Treeworker.be     |     home
Over Bomen   |   Fotosynthese   |   Basisanatomie   |   Houtwoordenboek   |   bomen zoeken   |   Keltische - bomenkalender
Houtwoordenboek                                
aangetast spinthout :
spint met aantasting van biologische aard
Balk :
Stuk hout met grote doorsnede dat wordt gebruikt in de bouw, voor timmer- en schrijnwerk
Blokdeel :
evenwijdig gezaagd hout met wan over de totale lengte op een of twee zijvlakken
Boorgat :
wormgang, wormsteek met een diameter die meestal niet groter is dan 2 mm
Bruinrot (bij eiken) :
biologische aantasting van het eiken kernhout op stam, in een vroeg stadium gekenmerkt door een vlamvormige, bruinachtige verkleuring
Bruinstreperig(heid) :
verkleuring onder de vorm van bruine gevlamde strepen. Komt enkel voor op stam na het vellen van de boom
Buitenbetimmering :
Systeem van houten gevelelementen, dat wordt bevestigd op een secundair houten geraamte
Dakspar :
Balk waarop de latten worden bevestigd die een dakbedekking dragen
Dode/losse kwast :
kwast waarvan minder dan 1/4 van de omtrek vergroeid is met het hout in het vlak van de doorsnede
Doorgezaagd hart :
zaaghout met merg dat zichtbaar is over een deel of over de totale lengte van het vlak of zijvlak
Draad :
algemene richting van de vezels
Draagvermogen :
Vermogen van een stuk grond, van een steunelement, om lasten te dragen, om druk op te vangen
Eindscheurn kopse scheur :
scheur die in het kopse eind van het hout ontstaat en tot aan een vlak of zijvlak kan reiken
Fries :
gekantrecht hout met een dikte van 27 mm, een breedte die, opgaand per 10 mm, variëert van 50 tot 90 mm en een lengte die, opgaand per 50 mm, variëert tussen van 250 tot 2100 mm
Gedeeltelijk vergroeide kwast :
kwast waarvan ten minste 1/4 maar niet meer dan 3/4 van de omtrek vergroeid is met het hout in het vlak van de doorsnede
Geïndustrialiseerd spant :
Kleine spant die, in een geïndustrialiseerd dakgeraamte, op vaste afstand van elkaar (meestal 60 cm) worden geplaatst en met metalen verbindingsplaten onderling verbonden worden
Gekantrecht hout :
zaaghout met rechthoekige doorsnede dat wan kan bevatten
Gelijmd gelamelleerd hout :
Deze techniek bestaat in de constructie van lange en heel sterke balken of palen, door samengekleefde houten lamellen op mekaar te leggen. Deze plankjes worden aan de twee breedste zijden bestreken met lijm en in een speciale pers samengevoegd. Aangezien
Gevelbekleding :
Bekleding van de buitenzijden van een gebouw (vb. : gevelstenen, buitenbetimmering, )
Gevierkant hout :
grote secties vierkant of haast volledig vierkant gezaagd hout
Gezonde/gave kwast :
kwast die geen sporen van rot vertoont
Gording :
Horizontaal stuk van een dakgeraamte waarop de sparren rusten, gebruikt in een traditioneel dakgeraamte
Groep kwasten :
tussen de kwasten onderling is geen normaal vezelverloop waarneembaar
Haarscheur (windbarstje) :
korte, dunne, ondiepe scheur
Hartscheur :
een radiale eindscheur vanuit het merg
Ingesloten hart :
zaaghout met merg dat niet zichtbaar is in de vlakken en de zijvlakken
Inheems hout :
hout afkomstig van bomen die in Europa groeien
Kattenpoot/groep pitkwasten :
groepering van pitkwasten die dicht bij elkaar liggen
Kernhout :
binnenste zone van het hout in de boom zonder levende cellen of waar geen sapstroom meer is
Kleinste plaatbreedte (minimum deelvak) :
de breedte gemeten in het smalste deel van het kleinste van beide vlakken van een blokdeel
Knoest :
Uitwas op de stam of de takken van sommige bomen
Kopshout :
Hout gezien op het dwarse vlak van de boom, via een loodrechte doorsnede op de as ervan. Hierop zijn de jaarringen te zien als concentrische ringen
Kwast :
in het hout ingesloten deel van een tak
Lambrisering :
Houten wandbekleding in een vertrek, bestaande uit getande panelen of planken
Latei :
Houten of stenen draagelement dat wordt aangebracht boven een venster- of deuropening
Maanring (vals/dubbel spint) :
aanwezigheid in het kernhout van een volledige of gedeeltelijke groeiring met de kleur en de eigenschappen van spinthout
Merg (hart) :
zone binnen de eerste groeiring van een stam en bestaande uit voornamelijk zacht weefsel
Meskant zagen van hout :
Verzagen van hout tot scherpkantige balken
Metalen verbindingsplaten :
Metaalplaatjes die zodanig uitgehamerd zijn dat ze punten krijgen. Ze worden aan weerszijden van de stukken geplaatst bij de assemblage van een geïndustrialiseerde spant.
Oppervlakkige scheur :
scheur die door klassiek schaven zou moeten verdwijnen en dien minder dan 2 mm diep is
Pitkwast :
gezonde, ronde of ovale, vaste of gedeeltelijk vergroeide kwast met een diameter van maximaal 5 mm
Ringscheur :
scheur die de groeiring volgt
Rondhout :
Gevelde, gesnoeide, ongeschilde boom
Rood hart (bij beuken) :
rode of bruine, scherp afgetekende verkleuring van het centrale deel van beukenhout
Rot :
ontbinding van het hout door schimmels of andere micro-organismen resulterend in zacht hout, progressief verlies aan gewicht en aan sterkte, vaak met een wijzigende textuur en kleur
Schaaldeel :
de eerste en de laatste plank die uit een boom gezaagd worden en die aan 1 zijde rond blijven
Scheur in het vlak :
scheur zichtbaar op het vlak die kan doorlopen tot aan de eindvlakken
Scheur in het zijvlak :
scheur zichtbaar op het zijvlak die kan doorlopen tot aan de eindvlakken
Scheur: :
scheiding in de houtvezels in de lengterichting
Schotelvorming :
vervorming van het stuk hout in de breedterichting
Sorteren :
Verwerken van gevelde bomen tot bruikbare producten voor de koper
Spint :
Jong gedeelte van de boom, het nog niet volgroeide hout, dat aan de rand van de stam ligt, tussen het harde hout (kernhout) en de schors
Spinthout :
buitenste zone van het hout in de boommet levende cellen die de sapstroom leiden. Vaak, maar zeker niet altijd, bleker van kleur dan het kernhout
Spiraaldraad :
spiraalvormig verloop van de draad rond het merg
Sponning :
Groef die wordt aangebracht in een plaat of een stijl om er een ander stuk in te klemmen
Stère :
Maat die overeenstemt met 1 kubieke meter brandhout
stervormige scheur :
het geheel van 2 of meerdere hartscheuren
Textuur :
visuele eigenschap van het hout, bepaald door zijn anatomische structuur, de breedte en regelmatigheid van van de groeiringen
Traditioneel spant :
Driehoekige verbinding van balken die in een dakgeraamte op vaste afstand van elkaar (meestal tussen 4 en 6 meter) worden geplaatst, om de dakvlakken te ondersteunen
Tussenschors :
schors die geheel of gedeeltelijk door het houtweefsel is ingesloten
Uitslepen :
Afvoer van omgehakte bomen met paarden of tractoren die vaak uitgerust zijn met lieren
Verkleuring van hout :
verandering van de natuurlijke kleur van het hout zonder verlies aan sterkte van het hout. De verkleuring kan het gevolg zijn van schimmelaantasting, weersomstandigheden, contact met metalen, enz
Vervorming :
vormverandering van het zaaghout veroorzaakt door bewerking, droging of stockage
Verzakking :
Het zich zetten, het inzakken onder zijn eigen gewicht
Vezelverloop (draadverloop) :
afwijking van de vezelrichting ten opzichte van de lengteas van het hout
vlak bij zaaghout :
1 van de breedste, tegenover elkaar staande longitudinale vlakken van gekantrecht hout of 1 van de longitudinale zijden bij een vierkant gezaagd stuk
Voorbewerkt hout :
hout op lengte gezaagd met een vochtgehalte gelijk aan eindgebruik en/of machinaal bewerkt op een of meerder vlakken
Vorstscheur :
scheur die ontstaat in de boom door vorst en die vanuit het spint naar het merg toeloopt, de barst is aanzienlijk in longitudinale zin
Vuur :
vroeg stadium van schimmelaantasting gekenmerkt door streperige verkleuring of vlekken in het hout, de algemene textuur en sterkte van het hout blijft min of meerbehouden. Is reeds aanwezig voor het vellen of onstaat tijdens het stockeren
Wan(kant) :
zaaghout met aanwezigheid van de ronding van de stam, met of zonder schors
Warrige draad :
onregelmatig, grillig, gegolfd draadverloop
Waterafvoer :
Afleiding van water van de ene plaats naar de andere
Windverband :
In een dakconstructie zorgt de triangulatie van de elementen voor het opnemen van de windbelasting
Zaagblok (Bool) :
geheel van blokdelen, die na het evenwijdig verzagen van de stam terug samengebracht worden zonder de schaaldelen
Zachte/rotte/ontaarde kwast :
kwast die aangetast is door schimmel
Zijvlak :
1 van de beide smalste, tegenover elkaar staande longitudinale vlakken van gekantrecht hout
Zwarte (worm)steken :
boorgaten met zwart gekleurde wanden, de zwarte verkleuring wijst op een niet langer actieve aantasting
Zwartstreperig :
donkere zone rond een groeiring bij sommige loofhoutsoorten, komt voor onder vorm van zwarte strepen op zaaghout