BOON IN DRIEVOUD © Luuk Carnel

"Ik, - zegt Boon over zichzelf - ik ben een Hamlet, aarzelend en achter duizend maskers."

Het is één van zijn typische uitspraken die hij met de nodige eigendunk de wereld instuurde.Daarnaast heeft Boon ook veel over zichzelf met een verbazende openheid en eerlijkheid prijsgegeven: Als je al die Boontjes zou rangschikken, dan heb je het hele verhaal van mijn jeugd" zei hij. Die duizend maskers allemaal afrukken in het korte bestek van dit aperitiefgesprek of al die puzzelstukjes samenleggen, zal wel wat hoog gegrepen zijn, want er bestaat nog geen scherp afgelijnd psychologisch portret van Boon. (kaftpagina van studie van Jos Muyres, pointillistisch)

Daarvoor was hij te veel een man van tegenstellingen en bovendien waren hij en zijn vrouw Jeanneke niet te beroerd enkele feitjes bij te kleuren om de mythevorming rond zijn persoon te bevorderen. Het meest geciteerde voorbeeld is de anekdote rond zijn eerste roman "De voorstad groeit": Jeanneke Boon, zag een aankondiging voor de L.J.Krijnprijs in de krant en besloot het werk van haar man in te sturen. Ze voegde nog vlug de slotwoorden "enzovoort, enzovoort" aan het manuscript toe en verzond het .... En diezelfde Jeanneke Boon zou later haar man - en wellicht ook zichzelf - een gedroomd alibi voor zijn "viezentistische romans" aan de hand doen : hij schreef die pornografische verhalen vooral om zich te wreken op katholiek Vlaanderen, dat zijn werken niet had willen kopen of lezen."

Dat laatste klopte overigens wel : Een katholieke boycot zorgde aanvankelijk voor een heel slechte verkoop. Het grootste deel van de oplagen van zijn eerste boeken werd verramsjt. In "de Standaard" werd tijdens de jaren 40 en 50 slechts één keer over Boon geschreven. Zo zou ook de eerste Boon-uitgever Angèle Manteau het als onverkoopbaar geachte Kapellekensbaan-manuscript zelfs weigeren en daarmee wellicht dé flater uit haar carrière begaan.

De jonge Boon zal het zich allemaal wel enigszins anders voorgesteld hebben. In onvervalste Multatulistijl pakte hij immers uit met de volgende voorspelling :"Later als ik zal groeien, in kragt van woorden en sgerpheid van pen, zal ik m'n boeken over de wereld slingeren als zwiepende zweepslagen."

Traditioneel overweegt in Vlaanderen nogal het cliché-beeld van de "tedere anarchist" , zoals H. Lampo Boon karakteriseerde. Nogal gemakkelijk haalt men zich dan de primaire ontgoochelde gevoelssocialist voor de geest, die onder druk van de omstandigheden zijn geloof in de Kameraden en in de verbeterbaarheid van mens en wereld verliest en zich verbitterd terugtrekt in een privé-reservaat waar drank en fotootjes van blote meisjes hem soelaas brengen.

Meestal vindt men van zijn werk na Menuet (1955) dan ook alleen nog zijn historische romans "Pieter Daens " en "Het Geuzenboek" de moeite en het vermelden waard.

Dat is hier vandaag bij de keuze van de fragmenten voor dit aperitiefgesprek niet anders: U krijgt straks niks te horen uit de scabreuze, zogenaamd pornografische verhalen van Boon. Een gemakkelijke doch flauwe uitleg zou kunnen zijn dat Boons pornografisch stijlregister toch niet zo best past bij het aperitief, of nog beter: dat we wel een kenner op literair theoretisch vlak (in de persoon van Piet Thomas) en een historicus van formaat , zijnde Romain Vanlandschoot konden uitnodigen om die beide aspecten van Boons werk te laten belichten, maar wie moet je nu uitnodigen om het pornografisch gehalte van enkele Boonromans te laten toelichten....

Nee de echte verklaring voor de miskenning van veel van Boons latere boeken is dat men zijn werk al te vaak ideologisch of strikt biografisch ging interpreteren en de literatuur niet meer met literair - esthetische normen ging beoordelen. Dat is trouwens altijd al een probleem geweest bij de Boon-receptie : Opmerkelijk is bv. dat de kritiek op Daens vooral uit linkse hoek kwam. (bv. "de gemiste kans om het sterkst sociale werk van de naoorlogse nederlandstalige letterkunde te schrijven") En naar aanleiding van het Geuzenboek schrijft Kees Fens: "Ik ben nog nooit 700 blz. lang zo anti-rooms geweest".

Het is de verdienste van de medewerkers van het Louis Paul Boon documentatiecentrum dat zij enkele van die latere miskende romans dringend proberen te rehabilliteren en ik wil - als kleine compensatie en voor de volledigheid van ons Boonbeeld - straks hier ook graag even de spreekbuis van hun ideeën zijn.

In deze korte schets van Boons leven en werk zal ik verder geen poging ondernemen om zoveel mogelijk levensfeiten op een biografisch rijtje te zetten. Veel meer wil ik me beperken tot het lichtjes schetsen van 3 krachtlijnen die zich als evenveel persoonlijke utopieën op de horizon van zijn werk aftekenen : een persoonlijk - sexuele, een sociaal - maatschappelijke en een artistiek - literaire. Elk van die ontwikkelingslijnen toont de spanning tussen utopische verwachtingen en pessimistische inschatting van de feiten.

Het meest gekende, en traditioneel gehuldigde aspect van Boons persoonlijkheid, is de sociaal - maatschappelijke dimensie, die volgens de meeste critici in de evolutie van zijn oeuvre steeds meer naar de achtergrond verschuift : Boon zou zich eerst langzaam ontworsteld hebben aan zijn kleinburgerlijk milieu en aan zijn aangeboren scepticisme om na de bevrijding aansluiting te vinden bij een bevlogen communisme. Hij zou het arme volk een geweten gaan schoppen, opdat het in opstand zou komen tegen zijn verdrukkers. Maar hij verliest door allerlei omstandigheden het geloof in het engagement en trekt zich terug in een privé-reservaat. Hier vervreemdt hij dan zogezegd van de werkelijkheid, die hij voortaan alleen nog via een documentaire omweg zal benaderen en er wordt zelfs gezegd dat hij ten prooi valt aan een grenzeloos narcisme en zich enkel nog vermeit in erotische fantasietjes.

Wie Boon zo leest doet hem schromelijk te kort.

Boon had eigenlijk een sombere, romantische inborst en hij heeft nooit in wezenlijke maatschappelijke veranderingen geloofd. Al heel vroeg of misschien zelfs al altijd, wordt het sociaal gevoel en engagement overstemd door zijn eigen zieleroerselen, door persoonlijke vragen naar de zin van het bestaan. "Schop de mensen een geweten " , de krachtige slotzin uit "Mijn kleine oorlog" die voor veel lezers tot hét motto van het literaire engagement geworden was, bevatte -voor wie dieper doordenkt - eigenlijk al de onmogelijkheid ervan en werd door Boon in de herwerkte uitgave dan ook vervangen door :"Ach wat heeft het allemaal voor zin."

Daardoor ook wellicht, projecteert hij van veel van zijn werken - op een quasi romantische wijze - in het verleden. Sociale opstanden, de tijd dat er nog iets gebeurde in tegenstelling tot zijn tijd waarin alles verloederd was, dat trekt hem aan. Tussen anarchistische droom en daad leken hem toen minder wetten in de weg te staan. De wereld telde nog voldoende duistere plekken om een criminele vereniging van hongerige enkelingen te laten overleven in de marge van de samenleving.Vroeger waren er stromingen waarvoor het volk nog warm te krijgen was. In de eigentijdse wereld zag hij alleen maar kleine eigenbelangetjes, persoonlijke profijtjes en streven naar onmiddellijk genot en afstompende welvaart.

Het leven is voor Boon een voortdurende oorlog waarin alles mag en waarin de sterkste en de slimste overwint. Mensen leven als beesten: elkaar onderling afmakend en schaamteloos op elkaar kruipend. De personages die op zoek zijn naar een beetje geluk, doen dat tevergeefs: van het geluk valt alleen te dromen en die dromen worden voor de moderne mens steeds trivialer.

Boon zag zichzelf steeds duidelijker als de onbegrepen seismograaf van zijn tijd, als radicaal cultuurcriticus en tegendraads moralist en zo moet ook zijn latere werk gelezen worden.

Daarnaast - en dat wordt een tweede duidelijke krachtlijn - blijft Boon ook zijn hele leven lang worstelen met zijn artistieke roeping. Hij was een verscheurde would-be Multatuli en Van Gogh, half schrijver, half schilder, die aanvankelijk een heel romantisch-sentimentele kunstopvatting had, waarin ook hooggestemde ideeën over vriendschap meeklinken: het masker van de burgerlijk-industriële wereld moest afgerukt worden en het ware zijn van de dingen diende geopenbaard. Hij wou de bourgeoisie de verdrongen waarheid en een onwereldse schoonheid in het hypocriete gezicht slingeren.

Als hij aan een boek begint, wil hij dat het dé roman wordt, die de hele werkelijkheid en zijn eigen gevoelens en ervaringen representeert: "Schilder het, schrijf het, teken het.... Ik weet wel dat het niet gaat, dat het nooit dat is. Maar toch. Het trekt er op, zoals een bloemkool op een bloemruiker." Achteraf blijkt hij dan ook meestal ontgoocheld met het bereikte resultaat :"Ik kan niets, niets; Ik ben een stotteraar die vraagt waar de tram stopt. Ja, dat kan ik, volkomen. En ondertussen staat daar de droom, blinkend, subtiel, onzegbaar en hij lacht mij uit."

Zijn kunstkritisch werk bij de Roode Vaan laat hem veel over kunst nadenken en geleidelijk verschuift zijn romantische kunstvisie naar de eisen van waarachtigheid, naar onthulling van geheimen en intieme gedachten los van enig idealisme. Hij verweet de Vlaamse literatuur bekrompen, folkloristisch en nationalistisch te zijn. Hij sprak van een verdroomdheid waarachter angst voor het werkelijke leven schuilging . Begin de jaren 50 kwam Boon tot het inzicht dat de traditionele romanvorm eigenlijk niet geschikt was om er het wezen van de tijd mee uit te drukken. De nieuwe roman moest natuurlijker, minder geconstrueerd worden, uit zichzelf gegroeid, logischer en menselijker zijn, zodat hij een hechtere verwantschap met het leven krijgt. Daarom doet hij tijdens zijn journalistieke Vooruitperiode een beroep op zijn lezers om hem echt gebeurde verhalen op te sturen.

Het is dus des te tragisch-ironischer dat zijn meesterwerk, het dubbelluik Kapellekensbaan / Zomer te Ter-Muren die vormvernieuwing weliswaar realiseert, maar tegelijkertijd het failliet van het schrijverschap bevat. Boon ziet in dat hij met schrijven geen oplossingen kan aandragen voor de bestaande maatschappelijke en individuele problemen. Het schrijven ervaart hij dan in toenemende mate als een zinloze activiteit.

Zo blijft hij zijn hele leven een verscheurde dubbelkunstenaar : na zijn terugkeer uit de krijgsgevangenschap koos hij er definitief voor om te gaan schrijven en deed daarmee afstand van een romantische jongelingsdroom een tweede Vincent van Gogh te worden. In 1969 echter zal hij als Salvador Paul Boon tweemaal symbolisch afscheid nemen van de literatuur en zich weer laten inschrijven aan de Gentse Kunstacademie.

"Ik ontdek een ontspoorde schrijver te zijn." Reeds in mijn jeugdjaren schilderde de ik (de schoenen van mijn vader, die hij moe en teleurgesteld uitschopte, cfr. Van Gogh) en ontdekte pas achteraf dat ik de dingen gemakkelijker kon beschrijven. En in mijn literaire werk maakte ik schilderijen met woorden. Ik slaagde er nooit in beide te compenseren. Ik schrijf nu zomaar wat, ik schilder zomaar wat, maar diep in mijn binnenste weet ik ergens ontspoord te zijn !"

In zijn literair testament "Eros en de eenzame man" stelt Boon nog eens heel duidelijk scherp op de tegenstelling tussen de huiselijke gezelligheid die de succesvolle romancier Paul Boonen met zijn idyllisch vrouwtje Roosje geniet en de compromisloze marginaliteit van een ontspoorde naamloze schilder. Dat is ook altijd zijn eigen onmogelijke keuze geweest.

Tenslotte, het derde luik van Boons utopisch verlangen : het erotisch-sexuele.

Er is herhaaldelijk gewezen op het Lolita-motief in het werk van Boon en op zijn voorliefde voor nimfijnen in het algemeen. Haast iedereen kent ondertussen ook het mooiste voorbeeld van alliteratie uit Boons werk: zijn Fenomenale Feminatheek: 120 thematisch geklasseerde mappen vol vrouwelijk schoon die de basis moesten vormen voor een verregaande studie over het Naakt.

Bijna altijd wordt de kiem voor zijn sexuele interesses in zijn vroege puberteit gelegd bij een traumatische jeugdverliefdheid op het nichtje Elsje of het platonisch aanbidden van het poppenbuurmeisje Irma.

Het lijkt er dan op dat Boons aanvankelijke vergoddelijking van de seksualiteit zijn oorsprong vindt in het verzet tegen zijn puriteinse opvoeding. Het uit de vervreemding van het eigen lichaam, uit de puriteinse afkeer van onmiddellijke behoeftebevrediging voortgekomen romantisch ideaal verliest voor de losgeslagen puber alle betrekkelijkheid. De droom spiegelt zoveel heerlijkheid voor dat het alledaagse banaal lijkt. In "Zomerdagdroom", dat ook als groteske vertekening van Frederik van Eedens "Kleine Johannes" - lange tijd het lievelingsboek van Boon - gelezen kan worden, komt een lelijk ongelukkig jongetje tijdens een droom van liefde, seks en meisjes volledig aan zijn trekken, maar wordt wakker in een keiharde wereld met een vader die hem mishandelt.

Toch moeten we er ons voor hoeden om de veelduidige creatieve sexuele utopie te verengen tot een ordinair freudiaans motief. Er zijn aanwijzingen dat Boons sexuele utopie aanvankelijk meer literair dan biografisch was. Zijn literaire personages leenden zich immers beter tot idealisering dan de echte vrouwen of meisjes in zijn omgeving. Pas in zijn latere crisisperioden ontaardde de papieren utopie in een persoonlijke obsessie.

In veel opzichten verlangt hij terug naar het ongerepte, het onbezoedelde en jonge meisjes zijn daarvan bij hem dikwijls het symbool. Jonge meisjes hebben een bekorende uitwerking maar maken hem tegelijkertijd bang om hun lichaam te schenden: in de man wordt een strijd tussen intellect en instinct zichtbaar, tussen verlangen naar de ongerepte natuur en het toegeven aan platvloerse oerdriften. Opvallend is bevoorbeeld dat zowel Mieke Maaikes Obscene jeugd als Zomerdagdroom tussen alle provocatie door het thema van de sexuele initiatie van kinderen bevatten.

Zo verschuift ook de visie op sexualiteit, naar iets mensonwaardigs, dierlijks :"het maakt van u iets dat minder is als een mens, iets al te dierlijks dat binnen in u sluimert, en dat daardoor wakker gemaakt wordt."

en op het einde van zijn leven zal Boon zonder enige illusie bij het begin van zijn "Eros en de eenzame man" schrijven : "We zijn goed voor de dieren, laat ons ook goed zijn voor hen die leven als beesten"

Ook de visie op de vrouw is veranderd : de vrouw maakt nu als allegorische figuur deel uit van zijn algehele cultuurkritiek: in haar projecteert de moderne mens op een haast ontstellend triviale manier zijn meest duistere verlangens.

Een werk waarin dit duidelijk gebeurt is "Paradijsvogel" en daarmee komen we toe aan de bzloofde behandeling van enkele miskende meesterwerken :

De paradijsvogel (1958)

Het boek biedt een beeld van een amorele tijd waarin achter eerzame onkreukbare mensen allerlei sexuele excessen schuilgaan. Tegelijkertijd maakt Boon ook het proces van de media die mensen een fictief glamour en glitter bestaan voortoveren : Vrouwelijk hoofdpersonage Beauty Kitt (geïnspireerd op Marylyn Monroe) is de gevierde ster van "Hemelland" (Hollywood) maar dat succes wordt haar ondergang. Is dit boek dus niet vooral een "televisioen", waarin Boon al in 1958 de actuele "evenementencultuur" en virtuele sexualiteitsbeleving voorvoelde. Hij registreerde al feilloos de oppervlaktecultuur, een criticus sprak zelfs van "opperhuidcultuur".

Op een tweede niveau wordt het ontstaan van eredienst en religie bij het begin van de menselijke beschaving verhaald. Boon beschrijft hoe de mens reageert op het Nietzscheaans besef dat God niet bestaat :"dat wij als denkende dieren heel alleen zijn in dit heelal en dat deze eenzaamheid ons eeuwig drukken zal".

Elke godsdienst, elk offer is daardoor al bij voorbaat nutteloos, maar de mens heeft zich niet kunnen verenigen met die nutteloosheid en heeft zich bewust een paradijsvogel geschapen, om te verhullen dat het leven zinloos is. De mens schaamt er zich voor alleen maar een dierlijk wezen te zijn en gaat zijn seksualiteit onderdrukken in allerlei taboes en schuldgevoelens. Ook de moderne tijd schept opnieuw zijn eigen paradijsvogel, die door Boon een "ontzettende leugen", een zinsbegoocheling genoemd wordt: Het onderdrukte verlangen naar vrije seksualiteit wordt gecompenseerd door de aanbidding van modekoninginnnen, filmactrices en TV-presentatrices. Het boek eindigt met de verschijning van Beauty Kitt bovenaan een trap die op een blinde muur doodloopt: ze toont haar geslacht, de "gouden driehoek", haar "paradijsvogel" , die tot onderwerp van de moderne eredienst is geworden.

Het beeld dat Boon hier schetst van de moderne beschaving is ontluisterend. Een citaat :"het is ook waar dat er de laatste jaren verscheidene misdaden zijn gepleegd. Ik herinner me nog het geval met de reiziger wiens lijk in een wasketel op het fornuis was gezet - het stond nog op het vuur pruttelend te verdwijnen, toen men binnenviel. En bijna gelijktijdig vond men het elfjarig bordeelmeisje Anny onder het ijzeren rooster van een kelderraam." Of met andere woorden : Pandy en Dutrout zoveel jaren avant la lettre.

Wapenbroeders

Reinaert sticht samen met zijn oom Isengrinus de "republiek der negatie van de bestaande dingen". ze willen een rechtvaardige verdeling van de buit maar komt al gauw tot inzicht dat met die voorgenomen eerlijkheid en rechtvaardigheid weinig aan te vangen valt.

Het boek is ook een sleutelroman vol referenties aan de politieke Belgische actualiteit met collaboratie, repressie en Koningskwestie. Tegelijkertijd schrijft Boon hier een satire op de innerlijke keuken van politieke partijen - hier in casu de communistische partij - die hij tijdens zijn Roode Vaan periode heeft leren kennen.

De schrijver van deze moderne Reinaert heeft het geloof in alles en iedereen verloren en wantrouwt mensen met idealen, maar beseft dat humor, ironie en zelfspot bevrijdend kunnen werken.


terug naar historiek van de activiteiten