Bepaling met
betrekking tot het erfrecht van vrouwen
Bepaling met
betrekking tot legaten
Een derde bepaling?
DE LEX VOCONIA EN HAAR
DOELSTELLINGEN
1.Beperking van de
accumulatie van rijkdom in de handen van vrouwen
2.Bevorderen van de accumulatie van rijkdom in de
handen van mannen
3.Reactie op de toename van sine manu
huwelijken
4.Reactie op het afnemend belang van de tutela
legitima
5.Conservatisme op verschillende
niveaus
WAT
BIJ OVERTREDING VAN DE WET?
Het legatum
partitionis
Hetfideicommissum
Primaire
bronnen
Secundaire
literatuur
Het doel van dit werk is aan de hand van het overgeleverde
bronnenmateriaal de bepalingen en de doelstellingen van de Lex Voconia te
achterhalen. Ook zullen praktijken
zoals het ‘legatum partitionis’ en het ‘fideicommissum’, die aangewend werden
om deze wet te omzeilen, besproken worden.
De Lex Voconia behoort, samen met de Lex Furia en de Lex Falcidia, tot
de wetten die stapsgewijs de omschakeling van het Oudromeinse naar het
klassieke erfrecht bewerkstelligen.
Helaas is de originele wettekst niet meer voorhanden en zijn we
verplicht ons te baseren op fragmentaire overleveringen via een aantal
klassieke auteurs en rechtsgeleerden.
De verschillende interpretaties die zij aan bepaalde aspecten van de Lex
Voconia geven zorgen soms voor verwarring.
De wet omvatte mogelijks meerdere bepalingen maar van slechts twee is de
inhoud met enige zekerheid bekend.
De Lex Voconia werd ingevoerd naar aanleiding van het wetsvoorstel van
Quintus Voconius Saxa, een volkstribuun[1]. Het voorstel werd sterk gesteund door Cato
Maior die een redevoering hield waarin hij zich uitsprak ten gunste van het
voorstel. Auteurs als Cicero, Livius en
Gellius[2]
verwijzen in een aantal van hun teksten naar Cato als ‘suasor’ van de wet[3]. In 169 v.Chr., tijdens het consulaat van
Caepio en Philippus, kreeg dit plebiscitum kracht van wet.[4]
De Lex Voconia verloor reeds in 40 v.Chr. een deel van haar
betekenis. In dat jaar immers werd de legaatsbeperking van de Lex Voconia sluitend gemaakt door de
Lex Falcidia. Deze zorgde ervoor dat
het voor de erfgenaam steeds de moeite was om de nalatenschap te aanvaarden.[5] Een onregelmatige en minder nauwkeurige
optekening van de census, het wettelijk bindend worden van het fideicommissum
en de huwelijkswetgeving van Augustus[6]
droegen er verder toe bij dat de Lex Voconia in de vroege Keizertijd haar
praktische betekenis volledig verloor.[7]
Bepaling met betrekking tot het erfrecht van
vrouwen
De fragmenten die ons in staat stellen deze eerste bepaling te
achterhalen, zijn:
Gaius, ‘Institutiones’,
II.274:
‘Item
mulier, quae ab eo qui centum milia aeris census est per legem
Voconiam heres institui non potest, …’
Augustinus, ‘De civitate
Dei’, III.21:
‘Nam tunc, id est inter secundum et postremum
bellum Carthaginiense,
lata est etiam lex illa Voconia, nequis heredem
feminam faceret, nec
unicam filiam. Qua lege quid iniquius dici aut
cogitari possit, ignoro.’
Cicero, ‘De re publica’,
III.10.17:
‘…de mulierum legatis et
hereditatibus, alia solidus sit adulescens dicere
nondum Voconia lege lata,
quae quidem ipse lex utilitatis virorum gratia
rogata in mulieres plena
est iniuriae. Cur enim pecuniam non habeat mulier?
Cur virgini Vestali sit
heres, non sit matri suae? …’
Dio
Cassius, LVI.10.2:
‘tων τε γυναικων τισι και παρα τον Ουοκωνειον νομον, καΘ ον ουδεμια αυτων
ουδενοσ υπερ δυο ημισυ μυριαδασ ουσιαζ κληρονομειν εξην, συνεχωρησε
τουτο
ποιειν’
Over welk vermogen men diende te beschikken om tot de eerste klasse te
behoren, verschaffen de bronnen ons tegenstrijdige gegevens. Gaius heeft het over een bedrag van 100.000
asses, terwijl Dio Cassius het heeft over een bedrag van 25.000 drachmen wat
overeenstemt met 100.000 sestertiën.[11]
Uit het volgende fragment dat we terugvinden bij Cicero kan men
afleiden dat in zijn tijd, namelijk in de 1e eeuw v. Chr., het
mogelijk was voor een persoon die niet opgenomen was in de census, hoe groot
zijn vermogen ook, een vrouw en ook een enige dochter bij testament tot
erfgenaam te maken.[12]
Cicero, ‘In Verrem’,
II.1.41.104:
‘P. Annius Asellus mortuus
est C. Sacerdote praetore. Is, cum
haberet
unicam filiam neque census
esset, quod eum -natura hortabatur,
lex nulla prohibebat- fecit
ut filiam bonis suis heredem institueret.
Heres erat filia. Faciebant omnia cum pupilla legis aequitas
voluntas
patris edicta praetorum
consuetudo iuris eius quod erat tum cum
Asellus est mortuus.’
Eveneens op basis van dit fragment vermoeden sommigen dat de bepaling
oorspronkelijk niet beperkt was tot de ‘classici’, met name diegenen die tot de
eerste censusklasse behoren. Cicero
liet met de woorden ‘neque census esset’ uitschijnen dat de bepaling van
toepassing was op alle censusklassen behalve de personen ‘infra classem’ en de
vrouwelijke erflaters. Deze
veronderstelling wordt tegengesproken op basis van een fragment van Gellius:
Gellius, ‘Noctes Atticae’,
VI.13:
‘Hoc eo strictim
notavi, quoniam in M. Catonis oratione,
qua Voconiam legem suasit,
quaeri solet, quid sit ‘classicus’,
quid ‘infra classem.’
Men mag aannemen dat de termen ‘classicus’ en ‘infra classem’ niet in
de oorspronkelijke wettekst voorkwamen.
Bovendien blijkt uit onderzoek door Rosenberg dat de term ‘classicus’
vreemd is aan het juridische jargon van die tijd.[13] De termen werden, wat de Lex Voconia
betreft, voor het eerst gebruikt in de redevoering van Cato. Hij maakte dit onderscheid met betrekking
tot de toepasbaarheid van de eerste bepaling.
Dus moet het de bedoeling geweest zijn om deze bepaling te beperken tot
de testamenten van ‘classici’.[14]
Een tweede wetsbepaling van de Lex Voconia verbood een persoon om door
middel van een donatio mortis causa[15]
of een legaat méér te schenken aan een man of een vrouw dan datgene wat de
erfgenaam (of alle erfgenamen tezamen) toekwam.[16]
Deze bepaling wordt overgeleverd door:
Gaius, ‘Institutiones’,
II.226:
‘Ideo postea lata est Lex
Voconia, qua cautum est ne cui plus
legatorum nomine mortisve
causa capere liceret quam heredes
caperent. Ex qua lege plane quidem aliquid utique
heredes habere
videbantur; sed tamen
fere vitium simile nascebatur. Nam in
multas
legatariorum personas
distributo patrimonio poterat <testator>
adeo heredi minimum
relinquere, ut non expediret heredi huius lucri
gratia totius
hereditatis onera sustinere.’
Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110:
‘Quid, si plus legarit
quam ad heredem heredesve perveniat?
Quod per legem Voconiam ei
qui census non sit licet; …’
Deze fragmenten liggen aan de basis van twee problemen.
Het eerste probleem handelt over de vraag welke personen getroffen
worden door deze bepaling. Gaius maakt
bij het aanhalen van de tweede bepaling van de Lex geen melding van de
voorwaarde om opgenomen te zijn in de eerste censusklasse. Op basis van ‘In Verrem’, II.1.43.110 kan
men concluderen dat Cicero stelt dat de tweede bepaling van toepassing is op
diegenen die ‘census’ zijn. Cicero
drukt dit op deze wijze uit omdat hijzelf meent dat de tweede bepaling van
toepassing is op de personen van de vijf censusklassen. Op grond van de reeds gevoerde discussie in
verband met de termen ‘classicus’ en
‘infra classem’, zouden we kunnen aannemen dat de term ‘census’ bij
Cicero slaat op de eerste censusklasse[17].
Om dit te ondersteunen zou men ook
kunnen veronderstellen dat Gaius, die niet over census of classici spreekt, het
als vanzelfsprekend beschouwt dat de tweede bepaling van de Lex ook enkel van
toepassing is op personen die tot de eerste censusklasse behoren. Aangezien hij
deze voorwaarde reeds uitdrukkelijk vermeldt bij de weergave van de eerste
bepaling, acht hij het mogelijks overbodig om dit nog eens expliciet te
vermelden bij de tweede bepaling.[18]
Het tweede probleem is een interpretatieprobleem dat verband houdt met
de verhouding tussen het deel van één of meerdere legatarissen en het aandeel
van de erfgenaam of de erfgenamen.
Aangezien de oorspronkelijke bepaling van de Lex Voconia niet meer
voorhanden is, valt het moeilijk uit te maken of de interpretatie van Cicero,
dan wel die van Gaius de juiste is.
Gaius interpreteerde de Lex als volgt: één enkel legaat mag niet groter
zijn dan het aandeel bestemd voor de erfgenaam of erfgenamen. Dit schiep de mogelijkheid een zodanig groot
aantal legaten te creëren dat de erfgenamen zelf slechts een kleine erfenis
overhielden. Op deze manier was het
voor de erfgenaam niet erg interessant meer om de erfenis te aanvaarden. In dat geval gingen al de beschikkingen van
de erflater op in het niet, dus ook de legaten.[19] Een andere mogelijke interpretatie wordt
aangereikt door Cicero die stelt dat
de som van de legaten niet groter mag zijn dan datgene wat aan de erfgenaam of
erfgenamen toekwam[20]. Indien de interpretatie van Cicero de juiste
is, zouden de erfgenaam of de erfgenamen in alle gevallen steeds minstens de
helft van de erfenis ontvangen.[21]
Omdat de maatregel dus wel een beperking op de omvang van de legaten,
maar niet op het aantal legaten stelde, was de bepaling van de Lex Voconia niet
voldoende doeltreffend en sluitend. Dit
was één van de redenen waarom ze in 40 v.Chr. vervangen werd door de Lex
Falcidia. Die bepaalde dat de erfgenaam minstens één vierde van de
nalatenschap moest erven.[22] Indien Cicero het bij het rechte eind had, zou dat het invoeren
van de Lex Falcidia overbodig gemaakt hebben.
De 264ste Declamatio minor van Pseudo-Quintilianus laat
veronderstellen dat er mogelijks nog een andere bepaling in de oorspronkelijke
Lex Voconia opgenomen was.
Ps.-Quintilianus, 264ste
Declamatio:
‘Fraus legis Voconiae. Ne liceat mulieri nisi
dimidiam partem
bonorum dare. Quidam duas
mulieres dimidiis partibus instituit.
Testamentum cognati
arguunt.’
Dit fragment wordt soms opgevat als een specifieke beperking enkel voor
vrouwelijke begunstigden. De
veronderstelde bepaling verbood volgens het fragment dat aan vrouwen door een
legaat meer dan de helft van de goederen zou toekomen. Het bestaan van deze bepaling is echter
twijfelachtig om verschillende redenen.
Ten eerste werd de bepaling in geen enkele andere bron
teruggevonden. Moest ze bestaan hebben,
zou ze zeker bij Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110 met betrekking tot de
legaten, vermeld moeten zijn.[23]
Ten tweede kan men zich afvragen wat nog het nut zou zijn van een
dergelijke bepaling aangezien de tweede algemene bepaling reeds stelde dat
niemand, dus ook geen vrouw, méér dan de helft van de nalatenschap kon
gelegateerd krijgen. Quintilianus
schreef alsof de bepalingen van de Lex Voconia niet bestonden.
Tenslotte moet rekening worden gehouden met het feit dat Quintilianus
een redenaar was en dat deze wel eens de oorspronkelijke bepaling durfde te
verdraaien om een bruikbare en sluitende casus op te bouwen.[24]
De Lex Voconia was, zoals in de eerste bepaling naar voor komt, enkel
van toepassing op het testamentaire erfrecht en liet het intestaaterfrecht
volledig onberoerd. Het was dus voor
alle vrouwelijke verwanten van personen uit de eerste klasse mogelijk om ab intestato
te erven. Door een latere correctie
krachtens het ius civile, namelijk de ratio voconiana, werd een beperking
ingevoerd die het aantal vrouwelijke kandidaat-erfgenamen fors deed inkrimpen.[25]
De inhoud van de ratio voconiana vinden we terug in fragmenten van
Gaius, Paulus en Ulpianus:
Gaius, ‘Institutiones’,
III.14:
‘…Nam feminarum hereditates proinde ad nos agnationis
iure redeunt
atque masculorum; nostrae vero hereditates ad feminas
ultra consangui-
neorum gradum non
pertinent. Itaque soror fratri sororive legitima heres
est, amita vero et fratris
filia legitima heres esse < non potest. Sororis
autem nobis loco est
> etiam mater aut noverca quae per in manum
convensionem apud
patrem nostrum iura filiae nacta est.’
Paulus, ‘Sententiae’,
IV.8.20:
‘Feminae ad hereditates
legitimas ultra consanguineas successiones
non admittuntur: idque
iure civili voconiana ratione videtur effectum.
Ceterum Lex XII
tabularum nulla discretione sexus agnatos admittit.’
Tituli ex corpore Ulpiani, XXVI.6:
‘Ad feminas ultra
consanguineorum gradum legitima hereditas non pertinet;
itaque soror fratri sororive legitima heres fit.’
Het fragment zegt ons
dat het intestaaterfrecht voor vrouwen beperkt werd tot consanguineae. Dit zijn enerzijds volle zussen en halfzussen
van dezelfde vader. Anderzijds bevond
de moeder of stiefmoeder van de overledene zich in dezelfde positie als de
zussen op voorwaarde dat ze cum manu gehuwd geweest was met de vader van de
overledene. Terwijl de zussen
consanguineae waren, was de moeder of stiefmoeder consanguinea loco aangezien
ze filia loco was ten opzichte van de overleden vader van de overledene. De moeder of stiefmoeder erfde dus op grond
van agnatio. Tantes van de overledene
langs vaders zijde, de dochter van een broer of verdere vrouwelijke verwanten
hadden geen erfrecht.[26] Enkel wanneer er geen sui heredes en geen
agnati waren, konden vrouwelijke agnati die na de graad van zussen van dezelfde
vader kwamen, erven.[27]
Via het intestaaterfrecht kon men aan de dichtste vrouwelijke verwanten
méér nalaten dan door de Lex Voconia via legaat toegestaan was. De optie om op deze wijze een enige dochter
toch de volledige nalatenschap in handen te geven, veroorzaakte gemengde
gevoelens bij de erflater. Enerzijds
was er de sterke drang om de emotionele band met dochters of vrouwen te uiten
door hen alles of meer dan het toegestane na te laten. Anderzijds was het niet nalaten van een
testament geen gangbare praktijk voor de Romeinen en zeker niet voor personen
van de eerste klasse.[28] De Romeinen regelden graag wat er met hun
patrimonium na hun dood moest gebeuren.
Hiervoor was natuurlijk een testament nodig. Verder moesten de meeste personen van de eerste klasse rekening
houden met vriendschaps- en familiebanden.
Vaak moest men voor de uitbouw van een politieke carrière een beroep
doen op de steun van invloedrijke familieleden en vrienden en soms ook op hun
vermogens. Deze hulp schepte een aantal
verplichtingen en verantwoordelijkheden.
Indien men de erkentelijkheid jegens die personen vergat, betekende dit
een deuk in de reputatie van de overledene en kon het de politieke carrière van
diens verwanten ernstig schaden.[29] Men kan dus stellen dat men wel graag meer
zou nalaten aan vrouwelijke verwanten, maar dat het maken van een testament min
of meer gezien werd als een verplichting.
Deze gevoelens vindt men perfect weerspiegeld in een fragment van
Cicero:
Cicero, ‘De re publica’,
III.10.17:
‘…de mulierum legatis et
hereditatibus, alia solidus sit adulescens dicere
nondum Voconia lege lata;
quae quidem ipsa lex utilitatis virorum gratia
rogata in mulieres plena
est iniuria. Cur enim pecuniam non habeat
mulier? Cur Virgini
Vestali sit heres, non sit matri suae? Cur autem
si pecuniae modus
statuendus fuit feminis, P. Crassi filia posset habere,
si unica patri esset,
aeris milliens salva lege, mea triciens non posset […]’
In dit hoofdstuk zal de motivering voor het aannemen van de Lex Voconia
uiteengezet worden. In de secundaire
literatuur werden reeds talrijke veronderstellingen gemaakt over de intenties
van de tribuun Quintus Voconius Saxa en de andere intitiatiefnemers van de
wet. Waar het om gaat is te achterhalen
welke redenen doorslaggevend en welke van secundair belang waren.
Deze motivatie wordt in de secundaire literatuur niet beschouwd als
doorslaggevend. Volgens J.F.Gardner
vonden een aantal auteurs in de redevoering van Cato een voldoende bewijs om
dit motief als één van de belangrijkere redenen te aanzien.[30] De literatuur die ik doorgenomen heb,
bevestigt haar stelling niet. A.Watson,
A.Astin en R.Vigneron, die zij rekent tot die auteurs[31],
noemen de wet wel antifeministisch[32],
maar dit impliceert niet dat zij aannemen dat de wet om deze reden ingevoerd
is. Men kan hoogstens het resultaat als
anti-feministisch bestempelen. Indien
een beperking van de accumulatie van rijkdom in handen van de vrouwen het
objectief van de wet zou geweest zijn, zou men óf ervoor zorgen dat vrouwen
geen sui heredes konden worden óf onmiddellijk het intestaaterfrecht voor
vrouwen beperkt hebben. [33] Dit is echter gebeurd door de ratio
voconiana die pas van kracht werd ná het aannemen van de Lex Voconia. Indien dit de oorspronkelijke bedoeling was
geweest, had men het intestaaterfrecht voor vrouwen in de Lex Voconia zelf
aangepast.[34]
2.Bevorderen
van de accumulatie van rijkdom in de handen van mannen
Een hoofddoel van de Lex Voconia was het bevorderen van de accumulatie
van rijkdom in de handen van mannen met als gevolg dat er minder middelen
overbleven voor de vrouwen. Men ging er
van uit dat het bezitten van een groot vermogen het hoofddoel was voor de
mannen van de hoogste klasse. Alleen op
deze wijze waren zij in staat een politieke carrière uit te bouwen. [35] De ratio voconiana, samen met de eerste
bepaling van de Lex Voconia, zorgden ervoor dat het familiebezit voorbehouden
werd aan de mannelijke familieleden.[36] Cicero zegt over de wet in ‘De re publica’,
III.10.17: ‘Utilitatis virorum gratia in mulieres plena est iniuria’,
d.w.z. omwille van het nut voor de mannen, maar vol onrecht voor de
vrouwen. Dit kan betekenen dat hij het
negatieve effect van de Lex op vrouwen betreurde maar de bepaling niettemin
noodzakelijk achtte. Dit kan ook de
visie geweest zijn van de initiatiefnemers van de Lex Voconia.[37]
De toename van sine manu huwelijken zorgde ervoor dat een stijgend
aantal vrouwen een eigen vermogen behield gedurende hun huwelijk. Deze vrouwen werden sui iuris na het
overlijden van hun pater familias en beschikten uiteraard over een grotere
vrijheid en onafhankelijkheid.
R.Vigneron tracht aan te tonen dat het aantal vrouwen sui iuris niet
afhankelijk is van het soort huwelijk (cum of sine manu). Een stijgend aantal sine manu huwelijken
leidt volgens hem niet tot een stijgend aantal vrouwen sui iuris en was dus
geen motief voor het aannemen van de Lex Voconia.[38]
J.A.J.M. Van der Meer stelt dat een stijging van het aantal sine manu
huwelijken wel degelijk tot een verhoging van het aantal vrouwen sui iuris
leidt[39]. Ze slaagt erin de bewijsvoering van
R.Vigneron te ontkrachten. De
vooronderstellingen die aan de basis van zijn hypothese liggen, hebben een te
beperkte grond en zijn éénzijdig.
Enerzijds een te beperkte grond omdat hij een gezin steeds laat bestaan
uit een echtgenote, een gehuwde en een ongehuwde dochter. Er wordt immers geen rekening gehouden met
grotere gezinnen. Anderzijds zijn zijn
premis-sen eenzijdig omdat hij geen rekening houdt met de status van de
vrouwelijke familieleden tijdens het leven van de pater familias. Hij beschouwt
enkel de toestand ná diens overlijden.
Op deze wijze zet J.A.J.M. Van der Meer de bewering van R.Vigneron op
losse schroeven. Een stijgend aantal
vrouwen sui iuris was dus wél een belangrijk motief voor het invoeren van de
Lex Voconia.[40]
Een ongehuwde dochter of een gehuwde dochter sine manu werd bij de dood
van de pater familias sui iuris. Dit
hield in dat ze over grote vermogens kon beschikken maar nog steeds de
goedkeuring van een tutor nodig had voor het stellen van rechtshandelingen,
bijv. de aan- of verkoop van bepaalde goederen.
Ten tijde van de Lex Voconia werd er steeds meer een tutor testamentarius
aangeduid. Deze werd, bij testament
door de pater familias of door haar echtgenoot in het geval van een cum manu
huwelijk, aangesteld. Vaak was deze
persoon geen verwant van de vrouw wat beteken-de dat zij een grotere
beschikkingsvrijheid over haar vermogen had.
Indien de persoon onder wiens gezag zij stond geen testament had
opgesteld of bij testament geen tutor had aangeduid, dan kwam zij automatisch
onder de voogdij van haar dichtste mannelijke verwant, de agnatus
proximus. Deze werd, wanneer de vrouw
ab intestato stierf, de eerste erfgenaam.
Bijgevolg had hij alle belang bij een goed beheer van haar
eigendom. Omdat de vrouw op deze manier
het leven zuur gemaakt werd, werd steeds vaker een tutor testamentarius
aangesteld. Dat hij niet zoveel te
verwachten had, was echter niet de enige reden waarom hij de vrouw vrijer
liet. Dit gebeurde deels ook uit
vooruitziendheid. Als hij de vrouw
gunstig stemde, zou hij eventueel in haar testament begunstigd worden via een
legaat. Om deze twee redenen genoot de
vrouw een grotere economische en dus ook sociale vrijheid. Op deze wijze kan de toenemende gewoonte om
een tutor testamentarius over vrouwen met een aanzienlijk vermogen aan te
stellen een stimulans geweest zijn om de Lex Voconia in te stellen.[41]
R.Vigneron onderscheidt drie types van conservatisme. De vraag is om welk type van conservatisme
het gaat in het geval van de Lex Voconia.
Een conservatieve houding op het niveau van de sociale moraal
zou inhouden dat men via de Lex Voconia de luxe-uitgaven van de vrouwen zou
trachten te beperken.[42] De Lex Voconia zou dan een lex sumptuaria
zijn. Een viertal argumenten pleit
echter tegen deze veronderstelling.
Ten eerste stelt de tweede bepaling van de Lex in verband met de
grootte van de legaten dat een legaat niet groter mocht zijn dan de helft van
de nalatenschap. Deze helft liet hoe
dan ook genoeg ruimte voor luxe-uitgaven.
Als dit een hoofddoel was geweest, dan was de Lex dus niet
sluitend.
Ten tweede mag men veronderstellen dat er ook mannen waren die hun
rijkdom wilden etaleren door hun vrouwen met luxeartikelen te overladen. Dit kon immers bijdragen tot hun sociaal
prestige.
Ten derde was algemeen geweten dat Cato een hevig tegenstander was van
luxe voor vrouwen. Dit was reeds
gebleken in 195 v.Chr. toen voorgesteld werd de Lex Oppia af te schaffen. Deze Lex, ingevoerd in de 3e eeuw
v.Chr., had de luxe van rijke vrouwen sterk beknot. In dit verband hield Cato in 195 v.Chr. voor de comitia een redevoering
met het oog op het behoud van deze Lex Oppia.
Toen reeds waren er ook hevige tegenstanders van Cato’s
overtuiging. Het wil dus niet zeggen
dat, indien men uit de redevoering van Cato in verband met de Lex Voconia kan
afleiden dat hij tegen luxe voor vrouwen was, ook de instellers van de Lex
Voconia er zo over dachten.[43]
Tenslotte maakt Gellius in ‘Noctes Atticae’, XX.1[44] een duidelijk onderscheid tussen de Lex
Voconia en leges sumptuariae door de Lex Voconia niet op te nemen in zijn
opsomming van enkele leges sumptuariae: ‘…Quid utilius plebiscito Voconio de
coercendis mulierem hereditatibus? Quid tam necessarium exixtimatum est
propulsandae civium luxuriae, quam lex Licinia et Fannia aliaeque item leges
sumptuariae?…’.
In het geval van een conservatisme met economische draagwijdte
zou de wetgever trachten het uiteenvallen van de patrimonia van aanzienlijke
familiae te voorkomen.
Of dit doel door de Lex beoogd werd, valt te betwijfelen. De eerste bepaling zou ingevoerd kunnen zijn
met deze bedoeling, maar in dit geval is ze in tegenspraak met de tweede
bepaling. Deze stelde een beperking op
de omvang van de legaten maar niet op het aantal. Dus wat men bespaarde aan vrouwelijke erfgenamen door de eerste
bepaling, verloor men aan vrouwelijke legatarissen.
Als laatste type brengt R.Vigneron een conservatisme van meer ideologische
aard naar voor.
De Lex Voconia zou in dit kader dan een poging tot herstel van de
oud-republikeinse waarden geweest zijn.
Deze waarden postuleren dat de grote fortuinen van de klasse die de
macht monopoliseerde, in handen moest blijven van de mannelijke leden.[45] Dit was de motivatie van Cato bij het
opstellen van zijn redevoering. Volgens
R.Vigneron was dit een belangrijke reden tot het aannemen van de wet. Dit besluit hij aan de hand van een
fragment, dat ons overgeleverd werd door Gellius, uit de redevoering van
Cato.
Gellius, ‘Noctes Atticae’,
XVII.6:
‘M. Cato Voconiam legem
suadens, verbis hisce usus est: ‘Principio
nobis mulier magnam
dotem attulit, tum magnam pecuniam recipit,
quam in viri potetatem
non committit; eam pecuniam viro mutuam dat;
postea, ubi irata facta
est, servum receptitium sectari atque flagitare
virum iubet’.’
Volgens Cato was het niet toelaatbaar dat een vrouw meende dat het haar
toegestaan was van haar man te eisen dat hij zijn schulden aan haar
terugbetaalde. De onbeschaamdheid van
de vrouw was een doorn in het oog van Cato.
Die brutaliteit werd volgens hem mogelijk gemaakt door haar financieel
onafhankelijke positie die zij kon bekomen door nalatenschap-pen.[46] Dit motief kan een belangrijke rol gespeeld
hebben maar wederom kan men zich afvragen waarom er geen beperking op de omvang
van de legaten werd gesteld.
Om deze vraag te beantwoorden, dient men na te gaan of de Lex Voconia
een lex perfecta, imperfecta of een lex minus quam perfecta is.[47]
Wat de eerste wetsbepaling betreft kan men, op basis van het optreden
van Verres tegen de dochter van P.Annius Asellus[48],
besluiten dat ze tot de leges perfectae behoort. Verres wenst door middel van een edict de mensen die niet tot de
census behoren maar toch een vermogen van meer dan 100.000 asses bezitten, te
onderwerpen aan de Lex Voconia. Zo zou
hij de aanstelling tot erfgenaam van de dochter van P.Annius Asellus ongedaan
kunnen maken. Er wordt niet gesproken
over een straf maar wel over de nietigverklaring van het testament.
Dit betekent dat wanneer niet aan de bepaling van de wet voldaan werd,
de testamentaire beschikking verloren ging.
Indien de erflater geen rekening gehouden had met deze mogelijkheid en
bijgevolg geen substitutionele maatregelen getroffen had, kon zijn enige
dochter bewerkstelligen dat het testament nietig verklaard werd. In het geval van nietig-verklaring kon zij
intestaat de volledige nalatenschap erven.[49]
Onze kennis omtrent de sancties bij overtreding van de
legaatsbeperkingen is onzeker. De
tweede bepaling kan zowel een lex perfecta, imperfecta als een minus quam
perfecta zijn. Nergens wordt gesproken
van een strafeis bepaald door de Lex Voconia.
Dit zou tot de conclusie kunnen leiden dat de tweede bepaling, zoals de
eerste, een lex perfecta is[50]. Anderzijds zou men kunnen stellen dat de
tweede bepaling simpelweg een lex perfecta is in navolging van de eerste
bepaling.
Daarnaast zou het ontbreken van de vermelding van specifieke
maatregelen of sancties ook kunnen betekenen dat, gezien de Lex Voconia naast
de Lex Furia bestond en deze wel een strafeis omvatte, de sancties van de Lex
Furia eveneens van toepassing waren op de Lex Voconia. In dit geval zou de Lex Voconia een lex
minus quam perfecta zijn. Volgende
fragmenten vormen een bewijs dat de Lex op basis van voornoemde hypothese geen
lex minus quaqm perfecta kan zijn:
Lex Furia:
‘In
eum, qui plus mille aeris cepisset, cum non sit exceptus,
ut ei plus capere liceret.’
Lex
Voconia:
‘In
eum, qui … cepisset, quam heredes caperent.’
De Lex Furia bepaalde immers dat een legaat aan personen buiten de
categorie exceptae personae[51]
niet groter mocht zijn dan 1000 asses en dat de boete die de legataris moest
betalen vier maal het bedrag bedroeg dat boven de 1000 asses gelegateerd
werd. Hierbij stelt zich echter wel het
probleem dat de Lex Voconia geen maximumbedrag vaststelde. Het betekent dat de legatarissen op de
hoogte moesten zijn van de andere testamentaire beschikkingen om te weten of ze
meer ontvangen hadden dan wettelijk toegestaan was. Dit was uiteraard niet altijd mogelijk. Men zou hier een schatting van de totale nalatenschap moeten maken
om de legatarissen tegen eventuele schade te beschermen. Van een dergelijke handelswijze is in geen
enkele bron sprake.[52]
Plinius, Panegyricus,
42.1:
‘Locupletabant et fiscum
et aerarium non tam Voconiae et Iuliae leges,
A.Watson veronderstelt op basis van dit fragment dat bij het overtreden
van de wet, de eigendommen naar alle waarschijnlijkheid in staatsbezit kwamen.[53] Mommsen en Bachofen daarentegen leiden uit
het fragment af dat de legatarissen en de erfgenaam successierechten moesten
betalen.[54] Uit het fragment kan men naar mijn mening
niet afleiden welke van beide partijen het bij het rechte eind heeft. Het is dus niet mogelijk te besluiten of de
bepaling met betrekking tot de legaten een lex minus quam perfectam is of een
lex imperfecta. Indien het ‘verrijken’
gebeurt door middel van een boete of een inbeslagname van het goed, dan behoort
de bepaling tot de leges minus quam perfectae.
Indien het om successierechten gaat, hebben we te maken met een lex
imperfecta.
Het verbod om een vrouw van de eerste censusklasse bij testament tot
erfgenaam aan te stellen, was niet erg populair. Vooral bij vaders van enige dochters zette de wet kwaad bloed.[55] Twee fragmenten, namelijk Cicero, ‘De re
publica’, III.10.17 en Augustinus, ‘De civitate Dei’, III.21[56]
gebruiken de woorden ‘iniuriae’ en ‘iniquius’ om het ongenoegen te uiten. Verder kan de ontevredenheid van Cicero ook
afgeleid worden uit zijn redevoering tegen het edict van Verres[57]. Via dit retroactief edict wou Verres ervoor
zorgen dat de eerste bepaling ook van toepassing werd op burgers die wel over
een vermogen van 100.000 asses (of sestertiën) beschikten, maar niet op de
censuslijst stonden.
Een eerste manier om aan de Lex te ontsnappen was het ‘legatum
partitionis’. Dit is een legaat waarbij een deel van een
erfenis nagelaten wordt aan de ‘legatarius partiarius’ ten persoonlijke
titel. De erflater vermeldt in zijn
testament uitdrukkelijk wie de legatarius partiarius is. Een voorbeeld van de uitdrukking vindt men
in de Tituli ex corpore Ulpiani, XXIV.25[58]:
‘Heres meus cum Titio hereditatem meam partito, dividito.’ De erflater vermeldt tevens op hoeveel de
legatarius partiarius recht heeft (bijv. een derde deel van de nalatenschap)
maar zonder te specifiëren welke goederen de persoon in kwestie zullen
toekomen.
Dit heeft een aantal gevolgen.
Ten eerste gaat het ‘legatum partitionis’, zoals alle andere
testamentaire beschikkingen, teniet indien de aangestelde erfgenaam de
nalatenschap weigert of sterft vooraleer hij de erfenis aanvaard heeft. Het legatum, evenals het fideicommissum,
vervalt wanneer de erfenis overbelast is met schulden[59].
Ten tweede moet onderling overeengekomen worden tussen de universele
erfgenaam en de legatarius partiarius welke goederen zullen gelegateerd
worden. Verder moet ook bepaald worden
of de aangestelde erfgenaam het deel van de legatarius partiarius in natura
(bijv. de hoeve zelf) zal overmaken of de geschatte waarde van de zaak zal
uitbetalen[60].
Ten derde brengt dit met zich mee dat de legatarius partiarius deelde
in de schulden en tegoeden van de erfgenaam die deze overgeërfd had via
testament a ratio van het legaatsdeel dat hem toekwam[61]. Aangezien enkel de erfgenaam juridisch
aansprakelijk kon gesteld worden, moest de legataris zich ertoe verbinden, via
een ‘stipulatio partis et pro parte’, zijn deel van de schulden aan de
erfgenaam te betalen. De erfgenaam
moest op zijn beurt, eveneens via een ‘stipulatio partis et pro parte’, zich
ertoe verbinden de tegoeden van de nalatenschap, a ratio van het legaatsdeel,
door te storten aan de legatarius partiarius.[62] Het legatum partitionis behoort tot de
‘legata per damnationem’[63].
In de primaire bronnen vinden we drie voorbeelden terug waarin een
vrouw een legatum partitionis ontvangt, namelijk Cicero, ‘Pro Cluentio’, VII.21
en ‘Pro Caecina’, IV.11 en Digestae, 32.29.1.[64]
Wat de datering van de invoering van deze formule betreft, bestaat er
geen bewijs dat het legatum partitionis geïntroduceerd werd om de Lex Voconia
te omzeilen. Waarschijnlijk is de
formule ouder dan de Lex en bestond haar originele functie erin om een persoon
in staat te stellen evenveel van de nalatenschap te ontvangen als de erfgenaam,
zonder verantwoordelijk gesteld te worden voor de uitvoering van de sacra
familiaria [65].[66] Deze moesten voltrokken worden onder
toezicht van de pontifices en werden vaak als belastend beschouwd. Vanuit dit standpunt zou het legatum
partitionis even oud kunnen zijn als de sacra familiaria. We vinden
mogelijke bewijzen hiervoor terug bij Cicero:
Cicero, ‘De legibus’,
II.20.49:
‘… descripta ab antiquis.
Nam illi quidem his verbis docebant:
tribus modis sacris
adstringitur: aut hereditate, aut si maiorem
partem pecuniae capiat,
aut si maior pars pecuniae legata est,
si inde quippiam ceperit.’
De sacra familiaria van de oudere orde worden gelinkt aan Tiberius
Coruncanius, pontifex maximus in 250 v.Chr..[67] Indien we zouden aannemen dat ‘aut si
maior pars pecuniae legata est’, naast de verwijzing naar gewone legaten,
mogelijk ook een verwijzing naar het legatum partitionis inhoudt[68],
zouden we mogen besluiten dat het legatum partitionis reeds bestond omstreeks
250 v.Chr..
Met zekerheid kunnen we stellen dat het legatum partitionis teruggaat
tot 133 v.Chr., het jaar waarin Publius Mucius Scaevola consul was. Hij was ook pontifex maximus. Volgens Cicero mag de verdienste om een legatarius
partiarius vrij te stellen van de sacra familiaria op zijn naam geschreven
worden. Het legatum partitionis
bood dus een manier om te ontkomen aan de uitvoering van de sacra familiaria. Men moest in theorie 100 nummi van de helft
aftrekken. In de praktijk moest men
gewoon iets minder dan de helft aanvaarden om vrijge-steld te worden.
Indien de som niet afgetrokken was van de partitio, maar de
begunstigden namen vrijwillig iets minder dan wat nagelaten werd aan de
erfgenaam of erfgenamen, waren ze evenmin gehouden aan de sacra familiaria.[69]
Cicero, ‘De legibus’, II.20.50:
‘… Scaevolae, cum est
partitio, ut, si in testamento deducta scripta
non sit ipsique minus
ceperint, quam omnibus heredibus relinquatur,
sacris ne alligentur.’
Cicero, ‘De legibus’,
II.21.53:
‘…Partitionis caput
scriptum caute, ut centum nummi deducerentur;
inventa est ratio cur
pecunia sacrorum molestia liberaretur. Quasi hoc,
qui testamentium
faciebat, cavere noluisset, admonet iuris consultus hic
quidem ipse mucius,
pontifex idem, ut minius , quam omnibus heredibus
relinquatur; super
dicebant quicquid cepisset, adstringi; rursus sacris
liberantur.’
Samengevat is het
legatum partitionis in verband met de Lex Voconia op twee manieren nuttig. Ten eerste was het mogelijk, ondanks de
eerste bepaling, om een legatum partitionis over te maken aan een vrouw
waardoor zij toch nog de helft van de nalatenschap kon krijgen.
Aangezien het legatum partitionis gelijk gesteld werd aan een erfdeel,
was het, in tegenstel-ling tot een gewoon legaat, opeisbaar door de
begunstigde. Ten tweede bood het
legatum partitionis het voordeel dat men nooit kon gestraft worden of de
beschikkingen nietig konden verklaard worden omdat men meer gelegateerd had dan
wettelijk toegestaan was.
Men mag aannemen dat met het wettelijk afdwingbaar worden van de
uitvoering van het fideicommissum het legatum partitionis steeds minder
gebruikt werd om de Lex Voconia te omzeilen.
Een tweede manier om de Lex Voconia te omzeilen was het
‘fideicommissum’. Dit wordt ons
expliciet meegedeeld door Gaius:
Gaius, ‘Institutiones’,
II.274:
‘Item mulier, quae ab eo
qui centum milia aeris census est per legem
Voconiam heres institui
non potest, tamen fideicommisso relictam
sibi hereditatem capere
potest.’
In de regel was het noodzakelijk dat zoals de testator ook de
erfgenamen en de legatarissen Romeinse burgers waren. Verder moesten zij beschikken over de ‘testamenti factio
passiva’. De ‘testamenti factio
passiva’ betekent dat men beschikt over het recht om tot erfgenaam aangesteld
of als legataris benoemd te worden.
Deze twee voorwaarden zorgden ervoor dat een aantal bevolkingsgroepen,
zoals bijv. peregrini, niet als begunstigde in een testament kon aangeduid
worden. Door de Lex Voconia gingen ook
vrouwen een uitgesloten groep vormen.[70]
Het fideicommissum bood een uitweg voor deze beperkingen.[71] De testator belastte één, meerdere of alle
erfgenamen, de fiduciarii, met de uitvoering van wat hij voorzien had (bijv.
een som geld, een goed) voor een derde partij, de fideicommissarius. In het geval van de Lex Voconia betekende
dit dat de erflater een man tot zijn erfgenaam aanstelde. Aan die manne-lijke erfgenaam werd gevraagd
of hij de erfenis wou overdragen aan bijv. de vrouw en/of de dochter van de
erflater.[72] Men noemt dit een fideicommissum
hereditatis. De fiduciarius die
aangesteld werd als erfgenaam ontving, in het geval hij de nalatenschap
aanvaardde, de totale nalatenschap, inclusief schulden en tegoeden. Van hem werd dan verwacht dat hij de
nalatenschap, na betaling van de schulden en ontvangst van de tegoeden, doorgaf
aan de fideicommissarius. Bij het niet
aanvaarden van de erfenis verviel ook het fideicommissum. De fiduciarius droeg de nalatenschap over
aan de fideicommissaris door een schijnverkoop van de erfenis. De begunstigde betaalde dan de symbolische
waarde van één sestertie. Deze
schijnverkoop betekende geenszins dat de fiduciarius/erfgenaam ontslagen was
van zijn verantwoordelijkheden. De
fideicommissarius beschikte over geen enkel recht ten opzichte van schuldeisers
en schuldenaars van de erflater. Deze
ongemakken werden verholpen door wederzijdse stipulationes. Die stipulationes waren dezelfde als bij het
legatum partitionis. Beide partijen
moeten echter wel solvabel zijn om dit zonder risico af te handelen.
Aan deze omslachtige wijze van overdracht werd een eind gemaakt door
het senatus-consultum Trebellianum in 56 n.Chr.. Dit senatusconsultum zorgde ervoor dat de fideicom-missarius
rechtstreeks verantwoordelijk werd voor schulden en tegoeden. De fideicommis-sarius werd nu heredis loco
of legatarii loco.[73]
De procedure van het fideicommissum was volledig vormeloos. Het was zelfs mogelijk om de fiduciarius
mondeling de opdracht tot uitvoering te geven.[74]
Er was wel één groot nadeel verbonden aan de praktijk van het
fideicommissum ten tijde van de Lex Voconia.
Tijdens de Republiek was de fiduciarius niet bij wet verplicht om zijn
belofte aan de erflater na te komen. De
belofte door de toekomstige erfgenaam werd veeleer gezien als een morele
verplichting. Maar dat aan de wil van
de overledene niet steeds voldaan werd, toont ons het fragment II.17.55 uit ‘De
finibus’ van Cicero[75]. In dit fragment krijgt de dochter van de
testator die zijn volledige nalatenschap aan haar nalaat via fideicommissum,
enkel datgene wat door de Lex Voconia toegestaan werd, namelijk de helft van de
nalaten-schap door middel van een legaat. De fiduciarius houdt de andere helft voor
zichzelf.[76] Pas onder Augustus wordt de uitvoering van
het fideicommissum wettelijk verplicht.[77]
Zoals gebleken is, hebben we slechts zekerheid omtrent de inhoud van de
eerste en tweede bepaling van de Lex Voconia.
Over het bestaan of de echtheid van een derde bepaling rijzen alweer
twijfels. Verder is er weinig consensus
in verband met de doelstellingen van de Lex.
Het valt moeilijk uit te maken welk belang moet gehecht worden aan elk
aangehaald motief voor het invoeren van deze wet. Alle mogelijke motieven zijn geldig voor de eerste bepaling,
terwijl de tweede bepaling ervoor zorgt dat de doeltreffendheid van de eerste
geheel of ten dele ondermijnd wordt. De
Lex Voconia was dus geen sluitende wet.
Of deze schijnbare contradictie tussen de eerste en tweede bepaling al
dan niet een berekend opzet had, is moeilijk te achterhalen. Uit de primaire bronnen kunnen we afleiden
dat de eerste bepaling een aantal fervente voorstanders waaronder Cato kende
maar veel tegenwind ondervond van de personen die tot de eerste censusklasse
behoorden. Het is best mogelijk dat de
initiatief-nemers van de Lex beseften dat de eerste bepaling nogal radicaal was
en dat het, om de wet toch te kunnen doorvoeren en de gemoederen van de
getroffenen te bedaren, noodzakelijk was een tweede bepaling in verband met legaten
soepeler op te stellen.
Een aantal auteurs, waaronder A.Watson en R.Vigneron[78],
noemt deze wet antifeministisch omwille van de negatieve gevolgen voor
vrouwen. Ook J.F. Gardner gebruikt dit
woord om uitdrukking te geven aan de houding van Cato.[79] Toch zijn deze schrijvers ervan overtuigd
dat het wetsvoorstel niet met die bedoeling werd ingediend.
Door het woord ‘antifeministisch’ tegen deze achtergrond en met
betrekking tot de periode van de late Republiek te gebruiken, ontstaat een anachronisme aangezien er toen nog geen
sprake was van enige vorm van feminisme.
Een feministische houding zou immers betekenen dat de vrouwen bewust en
actief streefden naar politieke, financiële en economische gelijkheid.
We
mogen aannemen dat dit niet het geval was ten tijde van de Lex Voconia en dat
de positie van de Romeinse vrouw gewoon mee evolueerde met de veranderingen in
de maatschappij.
Men mag dus besluiten dat vele vragen omtrent de Lex Voconia niet met
zekerheid kunnen beantwoord worden en dat wat we weten hoofdzakelijk gebaseerd
is op hypotheses.
Wat we wel met zekerheid kunnen
zeggen, wordt onder woorden gebracht door Cicero:
AUGUSTINUS, ‘De civitate
Dei’, III.21.
CICERO, ‘De finibus
bonorum et malorum’, II.17.55; II.18.58.
CICERO, ‘De legibus’,
II.19.47-8; II.20.50; II.21.52-53.
CICERO, ‘De re publica’,
III.10.17.
CICERO, ‘De Senectute’,
IV.14.
CICERO, ‘In Verrem’,
II.1.106-114.
CICERO, ‘Pro Balbo’,
VIII.21.
CICERO, ‘Pro Caecina’,
IV.11; V.15.
CICERO, ‘Pro Cluentio’,
VII.21.
DIGESTAE, 30.26.2.;
32.29.1.
DIO CASSIUS, LVI.10.2.
GAIUS, ‘Institutiones’,
II.226; II.274; III.14; III.23; III.29.
GELLIUS, ‘Noctes Atticae’,
I.12; VI.13; XVII.6; XX.1.
LIVIUS, ‘Ab Urbe Condita’,
41.
PAULUS, ‘Sententiae’,
IV.8.20.
PLINIUS, ‘Panegyricus’,
42.1.
(PSEUDO)-QUINTILIANUS,
‘Declamationes Minor’, 264.
ULPIANUS, ‘Tituli ex
Corpore Ulpiani, XXIV.25; XXVI.6.
Vertalingen van de primaire bronnen
CARY, E.: ‘Dio’s Roman History.’, London, 1955. (Loeb)
FALCONER,
W.A.: ‘Cicero. De Senectute – De amicitia – De divinatione.’, London,
1959. (Loeb)
GARDNER, R.: ‘Cicero. The speeches. Pro Caelio – De Provinciis
Consularibus – Pro Balbo.’, London, 1958. (Loeb)
GREENWOOD, L.H.G.: ‘Cicero. The Verrine orations.’, London, 1959.
(Loeb)
HODGE, H.G.: ‘Cicero. The speeches. Pro lege Manilia – Pro Caecina – Pro
Cluentio – Pro Rabirio – Perduellionis.’, London, 1959. (Loeb)
KEYES, C.W.: ‘Cicero.
De re publica – De legibus.’, London, 1959. (Loeb)
KÜHN, W.: ‘Plinius der Jüngere. Panegyrikus. Lobrede auf den Kaiser
Trajan.’, Darmstadt, 1985.
MIGNON, M.: ‘Les Nuits Attiques, Aulu Gelle.’, Paris, 1934.
RACKHAM, H.: ‘Cicero.
De finibus bonorum et malorum.’, London, 1951. (Loeb)
SAGE,
E.T. & SCHLESINGER, A.C.: ‘Livy. Ab Urbe Condita, XL-XLII.’, London,
1957. (Loeb)
SPRUIT, J.E. & BONGENAAR, K.E.M.: ‘Ulpianus, Papianus en kleinere
fragmenten.’, Zutphen, 1986.
SPRUIT, J.E., BONGENAAR, K.E.M., e.a.: ‘Corpus Iuris Civilis. IV.
Digesten, 25-24.’, Zutphen, 1997.
VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui
non potest’, Diss.doct.Univ.Amsterdam, Amsterdam, 1996.
ASTIN, A.E.: ‘Cato
the Censor’, Oxford, 1978.
BERGER, A.: ‘Encyclopedic
dictionary of Roman law’, Philadelphia, 1953.
BUCKLAND, W.W.: ‘The
Main Institutions of Roman Private Law’, Cambridge, 1931.
CROOK, J.A.: ‘Law
and Life of Rome’, New york, 1967.
DE ZULUETA, F.: ‘The
Institutes of Gaius’, Oxford, 1949.
GARDNER, J.F.: ‘Woman
in Roman law and society’, London & Sydney, 1986.
ROTONDI, G.: ‘Leges
publicae populi Romani. Elenco cronologico con una introduzione’, Hildesheim, 1962.
SALLER R.: ‘Patriarchy,
property and death in the Roman family’, Cambridge, 1994.
SCHULLER, W.: ‘Frauen
in der römischen Geschichte’, Konstanz, 1987.
STEINWENTER: ‘Lex
Voconia’, in: RE XII, coll.2418-2430.
VAN DER MEER, J.A.J.M.:
‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’,
Diss.doct. Univ. Amsterdam, Amsterdam, 1996.
VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins
Privaatrecht’, Leiden, 1948.
VIGNERON, R.:
‘L’antiféministe loi Voconia et les ‘Schleigwege des Lebens’’, in: Labeo 29,
1983, pp.140-153.
WATSON, A.: ‘The Law
of succession in the Later Roman Republic’, Oxford, 1971.
WESEL, U.: ‘Uber den
Zusammenhang der Lex Furia, Voconia und Falcidia’, in: ZSS 81,
1964, pp.308-16.
[1]
Livius, ‘Ab Urbe condita’, 41.
[2] Aulus Gellius was een Romeins geleerde die ca. 175 n.Chr. een uitgebreid werk publiceerde dat hij de titel ‘Noctes Atticae’ gaf, ter herinnering aan zijn verblijf als student in Athene. Het werk bevat allerlei wetenswaardigheden over filosofie, literatuur, taal en geschiedenis en is voor ons waardevol om zijn fragmenten uit oudere literatuur die verloren gegaan zijn.
[3]
Cicero, ‘De Senectute’, 5.14 en ‘Pro Balbo’, 8.21; Livius, ‘Ab Urbe
condita.’, 41; Gellius,‘Noctes Atticae.’,VI.13 en XVII.6.
[4]
STEINWENTER: in: RE XII, coll.2418.
[5]
STEINWENTER: in: RE XII, coll.2428.
[6]
In de Lex Papia stond Augustus toe dat een aantal vrouwen van de eerste
censusklasse via het ius liberorum aan de beperkingen van de Lex Voconia
ontsnapten: MCGINN, T.A.J.: ‘Prostitution, Sexuality and the Law in Ancient
Rome’, p.77; GARDNER, J.F.: ‘Women in Roman Law & Society’,
p.78.
[7] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.31.
[8]
WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, pp.30/167.
[9] Gellius, ‘Noctes Atticae’, I.12: zie bijlage.
[10] Flamen Dialis = hoogste priesterambt, priester van Iupiter.
[11] Ik acht het niet nuttig deze discussie hier verder uiteen te zetten omdat het ons te ver van de essentie van het onderwerp zou leiden. Bovendien bestaat er grote onenigheid over alle aangehaalde argumenten en is men nog niet tot een plausibele verklaring gekomen.
[12]
STEINWENTER: in: RE XII, coll.2419; WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, p.29.
[13] STEINWENTER: in: RE XII,
coll.2420.
[14] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, p.30.
[15] In geval van een dreigend nabij zijnde dood vindt vaak een ‘donatio mortis causa’ plaats. Ze gebeurt via overdrachtsaktes of stipulaties afhankelijk van het object. Wanneer het gevaar voor de dood geweken was, moesten de goederen terugkeren naar de schenker. De schenker had geen actieve factio testamenti nodig om een dergelijke schenking te doen. De donatio stond dus open voor vreemdelingen en bovendien ook voor vrouwen, op voorwaarde dat ze de toestemming van de pater familias verkregen hadden. De passieve factio testamenti was een vereiste waaraan de begunstigde van deze donatio moest voldoen. De wet poogde de donatio mortis causa te onderwerpen aan bepaalde grenzen. Daarom was de Lex Voconia ook van toepassing, naast de legaten, op de donatio mortis causa. Ook in dit geval mocht de schenking niet groter zijn dan het aandeel ontvangen door de aangestelde erfgenaam of erfgenamen. De donatio mortis causa liet toe de strikte formaliteiten van het testament te omzeilen: GAUDEMET, J.: ‘Droit privé romain’, pp.126-7.
[16] STEINWENTER: in: RE XII,
coll.2423; WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’,
p.167; GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.170.
[17] WESEL, U.: in: ZSS 81,
p.312.
[18] J.F.GARDNER is van mening dat de
tweede bepaling, zoals de eerste, enkel van toepassing was op de burgers die
bij de laatste census in de eerste censusklasse opgenomen zijn: GARDNER, J.F.: ‘Woman
in Roman Law and Society’, p.170.
[19] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.546.
[20] Dit is ook de visie van Mommsen, die dit meent te kunnen afleiden uit een fragment van Cicero, ‘De legibus’, II.19.48. Deze visie is echter gebaseerd op een bepaling uit het sacraal recht die lang voor de Lex Voconia in voege was: WESEL, U.: in: ZSS 81, p.313.
[21] STEINWENTER: in: RE XII,
coll.2422.
[22] GAUDEMET, J.: ‘Droit privé romain’,
p.106.
[23] Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110: zie bijlage.
[24] STEINWENTER: in: RE XII,
coll.2423-4.
[25] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2420.
[26] Gaius, ‘Intitutiones’, III.23: zie bijlage; VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.24; VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.523; WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.70.
[27] Gaius, ‘Institutiones’, III.29: zie bijlage.
[28] VIGNERON, R.: in: Labeo 29,
p.150; STEINWENTER: in: RE XII, coll.2420.
[29] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.92.
[30] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman
Law and Society’, pp.171/4.
[31] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman
Law and Society’, pp.171/201.
[32] De wet bestempelen als antifeministisch is een anachronisme: zie infra p.20.
[33] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman
Law and Society’, p.174.
[34] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.53-4.
[35] WESEL, U.: in: ZSS 81,
p.314; ASTIN, A.E.: ‘Cato the Censor’, p.116; . GARDNER, J.F.: ‘Woman
in Roman Law and Society’, p.176.
[36] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman
Law and Society’, p.171; SCHULLER, W.: ‘Frauen in der römischen
Geschichte’, pp.38-9.
[37] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.54-5.
[38] VIGNERON, R.: in: Labeo 29,
p.147.
[39] SCHULLER, W.: ‘Frauen in der römischen Geschichte’, p.39.
[40] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.56-8.
[41] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.50/60.
[42] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.534.
[43] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.69.
[44] Gellius, ‘Noctes Atticae’, XX.1:
zie bijlage.
[45] VIGNERON, R.: in: Labeo 29,
p.145.
[46] VIGNERON, R.: in: Labeo 29,
pp.145-6.
[47] Een
lex wordt perfecta genoemd als bij overtreding van de wet de handeling gesteld
door de overtreder nietig wordt verklaard; een wet waarbij geen enkele sanctie
voorzien is bij overtreding is een lex imperfecta; wanneer bij overtreding van de wet de handeling niet nietig wordt
verklaard, maar een straf of een boete wordt opgelegd aan de overtreder,
spreekt men van een lex minus quam perfecta: BERGER, A.: ‘Encyclopedic
dictionary of Roman law’, p.546.
[48] Cicero, ‘In
Verrem’, II.1.41-44.104-112: zie bijlage.
[49] Cicero, ‘In
Verrem’, II.1.44.114: zie bijlage; STEINWENTER: in: RE XII, coll.2424.
[50] BUCKLAND, W.W.: ‘The Main Institutions
of Roman Private Law’, p.223.
[51] Deze liet toe dat een legaat aan exceptae personae groter was dan 1000
asses . Tot de exceptae personae
behoorden ook echtgenotes, kinderen in potestate en naaste vrouwelijke
familieleden tot de zesde graad.
[52]
STEINWENTER: in: RE XII, coll.2425.
[53]
WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’,
p.31.
[54]
STEINWENTER: in: RE XII, coll.2425.
[55] Cicero verkeerde lang in dit geval. Het is ook de reden waarom hij zo heftig reageert tegen de eerste bepaling van de Lex Voconia en in de redevoering tegen Verres zo scherp in de aanval gaat.
[56] Cicero, ‘De re publica’, III.10.17 en
Augustinus, ‘De civitate Dei’, III.21: zie supra p.4 of zie bijlage.
[57] ‘In Verrem’, II.1.41-44.104-114: zie bijlage. Gaius Verres was van 73 tot 71 v.Chr. praetor van Sicilië waar hij zich schuldig maakte aan plundering, afpersing en andere misbruiken van het ambtsgezag. In 70 v.Chr. werd hij door Cicero, die in 75 v.Chr. quaestor was op het eiland, aangeklaagd en bij verstek veroordeeld.
[58] Tituli ex corpore Ulpiani, XXIV.25: zie
bijlage.
[59] VAN OVEN, ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.550.
[60] Digestae, 30.26.2: zie bijlage.
[61] Het
verschil met een gewoon legaat ligt hierin dat bij een gewoon legaat de legataris
enkel over rechten beschikte en dat hij niet medeverantwoordelijk was voor
schulden of andere verbintenissen. Deze
waren enkel de verantwoordelijkheid van de erfgenaam.
[62] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.543; GIRARD, P.F. : ‘Manuel de droit romain’, vol. II, pp.987-8.
[63] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.131. Een nadeel hierbij is dat de legatarius op gelijke voet komt te staan met de andere schuldeisers van de erfgenaam, wat kan betekenen dat de legatarius slechts een deel van zijn legaat of zelfs niets ontvangt.
[64] Cicero, ‘Pro Cluentio’, VII.21; Cicero, ‘Pro Caecina’, IV.12; Digestae, 32.29.1: zie bijlage.
[65] De sacra
familiaria (privata) zijn heilige rituele handelingen van de individuele
Romeinse families die moeten voltrokken worden bij het overlijden van de pater
familias. Deze moesten voltrokken worden onder toezicht van de pontifices.
[66] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, p.129.
[67] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, pp.4-5.
[68] Op basis van ‘maior pars’ als we hieronder maximum de helft van de totale nalatenschap mogen verstaan.
[69] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, pp.128-9.
[70] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93; VAN
OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.534.
[71] SALLER, R.P.: ‘Patriarchy,
property and death in the Roman family’, pp.106-7; CROOK, J.A.: ‘Law and
Life of Rome’, pp.127-8.
[72] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93.
[73] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, pp.550-1;
DE ZULUETA, F.: ‘The Institutes of Gaius’, p.116.
[74] Cicero, ‘De finibus’, II.18.58: zie bijlage.
[75] Cicero, ‘De finibus’, II.17.55: zie
bijlage.
[76] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, pp.3/36-7; GARDNER, J.F.: ‘Woman
in Roman Law and Society’, p.177.
[77] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made
for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93; VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins
privaatrecht’, p.549.
[78] WATSON, A.: ‘The Law of
Succession in the Later Roman Republic’, p.29; VIGNERON, R.: in: Labeo
29, pp.140-153.
[79] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman
Law and Society’, p.171.