten van Sint-Cecilia naar goede oude gewoonte een traktatie: een halve ton bier van 7 gulden. Het koor van de Lievevrouwparochie werd dus ook ondersteund door instrumenten.

 

375. Muziek in de Lievevrouwkerk II

In 1835 collecteerde men om muziekinstrumenten te kopen. Na Felix Vostes bespeelde Jozef Immers het orgel tot in 1858; hij was tevens stadsbeiaardier. Vanaf 1840 veroorloofde de kerk zich ook een muziekmeester, die het koor opleidde. De heer Dupont was leraar aan de stedelijke muziekschool en dirigeerde het oudste Diestse koor, ‘L’Écho du Demer’, waarmee hij onder meer stukken van zijn beroemde Duitse tijdgenoot, F. Mendelssohn, uitvoerde. Zelf componeerde hij religieuze en profane liederen. Voor de kerk toonzette hij verscheidene Mariagezangen: Alma Mater, Salve Regina, Regina Coeli. Na zijn ontslag in 1849 werd hij even vervangen door ene Allart. Diens drie muzikanten, Dumolin, Kinsberg en Rinkelmeyer, werden bezoldigd. Misschien zamelde men dat jaar daarom geld in om de uitvoerders en een deel van de instrumenten te bekostigen. Vervolgens nam De Fleurquin de dirigeerstok over tot zijn benoeming tot directeur aan de muziekschool in 1857. Zeer leerrijk is de overeenkomst die de kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw met hem in 1856 sloot. Die behandelen we in de volgende bijdrage.

 

376. Muziek in de Lievevrouwkerk III

We geven hier de overeenkomst van 1856 tussen de kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw en de heer De Fleurquin: ‘Hij wordt benoemd als opperhoofd over alle muzikanten en zangers die muziek zullen uitvoeren in de hoogmis en in het lof op zon- en feestdagen. Hij moet ervoor zorgen dat er voor de uitvoering samen negen goede en bekwame spelers en zangers aanwezig zijn. Voor de zang: een voorzanger, tenor en bas. Bij de muzikanten horen een eerste en tweede viool, contrabas, een klarinet, twee hoornen. Ze moeten iedere week een uur repeteren’. Met een dergelijk ensemble kon men heel wat uitvoeren, zoals uit de nagelaten partituren blijkt. Deze muziekmeester kon hier echter niet lang dirigeren, want in 1857 werd hij directeur van de muziekschool. Muziekleraar J.J. Forrer volgde hem op in de Lievevrouwkerk. Deze was een bekwaam fluitist. Aan het orgel nam de heer Binjé tijdelijk de plaats van Jozef Immers in. Isidoor Collet volgde hem op tot in 1881. Collet doceerde eveneens aan de muziekschool. De Collets en de Forrers waren muzikale families, met meerdere leden bedrijvig in de Diestse muziekwereld.

 

377. Muziek in de Lievevrouwkerk IV

In 1870 ondertekende Lucas Forrer een rekening bij de Lievevrouwparochie als kapelmeester. Zijn zoon Gustaaf, die de cello op het oksaal bespeelde, maakte in 1883 een inventaris op van de daar aanwezige muziekstukken en instrumenten. We vernoemen enkel een Te Deum van J. Haydn, twee missen van Schubert, drie van A. Diabelli, een Ave Maria voor fluit en sopraan van Cherubini, nog een van Rossini en Schubert. In het totaal 32 missen. Of die ook uitgevoerd werden, weten we niet. Sommige zangstukken waren voor tenor en cello, andere voor tenor en hoorn, weer andere met een fluitsolo, voor fluit en sopraan, voor viool en twee sopranen, voor sopraan en trompet. Variatie genoeg! De kerk bezat ook een cello en twee contrabassen, waarvan één in niet te beste staat. De ‘Gazette van Diest’ bewaart ook enkele echo’s van de uitvoeringen. In 1884, bij het zilveren jubileum van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, schrijft ze: ‘De muziek op het oksaal stemde overeen met deze grote plechtigheid. Ze werd vertolkt door een geoefende en talrijke schaar van verdienstelijke zangers’.

 

378. Een keerpunt

Het is te begrijpen dat de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw diep in hun zak moesten tasten voor muziek van zulk een gehalte. De muziekmeester, de geschoolde zangers en instrumentalisten kregen immers een vergoeding. Kwam daar nog bij dat de instrumenten en dan vooral de contrabas geregeld aan reparatie toe waren. In 1850 betaalde pastoor Vervoort nog altijd het befaamde orgel van J.J. De la Haye van 1828 af (zie nrs. 201, 202). Nog in 1846 had de zoon van deze orgelbouwer er belangrijke stukken aan toegevoegd. Orgelbouwer Stevens uit Duffel veranderde in 1875 en 1892 gedeeltelijk het binnenwerk, om het aan de smaak van de tijd aan te passen. Anderzijds weten we uit voorgaande bijdragen dat de Lievevrouwkerk naar het einde van de 19de eeuw toe voor grote restauratiekosten stond. Er moest dus dringend bespaard worden. In 1888 besloot de kerkfabriek dan ook de muziek naar de vroegere trant af te schaffen en ze te vervangen door gregoriaanse zang. Dat zat toen in de lucht. De bisschoppen promootten het.

 

379. Het oordeel van de bisschoppen

De muziek die soms in de kerken klonk, was een doorn in het oog van de kerkelijke overheid. In 1853 vroeg kardinaal Sterckx volgende muziek uit de kerk te weren: te luidruchtige die de mensen belet te bidden, composities waar eindeloos dezelfde woorden herhaald worden, waar de officiële tekst van de liturgie veranderd of verplaatst werd, waar in Kyrie en Gloria hele stukken worden weggelaten. De kerk leek inderdaad soms meer een opera dan een bedeplaats. Het orgel en de instrumenten overstemden soms de zangers. Reeds in 1842 had de kardinaal de wens uitgedrukt over te schakelen op gregoriaans. Zijn opvolger, kardinaal Dechamps, hamerde in 1874 op hetzelfde aambeeld verder. Hij gaf als praktische wenk het gregoriaans weer in te voeren tijdens de advent, de vasten en de Goede Week en bij begrafenissen. Men moest ook beginnen met het de jeugd aan te leren. Kardinaal Goossens drukte de pastoors op het hart te starten met een gregoriaans koortje. In de vrije scholen kon de jeugd zich die zang eigen maken. De beslissing van de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw van 1888 kwam dus tegemoet aan het verlangen van de bisschoppen. Maar vooral na het schrijven van paus Pius X in 1903 kon niemand zich daaraan nog onttrekken.

 

380. De wens van Pius X

Op 22 november 1903 publiceerde Pius X een schrijven over het herstel van de kerkmuziek in overeenstemming met de oude tradities van de Kerk. Hij beschouwde het gregoriaans, dat door de opzoekingen van de abdij van Solesmes in zijn oorspronkelijke gaafheid was hersteld, als het volmaaktste voorbeeld van gewijde muziek. Kerkmuziek moest immers helpen bidden. Natuurlijk bleven de woorden van de zang het belangrijkste element, maar de melodie die ze begeleidde kon ze beter doen begrijpen en gevoelens van aanbidding, berouw, ernst en blijdschap opwekken. Dit schrijven lag geheel in de lijn van de paus, die de godsdienstige geest wilde hernieuwen en versterken, bijvoorbeeld door de kindercommunie te vervroegen. Zelf had hij vroeger dicht bij de mensen gestaan als kapelaan en pastoor. Het was daarom zijn droom dat de mensen in de kerk de gewone zangen van de mis, zoals Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei, zouden meezingen. Kardinaal Mercier legde daarom op dat de colleges en vrije scholen het gregoriaans aan hun leerlingen zouden aanleren en een ‘schola cantorum’, een koor van geoefende zangers, zouden oprichten om de meer ingewikkelde kerkzangen uit te voeren, zoals er een in het seminarie van Mechelen bestond.

 

381. De nieuwe zang I

De stem van paus en bisschoppen vond ook in Diest weerklank. Geregeld pleitte de ‘Gazette van Diest’ voor het herstel van de oude kerkzang. En ze sprak niet voor dovemansoren. In 1892 werd Karel Verboven, een bestuurslid van de Broedermin, dat een voorloper was van het christelijk ziekenfonds in Diest, in de Lievevrouwkerk begraven. Het Sint-Jozefspatronaat was aanwezig. De jongens zongen er de kerkelijke zangen. Over dit omstreden patronaat zullen we nog spreken. In 1898 was A. Collet zangmeester en organist. Muziekleraar Adolf Hermans volgde hem in 1908 op. Hij dirigeerde ook fanfares en koren. In die tijd kon men in Diest nog 200 zangers en spelers bijeenkrijgen om een cantate uit te voeren. Hermans componeerde onder meer de mars voor de turners van het Sint-Jan-Berchmanspatronaat, dat de parochiepriesters in 1905 gesticht hadden, en een cantate voor de Sint-Ceciliafanfare bij haar zestigjarig bestaan. Bij het gouden priesterjubileum van pastoor Oliviers in 1907 zong het koor van de Lievevrouwparochie de meerstemmige mis ‘In nomine Jesu’ van Jos Vrancken.

 

382. De nieuwe zang II

In 1907 had de kardinaal geschreven: ‘Weldra zal in al onze kerken de strelende stem van kinderen zich vermengen met de forse en kranige stem van onze huisvaders’. In 1908 probeerden ze dat in Sint-Sulpitius. Het vond er meer en meer bijval. Toen bij de Berchmansfeesten van 1913 de studenten en leerlingen op maandag 11 augustus op bedevaart kwamen, werd er op de Graanmarkt een plechtige mis in open lucht opgedragen. De massa zong de Engelenmis, de Mechelse seminaristen verzorgden het moeilijker eigene van de mis. Tijdgenoten vertelden dat men de zang tot een kilometer ver kon horen. In mei 1912 werd Ernest Vandevelde tot pastoor van de Lievevrouwparochie benoemd. Bij zijn inhaling zongen de aanwezigen samen het Veni Creator en een kinderkoor sloot met het loflied Regina Coeli de plechtigheid af. Deze pastoor zou de muziek in de Lievevrouwkerk krachtig stimuleren en hij vond daarbij de onmisbare steun van de zangertjes van de nieuwe broederschool (zie nr. 320). Het resultaat van hun samenwerking behandelen we in een volgend stukje.

 

383. De nieuwe zang III

Bij de eremis van E.H. Reymen in 1912 voerde de schola cantorum van Onze-Lieve-Vrouw de vierstemmige mis van Haller uit en het bekende Panis Angelicus van C. Franck. Bij de gedurige aanbidding dat jaar verzorgden de koorknapen reeds de vespers. Met Allerheiligen zongen ze samen met de congreganisten vespers en completen en het Miserere van Allegri, het glansstuk van de Sixtijnse kapel. Met Pasen 1913 waagden ze zich onder het lof aan een Tantum Ergo van Beethoven en een vierstemmig loflied op Sint-Jozef van Gounod. Pastoor Vandevelde schreef in een register het programma uit dat bepaalde welke gregoriaanse mis of gezangen voor het lof iedere dag uitgevoerd zouden worden. Hierbij hoorden missen van onder meer Mozart, Gounod, Perosi en Mercadante, om slechts de voornaamste te noemen.

 

384. Jeugdwerk I

In de 19de eeuw verdienden arbeiders niet genoeg om hun gezin te onderhouden; de kinderen moesten mee gaan verdienen. Pas in 1889 bepaalde een wet dat ze meer dan twaalf moesten zijn, vóór ze in de industrie tewerkgesteld mochten worden. Jongens beneden de zestien en meisjes beneden de eenentwintig mochten maar twaalf uur per dag werken. Voeg daarbij dat schoolbezoek tot twaalf jaar pas in 1914 verplicht werd. Arbeiderskinderen gingen dus uit werken zodra ze lichamelijk sterk genoeg waren. Het gevaar dat ze zo onderontwikkeld bleven, was dus niet denkbeeldig. Daarom schiepen het stadsbestuur en de kerkelijke overheid voor hen aanvullende kansen tot opvoeding, zoals zondagsscholen. Het moest die dag wel gebeuren, want dat was hun enige rustdag. Van kerkelijke kant begonnen de zusters van de Voorzienigheid reeds vóór 1840 met een zondagsschool. Tot het einde van de eeuw gebruikten ze daarvoor het armenschooltje in de Grauwzustersstraat, waar ze in 1835 gestart waren (zie nr. 209). Ons archief bewaart nog een huldebetuiging uit 1875 aan hun directeur, pastoor Vervoort. In de vrije zondagsscholen leerde men lezen, schrijven en rekenen, maar de godsdienstige vorming stond er centraal, wat de jeugd soms maar saai vond.

 

385. Jeugdwerk II

Het catechismusonderricht in de vrije zondagsschool schrikte sommige jeugdigen wel af. Om werkende jongeren toch te blijven trekken, schiep de parochiegeestelijkheid in sommige gemeenten ook gelegenheid om zich te ontspannen. Zo ontstonden hier en daar patronaten, verenigingen voor jongens of meisjes onder leiding van een priester en van leken, die we in deze reeks bijdragen zullen behandelen. Tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw bestond er in Diest nog maar weinig gezonde afleiding voor de jeugd. Wel kon men bij de kruisheren sinds 1857 de congregatie van de H. Aloysius bijwonen, de beschermer van de studerende jeugd. Maar dat was hoofdzakelijk een vrome vereniging voor studerenden, die haar leden ’s zondags opriep voor vrome oefeningen. Ouders stuurden hun tieners daarheen om hen van de straat te houden. De congregatie was in het leven geroepen voor de humanioraleerlingen van het H.-Kruiscollege. Volkskinderen stonden in de kou. Weldenkende mensen wezen op het gevaar van het straatlopen: ‘Dat de kinderen van de werkman braaf zijn en zich goed gedragen, is ongetwijfeld van belang voor arm en rijk’. Ze hoopten in 1890 dat er in Diest spoedig iets zou komen om die kinderen op te vangen.

 

386. Jeugdwerk III

In 1867 bestonden er in Gent reeds zes jongens- en meisjespatronaten. Andere grote steden zoals Antwerpen volgden. Kardinaal Goossens beval in 1886 het werk aan voor kinderen uit arbeidersgezinnen. Waar het gezin tekortschoot en de kinderen de slechte invloed van het werkmilieu ondergingen, hoopte het patronaat de tekorten aan te vullen. De klemtoon lag er op de godsdienstige vorming door het bijwonen van de H. Mis en andere oefeningen, maar daarnaast ging en groot deel van de tijd naar ontspanning. Doch op het einde van de eeuw gingen ze meer belangstelling vertonen voor de sociale problemen. De opkomst van de socialistische partij (1885) en de bekende brief van paus Leo XIII, ‘Rerum Novarum’, openden vele ogen. Ze spoorden nu de jongeren aan om te sparen en toe te treden tot zieken- en pensioenfondsen en om aan te sluiten bij de vakvereniging. In dit verband waarschuwde kardinaal Goossens in 1898 dat patronaten er niet alleen waren om de jeugd te amuseren, maar ze moesten ook een sociale vorming geven. Op sommige plaatsen lokten de spelen niet alleen kinderen uit het arbeidersmilieu, maar ook die uit de kleine burgerij. Terecht oordeelde de opvolger van Goossens, kardinaal Mercier, dat patronaten dreigden te verworden tot speelscholen en kindertuinen.

 

387. E.H. S. Van Winkel

Aan de verzuchtingen van sommige Diestenaren in 1890 werd vlugger voldaan dan ze ooit gedroomd hadden. In september 1890 startte namelijk een jongenspatronaat in de stad, het werk van één priester, Stanislas Van Winkel. We hebben van hem al gewag gemaakt bij de organisatie van de stoet van de Lievevrouwparochie in 1889 (zie nr. 357). Deze jonge Nederlander had zich aangeboden voor het bisdom Luik en ontving er zijn wijding in 1882. Toen hij zich in 1888 zonder opdracht in Diest vestigde, had hij in die enkele jaren reeds vier benoemingen achter de rug. Het was zeker een speciaal iemand, maar ook een sociaal bewogen man. Dat bewijzen zijn artikels in het weekblad ‘De Werkmansvriend’, dat hij in Diest liet verschijnen, en de manier waarop hij het patronaat organiseerde. Hij creëerde ook nieuwe werkgelegenheid in de stad: de papiernijverheid in de Refugiestraat. In zijn blad riep hij de bezitters op dat ze een kleine industrie zouden financieren om werk te geven aan de arbeiders in plaats van hun kapitaal op te doen. Zijn opvattingen leunden sterk aan bij die van priester Daens in Aalst en van Arthur Verhaegen in Gent. Maar ze veroorzaakten ook hier grote deining in bepaalde conservatieve kringen.

 

388. Een ophefmakende start

E.H. Van Winkel liet voor zijn werk in de Refugiestraat, op het terrein van het Spijker, een prachtige nieuwe zaal bouwen, die toen de grootste en best ingerichte van Diest was. De Diestse verenigingen moesten zich immers behelpen met de lange, smalle zaal in de halle, die druk bezet was. Of met de bovenkamers van bepaalde lokalen als ‘De Schop’, ‘De Suikerpot’ en Christusogen, of in gelijkvloerse klassen van het Sint-Jan-Berchmanscollege. De nieuwe zaal werd plechtig in gebruik genomen op 7 december 1890. Toneelverenigingen als de Cleynaertskring maakten er gretig gebruik van. Voor het jaarlijkse feest van de katholieke scholen kon men geen betere ruimte dromen. Maar ook het Sint-Jozefspatronaat zelf denderde welhaast van activiteit. Met de jeugd werd een muziekkorps opgericht, de Sint-Jozefsfanfare, die weldra 27 muzikanten telde. Jonge toneelliefhebbers traden op in de kring ‘De Klauwaerts’, met als spreuk: ‘Vrank en vrij’. Weldra (1894) zou een turnafdeling volgen, allemaal dingen waarmee ook de patronaten elders de jeugd boeiden.

 

389. Aanlokkend I

Met carnaval 1892 drukte het bestuur de leden op het hart: vermaak u, maar blijf mens. Zelf zorgde het voor een toneelopvoering en een voordracht over elektriciteit, in Diest nog de grote onbekende. Met julikermis gaf het geregeld een concert in de feestelijk verlichte tuin van het patronaat, met daarna vuurwerk. Muziek in een prachtige tuin vonden Diestenaars toen het neusje van de zalm. Hogere kringen en burgerij genoten daarvan reeds lang volgens hun partijkleur in de parken van brouwer Pieck, notaris Van Assche, Denis Verstappen. Gewone mensen werden daar buitengekeken, maar nu konden die ook eens gezellig genieten, zoals de socialisten in hun volkshuizen elders. Bij de verjaringsfeesten in oktober werden de trouwste leden beloond met een zakhorloge of koffieservies, prenten, een kostuum, pijp en tabak in 1892 of vele H.-Hartbeelden in 1894. Voor de kleinsten werd rond Kerstmis een kerstboom uitgeloot. Allemaal dingen waarvoor wij nu de schouders ophalen, maar die destijds hoog gewaardeerd werden.

 

390. Aanlokkend II

Uitstapjes ontbraken natuurlijk ook niet, bijvoorbeeld naar Brussel, waar de eerwaarde broer van Van Winkel hen ontving in het lokaal van de Nederlandse Werkliedenvereniging. Ze bezochten de wereldtentoonstelling in Antwerpen (1894), waar koekjesfabrikant De Beukelaer hen vergastte. Voor gewone kinderen waren dergelijke reisjes toen nog een hele belevenis. Als het patronaat dan ’s avonds met de trein terugkwam, stonden vele ouders en familieleden de reizigers aan het station op te wachten, net alsof die van een wekenlange expeditie aan de Zuidpool terugkeerden. Zoals alle verenigingen toen stapten ze graag op in stoeten, zoals bij de plechtige opening van de nieuwe weg Zichem – Diest, muziekfestivals, vlaggenwijdingen. Ze schaamden zich niet over hun patronaat en kaapten hier en daar door hun talrijke aanwezigheid soms een premie weg.

 

391. Godsdienstige activiteiten

Jaarlijks ging het patronaat mee in de Sacramentsprocessie en in groep op bedevaart naar Scherpenheuvel. In 1896 deed de onderpastoor van de Lievevrouwparochie, A. Valgaerens, daar het lof en preekte. Hij was een trouwe helper van Van Winkel, die soms ongesteld was. Tijdens dat lof weerklonken de stemmen van kinderen en jonge arbeiders in de basiliek. Toen in 1892 een bestuurslid van ‘De Broedermin’ en van het patronaat ten grave gedragen werd, nam de St.-Jozefsfanfare deel aan de uitvaart, maar treffend was dat onderweg de muziek telkens afgewisseld werd met het Miserere van de jongens. Geregeld was er een speciale mis voor de leden met een algemene communie. De mensen communiceerden toen namelijk slechts een paar keren in het jaar. Dan zaten er 200 à 300 jongeren in hun mis in de Sulpitiuskerk. Met Sint-Jozef, hun patroon, volgden ze de communiemis in dezelfde kerk en daarna de hoogmis in de Lievevrouwkerk. Daarna stapten de 350 leden fier door de straten – bij de verjaardag van het patronaat in de herfst gebeurde dat met Venetiaanse lantarens en fakkels. Veel ouders voelden zich gelukkig met het patronaat, waar, naar hun zeggen, vermaak en deugd gewaarborgd waren.

 

392. Een veelzijdig werk I

Het nieuwe patronaat mikte echter veel hoger dan het bezighouden van kinderen en jongelui. Het wilde vooral een vorming geven aan de jeugdigen die in het arbeidsmilieu waren geworpen. Dus hadden er geregeld voordrachten plaats over het socialisme, de maatschappelijke kwestie, elektriciteit, de gevaren van de alcohol, chemische meststoffen, de evenredige vertegenwoordiging bij verkiezingen, het geluk van de arbeider. Er ontstond ook een organisatie om het lot van de arbeiders te verlichten: de Werkmanskring, later de Gildenkring geheten, met de kenmerkende leuze: ‘Tot behoud van godsdienst, eigendom en familie’. In het ziekenfonds van het patronaat betaalde men minder en genoot men grotere voordelen dan bij de reeds bestaande katholieke organisatie ‘De Broedermin’. Het fonds bekostigde onder meer de begrafenis van de aangeslotenen en een geringe steun aan het getroffen gezin. Er bestond ook een spaarkas met de bedoeling werklozen te helpen: officieel steungeld was er nog niet. In het goede seizoen stortten de leden wat geld; in januari en februari kregen ze geld en intrest terug.

 

393. Een veelzijdig werk II

Voor de jonge arbeiders functioneerde er ook een werkbeurs in het patronaat. We weten niet of die veel aarde aan de dijk bracht. Belangrijker was de papierverwerkende nijverheid die de groep Van Winkel in Diest schiep. In een dertigtal huizen plakten kinderen en volwassenen papieren zakken. Het bedrijf beschikte later ook over een kleine drukkerij. Voor de kleine landbouwer of de werkman die een koetje hield, organiseerden ze een onderlinge veeverzekering. Het verlies van een rund was voor die mensen vaak onoverkomelijk, zodat in dergelijke gevallen soms liefdadigheidsfeesten gegeven werden, zoals bij brand en overstroming. Het kan niet anders of met deze veelvuldige activiteit en vooruitstrevende ideeën moesten het patronaat en zijn bestuurder in aanvaring komen met andere groepen.   

 

394. Tegenstand

Toen S. Van Winkel in 1890 in Diest met een patronaat startte, droeg dat de goedkeuring van deken J. Wuyts mee. Zijn onderpastoors en die van de Lievevrouwkerk zouden een handje toesteken, samen met vele mensen die gevoel hadden voor de noden van die tijd. Het was de bedoeling het patronaat buiten de politiek te houden. Daarom vlagde Van Winkel , tegen de richtlijnen van de Katholieke Associatie in, toen burgemeester Theys gehuldigd werd in 1891. Weldra zouden de conservatieven de directeur verwijten dat hij de eendracht ondermijnde. Zijn nieuwe verenigingen verzwakten de bestaande katholieke fanfare, toneelkring en het ziekenfonds ‘De Broedermin’. Het patronaat verkondigde naar hun mening socialistische stellingen en schatte de liefdadigheid van Sint-Vincentius en andere filantropische werken niet hoog. Het uitgeven van een eigen, wat progressiever weekblad verbreedde nog de kloof. Het patronaat leunde aan bij de christen-democratische strekking van priester Daens. In december 1894 trok het in stoet uit om diens verkiezingsoverwinning te vieren.

 

395. Verzoening I

De nieuwe deken, L. Vranckx, pleitte in 1895 voor een verzoening tussen de Katholieke Kring en het patronaat in de Refugiestraat. Hij aanvaardde het erevoorzitterschap van het patronaat en werd er plechtig en geestdriftig ontvangen. Voor de 600 aanwezigen verklaarde hij dat hij bij de werkman wou zijn om met deze alles te delen wat de Voorzienigheid hem geschonken had, vooral zijn hart. Tot de aanwezigen behoorde ook provinciaal raadslid E. Cools uit Bekkevoort, die de sympathie van het patronaat wegdroeg. De deken verkreeg dat bij de gemeenteverkiezingen van 1895 alle katholieken op één lijst opkwamen. Zopas hadden alle mannelijke 25-plussers voor het eerst stemrecht gekregen en ook arbeiders kregen dus voortaan een beetje hun zeg. Daarom stonden op de plaatselijke katholieke lijst een schoenmaker en een blikslager, maar ook brouwer Fl. Hermans en handelaar Th. Bruyninckx, die reeds lang met het patronaat sympathiseerden. De eerste geraakte in 1904 wel in de gemeenteraad, de tweede was in 1898 voorzitter van Sint-Vincentius in de Lievevrouwparochie. In die parochie maakte een andere medewerker, Th. Guinée, deel uit van de kerkfabriek. In 1900 werd hij schrijver van de ‘Katholieke Wacht’.

 

396. Verzoening II

Bij de vlaggenwijding van de ‘Katholieke Wacht’ in 1899 vierde het patronaat mee. Daar gebeurde trouwens de trekking van de premies voor de deelnemende verenigingen, terwijl het concert plaatsvond in de Katholieke Kring op het Verstappenplein. De oproep van deken Vranckx was dus niet in dovemansoren gevallen. De onderpastoor van de Lievevrouwparochie, A. Valgaeren, en later F. Segers en E.H. Beckx van de St.-Sulpitiuskerk, werkten reeds lang mee en nog zoveel andere mensen die later een vooraanstaande rol zouden spelen in de plaatselijke arbeidersorganisatie. Rond de eeuwwisseling begon het patronaat op verminderde toeren te draaien. Het kwam althans niet meer zoveel in de publiciteit. Lag het aan de gezondheid van Van Winkel? De Klauwaerts speelden nog eens toneel voor de katholieke scholen, maar in de zaal van het college (1900). Het matigheidsgenootschap voor jongelui gaf nog een avondfeest in de Refugiestraat (1901). De Sint-Jozefsfanfare trad nog op. Bij de uitvaart van deken Vranckx in 1902 waren alle organisaties van het patronaat nog eens present. Bij het overlijden van S. Van Winkel in 1905 viel het doek over het werk. De ‘Papeterie Le Demer’ werkte onverminderd voort. We hebben misschien wat lang uitgeweid over het patronaat. Maar het betekende in Diest een belangrijke schakel in de sociale beweging. Over de prille jaren van de Diestse arbeidersverenigingen is nog niet zoveel geweten.

 

397. Het meisjespatronaat

Het was een eigenaardige tijd. Sommige milieus vereerden meisjes en vrouwen als de Madonna. Van mannen en jongens namen ze nog wel aan dat ze naar gewaagde toneelstukken keken of schuine romans lazen. Maar meisjes moesten daarvan gespaard blijven. Daarentegen, als het om hun ontwikkeling ging, legden ze de lat niet zo hoog. Meisjes hoefden immers niet veel te kennen. Dat ze ooit ook eens hun stem zouden mogen uitbrengen, beschouwden sommige mannen als een grap. Deze mentaliteit verklaart enigszins waarom een patronaat voor meisjes zo lang op zich liet wachten in Diest. Deken Vranckx begon er eindelijk mee in oktober 1896 in de pas gebouwde bewaarschool van de zusters in de Vissersstraat. De deken verzorgde de catechese. Een zuster gaf de achterblijvertjes les in lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast zorgden een zestal Diestse juffrouwen voor de nodige ontspanning. In 1897 gaf het meisjespatronaat zijn eerste openbaar feest met toneel, zang en piano. Bij de prijsuitdeling in 1899 ontvingen de 200 leden een of ander kledingstuk. Ze vierden trouw het naamfeest van de deken Verstrepen. Met dergelijke activiteiten deed het meisjespatronaat in Diest zeker niet zoveel stof opwaaien als de jongens in de Refugiestraat. Ook trapte het niemand op de tenen, maar veel gelukkige kinderen beleefden er de mooiste uren van de week.

 

398. Het Sint-Jan-Berchmanspatronaat I

In 1904 kocht deken Verstrepen op de hoek van de Peeters- en Mariëndaalstraat een terrein voor een nieuw patronaat. In oktober 1905 werd het complex plechtig geopend. Het zou na de Eerste Wereldoorlog Patria heten. Het geheel omvatte een toneelzaal met galerijen tegen de zijmuren en achterwand, een gymnastiekzaal, een huis voor de conciërge en een speelplaats. Stadsgas en elektriciteit lieten nog op zich wachten, daarom werd het met acetyleen verlicht. Dat was heel wat moderner dan de petroleumlampen in de huizen. De katholieke organisaties beschikten voortaan over een ruime feestzaal. Het nieuwe patronaat lag in de lijn van de meeste andere soortgenoten. Ontspanning speelde er een grote rol. Wie trouw de mis, het lof en de vergaderingen bijwoonde, ontving punten. Met die punten kon men echte prijzen kopen tijdens het jaarlijkse kerstfeest. Met opbod zoals in een veiling, bijvoorbeeld een zal aardappelen en andere nuttige dingen. E.H. Roest, de pastoor van het begijnhof, was hiervan de grote bezieler. Het was een hele karwei om al die prijzen bijeen te bedelen.

 

399. Het Sint-Jan-Berchmanspatronaat II

Het kersverse patronaat voor jongens boekte succes. Vanaf negen jaar kon men er terecht. In 1911 werd er een nieuwe zaal bijgebouwd. Gymnastiek was toen een echte rage. We weten reeds dat het Sint-Jozefspatronaat vroeger reeds probeerde zulk een club op gang te krijgen (1894). De tegenstanders uit de Katholieke Kring volgden hen op de voet. De liberalen antwoordden met ‘La Diestoise’. Socialistische jongeren turnden na de Eerste Wereldoorlog in de ‘Rode Jeugd’. Weldra beschikte het Sint-Jan-Berchmanspatronaat over een befaamde turnvereniging (1907). Ze kaapte vele prijzen weg en in 1912 fungeerde ze zelfs als gastheer voor een internationaal feest van de katholieke equipes of concurrenten uit Hasselt en Leuven. Toneel en muziek liet het patronaat uit de Peetersstraat liever aan anderen over.

 

400. Een parochiale pensioenkas I

In de 19de eeuw waren arbeiders gedwongen om zo lang mogelijk aan de slag te blijven. Als ze niet meer werkten, viel bij de meesten elk inkomen weg. De meesten genoten nog niet van een pensioen. De wet van 10 mei 1900 zou daarin verbetering brengen. Een behoeftige 65-jarige arbeider zou voortaan een jaarlijkse toelage van 65 frank krijgen. Veel was het niet, al betekende een frank toen nog iets. Als geldstuk was het vóór de Eerste Wereldoorlog geen onooglijk muntstukje zoals in de laatste jaren van de Belgische frank, maar een treffelijke zilveren munt, die vijf gram woog met een hoog gehalte aan zilver. Met één frank kon men toen nog wat kopen (zie nrs. 367, 368). Voor de nog actieve, jongere werknemer zag de toekomst na deze wet er rooskleuriger uit. Men kon voortaan voor een pensioenvorming storten bij de ASLK of elders. De staat schonk een flinke bijdrage, zodat men het nodige kapitaal bijeenkreeg om later jaarlijks 360 frank pensioen te trekken. De patroon had hierin toen nog geen enkele verplichting.

 

401. Een parochiale pensioenkas II

Door deze tegemoetkoming van de regering rezen de pensioenkassen overal als paddestoelen uit de grond, met de edelmoedige inzet van de plaatselijke geestelijkheid en onderwijzers. Einde 1901 werd er één opgericht voor de Lievevrouwparochie en het begijnhof, met als lokaal de vrije jongensschool in de Vestenstraat. Men moest er minstens vijf centiem per week sparen. Sommige kinderen stortten reeds vanaf zes jaar. Om het nut van deze plaatselijke kassen te begrijpen, moet men weten dat de officiële spaarkas geen bedrag onder één frank accepteerde. Maar die som was voor sommige mensen een onoverkomelijke hindernis. Van hun karig loon konden ze nauwelijks enkele centiemen afknippen; soms moesten ze er zelfs noodzakelijke dingen voor derven. En de jenever lokte! Nu konden ze met hun luttele centjes, letterlijk op te vatten, bij zo een pensioenkas terecht. Als die kas een frank bijeengeschraapt had, stortte zij het geld door. De staat moedigde deze kassen met een premie aan. De kas van de Lievevrouwparochie heette ‘De Voorzorg’; voor Sint-Sulpitius fungeerde er een andere. Om allerlei redenen moest er stevig propaganda gevoerd worden. De mensen waren immers niet spaargezind. Alhoewel de ASLK in 1865 opgericht was, waren er in Diest in 1873 maar 83 spaarboekjes in de handen van de arbeiders. De leden van de pensioenkas van Onze-Lieve-Vrouw kregen in 1909 verdere informatie over dat sparen in de zaal van het Sint-Jan-Berchmanspatronaat. De kunstzinnige onderpastoor van de parochie, J. Dobbeleers, trok er publiek met een lezing met lichtbeelden over Lourdes.

 

402. De heilige Barbara

Het verhaal gaat dat de heidense vader van het meisje Barbara haar in een toren liet opsluiten om haar te behoeden voor elk vreemd gedachtegoed. Toen hij vernam dat ze toch christen was geworden en de rechter er niet in slaagde haar afvallig te doen worden, onthoofde de vader zijn dochter eigenhandig. Maar de bliksem doodde de onverlaat ter plekke. Zo begrijpen we waarom de martelares meestal staat afgebeeld naast een toren. De drie vensters daarin roepen haar geloof in de heilige drie-eenheid op. De straffende blikseminslag heeft haar gemaakt tot de beschermheilige van allen die met springstof omgaan zoals artilleristen, de Diestse, met wapens uitgeruste schutters, de kolveniers, die haar reeds eeuwen vereerden in de H.-Barbarakapel (nu kruisherenkerk). Later werd zij ook de patrones van de mijnwerkers. Sommigen die de juiste toedracht niet kenden, zagen in de toren de veiligheidslamp van de mijnwerkers. De H. Barbara werd reeds lang in de Lievevrouwkerk vereerd. Ze was immers een van de veertien noodhelpers. Als zodanig werd ze reeds vroeg aangeroepen tegen de pest. In 1481 had ze een altaar in de kerk, waaraan wekelijks een mis werd opgedragen met de opbrengst van een stichting.

 

403. De mijnwerkersbond I

Na de verwoesting van de Lievevrouwkerk in 1580 (zie nrs. 20, 21) verdween de H. Barbara uit de belangstelling. Rond 1900 echter kreeg ze weer een beeld achteraan in de kerk. Door de vele mijnwerkers in de Lievevrouwparochie en het begijnhof vond de heilige opnieuw aantrek. In 1911 telde Diest 150 mijnwerkers, van wie de meesten toen in Luik werkten. Winterslag, de eerste Limburgse mijn, zou pas in 1917 in bedrijf komen. In januari 1911 brak er een algemene staking uit in de Luikse mijnen, omdat de directies de nieuwe wet op de verkorte arbeidsduur voor de mijnwerkers probeerden te omzeilen. Die staking woog zwaar op de Diestse arbeiders. Jozef Roest, de vroegere onderpastoor van de Lievevrouwkerk en toen kapelaan in het begijnhof, trok zich hun lot aan. De opbrengst van de bussen waarmee de Vincentianen aan de kerkdeuren collecteerden, ging naar hen.

 

404. De mijnwerkersbond II

Met toestemming van burgemeester E. Robeyns mochten de kompels aan de huizen bedelen voor hun makkers. Maar dit alles was maar een druppel op een hete plaat. De enige oplossing was aan te sluiten bij een vakvereniging. Eind januari 1911 kwam Jan Kayaerts, propagandist van de christelijke vakvereniging te Leuven, de vakbond aanprijzen in het Sint-Jan-Berchmanspatronaat. Velen lieten zich als lid inschrijven. Zo ontstond de Vlaamse Mijnwerkersbond Sint-Leonardus. Op 4 december, feest van de H. Barbara, woonden ze om halfnegen een mis bij in de kruisherenkerk, aanhoorden een uiteenzetting in het patronaat en tafelden daarna gezellig (1911). Maar ze voelden zich meer thuis op het begijnhof. In 1912 huldigden ze daar hun proost, Jozef Roest, vierden er hun patroon, de heilige Leonardus, op 6 november en de heilige Barbara in december. Het jaar daarop namen ze plechtig hun vlag in gebruik. Hun eerste proost mocht het echter niet meer beleven. Hij was in 1913 tot hulpaalmoezenier van de gevangenis van Vorst benoemd.

 

405. De Lievevrouwparochie verkoopt I

In het begin van de 20ste eeuw stond de Lievevrouwkerk opnieuw voor onverwachte uitgaven: de gasverlichting werd aangelegd en de doopvont kreeg eindelijk een deksel. Om het hoofd boven water te houden, deden de kerkmeesters bij de bevoegde diensten een aanvraag om oude kant te mogen verkopen (1909). Vroeger waren de alben die de priesters in de kerk boven hun zwarte toog droegen en de korte koorhemden van de misdienaars boven hun rood kleed met brede kant omboord. Geen machinaal product! De kant in kwestie was een pareltje van de speldenwerksters. Maar hij was oud en zou geen wasbeurt meer overleefd hebben. De bestendige deputatie en het ministerie verleenden daarom hun toestemming, als het kerkbestuur de waar tenminste aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark te Brussel zouden verkopen. Dit gaf daarvoor 400 frank in 1911. Even vergelijken: wie toen maandelijks 250 frank naar huis bracht, mocht niet klagen.

 

406. De Lievevrouwparochie verkoopt II

Ook voor andere stukken toonde de conservator van het museum belangstelling: een hartje, zilverwerk, juwelen met diamanten. Allemaal dingen die vrome mensen in de loop der tijden aan Maria of andere heiligen hadden geschonken (zie nr. 82). Hij had ook oog voor een houten kruisbeeld met parelmoer belegd, dat in de voet relieken bevatte. Maar alle sieraden deden de kerkmeesters niet van de hand. Jezus, Maria, Jozef en de heilige Barbara behielden nog hun zilveren kronen, Sint-Rochus zijn zilveren staf. Samen met de resterende juwelen van O.-L.-Vrouw berusten die kostbaarheden thans in het stedelijke museum. Het was trouwens niet de eerste maal in de geschiedenis dat de Lievevrouwkerk door verkoop van bezittingen haar schulden vereffende. Toen de kerk in 1583 nog slechts een puinhoop was, verkochten de kerkmeesters het zilverwerk voor een noodherstelling (zie nr. 21). Na de instorting van het koor in 1830 (zie nrs. 203, 204) deden ze zilveren kandelaars en een beeld van Sint-Jozef en O.-L.-Vrouw van Smarten, twee biechtstoelen en een zilveren kelk van de hand. De pastoor van Horpmaal nam het oude orgel over. Maar behalve in noodgevallen sprong men in de Lievevrouwkerk niet lichtvaardig om met de waardevolle stukken.

 

407. Gasverlichting

In bijdragen 250 en 251 hebben we opgeroepen hoe donker het wel op straat was met de petroleumverlichting en hoe voorstellen om gas en elektriciteit in te voeren steeds strandden tijdens de 19de eeuw. Maar toen de jaartallen met 19 begonnen, voer de geest van de vooruitgang ook in het Diestse stadsbestuur. Dankzij de Oostenrijkse scheikundige C. Auer en zijn gloeikousen was de gasverlichting sinds 1892 enorm verbeterd. In 1905 koos de gemeenteraad dan ook voor gasverlichting, omdat elektriciteit toen nog altijd veel duurder was. Ditmaal lieten ze er geen gras over groeien: in 1906 startten de werken aan de gasfabriek aan het station en op de tweede zondag van julikermis 1907 werd ze officieel in gebruik genomen. Het gas had reeds eerder als proef gebrand op de Grote Markt, met eerst wat flauw en dan schitterend licht. Fiere Diestenaars waanden zich een ogenblik in Brussel. In 1908 gebeurde de verlichting van de traditioneel versierde winkelramen op Witte Donderdag voor het eerst met gas. Een hele tijd vertoonde de nieuwe verlichting echter nog heel wat kinderziekten, want de mensen van de gasfabriek hadden nog onvoldoende ervaring. Een veel voorkomend euvel was de rook, om het zacht te zeggen.

 

408. De Lievevrouwkerk doet mee

Bij de eerste gaslampen ontsnapte het gas door een kleine opening als men het kraantje opendraaide. Bij aansteken gaf dat maar een klein vlammetje binnen het tochtglas. De gloeikous van Auer echter, een netje van vuurvast materiaal, dat bij verhitting licht uitstraalde, gaf een schitterende verlichting. In 1907 lieten de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw dus ook de gasleiding in hun kerk aanleggen. De oudere luchters en armen kon men niet meer gebruiken. Ze bestelden dus nieuwe koperen armen, die men nog altijd kan zien op het koor. Ze werden aangepast toen men in de twintiger jaren overschakelde op elektriciteit. De armen zijn nog in neogotische stijl, maar de ontwerper heeft er ook een bescheiden vleugje Jugendstil aan toegevoegd. Om het schip van de kerk te verlichten hingen er dubbele armen in die aard tussen de pilaren, maar die bleven niet bewaard. Het materiaal kwam van het huis Philippen en kostte 1000 frank. Voortaan kwam er ook een nieuwe betrekking in de Lievevrouwkerk, die van gasaansteker. Zijn jaarwedde beliep 50 frank. Later, bijvoorbeeld in 1912, straalden ook gaslampen rond het beeld van Onze-Lieve-Vrouw op grote feestdagen.

 

409. De heilige communie I

De invloed van het strenge jansenisme woog nog eeuwen na op het gedrag van de gelovigen. Het jansenisme aanzag de communie eerder als een beloning voor een goed leven dan als een steun en sterkte in de dagelijkse strijd. De jansenisten eisten bijgevolg een ernstige innerlijke vroomheid, waar de meesten nog niet aan toe waren. De gelovigen mochten dus maar zelden communiceren. Zeker handelaars en gehuwden voldeden gewoonlijk niet aan de vereiste voorwaarden. Daarom ontvingen de mensen de communie slechts op de grote hoogdagen: Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis. Zelfs paters en zusters ontvingen de eucharistie enkel op zondag. Een paar staaltjes. In 1603 was aan de paters jezuïeten in de Nederlanden een tweede communie in de week toegestaan, omwille van de rampzalige toestand van het vaderland toen. Maar toen Jan Berchmans in 1616 in het klooster trad, was dit privilege reeds opgeheven en mocht hij dus alleen op zondag communiceren. In 1683 kregen de vrome slotzusters van Mariëndaal in Diest van bisschop A. de Berghes toelating voor een bijkomende communie in de week. Ze waren daar zeer gelukkig om. 

 

410. De heilige communie II

Tegen deze erfenis van het jansenisme gingen er steeds meer stemmen op. Dat was geen nieuwlichterij: het was reeds de wens geweest van het concilie van Trente (1545-1563) dat de mensen niet alleen de mis bijwoonden, maar er ook volledig aan deelnamen door het ontvangen van de eucharistie. Pius X (paus van 1903 tot 1914) had een grote pastorale bekommernis. Hij was altijd van mening geweest dat het de gelovigen goed deed dikwijls te communiceren en dat christelijk opgevoede kinderen dat liefst zo jong mogelijk deden. In 1905 besliste een decreet dat twee voorwaarden volstonden om dikwijls tot de heilige tafel te naderen: de staat van genade en een oprechte bedoeling. Het decreet ‘Quam Singularis’ (8 augustus 1910) stelde de leeftijd voor de eerste communie op zeven jaar. Vroeger moesten de kinderen daarvoor wachten tot 12, 13 jaar of nog meer. Sommigen stonden dan reeds in het werkmidden zonder sacramentele steun. In het spoor van de paus drukte kardinaal Mercier de priesters op het hart dat zij de veelvuldige communie zouden aanprijzen.

 

411. De heilige communie III

In die nieuwe sfeer voerde de Lievevrouwparochie in oktober 1912 een kindermis in om 7.30 uur. Honderdtwintig kinderen woonden die dagelijkse mis bij onder toezicht van de broeders uit de Kruisstraat, veertig communiceerden. Toen mocht men dan niets meer gegeten of gedronken hebben sinds middernacht. Deze kleine communicanten waren dus nog nuchter en moesten daarna naar school. Na de mis mochten ze hun boterhammen opeten in de broederschool. De Sint-Vincentiusvereniging van de twee parochies bekostigde de koffie, want in die mis zaten ook kinderen van Sint-Sulpitius die les volgden bij de broeders. Er werd gewikt en gewogen hoeveel elk genootschap daartoe moest bijdragen. Dat van de Lievevrouwkerk protesteerde, omdat de arme ‘patattenparochie’ evenveel moest afdokken als de rijke ‘frikadellenparochie’. Die namen leven nog voort in de volksspraak. Naar de twintiger jaren toe verslapte het bijwonen van de dagelijkse kindermis. Na de Eerste Wereldoorlog zorgde de Eucharistische Kruistocht in de Lievevrouwparochie voor een nieuw elan, maar dat is voor een latere bijdrage.

 

412. Verering van het H. Hart I

Tot in het begin van de 20ste eeuw stond het godsdienstige leven nog sterk onder de invloed van het strenge en stijve jansenisme. De verering van het H. Hart zou de beleving van de godsdienst menselijker en volkser maken. De mensen kregen daardoor meer oog voor de liefde van Jezus voor hen. Die liefde werd symbolisch uitgedrukt door een voorstelling: Christus met het hart zichtbaar op de borst. Het hart is bij ons nu eenmaal een zinnebeeld van de liefde. Op het beeld ontsnappen er dikwijls stralen of vlammen uit het hart, teken van brandende liefde. Vaak is het daar omgeven door een doornenkroon: Jezus’ liefde bereikte haar hoogtepunt in zijn dood op het kruis. In kloosters bestond deze aandacht voor de liefderijke Christus reeds lang. Maar in de 19de eeuw propageerden paus Pius IX (zie nrs. 258 tot 260) en de jezuïeten ze onder de gewone mensen. Deze paus had het feest van het H. Hart, dat tot dan plaatselijke gevierd werd, in 1856 voorgeschreven voor de hele Kerk.

 

413. De verering van het H. Hart II

De devotie tot het H. Hart kreeg ook nieuwe belangstelling in de Lievevrouwkerk. Reeds in de 18de eeuw waren er in de parochie enkelingen in de ban van Jezus’ liefde voor de mens. Ze offerden een ingelijste zilveren voorstelling van het gewonde hart, maar dan alleen het lichaamsdeel, niet verbonden met de Christusfiguur. Een eeuw later beeldde Duwaerts in zijn communiebank van 1878 de gehele persoon af. De gebroeders Goyers van Leuven, die ook de preekstoel van de kerk schiepen, bezorgden de parochie het beeld dat nu aan de ingang van het koor staat. Hier wijst Jezus naar zijn hart, de andere hand steekt hij uitnodigend naar de mensen uit. Op het standbeeld buiten de kerk wijst Jezus naar zijn hart en zegent Hij. Over de oprichting van dit monument handelen we later. In andere voorstellingen wil Jezus met een wijd gebaar van beide armen de hele wereld omvatten.

 

414. Het Apostolaat van het Gebed

De Franse jezuïet Gautrelet was aangesteld als geestelijke leidsman van de jonge kandidaten voor zijn orde (helft 19de eeuw). Deze jongeren waren liever direct aan de slag gegaan in plaats van te studeren. De pater probeerde hen te doen begrijpen dat ze reeds tijdens hun studie vruchtbare apostelen konden zijn, als ze dagelijks hun inspanning aan de Heer opdroegen voor het goed van de wereld. De algemene intentie moest dan wel aansluiten bij een werkelijke nood in die tijd. Deze gedachte sprak de jongens aan en ook velen buiten het vormingshuis. In Rome werd gevraagd of de paus deze voorbeden niet zou kunnen vastleggen voor de hele Kerk; hij was tenslotte beter op de hoogte van de geestelijke noden. Miljoenen sloten zich bij het Apostolaat van het Gebed aan, zoals deze beweging heette. De Lievevrouwkerk volgde in 1873: dat jaar noteerde men 311 leden. De bond van het H. Hart (waarover in volgende bijdrage) was er een uitvloeisel van. Nog altijd zorgt ‘Kerk en Wereld’ in Mechelen voor maandelijkse gebedsbriefjes en affiches met de maandelijkse intentie.

 

415. Bonden van het H. Hart I

In bijdragen 411 en 412 lazen we dat de veelvuldige communie in het begin van de 20ste eeuw meer ingang begon te vinden. Een belangrijk duwtje in die richting gaven de bonden van het H. Hart. Zij ijverden ervoor dat ook gewone mensen meer echt gingen deelnemen aan de mis door te communiceren en samen te zingen. Doordat ze het in groep deden, verdween veel menselijk opzicht. Op de eerste zondag van de maand gingen de mannen, op de tweede zondag de vrouwen tijdens de vroegmis in groep te communie. Daags tevoren was hun biechtgelegenheid gegeven. Tijdens die mis zongen ze onder andere de evergreen ‘De rode roos van Jezus’ hartenwonde’. Maandelijks bezorgden de ijveraars een uitnodigingskaart aan de leden van hun wijk en een rood briefje met de bijzondere pauselijke intentie waarvoor ze die maand zouden bidden. Hierop stond ook de dagelijks morgenopdracht: ‘H. Hart van Jezus, ik draag U op al mijn bidden, werken en lijden van deze dag’. De voorloper van deze bonden was het Apostolaat van het Gebed, dat men sinds 1873 kende in de Lievevrouwkerk, maar in 1902 kreeg dit een nieuwe impuls en het telde in 1909 580 leden in de parochie.  

 

416. Bonden van het H. Hart II

De eigenlijke bond van het H. Hart werkte in de Lievevrouwparochie zeker reeds vanaf 1902; 125 mannen maakten er deel van uit. Cijfers van de vrouwelijke leden zijn pas in 1920 bekend: toen waren het er 200. De mannen waren toen met 75. De mannen van de bond droegen een flambouw in de processie. De Lievevrouwkerk bezit ook een speciaal processievaandel met het H. Hart. In 1924 ontving de bond zijn nieuwe vlag. Zoals we het later zullen verslaan, was dat een hele gebeurtenis, die afgevaardigden uit de verre omtrek op de been bracht. In 1914 werd een nieuw beeld van het H. Hart in Sint-Sulpitius plechtig gewijd. Stilaan kreeg de verering nieuwe vormen. De litanie van het H. Hart kwam in trek. Velen vierden de eerste vrijdag; vóór werk of school communiceerden de vereerders dan. Zo eenvoudig was dat toen nog niet, want men moest sedert middernacht nuchter zijn, maar de mensen hadden het ervoor over, want ze wilden eerherstel brengen aan Jezus, omdat zijn liefde door zovelen werd afgewezen. In vele gezinnen kreeg zijn beeld een ereplaats. De mensen lieten huis en gezin door een priester speciaal toewijden aan het H. Hart. Intronisatie heette dat. Als de sacramentsprocessie uitging, stalden ze dat beeld met bloemen en kaarsen uit voor hun venster.

 

417. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie I

In het begin van de 20ste eeuw konden reeds meer mensen lezen. Daarom wilden vele parochies de inwoners op de hoogte brengen van wat er reilde en zeilde in de Kerk met een plaatselijk blaadje. Zo bereikten ze de gelovigen ook buiten de zondagsmis. Omdat dit succes kende, rijpte het idee een algemener blad uit te geven. De abdij van Averbode met haar stoomdrukkerij gaf het voorbeeld. Vanaf 1909 verscheen hun wekelijks ‘Parochieblad voor godsdienst, huisgezin en vaderland’. De titel was versierd met tekeningen in aarzelende Jugendstil van Onze-Lieve-Vrouw, Sint-Jozef en in het midden een klok in een galmgat. Het besloeg vier bladzijden, 25 bij 35 cm, met meestal nog een tekening als illustratie. Het vond vooral afzet in Limburg, want in het bisdom Luik (waartoe Limburg toen behoorde) ijverde de bisschop reeds lang voor Franse parochieblaadjes. Daarom beperkte het diocesane nieuws van het Averboodse blad zich tot dat bisdom. Het werd op 55.347 exemplaren gedrukt. De paters brachten ook een andere editie op de markt onder de titel ‘Het Kerkklokje’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen het niet meer. Na de oorlog droeg het de titel ‘Het goede zaad’.

 

418. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie II

Tot dan las men de plechtigheden en het uur in het plaatselijke weekblad ‘De Gazette van Diest’, waarin ze steeds aangekondigd bleven. Sinds de belangstelling voor de liturgie in opgang was, publiceerde de Gazette ook wekelijks een liturgische kalender met de naam van de zondag of heilige en de gebruikte kleur van de gewaden. Ook konden de mensen al vanaf 1882 de mis volgen in het Latijn-Franse ‘Missel des fidèles’. Nederlandstaligen zullen moeten wachten tot 1915 op het eerste Volksmisboek van Affligem. Het Averboodse parochieblad kreeg zeker vanaf 1914 een voet in huis in Diest; van die jaargang zijn nummers bewaard gebleven. Het blad reserveerde een hele of halve pagina voor de eigen berichtgeving van de Diestse parochies. We lezen zoals nu de orde van de heilige diensten en speciale mededelingen. Zo vernemen we dat in die tijd de kruisprocessie van St.-Sulpitius zoals vanouds op de drie dagen vóór Ons-Heer-Hemelvaart uittrok naar Webbekom, Schaffen en de woensdag in eigen territorium.

 

419. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie III

Een berichtje van de Lievevrouwparochie nodigde de mensen uit naar de speciale vergadering van de pensioenkas ‘De Voorzorg’ te komen (zie nr. 400). Om het sparen aan te moedigen, zouden er voor 50 frank premies uitgeloot worden. Pagina Diest geeft ons ook enkele wetenswaardigheden over het godsdienstige leven tijdens die eerste augustusdagen 1914, toen de oorlog uitbrak. Maar die behandelen we te gelegener tijd. De overige bladzijden van het Averboodse parochieblad bevatten veel stichtende verhalen, maar soms ook leerrijke artikelen, bijvoorbeeld over de nieuwe wet op het onderwijs. In 1914 was het schoolbezoek namelijk verplicht gemaakt tot 12 jaar. Pas in 1921 zou dit op 14 jaar worden gebracht. Sommige mensen aanzagen die maatregel als een ramp. Velen hielden immers hun kinderen na de plechtige communie thuis. Maar de wet was nog zeer soepel voor de jeugd die moest helpen bij seizoenarbeid als de hooitijd, de aardappelen- en bietentijd. Een andere bijdrage raadde aan zich te verzekeren en voor een pensioen te sparen. Reclame vond men in het parochieblad niet. Het werd gratis uitgedeeld. Men collecteerde er wel voor in de kerk. Om de kosten te drukken droegen de schoolkinderen het rond.

 

420. Een nieuw parochieblad I

Na de Eerste Wereldoorlog gingen de paters dominicanen van Geloofsverdediging in de Ploegstraat van Antwerpen voort met de uitgave van hun blad ‘De Ster’, in 1906 gesticht. Het blad was eigenlijk bedoeld voor de volksontwikkeling. Naast een sprekende cartoon bevatte het behartenswaardige artikelen over geloof en opvoeding. Er bestond een wekelijkse en veertiendaagse uitgave. De laatste bladzijde droeg de titel ‘Onze Klok’ en gaf parochienieuws van de Lievevrouwparochie en het begijnhof. ‘Onze Klok’ zelf was pas in 1921 gesticht. Het kerkarchief bewaart nog een nummer van december 1929. In de Lievevrouwparochie verspreidde men de veertiendaagse editie. Rond Pasen 1922 betaalde de Sint-Vincentiusvereniging 500 nummers om te verspreiden in de stad. De eigen Vincentianen namen daarenboven 50 abonnementen voor gezinnen die het niet breed hadden. Zo te zien was er toen heel wat te doen in de kerk. De eerste zondag van december stond de algemene communie van de mannen op het programma en na het lof de kruisweg. Op maandag woonden velen het lof van de doodstrijd bij. Donderdag vóór de eerste vrijdag was er een speciaal gebedsuur, het Heilig Uur. Op de eerste vrijdag communiceerden de vrouwen. De tweede zondag was een communiedag voor de congregatie, die dezelfde namiddag om 14 uur vergaderde. In een toekomstige bijdrage zullen we al die plechtigheden belichten. In het parochieblad publiceerde de pastoor, E. Vandevelde, geregeld historische bijdragen over de Lievevrouwkerk, maar die zijn helaas niet meer te vinden.

 

421. Een nieuw parochieblad II

De H.-Catharinaparochie van het begijnhof maakte haar plechtigheden voor de hele maand december 1929 bekend. Ook daar was er een algemene communie voor de mannen-, vrouwen- en kinderbond in de vroegmis, die tijdens de winter om 7 uur gelezen werd. Voor woensdag 18 december kondigden ze speciaal de gulden mis aan. De dag vóór Kerstmis was vasten voorgeschreven. Op Kerstdag zelf gebeurde de plechtige mis om 6 uur (’s morgens!), daarna volgden er twee gelezen missen. Heel wat gelovigen volgden de drie missen. Verder bevat het parochieblad van 1 december 1930 een verslag over de vergadering van de Sint-Jan-Berchmanskring op 15 september, waar de zondvloed ter sprake kwam en Mathieu Schats een lezing gaf over de taalgeleerde Kiliaan. Men leest er ook een rapport over de algemene vergadering van Sint-Vincentius voor het hele decanaat, een apart artikel rapporteert de werking van dat genootschap in de Lievevrouwparochie en in het begijnhof tijdens het jaar 1928. Er waren 12 gezinnen bezocht, vooral kroostrijke en bejaarde. Ze ontvingen brood en kolen. Verder steunde de Vincentianen van de parochie nog altijd het parochieblad en verheugden zij zich over de aanwinst van nieuwe, jonge werkende leden.

 

422. Een nieuw parochieblad III

In hetzelfde nummer van december 1930 treffen we ook een aanbeveling aan vanwege de Bond van het H. Hart. Ze sporen hun leden aan meer de lijkdienst van medeleden bij te wonen. Ze vragen ook dat ze het gouden priesterjubileum van paus Pius XI zouden gedenken, door hun algemene communie van 1 december op te dragen tot zijn intentie. Misschien vindt men al deze nieuwtjes onbelangrijk, maar we hebben ze toch niet willen onthouden, want het zijn al zoveel puzzelstukjes om zich een beeld van die tijd te vormen. In het parochieblad van de Lievevrouwparochie ‘De Ster’ of ‘Onze Klok’ – het droeg immers twee titels – vinden we geen verloop van de kerkelijke diensten in Sint-Sulpitius vermeld. Die parochie gaf op dat ogenblik een eigen blad uit, op klein formaat (31 bij 21 cm). Het werd gedrukt bij E. en J. Uten met als titel ‘Parochieblad’.

 

423. Het parochieblad van Sint-Sulpitius

Het is mogelijk dat hun klein parochieblad identiek is met het Kerkklokje dat ze daar met Pasen 1925 gratis ronddroegen bij 1500 gezinnen. Het verscheen slechts enkele malen per jaar bij opmerkelijke kerkelijke plechtigheden. In 1926 begon zijn tweede jaargang. Een speciale offerblok in de St.-Sulpitiuskerk moest de gratis verspreiding helpen goedmaken. Het bij mijn weten enig bewaarde exemplaar – van oktober 1929 – kondigt de volksmissie aan die de minderbroeders vanaf 24 oktober zullen houden. Als grote aantrekkelijkheid vermeldt het blad de 300 elektrische lampen die op het hoofdaltaar aangebracht zullen worden en daar blijven. Deken Dubois dankt de parochianen voor het prachtige gewaad dat ze hem bij zijn zilveren priesterjubileum hebben geschonken. Het blad herinnert ook aan Wereldmissiedag, de voorlaatste zondag van oktober. Die bestond nog niet lang. Tot die speciale aandacht voor de missies had paus Pius XI in 1926 opgeroepen, die de missionering als zijn hoofdopdracht beschouwde. Over de parochiebladen na 1930 handelen we later.

 

424. De doopvont van de Lievevrouwkerk I

De eerste pastoor van Scherpenheuvel, Joost Bouchaert, stond voor een berg uitgaven om de huidige basiliek te bouwen. Daarom verbaast het ons niet dat hij in 1630 aan de Lievevrouwkerk van Diest een tweedehandse doopvont verkocht. In deze kerk was de doopvont tijdens de ravage van 1580 verwoest (zie nrs. 21-23). Men kon er dus best een gebruiken. Op dat ogenblik kon men soms ook een koopje doen: er was veel beschadigd materiaal op de markt. De Lievevrouwparochie was blij met het tweedehandse artikel van de landdeken, al had het bekken geen deksel zoals de liturgische regels het voorschreven. In afwachting behielp men zich met een houten deksel. In oktober 1910 kreeg het doopbekken eindelijk een volwaardige afdekking, geleverd door Theunis-Philippen van Hasselt. J. Perée, een Luikse brons- en kopergieter, inspireerde zich op de bestaande kuip. De madonna bovenaan maakte hij naar een Mariabeeldje in een Luikse kloosterkerk. Op het deksel staan de namen van de weldoeners gegrift: pastoor Oliviers, koster J. Mathijs, weduwe Bosmans, J. Kennes, Di Martinelli, C. Cantillion, M. Peeters en weduwe Walgrave.

 

425. De doopvont van de Lievevrouwkerk II

De doopvont bleef eeuwen verborgen in de donkere doopkapel. Kort na 1980 werd ze overgeplaatst naar het koor. Vanaf dan kon men pas zien wat een kunststuk ze is. Meermaals prijkte ze op tentoonstellingen, zoals in Dinant (1903), Antwerpen (1930) en Mechelen (2000). In vele boeken over kunstgeschiedenis vindt men ze afgebeeld als een voorbeeld van overgang van gotiek naar Renaissance. Het bekken heeft nog afhangende ornamenten, zoals bij de gewelfstenen aan laatgotische gewelven. Het is versierd met laurierbladeren, schelpen, gouden schijven, in een punt verenigde schuine balken (chevrons). De voetzuil zelf geeft blijk van meer evenwicht met zijn acht panelen, die geflankeerd zijn door gladde of gedraaide zuiltjes. Die panelen vertonen prachtige kandelaren met grillige versieringen: mensen, dolfijnen, vliegende draken. De ontwerper vond waarschijnlijk inspiratie in de versieringen die toen pas aan het licht gekomen waren bij recente opgravingen van Romeinse gebouwen en grotten. Kunstenaars van de Renaissance maakten daar gretig gebruik van. De doopvont werd waarschijnlijk in Mechelen gegoten rond 1530.   

 

426. Berchmansfeesten 1913 I

In 1913 was de heilige stadsgenoot van de Diestenaars 25 jaar heilig verklaard. Zoals voor de vieringen van 1865 en 1888 brengen we hierover een kort verslag. Elk Berchmansfeest is anders. We hebben nu enkel oog voor dingen die de tijdgenoten bijzonder troffen en voor wat er zich in de Lievevrouwkerk afspeelde. Op zondag 10 augustus ging de plechtige jubelprocessie uit. Diest zag voor het eerst scouts in uniform, die mee opstapten of voor de orde instonden. De beweging bestond toen nog maar in enkele grote steden als Brussel en Antwerpen. Voor de Diestenaars bleef het een mysterieuze bedoening. De mensen hadden in korte tijd turnverenigingen zien ontstaan, wielerwedstrijden, voetbal. Voor de gewone man was scouting iets als een nieuwe sport die de jeugd veroverde. Maar dan wel een erg veelzijdige: marcheren, balspelen, je pot koken, een tent opslaan, op stro slapen. Direct na de oorlog had Diest zijn eigen verkenners. ’s Avonds gaf Jef Denijn een beiaardconcert. Het stadhuis was feestelijk met gaslichtjes verlicht en de mensen geraakten er niet op uitgekeken.

 

427. Berchmansfeesten 1913 II

Op zondag 10 augustus speelde zich ook in de Lievevrouwkerk een deel van de plechtigheden af. De paters jezuïeten van Lier droegen er een plechtige mis op voor hun bedevaarders. Die waren met een speciale trein gekomen en vulden de hele kerk, waar toen veel meer stoelen stonden. De prior van de kruisheren, pater L. Honhon, preekte het feestsermoen. Zijn faam als redenaar was tot ver buiten Diest doorgedrongen. Op het elfde Internationaal Eucharistisch Congres te Brussel in 1898 was hij de enige Vlaamse redenaar. De man zou trouwens ’s anderendaags moeten inspringen voor Henri Poels, de bekende sociale werker uit de Nederlandse mijnstreek, die verstek had laten gaan. Enkele dagen kon men toen in de kerk de praalkist en de kostbare relikwieënkast bewonderen, die bedevaarders uit Keulen daar hadden neergezet. Ze stapten ook mee in de processie met hun vaandel, het schrijn en een wassen beeld van Sint-Jan op zijn sterfbed. Zo beeldden ze de groep ‘De dood van Berchmans’ uit. Vier muzikanten begeleidden hen met Duitse godsdienstige marsen.

 

428. Berchmansfeesten 1913 III

Voor de studerende jeugd betekende maandag 11 augustus echter het hoogtepunt. Treinen en trams goten het volk uit. De hoogmis werd op het Verstappenplein opgedragen. Leerlingen en studenten zongen er samen de engelenmis. Daarna deed de jubelprocessie nogmaals haar ronde door de stad. De namiddag voor de jeugd was gevuld met toespraken van pater Honhon en de bekende jezuïet Stracke. De nieuwe patronaatszaal in de Peetersstraat kon de deelnemers niet bevatten, zodat velen de sprekers vanop de speelplaats moesten volgen. Het pleit voor de Diestse organisatoren dat ze hierbij ook de sociale vorming van de studenten hebben behartigd. Intussen richtten andere sprekers het woord tot de Franssprekende jeugd in de Hallenzaal, wat vele moeilijkheden vermeed.

 

429. Kosters sinds 1800 I

In bijdrage 54 publiceerden we het lijstje kosters tot aan de Franse revolutie. Hier volgen hun opvolgers. Toen de Lievevrouwkerk in 1802 weer openging, nam koster Jacob Verreydt zijn functie weer op. De kerkmeesters bouwden voor hem een woning naast de kerk, die thans als pastorie dient (zie nr. 186). Zijn zoon Victor volgde hem in 1814 op. In 1868 werd Julien Matthijs aangesteld. Hij verbleef waarschijnlijk het langst van allen in dienst. In de verslagen van grote plechtigheden uit die tijd lezen we dikwijls: ‘De koster haalt eer met zijn werk, de opschik’. De man had dan telkens de handen vol: wimpels, doeken, platen met opschriften uit de zolder van het magazijn neergelaten en opgehangen aan gewelf en pilaren. Alle altaren kregen dan feestelijke antependia, dwalen en kandelaars. In 1912 dwong zijn hoge leeftijd hem echter ontslag te vragen. Hij zou helaas nog maar twee jaar van zijn rust kunnen genieten. Louis Laureys werd tot zijn opvolger benoemd.

 

430. Kosters sinds 1800 II

Na de Eerste Wereldoorlog was het kosterschap in de Lievevrouwkerk geen volwaardige broodwinning meer door de geweldige muntontwaarding. Alles kostte 4 à 5 maal zoveel als in 1914. De inkomsten van de kerk waren echter niet evenredig gestegen, zodat haar lonen de inflatie niet konden volgen. Het kostersambt betekende voortaan slechts een bijverdienste. Koster Laureys had elders de handen vol. In 1918 was hij secretaris van de hoveniersgilde, waarover we later handelen. In 1919 werd hij de eerste secretaris en vrijgestelde van het pas opgerichte ACW-Diest. In 1921 stapte hij in de gemeenteraad als raadslid, in 1926 als schepen. Sinds 1925 zetelde hij ook in de provincieraad. Hij had het dus druk met politiek en sociaal werk en nam in 1926 ontslag als koster. Victor Goyvaerts nam zijn taak over.

 

431. Kosters sinds 1800 III

Victor Goyvaerts had een mooie stem en maakte vóór zijn kostersbenoeming deel uit van de vaste zangers van St.-Sulpitius. Hij vulde zijn karig kostersloon aan doordat hij naast de kerk een kruidenierswinkeltje opende en brood bakte. Hij was echter koster met hart en ziel. Door zijn ijver voor de kerk mislukten zijn baksels geregeld. De eredienst gaf toen handenvol werk: gezongen jaargetijden soms met drie heren, talrijk bijgewoonde heiligenfeesten met hoogmis en lof. Nu blijven de zijaltaren van de kerk ongebruikt. Maar toen droegen vele leraars van het college en priesters die in Diest op bezoek waren, er ’s morgens een stille mis op. Al die altaren moest de koster in orde houden, zorgen voor gewaden, water en wijn en kaarsen. Daarbij moest hij ook tijdens de vieringen in de week elke keer collecteren voor de noden van de kerk. In 1958 ging Victor Goyvaerts op rust. Na hem trad Alfons Debrier in dienst tot aan zijn overlijden in 1982. De nieuwe koster had het niet onder de markt. Zijn brood verdiende hij eigenlijk met ’s morgens kranten en tijdschriften aan de abonnees te bezorgen, nog vóór de kerk openging. Ook tijdens de dag was hij steeds op stap om reclamebladen rond te brengen. In de kerk had hij ook nog de taak van organist en zanger op zich genomen. Tweemaal heeft hij de parochie overeind gehouden: bij de plotselinge dood van pastoor Broeckhoven (1970) en vooral van pastoor Nijs (1980). Toen hij in 1982 vroegtijdig overleed, kwam er geen echte koster meer. Vrijwilligers namen de dienst over.

 

432. Andere kerkdienaars I

Behalve de koster, de organist, de koorleider waren er destijds nog anderen in loondienst van de kerk. De taak van de klokkenluider hoeft wel geen uitleg. Voor de Eerste Wereldoorlog werkten de klokken nog niet automatisch. Bij sommige plechtigheden werden ze alle drie gebezigd. Dan had de koster versterking nodig. Tot in 1926 behoefde de organist een blaasbalgtrapper, die de nodige adem aan zijn instrument bezorgde. Dat kon men zomaar niet aan de eerste de beste toevertrouwen, wilde men vermijden dat het orgel in een krachtig glansstuk plots amechtig werd. De stoelzetster sleet vele uren in de kerk. Ze moest geregeld de vloer schrobben, wekelijks tweemaal vegen met zagemeel, de stoelen netjes in rijen plaatsen en ’s zondags het stoelengeld ontvangen. Vóór 1804 was dat laatste nooit gevraagd, maar toen de kerk onder Napoleon weer openging, had ze nieuwe inkomsten nodig, want de tienden waren afgeschaft en sommige goederen aangeslagen. Lees hierover bijdrage 178.

 

433. Andere kerkdienaars II

In 1880 betaalde men twee centiem voor het gebruik van een kerkstoel met houten of rieten zitting. Die martelde de knieën, want de meeste tijd volgde men geknield de viering. Sommigen lieten zich dus een comfortabele stoel vervaardigen met fluwelen kussen. Voor het gebruik betaalden ze een jaarabonnement. Wegens de geldontwaarding sloeg het stoelengeld na de Eerste Wereldoorlog geleidelijk op tot vijf centiem en tien centiem in 1930. De gasverlichting bracht nieuw werk in 1907: de aansteker deed zijn intrede. Diens taak was goed te combineren met een ander klusje. Een indrukwekkende figuur was de suisse. Hij bewaarde de orde en de eerbied in de kerk. Zoals Napoleon, de officieren en ambtsdragers weleer droeg hij een majestueuze steek, een uniform met brede draagriem over schouder en borst. En hij omklemde een vervaarlijk uitziende hellebaard, net als een ‘Zwitserse Wacht’ van de paus. Hij en de klokkenluider waren gewoonlijk dezelfde persoon. In 1924 nam de laatste suisse van de parochie, Jos Vrancken, ontslag en hij werd niet meer vervangen.

 

434. Geloofsonderricht I

Nu meer mensen konden lezen en zich verplaatsen, kwamen ze ook vaker in contact met andersdenkenden. Hun geloof moest dus sterker onderbouwd worden door goede lectuur, catechismusonderricht en predikatie. Voor het eerste zorgde de verspreiding van het parochieblad. Het onderricht gebeurde aan de hand van een catechismus. Dat was een klein handboekje. De lessen waren er opgebouwd in vraag en antwoord. Die moesten de kinderen uit het hoofd leren; zo bleef de tekst in het geheugen bewaard. Voor de kleinsten waren er gemakkelijke vragen, langere en moeilijkere voor het laatste leerjaar. Dat alles werd nog eens twee jaar in de kerk herhaald als voorbereiding op de plechtige communie. De trouwsten volgden nadien nog een paar jaren de catechismus van volharding na de hoogmis als herhaling en verdieping. Maar vóór de schoolplicht had het arbeidscircuit dan reeds velen opgeslorpt. In de vroegmispreek werd de geloofsleer een half kwartier systematisch hernomen. Tijdens de hoogmis legde de pastoor gewoonlijk een bijbeltekst uit. Kardinaal Goossens wilde in 1892 dat die homilie niet langer dan een kwartier aansleepte.

 

435. Geloofsonderricht II

Omdat niet iedere priester wel ter tale was, stelde kardinaal Mercier rond 1913 een boekje op: ‘De voorschriften van het christelijk leven’. Tweemaal per jaar las de priester die vanop de kansel voor, gespreid over twee of drie zondagen. In sommige parochies, zoals in het begijnhof, waren die boekjes ook aan huis bezorgd en kon men daarmee de lectuur in de kerk volgen, want de kardinaal had wel alles fijn geformuleerd, maar soms hoogdravend in lange volzinnen. De voorschriften stonden nog jaren op het programma. Overigens werd er toen veel vaker gepreekt dan nu, bijvoorbeeld tijdens het lof. In de Lievevrouwkerk was er negen dagen vóór het feest van Sint-Antonius ’s morgens in de mis van vijf uur een kort onderricht en ’s avonds onder het lof een uitgebreid sermoen door speciale predikanten. Grote plechtigheden werden soms drie dagen voorbereid met een sermoen. Voor sommige feesten spreidde de viering zich uit over acht dagen of werd minstens de achtste dag met een betrekkelijk korte preek bedacht.

 

436. Bange verwachting I

We wijden nu enkele bijdragen aan de Eerste Wereldoorlog. We beperken ons tot de gebeurtenissen in de Lievevrouwparochie voor zover onze bronnen reiken. Het parochieblad van 26 juli 1914 keurde de kranten af die de aanslag op de Oostenrijkse aartshertog in Serajevo goedpraatten, omdat deze militaristisch was. De wederopgeroepenen moesten zich naar hun depot begeven, waar hun wapens bewaard werden, onder meer naar de Begaardenkazerne in de Begijnenstraat. Alles verliep nogal chaotisch. Op zaterdag 8 augustus lazen de mensen aan de kerkdeur: ‘Inwoners, geef morgen uw milde penning voor de beproefde gezinnen van de opgeroepen soldaten’. Het was blijkbaar een aansporing van het St.-Vincentiusgenootschap. Diest telde 422 opgeroepenen onder wie 68 vrijwilligers. Op de St.-Sulpitiuskerk en aan de openbare gebouwen wapperde de Belgische vlag. Kardinaal Mercier verzocht in alle parochies boeteprocessies en gebedsstonden te organiseren.

 

437. Bange verwachting II

In het lof zong men voortaan de psalm ‘Qui habitat’. Weinigen zullen helaas de troostvolle woorden begrepen hebben over de bescherming van de Allerhoogste in de gevaren. Een psalm wordt gewoonlijk ingeleid met een liturgisch vers. Hier gebruikt men: ‘Parce, Domine… Heer, spaar uw volk en maak uw erfdeel niet te schande, zodat de volkeren erover heersen’. Een klare wens, die laatste woorden. Het begin echter formuleerde mening van sommigen dat de oorlog een straf van God was. In Sint-Sulpitius baden ze dagelijks om 17 uur het rozenhoedje voor koning en vaderland. Hierop volgde de litanie van alle heiligen, die dringend smeekt om vrijwaring van pest, hongersnood en oorlog. In het begijnhof deden ze dat om 20 uur. Bij de kruisheren stond het volk tot op de trappen. Over de publieke gebeden in de Lievevrouwparochie zwijgt het parochieblad. Wel kondigt het voor 13 augustus nog een plechtige hoogmis ter ere van St.-Jan Berchmans aan en voor 15 augustus de jaarlijkse processie na het lof. Of die nog doorgang gevonden hebben, is twijfelachtig, want op 12 augustus vochten de Duitsers reeds in Halen. Men hoorde in Diest de kanonnen en het opblazen van bruggen.

 

438. Beschieting

Op 18 augustus 1914 om negen uur vlogen de kogels rond de Schaffensepoort tot aan de Ezeldijkmolen. Vanop de wallen beschoten onze soldaten de over Schoonaarde naderende vijand. Ze brachten die in verwarring en verlieten daarna volgens plan de stad, want het was niet de bedoeling om de gedeclasseerde vesting Diest te verdedigen. Toen de Duitse artillerie begon, volgden vele mensen het voorbeeld van de karabiniers-wielrijders. De meesten zochten hun heil ergens in de buurt, sommigen in Antwerpen, enkelen zelfs in Engeland. De Duitse kanonnen vuurden tot 16.30 uur. Granaten sloegen in op het begijnhof, de Begijnenstraat, de Koning-Alberstraat. Het geschut verlengde zijn vuur in de richting van de beiaard en de citadel. Vierendertig gebouwen waren beschadigd, onder meer de kerk en het bejaardentehuis op het begijnhof, de katholieke jongensschool in de Kruisstraat, het gasthuis, de toren van St.-Sulpitius. In de Koning-Albertstraat gingen een apotheek en aangrenzende huizen in de vlammen op, waarbij één slachtoffer viel. Een parochiaan, Hendrik Cypers, werd die dag doodgeschoten op de tramlijn Diest – Koersel, toen hij ’s avonds het vee van zijn ouders aan de sluis ging opzoeken. Daar de stad zonder verdediging was, werd om 16.30 uur de witte vlag gehesen, om verdere verwoesting te stoppen.

 

439. Doortocht van de Duitsers

De volgende dagen trokken 100.000 Duitsers door Diest. Hun paarden bedekten de straatstenen met een dikke laag mest. De schaarse burgers die zich buiten waagden, liepen als over een tapijt. Na de doortocht had men nog dagen werk om dat goedje voor de deur weg te werken. Waar moest men ermee heen, als men geen tuintje bezat? In de Begaardenkazerne lieten de Duitsers twintig zieke paarden ter verzorging achter. Bij hun doortocht verboden ze streng nog klokken te luiden. Ze vreesden dat men daarmee signalen zou geven aan het Belgische leger. Een officier vertelde dat de pastoor van Schaffen opgehangen was, omdat hij de klokken toch had laten luiden. Achteraf bleek dat de man wel was gefolterd en voor dood achtergelaten. De Duitsers waren er namelijk van overtuigd dat ze in Schoonaarde niet door het geregelde Belgische leger waren beschoten en schreven hun verliezen toe aan vrijschutters (‘franc-tireurs’). Drieëndertig Schaffenaars moesten die waan met hun leven bekopen, vele huizen gingen in de vlammen op. Hiermee wilden de Duitsers vooral terreur zaaien bij de bevolking om die koest te houden.

 

440. Een geruchtmakende brief I

Na de aftocht van het Belgische leger lieten de mensen het hoofd hangen. De Duitse propaganda probeerde de schending van ons grondgebied goed te praten met de beschuldiging dat België zich helemaal niet neutraal had gedragen vóór het conflict. De slechte behandeling van burgers op vele plaatsen rechtvaardigde het door het optreden van vrijschutters in te roepen. Kardinaal Mercier vond het dus nodig zijn mensen een riem onder het hart te steken. Daarom schreef hij einde 1914 een herderlijke brief, ‘Vaderlandsliefde en uithoudingsvermogen’, die op 3 januari 1915 en volgende zondagen op de kansel voorgelezen moest worden. Hierin vermeldde hij uitvoerig de verwoesting in zijn bisdom, het deporteren en fusilleren van onschuldige burgers. In de ogen van de gewezen professor filosofie was de bezetter geen wettig gezag en dus waren de burgers hem geen achting, genegenheid en gehoorzaamheid verschuldigd. De kardinaal verzekerde zijn landgenoten dat ze zouden overwinnen.

 

441. Een geruchtmakende brief II

De seminaristen hadden het origineel van de brief van de kardinaal uit Mechelen meegebracht en aan de pastoors bezorgd. Geen wonder dat deze brief de Duitsers zwaar op de maag lag. Ze bewogen hemel en aarde om het verder lezen te voorkomen. Ze verboden het voorlezen en kwamen het schrijven in de pastorieën opeisen. De pastoors gaven hun exemplaar af, maar intussen circuleerden er reeds vele clandestiene drukken. In Diest zorgde drukker Eugeen Uten daarvoor. De pastorale brief vond wereldwijde weerklank in de vrije pers. Achteraf moesten de dekens bij de kardinaal verslag uitbrengen over hoe alles verlopen was. Het militaire bestuur durfde Mercier zelf niet onder handen te nemen. Het woord van een prins der Kerk, zoals men een aartsbisschop soms noemde, dwong een zekere eerbied af bij de Duitse aristocraten, zoals baron M. von Bissing en later L. von Falkenhausen, die België bestuurden. Lagere geestelijken die de Duitsers tegen de schenen trapten, moesten echter hun verzet met hun hoofd bekopen. Ook in de toekomst zou de kardinaal geen blad voor de mond nemen.

 

442. Verzet en verwarring

Ons land volgde het Greenwichuur, maar in november 1914 voerden de Duitsers hier de Midden-Europese tijd in, zoals in hun land. Alle klokken werden dus één uur vooruitgezet. Kerken, stations, cafés, restaurants, winkels, banken, theaters konden zich daaraan niet onttrekken. Privé-personen toonden hun patriottisme door mordicus het Belgische uur aan te houden. Op overlijdensaankondigingen las men dikwijls: ‘lijkdienst te 9 uur B.T.’, waarbij de letters stonden voor ‘Belgische tijd’. Zo moest men het officiële uur niet vermelden. Gaf men dit toch aan, dan stond er: ’10 uur T.U.’ (Torenuur). Dit was voor de Duitsers een doorn in het oog. Drukkers mochten voortaan geen ander uur meer aangeven dan het Midden-Europese. ‘Duitse tijd’ mochten ze er niet aan toevoegen. Geen wonder dat door die twee bestaande stelsels vele afspraken misliepen. De verwarring steeg ten top toen de Duitsers op 1 mei 1916 het zomeruur invoerden. Sommigen bleven bij de oude Belgische tijd zweren. Zo was het voor hen bijvoorbeeld 7 uur. Anderen zagen wel voordelen in een eigen Belgisch zomeruur. Zo konden ze ’s avonds langer genieten van het zonnelicht en dure verlichting uitsparen. Voor hen was het op dat ogenblik reeds 8 uur, terwijl voor de Duitsers de klok al 9 sloeg. Na de oorlog, in 1919, voerde de Belgische regering zelf het zomeruur in.

 

443. Een parkje rond de kerk I

In bijdrage 188 hebben we de geschiedenis van ons gewezen kerkhof verhaald tot 1880. Er circuleerden ideeën genoeg om het een nieuwe bestemming te geven, maar intussen bleef het een verwaarloosd terrein. Met julikermis 1897 demonstreerde de brandweer er voor vele kijklustigen reddingsoperaties. Een houten stelling, vuur en water kwamen eraan te pas. Het leek net echt. Maar meestal was het pleintje een plek waar de jongens in de buurt bleven ravotten of een robbertje vochten. Meisjes gooiden er hun diabolo omhoog en vingen hem weer op op het touwtje. Of ze lieten geduldig hun jojo langs het koordje klimmen en dalen. De oorlog en de daaruit ontstane werkloosheid zouden er echter anders over beslissen. In 1915 stelde de firma Michiels uit Scherpenheuvel aan de kerkfabriek van de Lievevrouwparochie voor om er een parkje aan te leggen, met bomen, bloemen en heesters. Ze vroeg daarvoor 200 frank. Het kerkbestuur ging daarmee akkoord, als de firma de tuin ook onderhield. Als tegenprestatie mocht zij dan een reclamebord op een van de hoeken plaatsen.

 

444. Een parkje rond de kerk II

Het werd een lust voor het oog met al die geurige meidoornen, gespreksstof voor de hele stad. ‘De Diestenaar’, het frontblad voor de soldaten van het kanton Diest achter de IJzer bericht erover en spreekt van een square. Voor dit bij ons zeldzame verschijnsel had de correspondent blijkbaar niet zo vlug een passende Nederlandse term bij de hand. In juni 1919 kreeg het nieuwe beeld van het H. Hart daar een gepaste plaats. Na de oorlog werd het parkje met kippengaas afgerasterd. In 1930 liet deze afsluiting echter al te wensen over. Maar wegens de crisis moest men tot 1935 wachten, alvorens er een ijzeren hek rond de tuin kwam. Over een reclamebord hebben we geen nadere gegevens. Maar reeds lang vóór het nieuwe tuintje ontsierden reclameplaten de toren en de ingang van de kerk.

 

445. Nationaal Hulp- en Voedingscomité I

Door de blokkade van de geallieerden en de opeisingen van de Duitsers vielen onze fabrieken stil en dreigde de hongersnood. Hiertegen waren de armencommissie en de Vincentianen niet opgewassen. De levensduurte droogde de bronnen van de liefdadigheid op. Het genootschap van St.-Vincentius bleef echter gezinnen bezoeken, maar de verslagen vermelden niet wat het er uitdeelde. In 1916 ondersteunde de parochiale afdeling 38 gezinnen. Gelukkig bestond het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Het werd in Diest opgericht in december 1914. het mocht levensmiddelen uit de Verenigde Staten invoeren, omdat de Duitsers garandeerden dat ze die niet voor zich zouden gebruiken. Neutrale waarnemers hielden dat in het oog. Zo kon de plaatselijke afdeling een rantsoen meel, rijst, erwten, bonen, spek, gecondenseerde melk aan de bevolking bezorgen tegen een lage prijs. Armen kregen hun rantsoen soms zelfs helemaal gratis. In Diest ontving 20 à 30 % van de bevolking steun.

 

446. Nationaal Hulp- en Voedingscomité II

Het comité ontvouwde een veelzijdige werking. Een voorloper van ‘Kind en Gezin’ zorgde voor de versterking van baby’s en moeders. Het aantal teringlijders nam onrustwekkend toe. Eind december 1918 werden er te Diest 123 tbc-lijders verzorgd. Hun werd onder mee een voedzame maaltijd opgediend. Schoolkinderen kregen dagelijks een hartige koek. Ze moesten die wel ter plekke opeten, want anders dreigde die soms op de zwarte markt te belanden. In vier grote ketels van 200 tot 700 liter kookte het comité volkssoep. Men kon ze onder meer afhalen in de meisjesschool van de Peetersstraat. Elk gezin kreeg meestal een halve liter per hoofd. Hoeveel stond op een kaart die men dagelijks liet afstempelen. In de Christusogen functioneerde een goedkoop restaurant. Voor 40 centiem ontving men er een volledige maaltijd: soep, gehakt, groenten, 190 gr aardappelen en 70 gr brood. In oktober 1917 telde het 550 klanten. Daar de aardappelen echter schaars en duur waren, schepte men er dikwijls koolrabbi ofte rutabaga’s op het bord. En toen haakten vele gegadigden af. Dat alles slorpte natuurlijk veel geld op. Het hulpcomité bezat dan ook het monopolie voor collectes. Alle strekkingen waren erin vertegenwoordigd.

 

447. Deportatie I

Gebrek aan grondstoffen legde de Belgische industrie grotendeels lam. Eind 1916 telde ons land 536.000 werklozen. Op een werklozenkas konden ze niet rekenen. De Duitsers profiteerden van deze toestand om arbeiders te werven voor vrijwillig werk in Duitsland. Zo maakten ze daar mannen vrij voor legerdienst, want de oorlog eiste zijn tol. Niet genoeg Belgen verbonden zich hiertoe en daarom gingen de Duitsers vanaf de herfst van 1916 tot dwangmaatregelen over. De Belgische bisschoppen en vooraanstaanden hadden hierover reeds in oktober 1916 bij gouverneur-generaal von Bissing geprotesteerd, maar zonder resultaat, want de orders gingen uit van een hoger niveau. De bezetter beweerde dat hij alleen maar werklozen opeiste die steun genoten. Daarom vroegen ze de lijst van echte werklozen aan de gemeenten, maar die weigerden doorgaans, zoals Diest. En zo moest iedereen zich aanbieden. Op 24 november 1916 moesten alle mannen van de stad en het kanton tussen 17 en 55 jaar op de Grote Markt verzamelen. Ze moesten zich van een deken, winterkledij, stevige schoenen, lepel en vork en voedsel voor één dag voorzien.

 

448. Deportatie II

Van de Markt gingen de opgeroepenen onder bewaking naar de fabriek Simonis aan het station. Daar werden ze geschift. Maar of men nu werkloos was of niet, speelde hierbij geen rol. De Duitse industrie was ten andere best gediend met geschoolde arbeiders die hun vaardigheid nog niet verleerd hadden. 132 Diestenaars werden zo uitgekozen en moesten de gereedstaande trein naar Duitsland in. Vele gewone Landsturmers zagen dit met lede ogen aan, want deze maatregel maakte hun makkers thuis tot kanonnenvlees en verlengde de oorlog. Hier en daar zorgde een bewaker er dus voor dat een gedeporteerde bij wie hij ingekwartierd was, terechtkwam in de rij van vrijgestelden. Ter plekke in Duitsland weigerden velen te arbeiden. Ze werden in een kamp opgesloten en leden grote ontbering. Als de Duitsers al een betere verpleging voor hun slachtoffers hadden gewenst, dan konden ze die toch niet verstrekken, want door de blokkade leden zelfs de eigen bevolking en het leger honger. In december 1916 gaf kardinaal Mercier enkele praktische wenken aan de pastoors om de opgeroepenen met goede raad bij te staan. Priesters moesten toen nog vaak als sociale raadsman fungeren.

 

449. Deportatie III

De kardinaal raadde aan dat de opgeroepenen bij het onderzoek hun belastingsbrief, een getuigschrift van hun werkgever met attest van de gemeente of een doktersbriefje afgaven. Zo glipten sommigen door de mazen van het net. Maar voor echte behoeftigen viel het sterk te vrezen dat ze als dwangarbeiders meegevoerd zouden worden. Voor hen moesten de parochie en het gemeentelijke hulpcomité de handen ineenslaan om ze van klederen en steun te voorzien. Ook de achtergebleven gezinsleden mochten ze niet aan hun lot overlaten. In de Lievevrouwparochie gaven de Vincentianen aan zulke gezinnen een bijkomende wekelijkse steun van 1,25 frank. De traditionele kerstpreek van de welsprekende J. Meerbergen bracht dat jaar 162 frank op. Edward Verreydt, de organist van Sint-Sulpitius, die reeds vele liederen getoonzet had en meer dan een plaatselijke bekendheid genoot, gaf in 1916 een liederavond voor de gedeporteerden.

 

450. Deportatie IV

Vele mensen schroomden ervoor tijdens de oorlog vermakelijkheden bij te wonen, nu zoveel landgenoten achter de IJzer vochten, als dwangarbeider meegesleept waren of aangehouden wegens hun vaderlandsliefde. Toneel- en muziekverenigingen die tijdens de oorlog niet meer wensten op te treden, maakten toch een uitzondering voor goede doeleinden. In 1918 was de enige beschikbare zaal, de Casino, bijna wekelijks benomen voor liefdadigheidsvoorstellingen. In februari 1917 richtten de kardinaal, senatoren en volksvertegenwoordigers een verzoekschrift aan keizer Wilhelm. In maart gaf deze instructies om mensen die ten onrechte als werkloos naar Duitsland waren gevoerd, onmiddellijk naar België te laten terugkeren en verdere deportaties tot nader order stop te zetten. Intussen liet de kardinaal de parochiegeestelijken formulieren invullen, van attesten voorzien, om de terugkeer aan te vragen van de ten onrechte gedeporteerden. Kardinaal Mercier centraliseerde deze verzoeken en maakte ze over aan de Duitse gouverneur-generaal. Voor het bisdom Mechelen zomaar liefst 4236!

 

451. Inleveringen I

Door de blokkade van de geallieerden heerste er in Duitsland een groot gebrek aan grondstoffen. In 1917 arriveerde het beval in Diest om alle koperen en nikkelen voorwerpen in te leveren bij Simonis. Ook prikkeldraad en wol werden aangeslagen. Als men de wol uit zijn matras deed en er stro instak, betaalden de Duitsers daarvoor 3,5 frank. Ze kwamen de huizen afzoeken en namen mee wat hun aanstond. Wijselijk verstopten de mensen zoveel ze maar konden. Op 8 februari 1918 liet gouverneur-generaal L. von Falkenhausen weten dat hij weldra de klokken zou opeisen en de tinnen orgelpijpen. Kardinaal Mercier vroeg daarom aan de pastoors een nauwkeurige beschrijving van de klokken op te maken. Zo weten we dat de twee grootste klokken van de Lievevrouwkerk, die A.L. Van Aerschodt uit Leuven in 1838 had gegoten, respectievelijk de toon do en fa voortbrachten. Dat zouden we nu niet meer kunnen achterhalen, want ze werden in 1943 aangeslagen.

 

452. Inleveringen II

Op 10 maart 1918 las de clerus het hevige protest van de kardinaal tegen deze aanslag van de klokken voor. De priesters moesten ook in de mis bij het openingsgebed een oratie bijvoegen tegen vervolgers en boosdoeners. Op 7 juni 1918 boden twee Duitsers zich aan de Lievevrouwkerk. Ze vroegen beleefd om de sleutels van de toren; ze wilden de klokken zien. Maar pastoor Vandevelde weigerde resoluut ze af te geven. Hij moest ook aan zijn overheid gehoorzamen, want de kardinaal had aan de pastoors hierover strikte instructies gegeven, zei hij. ’s Anderendaags ontving de pastoor een schrijven vanwege de centrale voor grondstoffen: bij een volgend bezoek zouden ze desnoods de torendeur openbreken, wat ze in het begijnhof tevergeefs geprobeerd hadden. Maar ze hebben zich in de Lievevrouwparochie niet meer laten zien. Paus Benedictus XV kwam bij de Duitse overheid tussenbeide en bereikte dat die op haar beslissing terugkwam. De klokken kregen 25 jaar uitstel. In 1919 vroeg kardinaal Mercier jaarlijks op 2 augustus de stormklok te luiden ’s middags bij het angelus. Zo wilde hij het behoud van de klokken en orgels gedenken.

 

453. Op zoek naar een kerk I

In juni 1918 riep de plaatselijke commandant deken Verstrepen, pastoor Pals van het begijnhof, prior Honhon van de kruisheren en pastoor Vandevelde van de Lievevrouwparochie bij zich. Het Duitse gouvernement zocht namelijk in ons bisdom enkele kerken waar Lutherse soldaten de eredienst zouden kunnen volgen. De ontbodenen verklaarden dat het kerkelijke recht zoiets verbood. Het is weinig waarschijnlijk dat ze in Diest reeds op de hoogte waren van het wetboek voor kerkelijk recht dat in 1917 in Rome gepubliceerd was en in deze kwestie minder onverbiddelijk lijkt. De priesters legden aan de officier uit dat kerken gewijde gebouwen zijn. Door die wijding zijn ze voor altijd uitsluitend voor de katholieke eredienst bestemd. Hun een andere bestemming geven zou een heiligschennis wezen. Rome verbood ze afwisselend voor katholieken en andersgelovigen te gebruiken, want dit zou de mensen ergeren. Werd een katholieke kerk toch opgeëist, dan was ze geschonden en mochten er daarin geen katholieke plechtigheden meer gebeuren. Daarvan zouden de katholieke Duitse soldaten zelf het slachtoffer zijn. Soms zag men in de kerk inderdaad Landsturmers, mannen tussen 39 en 45, die de orde in het bezette gebied handhaafden. Ze konden goed volgen, want alles gebeurde hier immers in het Latijn, zoals in Duitsland.

 

454. Op zoek naar een kerk II

De argumentatie van de Diestse parochiepriesters scheen de commandant te overtuigen. Ik heb reden om te veronderstellen dat kardinaal Mercier deze bewijsvoering aan zijn priesters ter hand had gesteld. Hij gebruikt ze zelf in een schrijven aan gouverneur-generaal von Falkenhausen in juli 1918. Hij ontwikkelt daarin vooral de aanstoot die de Belgische gelovigen aan dergelijk gebruik van hun kerken zouden nemen. In tegenstelling met andere landen kenden de mensen bij ons sinds de Contrareformatie (16de eeuw) praktisch alleen het rooms-katholieke geloof. Voor andere geloofsopvattingen betoonden ze weinig begrip. Het gebruik van hun heilige plaatsen door andersgelovigen zou onze mensen erg kwetsen, zodat men in dat gebouw de eigen eredienst niet meer zou kunnen uitoefenen, alhoewel dit in andere landen oogluikend werd toegestaan. Ik meen echter dat de generaal vooral oor had voor een ander argument van de kardinaal: door deze maatregel zouden de Duitsers nog meer de haat van de Belgen op zich laden. Er kwam een andere oplossing: de protestanten konden hun diensten in Diest in een zaal van het nieuwe patronaat houden, de latere Patria. Evangelische eenheden hadden het hier vroeger ook zo moeten doen. Met Kerstmis 1914 vierden die van Mecklenburg-Schwerin hun dienst in de Casino.

 

455. Spaanse griep

Waar de grote pestepidemie 1918-1919 eigenlijk is begonnen, heeft men nog altijd niet volledig kunnen achterhalen. Omdat de koning van Spanje een van de eerste slachtoffers was, gaf dat land zijn naam aan deze hevige influenza. Naar schatting maakte ze 27 miljoen slachtoffers over de hele wereld, beduidend meer dan de Eerste Wereldoorlog zelf. Tegen de kwaal bestond geen enkel afdoend middel. Men kon de zieken alleen maar wat afzonderen om de gezonden niet te besmetten. Maar dat was op dat ogenblik makkelijker gezegd dan gedaan. Er woonden toen grotere gezinnen opeengepakt in kleinere woningen. Soms moesten ze daar nog logies geven aan geëvacueerde burgers uit Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen. Of Duitse soldaten inkwartieren. Daarbij hadden de vele ontberingen tijdens de oorlog de weerstand van de mensen ondermijnd. Het kon gebeuren dat een patiënt op weg naar herstel leek en de volgende dag overleed. Het schijnt zelfs dat deze epidemie vooral de jongeren niet spaarde. In november 1918 nam ze wat af, maar ze herleefde in het voorjaar. Telde de Lievevrouwparochie rond 1913 jaarlijks gemiddeld 15 begrafenissen op 1750 parochianen, dan liep dat getal in 1918 op tot 26 en in 1919 tot 24. In 1924 zakte het aantal weer tot 12.

 

456. Vrede I

Op maandag 11 november 1918 geraakte het nieuws van de wapenstilstand ’s morgens in Diest bekend. Overal verscheen de nationale driekleur aan de huizen. Gewone mensen hadden nooit een vlag bezeten. Met knippen en verven van stoffen improviseerden ze de juiste combinatie. De nog aanwezige Duitsers lieten hen betijen. De volgende dag doorkruisten de harmonie en Sint-Cecilia de straten. Groot en klein vergezelde de muziek, zong en danste. De beiaard liet zich weer horen; hij had vier jaar gezwegen. De beschieting van 1914 had het klavier beschadigd. Een Belgische waarnemer was toen op het nippertje aan de dood ontsnapt. Beiaardier Vandeplas speelde nu de nationale hymnen van de geallieerden. Duitsers kwamen hem zeggen: Wunderschön! Volgens een afgesproken schema ontruimde de bezetter het land. Het prachtige leger van 1914 leek nu soms een hoop zigeuners: wagens door boerenpaarden getrokken met daarachter loslopende veulens en ezels. Op de wagens lag allerlei rommel: emmers, draad, meubels, kippen. Soldaten in versleten uniform boden dekens, schoenen, zelfs wapens te koop aan. Tijdens de warme augustus 1914 had de doortrekkende legermassa in de open lucht kunnen overnachten. Nu vorderde zij onderdak tot in de kleinste woning.

 

457. Vrede II

Vanaf 17 november passeerden de Duitsers nog druppelsgewijs. Op zaterdag 23 november deden de Belgische jagers hun blijde intrede in de feestelijk versierde straten. ’s Anderendaags zong deken Verstrepen het plechtige Te Deum. Voor de officieren hield hij een Franse vaderlandslievende toespraak. Na de stress en de ontberingen van de oorlog stortten de mensen zich in een roes van vrolijkheid en vermaak. De uitstalramen bleven nog een poosje leeg, maar elke zondag was er groot bal. Er was één danszaal op vijf herbergen. Alle kermisorgels speelden populaire soldatenliederen. Danstenten met veel spiegels lokten. Iedere buurt had zijn soldatenkermis. Cinema’s met films als ‘Vervloekt zij de oorlog’ werden nog populairder. Na de voorstellingen zong het staande publiek de Brabançonne. Met julikermis 1919 brachten 200 uitvoerders de cantate ‘België vrij’, onder leiding van Adolf Hermans, leraar aan de middelbare school.

 

458. Vrede III

Intussen kreeg Diest een stukje oorlogsbuit: een Duits kanon, dat vóór het stadhuis werd opgesteld. Eind september 1919 bedachten de welgestelden de oud-strijders met een eetmaal. Gezinnen boden een middagmaal aan aan één of twee soldaten. Bij de inwijding van het monument voor de gesneuvelden in 1920 nodigde de stad op haar beurt haar gewezen strijders uit op een banket. Het is goed dat de Kerk bij de vrede wat dieper dacht. Kardinaal Mercier vroeg in 1919 de gelovigen op de eerste vrijdag speciaal te communiceren, wat met de toenmalige heersende voorschriften niet zo gemakkelijk was, en hun communie op te offeren als dank voor de goede afloop van de oorlog. Voor de gesneuvelden zouden de parochies jaarlijks een plechtig requiem opdragen.

 

459. Erelijst I

In 1921 bracht de Lievevrouwparochie achteraan in de kerk een gedenktafel aan. Bovenaan betreurt de Moeder van Smarten er de parochianen-oorlogsslachtoffers. Vooral in de Lievevrouwkerk genoot de piëta, de voorstelling van Maria met haar dode zoon op de schoot, vroeger grote verering. Tot in 1942 hing haar aloud beeld achteraan in de kerk tegen een pilaar. Het was omhangen door een kostbare mantel. Maar dat jaar werd dit stuk uit een verdwenen Antwerps retabel gestolen. Onder de afbeelding van de treurende moeder op de gedenktafel vormen de zestien namen van de slachtoffers samen een staalkaart van de getroffen landgenoten. De veertienjarige Hendrik Cypers raakte er als onschuldig niet-strijder tussen (zie nr. 438). Frans Voet, het sportieve lid van de Sint-Jan-Berchmansturnkring, sneuvelde reeds op 6 augustus 1914 bij de gevechten rond Luik. Alfons Clerkx en Victor Vandermolen vielen bij de aftocht naar en de invallen rond het nationale bolwerk Antwerpen. Leopold Boogaerts en Petrus Verleysen schreven het begin van het epos aan de IJzer.

 

460. Erelijst II

Broeder Heliodorus, in de wereld Petrus Bogaerts, de directeur van de jongensschool in de Kruisstraat, werd als zovele onderwijzers opgeroepen voor de geneeskundige dienst en overleed reeds in 1915 in het hospitaal van Calais. Frans Werrens overleed in dat van Hoogstraten (1917). Luitenant Jan Tulkens, officier bij onze Diestse brandweer en actieve Vincentiaan in de Lievevrouwparochie, viel tijdens het eindoffensief in oktober 1918. Hoe moorddadig dit was, bewezen ook Jan Daniëls en Jan Sannen. Sommigen hadden zich als vrijwilliger gemeld, zoals de 16-jarige Frans Pulinckx. Hij overleefde de kwaal niet die hij aan het front had opgelopen. Vrijwilliger Jan De Coster was pas 22, toen hij na een dodelijke kwetsuur in 1918 overleed. Vrijwilliger Frans Pauwels viel tijdens het eindoffensief. Charles Willio maakte als apotheker deel uit van de geneeskundige dienst. Hij werd krijgsgevangen genomen. Volgens de Haagse vredesconferentie mocht hij niet in gevangenschap blijven. Hij werd in 1918 uitgewisseld, maar overleefde de uitputting van het gevangenenkamp niet en stief in augustus van dat jaar.

 

461. Erelijst III

Nog jaren na de wapenstilstand bezwijken oudgedienden aan de letsels van de gasaanvallen, zoals Carolus Van Houtvin. Tijdens zijn begrafenis in 1920 heeft een hele groep oorlogsverminkten op het koor van de Lievevrouwkerk plaatsgenomen. Diest toont massaal zijn medeleven: de offer duurt tot aan het einde van de mis, zoals bij de groten der aarde. Wie later aan oorlogsverwondingen overleed, is echter niet meer in de lijst opgenomen, maar verdient evenzeer onze dankbaarheid. Volgens het voorschrift van de kardinaal werden er nog vele jaren in november missen voor de gesneuvelden opgedragen. Sommige jongens verdienen een bijzondere attentie. Zij zijn op dit bord terechtgekomen als verliezers van een loterij. Tot in 1909 zorgde een loting voor de rekrutering voor het Belgische leger. Wie daarbij een laag nummer trok, moest soldaat worden. Bemiddelde pechvogels konden zich vrijkopen door een plaatsvervanger te betalen. De wet van 1913 voerde pas de algemene dienstplicht in. Maar bij het uitbreken van de oorlog was haar uitwerking nog maar nauwelijks voelbaar. Het gros van de geoefende soldaten behoorde nog tot het oude bestel. Wie daarbij sneuvelde, had dubbel pech. Een foto en nadere beschrijving van de eretafel vindt men in “Uit steen en brons. Standbeelden, monumenten en gedenkplaten in Groot-Diest”, uitgegeven door het Cultureel Centrum Begijnhof Diest in 2001.

 

462. Een monument voor het H. Hart I

In zijn bekende brief ‘Vaderlandsliefde en uithoudingsvermogen’ (zie nrs. 440-441) pleitte kardinaal Mercier er reeds voor dat we bij de bevrijding erkentelijk moesten zijn jegens het H. Hart. Hij verwachtte op dat ogenblik een speciale inspanning, opdat de nationale basiliek die men vóór de oorlog had beloofd, er na de vrede spoedig zou komen. Op het ogenblik van het schrijven, december 1914, waren alleen nog maar de grondwerken beëindigd van het neogotisch heiligdom dat Langerock had ontworpen. Sommigen zullen wel vreemd opgekeken hebben, want in december 1914 geloofden nog weinig Belgen in een spoedige overwinning. De gelovigen hoopten op hulp van boven: de devotie tot het H. Hart wakkerde geweldig aan. Franse soldaten droegen een kenteken met ‘Sacré Coeur de Jésus, espoir et salut de la France’. In sommige kerken van ons land plantte men naast het H. Hart de nationale driekleur. Op het geel was een bloedend hart met doornenkroon geborduurd. Vele gezinnen schaften zich nog vlug een beeld aan en wikkelden de driekleur rond de sokkel.

 

463. Een monument voor het H. Hart II

Ook in de Lievevrouwparochie leefde de devotie weer op. In 1916 waren er alle bonden opgeheven, behalve die van het H. Hart. Meer nog, dat jaar ging men die nog beter volgens het boekje organiseren. Ondanks Duitse censuur en papierschaarste bezorgde drukker Van Boxmeer een handboekje voor de mannelijke leden met liederen en gebeden. Hun dank omdat Diest voor veel onheil gespaard was gebleven, betuigden de parochianen met een monument in het parkje naast de kerk. Op 29 juni 1919 werd het ingewijd. De schola cantorum van de broederschool zong de mis van broeder Basile. Abt G. Crets van Averbode zegende het beeld. De Lievevrouwparochie wijdde zich toe aan het H. Hart, terwijl een groot koor onder begeleiding van de fanfare lofliederen uitvoerde. Dat monument staat er nog. Professor R. Lemaire ontwierp het voetstuk, dat de Diestse steenhouwer J. Maillet uitwerkte. Het beeld zelf kwam uit het Tiense atelier Dendove. Diezelfde zondag van de plechtigheid stroomden 200.000 mensen naar Koekelberg om hun dank en toewijding te betuigen.

 

464. Verering van het H. Hart

De belangstelling voor het H. Hart bij de inzegening van het monument was geen strovuurtje. Nog jaren nadien huldigde de parochie het H. Hart plechtig op zijn feest met bloemen, toespraak en toewijding. De parochiale mannenbond nam in 1926 zelfs een nieuwe vlag in gebruik onder grote belangstelling van de bonden uit de omgeving. Bij die jaarlijkse hulde bracht het gemengde parochiekoor ook telkens een cantate ten gehore, eerder een rariteit in de parochie. Zulk een zangstuk met koor en solopartijen maakte sinds de laatste helft van de 19de eeuw furore bij feesten. Een cantate paarde immers het nuttige aan het aangename: naast het genieten van muziek gaf ze de luisteraars kans tot lering en zedenles, een goed alternatief voor toespraken. Ik illustreer dit met enkele naoorlogse stukken uit de omgeving van Diest. In 1919 werd ‘België vrij’ gebracht, onder leiding van A. Hermans met 200 uitvoerders. Halen herdacht de slag der Zilveren Helmen in 1924 met een cantate van A. Cuppens op muziek van de Diestenaar E. Verreydt, met maar liefst 350 uitvoerders. Zulk een massa was niet overbodig, als men een boodschap wilde overbrengen in open lucht, want geluidsversterkers bestonden nog niet. Men kon de toehoorders natuurlijk de tekst in handen stoppen. Datzelfde jaar werd Ons Huis in de Koning-Albertstraat ingewijd met Gloria Flori van A. De Boeck. Voor het 60-jarige bestaan van de fanfare Sint-Cecilia in 1925 schreef A. Hermans, die lang het koor van de Lievevrouwparochie gedirigeerd had, de muziek op tekst van J. Maes.

 

465. Berchmansviering 1921 I

In 1921 was de heilige Diestenaar 300 jaar overleden. In de Lievevrouwkerk liet men bij die gelegenheid de voet van de kolommen verven en het portaal witten, want de kerk was ingeschakeld in de plechtigheden. Overigens was deze belangstelling voor Sint-Jan geen plotse bevlieging. In de parochie bestond reeds lang een erewacht van St.-Jan Berchmans, die in 1926 zelfs een nieuwe vlag liet wijden. In 1929 zal Berchmans een nieuw altaar krijgen in de noordelijke kruisbeuk van de kerk. Maar keren we terug naar 1921. Van 7 tot 15 augustus beleefde Diest dan een onvergetelijke week. Elke dag kwamen andere verenigingen Sint-Jan vereren. Zeven augustus bracht de vrouwengilden en katholieke meisjes op de been. Deze laatsten vierden de hoogmis in de Lievevrouwkerk, die vol liep. ’s Anderendaags volgden de kruistochters het lof in de kerk.

 

466. Berchmansviering 1921 II

Dan stroomden de Vlaamse en Waalse leerlingen en studenten naar Diest, de bonden van het H. Hart, de Mariacongregaties, de parochies uit de omgeving. Een praalstoet ging uit, een cantate weerklonk, maar de klap op de vuurpijl was toch wel de mini-jamboree van de scouts. Ze hadden hun tenten opgeslagen aan fort Leopold, betwistten allerlei competities op het terrein van Standaard (nu parkeerterrein aan de Halve Maan). Ze demonstreerden draadloze telegrafie en E.H.B.O., waaraan Diestenaren en toeristen zich vergaapten. Op 13 augustus volgden de Vlaamse padvinders de hoogmis in Sint-Sulpitius en de Franstalige in de Lievevrouwkerk. De rector van het St.-Barbaracollege van Gent preekte er. Op 14 augustus bezocht kardinaal Mercier het tentenkamp. ’s Anderendaags defileerden 700 scouts door de straten. Een gedenkplaat in het Berchmanshuisje herinnert nog altijd aan die heuglijke dag.

 

467. Verenigingen

Vóór 1900 droegen de parochiepriesters hoofdzakelijk de mis op, preekten, hoorden urenlang biecht vóór de feesten en dienden de sacramenten toe. Maar op het einde van de 19de eeuw zag de kerkelijke overheid de toekomst van de Kerk in katholieke sociale werken en verenigingen. Men kon voortaan bijna alleen nog zielzorg verrichten, als men rusteloos allerlei bewegingen organiseerde, vooral voor de gewone man of vrouw. De toekomstige priesters werden in die zin op de seminaries gevormd. Die verandering kon men ook in de Lievevrouwparochie merken. Vóór de Eerste Wereldoorlog ontstonden een parochiale pensioenkas en mijnwerkersbond (zie nrs. 400 tot 404). Na 1919 zette deze ontwikkelingslijn zich nog meer door. Met organisaties beoogde de Kerk de samenleving opnieuw christelijk te maken. Op de Lievevrouwparochie poogden dat vooral de tuinbouwersgilde, de Eucharistische Kruistocht, de K.A.J. Wij wijden daar nu enkele bijdragen aan. De oudste vereniging, de tuiniersbond, startte in juni 1918. Eigenlijk vrij laat, want in 1913 bestonden er reeds 87 tuinbouwersgilden elders in het land.

 

468. De Tuinbouwersbond

Tuiniersverenigingen waren overigens zelf maar nakomelingen van de Boerenbond, die reeds in 1890 zijn activiteiten voor de kleine landbouwer begonnen was. In de Diestse buurgemeenten Molenstede, Webbekom, Deurne en Schaffen werkte de Boerenbond reeds lang. Maar het duurde tot 1908 eer Leuven belangstelling vertoonde voor de tuinbouwers. Dus krabbelde de afdeling van de Lievevrouwparochie nog niet zo ver achterna. In Diest waren in 1920 nog 104 mensen bedrijvig in de landbouw en 12 in de tuinbouw. Proost en stichter in de parochie was onderpastoor A. Havermans, de motor van vele verenigingen. Voorzitter was J. Nackers. De koster Louis Laureys (zie nr. 430) deed het schrijfwerk. De bond telde in 1918 veertig leden, in 1922 vijftig. De gilde organiseerde lessen, kocht gemeenschappelijke tuinbouwzaden aan en betrachtte ook de godsdienstige vorming van de leden met spreekbeurten, artikels in hun tijdschrift, mis en lof en bedevaarten. Ze vergaderden gewoonlijk in de broederschool in de Kruisstraat, later in ‘De Warande’ op de Veemarkt of in de Patria. Leraar Schammel van het college hield voor hen een lezing met lichtbeelden over Lourdes. Hun patroon, H. Isidoor, vierden ze rond 10 mei in de Lievevrouwkerk. Ook de Boerinnengilde kwam in 1925 naar deze kerk, maar dan op Lichtmis.

 

469. Eucharistische Kruistocht I

We weten dat Pius X (1903-1914) de klemtoon had gelegd op de beleving van de eucharistie (zie nrs. 409-411). Reeds vóór de Eerste Wereldoorlog had de Lievevrouwparochie een wekelijkse kindermis ingevoerd. In 1920 zou een nieuw initiatief het verzorgde communiceren onder de jeugd propageren: de Eucharistische Kruistocht. De abdij van Averbode nam hierbij het voortouw onder de bezieling van priester Edward Poppe. De bond gaf een eigen tijdschrift uit, ‘Zonneland’, en telde op zijn hoogtepunt rond 1930 meer dan 200.000 leden, die beloofden eenmaal in de week te communiceren. Ze verbonden zich ook ertoe te bidden, uit zelfverloochening een offer te brengen voor een bijzondere intentie, die tijdens de catechese of in de vergadering werd aanbevolen. Hun vurig optreden voor het geloof noemden ze kruistocht; de bewegingen uit die tijd gebruikten graag de woorden ‘strijd’ en ‘kamp’. Ze speldden fier hun opvallend kenteken op met een wit kruis en een kelk. Ouderen onder ons kennen nog hun krijgslustig strijdlied: ‘In dichte drommen staat, o Heer, uw kruisleger bereid…’

 

470. Eucharistische Kruistocht II

Reeds in de Berchmansviering van 1921 stapten kruistochters op en volgden het lof in de Lievevrouwkerk. In 1922 telde de afdeling van de Lievevrouwparochie reeds 40 leden. Een weekblad noemt hen de bloem van de parochiale jeugd. Op 19 augustus 1923 trokken 1200 deelnemers uit het decanaat Diest door de stad voor een vergadering. Dergelijke decanale dagen gebeurden ook de volgende jaren. De kruistochters van de Lievevrouwparochie waren trouw op post voor de jaarlijkse bloemenhulde aan het H. Hart. In 1924 voerden ze een muziekdrama op, Chao, voor de Congomissie van hun parochiegenoot, pater Saenen. Aan het einde van de jaren dertig was de beweging echter over haar hoogtepunt heen: zoveel andere verenigingen spraken de jeugd meer aan. Dankzij de vrije basisscholen vertoonde de E.K. nog zwakke tekenen van leven in de parochie. De kruistochters hielden nog hun communiedag op donderdag en namen nog deel aan de decanale dagen, bijvoorbeeld in Averbode in 1962 en in Diest in 1963. Velen bewaarden nog als volwassenen de verdieping die hun leven had gekregen.

 

471. De K.A.J. I

De Kristene Arbeiders Jeugd beoogde de werkende jongeren godsdienstig, moreel en sociaal te vormen. Ze spoorde hen aan apostel te zijn in hun arbeidsomgeving. Priester J. Cardijn was de grote bezieler van deze beweging. Zijn slogan: ‘Geen slaven, geen machines, maar schone mensen!’, resumeerde dit streven. In 1924 werden de bestaande verenigingen voor arbeidende jongens gebundeld in de K.A.J. Voor de meisjes volgde de V.K.A.J. in 1927. De leden heetten voortaan kajotters en kajotsters, afgeleid van de beginletters van de naam van de bond. Als ze de Nederlandse benaming voor de letter J gebruikt zouden hebben, ‘jee’, zou dit slecht geklonken hebben: ‘kajeeër’. Daarom gebruikten ze de Duitse naam voor J: ‘jot’. De beweging verspreidde zich over vele landen, o.a. Frankrijk en Nederland. Ook in Diest mocht ze niet ontbreken. De christelijke arbeidersvereniging voor volwassenen kende in de stad een dynamische start in 1919. In 1924 opende ze feestelijk haar lokalen in de Langesteenweg (nu Koning-Albertstraat en vishandel Wellens). Bij die gelegenheid voerden bekende figuren er het woord: pater Anicetus Cool (broer van August), minister Prosper Poullet en senator Broeckx uit Hasselt.

 

472. De K.A.J. II

We weten dat de kajotters in de toneelzaal van ‘Ons Huis’ op de Langesteenweg reeds in februari 1929 korte schetsen opvoerden, evergreens als ‘De verdraaide sectie’. Niet verwonderlijk, want een van de eerste leiders heette Frans Boons. Op 12 mei datzelfde jaar werd hun vlag ingewijd met de uitvoering van een cantate op tekst van E.H. J. Maes en muziek van K. Miry. Jaar na jaar hielden ze samen hun Pasen: ze biechtten en communiceerden in de paasweek. Zo overwonnen ze het menselijke opzicht. Daarna ontbeten ze feestelijk samen in Ons Huis. Voor die actie spraken ze ook andere jonge arbeiders aan om te delen in de paasvreugde. Kajotters en kajotsters bezochten de werkende jeugd aan huis en leverden er een speciaal blad af met de sprekende titel: ‘Revolutie! Wij willen!’ Stakingen en werkloosheid hielden het land toen in onrust. Terloops weze gezegd dat ook de Bond van het H. Hart in 1936 in gevatheid niet onderdeed met zijn paasaffiche: ‘Bankroet!’ Het was de tijd dat vele banken over de kop gingen. Op 2200 plaatsen in ons land baden en offerden jongens en meisjes voor het slagen van hun paasactie.

 

473. De K.A.J. III

Het maakte indruk hoe kajotters en kajotsters met Goede Vrijdag het kruis versierden in hun atelier. Om 15 uur die dag, het sterfuur van Jezus, hielden ze een minuut stilte op hun werk. Maar de nationale K.A.J. verloor ook de andere noden niet uit het oog en richtte werklozenkampen in voor jeugd zonder werk. De Diestse afdeling opende in 1934 een kajottershuis met slaapgelegenheid. Een welvoorziene bibliotheek zorgde er voor de vorming van de leden. Uit vorige bijdrage weten we reeds dat de beweging handig gebruik maakte van de moderne reclametechniek. Ook om leden te werven wendde de K.A.J. voor die tijd moderne methodes aan. In juli 1932 toerde een propagandawagen door de dorpen rond Diest. Het gros van de Diestse leden volgde die met bevlagde fietsen. Dit vervoermiddel lag reeds in het bereik van de werkende klasse. Op een pleintje in Kaggevinne, Schaffen, Molenstede, Zichem of Scherpenheuvel voerden ze dan een spreekkoor op om de beweging te leren kennen.

 

474. Spreekkoren

Spreekkoren namen nu stilaan de rol van de cantates over (zie nr. 464). Deze toen moderne kunstvorm was rond 1923 in Duitsland ontstaan. Allerlei gedachtestelsels wisten hem handig te bespelen, bijvoorbeeld het communisme. Met woord en bewegingen verkondigde een geleide groep een boodschap in korte en rake zinnen. Afwisselend droegen nu eens alle uitvoerders, dan weer afzonderlijke groepen de tekst voor vanop verschillende podia. Met Rerum Novarum 1935 brachten de kajotters nogmaals een spreekkoor op het binnenplein van Ons Huis. Datzelfde jaar mobiliseerde de landelijke beweging maar liefst 80.000 mensen voor een massaspel en spreekkoor in Brussel, waartoe ook de Diestse afdelingen hun steentje bijdroegen. Bestond er aanvankelijk maar één afdeling in de stad, dan had in 1934 ook de Lievevrouwparochie haar afdeling voor jongens en meisjes. In 1937 was Hendrik Laureyn, latere kerkmeester van deze parochie, gewestelijk leider van de K.A.J. Voor sommige kringen was al dit jeugdige enthousiasme een doorn in het oog. Met lede ogen zagen ze pastoors door velden en bossen lopen met half gemilitariseerde kinderen, om het met de woorden van een van hun pamfletten te zeggen.

 

475. De V.K.A.J.

De ‘Vrouwelijke Kristene Arbeidersjeugd’ richtte zich tot alle meisjes uit het arbeidersmilieu, ook tot hen die geen bezoldigde arbeid buitenshuis verrichtten. In 1929 was ze reeds bedrijvig in Diest. Ten voordele van de parochiale werken van de Lievevrouwkerk voerde ze dat jaar het stuk ‘Pilatus’ dochter’ op. In 1930 stonden ze op de planken met ‘Maria Magdalena’ voor hetzelfde doel. Na de aanstelling van pastoor Lens in 1930 bezat de Lievevrouwparochie haar eigen afdeling. In de parochiale processie van 15 augustus 1934 stapten er voor het eerst maar liefst veertig kajotsters! Dat jaar ontvingen ze ook hun vlag. De kajotsters zongen ook mee in het parochiekoor als dit meerstemmige missen uitvoerde. Daarover handelen we later. Ook zij ijverden ervoor dat andere meisjes samen met hen hun paasbiecht zouden uitspreken, communiceren en gezamenlijk ontbijten. Bij vele leden van de K.A.J. en de V.K.A.J. drukte de vorming die ze in hun beweging ontvingen een blijvende, onbaatzuchtige, actief christelijke stempel op de rest van hun leven. Er bestonden in Diest nog andere bewegingen, zoals de scouts, gidsen, K.S.A., werkliedenbonden en verenigingen voor de middenstand, maar zij behoorden niet tot de Lievevrouwparochie en daarom behandelen we ze niet in deze kroniek.

 

476. Elektriciteit I

We weten nog uit bijdragen 253 en 254 dat de stad in 1889 haar plan om elektriciteit in te voeren, bij gebrek aan belangstelling moest opbergen. De gasverlichting (1907) betekende reeds een hele vooruitgang, maar vertoonde nog vele kinderziekten. Sommige Diestenaren brachten echter reeds zelf stroom voort in hun bedrijf. Tijdens de Eerste Wereldoorlog voorzagen de Duitsers gebouwen waar manschappen gelegerd waren, van stroom, die ze via een zeer primitieve leiding aanvoerden uit de mijn van Beringen, die toen volop in aanbouw was. Maar in 1922 waagde de stad eindelijk de sprong: ze sloot een overeenkomst met de maatschappij E.N.B. Het jaar daarop werd de leiding gelegd en in sommige huizen brandden er toen reeds lampen op proef. In 1924 verschenen de draden voor de straatverlichting. De Lievevrouwkerk kon niet achterna hinken. De heer Servaes zou er de elektriciteit installeren voor 3700 fr. In december schenen de lichten.

 

477. Elektriciteit II

In 1926 nam een elektrische ventilator het werk van de orgelblazer over. De lage spanning in het begin (140 volt) beveiligde wel het gebruik van deze nog onvertrouwde energiebron, maar veroorzaakte ook talrijke pannes bij overbelasting. Maar meestal sprongen de mensen nog zuinig met het nieuwe middel om, want elektriciteit was duur. In 1927 rekende de maatschappij voor een kilowattuur 1,8 fr. aan en de stad deed er nog een schepje belasting bovenop. Op dat ogenblik verdiende een ongeschoolde arbeider in de bouw 2,42 fr. per uur. Nog in 1933 kostte een kilo suiker 3,32 fr., slechts een fractie meer dan men toen voor een kilowattuur betaalde. Zo kwistig als nu ging niemand toen met licht om. De Koning-Albertstraat was de best verlichte straat. Met de nodige tussenafstand hing daar een lamp van 150 watt aan een draad over de weg. Lang niet iedereen was happig op stroom: in 1936 was het stadhuis nog altijd niet elektrisch verlicht.

 

478. De Broederschool I

In 1908 had deken Verstrepen een ruim terrein in de Kruisstraat gekocht. Daar zou een nieuwe vrije basisschool voor jongens komen, die het bestaande katholieke schooltje in de Vestenstraat moest vervangen (zie nrs. 318-320). Het onderwijs kreeg er een nieuw elan onder de broeders van Scheppers, genoemd naar hun Mechelse stichter. Telde het vroegere schooltje slechts twee klassen, het nieuwe complex had er vier, want het aantal leerlingen steeg tot 288 in 1918. De verlenging van de leerplicht zal hierbij wel een rol gespeeld hebben. In 1914 vierden de broeders het 75-jarige bestaan van hun kloostercongregatie. De leerlingen genoten van krentenbrood en cacao. Daarna vergaapten ze zich aan een spelende fonograaf. Nog wat nieuws: in de winter lieten de broeders soms de speelplaats onder water lopen, zodat de broeders konden schaatsen en de jeugd baantje glijden.

 

479. De Broederschool II

Vóór de Eerste Wereldoorlog gaven vier broeders les in de Kruisstraat. Een vijfde verzorgde het huishoudelijke werk in hun woning naast de school. Voor de Lievevrouwparochie was zo’n school naast de deur een buitenkansje om met een kindermis en een knapenkoor te starten. Op zon- en feestdagen vergezelden de broeders hun leerlingen voor de diensten in de kerk. Verenigingen van de parochie mochten er vergaderen. Na de Eerste Wereldoorlog werden de broeders stilaan vervangen door gewone onderwijzers en onderwijzeressen. Reeds vóór 1930 draaide de school geheel om zeven leken. Na het vertrek van de broeders was Alfons Claes het eerste schoolhoofd; Adolf Bas volgde hem op. Maar zowel in de gemeenteschool in de buurt als in de Kruisstraat slonk het aantal leerlingen allengs. Leerlingen uit onbemiddelde gezinnen werden ondanks de wet nogal eens uit de klas gehouden om thuis allerlei karweitjes op te knappen. Anderzijds zagen steeds meer ouders door de gestegen welvaart mogelijkheden dat hun kinderen het verder zouden brengen in het leven. En daarom kozen velen voor het basisonderwijs in de middelbare school of het college.

 

480. De Broederschool III

Na het basisonderwijs volgden ze er nog enkele jaren middelbaar onderwijs. Ze konden daar ook gratis terecht of tegen verlaagd schoolgeld. Op een vakschool in Diest zouden de jongens nog tot 1947 moeten wachten, toen minister K. Huysmans de Rijkstechnische School in de Grauwzustersstraat plechtig opende. De gemeentelijke basisschool 1 voor jongens was er gestopt. Om zich te verdedigen tegen deze trend, probeerde de broederschool haar blazoen wat op te poetsen. Daarom hield ze in 1925 een heuse prijsuitdeling in de Patria. Met declamatie, zang, gymnastiek en toneelstukjes werd de laatste schooldag een echt feest. Deken Dubois had er geld voor over. Ook de volgende jaren zouden ze dat nog doen. Ook het Sinterklaasfeest werd belangrijker. In 1928 deelde de school dan 175 kg speculaas en 1010 sinaasappelen uit. In de gemeenteraad vroegen sommigen de proclamatie ook wat meer luister bij te zetten in de stedelijke jongens- en meisjesscholen, wat de middelbare school reeds lang deed. Maar voor volkskinderen was dat wel veel gevraagd.   

 

481. De Broederschool IV

Voor volkskinderen stak het bij sommigen allemaal niet zo nauw. Als soldaten op doortocht waren voor de gebruikelijke manoeuvres in Beverlo, moesten de klassen dikwijls ontruimd worden om militairen te logeren. In 1934 bestond de katholieke volksschool vijftig jaar, als men haar debuut in de Vestenstraat meerekende. Ze vierden dat met een plechtige mis in de Lievevrouwkerk en volksspelen en koffiefeest in de Kruisstraat. Maar zoals de gemeentelijke jongens- en meisjesschool was de broederschool gedoemd om te verdwijnen. In 1960 telde ze nog slechts zestig leerlingen en twee leerkrachten, schoolhoofd meegerekend. Toen de heer Bas in 1962 met pensioen ging, bleef Paul Ceyssens alleen over met een 20-tal leerlingen. Maar hij opende nieuwe mogelijkheden voor de school door er buitengewoon lager onderwijs in te richten (1969), waarvoor grote behoefte ontstond. Opnieuw steeg het aantal scholieren en leerkrachten. In 1979 zegende kardinaal Suenens nieuwe lokalen in voor deze bloeiende school, die voortaan de Warandeschool heet.

 

482. Heiligen in de Lievevrouwkerk I

Zoals schilders, musici, schrijvers zijn ook heiligen aan de smaak van de mode onderhevig. Daarom schommelt hun populariteit in de loop der eeuwen en dingen steeds nieuwe sinten om de gunst van de mensen. Alleen Maria is in de Lievevrouwkerk nooit vergeten geworden. Vóór 1500 genoot de H. Catharina er eveneens een bijzondere verering. Wagenmakers, spinsters, naaisters en breisters aanriepen haar. Vooral die laatste beroepen werden in de parochie druk beoefend. Sint-Stefanus beschermde toen de zakkendragers, de boottrekkers en kruiwageniers. De laatsten hadden het hier vooral druk met bier weg te brengen. Koks en wie zich verbrand hadden, vielen de H. Laurentius te voet. De H. Barbara was de toevlucht voor wie met springstof moest omgaan. Dus genoot ze grote populariteit bij de mijnwerkers in het begin van de 20ste eeuw. De H. Agatha hielp hij brand; in de tijd van de strodaken, lemen en houten huizen moest ze dikwijls tussenbeide komen. Sint-Nicolaas patroneerde de winkeliers. Vóór de verwoesting (1580) bezat de Lievevrouwkerk ook een grote relikwie van hem.

 

483. Heiligen in de Lievevrouwkerk II

Tot Anna, grootmoeder van Jezus, namen de bejaarden hun toevlucht, de aanstaande moeders, kantwerksters en lakenmakers. Pest, dysenterie, cholera waren nog ver weg uit de buurt: dan moest Sint-Rochus helpen. Vóór 1500 hadden al deze heiligen hun altaar in de Lievevrouwkerk, maar soms tegen een pilaar. Na de verwoesting van 1580 kregen alleen Sint-Anna en Sint-Rochus hun altaar terug. In 1805 haalde pastoor Van Hout Sint-Antonius naar de kerk, toen de minderbroederskerk waar hij druk vereerd werd, afgebroken werd. Toen het Sint-Vincentiusgenootschap op de parochie verscheen, kochten de bestuursleden een beeld van hun patroon (1878). Een groep met de H. Familie kwam de parochianen het heilig gezin van Nazareth voor ogen houden in 1880, in een tijd dat het gezinsleven steeds meer in de verdrukking geraakte. Na zijn heiligverklaring in 1888 kreeg Jan Berchmans natuurlijk een ereplaats in de Lievevrouwkerk. In 1925 kreeg hij gezelschap van een andere jeugdige heilige, de heilige Theresia van Lisieux.

 

484. Theresia van Lisieux

Als jong meisje trad ze in bij de karmelietessen van Lisieux (Frankrijk). Ze overleed aan tuberculose in 1897, toen ze pas 24 jaar oud was. Theresia bereikte haar heiligheid via haar zogenoemde ‘Kleine weg’. Ze blonk alleen uit door haar grote liefde tot Christus en de mensen. Met haar gebed en lijden hoopte ze dat zondaars weer de weg naar de liefde van de Heer zouden vinden. Haar jeugd en haar kloosterleven beschrijft ze in het beroemde boek ‘Geschiedenis van een ziel’. In 1925 verklaarde paus Pius XI haar heilig. Vóór haar dood beloofde ze: ‘Ik zal een regen van rozen uit de hemel doen neerdalen’. En: ‘Ik zal mijn hemel doorbrengen met goed te doen’. Die belofte hield ze. De mensen hoopten dus vast op haar voorspraak, vooral in een tijd dat de tering nog zo ongenadig toesloeg. Haar beeld mocht in de Lievevrouwkerk niet ontbreken. Ook in processies was ze destijds een geliefde verschijning. Ze wordt voorgesteld als een karmelietes (zwarte sluier, witte mantel, bruin kleed) met een kruisbeeld en rozen. De allernieuwste aanwinsten in de Lievevrouwkerk zijn het beeld van O.-L.-Vrouw van Fatima en van de H. Rita. Die zullen we later behandelen, want ze dateren van na de Tweede Wereldoorlog. 

 

485. Bezoek van koningin Elisabeth

Op 29 maart 1929 teisterde een mijngasontploffing de mijn van Waterschei. Hierbij kwamen een dertigtal kompels om, onder wie F. Merckx uit de Kruisstraat. Op tweede paasdag bezocht koningin Elisabeth het beproefde gezin. De wagens van de vorstin en haar gevolg stopten even op de Grote Markt, waar burgemeester Alenus haar begroette, en reden toen naar de woning van het slachtoffer. De koningin omhelsde de weduwe en de vier kinderen, sprak enkele troostwoorden en overhandigde een milde gift. Veel volk was samengestroomd en juichte hare majesteit toe. De kinderen uit de buurt drumden naar voren om een glimp van haar op te vangen. F. Merckx kreeg een plechtige dienst in de Lievevrouwkerk, met grote toeloop en vele kransen. Iedereen was sterk onder de indruk. Voor het beproefde gezin collecteerde de voetbalclub ‘Hoger op’ op zijn terrein aan de gasfabriek. De nationale vakbond verleende 158 fr. steun.

 

486. Kerkzang I

In bijdragen 374 en 383 gingen we de muziek in de Lievevrouwkerk na tot aan de Eerste Wereldoorlog. We volgen nu die geschiedenis tot 1940. Pastoor Vandevelde ging de kerkzang fel ter harte. Hij stelde een bundel liederen ter ere van Sint-Antonius van Padua samen, onder andere ‘Si quaeris miracula’ (‘Als je mirakels zoekt’), ‘O sidus Hispaniae’ (‘o roem van Spanje’ – de heilige stamde weliswaar uit Lissabon, maar bij zijn geboorte was Portugal een deel van Spanje). Die liederen luisterden de gezongen mis op dinsdag op, die soms een volle kerk trok. De pastoor vervaardigde ook een boekje met de vespers en completen van de gedurige aanbidding. Met hoogdagen werden deze gebeden uit het kerkelijke officie in de namiddag gezongen, wat men nu nog alleen in kloosters aantreft.

 

487. Kerkzang II

In 1922 volgde August Gijpens onze organist en kapelmeester Adolf Hermans op. De nieuwe titularis had aan het Lemmensinstituut gestudeerd en componeerde onder andere de operette ‘Het Medaillon’, die in de Patria werd opgevoerd. In 1926 hoorde men in de Lievevrouwkerk missen van Dumont, Haller, Gounod, Moortgat. Bij de eerste communie in 1927 zong het koor onder zijn leiding een vierstemmig Marialied van De Paillet. In 1928 nam Alfons Claes, het schoolhoofd van de broederschool, achter het orgel plaats. Pastoor Vandevelde overleed plots in 1930, maar de impuls die hij in zijn parochie aan de kerkzang gegeven had, werkte nog lang na. Met Hemelvaart 1933 zong het koor de mis van Perosi, onder orkestbegeleiding. Met Christus-Koning dat jaar schrokken ze niet terug voor een achtstemmige mis van C. Verhulst voor orgel en orkest.

 

488. Kerkzang III

In 1934 weerklonk de Ceciliamis van Ch. Gounod voor vier gemengde stemmen en orkest. De parochiale V.K.A.J. verleende haar medewerking. Christus-Koning dat jaar bracht de mis ter ere van de H. Cyprianus van broeder Basile. Met Allerheiligen weerklonk de hymne ‘Et ego Johannes’ van Gounod. Het knapenkoor verzorgde dan telkens de moeilijke gezangen, eigen aan het feest. Pasen 1935 bracht een mis van A. De Boeck. Tijdens de offerande weerklonk het bekende Alleluja van Händel. Rond die tijd was Frans Pulinckx kapelmeester. Naast de vermelde missen zouden er de volgende jaren af en toe speciale stukken op het repertoire staan, zoals in 1938 het ‘Panis angelicus’ van Caesar Franck.

 

489. Crisis I

Rond 1929 slabakte het bedrijfsleven. Overal nam de werkloosheid toe. Het juiste aantal in ons land kende men niet, alleen het aantal arbeidslozen die zich daartegen hadden verzekerd. In 1934 bedroeg dat 403.373. In werkelijkheid waren er misschien dubbel zoveel, want die verzekering was niet verplicht. Men liet zich daarvoor inschrijven bij een kas van de vakbond. Ons schijnt dat officiële getal van 403.373 misschien niet bijzonder hoog. Maar bedenk dat het hier hoofdzakelijk mannen aangaf, want vrouwen namen toen nog maar weinig deel aan de arbeidsmarkt. ‘De vrouw aan de haard’, was toen bij velen het parool. Als aangeslotene ontving men in 1934 gedurende een bepaalde tijd wekelijks 109 fr., minder dan het strikte minimum. Daarna hielp het nieuwe ‘Nationale Crisisfonds’, als men kon aanwijzen dat men behoeftig was. Wie echter over andere inkomsten beschikte, hoger dan het bestaansminimum, kwam bij de staat niet meer aan de bak. De wet verbood ook dat gemeenten of provincies deze vergoeding wat aanvulden.

 

490. Crisis II

Prijzen en lonen zakten. Om verdere prijsdalingen tegen te gaan, verbrandden sommige landen scheepsladingen van hun voortgebrachte koffie en graan. Elders goten ze daarvoor de melk in de beek. Onze regering koos lange tijd voor een sterke frank, zodat we goedkoop uit het buitenland konden invoeren. Maar om daar zelf nog wat producten te kunnen afzetten, moesten onze eigen prijzen en lonen naar omlaag. De index daalde voortdurend. Werklieden die de wallen aan de Hasseltsepoort afbraken, trokken in 1935 3,5 fr. per uur. Een ongeschoolde in de bouw verdiende 3,68 fr. Arbeidsters begonnen in 1937 met een uurloon van 1,75 fr. Een keukenmeid moest genoegen nemen met maandelijks 300 fr., maar die genoot ook nog kost en inwoon. Al kostte een brood van anderhalve kilo slechts 1,50 fr., toch waren velen blij als er ergens een bedeeld werd. Armen uit de stad gingen bij de boeren een boterham schooien. Sommige diensten reikten soep uit. Er werd armoede geleden!

 

491. Zuinig is de boodschap

Het was de tijd dat we nog met muntjes rekenden van 5, 10, 25 en 50 centiemen en met frankskes [ deze tekst werd geschreven voor de invoering van de euro ]. Voor 25 centiem had men in 1935 al een zakje frieten. Voor 75 centiem kon men een glas bier bestellen, voor 1 frank een cervelaatworst. Tabak Van der Elst 50 gr kostte 2 fr., een krant 35 centiem, maar hij was veel dunner dan nu. Voor een pond gehakt betaalde men 4 fr. Een pond biefstuk stond 6 à 7 fr. genoteerd. Een pond spek niet veel minder: 5 à 6 fr., maar bij het bakken kon men kostbaar broodsmeersel recupereren. Het mag goedkoop lijken, maar de lonen waren navenant. Zuinigheid was de boodschap. De kranten namen geregeld reclame op voor stroop, die naar ze beweerden even voordelig de boter verving, zo voedzaam was en waarop de jeugd zo dol was. De prijs van de boter schommelde om de 18 fr. voor 1 kilo. Voor wie echte boter onbetaalbaar was geworden en reuzel te min, beloofde een margarinefabrikant: ‘La vie est belle et sans souci, pour qui de Solo se nourrit’. In het Frans klonken die beloften zoveel mooier, want vele mensen zagen het niet meer zitten.

 

492. Zuinig overal

Voor het tot je doordrong dat margarine het leven zorgeloze maakte, moest je wel een mondje Frans kennen. Maar het Sint-Elisabethgasthuis heette in Diest nog ‘Hôpital Civil’. Onze straatnaamborden waren nog tweetalig. Veranderde een straat wel eens van naam, zoals de Nieuwstraat in Guido Gezellestraat, dan kwam er een eentalig Nederlands naambord. Sommige raadsleden hadden wel voorgesteld ze meteen allemaal eentalig te maken, maar de meesten vonden dat het geld daarvoor beter voor sociale doeleinde besteed werd. Het stadsbestuur wilde de mensen ook wat zuinigheid bijbrengen. Met carnaval 1932 verboden de vroede vaderen maskers te dragen om onbezonnen verteer af te remmen. Veel mensen besnoeiden hun uitgaven spontaan. In 1935 bleef er maar één danszaal over, terwijl men er in 1919 één aantrof op vijf herbergen. Na de oorlog mocht men plots iedere zondag ban houden. In 1936 liet het stadsbestuur wel maskers toe, maar men moest zich eerst op het politiebureau aangeven, 2 à 3 fr. betalen en dan kreeg men een nummer. De opbrengst ging naar het ‘Werk van de Melk’, voor zuigelingen in arme gezinnen.

 

493. Lichtpunten I

Sinds 1930 brachten kinderbijslagen een beetje verlichting voor loontrekkenden met een kinderrijk gezin. Zelfstandigen zouden hierop tot 1937 moeten wachten, toen onze economie reeds beter draaide. Met Kerstmis 1931 riepen onze bisschoppen de gelovigen op tot een kruistocht van christelijke liefdadigheid. Wie nog niet onder de crisis te lijden had, vroegen ze soberder te leven. In zijn encycliek ‘Caritati Christi’ wees Pius XI erop dat de mensen moesten terugkeren tot de juiste verhouding tussen werken en rusten. Die was nu zoek, tot groot nadeel van het economische en morele leven. De paus stond dus enigszins een verkorting van de arbeidsduur voor, zodat meer mensen aan de arbeidsmarkt konden deelnemen. Een deeltje van hun langere vrije tijd konden ze dan besteden aan gebed, hulp van boven. In St.-Sulpitius vormden de Vincentianen en Dames van barmhartigheid een hulpcomité. Die vrouwelijke tak van het Vincentiusgenootschap bestond in Diest sinds 1928. Ze bezorgden vooral ingezamelde kledingstukken.

 

494. Lichtpunten II

In de Lievevrouwparochie gaf het Vincentiusgenootschap in 1932 aan bepaalde kinderrijke gezinnen een brood van 2 kilogram. Wegens de crisis ging die steun zelfs tijdens de zomer door. Veel vermochten de Vincentianen niet, want hun bedelsermoenen leden ook onder de crisis. Want voetbal en film hielden de mensen uit het lof; daar kwam minder geld in de collectebus. In 1935 kregen behoeftige kinderen vanwege milde schenkers driemaal per week een kosteloze koffiemaaltijd in de grote zaal van Ons Huis op de Langesteenweg. De vrouwengilde diende hierbij op; in 1936 voor 200 kinderen. Vele kinderen kwamen immers nuchter naar school. Daarom wilden sommigen opnieuw de schoolsoep invoeren in de gemeentescholen, maar dit voorstel werd verworpen. De stad probeerde werklozen een baan te bezorgen bij de afbraak van de forten. Maar het ministerie weigerde subsidie. Daarop ging de stad daarvoor een lening aan, die ze zou afbetalen met de verkoop van gronden die na de sloop vrijkwamen, bijvoorbeeld aan de huidige Koningin-Astridlaan. Diest was overigens de enige gemeente in het kanton die werklozen een bijslag schonk.

 

495. Lichtpunten III

Tijdens de crisis besloten de kerkmeesters van de Lievevrouwparochie de landpacht te verlagen, want ook de landbouwers klaagden steen en been. Ze ontvingen nu 42 % minder voor hun varkens dan in 1929 en 70 % minder voor hun aardappelen. Boter en eieren volgden dezelfde trend. In 1933 bood het plan-De Man een sprankeltje hoop. Met een grootse campagne propageerde het een nieuw beleid. Om de economie van het land gezond te maken, stelde het voor sommige sectoren te nationaliseren en arbeidsplaatsen te scheppen door werken van openbaar nut te laten uitvoeren. Het wou ook aan de boeren tegemoetkomen en aan de bedreigde middenstand. In de grotere steden lokten immers nieuwe warenhuizen als Priba, Uniprix en Sarma klanten met ongelooflijke prijzen. Om die standen te bereiken, zegde het plan vaarwel aan de klassenstrijd. Dat nam iedereen in de socialistische partij van De Man niet. Een geleide staatseconomie streek ook de grote industriëlen tegen de haren in. Daarom kreeg het plan van De Man nauwelijks een begin van uitvoering. De socialistische voorman kwam in Diest zijn plan voorstellen in de Flora (de latere Century). Leden van de fietsclub ‘Het rode Wiel’ doorkruisten de dorpen met tussen hun spaken: ‘Plan De Man!’. Enthousiasme was er genoeg.

 

496. Verschijningen I

In die sfeer van armoede en onrust zochten velen hun toevlucht tot een hogere macht. Nood deed bidden. En ze kregen een teken. Tussen 29 november 1932 en 3 januari 1933 zagen vijf kinderen in Beauraing herhaaldelijk een witte dame met blauwe gordel en gouden hart. De kranten stonden er vol van. De mensen stroomden ernaartoe. Bij de laatste verschijning waren 25.000 personen samengekomen, ook velen die alles met een kritisch oog bekeken. In januari en februari 1933 zag een elfjarig meisje uit een arm gezin in Banneux Maria. Ze stelde zich voor als de Maagd der armen. De Kerk sprak zich over deze gebeurtenissen nog niet uit. Maar spoedig vertrokken er geregeld bussen uit Diest naar deze Waalse oorden.

 

497. Verschijningen II

Weldra begonnen mensen uit verschillende plaatsen Onze-Lieve-Vrouw te zien. Spotters ensceneerden zelfs verschijningen om vrome lieden voor het lapje te houden. Zwakke geesten kregen waanvoorstellingen. De verwarring steeg ten top. Wat moest men bij dit alles denken? De kerkelijke overheid reageerde zeer gereserveerd. De toeloop naar sommige plaatsen keurden de bisschoppen nadrukkelijk af. Naar oorden waar het bovennatuurlijke van de gebeurtenissen niet vaststond, mochten de priesters geen bedevaarten inrichten. Maar de verering van Maria te Beauraing en Banneux kreeg na ernstig onderzoek enkele jaren later de kerkelijke goedkeuring. Vooral de devotie voor de Maagd der armen liet overal sporen na in kapelletjes en beelden, zoals Lourdes dat gedaan had. De bisschoppen wezen bij hun goedkeuring op de betekenis van deze verschijningen: ‘Zowel in Beauraing als in Banneux heeft de Moeder van God ons herhaald dat ze het verlossingswerk van haar Zoon blijft ondersteunen, door het lijden te verlichten en zondaars te bekeren’.

 

498. Herstel I

In 1935 slaagde een regering waarin de drie nationale partijen van toen zetelden, erin de economie in ons land uit het dal te halen. Ze devalueerde fors de frank. Daardoor werden onze goederen aantrekkelijk voor het buitenland. Onze export verdubbelde. De goedkope frank lokte ook veel buitenlanders naar de Wereldtentoonstelling van Brussel dat jaar. Het aantal werklozen daalde tot 100.000. Het dagelijkse minimumloon bedroeg toen 32 fr. Arbeiders kregen voortaan zes dagen vakantie met loon. Vroeger genoten alleen mensen in staatsdienst en bankbedienden en werknemers van een erg sociale baas dit voorrecht. De gewone man zag nu voor het eerst de zee en de Ardennen. Radiotreinen brachten hen voor een prikje naar de mooiste plekjes. Via luidsprekers kregen de reizigers inlichtingen over de bezienswaardigheden en muziek. Muziek kreeg stilaan meer plaats in het leven dankzij de radio. Steeds meer mensen konden zich zo’n toestel aanschaffen. Vanaf 1934 moesten werklozen geen luistergeld meer betalen.

 

499. Herstel II

Voor een radiotoestel betaalde men nu reeds minder. Enkele prijzen uit 1934 in Diest voor thans verdwenen merken. Een F.N.R. met 7 lampen kostte 2350 fr., Radio Stokvis 2200 fr., N.S.F. 2450 fr., Radiobell 2650 fr. Maar daarvoor moest een vader met het minimumloon 70 à 80 dagen werken! Zelfs in de Begijnenstraat trof men toen twee radiowinkels aan! Een radio stoorde nog niet het straatbeeld: er hoefde geen antenne op het dak, zoals achttien jaar later met de beginnende televisie. Maar op plaatsen met druk verkeer was de muziek soms ongenietbaar wegens vreselijk gekraak. Zoals nu de kabelmaatschappij treffelijke beelden aflevert, zorgde een radiocentrale op de Grote Markt voor een goede ontvangst bij de aangeslotenen via een leiding langs de gevels. Leden konden platen of enkele zenders beluisteren. Vanaf 1937 stemden velen af op Radio Loksbergen, een katholieke privé-zender voor Limburg en Oost-Brabant. De zender stond in Loksbergen, maar de studio bevond zich in Diest aan de Turnhoutsebaan. De directeur, G. Keersmaeckers, zou later omkomen in het verzet.

 

500. Langs de straten I

Het was de tijd dat de ringlaan rond Diest nog niet bestond. Alle verkeer moest dus de stad doorkruisen. Alhoewel nog veel besteld werd met handkarren, bakfietsen, bestel- en bierwagens met paardentractie, groeide het gemotoriseerde verkeer gestaag. Reden er anno 1920 in België nog maar 20.000 motorrijtuigen, dan circuleerden er in 1930 reeds 160.000 personen- en vrachtwagens en autobussen. Nieuwe verkeersregels probeerden dat alles in goede banen te leiden. Het politiereglement van Diest bepaalde in 1930 dat auto’s en motoren in de stad slechts tegen 12 km per uur mochten rijden. Aan het kruispunt van de Leuvensestraat met de Botermarkt regelde een agent het verkeer, evenals op de Grote Markt. Aan de Christusogen zorgde een spiegel voor meer veiligheid. In 1934 legde de minister op dat auto’s voortaan met een teken te kennen moesten geven dat ze van richting veranderden. Fietsers moesten voortaan een rood achterlicht hebben. In 1937 kreeg het kruispunt aan de Botermarkt een verkeerslicht, de hoek van de Koning-Albertstraat en de Schaffensestraat een jaar later.

 

501. Langs de straten II

De Schaffense- en de Koning-Albertstraat floreerden. Buitenlieden troffen in eerstgenoemde maar liefst twee zaadhandels: een Kempense en een Brabantse. De straat was een goudmijn voor slagers en bakkers. Een garage verkocht er – het zal wel eens voorgevallen zijn – onze nationale trots: auto’s Minerva. Maar ook in volle stad, in de Overstraat, Hasseltsestraat en elders ontbrak het niet aan garages van bekende merken. Niet dat die al in het bereik waren van de gewone man. Voor een goedkoop Belgisch merk, Imperia, dokte men in 1938 26.900 fr. af. Meer indruk maakte men natuurlijk met een Chevrolet cabriolet. Die kostte 45.000 fr. in 1935, zoveel als een nieuwe arbeiderswoning met alle comfort van toen. Sinds 1922 bezochten de Diestse socialisten in de Schaffensestraat hun Volkshuis en coöperatieve winkel. In 1931 openden ze er hun feestzaal. Aan koffiebranderij Stroobants kruiste een stoomtram de straat, op weg naar het station. De trams vertraagden en de jeugd liet zich een tijdje meerijden op de treeplank, niet altijd zonder ongevallen. Sinds 1932 reden er op de lijn naar Koersel motorwagens, die hun doortocht met een herhaald poeha aankondigden. Zo’n snelle dieseltram bracht de reiziger in 65 minuten van Diest naar Leuven.

 

502. Langs de straten III

In de Bruidstraat brachten een paar kruidenierswinkels nog een karige bijverdienste. Hier en ook elders in de stad woonden er nog landbouwers en tuiniers. Wie aardappelen teelde, leefde met de vrees dat ook in Diest de coloradokever zou opduiken en de struiken kaal vreten. Als men er een vond, moest men dat in 1936 bij de burgemeester melden. Deze bracht dan per telegram de minister van landbouw op de hoogte. Anno 1938 ontdekte men in Diest het eerste exemplaar aan de Leuvensepoort. De strijd kon beginnen. Vele Diestse senioren hebben in de Overstraat nog de kliniek van dokter P. Van de Kerkhof gekend. De neogotische Kredietbank heette nog Volksbank. Spreuken in de gebrandschilderde ramen van de lokettenzaal riepen de cliënteel op bedachtzaam met hun geld om te springen. Dan volgden de middelbare school voor jongens en voor meisjes. De stedelijke scholen voor basisonderwijs liepen stilaan leeg, omdat je daar bijna gratis middelbaar onderwijs kon volgen. Er was groot gebrek aan klassen om dat op te vangen. Voor de jongens werden er in 1933 elf moderne lokalen aanbesteed op de Veemarkt. De meisjes echter zouden nog lang in de gebouwen huizen, waar in de 19de eeuw nog bejaarde armen een onderkomen hadden gevonden.

 

503. Langs de straten IV

Een kant van de Veemarkt was nog afgelijnd met lage huisjes. Vele veekooplui kwamen er ’s woensdags een opkikkertje gebruiken. In die tijd waren er geen ijzeren staven genoeg om de koeien aan te binden. Sommige kooplui brachten iemand mee om het vee vast te houden. Grotere schooljongens verdienden zo soms wat zakgeld. De Zevenweeënstraat was toen veel smaller. Er moest nog geen verkeer naar de ringlaan. Na de Tweede Wereldoorlog werd ze verbreed, doordat men de bakstenen warandemuur afbrak en een stukje afnam van de erfenis van dokter Verstappen. Er kwamen een lage omheining en nieuwe kapelletjes. De Vestenstraat wachtte tot 1932 op een riolering. Maar het stiefkind was de F. Allenstraat: die was in 1939 nog niet gekasseid. Zonder de fabriek ‘Allard’ betekende ze een verloren hoek, want het nieuwe atheneum verrees er pas na de Tweede Wereldoorlog. Grotere drukte heerste er in de nauwe Antwerpsestraat. Aan de kant van de fortificaties stonden ook nog huizen. Het verkeer uit richting Veerle naar Tessenderlo en Beringen moest nog onder de Schaffensepoort duiken. Wel werden er reeds plannen gemaakt voor een rechtstreekse verbinding buiten de stad, maar de uitvoering startte slechts onder de Duitsers.

 

504. Langs de straten V

Voorbij de Fonteingang met zijn sigarenfabriek waren de schilderachtige huisjes met hun puntgevel nog niet verdwenen in de Begijnenstraat. De jongens van de stedelijke basisschool en van de broederschool in de Kruisstraat brachten er nog veel leven. De psychiatrische inrichting van de Grauwzusters was nog zeer bescheiden, maar ze bood ook onderdak aan een kraaminrichting. In de M. Theysstraat stroomde nog de Verversgracht. De brouwerijen Ooms, Duysters, Cerckel brouwden nog hun Gildebier, Kerelsbier, Kerstbock, Super-Diest, Dortox, Galapils, limonade Bola. De St.-Jozefskliniek beperkte zich tot een grote burgerwoning tegen de straat. De Koning-Albertstraat trok vele kooplustigen. Verdwenen zijn er het complex van de katholieke arbeidersbeweging, Ons Huis, met zijn feestzalen, café, diensten, Welvaartswinkel. Het atheneum vond er ook onderdak – bij manier van spreken – in het versleten voormalige cellenbroedersklooster. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde het naar betere oorden aan het Weerstandsplein. Over de post spreken we in volgende bijdragen.

 

505. Post en telefoon I

Na vele omzwervingen in de stad, onder meer langs de burgerlijke godshuizen in de Overstraat, waar later de rijksmiddelbare meisjesschool kwam, langs ‘De Haan’ op de Grote Markt, werd er voor de post in 1901 eindelijk een treffelijk kantoor gebouwd in de Koning-Albertstraat. Het ranke torentje was geen fantasietje. Via deze openingen liepen de luchtleidingen van de telefoon naar de centrale die in hetzelfde gebouw werd aangebracht. Communicatie gebeurde toen nog hoofdzakelijk per post. De post werd zelfs tweemaal daags bezorgd en de krant ook op zondag besteld. Tussen 1930 en 1941 schommelde het port voor een brief van 70 centiem in 1930 tot 75 centiem in 1938 en 1 frank in 1941. In 1930 telde ons land nog maar 224.805 telefoonaansluitingen, Diest volgens het telefoonboek ongeveer 160. Maar de Diestse centrale bediende ook Assent, Bekkevoort, Engsbergen, Halen, Kaggevinne, Meldert, Molenstede, Schaffen, Zelem. In Diest kon men rechtstreeks verbonden worden met Aarschot, Brussel, Hasselt, Leuven. Voor andere oproepen, bijvoorbeeld Antwerpen, moest de centrale eerst een andere centrale uit de omgeving opbellen om de oproep door te verbinden. Alle aansluitingen gebeurden nog handbediend. Omdat de zone Diest niet belangrijk was, bestond er nog geen nachtdienst.

 

506. Post en telefoon II

Afgaande op de telefoonnummers was de verffabriek Mathijs uit Zelem de eerste aangeslotene van de zone Diest. Hommelen, koloniale waren op de Botermarkt, kreeg nummer twee, brouwer Maris – Van Nitsen in de Proosdij nummer drie. Betekende dit dat deze abonnees het eerst waren toegetreden of gebruikte men een ander criterium voor de nummering? Het hoogste nummer was 228. Deken Du Bois en pastoor Lens beschikten nog niet over een toestel. Maar ook het atheneum en het college en andere scholen kon men nog niet telefonisch bereiken. Dokters, notarissen, banken, nijverheden, het gasthuis, de alexianen, het gemeentebestuur en de politie schatten dit communicatiemiddel reeds naar waarde. Gewone mensen konden het zich nog niet permitteren. Maar zij konden nog in de post terecht tussen 8 en 12 en tussen 14 en 18 uur. Een tweede centrale in het primitieve station was open van 7 tot 21 uur.

 

507. Gouden bruiloften I

Zeldzaam waren echtparen die vroeger hun gouden en diamanten bruiloft mochten vieren. De mensen huwden later en stierven jonger. Maar iedereen leefde toen meer verbonden met elkaar: toerisme begon pas. Voor verzet was je aangewezen op de eigen gemeente: met de kermis, het toneel, de wielerwedstrijden, het voetbal. Het werd intenser beleefd. Bij gouden bruiloften leefde de hele buurt mee. In volgende bijdragen genieten we mee met sommige jubilarissen uit de parochie van vóór 1940. In 1905 feestte de Schaffensestraat om Jan Haesevoets en Coleta Verboven. Om 9 uur woonden ze de dankmis bij in de Lievevrouwkerk. De hele straat was versierd met praalbogen en duizenden ballonnetjes. Alle huizen vlagden. ’s Avonds lokte een feestelijke verlichting met kaarsjes en vetpotjes veel volk. De Koninklijke Harmonie en de fanfare Sint-Cecilia brachten een serenade. Ook twee zangverenigingen deden mee: het ‘Lyrisch Zanggenootschap’ en Concordia. Een prachtig vuurwerk sloot de feestelijkheden af.

 

508. Gouden bruiloften II

In 1911 huldigde de Schaffensestraat de echtelingen J. Moestermans – Vaes. Weer overal praalbogen, vlaggen en jaarschriften. Weer kwamen de fanfare en de harmonie ’s avonds spelen. Maar ditmaal verliep het niet zo vreedzaam. In de stad heerste toen een gespannen politieke sfeer. De harmonie speelde het strijdlied en het Vrijheidslied, dat Raf Verhulst had gedicht toen Diest een halve eeuw liberale meerderheid had gevierd: ‘Naar Diest, naar Diest, de groene vest. Oase nog in zandwoestijn!’ Vooral het refrein werd een meezinger: ‘Voor vrijheid, voor vrijheid van geest en van gedacht!’ Burgemeester Robeyns en katholieke raadslieden die ook hun opwachting maakten, werden uitgefloten. Wat later kwam de oorlog. De lust en het geld om te feesten ontbraken. Er verschenen ook geen plaatselijke weekbladen om de jubileums te verslaan. Bovendien zagen de Duitsers manifestaties van het volk met lede ogen aan, want die groeiden telkens uit tot gelegenheden om zijn vaderlandsliefde te luchten.

 

509. Gouden bruiloften III

Op 5 april 1926 waren Frans Luyten en Maria Rodet uit de Bruidstraat vijftig jaar gehuwd. Een interessante toelichting die toen nog voor vele bejaarden gold: Frans had reeds vanaf zijn tiende aan de bouwwerf van de forten rond Antwerpen gewerkt. Na een mis in de Lievevrouwkerk werd het paar op het stadhuis ontvangen en het kreeg er twee zetels. De Bruidstraat was prachtig versierd met boompjes, praalbogen en jaaropschriften. De nieuwe elektrische verlichting gaf aan het geheel een ongekende glans. De Koninklijke Harmonie, Sint-Cecilia en de nieuwkomer, de harmonie ‘Vermaak na Arbeid’, brachten er hun muzikale hulde, evenals twee koren. De viering van Justin De Coster – Keuninckx uit de Bruidstraat in 1927 verliep volgens hetzelfde schema. In juli 1929 kwam het echtpaar E. Gerst – Corten met een koets naar de kerk langs de versierde Antwerpse- en Schaffensestraat. Na de gebruikelijke serenade werd er ’s avonds een vuurwerk afgestoken. Jules Van Hoof en Pauline Clerx uit de Pesthuizenstraat vierden hun gouden bruiloft anno 1930 in bescheiden kring. De crisis stak op. Maar de mis in de kerk en de serenade van de muziekverenigingen ontbraken niet.

 

510. Gouden bruiloften IV

Frans Luyten en Marie Rodet konden in 1936 nog hun diamanten bruiloft vieren. De stad zorgde voor een beiaardconcert, de Lievevrouwkerk voor een meerstemmige jubelmis met orkest. Op hun tocht naar het stadhuis ging een gekostumeerde stoet de jubilarissen vooraf. De hele wijk was versierd en verlicht. Op dat ogenblik telde Diest reeds vier muziekverenigingen: de Koninklijke Harmonie, St.-Cecilia, Vermaak na Arbeid en de jongste aanwinst, de ‘Peter Benoitkring’. Zij zorgden voor de muzikale noot. Natuurlijk ontbrak het volksbal niet. Tot laat in de nacht weerklonken de populaire deuntjes van toen: ‘Daar bij die molen’, ‘Twee ogen zo blauw’, ‘Regendroppels’. Ook de andere wijken van de stad volgden bij hun hulde aan gouden en diamanten jubilarissen hetzelfde stramien. Tussen 1930 en 1940 mochten steeds meer deze gelukkige dagen beleven. Bij ons weten sloten Frans Rodet en Rosalie Oeyen uit de Bruidstraat in april 1939 het rijtje af tijdens de behandelde periode. Bruidstraat en Grauwzustersstraat hadden weer hun beste beentje voorgezet. Eind augustus dat jaar begon de mobilisatie en hing een nieuwe oorlog in de lucht. Het hoofd stond niet meer zo op feesten.

 

511. Gouden priesterjubileum

Waren gouden bruiloften destijds eerder zeldzaam, dat een priester de 50ste verjaardag van zijn wijding nog in eigen parochie kon vieren, viel nog minder vaak voor. In november 1907 mocht de pastoor van de Lievevrouwparochie, Franciscus Oliviers, dat beleven met de uitzonderlijke assistentie van kardinaal Mercier. De pastoor had hem nog zijn eerste lessen Latijn gegeven en de jongen had zijn mis gediend (zie nr. 340). De fanfare Sint-Cecilia en de kinderen van de parochie haalden de jubilaris af aan de pastorie. De jongens droegen Belgische vlaggetjes, de meisjes bloemen en planten. Er stapte ook een rij herdertjes mee. De meeste huizen vlagden. Pastoor Oliviers had een aangenaam karakter en hield van zijn mensen. In de prachtig versierde kerk had de kardinaal plaatsgenomen op een troon. Hij hield een feestsermoen in het Vlaams. Het parochiekoor zong de veelstemmige mis ‘In nomine Jesu’ van Jos Vrancken onder leiding van Adolf Hermans. Na de mis overhandigde de kardinaal een zilveren relikwie van St.-Franciscus van Sales (patroon van de jubilaris) aan de pastoor. De Mariacongregatie schonk een kazuifel. En de pastoor liet brood uitdelen aan de armen. Op rust in Diest mocht hij nog zijn 65 jaar priesterschap vieren.

 

512. Installatie van nieuwe pastoors I

Vroeger bleven pastoors lang in dienst. Ze werden in de Lievevrouwparochie steeds bijgestaan door jeugdige onderpastoors en konden rekenen op de hulp van de kruisheren en de leraars van het college. Voor de hele 19de eeuw volstonden vijf titularissen: P. Van Hout (reeds sinds 1794), G. De Groot, H. Timmermans (door een hartkwaal geveld), Fr. Vervoort en Fr. Oliviers. Die nam pas ontslag in 1912. Werd dus ergens een nieuwe pastoor benoemd, dan ging dit niet ongemerkt voorbij. Aan de grens van de parochie, gewoonlijk aan de Antwerpsestraat, want sinds 1865 kon men naar Diest sporen, stond dan een triomfboog. Langs bevlagde en versierde straten reed de nieuwe herder in een koets naar de kerk. Een hele stoet ging vooraf: katholieke fanfare, turnvereniging, boerenbond, patronaat, arbeidersverenigingen, congregaties, genootschap van de H. Familie, broederschappen. Op andere plaatsen groeide dit uit tot een echte optocht met gekostumeerde groepen en wagens die de taak van de pastoor uitbeeldden. Een heuglijk evenement!

 

513. Installatie van nieuwe pastoors II

Op 13 mei 1912 werd Ernest Van de Velde plechtig in de Lievevrouwparochie aangesteld. Als onderpastoor van de Lievevrouwkerk te Tienen had hij nog gediend onder de jongere broer van zijn voorganger Oliviers. Hoe een dubbeltje rollen kan! In Tienen was hij proost geweest van de Xaverianen, met hun fanfare en gymnastische afdeling. Aan het postkantoor, waar de parochie begint, bood het dochtertje van postmeester Van der Molen hem een ruiker bloemen aan. Een stoet van 82 maagden, een herder met zijn lammetje, St.-Jan Berchmans, katholieke verenigingen uit Diest en Tienen brachten hem naar de kerk. Aan de ingang overhandigde de dochter van kerkmeester Bruyninckx hem de sleutels en getuigde in naam van de jeugd van wat een pastoor voor hen betekende. Het viel op dat de aanwezigen in de kerk het ‘Veni Creator’ meezongen, het gebed tot de H. Geest. Het parochiale kinderkoor verzorgde het Mariagezang voor de paastijd, ‘Regina Coeli’. Dan las een getuige de benoemingsbrief voor. Deken Verstrepen leidde de nieuwe pastoor naar de doopvont, biechtstoel, kansel, tabernakel en communiebank, waar hij zijn ambt zou uitoefenen. Tijdens de receptie in de Patria was de nieuwe pastoor aangenaam verrast daar ook door burgemeester Robeyns en gemeenteraadsleden te worden begroet. In Tienen waren de verhoudingen met het stadsbestuur toen meer gespannen.

 

514. Installatie van nieuwe pastoors III

Pastoor Van de Velde overleed plots in november 1930. E.H. Jan Lens, doctor in de natuur- en wiskunde, volgde hem op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij aalmoezenier geweest bij de Zwarte Duivels, fietsers bekend om de verrassende aanslagen die ze aan de vijand toebrachten in het begin van de krijgsverrichtingen. Op zondag 14 december werd hij plechtig aangesteld. Met strooibiljetten wakkerde het feestcomité de mensen aan om pastoor Lens goed te onthalen: ‘Parochianen van Onze-Lieve-Vrouw, onthaal uw nieuwe herder op hartelijke en geestdriftige wijze! Bevlag uw huizen, versier uw gevels met jaarschriften, vooral in de straten waar de stoet doortrekt’. Ook vroeg het op 14 december eens te communiceren en die communie aan Maria Onbevlekt Ontvangen aan te bieden, opdat pastoor Lens in zijn opdracht zou slagen. De gelovigen gingen toen nog niet zo vaak te communie, want meestal ging daar de moeilijke karwei van de biecht aan vooraf.

 

515. Installatie van nieuwe pastoors IV

E.H. Lens werd aan de Antwerpsepoort afgehaald. Een lange rij schoolkinderen en verenigingen bracht hem door de Antwerpsestraat, de Schaffense-, de Koning-Albert-, Paal-, Over- en Bruidstraat, langs de Zevenweeën-, Kruis- en Begijnenstraat, door de hele parochie dus, naar de kerk, voor de aanstelling door deken Dubois. Dit keer kon de feestzitting op eigen territorium gebeuren: in de zaal van de christelijke sociale werken, Ons Huis, in de Koning-Albertstraat. De voorzitter van de kerkfabriek maakte van zijn toespraak gebruik om het gemeentebestuur te vragen, dat het tussenbeide zou komen bij het herstel van het kerkdak. Hij wees ook op een betere afsluiting van het parkje langs de Begijnenstraat. De tand des tijds en de ravottende jeugd hadden daar reeds lelijk toegeslagen. De beginnende recessie zou hier echter stokken tussen de wielen steken. Het duurde nog jaren vóór die wensen in vervulling gingen. Maar toen onze economie weer wat opleefde, in 1935, werd de onooglijke afsluiting weer toonbaar. Niet toevallig in het jaar van de Wereldtentoonstelling van Brussel: België en Diest verzorgden hun etalage!

 

516. Herstel van het kerkdak

Maar liefst 2000m² dak van de Lievevrouwkerk moest dringend worden vernieuwd. De uitvoering werd op 166.500 fr. geraamd. Een frank was toen nog geen onooglijk muntje (zie nrs. 490-491). Toch besloot de kerkfabriek in 1931 door de zure appel te bijten. De parochie moest zelf de helft van de uitgaven dekken. Voor de rest zouden het rijk, de stad en de provincie tussenbeide komen, maar de provincie zegde haar bijdrage af. Het aandeel van de parochie zelf lag zomaar niet in een laatje te rapen. In 1934 lieten de kerkmeesters in de stad een inschrijvingslijst circuleren. Destijds een beproefd middel om fondsen te verzamelen, want op zulk een open lijst wilde niemand zich blameren. Ze bracht 33.250 fr. op, ondanks de crisis. Het ontbrekende werd bij het Gemeentekrediet geleend. Die som hoopte het kerkbestuur met Vlaamse kermissen te kunnen afbetalen. In 1935 kreeg Frans Van Schoubroeck het werk toegewezen en hij startte op 22 juli.

 

517. Vlaamse kermissen I

Omdat men er iets terugkrijgt, houden de mensen op een Vlaamse kermis – het kind heeft vele namen – de hand minder strak op de knop van hun geldbeugel. Dat wisten ze in Diest reeds lang vóór de Eerste Wereldoorlog (zie nr. 298). In die tijd, toen gevoel en verbeelding troef waren, vonden velen het zalig eens de prachtige parken van brouwer Pieck, notaris Van Assche, rentenier Denis Verstappen en anderen te betreden. Voor haar eigen Vlaamse kermis kon de Lievevrouwparochie daarom nergens beter terecht dan in de tuin van de voormalige pastorie in de M. Theysstraat (thans politiebureau). De oudere Diestenaars hebben die nog in zijn volle glorie gekend. In 1605 had pastoor Emmerick dit perceel met woning geërfd van een weldoenster. De vroegere pastorie naast de kerk was immers tijdens de troebelen van 1580 vernield. Het huidige gebouw van rond 1760 is van de hand van de Antwerpse kunstenaar Frans Somers, die in 1754 het beeldhouwwerk van het hoofdaltaar van de parochiekerk had vervaardigd (zie nrs. 97 tot 102).

 

518. Vlaamse kermissen II

Nu nog ziet men de lange voortuin die van de straat naar het huis leidt. Maar achter de pastorie lag een uitgestrekt goed dat tot aan de Demer reikte. Vóór de Franse revolutie verhuurden sommige pastoors een groot stuk aan een tuinier, die naast de pacht ook nog groenten en fruit afleverde. Tot aan de Franse overheersing bediende een witheer van Tongerlo de Lievevrouwkerk. Kloosters onderhielden toen beduidend meer vleesloze dagen dan de gewone gelovigen. Daarom bezat de pastorie ook een vijver, die de nodige vis bezorgde. Overigens was het goed een mengsel van moestuin, boomgaard en lusthof met bruggetjes, bloembedden, bomen, struiken en kronkelpaadjes. In dergelijk park verwachtte men cupido’s en andere voorstellingen uit de Oudheid. In het park van de pastoor prijkte een St.-Franciscus in terracotta. Vroeger had hij de tuin van het minderbroederklooster in dezelfde straat gesierd (gewezen brouwerij Cerckel). Maar de Fransen hadden dat klooster van de kaart geveegd. Nu zat deze grote natuurvriend, die voor vogels en vissen had gepreekt, rustig te mediteren in het groen van de pastorietuin.

 

519. Vlaamse kermissen III

De tuin van de voormalige pastorie van de Lievevrouwparochie bood dus de geschikte omgeving om een liefdadigheidsbazaar in te richten. Een eerste had plaats op 22, 23 en 24 augustus 1936. De prijzen van de onvermijdelijke tombola kon men achteraf afhalen in het zaaltje van het patronaat naast de kerk. Over dit lokaal handelen we later. Over de Vlaamse kermis van 1937 beschikken we over meer gegevens. Men kon er deelnemen aan een koers voor konijnen, een ballonwedstrijd, vissen, tombola, of het poppenspel bekijken en wat gebruiken in de cafetaria. Ondanks de beslommeringen om de Berchmansfeesten zag men in 1938 niet van het parochiefeest af. In 1939 was er weer een Vlaamse kermis gepland, maar toen stak de mobilisatie stokken in de wielen: alles werd afgelast. De verkoop van de loterijbriefjes was echter reeds aan de gang. Wie reeds een lotje gekocht had, kwam er nochtans niet bedrogen uit. De trekking zou op de tweede kerstdag gebeuren, toen de nieuwe parochiezaal ingewijd werd. Hoeveel deze feesten in het laatje brachten voor de afbetaling van het kerkdak, weten we niet.

 

520. Berchmansviering 1938 I

In 1938 herdacht Diest dat Sint-Jan vijftig jaar geleden heilig was verklaard. In de dertiger jaren van de vorige eeuw genoot de heilige Diestenaar nog een zekere belangstelling vanwege de katholieke studerende jeugd. Op zijn sterfdag in augustus pelgrimeerden duizenden scholieren en studenten naar Diest en Scherpenheuvel. Soms werden ze daar onthaald op een spreekkoor, zoals in 1935 op ‘Jeugdlitanie’. Pater Jozef Boon, bekend om zijn massaspelen als het Heilig-Bloedspel te Brugge, had het geschreven. Zijn leerlingen uit het college van Essen en de K.S.A. van Diest voerden het op. Arthur Meulemans, dirigent bij de nationale omroep, componeerde en begeleidende muziek voor beiaard voor. Sint-Jan had ook nog een ruime plaats in het hart van vele Diestenaars. Gewone mensen overhaalden het feestcomité tot grootsere dingen dat dit aanvankelijk gepland had, bijvoorbeeld een historische praalstoet. Een wat luisterrijke processie zou vlugger in elkaar gestoken zijn met de reeds bestaande processiegroepen.

 

521. Berchmansfeesten 1938 II

Het feestcomité maakte kundig gebruik van de toenmaals moderne veroveringen als elektriciteit, radio, film en pers. E.N.B., de elektriciteitsverdeler, zou stroom leveren tegen een verminderd tarief en ervoor zorgen dat een sterk verbruik vlot kon verlopen, want ze zou kwistig omgesprongen worden met deze nieuwkomer uit 1924. In de grote straten verrezen lichtzuilen met natuurlijke bloemen en planten. In de Schaffensestraat bijvoorbeeld waren er sobere pijlers, bekroond met palmboompjes. De Sulpitiuskerk, het stadhuis, het Spijker, het huis van Oranje, de begijnhofpoort, de Ezeldijkmolen baadden onder het licht van sterke schijnwerpers. Boven de Schaffensepoort straalde een reusachtig kruis. Radio Loksbergen zond de voornaamste plechtigheden uit; het N.I.R. bracht reportages. Voor het bioscoopjournaal werden opnamen van de versiering en de plechtigheid gedraaid. De pers versloeg breed de verschillende manifestaties, ook de buitenlandse als De Maasbode, Le Matin, Le Journal de Roubaix, de Osservatore Romano.

 

522. Berchmansfeesten 1938 III

Diest verwachtte een massatoeloop. Er waren vijf grote bewaakte parkeerplaatsen voorzien voor 1400 voertuigen, o.a. één op de speelplaats van de huidige Warandeschool. Zoveel auto’s zullen er wel niet verwacht zijn: de fiets was nog het populaire verkeersmiddel. Het Rode Kruis zorgde voor drie hulpposten bij gebeurlijke ongevallen. In ons verslag over de plechtigheden beperken we ons tot enkele opvallende gebeurtenissen. Van overal waren relikwieën van Sint-Jan samengebracht in de kerk van Kaggevinne. Die was in 1923 voltooid en toegewijd aan de jongen die daar zo dikwijls in de buurt gepasseerd was op bedevaart naar Scherpenheuvel. De avond van 12 augustus bracht een indrukwekkende fakkeltocht de relieken naar de St.-Sulpitiuskerk. Frans van Immerseel had daarvoor een praalwagen ontworpen: een gouden zuil met nissen voor de relieken, geflankeerd door vier zilveren engelen van beeldhouwer Albert Poels. Het geheel verried meesterhanden!

 

523. Berchmansfeesten 1938 IV

Op zaterdag 13 augustus bracht de jeugd op een reusachtig podium op de Grote Markt het massaspel ‘Heilige van Droom en Daad’. Marcel Brauns s.j. had de tekst geschreven en Antoon van de Velde voerde de regie. Hij genoot grote bekendheid met zijn toneelstukken Tijl en Radeske en maakte nog meer naam als regisseur van massaspelen, zoals het Heilig-Bloedspel te Brugge. Op 14, 15 en 21 augustus gingen de praalstoet en de processie uit. Ze bestonden uit 27 groepen en 11 praalwagens. Binnen het bestek van deze parochiekroniek kan het niet de bedoeling zijn al dat heerlijks te beschrijven, maar een paar groepen uit de Lievevrouwparochie roepen we wel in herinnering. Het wijkcomité van de Schaffensestraat beeldde het ambacht van de leerlooiers uit, waartoe vader Berchmans behoorde. De eikenschors om huiden te looien lieten ze malen in de Ezeldijkmolen.

 

524. Berchmansfeesten 1938 V

De Koning-Albertstraat bracht Arnold IV tot leven. Deze heer van Diest had de kapel aan de boet van de Warande, waar de burchtbewoners de mis bijwoonden, aan de abdij van Tongerlo geschonken. Ze groeide uit tot de Lievevrouwkerk. Ook het begijnhof dankt zijn ontstaan aan hem. Maar in de stoet kreeg deze heer een meer spectaculaire rol: te paard in het gezelschap van andere edelen voor de jacht, met helpers, drijvers en een meute honden. Andere groepen evoceerden o.a. de lakenhandel, wijnteelt, de ziekenzorg, het begijnhof. Sint-Jan had mensen van verschillende gezindheid weer bijeengebracht. In de processie viel een afdeling van 115 Nederlandse Graalmeisjes op met hun ruime mantels, grote hoeden met brede rand en veertig vaandels. Deze meisjesorganisatie trok overal de aandacht met haar stijlvol, spectaculaire optreden, bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse stille omgang in Amsterdam en hun Pinksterfeest aldaar. Ook de rest van de processie leefde dankzij zingende en palmen wuivende engelen uit Hanswijk, Scherpenheuvel, Maastricht en Kaggevinne. Diest deed er inspiratie op voor toekomstige sacramentsprocessies.

 

525. Berchmansviering 1938 VI

Op 15 augustus kwam de Katholieke Turnersbond hulde brengen aan de jeugdheilige. Om 10 uur droeg pastoor Lens voor hen de mis op. De Lievevrouwkerk was te klein. Onder leiding van Fr. Pulinckx zong het parochiekoor de mis van A. De Boeck voor knapen en mannen. Tijdens het offertorium weerklonk het bekende Panis Angelicus van C. Franck. Na de mis defileerden een duizendtal turners met hun vlaggen voorbij het geboortehuis van Sint-Jan. ’s Namiddags stapten ze in de praalstoet voor de wagen met relieken. Toen de duisternis inviel, vergastten ze de talrijke kijklustigen op fijne balletten en halsbrekende oefeningen. Kleurrijke lichteffecten maakten de uitvoering nog fantastischer. Heel die tijd ontbrak het niet aan culturele manifestaties. Op zondag 14 en 21 augustus konden de mensen ’s avonds op de Grote Markt genieten van de Jubelcantate die Edward Vereydt, vóór de Eerste Wereldoorlog organist van St.-Sulpitius, in 1921 gecomponeerd had ter ere van Sint-Jan. E.H. J. Maes, godsdienstleraar aan het atheneum, schreef de tekst. Een groot orkest met bazuinen en trompetten begeleidde het koor (samen 250 uitvoerders) onder leiding van M. Troosters. Woensdag die week bracht het befaamde Vlaamse Volkstoneel onder Staf Bruggen het stuk ‘Kinderen van ons Volk’ van A. Coolen, dat toen furore maakte. Augustus 1938 zou lang in het geheugen leven!

 

526. Het patronaat I

In nrs. 385 tot 399 schreven we over de eerste patronaten in Diest. Na de Eerste Wereldoorlog sloegen de activiteiten met de jeugd andere richtingen in. Nieuwe bewegingen voor specifieke doelgroepen zagen het licht in Diest, o.a. scouts, K.A.J. en K.S.A. Maar welmenende mensen bleven een oog hebben voor de talrijke niet-georganiseerde jeugd, zowel in de St.-Sulpitius- als in de Lievevrouwparochie. Het patronaat van laatstgenoemde gebruikte de tuinen die de kerkfabriek bezat achter de eerste huizen van de Bruidstraat. Sinds lang stond er ook een klein lokaal langs de Begijnenstraat, waar nu Club Tijl is. In de dertiger jaren van vorige eeuw stond het ’s zondags open voor de oudere jongens, de vrije namiddag op donderdag voor de meisjes. De onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouw, de kapelaan van het begijnhof en vrijwilligers hielden het draaiend. De Sulpitiusparochie beschikte natuurlijk over ruimere mogelijkheden in het complex van de Peetersstraat (nu Uylenspiegel), beschreven in nrs. 398 en 399.

 

527. Het patronaat II

Na de Eerste Wereldoorlog echter wilden steeds meer organisaties het complex in de Peetersstraat gebruiken. In de grote zaal liep een resem toneelopvoeringen van katholieke bewegingen. Door het succes van het witte doek groeide de Patria stilaan uit tot een heuse bioscoop, waarvoor de trouwe patronaatsjeugd soms een vrijkaartje kreeg, maar deken Dubois met zijn verenigingen soms in de weg liep. Hij zocht uitkomst in de Lievevrouwparochie, die achter de kerk voldoende terreinen bezat voor een ruim lokaal. Voor pastoor Lens kwam dit goed uit. Hij droomde van een onderkomen voor de catechese. De kerkfabriek van Onze-Lieve-Vrouw verpachtte daarom in juni 1939 voor 99 jaar een perceel aan de parochiale werken van het decanaat, om er een parochiezaal te bouwen. De planmakers hadden er geen vermoeden van wat hun boven het hoofd hing. Want spoedig volgden mobilisatie, oorlog tussen Duitsland en Frankrijk – Engeland. Maar toch kon de nieuwe zaal op tweede kerstdag 1939 ingezegend worden, gevolgd door een gezellig samenzijn. De jongens van het patronaat voerden korte schetsen op over het reilen en zeilen van de parochie. De tombola van de in september afgelaste Vlaamse Kermis werd eindelijk getrokken (zie nr. 519).

 

528. Het patronaat III

De zaal rechtvaardigde haar bestaan. Sinds september krioelde het in Diest immers van soldaten, die het naburige Albertkanaal moesten verdedigen. Toen ze hier hun draai gevonden hadden, organiseerden ze allerlei feesten om de manschappen te verstrooien en ook om behoeftige gezinnen van opgeroepenen te ondersteunen. De Casino en de Patria konden de aanvragen soms niet meer slikken. In de Lievevrouwparochie voerden de meisjes van het patronaat ‘Christene heldinnen’ op, ten voordele van het Vincentiusgenootschap. Ironie van het lot: voor 13 mei 1940, tweede pinksterdag, kondigde het parochieblad ‘De Klok’ nog een gezellig samenzijn voor de ouders aan, waar de groten de ouders op toneelstukjes zouden vergasten. Maar die dag zouden de Duitsers vóór de Schaffensepoort staan en de buurt met artillerie bestoken! Tijdens de oorlog moesten de activiteiten van de bewegingen zo onopvallend mogelijk gebeuren, met het oog op de bezetting. In 1945 hervatte de katholieke turnkring er haar oefeningen. Ook de K.A.J. en V.K.A.J. traden er nu op, want ze waren hun thuishaven, Ons Huis, in de Koning-Albertstraat kwijt. Het patronaat ging nog altijd door. Onder de impuls van M. Leenaerts groeide het stilaan uit tot Jeugdclub Tijl.

 

529. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie  I

In nrs. 417 tot 423 hebben we de geschiedenis van het parochieblad behandeld tot 1930. Om een of andere reden schakelde de Lievevrouwparochie na 1930 ook over op vier bladzijden klein formaat (27,5 bij 18 cm). De economische crisis in het begin van de dertiger jaren was er misschien niet vreemd aan. Het werd gedrukt bij de broeders Uten en voerde als titel ‘Onze Klok. Parochieblad van Onze-Lieve-Vrouw’. In april 1940 was het aan zijn 19de jaargang toe. Het verscheen maandelijks en bevatte ook het nieuws van het begijnhof, niet van de St.-Sulpitiusparochie. Het paasnummer van dat jaar besteedde veel aandacht aan Pasen, de paascommunie die de pastoor tijdens de paasweek zou brengen aan zieken en bejaarden. Mannen en tieners werd dringend verzocht dan het H. Sacrament met licht te vergezellen. Omdat Pasen in 1940 reeds op 24 maart viel, had de bisschop de plechtige communie voor de kinderen, die anders 14 dagen voor Pasen gebeurde, naar 28 april verschoven. Vier dagen ervoor begon voor hen een soort retraite. Ook over het begijnhof biedt dat nummer interessante wetenswaardigheden. Destijds werd de catechese ook na de plechtige communie voortgezet. Catechismus van volharding heette dat. In 1939-1940 omvatte die 35 lessen. Zestien kinderen van het begijnhof volgden die!

 

530. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie  II

Het aprilnummer van ‘Onze Klok’ 1940 bevat enkele bijzonderheden over het verloop van de plechtige communie destijds. In 1940 ging het om 11 jongens en 16 meisjes. Die hadden twee jaar catechese gevolgd en zouden dat onderricht afronden in de catechismus van volharding. Op de heuglijke dag verzamelden de kinderen om halfzeven (’s morgens) in het parochiepatronaat. Onder klokkengelui en orgelspel stapten ze in stoet naar de kerk voor de communiemis van zeven uur. Om tien uur waren ze weer op post voor de hoogmis en de vernieuwing van de doopbeloften. Het feestelijke middagmaal thuis onderbraken ze voor het lof van drie uur, met opdracht aan Maria en Te Deum. Dan ontvingen ze ook een gedachtenis. In het begijnhof had alles hetzelfde verloop  voor vijf jongens en drie meisjes. Daar onthaalde kapelaan Dorsfeld hen na het lof in zijn kapelanij. De kapelaan kondigde ook aan dat hij in de week van 28 april in de huizen jaar jaarlijkse collecte zou doen voor de St.-Pieterspenning (zie nr. 259). Was alles volgens ‘Onze Klok’ verlopen, dan hadden ze op maandag na Pinksteren (13 mei) Leonardus gevierd met zijn begankenis. Volgens oud gebruik kon men in de Lievevrouwkerk de meioefeningen volgen ’s avonds om halfacht met rozenhoedje, lezing uit een vroom boek, kort lof, Marialied en de verering van haar relieken. De oorlog zou al deze plannen doorkruisen.

 

531. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie  III

In ‘Onze Klok’ van St.-Sulpitius, nr. 75 van 1939, vinden we ook interessante informatie. Er wordt aangekondigd dat in de processie van 11 juni voor de eerste keer een groep zingende engelen zal optreden onder begeleiding van instrumenten. Ze zullen het ‘Loflied der engelen’ zingen van de Limburgse componist Jaminé. Groepen uit Maastricht en Mechelen hadden dit voorgedaan tijdens de Berchmansviering van 1938. De zusters van de Voorzienigheid bezorgden weer eens de nodige uitvoerders, gewaden, vleugels en palmen. Zij stoffeerden trouwens een groot deel van de stedelijke sacramentsprocessie en die van de Lievevrouwkerk op 15 augustus. De groep oogstte grote bijval, maar voor een volgend optreden zou ze tot na de oorlog moeten wachten. Het parochieblad bevatte ook een oproep om de pas geopende schatkamer van de Sulpitiuskerk te bezoeken. En een teken des tijds: de parochiejeugd was in mei in groten getale komen bidden voor de vrede, waartoe Pius XII de gelovigen had uitgenodigd.

 

532. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie  IV

De Duitse bezetting maakte een einde aan de grote vooroorlogse parochiebladen als ‘De Ster’ en ‘Onze Plicht’. De pers was voortaan aan censuur onderworpen. De vele kleine plaatselijke kerkelijke blaadjes in het oog houden was ondoenlijk. Daarbij slorpten ze zoveel schaars papier op, dat de Duitsers voor eigen doeleinden wilden gebruiken. Maar bij de gelovigen wilde het bewind voorlopig nog niet de indruk wekken dat het tegen het geloof was. Daarom aanvaardde de bezetter in februari 1941 het voorstel van het Studiecentrum voor Zielzorg en Predikatie van de dominicanen om één groot blad uit te geven met godsdienstige informatie: ‘De Stem uit het Vaderhuis’. Zo viel er minder in de gaten te houden en werd er minder papier verspild. Het blad zou maandelijks op klein formaat verschijnen (22 bij 29 cm). Plaatselijk mochten drukkers op de achtste bladzijde het eigen parochienieuws drukken. Deken Dubois centraliseerde de abonnementen voor Diest. Drukker Uten drukte de Diestse kerkelijke bladzijde. Een jaarabonnement (12 nummers) kostte 1,4 fr. In Diest waren er in 1943 675 abonnees; sommigen kregen het blad kosteloos dankzij de kas van de deken.

 

533. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie V

Op het einde van de oorlog waren er reeds 372 parochies aangesloten bij ‘De Stem uit het Vaderhuis’. Ondanks het kleine formaat kregen de lezers er een hele verdieping van hun geloofskennis en concrete wenken voor hun gedrag in deze moeilijke tijden: de armen gedenken, woeker vermijden, kalm blijven. Men vond er ook praktische tips om met eenvoudige, nog voorhanden zijnde dingen nog wat lekkers op tafel te brengen. Over het oorlogsgebeuren hield het blad gedwongen zijn mond. Na de bevrijding gaf Diest weer een eigen parochieblaadje uit op de pers van M. Uten, bij wie tot in 1954 ook ‘De Diestenaar’ verscheen. Datzelfde jaar startte bij hem ‘Het Hagelands Nieuws’, dat zich tot de hele streek richtte. De verantwoordelijke uitgever was eerst de v.z.w. Wehani, sinds 1958 De Ark. De groep inspireerde zich aan het streven van prof. E. Vliebergh († 1925). Deze had het leven op het platteland bestudeerd en in zijn boek ‘Het Hageland’ wilde hij de gemeenschapszin van de mensen versterken en hen bewust maken van hun eigen mogelijkheden.

 

534. Het parochieblad van de Lievevrouwparochie VI

Het doel van ‘Het Hagelands Nieuws’ was wel hoog gegrepen. Het bracht nieuwtjes en belangrijk nieuws uit dorpen en steden van de streek, interessant of vervelend, en sloeg niet zo goed aan. Dit weekblad was geen parochieblad. Maar in 1960 begon de samenwerking met Halewijn – Parochieblad Antwerpen, dat vroeger ‘De Stem uit het Vaderhuis’ had verspreid. Voortaan gaf de eerste bladzijde parochiaal nieuws van St.-Sulpitius, Onze-Lieve-Vrouw, St.-Catharina, Webbekom, Kaggevinne, de kruisheren, St.-Martha en de kapel van de alexianen. Na de stichting van de Jan-Berchmansparochie werd ook daarover bericht. De binnenbladzijden bevatten godsdienstige artikelen van het Studiecentrum Antwerpen en het gebruikelijke streeknieuws zoals vroeger. Het laatste nummer volgens deze formule verscheen met Kerstmis 1966. Op de voorzijde prijkte reeds de titel ‘Het Hagelands Parochieblad’. In 1967 verdween ‘Het Hagelands Nieuws’. Zijn taak als parochieblad nam ‘Kerkelijk Leven’ over, dat nu vlotter ‘Kerk en Leven’ heet.

 

535. Nieuwe glasramen I

 

536. Nieuwe glasramen II

Glazenier Frans Crickx kreeg de opdracht. Hij was geboren in Sint-Gillis in 1893 en overleed te Jette in 1979. Van 1927 tot 1967 leidde hij te Laken in de Kunstenaarsstraat een van de grootste glasschildersateliers van het land. Hij werkt gewoonlijk naar tekeningen van L. Ch. Crespin (Sint-Joost-ten-Node 1892-1953). Fr. Crickx kreeg opdrachten voor openbare gebouwen, maar vooral kerken deden een beroep op hem, meer dan 500! En niet van de minste: o.a. de basiliek van Koekelberg, kerken in Turnhout, Hoogstraten, Tervuren. Dichter bij ons vindt men werk van hem in St.-Germanus Tienen (1947) en in de O.-L.Vrouwkerk van Aarschot, waar hij het leven en de verheerlijking van Maria oproept. In hetzelfde gebouw kan men niet naast het grote raam boven het westportaal kijken: het Laatste Oordeel naar een ontwerp van H. Hizette. Het werk van Crickx valt op door zijn sprankelende kleuren. Voor de Lievevrouwkerk van Diest leverde hij werk tussen 1937 en 1962.

 

537. Nieuwe glasramen III

Aan de Lievevrouwkerk bezorgde Fr. Crickx ramen voor de zijbeuken in 1938, 1940, 1942, 1957 en 1962. Het werk was over jaren gespreid: in één keer had de parochie dat nooit kunnen bekostigen, want de vooroorlogse ramen kostten 4000 toenmalige franken het stuk. Blak vóór 1940 betaalde men voor een ei ongeveer 0,50 fr., voor een pakje waspoeder Vigor 1,35 fr., voor 250 gr Solo 2,5 fr. Vierduizend frank doeg men zomaar niet in zijn portefeuille! De nieuwe ramen stellen taferelen uit het leven van Maria voor. Aan de kant van het St.-Jozefsaltaar: de aankondiging van Jezus’ geboorte, het bezoek aan Elisabeth, de geboorte en opdracht van Jezus, Jezus als twaalfjarige in de tempel. In de andere zijbeuk, beginnend achteraan: Maria onder het kruis, Maria met de dode Jezus op de schoot, O.-L.-Vrouw ten hemel opgenomen. Origineler is het volgende tafereel: Maria spreidt haar beschermende mantel over de Lievevrouwkerk. Zulk een ‘mantelmadonna’ was in onze streken een niet zo vaak voorkomend thema. Diest was de inval van 1940 zonder groot onheil doorgekomen. Een dankbare weldoenster schonk daarom dit venster in 1942. Dat gebaar was ook toekomstgericht: vanaf 1942 dreven de geallieerden immers hun bombardementen op. In tegenstelling met de buursteden Leuven, Aarschot en Hasselt ontkwam Diest bijna heelhuids aan de luchtaanvallen van 1943 en 1944. Belangrijke doelwitten waren er in het eigenlijke Diest wel niet te vinden, maar in de oorlogsvoering verloopt alles niet altijd volgens de nuchtere logica.

 

538. Nieuwe glasramen IV

In 1957 zou dezelfde weldoenster nogmaals haar dankbaar hart tonen met een raam. Andere parochianen hadden reeds de weg gewezen. Daarvan getuigen de vensters van Maria’s bezoek en de opdracht in de tempel. Sommige mensen hielden de reden van de schenking voor zich, terwijl het allereerste glasraam, de aankondiging van Jezus’ geboorte, eerder bedoeld was als herinnering aan de afgelopen herstellingswerken en het afscheid van de voorzitter van de kerkfabriek. Ter gedachtenis aan het Eerste Vaticaans concilie (1870) had de kerk de preekstoel gekocht (zie nrs 264 tot 271). Leidinggevende kringen in de Lievevrouwparochie beseften dat het Tweede Vaticaans concilie een nieuwe mijlpaal voor de Kerk zou worden. De opening van dit concilie in 1962 herdacht de parochie door met Jezus lerend in de tempel en met een raam in de toenmalige doopkapel (nu Berchmanskapel) heel toepasselijk: het doopsel van Jezus. De bergruimte aan de andere kant van het portaal kreeg een eerder statisch en conventioneel uitgevoerd tafereel: Jezus thuis te Nazareth.

 

539. Nieuwe glasramen V

Fr. Crickx en zijn tekenaars lieten zich niet leiden door de symboliek en de voorschriften van de neogotiek, die in de 19de, begin 20ste eeuw de kerkelijke kunst beheersten. Anderzijds moesten ze hun werk inpassen in een vroeggotisch gebouw. Daarom omlijstten ze hun taferelen met gotische motieven. In zulk gebouw met smalle vensters heerste een gedempte sfeer. Om deze stemming te versterken, gebruikte de glazenier in al zijn taferelen een bebloemde blauwe achtergrond. De onderschriften van de ramen zijn zeer verzorgd. Behalve met één bondig Nederlands “Uit dank 1957”, licht de kunstenaar zijn werk toe in sierlijk, dichterlijk Latijn. Binnen het korte bestek van deze bijdragen laten we u even proeven. Bij de geboorte: ‘Laetantis infante in praesepio genitricis praesidio fruantur oblatores’. Betekent: ‘Dat de schenkers de bescherming mogen genieten van de moeder die zich verblijdt om het kind in de kribbe’. Bij de Piëta: ‘Triste flevit uxor in obitu Joseph. Genitrix in amplexu geniti saginati. Christo, puerperae, Joseph hoc offerunt donatores’. In vertaling: ‘Bedroefd weende de echtgenote bij de dood van Jozef, de moeder die haar zoon, het offerlam, omhelsde. Aan Christus, aan de moeder, aan Jozef offeren de schenkers dit’.

 

540. Naar een Tweede Wereldoorlog I

Wie in de late dertiger jaren de krant las of luisterde naar het gesproken dagblad, zoals de nieuwsberichten op de radio toen heetten, vreesde terecht dat er niets in huis zou komen van de droom ‘Nooit meer oorlog’. In 1938 schafte Diest zich een sirene voor luchtalarm aan, die elke maand getest werd. In september 1938, toen Hitler delen van Tsjecho-Slowakije opeiste, werden in België vijf lichtingen opnieuw onder de wapens geroepen. De kardinaal schreef een gebed voor de vrede voor, dat de priesters in iedere mis baden. Gelukkig mochten onze jongens op 1 oktober weer naar huis. Voor de militaire overheid was het een leerrijke oefening geweest voor de algemene mobilisatie in augustus 1939, toen Frankrijk en Engeland niet langer lijdzaam toekeken als Duitsland Polen binnenviel. In volgende stukjes brengen we enkele flitsen uit de Tweede Wereldoorlog die de Lievevrouwparochie raken. Onze beschikbare bronnen en het bestek beperken de bijdragen. Maar mogelijk zullen ze ertoe bijdragen dat sommige feitjes niet uit het geheugen verdwijnen.

 

541. Naar een Tweede Wereldoorlog II

Ook de Spaanse burgeroorlog (1936-1939), toen vele Diestenaren zich ontfermden over vluchtelingetjes uit het anti-Francokamp, leerde de mensen wat ze in zulke moderne oorlog mochten verwachten. In juni 1939 oefende de provincie Brabant voor luchtbescherming. De straatverlichting moest gedempt worden of uitgeschakeld, hindernissen met witte strepen aangewezen. Cafés zouden een lichtsluis moeten aanbrengen, voor wie in- of uitging. De stad ontving een motorspuit voor de brandweer, gasmaskers en zandzakjes. Het Rode Kruis leerde dat laatste materiaal te gebruiken. Eind augustus 1939 werd ons leger opnieuw op voet van oorlog geplaatst. Pastoor Lens stond er een hele tijd alleen voor, want zijn pas benoemde jonge onderpastoor, A. Laeremans, en de helpers uit het college waren eveneens onder de wapens geroepen. ’s Avonds hield men in alle kerken dagelijks een gebedsuur voor de vrede. In Sint-Sulpitius woonden 800 mensen dagelijks die oefening bij. In de Lievevrouwkerk baden de aanwezigen dan het rozenkransje van de Zeven Smarten van Maria. Ze gebruikten daarvoor een speciaal paternoster met zeven tientjes om zeven pijnlijke gebeurtenissen uit het leven van Maria te overdenken. In de parochie was Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën sinds eeuwen een begrip (zie nrs. 34 tot 37 en 353 tot 357).

 

542. Mobilisatie

Dat de kostwinner opgeroepen werd, kwam hard aan voor de gezinnen. Zijn vrouw moest het stellen met dagelijks 8 fr., plus 3,50 fr. per kind. De wederopgeroepene kreeg van het leger dagelijks 0,30 fr. zakgeld, vanaf oktober één frank, de prijs van een pilsje. Voor noodlijdende gezinnen verrezen dus overal steuncomités. Talentrijke militairen richtten overal feesten in om hun kameraden te ontspannen en deze comités te steunen. Een toneelavond en collecte van de scouts spekte de kas van het Vincentiusgenootschap. Het Rode Kruis richtte een atelier in om kledingstukken en linnen te herstellen. Voor de gemobiliseerden ‘ergens te velde’ werden boeken en tijdschriften ingezameld. Voor soldaten die soms wat behoefte hadden aan een rustig hoekje, richtte het Davidsfonds in de Patria een leeszaal in, waar naast lectuur ook een kopje koffie en briefpapier ter beschikking stonden. Er kwam een strenge winter. In de verblijfplaatsen te velde werd veel kou geleden. Goede zielen breiden voor onze jongens handschoenen, dassen en bivakmutsen. Die laatste waren in ons land een vreemd verschijnsel, de mensen noemden ze passe-montagnes. Ook gewone burgers raakten door hun voorraad steenkolen, want de hevige vorst belemmerde de aanvoer.

 

543. Luchtbescherming

Om de burgers tegen luchtaanvallen te beschermen, voorzag de stad openbare schuilplaatsen in de Casino, De Haan, de Molensteen, de kazematten aan de Leuvense- en de Antwerpsepoort. Die hadden eertijds als onderkomen voor soldaten en opslagplaatsen gediend. Aan de Hasseltsepoort en aan café Georges, waar een wandelweg naar de Demer begon (nu Valleilaan), werden loopgraven gegraven. Het stadsbestuur lichtte de mensen ook in hoe ze hun woning tegen luchtaanvallen konden beveiligen. Sommige mensen kleefden plakband op hun ruiten. Maar bij de vliegeniers van Schaffen was de oorlog reeds een stukje bittere realiteit. Met hun Hurricanes, de modernste toestellen waarover België toen beschikte, probeerden ze vreemde vliegtuigen die ons luchtruim schonden, te onderscheppen. Bij zulk een treffen boven de Ardennen werd een Schaffense piloot dodelijk getroffen. Anderen overleefden het neerhalen van hun toestel. Diest leefde met hen mee, want vele vliegeniers logeerden in de stad en zetten er wel eens de bloemetjes buiten.

 

544. 10 mei 1940

Op 10 mei 1940 werd het voor de piloten en voor de burgers plots menens. In de morgen tussen 4.30 en 5.45 uur bombardeerden de Duitse vliegtuigen het vliegveld van Schaffen en vernielden daarbij onze beste toestellen. Bij hun terugvlucht maakten ze zich af van hun overgebleven bommen boven de E. Robeynslaan en maakten er slachtoffers onder de burgers. Op 11 mei bestookten de Duitsers de drukke verkeerswegen aan de ingang van de stad, het arsenaal, de omgeving van de gasfabriek. Hierbij werden 46 woningen zwaar beschadigd of vernield. Bij de luchtaanvallen van 10 en 11 mei bleef de Lievevrouwparochie gespaard, maar vele Diestenaars ontvluchtten de stad. Te land rukte de vijand snel op. Het Belgische leger blies de bruggen aan de Zwarte Beek, aan het station, onder de tramlijn naar Beringen en de middelste brug aan de Schaffensepoort op. Op maandag 13 mei tegen de avond stonden de Duitsers reeds voor die poort. Met hun artillerie beschoten ze de buurt. Op dinsdag 14 mei trokken de eerste Duitsers door Diest.

 

545. Een kort verslag I

Korte tijd na de wapenstilstand vroeg de kardinaal inlichtingen over de parochies en scholen. In het decanaat Diest was het nergens tot een massavlucht gekomen, tenzij in Schaffen. Niet zo verwonderlijk daar, na het bombardement van 10 mei en met de herinnering aan de terreur in augustus 1914 in dat dorp. Dat alles had ook elders veel mensen op de loop gebracht. In het decanaat waren 17 op de 21 pastoors op post gebleven. Door het springen van een brug hadden de kerk van Kortenaken en die van Molenstede schade opgelopen. Op dat ogenblik waren er in het bisdom Mechelen, dat toen ook de provincie Antwerpen omvatte, 38 kerken geheel of gedeeltelijk vernietigd en 82 waren er met kleine of grote schade van afgekomen. In de Lievevrouwkerk waren de ramen licht getroffen, gelukkig niet de gebrandschilderde. Een projectiel was door het dak van het patronaat gedrongen. Ook de kroonlijst en het dak van de pastorie waren licht getroffen.

 

546. Een kort verslag II

Pastoor Lens stelde ook enkele vragen, want de instructies van de kardinaal geraakten maar moeilijk ter bestemming: alle communicatie was nog ontredderd. Moest het dagelijkse lof voor de vrede nog doorgaan? Nu hij alleen voor de diensten stond, vroeg hij of hij het aantal zondagsmissen tot drie mocht terugbrengen: die van halfzeven, acht en tien uur. Om meer dan één mis per dag te mogen celebreren had de priester een speciale toestemming nodig, die niet zo gemakkelijk verleend werd. Zijn onderpastoor en de helpers uit het college waren nog krijgsgevangenen. In april 1940 waren er 507 priesters van het bisdom Mechelen opgeroepen. Veel tijd om een voorgeschreven gebed ten tijde van oorlog op te leggen was de bisschop niet gegund geweest: ‘Moge de Almachtige deze gruwelijke tijd verkorten en de woestheid der aanvallers bedwingen’. Dat kon je nu moeilijk hardop in de kerk lezen, zelfs in het Latijn. De kardinaal schreef nu een gebed voor ter ere van het H. Hart voor het behoud van ons vaderland.

 

547. Een moeilijke tijd

Voor de gezinnen, voor de Kerk en de Lievevrouwkerk brak nu een moeilijke tijd aan. Allerlei waren werden stilaan onvindbaar of onbetaalbaar voor gewone mensen. Ook de liturgie in de kerk moest zich daarnaar schikken. Normaal mocht men in de godslamp vóór het tabernakel alleen maar dure olijfolie gebruiken. Nu keurde de bisschop ook andere olie goed, zelfs petroleum, die zelf al een schaars goedje werd. Later vond hij zelfs een elektrisch lampje goed. Voor de mis was vroeger een bepaald aantal kaarsen voorgeschreven uit echte bijenwas. Nu volstond het als er nog één echte waskaars ontstoken werd vanaf de prefatie. De viering mocht beginnen met gewone vetkaarsen. Toen die ook zeldzaam werden, mochten elektrische namaakkaarsen in de plaats komen. Aan de kerk te verwarmen viel niet meer te denken met schlamm, kolenstof die je soms op de kop kon tikken. Zelfs lucifers waren schaars. Gelukkig bestonden er nog geen avondmissen, wel vroegmissen, want er mocht geen lichtstraaltje naar buiten schijnen. Verduister de ramen van een kerk maar! Deze ongemakken waren echter niets vergeleken met de narigheid die de gezinnen ondervonden, maar die zal de oudere generatie wel doorvertellen.

 

548. Een moeilijke tijd voor de Kerk I

Destijds werden we nog niet overspoeld door nieuwsuitzendingen. Maar ook wie vóór 1940 slechts eenmaal in de week ‘De Gazette van Diest’ las, kon vermoeden welke moeilijke tijd de Kerk van ons land nu te wachten stond. Na 1933 hadden de berichten uit Duitsland steeds nieuwe rampzaligheid gebracht: aanhoudingen, ontbinding van de katholieke verenigingen, verbod van publicaties, verdachtmakingen… Tijdens de jaarlijkse retraites voor priesters had kardinaal Van Roey herhaaldelijk gewaarschuwd voor de gevaarlijke theorieën van het racisme en hen aangespoord de jongeren de ogen te openen. En toch hebben sommigen na de oorlog beweerd dat de Kerk onder één hoedje met de bezetter speelde! De eerste maanden van de oorlog bleek dat die in een land waar het geloof nog zoveel invloed had, er niet op uit was direct moeilijkheden met de Kerk te zoeken. Achteraf is het geweten dat de militaire bevelhebber van België en de grote man van het burgerlijke bestuur geen nazi’s waren. Ze behartigden de belangen van Duitsland, maar gingen conflicten en wrijvingen zoveel mogelijk uit de weg. Ze werden argwanend door de partij-instanties op de vingers gekeken. Een doorn in het oog van de nazi’s waren de bestaande katholieke organisaties.

 

549. Een moeilijke tijd voor de Kerk II

Katholieke organisaties bloeiden in ons land. Sinds de Eerste Wereldoorlog spoorde de Kerk de gelovigen immers aan meer deel te nemen aan het apostolaat (zie nrs. 467 tot 475). Gewone leken konden immers mensen bereiken waarop priesters geen invloed meer hadden. Zulke verenigingen bekeek de bezetter met argwaan. In vergaderingen in de kerk voor godsdienstige vorming met als thema ‘Gaven en deugden van de apostolaatsactie’ of ‘De bovennatuurlijke grondslag van de persoonlijkheid’, vonden de Duitsers geen graten. Andere, meer geladen onderwerpen waren echter taboe. Volgens het Duitse boekje moest voor elke vergadering toestemming worden gevraagd aan de verantwoordelijke Duitse commandant. Vooral jeugdbewegingen werden in het oog gehouden. Vergaderen in openlucht en optochten werden verboden. Door hun spel, ontspanning, fysieke training kwamen de jeugdbewegingen in het vaarwater van verenigingen die een nieuwe orde, in nazigeest, voorstonden en de hele jeugd van het land wilden aanpakken. Toen kardinaal Van Roey in 1943 protesteerde tegen het roven van de kerkklokken, sloegen de Duitsers terug. Ze verboden aan de scouts en de K.A.J. nog een uniform te dragen. We wijden nu enkele bijdragen aan beide bewegingen die zeer bedrijvig waren op het grondgebied van de Lievevrouwparochie.

 

550. De scouts bloeien I

Was het misschien omdat er anders nog weinig te beleven viel voor jongeren, dat de jeugdbeweging zo een aantrek had? Over de K.A.J. vóór de oorlog schreven we reeds onder nrs. 471 tot 475. Over de scouts repten we toen nog niet, omdat ze in het begin vooral in het college bedrijvig waren. E.H. Schammel, die de groep in 1919 mee had opgericht, was in de Lievevrouwparochie geen onbekende. Deze collegeleraar deed soms dienst in de Lievevrouwkerk. Zijn vader, gewezen wiskundeleraar aan het college van Tienen, woonde in de Begijnenstraat. Met Kerstmis 1919 legden de eerste scouts van de St.-Jan Berchmansgroep hun beloften af. In het begin hadden ze dikwijls vergaderd en gespeeld in de stedelijke jongensschool in de Grauwzustersstraat (nu Dorlandcentrum). In 1933 ontstond een tweede groep, Sint-Tarcisius, die zich speciaal tot de leerlingen van het atheneum richtte. Zij vergaderden onder andere in de broederschool (nu Warandeschool).

 

551. De scouts bloeien II

Drijvende krachten achter deze groepen waren onder anderen de zonen van Frans Draye, kerkmeester van de Lievevrouwparochie, en E.H. André Van Dijck en zijn zussen. De oorlog bood de padvinders – ‘scouts’ hoorden de Duitsers niet zo graag – gelegenheid tot nieuwe Goede Daden. Na de capitulatie, toen alle communicatie nog lam lag, organiseerden ze met toestemming van de Kommandantur samen met andere scoutsafdelingen een koerierdienst, zodat men wat nieuws kreeg van zijn her en der verstrooide familie en vrienden. In 1942 bij de ramp van Tessenderlo – de fabriek was daar ontploft – waren ze bij de eerste helpers. Hadden de leerlingen van het atheneum en het college reeds hun scoutsgroep, wat ze in Diest toen nog de volksjeugd noemden, viel nog tussen de mazen. Zij ging deken Dubois bijzonder ter harte. Hij opende de ogen van vele leiders voor dit braakliggende terrein.

 

552. De scouts bloeien III

Voor de volksjeugd werd een derde groep scouts gesticht in 1941, de Don Bosco-groep. Ze vergaderden in de broederschool en beschikten over een lokaal onder de toneelzaal van de Lievevrouwparochie. Ze speelden op de open ruimte achter het koor van de Lievevrouwkerk. Soms sneuvelde er wel eens een ruit. De groep trok velen aan. Tijdens de winter 1942-1943 slaagde de leiding erin om elke zondag een voedzaam middagmaal aan de welpen voor te schotelen. De latere deken van Diest, Van Uytven, bedelde daartoe de nodige waren bij goedhartige landbouwers van Kortenaken, waar hij toen pastoor was. Ze hadden iets over voor die stadsmusjes. Andere goede zielen bekommerden zich om de kleding van de minst bemiddelden. De Don Bosco-groep zou na de oorlog een beter onderkomen vinden in de forten. In 1950 smolten Sint-Tarcisius en Don Bosco samen tot de Sint-Jorisridders.

 

553. De scouts bloeien IV

Eindelijk, op 4 mei 1941, sloeg het uur van de vrouwelijke tak van de beweging, de gidsen. Zeventien gegadigden traden aan bij de meisjes van de middelbare school: Sint-Lutgardis. In het begin moesten ze het lokaal van de deken in de Kruisstraat nog delen met de burgerjeugd. Iedere bond kreeg daarin twee muren die hij mocht versieren en ook dagen waarop hij mocht vergaderen. Maar soms hadden de andere gebruikers alles in wanorde achtergelaten, de versiering en leuzen niet gerespecteerd. De deken moest voortdurend bemiddelen. In november volgde de groep van de meisjes van de Voorzienigheid, Sint-Godelieve. Sint-Lutgardis hield geslaagde kampvuren op de speelplaats van de broederschool, natuurlijk op klaarlichte dag. Langzamerhand leerden ze de geplogenheden van de bond kennen. Hun Goede Daden pasten ze aan de actuele noden aan. Met Kerstmis brachten groepjes speelgoed, snoep, bloedworst en taart naar enkele behoeftige gezinnen. Na het uniformverbod door de Duitsers voelden de gidsen zich een beetje als samenzweersters, als ze in de pas gingen of ongevraagd bosspel hielden. Dat maakte alles nog aantrekkelijker.

 

554. Strijdbare kajotters en kajotsters I

Nog meer dan jeugd als scouts en K.S.A. waren de christelijke arbeidersbewegingen een ergernis voor de Duitsers. Hadden ze in bevriende organisaties nog geen die de gehele jeugd volgens de nieuwe beginselen zou kunnen opleiden, op sommige takken van de sociale beweging had de bezetter reeds de hand kunnen leggen: de vakbonden. Om stand te houden in de storm gaven de christelijke verenigingen hun leden dan ook een stevige vorming in studiekringen. Zo deed ook de K.A.J. Ze beschikten nog over lokalen in Ons Huis in de Koning-Albertstraat. Maar ze kwamen ook elders bijeen. Toestemming vroegen ze niet. Vanaf 1942 konden sommige jongens plots gegrepen worden om in Duitsland te gaan werken. Volgens Cardijn moest de K.A.J. zorgen voor de alzijdige belangen van de jonge arbeider. Voor de bezetter was hij een gevaarlijk man. De oorlogsburgemeester weigerde de toestemming om de kanunnik op een gewestvergadering te Diest te laten komen spreken. Zoals vóór de oorlog (nrs. 472, 475) stak de K.A.J. ieder jaar veel energie in de paasactie, in 1942 onder het motto: ‘En toch schijnt de zon’. Als men met Pasen te biechten was geweest en al de duisternis van de zonde door het sacrament werd weggenomen, werd alles weer licht. Dit zalige gevoel wilden ze hun werkmakkers niet onthouden. Ze nodigden befaamde predikanten uit. En hun woord sloeg bij velen aan.

 

555. Strijdbare kajotters en kajotsters II

Op 6 oktober 1942 maakte een decreet van de bezetter de arbeidsdienst verplicht in België of Duitsland, voor alle mannelijke arbeiders van 18 tot 50 jaar. Eerst gold die ook voor vrouwen tussen 21 en 35 jaar, maar onder het hevige protest van de christelijke vrouwenbeweging werd de maatregel ingetrokken. Daarmee wilden de Duitsers nog meer eigen krachten vrijmaken voor het alles verslindende front. Vrijwilligers zagen er op dat ogenblik al tegen op naar een land te gaan werken dat steeds meer door bombardementen getroffen werd. In een herderlijk schrijven protesteerden de Belgische bisschoppen hevig tegen deze deportaties. Deze scherpe brief werd in de zondagsmissen voorgelezen. Vele fabrieksdirecteurs probeerden zoveel mogelijk arbeiders in België te houden. Ze lieten het werk vertragen, legden de productie soms een uur stil. Maar de Duitsers doorzagen het spel. Ze voerden de 48-urenweek in. Daartoe werden sommige arbeiders overtollig en getroffen door de verordening. De Duitsers eisten lijsten van de arbeiders, maar meestal weigerde de directie die af te leveren. Maar voor de betrokken jongens betekende naar een match of de bioscoop gaan, trein of tram nemen, voortaan een groot risico. Overal werden onverhoedse razzia’s gehouden.

 

556. Strijdbare kajotters en kajotsters III

Bij de K.A.J. gold het ordewoord: niet tekenen, niet vertrekken! De christelijke arbeidersvereniging belegde vergaderingen waar men aan de weet kwam hoe men de Duitse verordening kon omzeilen: wettelijk, omdat er misschien nog een vrijstelling te bekomen was. Hoe op het laatste ogenblik te verdwijnen, terwijl iedereen je had zien vertrekken. Wie niet vertrok, was voortaan een vogelvrijverklaarde. Hij had geen enkel recht meer op rantsoen en moest onderduiken. De ruime zolder van de Lievevrouwkerk heeft dikwijls een tijdelijk onderkomen geboden aan bedreigde jongens. Prijzenswaardig was de solidariteit onder mensen die zelf ontbering kenden. In Diest werd er onmiddellijk een steuncomité opgericht, met als voorzitter Frans Boons, met mevrouw Smitt, juffrouw Bas en de latere kerkmeester van de Lievevrouwparochie, Hendrik Laureyn. Het trachtte de weggevoerden op alle manieren te helpen, bijvoorbeeld een schuilplaats helpen zoeken. Aan wie toch moest vertrekken, bezorgde het wat eten, kleding, een kerkboekje en een paternoster. Diest bleef met hen corresponderen, opdat ze zich niet verlaten zouden voelen. Ze ontvingen nuttige wenken om er zich zo goed mogelijk door te slaan en het rechte pad niet te verlaten in een land met lossere zeden. In 1945 werd de leuze: ‘Teruggekeerden, wij helpen u’.

 

557. De piëta gestolen I

Vóór 1940, toen de mensen nog zeer streekgebonden leefden, betekende het voor de plaatselijke rubriek van de kranten nog nieuws als ergens een paar kippen of konijnen gestolen waren. Maar tijdens de bezetting werden diefstallen een ware plaag. De dunne dagbladen kregen geen papier meer om ze allemaal op te nemen. Maar kerken bleven nog veelal gespaard: gelovigen schroomden immers iets gewijds uit het huis van God weg te nemen. In 1942 waarschuwde de kardinaal pastoors en kerkmeesters voor toenemende diefstallen in de kerken. Op 27 augustus 1942 was de piëta uit de Lievevrouwkerk verdwenen. Het beeld hing tegen de laatste pilaar achteraan, tegenover het gedenkteken voor de gesneuvelden. Het rustte op een prachtige sokkel onder een groot kruis. Het stelde Maria voor, vol smart maar ook berustend, als Jezus van het kruis is afgenomen. Het eikenhouten beeld was veelkleurig beschilderd, wat de vele wonden accentueerde die de gekruisigde had opgelopen. Soms kreeg het een purperen mantel omgeslagen. Links en rechts hingen ingelijste zilveren ex-voto’s. Men vindt de illustratie bij nr. 14.

 

558. De piëta gestolen II

Beelden als de treurende Maria, de lijdende Christus, het Jezuskindje hielpen de mensen om hun hart te laten spreken bij het bidden. Ze wilden niet alleen om iets te vragen, maar een stukje liefde en medeleven betonen aan Jezus en zijn moeder. In de Lievevrouwkerk groepeerde een vereniging, een broederschap, dergelijke vereerders van de bedroefde Lievevrouw. Reeds rond 1481 was in de kerk een altaar met retabel, een geschilderd of gebeeldhouwd achterstuk, aan haar gewijd. Mogelijk hadden de parochianen dit beeld uit het achterstuk nog kunnen redden, na de ramp van 1580. Deze godsdienstige praktijk leefde weer op, toen rond 1635 de pest weer honderden slachtoffers maakte. Voor Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën werden in 1637 kapelletjes opgericht die haar smarten herdachten. De gestolen piëta van de Lievevrouwkerk paste in die reeks. Op het einde van de 17de eeuw teisterde bloeddiarree de stad. Alleen al in de Lievevrouwparochie stierven daaraan 269 mensen. Voortaan trokken de vereerders iedere vierde zondag van de maand in processie langs de kapelletjes. ’s Winters gebeurde dat in de kerk.

 

559. De piëta gestolen III

Rond 1900 had de verering van het H. Hart de devotie tot de zeven smarten verdrongen. In 1889 had de Lievevrouwparochie nog een praalstoet georganiseerd om het 250-jarige bestaan van de herinrichting van de broederschap en de bouw van de kapelletjes te gedenken. Eigenlijk had men dat reeds in 1887 moeten doen, maar iedereen had toen de handen vol met de Berchmansviering van 1888. De processie in de kerk hield stand tot in 1959. Onder een baldakijn werd tijdens het lof het H. Sacrament rondgedragen, vergezeld van enkele flambouwdragers. In de zijbeuk stond altijd een rek met fakkels. Maar stilaan bleven ze ongebruikt, want mannen die de lichten hadden moeten dragen, kwamen niet meer naar het lof. Het was niet omdat de kerk een voorstelling van de bedroefde Maria miste. War Macken had een repliek gemaakt van het gestolen beeld. Maar het nieuwe stuk had hij niet de magische kracht van het oude kunnen meegeven, meenden de vereerders.

 

560. De piëta gestolen IV

War Macken (1883-1970) hebben vele Diestenaars nog gekend als de schilder die zoveel verdwenen hoekjes uit Diest vereeuwigd heeft. Maar eigenlijk was hij meubelmaker van opleiding. Wie het betalen kon, verlangde meer dan wat seriewerk, liefst meubels met originele, gebeeldhouwde versiering. Mackens geslaagde kopie van de piëta hangt thans in de St.-Jan Berchmanskapel van de kerk. Voor het origineel heeft Sint-Jan wellicht nog geknield, toen hij bij pastoor Emmerick verbleef. Tijdens de televisie-uitzending ‘Schatten op zolder’ herkende G. Van der Linden, toenmalig stadsarchivaris, het gestolen goed. Hij was zeer vertrouwd met de kunst in Diest en richtte o.a. de schatkamer van de St.-Sulpitiuskerk  en het stedelijk museum in. Hij was eveneens corresponderend lid van de Commissie voor Monumenten. Kunstverzamelaar Jules Bongaerts, voorzitter van de Vrienden van het Stedelijk Museum, kreeg het in 1983 voor elkaar dat de Lievevrouwparochie de piëta terugkreeg. Voor alle veiligheid prijkt het beeld nu in het museum. Ook na 1942 verdween er nog veel uit de Lievevrouwkerk, die gedurende de dag open blijft, zoals een prachtige reliekhouder met de pestheiligen. Ook dat kostbare stuk wist J. Bongaerts terug te vinden, namelijk in Breda, en het kwam terug naar Diest (nu eveneens in het museum te bewonderen).

 

561. Opeising van de klokken

Laten we nu terugkeren naar de oorlogsomstandigheden. Op 15 maart 1943 schreef de kardinaal een protestbrief tegen het opeisen van de klokken, die in de kerken werd voorgelezen. Dit wekte grote ontstemming bij de Duitsers, die de klokken wilden hergieten tot schiettuig. Ze reageerden fel: jeugdbewegingen mochten geen uniform meer dragen, kopieermachines werden in beslag genomen, godsdienstige tijdschriften kregen minder papier, de seminaristen zouden ook een tijd moeten werken alvorens aan hun opleiding te beginnen. De brief wekte enthousiasme bij de patriotten. Ze leverden niet graag materiaal om tegen bevriende legers te gebruiken. Onder gelovigen ging de slogan rond: ‘Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet’. Klokken waren immers gewijde voorwerpen. Ze hadden zoveel blijde en droeve gebeurtenissen begeleid. Eind oktober 1943 was Diest aan de beurt. De avond voor de opeising kwamen vele mensen naar de kerken, om zelf de bedreigde klokken nog eens te luiden. In de Lievevrouwkerk namen de Duitsers de twee grootste mee, respectievelijk 1227 en 1011 kilogram. Het ergerde de toeschouwers dat een Belgische firma dit werk uitvoerde en dat de arbeiders daarbij brutaal tekeer gingen. Uit België werden er 4568 klokken weggevoerd. Enkele konden na de oorlog nog gerecupereerd worden, maar de Lievevrouwparochie was de hare kwijt.

 

562. Verscheurd I

Altijd verschillen mensen van mening, maar dat leidt niet altijd tot excessen. De oorlog echter dreef de verscheurdheid ten top. Enkele feiten. Enerzijds het drama van het gezin Houlteaux uit de M. Theysstraat bij de bevrijding, anderzijds de gedenksteen op het Weerstandsplein van mensen die het concentratiekamp niet overleefden. De Commissaris Neyskenslaan, Jan Gorislaan, de gedenkplaat van M. Van Caester tegen de rijkswachtkazerne, verwijzen allemaal naar levensoffers voor het vaderland. Het parochieblad, De Stem uit het Vaderhuis, van 22 oktober 1944 drukte de volgende verklaring vanwege de redactie af: ‘De mensen die uit lichtzinnigheid, dwaling of eigenbelang de verplichtingen van de vaderlandsliefde vergeten hebben, hebben een harde les gekregen. Voor alle zonden is er vergiffenis. We moeten nu vergeten’. Dit viel bij velen niet in goede aarde en deze uitlatingen werden deken Dubois in de schoenen geschoven.

 

563. Verscheurd II

Kwatongen verspreidden allerlei verzinsels over de houding van deken Dubois tijdens en na de oorlog. Ze trokken de vaderlandsliefde van deze aalmoezenier uit de Eerste Wereldoorlog in twijfel. Het moet de man pijnlijk geraakt hebben. Tijdens de oorlog was hij de laatste toeverlaat voor vele sukkelaars geweest. Hij schonk aan de armen meer weg dan hij bezat: voedsel, kleding, rantsoenzegels. Begin 1941 gaf hij maaltijden voor alle arme kinderen in Ons Tehuis. Bij de bevrijding pleitte hij voor de kleine man die in het verkeerde vaarwater was terechtgekomen. Met gebroken hart nam hij in 1947 ontslag. Nog lang hing zijn foto op een ereplaats in vele Diestse huizen. In januari 1945 smeekte kardinaal Van Roey de gelovigen in een brief niet te vervallen in de afschuwelijke methodes van de Duitse beulen. Nog steeds werd er geweifeld tussen haat, vergeten en vergeven.

 

564. Bevrijd I

Op 6 september 1944 arriveerden de Engelsen echt in Diest. De stad had hun komst reeds voorbarig gevierd de dag voorheen, met klokkengelui. Op 8 september kreeg de feeststemming een opdoffer. Een Duits straalvliegtuig wierp een clusterbom af op de Koning-Albertstraat, waar veel troepen passeerden. Ze maakte elf dodelijke slachtoffers onder de burgers en veel gewonden. Een ander (?) Duits vliegtuig bestookte de buurt van de kruisherenkerk en veroorzaakte brand in een nabijgelegen bakkerij. Vanaf 12 oktober vielen er vliegende bommen over België. In Diest sloegen ze gelukkig maar in op minder bevolkte uithoeken. Maar tijdens de zaterdagse mis in de St.-Sulpitiuskerk was de kerk te klein. De eerste maanden bleven de burgers nog door schaarste geplaagd wegens transportmoeilijkheden en omdat de nieuwe diensten nog niet gesmeerd liepen. De geallieerden hielpen wat, maar zolang de Schelde dicht bleef, waren ze zelf nog aangewezen op verre Franse havens. Pas in 1949 zou de ravitailliseringsdienst opgedoekt kunnen worden.

 

565. Bevrijd II

Op 8 mei 1945, einde van de oorlog, kon Diest eindelijk het feest van de overwinning vieren met een Te Deum en een optocht van scholen en verenigingen. Mensen uit de concentratiekampen kwamen terug, maar hoe! Opgeëiste arbeiders die de bombardementen hadden overleefd, werden verwelkomd. Anderen bleven achter, gedood of vermist. De stemming wisselde voortdurend. Op 19 augustus huldigde een praalstoet het verzet van Diest doorheen de eeuwen in 45 taferelen. Elke wijk verzorgde een groep. De Schaffense- en Antwerpsestraat bootsten op een wagen de rouwhulde uit aan het monument voor de gesneuvelden op de Graanmarkt. De stoet sloot met een groep die Jan Berchmans eerde. Vele Diestenaars waren er vast van overtuigd dat hij zijn stad nogmaals veilig door een oorlog had geloodst.

 

566. Openbare kruisweg I

Vele Diestenaars leefden lang mee met het lijden van Jezus. In elke kerk baden enkelingen of de gemeenschap geregeld de kruisweg met zijn 14 staties. Vóór de oorlog woonden velen tijdens de vasten de wekelijkse passiesermoenen bij de kruisheren bij. Na de bevrijding brachten ze die onder nieuwe, sensatie makende titels: ‘Het zware dossier’ of ‘Doodstraf geëist’ (1946). Het was de tijd van de repressie. Veertien dagen vóór Pasen dat jaar droeg Michel Van Attenhoven, bekend als declamator en regisseur, bij de zusters van de Voorzienigheid in de Demerstraat de kruisweg van Paul Claudel voor, onder begeleiding van piano, viool en cello. Reeds in 1940 hield de Sulpitiusparochie op Goede Vrijdag een kruisprocessie door de stad. Tijdens de bezetting waren zulke manifestaties echter verboden. Maar in 1945 knoopte men bij dit gebruik weer aan.

 

567. Openbare kruisweg II

Veertien dagen vóór Pasen 1945 werden veertien grote kruisen naar alle hoeken van de stad gedragen, terwijl de resterende klokken van alle kerken en kapellen luidden. In de Lievevrouwparochie stonden kruisen in de Schaffense-, Koning-Albert- en Zevenweeënstraat. Zaterdag vóór Palmzondag prijkten bijna overal versierde kruisbeelden in de uitstalramen. Op Goede Vrijdag brachten leden van de verschillende Katholieke-Actiebewegingen de wijkkruisen naar het Verstappenplein voor een kruisweg in open lucht. De radiocentrale had er luidsprekers geïnstalleerd. Veertien momenten uit de lijdensweg van Jezus werden gloedvol herdacht. Latere jaren bleven de kruisen waar ze waren neergezet en trokken de gelovigen biddend naar die plaatsen, bijvoorbeeld in 1949 naar de citadel, waar enkele dakloze gezinnen een onderkomen hadden gevonden in de kazematten. In 1950 trok men naar het begijnhof. Dit gebruik hield nog jaren stand, maar het toenemende verkeer, het slinkende aantal deelnemers en het barre weer zouden het einde van deze kruishulde betekenen.

 

568. Een ijzeren gordijn

Na de oorlog bekoelden de verhoudingen tussen Oost en West. Velen vreesden het zegevierende communisme. Reeds in 1946 sprak Churchill van een ‘ijzeren gordijn’ dat over Europa was neergedaald. Van overal in Oost-Europa stroomden immers onrustbarende tijdingen binnen. Een nieuwe oorlog tussen Oost en West kon kon ieder ogenblik losbarsten met vreselijke wapens. De kranten beschreven uitvoerig hoe gewone mensen zich wat tegen een atoomaanval konden beschermen. Rijken lieten atoomvrije schuilplaatsen bouwen. Scholen bereidden de leerlingen op een aanval voor. Andere weken uit naar onze kolonie of Zuid-Amerika, minder bedreigde oorden. De Lievevrouwparochie stelde zich onder de schutsmantel van Maria, zoals ze dat in 1942 reeds had gedaan met een glasraam. Ditmaal bestelde de kerk een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima bij de Brabantse beeldhouwer-edelsmid Kamiel Colruyt uit Lembeek (1908-1973).

 

569. Fatima

Waarom werd juist Onze-Lieve-Vrouw van Fatima de uitverkorene? Vóór Wereldoorlog II wisten maar weinigen in ons land van de Mariaverschijningen in Fatima (Portugal). Van mei tot oktober 1917 hadden drie kinderen daar Maria gezien, toen ze de kudde hoedden. Lucia, de oudste, was toen tien, haar neef Francisco negen en haar nichtje Jacintha zeven. Maria vroeg hun om dagelijks de rozenkrans te bidden, opdat de oorlog, waarin ook Portugal verwikkeld was, een einde zou nemen. De zienertjes moesten iedere dertiende van de maand naar die plek terugkomen. Ze kregen ook een geheime boodschap mee. Steeds meer mensen stroomden op die plek samen. Op 13 oktober zag een meer dan duizendkoppige menigte vreemde verschijnselen aan de zon, die volgens getuigen trilde en danste en allerlei kleuren aannam. De twee jongste zieners stierven een paar jaar nadien. Lucia ging op internaat. Later trad ze in bij zusters in Spanje. Ze beschouwde het als haar opdracht dat de mensen meer het onbevlekte hart van Maria gingen vereren, want dat had Maria bij de verschijning gevraagd. De verering voor Onze-Lieve-Vrouw van Fatima groeide gestaag en was na Wereldoorlog II ruimschoots in België doorgedrongen. Dat Maria de bekering van het zo gevreesde Rusland voorzegd had mits de gelovigen tot haar bleven bidden, speelde daarbij een belangrijke rol.

  

570. Kamiel Colruyt

We begrijpen nu beter waarom de weldoeners uitgerekend een Onze-Lieve-Vrouw van Fatima bestelden in die onzekere jaren van de Koude Oorlog. De uitvoerder, Kamiel Colruyt, was niet de eerste de beste. Grote beelden van hem in gedreven koper staan in vele kerken, onder meer in Scherpenheuvel en in de St.-Michielskathedraal van Brussel. Het tabernakel van de basiliek van Maria Boodschap in Nazareth, de paaskandelaar van de abdij van Orval, vele miskelken, zoals die van deken Fierens zaliger in de St.-Sulpitiuskerk, komen van zijn hand. Aan hem vertrouwde men ook de restauratie toe van het beschadigde, beroemde schrijn van St.-Gertrudis in Nijvel. Voor het nieuwe beeld van de Lievevrouwparochie vroeg de kerkfabriek eerst het advies van de commissie van monumenten, want in een geklasseerd gebouw doet men niet wat men wil. Die commissie was er niet zo gelukkig mee: naast neogotische beelden van de gebroeders Goyers en de laatgotische Onze-Lieve-Vrouw van Beilaer zou dit moderne koperen stuk fel afsteken in het oude gebouw. Het beeld werd daarom naar de noordelijke kruisbeuk verbannen, waar de schenkers het bleven vertroetelen, ook toen de Sovjetagressie van West-Europa onwaarschijnlijker was geworden. Voor wie meer vertrouwd is met de voorstelling van de madonna van Fatima, wijzen we erop dat het beeld daar toentertijd nog niet gekroond was.

 

571. Berchmansviering 1949 I

In 1949 herdacht Diest dat Jan Berchmans 350 jaar geleden geboren was. We hebben reeds in de bijdragen 245-246 beschreven hoe de stad zijn zaligverklaring in 1865 gevierd had. Onder nrs. 341 tot 345 beschreven we de feesten van 1885 bij zijn heiligverklaring. Dat werd 25 jaar later herdacht (1913) en behandeld in nrs. 520 tot 524. Een steeds terugkerend gegeven bij al deze plechtigheden was een indrukwekkende processie of stoet. Maar rond 1950 trok dit steeds minder bezoekers aan. Bekende processies zoals die van Geel kregen in de loop der jaren steeds minder een godsdienstig kleedje. Ook de plannen van het Diests stadsbestuur volgden die trend. Ze wilden de heilige stadsgenoot wat dichter bij de mensen van hun tijd brengen met activiteiten die hen aanspraken. Dat zinde niet iedereen. Sommigen meenden dat het te veel op kermisattracties leek, met die folkloristische stoet, turners, volksdans en kampvuur. Een beetje wat sommigen dachten bij de nieuwe 11-juliviering in 2002.

 

572. Berchmansviering 1949 II

De kerkelijke overheid was dergelijke viering niet genegen. Het schitterende vertoon van 1938 lag pas achter de rug. Ons land verkeerde nog in een herstelperiode. Daarom wilden de kerkelijke overheden het bij uitsluitend kerkelijke plechtigheden houden. Deze werden in maart voorbereid door een triduüm (drie dagen) dat pater De Wit s.j. predikte. Op 21 maart kregen de leerlingen van het college een dag vrij. Vele verenigingen kwamen op bedevaart naar Diest. Zo in mei de wielrenners van Sporta en de jezuïetencolleges: de Waalse op 29 mei, de Vlaamse op 31 mei. De laatsten volgden de mis in de Sulpitiuskerk, opgeluisterd door hun Antwerps knapenkoor. Daarna trokken ze in stoet naar het openluchttheater. Daar picknickten ze. Daarna was er samenzang onder leiding van Willem Demeyere. In een tijd dat de mensen nog niet overspoeld werden met platen en allerlei festivals zongen ze graag samen. Velen beheersten een heel repertoire aan Nederlandse liederen. Zangleraar Demeyere was een bekende figuur: hij was aangezocht om het nieuw opgerichte Belgische leger enkele stapliederen aan te leren, om de manschappen van onze bezettingsmacht in Duitsland wat meer stijl te geven. 

 

573. Berchmansviering 1949 III

Ondanks de tweespalt kon men in Diest merken dat vele mensen blij waren met de feesten rond Berchmans. Aan de gevel van het stadhuis hing zijn reusachtig portret, gemaakt naar een linosnede van de Diestse tekenacademie. Langs de huizen hingen wimpels, over de straten vlaggen zoals voorheen. Beiaardconcerten waren niet uit de lucht. Ze werden nog niet gestoord door lawaaihinder. Diest mocht toen prat gaan op uitstekende beiaardiers: Theo Vandeplas, al vóór de Eerste Wereldoorlog in dienst, en twee stadsgenoten in opleiding, die het ver zouden brengen: Eugeen Uten later in Brugge en Jean Vanderlinden in Nederland. In het openluchttheater voerden bekende gezelschappen bij die gelegenheid ernstige stukken op, zoals ‘De boodschap aan Maria’ van Paul Claudel, de Franse dichter en schrijver die destijds buitengewone waardering genoot. In juli had men meer volkse feesten: turnen, ballet, volksdans, concerten.

 

574. Jubileum pastoor Matheve

In juli 1943 werd E.H. Lens pastoor benoemd in Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Juliaan Matheve, onderpastoor in de Lievevrouwparochie van Borgerhout, volgde hem op. Wegens de oorlog ging zijn aanstelling buiten de kerk zonder vertoon voorbij. In 1950 vierde hij zijn 40-jarig priesterjubileum. De feesteling had helaas weer pech: wegens een beenbreuk kon hij zelf niet voorgaan in de dankmis. Op dat ogenblik was de parochie een poos zonder onderpastoor. Wel waren er toen nog talrijke wijdelingen, maar nieuwe scholen en parochies slorpten die onmiddellijk op. Daarom werd in sommige kerken de onderpastoorplaats reeds spaarzaam ingevuld. In afwachting hielpen leraars van het college de pastoor wat uit de nood. E.H. L. De Koninck, de latere stichter van het V.T.I. Mariëndaal, hield de kanselrede bij de jubileummis. Marcel Troosters, met het koor van Sint-Sulpitius, luisterde de dienst op. In Antwerpen had onderpastoor Matheve zich fel ingezet voor de muziek en het toneel in zijn parochie. Een goede kennis van hem, A. Reinaerts, van de Koninklijke Vlaamse Opera, zong het ‘Panis Angelicus’ van C. Franck en het ‘Agnus Dei’ van Bizet. De gevierde had geen geschenken voor zichzelf gewenst, maar wel nuttige dingen voor de kerk.

 

575. E.H. J. Matheve

Rond die tijd bezat de Lievevrouwparochie geen eigen Katholieke-Actiebewegingen als K.A.J., Boerenbond, K.A.V., K.W.B., N.C.M.V., enz. Die richtten zich eerder tot de hele stad. Daarin kregen de geestelijken van Sint-Sulpitius, Onze-Lieve-Vrouw en begijnhof ieder hun taak. Volgens de traditie was pastoor Matheve proost van de christelijke middenstandsvrouwen. Met kapelaan De Cupere van het begijnhof had hij ook het patronaat naast de kerk onder zijn hoede. Enkele welwillende mensen als de Juchtmansen, M. Leenaerts, U. Vanhemeldonck en anderen hielden het draaiend. Een wankele gezondheid dwong pastoor Matheve in 1955 zijn ontslag aan te bieden, want de bedrijvigheid in de kerk zelf slorpte erg veel van de krachten van de zielenherders op: gezongen missen in de week, lof, kruisweg, triduüms, octaven, processie, biecht horen, bonden van het H. Hart. We geven nu wat meer toelichting bij sommige oefeningen die nu meestal in onbruik zijn geraakt.

 

576. De kerk gonst van activiteiten I

Een gonzende bijenkorf leek de Lievevrouwkerk rond 1950 door de talrijke missen die er werden opgedragen: ’s zondags om 7, 8, 10 en 11 uur, in de week om 6.35 en 7.15 uur. Dat waren de officiële missen, aangekondigd in het parochieblad. Maar daarnaast lazen vele collegeleraars en priesters op bezoek bij familie een mis aan een zijaltaar. Zo stoorden de celebranten elkaar niet, want deze vieringen gebeurden soms op hetzelfde uur. In Sint-Sulpitius kwam dit natuurlijk nog meer voor. Na het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965) zouden deze priesters samen aan een nieuw soort altaar kunnen staan. Want meestal was dergelijke privé-mis een solopartij, alleen bijgewoond door een misdienaar. De priester las de mis met gedempte stem, de koorknaap gebruikte een klein belletje. De trouwe koster van de parochie, Victor Goyvaerts, stak tijdig de kaarsen aan. Ontbraken de misdienaars, dan spoedde hij zich van het ene altaar naar het andere om de schenkkannetjes met wijn en water aan te reiken. Was er op datzelfde ogenblik een dienst bezig aan het hoofdaltaar, dan haalde hij intussen ook nog het stoelgeld of een andere penning van de gelovigen op.

 

577. De kerk gonst van activiteiten II

De officiële vieringen gebeurden aan het hoofdaltaar, ver op het koor. De mis van 7.15 uur was nogal dikwijls een gezongen jaargetijde (de verjaardag van een overlijden). Soms werd deze gezongen mis zelfs opgeluisterd door een of twee priesters, toegevoegd aan de celebrant. Daarvoor deed men een beroep op de kruisheren, collegeleraars en de onderpastoor. Er was nog geen priestertekort. Vele jaren bespeelde Albert Deconinck daarbij het orgel. Hij en de koster waren dan de enige zangers. Met de Sint-Antoniusmis zat de kant aan zijn altaar haast vol, want de geliefde heilige kreeg zijn mis dichter bij het volk, aan zijn altaar. Alles gebeurde nog in het Latijn, maar men kon goed volgen met de vertaling in het volksmissaal, dat velen ten geschenke kregen bij hun plechtige communie. Rond 1960 zouden de lezingen reeds in het Nederlands voorgelezen mogen worden. Maar er waren toen nog geen aparte stukken uit de bijbel voor iedere dag voorzien, behalve tijdens de vasten. Daarom las de celebrant dan de gemeenschappelijke lezingen voor een heilige of hernam hij het epistel en het evangelie van de zondag voordien. Voor overledenen werd dikwijls de bekende requiemmis gebruikt.

 

 

EINDE VAN DE PAROCHIEKRONIEK

(auteur overleden in november 2002)