Geschiedenis Boelwerf
Het gezicht van Temse werd vele jaren lang bepaald door één bedrijf. De succesvolle Boelwerf werd in 1829 opgericht door Bernard Boel. Deze timmerman had ervaring opgedaan op scheepswerven in Antwerpen en besloot zich in Temse te vestigen waar hij meteen begon met het herstellen en bouwen van houten rivierboten. In de jaren na de start van het bedrijf breidde de toenmalige werf uit tot een werkterrein van 1 hectare waarop rivierboten van 50 tot 80 ton konden worden gebouwd. Toen Bernard Boel in 1872 overleed, werd hij opgevolgd door zijn zoon Jozef Boel. De ambitieuze ondernemer zag al gauw in dat zijn scheepswerf meer te bieden had en schakelde hierdoor over van het artisanale werk naar het harde ondernemerswerk. In de eerste 60 jaar van de Boelwerf werden 73 houten schepen gebouwd en telde het bedrijf slechts enkele werknemers. In 1890 werd uiteindelijk de eerste ijzeren spits gebouwd onder leiding van Jozef Boel.
Toen in 1904 de scheepswerf overgenomen werd door de twee zonen van Jozef Boel (Cesar en Frans) steeg de tonnenmaat van de schepen en werkten er steeds meer arbeiders op deze snel groeiende scheepswerf. Net voor de Eerste Wereldoorlog telde het bedrijf 200 arbeiders die geleidt werden door enkele meestergasten en bedienden. De scheepswerf zelf had ondertussen een oppervlakte van 11 hectare waarop men spitsen, kempenaars, rijnschepen, aken, sleepboten en hekwielers kon bouwen. In 1911 vond een eerste hoogtepunt plaats op de Boelwerf in Temse toen het Rijnsleepschip Graaf de Smet de Naeyer te water gelaten werd.
De Boelwerf in Temse anno 1960.
Na de Eerste Wereldoorlog begon men in 1922 met de bouw van motorspitsen en een eerste reeks congoschepen. De scheepswerf begon steeds meer nationale en internationale aandacht te krijgen en boodt in 1930 al aan 650 arbeiders en 30 bedienden werk. Het was vooral het sterke commerciële en industriële beleid van Frans Boel dat op dat moment zorgde voor een enorme bedrijfsgroei. Tijdens de 39 jaren dat Frans Boel de scheepswerf leidde, werden er meer dan 950 bestellingen afgewerkt. Tussen 1933 en 1943 was Frans Boel ook burgemeester van Temse. Na het stilvallen van de economie tijdens de Tweede Wereldoorlog brak de Boelwerf pas echt internationaal door. Het bedrijf was ondertussen in handen gekomen van Frans Boel’s schoonzoon Georges Van Damme die bijgestaan werd door technisch directeur Frank Van Dycke en commercieel directeur Henri Van Briel. Naast de vele schepen die op de werf toen gebouwd werden zorgde de bedrijfsleiding er ook voor dat de scheepswerf bleef moderniseren. Zo zorgden nieuwe kantoren en loodsen met daarin de meest geavanceerde technieken ervoor dat de Boelwerf één van de meest moderne scheepswerven werd van Europa. In 1958 zorgde de inhuldiging van een nieuwe helling voor dwars tewaterlating op de Boelwef voor een wereldprimeur. Deze dwarshelling werd ontworpen door Frank Van Dycke en zorgde er voor dat men vanaf dan veel grotere schepen kon bouwen. Op dat moment werkten er 2.100 mensen op de Boelwerf. In 1969 werden naast de bestaande ondernemingen ALMABO en NV Boelwerf de rederij ALBOMAR alsook een scheepsverzerekings- en bevrachtingsmaatschappij opgericht.
Boelwerf arbeiders werken aan het Belgische marineschip Wielingen.
Eind 1973 werd de bestelling afgesloten voor een methaantanker van 131.580 m³. De toen grootste bestelling ter wereld zorgde ervoor dat er op de Boelwerf een droogdok werd gebouwd waardoor men zeeschepen kon bouwen en afwerken tot 180.000 ton. Het droogdok was 560 meter lang en 55 meter breed. Aan dit droogdok bevonden zich vier 100-ton kranen die over sporen heen en weer konden bewegen. De vier kranen samen konden secties tot 400 ton verplaatsen. In 1974 zorgde het enorme succes van de Boelwerf uiteindelijk voor een verdubbeling van het bedrijventerrein waardoor het bedrijf nu een oppervlakte besloeg van 85 hectare. Op het moment dat de Boelwerf in 1979 haar 150-jarig bestaan vierde, werkten er 3.000 mensen. Het jubileum werd ook gekenmerkt door de bouw van een LPG-tanker met bouwnummer 1500. Na de succesvolle jaren ’70 trok bedrijfsleider George Van Damme zich terug uit de Boelwerf en werd hij opgevolgd door zijn schoonzoon Philippe Saverys.
In het droogdok wordt de carferry Prins Filip gebouwd.
Naast de vele bestellingen voor verschillende soorten schepen kende de werf ook andere industriële successen. Zo werden er op de Boelwerf ook sluisdeuren, drijvende dokken, bruggen, opslagtanks en een drijvende rafinnaderij gebouwd. Het zichzelf positioneredende olieboorplatform Yatzy was één van de vele pronkstukken die op de Boelwerf gebouwd werden. Hierdoor kreeg deze scheepswerf een internationale naam met een zeer hoge reputatie. Op verschillende belangrijke momenten bracht de Koning van België of andere leden van het Vorstenhuis een bezoek aan de scheepswerf in Temse. Maar naast de vele successen kende het bedrijf ook enkele mindere perioden. De twee wereldoorlogen zorgden steeds voor een economische moeilijke periode en de internationale crisis begin de jaren ’80 bleek een sleutelmoment te zijn in de geschiedenis van de Boelwerf. Veel rederijen lieten hun schepen bouwen in lage-loon-landen zoals Zuid-Korea waardoor Europese scheepswerven het steeds moeilijker kregen. Door deze crisis ging de Cockerill Yards scheepswerf in Hoboken failliet waardoor de Boelwerf zo goed als gedwongen werd deze over te nemen. Hierdoor bereikte de Boelwerf haar hoogtepunt op vlak van werknemers. Meer dan 3500 mensen werkten er op dat moment voor de Boelwerf.
