DE  ‘LEX VOCONIA’

 

 

INLEIDING

BEPALINGEN

Bepaling met betrekking tot het erfrecht van vrouwen
Bepaling met betrekking tot legaten

Een derde bepaling?

DE RATIO VOCONIANA

DE LEX VOCONIA EN HAAR DOELSTELLINGEN

1.Beperking van de accumulatie van rijkdom in de handen van vrouwen
2.Bevorderen van de accumulatie van rijkdom in de handen van mannen

3.Reactie op de toename van sine manu huwelijken

4.Reactie op het afnemend belang van de tutela legitima

5.Conservatisme op verschillende niveaus

WAT BIJ OVERTREDING VAN DE WET?

HOE ONTKOMEN AAN DE WET?

Het legatum partitionis
Hetfideicommissum

CONCLUSIE

BIBLIOGRAFIE             

Primaire bronnen   
Secundaire literatuur


INLEIDING

Het doel van dit werk is aan de hand van het overgeleverde bronnenmateriaal de bepalingen en de doelstellingen van de Lex Voconia te achterhalen.  Ook zullen praktijken zoals het ‘legatum partitionis’ en het ‘fideicommissum’, die aangewend werden om deze wet te omzeilen, besproken worden.

 

De Lex Voconia behoort, samen met de Lex Furia en de Lex Falcidia, tot de wetten die stapsgewijs de omschakeling van het Oudromeinse naar het klassieke erfrecht bewerkstelligen.  Helaas is de originele wettekst niet meer voorhanden en zijn we verplicht ons te baseren op fragmentaire overleveringen via een aantal klassieke auteurs en rechtsgeleerden.  De verschillende interpretaties die zij aan bepaalde aspecten van de Lex Voconia geven zorgen soms voor verwarring.  De wet omvatte mogelijks meerdere bepalingen maar van slechts twee is de inhoud met enige zekerheid bekend.

 

De Lex Voconia werd ingevoerd naar aanleiding van het wetsvoorstel van Quintus Voconius Saxa, een volkstribuun[1].  Het voorstel werd sterk gesteund door Cato Maior die een redevoering hield waarin hij zich uitsprak ten gunste van het voorstel.  Auteurs als Cicero, Livius en Gellius[2] verwijzen in een aantal van hun teksten naar Cato als ‘suasor’ van de wet[3].  In 169 v.Chr., tijdens het consulaat van Caepio en Philippus, kreeg dit plebiscitum kracht van wet.[4]

 

De Lex Voconia verloor reeds in 40 v.Chr. een deel van haar betekenis.  In dat jaar immers werd de legaatsbeperking van de Lex Voconia sluitend gemaakt door de Lex Falcidia.  Deze zorgde ervoor dat het voor de erfgenaam steeds de moeite was om de nalatenschap te aanvaarden.[5]  Een onregelmatige en minder nauwkeurige optekening van de census, het wettelijk bindend worden van het fideicommissum en de huwelijkswetgeving van Augustus[6] droegen er verder toe bij dat de Lex Voconia in de vroege Keizertijd haar praktische betekenis volledig verloor.[7]

 

BEPALINGEN

 Bepaling met betrekking tot het erfrecht van vrouwen
Een eerste bepaling stelt dat een persoon die bij de laatste census opgenomen was in de eerste (en dus de rijkste) klasse géén vrouw bij testament tot zijn erfgenaam mocht aanstellen.  Dit is ook van toepassing op enige dochters.[8]  Uitzonderingen op deze bepaling van de Lex Voconia vormen de Vestaalse maagden[9] en waarschijnlijk ook de Flamen Dialis[10].  Zij konden als enigen vrouwen tot hun erfgenaam aanstellen. 

De fragmenten die ons in staat stellen deze eerste bepaling te achterhalen, zijn:

 

Gaius, ‘Institutiones’, II.274:

            ‘Item mulier, quae ab eo qui centum milia aeris census est per legem

            Voconiam heres institui non potest, …’

 

Augustinus, ‘De civitate Dei’, III.21:

‘Nam tunc, id est inter secundum et postremum bellum Carthaginiense,

lata est etiam lex illa Voconia, nequis heredem feminam faceret, nec

unicam filiam. Qua lege quid iniquius dici aut cogitari possit, ignoro.’

 

Cicero, ‘De re publica’, III.10.17:

‘…de mulierum legatis et hereditatibus, alia solidus sit adulescens dicere

nondum Voconia lege lata, quae quidem ipse lex utilitatis virorum gratia

rogata in mulieres plena est iniuriae. Cur enim pecuniam non habeat mulier?

Cur virgini Vestali sit heres, non sit matri suae? …’

 

            Dio Cassius, LVI.10.2:

            tων τε γυναικων τισι και παρα τον Ουοκωνειον νομον, καΘ ον ουδεμια αυτων  

            ουδενοσ υπερ δυο ημισυ μυριαδασ ουσιαζ κληρονομειν εξην, συνεχωρησε

            τουτο ποιειν

 

Over welk vermogen men diende te beschikken om tot de eerste klasse te behoren, verschaffen de bronnen ons tegenstrijdige gegevens.  Gaius heeft het over een bedrag van 100.000 asses, terwijl Dio Cassius het heeft over een bedrag van 25.000 drachmen wat overeenstemt met 100.000 sestertiën.[11] 

 

Uit het volgende fragment dat we terugvinden bij Cicero kan men afleiden dat in zijn tijd, namelijk in de 1e eeuw v. Chr., het mogelijk was voor een persoon die niet opgenomen was in de census, hoe groot zijn vermogen ook, een vrouw en ook een enige dochter bij testament tot erfgenaam te maken.[12] 

 

            Cicero, ‘In Verrem’, II.1.41.104:

‘P. Annius Asellus mortuus est C. Sacerdote praetore.  Is, cum haberet

unicam filiam neque census esset, quod eum -natura hortabatur,

lex nulla prohibebat- fecit ut filiam bonis suis heredem institueret. 

Heres erat filia.  Faciebant omnia cum pupilla legis aequitas voluntas

patris edicta praetorum consuetudo iuris eius quod erat tum cum

Asellus est mortuus.’

 

Eveneens op basis van dit fragment vermoeden sommigen dat de bepaling oorspronkelijk niet beperkt was tot de ‘classici’, met name diegenen die tot de eerste censusklasse behoren.  Cicero liet met de woorden ‘neque census esset’ uitschijnen dat de bepaling van toepassing was op alle censusklassen behalve de personen ‘infra classem’ en de vrouwelijke erflaters.  Deze veronderstelling wordt tegengesproken op basis van een fragment van Gellius:

 

Gellius, ‘Noctes Atticae’, VI.13:

‘Hoc eo strictim notavi, quoniam in M. Catonis oratione,

qua Voconiam legem suasit, quaeri solet, quid sit ‘classicus’,

quid ‘infra classem.’

 

Men mag aannemen dat de termen ‘classicus’ en ‘infra classem’ niet in de oorspronkelijke wettekst voorkwamen.  Bovendien blijkt uit onderzoek door Rosenberg dat de term ‘classicus’ vreemd is aan het juridische jargon van die tijd.[13]  De termen werden, wat de Lex Voconia betreft, voor het eerst gebruikt in de redevoering van Cato.  Hij maakte dit onderscheid met betrekking tot de toepasbaarheid van de eerste bepaling.  Dus moet het de bedoeling geweest zijn om deze bepaling te beperken tot de testamenten van ‘classici’.[14]  

  

Bepaling met betrekking tot legaten

Een tweede wetsbepaling van de Lex Voconia verbood een persoon om door middel van een donatio mortis causa[15] of een legaat méér te schenken aan een man of een vrouw dan datgene wat de erfgenaam (of alle erfgenamen tezamen) toekwam.[16] 

Deze bepaling wordt overgeleverd door:

 

Gaius, ‘Institutiones’, II.226:

‘Ideo postea lata est Lex Voconia, qua cautum est ne cui plus

legatorum nomine mortisve causa capere liceret quam heredes

caperent.  Ex qua lege plane quidem aliquid utique heredes habere

videbantur; sed tamen fere vitium simile nascebatur.  Nam in multas

legatariorum personas distributo patrimonio poterat <testator>

adeo heredi minimum relinquere, ut non expediret heredi huius lucri

gratia totius hereditatis onera sustinere.’

           

Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110:

‘Quid, si plus legarit quam ad heredem heredesve perveniat?

Quod per legem Voconiam ei qui census non sit licet; …’

 

Deze fragmenten liggen aan de basis van twee problemen.

Het eerste probleem handelt over de vraag welke personen getroffen worden door deze bepaling.  Gaius maakt bij het aanhalen van de tweede bepaling van de Lex geen melding van de voorwaarde om opgenomen te zijn in de eerste censusklasse.  Op basis van ‘In Verrem’, II.1.43.110 kan men concluderen dat Cicero stelt dat de tweede bepaling van toepassing is op diegenen die ‘census’ zijn.  Cicero drukt dit op deze wijze uit omdat hijzelf meent dat de tweede bepaling van toepassing is op de personen van de vijf censusklassen.  Op grond van de reeds gevoerde discussie in verband met de termen ‘classicus’ en  ‘infra classem’, zouden we kunnen aannemen dat de term ‘census’ bij Cicero slaat op de eerste censusklasse[17].  Om dit te ondersteunen zou men ook kunnen veronderstellen dat Gaius, die niet over census of classici spreekt, het als vanzelfsprekend beschouwt dat de tweede bepaling van de Lex ook enkel van toepassing is op personen die tot de eerste censusklasse behoren. Aangezien hij deze voorwaarde reeds uitdrukkelijk vermeldt bij de weergave van de eerste bepaling, acht hij het mogelijks overbodig om dit nog eens expliciet te vermelden bij de tweede bepaling.[18]

 

Het tweede probleem is een interpretatieprobleem dat verband houdt met de verhouding tussen het deel van één of meerdere legatarissen en het aandeel van de erfgenaam of de erfgenamen.  Aangezien de oorspronkelijke bepaling van de Lex Voconia niet meer voorhanden is, valt het moeilijk uit te maken of de interpretatie van Cicero, dan wel die van Gaius de juiste is.  Gaius interpreteerde de Lex als volgt: één enkel legaat mag niet groter zijn dan het aandeel bestemd voor de erfgenaam of erfgenamen.  Dit schiep de mogelijkheid een zodanig groot aantal legaten te creëren dat de erfgenamen zelf slechts een kleine erfenis overhielden.  Op deze manier was het voor de erfgenaam niet erg interessant meer om de erfenis te aanvaarden.  In dat geval gingen al de beschikkingen van de erflater op in het niet, dus ook de legaten.[19]   Een andere mogelijke interpretatie wordt aangereikt door Cicero die   stelt dat de som van de legaten niet groter mag zijn dan datgene wat aan de erfgenaam of erfgenamen toekwam[20].  Indien de interpretatie van Cicero de juiste is, zouden de erfgenaam of de erfgenamen in alle gevallen steeds minstens de helft van de erfenis ontvangen.[21] 

Omdat de maatregel dus wel een beperking op de omvang van de legaten, maar niet op het aantal legaten stelde, was de bepaling van de Lex Voconia niet voldoende doeltreffend en sluitend.  Dit was één van de redenen waarom ze in 40 v.Chr. vervangen werd door de Lex Falcidia.  Die bepaalde dat de erfgenaam minstens één vierde van de nalatenschap moest erven.[22]   Indien Cicero het bij het rechte eind had, zou dat het invoeren van de Lex Falcidia overbodig gemaakt hebben. 


Een derde bepaling?

De 264ste Declamatio minor van Pseudo-Quintilianus laat veronderstellen dat er mogelijks nog een andere bepaling in de oorspronkelijke Lex Voconia opgenomen was.

 

            Ps.-Quintilianus, 264ste Declamatio:

‘Fraus legis Voconiae. Ne liceat mulieri nisi dimidiam partem

bonorum dare. Quidam duas mulieres dimidiis partibus instituit.

Testamentum cognati arguunt.’

 

Dit fragment wordt soms opgevat als een specifieke beperking enkel voor vrouwelijke begunstigden.  De veronderstelde bepaling verbood volgens het fragment dat aan vrouwen door een legaat meer dan de helft van de goederen zou toekomen.  Het bestaan van deze bepaling is echter twijfelachtig om verschillende redenen. 

Ten eerste werd de bepaling in geen enkele andere bron teruggevonden.  Moest ze bestaan hebben, zou ze zeker bij Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110 met betrekking tot de legaten, vermeld moeten zijn.[23]

Ten tweede kan men zich afvragen wat nog het nut zou zijn van een dergelijke bepaling aangezien de tweede algemene bepaling reeds stelde dat niemand, dus ook geen vrouw, méér dan de helft van de nalatenschap kon gelegateerd krijgen.  Quintilianus schreef alsof de bepalingen van de Lex Voconia niet bestonden. 

Tenslotte moet rekening worden gehouden met het feit dat Quintilianus een redenaar was en dat deze wel eens de oorspronkelijke bepaling durfde te verdraaien om een bruikbare en sluitende casus op te bouwen.[24]

 


DE RATIO VOCONIANA

De Lex Voconia was, zoals in de eerste bepaling naar voor komt, enkel van toepassing op het testamentaire erfrecht en liet het intestaaterfrecht volledig onberoerd.  Het was dus voor alle vrouwelijke verwanten van personen uit de eerste klasse mogelijk om ab intestato te erven.  Door een latere correctie krachtens het ius civile, namelijk de ratio voconiana, werd een beperking ingevoerd die het aantal vrouwelijke kandidaat-erfgenamen fors deed inkrimpen.[25]  

De inhoud van de ratio voconiana vinden we terug in fragmenten van Gaius, Paulus en Ulpianus:

           

            Gaius, ‘Institutiones’, III.14:

            ‘…Nam feminarum hereditates proinde ad nos agnationis iure redeunt

            atque masculorum; nostrae vero hereditates ad feminas ultra consangui-

neorum gradum non pertinent. Itaque soror fratri sororive legitima heres

est, amita vero et fratris filia legitima heres esse < non potest. Sororis

autem nobis loco est > etiam mater aut noverca quae per in manum

convensionem apud patrem nostrum iura filiae nacta est.’

 

Paulus, ‘Sententiae’, IV.8.20:

‘Feminae ad hereditates legitimas ultra consanguineas successiones

non admittuntur: idque iure civili voconiana ratione videtur effectum.

Ceterum Lex XII tabularum nulla discretione sexus agnatos admittit.’

 

            Tituli ex corpore Ulpiani, XXVI.6:

            ‘Ad feminas ultra consanguineorum gradum legitima hereditas non pertinet;

            itaque soror fratri sororive legitima heres fit.’

           

Het fragment zegt ons dat het intestaaterfrecht voor vrouwen beperkt werd tot consanguineae.  Dit zijn enerzijds volle zussen en halfzussen van dezelfde vader.  Anderzijds bevond de moeder of stiefmoeder van de overledene zich in dezelfde positie als de zussen op voorwaarde dat ze cum manu gehuwd geweest was met de vader van de overledene.  Terwijl de zussen consanguineae waren, was de moeder of stiefmoeder consanguinea loco aangezien ze filia loco was ten opzichte van de overleden vader van de overledene.  De moeder of stiefmoeder erfde dus op grond van agnatio.  Tantes van de overledene langs vaders zijde, de dochter van een broer of verdere vrouwelijke verwanten hadden geen erfrecht.[26]  Enkel wanneer er geen sui heredes en geen agnati waren, konden vrouwelijke agnati die na de graad van zussen van dezelfde vader kwamen, erven.[27]

 

Via het intestaaterfrecht kon men aan de dichtste vrouwelijke verwanten méér nalaten dan door de Lex Voconia via legaat toegestaan was.  De optie om op deze wijze een enige dochter toch de volledige nalatenschap in handen te geven, veroorzaakte gemengde gevoelens bij de erflater.  Enerzijds was er de sterke drang om de emotionele band met dochters of vrouwen te uiten door hen alles of meer dan het toegestane na te laten.  Anderzijds was het niet nalaten van een testament geen gangbare praktijk voor de Romeinen en zeker niet voor personen van de eerste klasse.[28]   De Romeinen regelden graag wat er met hun patrimonium na hun dood moest gebeuren.  Hiervoor was natuurlijk een testament nodig.  Verder moesten de meeste personen van de eerste klasse rekening houden met vriendschaps- en familiebanden.  Vaak moest men voor de uitbouw van een politieke carrière een beroep doen op de steun van invloedrijke familieleden en vrienden en soms ook op hun vermogens.  Deze hulp schepte een aantal verplichtingen en verantwoordelijkheden.  Indien men de erkentelijkheid jegens die personen vergat, betekende dit een deuk in de reputatie van de overledene en kon het de politieke carrière van diens verwanten ernstig schaden.[29]  Men kan dus stellen dat men wel graag meer zou nalaten aan vrouwelijke verwanten, maar dat het maken van een testament min of meer gezien werd als een verplichting.  Deze gevoelens vindt men perfect weerspiegeld in een fragment van Cicero:

 

            Cicero, ‘De re publica’, III.10.17:

‘…de mulierum legatis et hereditatibus, alia solidus sit adulescens dicere

nondum Voconia lege lata; quae quidem ipsa lex utilitatis virorum gratia

rogata in mulieres plena est iniuria. Cur enim pecuniam non habeat

mulier? Cur Virgini Vestali sit heres, non sit matri suae? Cur autem

si pecuniae modus statuendus fuit feminis, P. Crassi filia posset habere,

si unica patri esset, aeris milliens salva lege, mea triciens non posset […]’


DE LEX VOCONIA EN HAAR DOELSTELLINGEN

In dit hoofdstuk zal de motivering voor het aannemen van de Lex Voconia uiteengezet worden.  In de secundaire literatuur werden reeds talrijke veronderstellingen gemaakt over de intenties van de tribuun Quintus Voconius Saxa en de andere intitiatiefnemers van de wet.  Waar het om gaat is te achterhalen welke redenen doorslaggevend en welke van secundair belang waren.

 

1.Beperking van de accumulatie van rijkdom in de handen van vrouwen

Deze motivatie wordt in de secundaire literatuur niet beschouwd als doorslaggevend.  Volgens J.F.Gardner vonden een aantal auteurs in de redevoering van Cato een voldoende bewijs om dit motief als één van de belangrijkere redenen te aanzien.[30]  De literatuur die ik doorgenomen heb, bevestigt haar stelling niet.  A.Watson, A.Astin en R.Vigneron, die zij rekent tot die auteurs[31], noemen de wet wel antifeministisch[32], maar dit impliceert niet dat zij aannemen dat de wet om deze reden ingevoerd is.  Men kan hoogstens het resultaat als anti-feministisch bestempelen.  Indien een beperking van de accumulatie van rijkdom in handen van de vrouwen het objectief van de wet zou geweest zijn, zou men óf ervoor zorgen dat vrouwen geen sui heredes konden worden óf onmiddellijk het intestaaterfrecht voor vrouwen beperkt hebben. [33]  Dit is echter gebeurd door de ratio voconiana die pas van kracht werd ná het aannemen van de Lex Voconia.  Indien dit de oorspronkelijke bedoeling was geweest, had men het intestaaterfrecht voor vrouwen in de Lex Voconia zelf aangepast.[34]   

  

2.Bevorderen van de accumulatie van rijkdom in de handen van mannen
 
Een hoofddoel van de Lex Voconia was het bevorderen van de accumulatie van rijkdom in de handen van mannen met als gevolg dat er minder middelen overbleven voor de vrouwen.  Men ging er van uit dat het bezitten van een groot vermogen het hoofddoel was voor de mannen van de hoogste klasse.  Alleen op deze wijze waren zij in staat een politieke carrière uit te bouwen. [35]   De ratio voconiana, samen met de eerste bepaling van de Lex Voconia, zorgden ervoor dat het familiebezit voorbehouden werd aan de mannelijke familieleden.[36]  Cicero zegt over de wet in ‘De re publica’, III.10.17: ‘Utilitatis virorum gratia in mulieres plena est iniuria’, d.w.z. omwille van het nut voor de mannen, maar vol onrecht voor de vrouwen.  Dit kan betekenen dat hij het negatieve effect van de Lex op vrouwen betreurde maar de bepaling niettemin noodzakelijk achtte.  Dit kan ook de visie geweest zijn van de initiatiefnemers van de Lex Voconia.[37]

 

3.Reactie op de toename van sine manu huwelijken

De toename van sine manu huwelijken zorgde ervoor dat een stijgend aantal vrouwen een eigen vermogen behield gedurende hun huwelijk.  Deze vrouwen werden sui iuris na het overlijden van hun pater familias en beschikten uiteraard over een grotere vrijheid en onafhankelijkheid.

R.Vigneron tracht aan te tonen dat het aantal vrouwen sui iuris niet afhankelijk is van het soort huwelijk (cum of sine manu).  Een stijgend aantal sine manu huwelijken leidt volgens hem niet tot een stijgend aantal vrouwen sui iuris en was dus geen motief voor het aannemen van de Lex Voconia.[38] 

J.A.J.M. Van der Meer stelt dat een stijging van het aantal sine manu huwelijken wel degelijk tot een verhoging van het aantal vrouwen sui iuris leidt[39].  Ze slaagt erin de bewijsvoering van R.Vigneron te ontkrachten.  De vooronderstellingen die aan de basis van zijn hypothese liggen, hebben een te beperkte grond en zijn éénzijdig.  Enerzijds een te beperkte grond omdat hij een gezin steeds laat bestaan uit een echtgenote, een gehuwde en een ongehuwde dochter.  Er wordt immers geen rekening gehouden met grotere gezinnen.  Anderzijds zijn zijn premis-sen eenzijdig omdat hij geen rekening houdt met de status van de vrouwelijke familieleden tijdens het leven van de pater familias. Hij beschouwt enkel de toestand ná diens overlijden.  Op deze wijze zet J.A.J.M. Van der Meer de bewering van R.Vigneron op losse schroeven.  Een stijgend aantal vrouwen sui iuris was dus wél een belangrijk motief voor het invoeren van de Lex Voconia.[40]

  

4.Reactie op het afnemend belang van de tutela legitima

 Een ongehuwde dochter of een gehuwde dochter sine manu werd bij de dood van de pater familias sui iuris.  Dit hield in dat ze over grote vermogens kon beschikken maar nog steeds de goedkeuring van een tutor nodig had voor het stellen van rechtshandelingen, bijv. de aan- of verkoop van bepaalde goederen. 

Ten tijde van de Lex Voconia werd er steeds meer een tutor testamentarius aangeduid.  Deze werd, bij testament door de pater familias of door haar echtgenoot in het geval van een cum manu huwelijk, aangesteld.  Vaak was deze persoon geen verwant van de vrouw wat beteken-de dat zij een grotere beschikkingsvrijheid over haar vermogen had.  Indien de persoon onder wiens gezag zij stond geen testament had opgesteld of bij testament geen tutor had aangeduid, dan kwam zij automatisch onder de voogdij van haar dichtste mannelijke verwant, de agnatus proximus.  Deze werd, wanneer de vrouw ab intestato stierf, de eerste erfgenaam.  Bijgevolg had hij alle belang bij een goed beheer van haar eigendom.  Omdat de vrouw op deze manier het leven zuur gemaakt werd, werd steeds vaker een tutor testamentarius aangesteld.  Dat hij niet zoveel te verwachten had, was echter niet de enige reden waarom hij de vrouw vrijer liet.  Dit gebeurde deels ook uit vooruitziendheid.  Als hij de vrouw gunstig stemde, zou hij eventueel in haar testament begunstigd worden via een legaat.  Om deze twee redenen genoot de vrouw een grotere economische en dus ook sociale vrijheid.  Op deze wijze kan de toenemende gewoonte om een tutor testamentarius over vrouwen met een aanzienlijk vermogen aan te stellen een stimulans geweest zijn om de Lex Voconia in te stellen.[41]

 

5.Conservatisme op verschillende niveaus.

 R.Vigneron onderscheidt drie types van conservatisme.  De vraag is om welk type van conservatisme het gaat in het geval van de Lex Voconia.

 

Een conservatieve houding op het niveau van de sociale moraal zou inhouden dat men via de Lex Voconia de luxe-uitgaven van de vrouwen zou trachten te beperken.[42]  De Lex Voconia zou dan een lex sumptuaria zijn.  Een viertal argumenten pleit echter tegen deze veronderstelling. 

Ten eerste stelt de tweede bepaling van de Lex in verband met de grootte van de legaten dat een legaat niet groter mocht zijn dan de helft van de nalatenschap.  Deze helft liet hoe dan ook genoeg ruimte voor luxe-uitgaven.  Als dit een hoofddoel was geweest, dan was de Lex dus niet sluitend. 

Ten tweede mag men veronderstellen dat er ook mannen waren die hun rijkdom wilden etaleren door hun vrouwen met luxeartikelen te overladen.  Dit kon immers bijdragen tot hun sociaal prestige. 

Ten derde was algemeen geweten dat Cato een hevig tegenstander was van luxe voor vrouwen.  Dit was reeds gebleken in 195 v.Chr. toen voorgesteld werd de Lex Oppia af te schaffen.  Deze Lex, ingevoerd in de 3e eeuw v.Chr., had de luxe van rijke vrouwen sterk beknot.  In dit verband hield Cato in 195 v.Chr. voor de comitia een redevoering met het oog op het behoud van deze Lex Oppia.  Toen reeds waren er ook hevige tegenstanders van Cato’s overtuiging.  Het wil dus niet zeggen dat, indien men uit de redevoering van Cato in verband met de Lex Voconia kan afleiden dat hij tegen luxe voor vrouwen was, ook de instellers van de Lex Voconia er zo over dachten.[43] 

Tenslotte maakt Gellius in ‘Noctes Atticae’, XX.1[44] een duidelijk onderscheid tussen de Lex Voconia en leges sumptuariae door de Lex Voconia niet op te nemen in zijn opsomming van enkele leges sumptuariae: ‘…Quid utilius plebiscito Voconio de coercendis mulierem hereditatibus? Quid tam necessarium exixtimatum est propulsandae civium luxuriae, quam lex Licinia et Fannia aliaeque item leges sumptuariae?…’.

 

In het geval van een conservatisme met economische draagwijdte zou de wetgever trachten het uiteenvallen van de patrimonia van aanzienlijke familiae te voorkomen. 

Of dit doel door de Lex beoogd werd, valt te betwijfelen.  De eerste bepaling zou ingevoerd kunnen zijn met deze bedoeling, maar in dit geval is ze in tegenspraak met de tweede bepaling.  Deze stelde een beperking op de omvang van de legaten maar niet op het aantal.  Dus wat men bespaarde aan vrouwelijke erfgenamen door de eerste bepaling, verloor men aan vrouwelijke legatarissen. 

 

Als laatste type brengt R.Vigneron een conservatisme van meer ideologische aard naar voor. 

De Lex Voconia zou in dit kader dan een poging tot herstel van de oud-republikeinse waarden geweest zijn.  Deze waarden postuleren dat de grote fortuinen van de klasse die de macht monopoliseerde, in handen moest blijven van de mannelijke leden.[45]  Dit was de motivatie van Cato bij het opstellen van zijn redevoering.  Volgens R.Vigneron was dit een belangrijke reden tot het aannemen van de wet.  Dit besluit hij aan de hand van een fragment, dat ons overgeleverd werd door Gellius, uit de redevoering van Cato.     

     

Gellius, ‘Noctes Atticae’, XVII.6:

‘M. Cato Voconiam legem suadens, verbis hisce usus est: ‘Principio

nobis mulier magnam dotem attulit, tum magnam pecuniam recipit,

quam in viri potetatem non committit; eam pecuniam viro mutuam dat;

postea, ubi irata facta est, servum receptitium sectari atque flagitare

virum iubet’.’

 

Volgens Cato was het niet toelaatbaar dat een vrouw meende dat het haar toegestaan was van haar man te eisen dat hij zijn schulden aan haar terugbetaalde.  De onbeschaamdheid van de vrouw was een doorn in het oog van Cato.  Die brutaliteit werd volgens hem mogelijk gemaakt door haar financieel onafhankelijke positie die zij kon bekomen door nalatenschap-pen.[46]   Dit motief kan een belangrijke rol gespeeld hebben maar wederom kan men zich afvragen waarom er geen beperking op de omvang van de legaten werd gesteld.

 

WAT BIJ OVERTREDING VAN DE WET?

 Om deze vraag te beantwoorden, dient men na te gaan of de Lex Voconia een lex perfecta, imperfecta of een lex minus quam perfecta is.[47] 

 

Wat de eerste wetsbepaling betreft kan men, op basis van het optreden van Verres tegen de dochter van P.Annius Asellus[48], besluiten dat ze tot de leges perfectae behoort.  Verres wenst door middel van een edict de mensen die niet tot de census behoren maar toch een vermogen van meer dan 100.000 asses bezitten, te onderwerpen aan de Lex Voconia.  Zo zou hij de aanstelling tot erfgenaam van de dochter van P.Annius Asellus ongedaan kunnen maken.  Er wordt niet gesproken over een straf maar wel over de nietigverklaring van het testament.

Dit betekent dat wanneer niet aan de bepaling van de wet voldaan werd, de testamentaire beschikking verloren ging.  Indien de erflater geen rekening gehouden had met deze mogelijkheid en bijgevolg geen substitutionele maatregelen getroffen had, kon zijn enige dochter bewerkstelligen dat het testament nietig verklaard werd.  In het geval van nietig-verklaring kon zij intestaat de volledige nalatenschap erven.[49] 

 

Onze kennis omtrent de sancties bij overtreding van de legaatsbeperkingen is onzeker.  De tweede bepaling kan zowel een lex perfecta, imperfecta als een minus quam perfecta zijn.  Nergens wordt gesproken van een strafeis bepaald door de Lex Voconia.  Dit zou tot de conclusie kunnen leiden dat de tweede bepaling, zoals de eerste, een lex perfecta is[50].  Anderzijds zou men kunnen stellen dat de tweede bepaling simpelweg een lex perfecta is in navolging van de eerste bepaling.

Daarnaast zou het ontbreken van de vermelding van specifieke maatregelen of sancties ook kunnen betekenen dat, gezien de Lex Voconia naast de Lex Furia bestond en deze wel een strafeis omvatte, de sancties van de Lex Furia eveneens van toepassing waren op de Lex Voconia.  In dit geval zou de Lex Voconia een lex minus quam perfecta zijn.  Volgende fragmenten vormen een bewijs dat de Lex op basis van voornoemde hypothese geen lex minus quaqm perfecta kan zijn:

 

            Lex Furia:

            ‘In eum, qui plus mille aeris cepisset, cum non sit exceptus,

            ut ei plus capere liceret.’

 

            Lex Voconia:

            ‘In eum, qui … cepisset, quam heredes caperent.’

 

De Lex Furia bepaalde immers dat een legaat aan personen buiten de categorie exceptae personae[51] niet groter mocht zijn dan 1000 asses en dat de boete die de legataris moest betalen vier maal het bedrag bedroeg dat boven de 1000 asses gelegateerd werd.  Hierbij stelt zich echter wel het probleem dat de Lex Voconia geen maximumbedrag vaststelde.  Het betekent dat de legatarissen op de hoogte moesten zijn van de andere testamentaire beschikkingen om te weten of ze meer ontvangen hadden dan wettelijk toegestaan was.  Dit was uiteraard niet altijd mogelijk.  Men zou hier een schatting van de totale nalatenschap moeten maken om de legatarissen tegen eventuele schade te beschermen.  Van een dergelijke handelswijze is in geen enkele bron sprake.[52]

 

Verder hebben de woorden van Plinius voor verwarring gezorgd.

 

Plinius, Panegyricus, 42.1:

‘Locupletabant et fiscum et aerarium non tam Voconiae et Iuliae leges,

quam maiestatis singulare et unicum crimen eorum, qui crimine vacarent.’

 

A.Watson veronderstelt op basis van dit fragment dat bij het overtreden van de wet, de eigendommen naar alle waarschijnlijkheid in staatsbezit kwamen.[53]  Mommsen en Bachofen daarentegen leiden uit het fragment af dat de legatarissen en de erfgenaam successierechten moesten betalen.[54]  Uit het fragment kan men naar mijn mening niet afleiden welke van beide partijen het bij het rechte eind heeft.  Het is dus niet mogelijk te besluiten of de bepaling met betrekking tot de legaten een lex minus quam perfectam is of een lex imperfecta.  Indien het ‘verrijken’ gebeurt door middel van een boete of een inbeslagname van het goed, dan behoort de bepaling tot de leges minus quam perfectae.  Indien het om successierechten gaat, hebben we te maken met een lex imperfecta.  


HOE ONTKOMEN AAN DE WET?

Het verbod om een vrouw van de eerste censusklasse bij testament tot erfgenaam aan te stellen, was niet erg populair.  Vooral bij vaders van enige dochters zette de wet kwaad bloed.[55]  Twee fragmenten, namelijk Cicero, ‘De re publica’, III.10.17 en Augustinus, ‘De civitate Dei’, III.21[56] gebruiken de woorden ‘iniuriae’ en ‘iniquius’ om het ongenoegen te uiten.  Verder kan de ontevredenheid van Cicero ook afgeleid worden uit zijn redevoering tegen het edict van Verres[57].  Via dit retroactief edict wou Verres ervoor zorgen dat de eerste bepaling ook van toepassing werd op burgers die wel over een vermogen van 100.000 asses (of sestertiën) beschikten, maar niet op de censuslijst stonden. 

 

Het legatum partitionis

Een eerste manier om aan de Lex te ontsnappen was het ‘legatum partitionis’.  Dit is een legaat waarbij een deel van een erfenis nagelaten wordt aan de ‘legatarius partiarius’ ten persoonlijke titel.  De erflater vermeldt in zijn testament uitdrukkelijk wie de legatarius partiarius is.  Een voorbeeld van de uitdrukking vindt men in de Tituli ex corpore Ulpiani, XXIV.25[58]: ‘Heres meus cum Titio hereditatem meam partito, dividito.’  De erflater vermeldt tevens op hoeveel de legatarius partiarius recht heeft (bijv. een derde deel van de nalatenschap) maar zonder te specifiëren welke goederen de persoon in kwestie zullen toekomen. 

Dit heeft een aantal gevolgen.  Ten eerste gaat het ‘legatum partitionis’, zoals alle andere testamentaire beschikkingen, teniet indien de aangestelde erfgenaam de nalatenschap weigert of sterft vooraleer hij de erfenis aanvaard heeft.  Het legatum, evenals het fideicommissum, vervalt wanneer de erfenis overbelast is met schulden[59]. 

Ten tweede moet onderling overeengekomen worden tussen de universele erfgenaam en de legatarius partiarius welke goederen zullen gelegateerd worden.  Verder moet ook bepaald worden of de aangestelde erfgenaam het deel van de legatarius partiarius in natura (bijv. de hoeve zelf) zal overmaken of de geschatte waarde van de zaak zal uitbetalen[60]. 

Ten derde brengt dit met zich mee dat de legatarius partiarius deelde in de schulden en tegoeden van de erfgenaam die deze overgeërfd had via testament a ratio van het legaatsdeel dat hem toekwam[61].  Aangezien enkel de erfgenaam juridisch aansprakelijk kon gesteld worden, moest de legataris zich ertoe verbinden, via een ‘stipulatio partis et pro parte’, zijn deel van de schulden aan de erfgenaam te betalen.  De erfgenaam moest op zijn beurt, eveneens via een ‘stipulatio partis et pro parte’, zich ertoe verbinden de tegoeden van de nalatenschap, a ratio van het legaatsdeel, door te storten aan de legatarius partiarius.[62]  Het legatum partitionis behoort tot de ‘legata per damnationem’[63].

In de primaire bronnen vinden we drie voorbeelden terug waarin een vrouw een legatum partitionis ontvangt, namelijk Cicero, ‘Pro Cluentio’, VII.21 en ‘Pro Caecina’, IV.11 en Digestae, 32.29.1.[64]

Wat de datering van de invoering van deze formule betreft, bestaat er geen bewijs dat het legatum partitionis geïntroduceerd werd om de Lex Voconia te omzeilen.  Waarschijnlijk is de formule ouder dan de Lex en bestond haar originele functie erin om een persoon in staat te stellen evenveel van de nalatenschap te ontvangen als de erfgenaam, zonder verantwoordelijk gesteld te worden voor de uitvoering van de sacra familiaria [65].[66]  Deze moesten voltrokken worden onder toezicht van de pontifices en werden vaak als belastend beschouwd.  Vanuit dit standpunt zou het legatum partitionis even oud kunnen zijn als de sacra familiaria.  We vinden

mogelijke bewijzen hiervoor terug bij Cicero:

 

Cicero, ‘De legibus’, II.20.49:

‘… descripta ab antiquis. Nam illi quidem his verbis docebant:

tribus modis sacris adstringitur: aut hereditate, aut si maiorem

partem pecuniae capiat, aut si maior pars pecuniae legata est,

si inde quippiam ceperit.’

 

De sacra familiaria van de oudere orde worden gelinkt aan Tiberius Coruncanius, pontifex maximus in 250 v.Chr..[67]  Indien we zouden aannemen dat ‘aut si maior pars pecuniae legata est’, naast de verwijzing naar gewone legaten, mogelijk ook een verwijzing naar het legatum partitionis inhoudt[68], zouden we mogen besluiten dat het legatum partitionis reeds bestond omstreeks 250 v.Chr..

Met zekerheid kunnen we stellen dat het legatum partitionis teruggaat tot 133 v.Chr., het jaar waarin Publius Mucius Scaevola consul was.  Hij was ook pontifex maximus.  Volgens Cicero mag de verdienste om een legatarius partiarius vrij te stellen van de sacra familiaria op zijn naam geschreven worden.  Het legatum partitionis bood dus een manier om te ontkomen aan de uitvoering van de sacra familiaria.  Men moest in theorie 100 nummi van de helft aftrekken.  In de praktijk moest men gewoon iets minder dan de helft aanvaarden om vrijge-steld te worden. 

Indien de som niet afgetrokken was van de partitio, maar de begunstigden namen vrijwillig iets minder dan wat nagelaten werd aan de erfgenaam of erfgenamen, waren ze evenmin gehouden aan de sacra familiaria.[69]

 
            Cicero, ‘De legibus’, II.20.50:

            ‘… Scaevolae, cum est partitio, ut, si in testamento deducta scripta

non sit ipsique minus ceperint, quam omnibus heredibus relinquatur,

sacris ne alligentur.’   

 

Cicero, ‘De legibus’, II.21.53:

            ‘…Partitionis caput scriptum caute, ut centum nummi deducerentur;

inventa est ratio cur pecunia sacrorum molestia liberaretur. Quasi hoc,

qui testamentium faciebat, cavere noluisset, admonet iuris consultus hic

quidem ipse mucius, pontifex idem, ut minius , quam omnibus heredibus

relinquatur; super dicebant quicquid cepisset, adstringi; rursus sacris

liberantur.’

 

Samengevat is het legatum partitionis in verband met de Lex Voconia op twee manieren nuttig.  Ten eerste was het mogelijk, ondanks de eerste bepaling, om een legatum partitionis over te maken aan een vrouw waardoor zij toch nog de helft van de nalatenschap kon krijgen. 

Aangezien het legatum partitionis gelijk gesteld werd aan een erfdeel, was het, in tegenstel-ling tot een gewoon legaat, opeisbaar door de begunstigde.  Ten tweede bood het legatum partitionis het voordeel dat men nooit kon gestraft worden of de beschikkingen nietig konden verklaard worden omdat men meer gelegateerd had dan wettelijk toegestaan was.   

Men mag aannemen dat met het wettelijk afdwingbaar worden van de uitvoering van het fideicommissum het legatum partitionis steeds minder gebruikt werd om de Lex Voconia te omzeilen.

Het fideicommissum

Een tweede manier om de Lex Voconia te omzeilen was het ‘fideicommissum’.  Dit wordt ons expliciet meegedeeld door Gaius:

           

Gaius, ‘Institutiones’, II.274:

‘Item mulier, quae ab eo qui centum milia aeris census est per legem

Voconiam heres institui non potest, tamen fideicommisso relictam

sibi hereditatem capere potest.’

 

In de regel was het noodzakelijk dat zoals de testator ook de erfgenamen en de legatarissen Romeinse burgers waren.  Verder moesten zij beschikken over de ‘testamenti factio passiva’.  De ‘testamenti factio passiva’ betekent dat men beschikt over het recht om tot erfgenaam aangesteld of als legataris benoemd te worden.  Deze twee voorwaarden zorgden ervoor dat een aantal bevolkingsgroepen, zoals bijv. peregrini, niet als begunstigde in een testament kon aangeduid worden.  Door de Lex Voconia gingen ook vrouwen een uitgesloten groep vormen.[70]

Het fideicommissum bood een uitweg voor deze beperkingen.[71]  De testator belastte één, meerdere of alle erfgenamen, de fiduciarii, met de uitvoering van wat hij voorzien had (bijv. een som geld, een goed) voor een derde partij, de fideicommissarius.  In het geval van de Lex Voconia betekende dit dat de erflater een man tot zijn erfgenaam aanstelde.  Aan die manne-lijke erfgenaam werd gevraagd of hij de erfenis wou overdragen aan bijv. de vrouw en/of de dochter van de erflater.[72]  Men noemt dit een fideicommissum hereditatis.  De fiduciarius die aangesteld werd als erfgenaam ontving, in het geval hij de nalatenschap aanvaardde, de totale nalatenschap, inclusief schulden en tegoeden.  Van hem werd dan verwacht dat hij de nalatenschap, na betaling van de schulden en ontvangst van de tegoeden, doorgaf aan de fideicommissarius.  Bij het niet aanvaarden van de erfenis verviel ook het fideicommissum.  De fiduciarius droeg de nalatenschap over aan de fideicommissaris door een schijnverkoop van de erfenis.  De begunstigde betaalde dan de symbolische waarde van één sestertie.  Deze schijnverkoop betekende geenszins dat de fiduciarius/erfgenaam ontslagen was van zijn verantwoordelijkheden.  De fideicommissarius beschikte over geen enkel recht ten opzichte van schuldeisers en schuldenaars van de erflater.  Deze ongemakken werden verholpen door wederzijdse stipulationes.  Die stipulationes waren dezelfde als bij het legatum partitionis.  Beide partijen moeten echter wel solvabel zijn om dit zonder risico af te handelen. 

Aan deze omslachtige wijze van overdracht werd een eind gemaakt door het senatus-consultum Trebellianum in 56 n.Chr..  Dit senatusconsultum zorgde ervoor dat de fideicom-missarius rechtstreeks verantwoordelijk werd voor schulden en tegoeden.  De fideicommis-sarius werd nu heredis loco of legatarii loco.[73]

De procedure van het fideicommissum was volledig vormeloos.  Het was zelfs mogelijk om de fiduciarius mondeling de opdracht tot uitvoering te geven.[74] 

Er was wel één groot nadeel verbonden aan de praktijk van het fideicommissum ten tijde van de Lex Voconia.  Tijdens de Republiek was de fiduciarius niet bij wet verplicht om zijn belofte aan de erflater na te komen.  De belofte door de toekomstige erfgenaam werd veeleer gezien als een morele verplichting.  Maar dat aan de wil van de overledene niet steeds voldaan werd, toont ons het fragment II.17.55 uit ‘De finibus’ van Cicero[75].  In dit fragment krijgt de dochter van de testator die zijn volledige nalatenschap aan haar nalaat via fideicommissum, enkel datgene wat door de Lex Voconia toegestaan werd, namelijk de helft van de nalaten-schap door middel van een legaat.  De fiduciarius houdt de andere helft voor zichzelf.[76]    Pas onder Augustus wordt de uitvoering van het fideicommissum wettelijk verplicht.[77]  


Besluit

Zoals gebleken is, hebben we slechts zekerheid omtrent de inhoud van de eerste en tweede bepaling van de Lex Voconia.  Over het bestaan of de echtheid van een derde bepaling rijzen alweer twijfels.  Verder is er weinig consensus in verband met de doelstellingen van de Lex.  Het valt moeilijk uit te maken welk belang moet gehecht worden aan elk aangehaald motief voor het invoeren van deze wet.  Alle mogelijke motieven zijn geldig voor de eerste bepaling, terwijl de tweede bepaling ervoor zorgt dat de doeltreffendheid van de eerste geheel of ten dele ondermijnd wordt.  De Lex Voconia was dus geen sluitende wet.  Of deze schijnbare contradictie tussen de eerste en tweede bepaling al dan niet een berekend opzet had, is moeilijk te achterhalen.  Uit de primaire bronnen kunnen we afleiden dat de eerste bepaling een aantal fervente voorstanders waaronder Cato kende maar veel tegenwind ondervond van de personen die tot de eerste censusklasse behoorden.  Het is best mogelijk dat de initiatief-nemers van de Lex beseften dat de eerste bepaling nogal radicaal was en dat het, om de wet toch te kunnen doorvoeren en de gemoederen van de getroffenen te bedaren, noodzakelijk was een tweede bepaling in verband met legaten soepeler op te stellen. 

 

Een aantal auteurs, waaronder A.Watson en R.Vigneron[78], noemt deze wet antifeministisch omwille van de negatieve gevolgen voor vrouwen.  Ook J.F. Gardner gebruikt dit woord om uitdrukking te geven aan de houding van Cato.[79]  Toch zijn deze schrijvers ervan overtuigd dat het wetsvoorstel niet met die bedoeling werd ingediend. 

Door het woord ‘antifeministisch’ tegen deze achtergrond en met betrekking tot de periode van de late Republiek te gebruiken, ontstaat een  anachronisme aangezien er toen nog geen sprake was van enige vorm van feminisme.  Een feministische houding zou immers betekenen dat de vrouwen bewust en actief streefden naar politieke, financiële en economische gelijkheid.

We mogen aannemen dat dit niet het geval was ten tijde van de Lex Voconia en dat de positie van de Romeinse vrouw gewoon mee evolueerde met de veranderingen in de maatschappij.  

 

Men mag dus besluiten dat vele vragen omtrent de Lex Voconia niet met zekerheid kunnen beantwoord worden en dat wat we weten hoofdzakelijk gebaseerd is op hypotheses. 

Wat we wel met zekerheid kunnen  zeggen, wordt onder woorden gebracht door Cicero:

 

Utilitatis virorum gratia in mulieres plena est iniuria’.

 

 

 BIBLIOGRAFIE

Primaire bronnen

AUGUSTINUS, ‘De civitate Dei’, III.21.              

CICERO, ‘De finibus bonorum et malorum’, II.17.55; II.18.58.

CICERO, ‘De legibus’, II.19.47-8; II.20.50; II.21.52-53.

CICERO, ‘De re publica’, III.10.17.

CICERO, ‘De Senectute’, IV.14.

CICERO, ‘In Verrem’, II.1.106-114.

CICERO, ‘Pro Balbo’, VIII.21.

CICERO, ‘Pro Caecina’, IV.11; V.15.

CICERO, ‘Pro Cluentio’, VII.21.

DIGESTAE, 30.26.2.; 32.29.1.

DIO CASSIUS, LVI.10.2.

GAIUS, ‘Institutiones’, II.226; II.274; III.14; III.23; III.29.

GELLIUS, ‘Noctes Atticae’, I.12; VI.13; XVII.6; XX.1.

LIVIUS, ‘Ab Urbe Condita’, 41.

PAULUS, ‘Sententiae’, IV.8.20.

PLINIUS, ‘Panegyricus’, 42.1.

(PSEUDO)-QUINTILIANUS, ‘Declamationes Minor’, 264.

ULPIANUS, ‘Tituli ex Corpore Ulpiani, XXIV.25; XXVI.6.

 

Vertalingen van de primaire bronnen

CARY, E.: ‘Dio’s Roman History.’, London, 1955. (Loeb)

COMBÈS, G.: ‘La cité de Dieu. Livres I-V. Impuissance sociale du paganisme.’, [s.l.], 1960. (Bibliothèque Augustéenne)

DE ZULUETA, F.: ‘The Institutes of Gaius.’, Oxford, 1969.

FALCONER, W.A.: ‘Cicero. De Senectute – De amicitia – De divinatione.’, London, 1959. (Loeb)

GARDNER, R.: ‘Cicero. The speeches. Pro Caelio – De Provinciis Consularibus – Pro Balbo.’, London, 1958. (Loeb)

GREENWOOD, L.H.G.: ‘Cicero. The Verrine orations.’, London, 1959. (Loeb)

HODGE, H.G.: ‘Cicero. The speeches. Pro lege Manilia – Pro Caecina – Pro Cluentio – Pro Rabirio – Perduellionis.’, London, 1959. (Loeb)

KEYES, C.W.: ‘Cicero. De re publica – De legibus.’, London, 1959. (Loeb)

KÜHN, W.: ‘Plinius der Jüngere. Panegyrikus. Lobrede auf den Kaiser Trajan.’, Darmstadt, 1985.

MIGNON, M.: ‘Les Nuits Attiques, Aulu Gelle.’, Paris, 1934.

RACKHAM, H.: ‘Cicero. De finibus bonorum et malorum.’, London, 1951. (Loeb)

SAGE, E.T. & SCHLESINGER, A.C.: ‘Livy. Ab Urbe Condita, XL-XLII.’, London, 1957. (Loeb)

SPRUIT, J.E. & BONGENAAR, K.E.M.: ‘Ulpianus, Papianus en kleinere fragmenten.’, Zutphen, 1986.

SPRUIT, J.E., BONGENAAR, K.E.M., e.a.: ‘Corpus Iuris Civilis. IV. Digesten, 25-24.’, Zutphen, 1997.

VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, Diss.doct.Univ.Amsterdam, Amsterdam, 1996.

 

Secundaire literatuur:

ASTIN, A.E.: ‘Cato the Censor’, Oxford, 1978.

BERGER, A.: ‘Encyclopedic dictionary of Roman law’, Philadelphia, 1953.

BUCKLAND, W.W.: ‘The Main Institutions of Roman Private Law’, Cambridge, 1931.

CROOK, J.A.: ‘Law and Life of Rome’, New york, 1967.

DE ZULUETA, F.: ‘The Institutes of Gaius’, Oxford, 1949.

GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman law and society’, London & Sydney, 1986.

GAUDEMET, J.: ‘Droit privé romain’, Montchrestien, 1998.

GIRARD, P.F. : ‘Manuel de droit romain. Vol. II’, Liechtenstein & Paris, 1978.

MCGINN, T.A.J.: ‘Prostitution, Sexuality and the Law in Ancient Rome’, Oxford, 1998.

ROTONDI, G.: ‘Leges publicae populi Romani. Elenco cronologico con una introduzione’, Hildesheim, 1962.

SALLER R.: ‘Patriarchy, property and death in the Roman family’, Cambridge, 1994.

SCHULLER, W.: ‘Frauen in der römischen Geschichte’, Konstanz, 1987.

STEINWENTER: ‘Lex Voconia’, in: RE XII, coll.2418-2430.

VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, Diss.doct. Univ. Amsterdam, Amsterdam, 1996.

VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins Privaatrecht’, Leiden, 1948.

VIGNERON, R.: ‘L’antiféministe loi Voconia et les ‘Schleigwege des Lebens’’, in: Labeo 29, 1983, pp.140-153.

WATSON, A.: ‘The Law of succession in the Later Roman Republic’, Oxford, 1971.

WESEL, U.: ‘Uber den Zusammenhang der Lex Furia, Voconia und Falcidia’, in: ZSS 81, 1964, pp.308-16.

 

[1]   Livius, ‘Ab Urbe condita’, 41.

[2]   Aulus Gellius was een Romeins geleerde die ca. 175 n.Chr. een uitgebreid werk publiceerde dat hij de titel ‘Noctes Atticae’ gaf, ter herinnering aan zijn verblijf als student in Athene.  Het werk bevat allerlei wetenswaardigheden over filosofie, literatuur, taal en geschiedenis en is voor ons waardevol om zijn fragmenten uit oudere literatuur die verloren gegaan zijn.

[3]  Cicero, ‘De Senectute’, 5.14 en ‘Pro Balbo’, 8.21; Livius, ‘Ab Urbe condita.’, 41; Gellius,‘Noctes Atticae.’,VI.13 en XVII.6. 

[4]  STEINWENTER: in: RE XII, coll.2418.

[5]  STEINWENTER: in: RE XII, coll.2428.

[6]  In de Lex Papia stond Augustus toe dat een aantal vrouwen van de eerste censusklasse via het ius liberorum aan de beperkingen van de Lex Voconia ontsnapten: MCGINN, T.A.J.: ‘Prostitution, Sexuality and the Law in Ancient Rome’, p.77; GARDNER, J.F.: ‘Women in Roman Law & Society’, p.78.

[7]  WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.31.

[8]   WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, pp.30/167.

[9]   Gellius, ‘Noctes Atticae’, I.12: zie bijlage.

[10]  Flamen Dialis = hoogste priesterambt, priester van Iupiter.

[11]  Ik acht het niet nuttig deze discussie hier verder uiteen te zetten omdat het ons te ver van de essentie van het onderwerp zou leiden.  Bovendien bestaat er grote onenigheid over alle aangehaalde argumenten en is men nog niet tot een plausibele verklaring gekomen. 

[12]  STEINWENTER: in: RE XII, coll.2419; WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.29.

[13] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2420.

[14] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.30.

[15] In geval van een dreigend nabij zijnde dood vindt vaak een ‘donatio mortis causa’ plaats. Ze gebeurt via overdrachtsaktes of stipulaties afhankelijk van het object. Wanneer het gevaar voor de dood geweken was, moesten de goederen terugkeren naar de schenker. De schenker had geen actieve factio testamenti nodig om een dergelijke schenking te doen.  De donatio stond dus open voor vreemdelingen en bovendien ook voor vrouwen, op voorwaarde dat ze de toestemming van de pater familias verkregen hadden. De passieve factio testamenti was een vereiste waaraan de begunstigde van deze donatio moest voldoen. De wet poogde de donatio mortis causa te onderwerpen aan bepaalde grenzen. Daarom was de Lex Voconia ook van toepassing, naast de legaten, op de donatio mortis causa. Ook in dit geval mocht de schenking niet groter zijn dan het aandeel ontvangen door de aangestelde erfgenaam of erfgenamen. De donatio mortis causa liet toe de strikte formaliteiten van het testament te omzeilen: GAUDEMET, J.: ‘Droit privé romain’, pp.126-7.

[16] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2423; WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.167; GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.170.

[17] WESEL, U.: in: ZSS 81, p.312.

[18] J.F.GARDNER is van mening dat de tweede bepaling, zoals de eerste, enkel van toepassing was op de burgers die bij de laatste census in de eerste censusklasse opgenomen zijn: GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.170.

[19] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.546.

[20] Dit is ook de visie van Mommsen, die dit meent te kunnen afleiden uit een fragment van Cicero, ‘De legibus’, II.19.48.  Deze visie is echter gebaseerd op een bepaling uit het sacraal recht die lang voor de Lex Voconia in voege was: WESEL, U.: in: ZSS 81, p.313.

[21] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2422.

[22] GAUDEMET, J.: ‘Droit privé romain’, p.106.

[23] Cicero, ‘In Verrem’, II.1.43.110: zie bijlage.

[24] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2423-4.

[25] STEINWENTER: in: RE XII, coll.2420.

[26] Gaius, ‘Intitutiones’, III.23: zie bijlage; VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.24; VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.523; WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.70.

[27] Gaius, ‘Institutiones’, III.29: zie bijlage.

[28] VIGNERON, R.: in: Labeo 29, p.150; STEINWENTER: in: RE XII, coll.2420.

[29] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.92.

[30] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, pp.171/4.

[31] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, pp.171/201.

[32] De wet bestempelen als antifeministisch is een anachronisme: zie infra p.20.

[33] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.174.

[34] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.53-4.

[35] WESEL, U.: in: ZSS 81, p.314; ASTIN, A.E.: ‘Cato the Censor’, p.116; . GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.176.

[36] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.171; SCHULLER, W.: ‘Frauen in der römischen Geschichte’, pp.38-9.

[37] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.54-5.

[38] VIGNERON, R.: in: Labeo 29, p.147.

[39] SCHULLER, W.: ‘Frauen in der römischen Geschichte’, p.39.

[40] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.56-8.

[41] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, pp.50/60.

[42] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.534.

[43] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.69.

[44] Gellius, ‘Noctes Atticae’, XX.1: zie bijlage.

[45] VIGNERON, R.: in: Labeo 29, p.145.

[46] VIGNERON, R.: in: Labeo 29, pp.145-6.

 

[47] Een lex wordt perfecta genoemd als bij overtreding van de wet de handeling gesteld door de overtreder nietig wordt verklaard; een wet waarbij geen enkele sanctie voorzien is bij overtreding is een lex imperfecta;  wanneer bij overtreding van de wet de handeling niet nietig wordt verklaard, maar een straf of een boete wordt opgelegd aan de overtreder, spreekt men van een lex minus quam perfecta: BERGER, A.: ‘Encyclopedic dictionary of Roman law’, p.546.

[48] Cicero, ‘In Verrem’, II.1.41-44.104-112: zie bijlage.

[49] Cicero, ‘In Verrem’, II.1.44.114: zie bijlage; STEINWENTER: in: RE XII, coll.2424.

[50] BUCKLAND, W.W.: ‘The Main Institutions of Roman Private Law’, p.223.

[51] Deze liet toe dat een legaat aan exceptae personae groter was dan 1000 asses . Tot de exceptae personae    behoorden ook echtgenotes, kinderen in potestate en naaste vrouwelijke familieleden tot de zesde graad.

 

[52]  STEINWENTER: in: RE XII, coll.2425.

[53]  WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.31.

[54]  STEINWENTER: in: RE XII, coll.2425.

[55] Cicero verkeerde lang in dit geval. Het is ook de reden waarom hij zo heftig reageert tegen de eerste bepaling van de Lex Voconia en in de redevoering tegen Verres zo scherp in de aanval gaat.

[56] Cicero, ‘De re publica’, III.10.17 en Augustinus, ‘De civitate Dei’, III.21: zie supra p.4 of zie bijlage.

[57] ‘In Verrem’, II.1.41-44.104-114: zie bijlage. Gaius Verres was van 73 tot 71 v.Chr. praetor van Sicilië waar hij zich schuldig maakte aan plundering, afpersing en andere misbruiken van het ambtsgezag.  In 70 v.Chr. werd hij door Cicero, die in 75 v.Chr. quaestor was op het eiland, aangeklaagd en bij verstek veroordeeld. 

[58] Tituli ex corpore Ulpiani, XXIV.25: zie bijlage.

[59] VAN OVEN, ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.550.

[60] Digestae, 30.26.2: zie bijlage.

[61] Het verschil met een gewoon legaat ligt hierin dat bij een gewoon legaat de legataris enkel over rechten beschikte en dat hij niet medeverantwoordelijk was voor schulden of andere verbintenissen.  Deze waren enkel de verantwoordelijkheid van de erfgenaam. 

[62] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.543; GIRARD, P.F. : ‘Manuel de droit romain’, vol. II, pp.987-8.

[63] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.131. Een nadeel hierbij is dat de legatarius op gelijke voet komt te staan met de andere schuldeisers van de erfgenaam, wat kan betekenen dat de legatarius slechts een deel van zijn legaat of zelfs niets ontvangt.

[64] Cicero, ‘Pro Cluentio’, VII.21; Cicero, ‘Pro Caecina’, IV.12; Digestae, 32.29.1: zie bijlage.

[65] De sacra familiaria (privata) zijn heilige rituele handelingen van de individuele Romeinse families die moeten voltrokken worden bij het overlijden van de pater familias. Deze moesten voltrokken worden onder toezicht van de pontifices.

[66] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.129.

[67] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, pp.4-5.

[68] Op basis van ‘maior pars’ als we hieronder maximum de helft van de totale nalatenschap mogen verstaan.

[69] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, pp.128-9.

[70] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93; VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.534.

[71] SALLER, R.P.: ‘Patriarchy, property and death in the Roman family’, pp.106-7; CROOK, J.A.: ‘Law and Life of Rome’, pp.127-8.

[72] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93.

[73] VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, pp.550-1; DE ZULUETA, F.: ‘The Institutes of Gaius’, p.116.

[74] Cicero, ‘De finibus’, II.18.58: zie bijlage.

[75] Cicero, ‘De finibus’, II.17.55: zie bijlage.

[76] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, pp.3/36-7; GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.177.

[77] VAN DER MEER, J.A.J.M.: ‘Made for men: The Lex Voconia: mulier heres institutui non potest’, p.93;  VAN OVEN, J.C.: ‘Leerboek van Romeins privaatrecht’, p.549.

[78] WATSON, A.: ‘The Law of Succession in the Later Roman Republic’, p.29; VIGNERON, R.: in: Labeo 29, pp.140-153.

[79] GARDNER, J.F.: ‘Woman in Roman Law and Society’, p.171.