Treeworker.be     |     home
Over Bomen   |   Fotosynthese   |   Basisanatomie   |   Houtwoordenboek   |   bomen zoeken   |   Keltische - bomenkalender

Over Bomen
Wat zijn bomen eigenlijk?
Bomen zijn eigenlijk grote planten. Een boom heeft wortels, een stam, takken, twijgen, bladeren en vruchten. De wortels zorgen ervoor dat de een boom stevig in de grond vast zit. De grotere wortels bestaan net als de stam uit hout. De kleinere wortels, waarvan sommige zo dun zijn als een haar, zuigen water uit de bodem op. In dat water zitten voedingsstoffen opgelost. Die voedingsstoffen heeft de boom nodig om in leven te blijven. Het water met het voedsel gaat door de wortels, de stam en de takken naar de bladeren. Uit de wortels groeit de stam. De stam is van hout en daardoor is hij sterk en buigzaam. Aan de stam zitten takken en twijgen. Aan de twijgen zitten bladeren of naalden. De bladeren en naalden hebben zonlicht nodig. Bomen die niet dicht bij elkaar staan hebben veel zijtakken omdat het zonlicht gemakkelijk bij de bladeren kan komen. Bomen die dicht bij elkaar staan groeien hoog en hebben alleen aan de bovenkant takken. Want alleen daar krijgen de bladeren voldoende zonlicht.

Je hebt waarschijnlijk nog nooit een boom zien eten? Toch moeten alle bomen en planten zich voeden. Bomen en planten doen dit op hun eigen manier, ze maken namelijk zelf hun voedsel. Dit kan geen enkel ander levend wezen hen nadoen. Dieren bijvoorbeeld eten planten of andere dieren die op hun beurt weer andere dieren of planten hebben opgegeten.

Voeding uit... niets! Planten maken hun voedsel uit vrijwel niets. Ze hebben maar twee dingen nodig: water en koolstofdioxide. Koolstofdioxide is een gas. Het komt voor in de lucht om je heen. Mensen en dieren maken koolstofdioxide. Dat doen ze als ze ademen. Bomen kunnen koolstofdioxide via hele kleine gaatjes in de bladeren, uit de lucht opvangen.

Bomen halen water met behulp van hun wortels uit de bodem. In dat water zitten opgeloste zouten zoals: kalium, natrium, fosfaat en kalk. Deze zouten zijn voedingsstoffen voor bomen en planten.
Van de koolstof en het water met de voedingsstoffen maakt de boom suikers. Dat is heel bijzonder. Van alle levende wezens zijn alleen planten in staat niet eetbare stoffen om te zetten in wel eetbare stoffen: de suikers. Niet zo raar dus dat veel vruchten zoet smaken. De suiker die wij gebruiken is ook van planten afkomstig, namelijk van suikerriet en suikerbieten.
De suikers worden weer omgezet in zetmeel en eiwitten. Met het zetmeel bouwt de boom een energiereserve op en de eiwitten gebruikt de boom als bouwstoffen om nieuw hout en bast te vormen.
Om die suikers te kunnen maken hebben bomen heel wat energie nodig. Bomen krijgen die energie van licht, vooral van zonlicht.
De functie van de stam en de takken is dan ook om zoveel mogelijk bladeren in het zonlicht te krijgen. In een dicht bos krijg je dus lange rechte stammen met weinig zijtakken, in een weiland grote bomen met aan alle kanten takken.

                                                                  

Nuttig afval

Terwijl bomen hun eigen voedsel maken, maken ze ook een beetje afval dat ze kwijt moeten raken. Bij het veranderen van water en koolstofdioxide in suiker blijft er nog een hoeveelheid zuurstof over.
Die laat de boom ontsnappen door dezelfde kleine gaatjes in de bladeren, waarlangs ook koolstofdioxide naar binnen kwam. Deze gaatjes zitten aan de onder- en bovenkant van het blad en noemen we huidmondjes.
Dat ontsnapte zuurstof is afval voor de bomen, maar voor ons erg handig, wij hebben immers zuurstof nodig om te leven. In de lucht die we dan weer uitademen zit weer kooldioxide. En dat kunnen bomen en planten dan weer gebruiken om er weer zuurstof van te maken. Zo maken mensen en bomen gebruik van elkaars afval.

Planten slagen erin om water en koolstofdioxide om te zetten in voedsel, omdat zij beschikken over een bepaald stofje. De naam van dat 'wonderstofje' is chlorofyl of bladgroen.
Bladgroen heet zo omdat het vooral in de bladeren voorkomt en het groen van kleur is. Chlorofyl wordt gevonden in kleine bouwsels die chloroplasten heten. Chloroplasten kunnen gezien worden als hele kleine zonnepanelen, maar in plaats van elektriciteit te maken gebruiken chloroplasten de zonne-energie om water en koolstofdioxide om te zetten in suikers.
in de  Zomers maken de bomen vruchten en zaden. Die zijn rijp in de herfst en vallen dan van de boom. In de herfst stoppen de bomen ook met groeien. De wortels zuigen geen vocht meer op. De bladeren krijgen daardoor geen voedsel meer. De boom laat zijn bladeren vallen. Insecten en andere dieren knabbelen aan de afgevallen bladeren. Wormen trekken de bladeren in hun gangetjes onder de grond. Daar veranderen de bladeren in aarde. De voedingsstoffen uit de bladeren komen zo weer in de grond terecht en lossen op in het grondwater. Het volgende jaar zuigt de boom het water weer op en gebruikt de voedingsstoffen om te groeien.

De wortels

Een groot gedeelte van de boom zie je niet. Dat zit onder de grond. Hoe groter de kruin, des te groter het wortelstelsel. Een grote kruin heeft veel voedsel nodig en vangt veel wind. De wortels zorgen ervoor dat er voldoende voedsel boven komt en dat de boom stevig blijft staan.

Grote kruin dus veel wortels

Wortels groeien tot aan het grondwater. Zouden de wortels in het water staan dan gaan ze rotten.
Het wortelstelsel bestaat uit hoofd- en zijwortels, haarwortels en wortelharen. Wortelharen zijn zeer dunne sprietjes wortel aan de haarwortel. Zij zuigen het water naar binnen. Wortelhaartjes leven maar kort, variërend van een paar uur tot een paar weken en worden dus vaak vervangen
De diepte van de wortels hangt af van de boomsoort, maar ook van de grondsoort en de grondwaterstand.
Teveel water is dus slecht voor de wortels, te weinig zuurstof ook. Wortels hebben zuurstof nodig. Onder de grond is dat er ook maar minder dan in de lucht. Soms is de grond bedekt met tegels of asfalt, dan is er minder zuurstof en dit is dus slecht voor de wortels.

Leeftijd In Benelux worden eiken en linden het oudst. Ze worden gemiddeld 300 tot 500 jaar oud, maar sommige van deze bomen worden nog veel ouder! Eiken worden zo oud omdat het dode binnenste van de boom, het kernhout, bijna onverwoestbaar is en de boom steunt. Linden hebben geen hard kernhout, maar kunnen zich goed verweren tegen ziekten en schimmels.
Bomen als populier, wilg en berk groeien veel sneller, maar gaan eerder dood.

Groei
In het voorjaar komt de groei van bomen goed opgang. De knoppen krijgen voedsel, ze gaan open en er komen weer nieuwe bladeren aan de boom. Een boom groeit in de lengte maar ook in de breedte. Elk jaar groeit er rondom de stam een nieuw laagje hout. Als er een boom wordt omgezaagd, zie je al die laagjes als ringen op het zaagvlak. Een ring voor elk jaar dat de boom al geleefd heeft.
Aan jaarringen kun je meer zien dan de leeftijd van een boom. Bijvoorbeeld of het een droog (dan is de jaarring dun) of een nat (dan is de jaarring dik) jaar was. Of de boom beschadigd is geweest of dat er een bosbrand is geweest.

In januari, als de dagen weer langer worden, begint de boom met zijn wortels naar voedingsstoffen te zoeken. In het voorjaar komt de groei goed op gang. De knoppen krijgen voedsel, ze gaan open en er komen bladeren uit. Sommige bomen beginnen te bloeien. De takken worden langer. Een boom groeit in de lengte maar ook in de breedte. Jaarlijks groeit rondom de stam een nieuw laagje hout. Als een boom wordt omgezaagd, zie je al die laagjes als ringen op het zaagvlak. Een ring voor elk jaar dat de boom heeft geleefd. Daarom heten ze jaarringen.
Bomen groeien in het voorjaar het hardst. Daarom zijn de licht stukken van de jaarringen van het voorjaar breder dan de donkere stukken van de jaarringen van de herfst. 's Zomers maken de bomen vruchten met zaden. Die zijn rijp in de herfst en vallen dan van de boom.
In de herfst, als de dagen korter worden en het kouder wordt, stoppen de bomen met groeien. De wortels zuigen geen vocht meer op. De bladeren krijgen daardoor geen voedsel meer en de bladeren van loofbomen verkleuren. Daarna laat de boom zijn bladeren vallen. Insecten en andere dieren knabbelen aan de afgevallen bladeren. Wormen trekken de bladeren in hun gangetjes onder de grond. Daar veranderen de bladeren in aarde. De voedingsstoffen uit de bladeren komen zo weer in de grond terecht en lossen op in het grondwater. Het volgend jaar zuigt de boom het water weer op en gebruikt de voedingsstoffen om te groeien.
Als bladeren afvallen, zitten er knoppen vlak boven de littekens van de afgevallen bladeren. Om de knoppen zitten dikke, taaie schubben om ze tegen wind en kou te beschermen. In de lente komen uit de knoppen nieuwe bladeren en worden de takken langer. Als een tak groeit is hij eerst zacht en groen. In de herfst wordt hij hard en komt er een laagje schors omheen zodat hij goed beschermt is tegen kou. De schors van een boom is dood en groeit niet meer. Doordat de boom dikker wordt, splijt en scheurt de schors. Dat gebeurt bij iedere boom op een andere manier. Daarom ziet de schors van verschillende soorten bomen er verschillend uit.
Naaldbomen verliezen het hele jaar door hun naalden. Maar ze doen dat zo, dat ze nooit helemaal kaal worden.
Als mensen volwassen zijn, groeien ze niet meer. Maar bomen groeien door zolang ze leven. Daardoor worden bomen zo groot.

De zaden
Planten maken zaden. Bomen zijn grote planten dus maken die ook zaden. Sommige bomen,  dan meer kans hebben om te overleven. Veel zaden kunnen pas ontkiemen als ze een koude periode hebben doorgemaakt. Om te ontkiemen, moet er ook voldoende water zijn en moet de temperatuur hoog genoeg zijn.
Niet uit elk boomzaad groeit een boom. Zaden worden opgegeten of vertrapt, ze verrotten of ze verdrogen. Van de duizenden zaadjes die op de grond vallen, krijgt maar een enkel zaadje de kans uit te groeien tot een grote boom.
Het zaad is verpakt in een stevige zaadhuid. De zaden ontkiemen na de winter. In de winter zelf zou het veel te koud zijn. Om te ontkiemen moet er voldoende water zijn en de temperatuur moet hoog genoeg zijn.

Mensen en dieren eten boomzaden, denk maar aan tamme kastanjes, walnoten, hazelnoten, enzovoort. Dieren eten vaak zaden die mensen niet lekker vinden. Dieren eten in de herfst veel omdat ze een groot deel van de zomer hun jongen hebben gevoed en zelf nogal wat tekort zijn gekomen. Door in de herfst veel te eten kunnen ze de winter beter doorkomen.
Bomen maken zaden. Sommige bomen, zoals de kokospalm en de kastanje, maken grote zaden. Andere bomen, zoals de iep, maken kleine zaden. Bomen maken zaden om zich voort te planten.

Schors
           

Als de bladeren van de bomen afvallen, zitten er knoppen vlak boven de littekens van de afgevallen bladeren. Om de knoppen zitten dikke schubben die ze tegen de wind en kou beschermen. In de lente komen uit die knoppen nieuwe bladeren en worden de takken langer. Als een tak groeit is hij eerst zacht en groen. In de herfst wordt hij hard en komt er een laagje schors omheen zodat hij goed beschermd is tegen de kou. De schors van een boom is dood en groeit niet meer. Doordat de boom dikker wordt, splijt en scheurt de schors. Dat gebeurt bij iedere boom op een verschillende manier. Daarom ziet de schors van verschillende soorten bomen er verschillend uit.

Hard en zacht hout
Een boom bestaat uit een levend deel en een dood deel.
Het levende deel zijn de bladeren, wortelharen, spinthout en de bast. Het spinthout en de bast zitten in de buitenste jaarringen. Spinthout bestaat uit levende vaten, hierdoor worden de voedingsstoffen door de boom geleid. De bast zit net onder de schors en beschermt het spinthout.
Voorbeeldje: van een boom van 300 jaar oud leeft alleen het weefsel van de laatste 30 jaar nog. Het binnenste van de boom is het kernhout, het dode hout. Er zitten geen levende cellen in. Het kan zich dus niet actief verweren tegen infecties.Het kernhout is wel steviger dan spinthout en geeft de boom stevigheid. Kernhout is ook veel harder dan het spinthout. Spinthout bestaat uit nog levende vaten, dit maakt dat hout minder hard.

Voorzichtig met bomen!
Bomen zijn dan wel groot en sterk, ze zijn ook kwetsbaar. Een klein probleem in de kruin kan doorwerken tot in de wortels en omgekeerd.
Er zijn verschillende oorzaken waardoor een boom schade op kan lopen. Bovengronds zijn dat bijvoorbeeld ijzel en storm, insecten en reeën die takken en bladeren van de boom afeten. Andere oorzaken zijn bouwwerkzaamheden, bastschade door een aanrijding van een auto en snoeiwonden. Ondergronds zijn dat bijvoorbeeld wortelbreuk als gevolg van een storm of graafwerk. Het meest voorkomende gevolg van een beschadiging is dat een boom op die plaats gaat inrotten. Als het rottingsproces doorzet, kan een hele tak, stam of wortel verteerd raken en afbreken. Boven de grond kun je aan een aantal dingen zien dat een boom ongezond is, bijvoorbeeld door rothout of begroeiing met paddestoelen.

     

Het nut van bomen.
Bomen maken dus zuurstof maar ze doen nog veel meer.
Bomen zijn ook goed voor het milieu. Want bomen houden koolstofdioxide vast. We produceren met zijn allen te veel koolstofdioxide en dit draagt bij aan het broeikaseffect. Meer bossen aanleggen kan dus het broeikaseffect tegengaan. Om deze reden worden er in Belgie en in andere landen meer bossen aangeplant.
Een deel van het hout wordt gebruikt om er papier van te maken. Het hergebruik van papier en karton zorgt ervoor, dat de papierindustrie steeds minder hout nodig heeft.
Bomen in de berm staan er niet alleen om mooi te wezen. Ze worden ook geplant om het landschap vorm te geven. Het verkeer te geleiden en te scheiden, hout te produceren, hinderlijke zonnestralen en sneeuw op te vangen en wind te breken.

Een boom als huis!
Duizenden dieren van verschillende soorten zitten tegelijk in één boom:
Duizenden bladluizen.
Tientallen lieveheersbeestjes.
Honderden mieren.
Tientallen spinnen.
Soms enkele, soms tientallen vogels.
Enkele vleermuizen.
Tientallen tot honderden wespen.
Een of enkele eekhoorns en boommarters.

Bomen houden met hun wortels aarde vast.
Bomen vangen met hun bladeren stof uit de lucht op.
Bomen bieden woonruimte aan verschillende dieren.
Bomen geven voedsel aan mens en dier.
Bomen breken met hun naalden of bladeren de kracht van de regen en wind.
Bomen dragen ook bij aan de bescherming van het grondwater. Bomen houden water vast en zuiveren dit water.
Bomen leveren hout.
Bomen kunnen gebruikt worden als grondstof voor bijvoorbeeld papier, medicijnen en weefsels.
Bomen maken het klimaat zachter.
Bomen zorgen voor schaduw en vochtige lucht.
Bomen kunnen geluidsoverlast verminderen.

Zoals je ziet hebben bomen alleen maar goede eigenschappen!
auteur onbekend







Houtanatomie
Doorsnede van een stam
Een boom heeft twee soorten houtaanwas. In het voorjaar groeit de boom veel en snel, en vormt er zich een dikke laag licht gekleurd hout. In de rest van het jaar staat de groei bijna stil en groeit er maar weinig hout bij. De warmteprocessen nemen in de zomer en herfst echter toe, en daarmee ook de productie van gom en hars. Het hout uit deze tijd van het jaar is hiervan dan ook sterk doortrokken en daardoor donkerder van kleur en compacter.
In de doorsnede van een boomstam zijn deze twee soorten houtaanwas te zien als lichte en donkere ringen, de zogenaamde jaarringen . Als we deze tellen, weten we dus precies hoe veel jaren de boom heeft geleefd.
Hout dat afkomstig is uit tropische regenwouden heeft geen of onduidelijke ringen. In deze wouden is geen echte seizoenwisseling, zodat de bomen daar het hele jaar min of meer gelijkmatig doorgroeien .
doorsnede van een boomstam (kersenboom)
Bij veel boomsoorten komt het binnenste van de stam na verloop van tijd sterker onder invloed van de opstijgende, tot afsterving neigende aardestroom. Er zetten zich minerale stoffen af in het hout: kiezel, kalk, metaalzouten, enzovoort. Dit, in zekere zin afgestorven hout wordt kernhout genoemd. Het is donkerder, harder en duurzamer dan het levende spinthout .