Probleemgedrag

Gedrag is een complex gegeven. Heel wat factoren dragen bij tot het stellen van een gedrag nl. de genetische voorbestemdheid, de socialistatie, de leerprocessen en de fysiologische toestand (hormonaal-zenuwstelsel) van de hond.

Probleemgedrag kan zich voordoen als :
-storend of hinderlijk gedrag : Dit gedrag is eigenlijk normaal gedrag maar wordt niet getolereerd door de sociale omgeving (eigenaar of maatschappij).
Voorbeelden : opspringen,blaffen,...
-gestoord of pathologisch gedrag : Dit gedrag is niet normaal gedrag en kan veroorzaakt worden door een organische aandoening.
Voorbeelden : bij diabetes kan vermeerde urinelozing optreden, parvo kan agressie veroorzaken.

Het is daarom niet altijd juist om het ontstaan van gedragsproblemen in de schoenen van de baasjes te schuiven. Empathie voor zowel baas als hond is van groot belang.
Verbetering van het algemeen welzijn van de hond is ons hoofddoel.


Methode bij gedragstraining.

1. Algemeen gedragsonderzoek.
Dit onderzoek bevat :
-algemeen gesprek i.v.m. info over voorgescheidenis e.d.
-een duidelijke omschrijving van de klacht a.d.h.v. een gesprek* ;
-een omschrijving van het gedrag van de hond tijdens consultatie;
-gegevens van een eventueel onderzoek bij de dierenarts.
*Een huisbezoek heeft voordelen. Zowel baasjes als hond bevinden zich in hun eigen omgeving en advies kan praktischer geformuleerd worden.

2. Besluit van gedragsonderzoek.
Met de verzamelde gegevens en observaties kan een besluit gesteld worden.
Er wordt beslist of doorverwijzing (bij emotionele of ontwikkelingsstoornis) noodzakelijk is.
Soms is éénmalig advies voldoende om een gedragsprobleem te controleren of op te lossen.
Wanneer gedragstraining toch noodzakelijk is, worden algemene doelen duidelijk geformuleerd.
Bij vermoeden van een gedragsstoornis (bijv.emotionele stoornis) wordt er doorverwezen naar dr.Tiny De Keuster

3. Stappenplan.
Een stappenplan wordt samengsteld.
Dit plan kan volgende onderdelen bevatten : algemene afspraken tijdens de trainingsperiode, trainingstechnieken, eventuele hulpmiddelen, medicamenteuze ondersteuning indien nodig, samenwerking met andere personen (dierenarts, hondenschool, ...) en evaluaties.

4. Nazorg.
Opvolging en ondersteuning na de therapie gedurende 6 maanden.