Romantische gedichten in verhaalvorm

Sprookjesachtige dromerige gedichten over liefde en romantiek

 

 

 

 

 

Zomerwende

Je huid proefde altijd al naar meer
onder 't blauwe van de zomer
tussen zacht wiegend koren

blootsvoets liepen we door weiland
dat kleurde naar liefde alsof
het nooit anders was

't zoete van je lichaam
eindeloos beminnen
liggend in 't hoge gras

geurende naar zomerwende
en naar de liefde waarmee
je altijd naar me keek.


© Hendrik Hoogland

 
 
 

Ook winters gaan voorbij
 
Aan de branding vond ik een gevallen ster
ze vertelde me over een bevroren hart,
korrels zand en noordenwind welke
je gelaat openhaalden en hoe koud
je het had vanbinnen

ik kom je vinden op zachte westenwinden
breng jou bloemen geuren en kleuren
te midden blauwig wuivende verten

voor jou kus ik het krieken van de dag
opdat de zon in jouw ogen haar warmte
penselen zou tot het lentekind van weleer

hand in hand, samen aan de branding
zo vroeg in de morgen, fluisterde je
'mijn lief, ook winters gaan voorbij'
en kuste m'n lippen vol met lente.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Tegen ‘t hemelsblauw

Kijk zei ze, de zee en de zon
en ginds, tegen het hemelsblauw, dat iele
bootje op de rand van de wereld zo mooi
mijn blik viel overboord de diepte in, strandde
onweerstaanbaar bij haar bevallige dijen
uitdagend wiegde ze wat heen en weer
alsof ze weten wou welke
aanblik ik nu wel de mooiste vond

kijk zei ik, de zee en de zon
en ginds dat iele bootje zo onbeweeglijk
mooi alsof het eeuwig blijven kon
maar hier, vandaag, tegen ‘t hemelblauw
dat heen en weer wiegen van jou,
niets is me liever mooi dan jij.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Van verre
 
O zie ze daar staan, lenteschone bomen
met hun bruidsjurken al aan
de nevel klimt langzaam in ’t hemelblauw
en vroeg uit de veren als ik ben
 
meen ik, ergens ver weg
een lentekind te zien
blootsvoets in ’t ochtendgras
 
één moment zelfs, dacht ik
dat jij dat was
 
zou ik als de wind zijn of
als de vlinders in mijn buik
dan kuste ik zachtjes je wang
 
zeldzaam dichtbij in deze lenteschone
verten tussen jou en mij.
 
© Hendrik Hoogland

 
 
 

 
 
 

Appelpluk
 
Er moest nog een appelmand vol geplukt
bedacht ik mijmerend in de schaduw
En zo turend naar al die appels boven mij
ontstond daar een wonderlijke dans
 
zo op een ladder tussen het gebladerte
verschenen uit het niets haar mooie dijen
wat hogerop ademde uitdagend heuvelland
 
een stem doorprikte m’n droom wijl
ik lag te soezen onder de appelboom
en jij stond daar, in ’t zonlicht, een schort
vol appels omhooghoudend
 
eentje om in te bijten klonk het kirrend
En zo onder die appelboom
zo mooi, zo helemaal jij
 
met overvolle schort aan glimmende appels
heupwiegend stond je daar voor mij
als de verleidelijkste, heerlijkste
vrucht uit het paradijs.

© Hendrik Hoogland.

 
 
 

Sterrenpracht.

Een dag wijkt voor heldere nacht
‘k aanschouw
die hemels mooie sterrenpracht
‘k aanschouw
de halve maan, houding waarin jij
zou kunnen slapen gaan.

Er schitteren daar vele sterren
in ’t hemelrond
wou dat er eentje echt bestond
kan drinken haar fluisterende woorden
als een zoete zielendrank van goden.

M'n gedachten willen kunnen reiken
‘t fluisterend sterretje dat me kan, wil begrijpen
twee zieltjes één, mooie kwelling als geeneen
‘k aanschouw
even maneduister, weg is het gefluister.

En toch,
ergens reis je door tijd van deze nacht
onzichtbaar... ’t zieltje dat op me wacht

aanschouwen wij diezelfde
sterrenpracht.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Weet je liefste,
 
Ik zoek je al mijn hele leven
en al is het dat ik je slechts in gedachten ken
al is het dat we misschien nooit
bij elkaar zullen zijn
 
ik hou van je kantjes, je ditjes en datjes
daarom heb ik je lief,
niet vluchtig maar waarachtig lief
 
ik weet dat je ergens daarbuiten op me wacht
onze wegen hoeven alleen
maar te kruisen
 
en tot zolang
wanneer jij je soms eenzaam voelt
 
weet dan liefste
 
ik heb je lief, zo lief
zo lief.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

't Meisje op blote voeten

Passeerde voor m'n ogen als een hinde
majestueus gedragen op handen der zeewinde
omhelst door stralend zonlicht, een huid als satijn
sprankelende lach, jij lieflijke hinde... verdween,
als een te mooie droom om waar te zijn

doelloos lopend langs de branding, strand
ontloken plots die ranke sporen in het mulle zand
van 't betoverend mooie meisje op blote voeten..
'k vond haar dromend kijkend aan het water
het leek wel een aardse eeuwigheid later

normen lieten we voor wat ze waren
net of we kenden elkaar al vele jaren
je handen vormden deze letters in het zand,
- in de verbeelding -
daar nam jij me plagend, al spelend heen
beleefden een sprookjesdag als geeneen.


© Hendrik Hoogland.

 
 
 

Sprookjesverhaal

Dromen zijn echt geen bedrog
want als ik wakker word zie ik je nog
je beeld staat op m’n netvlies gebrand
net zoals de letters die je schreef in het zand

ongekunsteld lief lachend en tevree
leek je de mooiste creatie van de zee
oneindig mooi om te zien, wou je beeld wel drinken
en me voor eeuwig in jou blik verzinken

toen jij met glinsterende waterdruppels op je huid
en gesloten ogen de golven aanhoorde
straalde je voor mij als de godin onder de goden
de golven, woorden van je hart, als hemelse akkoorden

Jij één van de mooiste sterren uit het heelal
kruiste wonderbaarlijk m’n weg op aarde
had nooit gedacht
dat ik met 't mooiste sterretje uit de nacht
de ruisende golven kon aanschouwen in volle pracht.

© Hendrik Hoogland.

 
 
 

Eeuwige liefde
 
 
Hier ontmoet ik je weer liefste
herkenning door de tijden heen
hazelaar, maretak ’t toverkruid
jij strooide het uit,
was bijna mijn bruid
 
veldslagen, middeleeuwen
mijn prinses in kastelen
bij elkaar mochten we niet zijn
in overgave van wezen
 
anno eenentwintigste eeuw
vonden we elkaar were
woorden zijn geheel overbodig
het aanvoelen is gebleven
 
en hoog in ’t blauwe spansel
speelt Aphrodite de kaarten uit
ooit zijn we samen liefste
doch in welke eeuw zal ‘t wezen.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Westereinder

Als de zon aan westereinder slapen gaat,
ze nog heel even straalt in mijn gelaat
roept ze telkens mijn naam van ginds ver
voor een zoektocht naar m’n liefste ster

lokt me zwevend in warmzachte
handen met zich mee,
tot aan de gelukspoort van de zee

daar waar de einder het lichaam van
de golven in vurig rood bemint,
droom ik van het mooiste zeeënkind

draag de fluisterwoorden van m’n hart
door de stilte van de nacht,
o westenwind, tot daar waar zij zich bevindt

waai m’n stem tot diep in haar warme hart
zodat ze weet, in de schittering van
de nacht ik voor altijd op haar wacht

tijdloos zullen mijn ogen blijven zoeken,
de gloed van ‘t meisje op blote voeten
van Zij die ik ooit, zoals in een sprookje
als de liefde uit mijn dromen ontmoette.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Gloed
 
Ruisende golven, omhelst in schemerzon
ontluikend machtig, einderrode gloed
vervloeiend in nacht tot weidse
sterrenpracht
 
hemels baldakijn, als rood witte wijn
wou dat ik voor altijd jouw zeeman kon zijn
eeuwig varend, zoet gevangen in je betoverend
mooie gloed.

 
 
 

Mysterieuze verschijning
 
 
 
Tussen sterren, maanlicht en dromen
‘t magisch gedachtegoed dat liefde
zo onweerstaanbaar maken zou
 
ontsluierend uit nachtelijke nevelslierten
je mysterieuze verschijning
 
je blik troonde me mee tot de manekring
waar tijdloze saga’s zinderden in het
schijnsel van een magische liefdescirkel
 
badend in het licht van een zilv’ren maan
ontstond er op jouw wang een traan
wind beroerde en als een dauwdruppel
zo zacht drupte ze mijn handen aan
 
tijdenlang zocht ik haar, de ware liefde,
en in haar traan zat een eeuwigheid vervat
mijn prinses, eeuwig zal ik je liefhebben
ik draag je op mijn handen de eeuwen door,
zodat je bloeien zal, als de mooiste roos.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Nawarmte

Een verre ochtendhaan kraaide
het morgenkrieken begon toen
jij de kamerdeur dichtzwaaide.

Luisterend op je deemsterende
stappen keer ik me nog
even naar jouw plekje om.

Je nog aanwezig aura, gekruid
met golven van vrouwelijkheid
wekte begerend mijn verlangen
het nazinderende te vangen.

Fata morgana in gesloten ogen,
zinnelijke afdruk ‘t minnen
je warmte nog steeds voelbaar
tussen ‘t nachtelijk linnen.

Het spiegelt of je bent er nog
jouw geur nog intens aanwezig,
het genot van nog even, heel
even in je nawarmte te zweven.

In alles wat ik zie, hoor en voel

Ik wou dat ik niet alleen een traan
een traan van geluk op je wang was
maar ook in een zomers ochtendblauw
de dauw van levenskracht tot jou was

Doorheen alles wat ik zie, hoor en voel
in alles is het dat ik jouw spiegeling herken
als een zeebries me lokt met gefluister
weerklinkt het lied van je zachte stem

Als de branding in avondrood gaat slapen
is het als jouw gloed waar ik naar tracht
en zoals de sterren aan de hemel stralen
twinkelen je ogen voor mij in de nacht

In de branding van onze dromen verweven
geef ik me helemaal over aan jou
en in alles wat ik zie, hoor en voel
ben jij m’n liefste,
een droom waar ik het meest van hou.

 
 
 

Als meisje van zestien

Huppelde je met je dromen in de hand
je heldere lach, je haren vrij in de wind,
langs wat vroeger meer dan nu was
hoekjes van stilte langs wei en hooiland
en als niemand toekeek riep je,
 
wie niet weg is.., en je liet je dromen vrij
in een blauwe lucht als meisje van zestien
ze hadden je zien staan, jouw dromen
en wie zou ze ooit beter begrijpen?
ze waren van jou, ze bleven bij je
 
en jaren later, de ware liefde nog ver
bewaar je in de palm van je gebalde hand
nog steeds je dromen van al die jaren her
langs wei en hooiland bewandel je nog de
 
hoop van weleer, en soms fluister je nog,
wie niet weg is.. en zo zag ik je daar staan,
zo is het dat ik je de liefste vind, met je
haren zacht golvend in de wind en je
dromen die zich nestelden in mijn hand.

© Hendrik Hoogland.

 
 
 

Met jou in een hemelbed

Ik wou met jou wel ontwaken in een hemelbed
als een kluwen breiwol door elkaar gevlecht
met mijn handen op je warmzachte buik
de ochtendzon zien opgaan door het open luik

we voelen veel meer dan een arm en een been
we voelen zoveel warmte door alles heen
ik voel je adem in mijn gezicht wanneer je zacht
een kus op mijn lippen drukt
ik neem jou hand in mijn hand en we
vrijen de morgen nog even aan de kant

ik proef de zoete smaak van je lichaam
en als ik straks weer de stad in moet gaan,
weet ik nu al dat ik je zo ga missen
we smelten vurig saam en ‘k voel jouw hart
zinderend tegen het mijne aan, en ik weet,
zonder jou kan ik niet meer bestaan

we voelen veel meer dan een arm en een been
we voelen zoveel warmte door alles heen
ik voel je adem in mijn gezicht wanneer je zacht
een kus op mijn lippen drukt
ik neem jou hand in mijn hand en we
vrijen de morgen nog even aan de kant

met jou, wil ik elke morgen ontwaken als een
kluwen breiwol door elkaar gevlecht, met mijn
handen op je warmzachte buik de ochtendzon
zien opgaan door het open luik, keer op keer
toe liefste, zeg me, vertel me, wanneer
wanneer zie ik je weer.

 
 
 

De schavuit


Aan de rand van ’t bos, in zomers weideland
genietend van de zon met een rustig kabbelend
riviertje aan z’n zij, dacht hij weer aan de hupse
bloemenfee die telkens in z’n dromen ontstond.
Zo op z’n rug gelegen, één knie opgetrokken en

het andere been nonchalant erover, een biertje
naast hem op de grond, een bloem in de mond,
voet richting hemel, plaagde hij olijk de zon. Ze
lachte om die kerel daar beneden op d’aardkluit.

Een plagende dromende vrijgevochten schavuit?
Blozen zal hij! En zo geschiedde, de hemel stuurde
met een briesje een freule die van de bloempjes
en de bijtjes hield. De schavuit hoorde plots
een zachte stem als uit het niets, knipperde
verbaasd met z’n ogen bij ’t aanschouwen van

’t mooiste bloemenmeisje dat zomaar als in een
droom tot werkelijkheid voor hem ontstond.
Je houdt een bloem in je mond fluisterde ze.
Droom je soms van mij?

De schavuit blozend, zelden van z’n stuk gebracht
stamelde, zich zichtbaar verslikkend in de geheel
naakte schoonheid die voor hem stond, wie ben jij?
Ik ben je droom antwoordde ze lachend.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Daar aan de waterkant


Ik zag je daar zitten aan de waterkant
zo lieflijk zacht en krullend blond
met een gitaar in je ranke hand
strooide jij lenteklanken in het rond

mag ik even bij jou verpozen
sprak deze schalkse herder
dra zet ik mijn reis weer verder
zachtjes weerklonken jouw akkoorden
op je gitaar speelde je love me tender

en op zovele wegen in het leven te gaan
vond een vriendschap hier zijn ontstaan
we konden het met elkaar wel vinden
als schijnbaar o zo zorgeloze kind’ren
in de schaduw van een aloude linde

daar aan die zonnige waterkant
is mijn reis stil blijven staan
ik schrijf je daar nu mijn poëzie
jij brengt er me zachtjes jouw liefdeslied
en heengegaan is het stil verdriet

als je ooit tussen het riet
een blocnote en een gitaar ontwaart
twee mensen dicht bij mekaar ziet,
ze vonden elkaar daar aan de waterkant
in poëzie en een prachtig liefdeslied.

© Hendrik Hoogland

 
 
 

Mijn woorden

Ik geef ze in handen van een ranke zeewind
aan de dauw in ‘t gras en aan klaprozen
ik reik ze aan een meeuw die naar verten klimt
ik geef ze aan de zon in ‘t ochtendgloren
laat mijn woorden als op vleugels reizen

gedragen, zoals in de zachte armen van een kind
breng ze daar waar mijn liefste zich bevindt
vertel haar dat mijn liefde altijd bij zal blijven,
dat alleen zij in m’n levensad’ren kan stromen

langs meren, over bergen en steden
kathedralen zal ik overal voor je bouwen
tot in de weides van verlangen uit je dromen
maar alleen van jouw aanblik zal ik altijd houden

klimmend naar het dak van de wereld
zingend dat ik jou altijd al heb bemind
vertel ik de goden van de bloem en de bij
en dat ik aan jou mijn woorden wil geven,
fluistert het windekind zo zachtjes erbij

mijn liefde voor jou zal eeuwig blijven leven
zoals een bij zijn heerlijkste nectar ontwaart
zoals een vlinder zijn lentebloem de mooiste vindt,
zo blijf, en heb ik jou altijd al bemind.

Adelaar

In een nachtelijke droom verzucht,
als adelaar hoog in de hemelse lucht
langs akkers en over bossen zwevend
zoekende naar aardse levenssporen
die het teken van zijn bestaan geven

gedogen zwevend op eenzame hoogten
ontwarend haarden van stralend licht
speurend naar het warme nest,
van zij die begrijpt en eenvoud bemint,
adelaars hunkerende honger
naar wederzijdse herkenning stilt

sluit me in je innerpraal, vang de adelaar
in de warmte van je lichaamstaal
hij niet meer eenzame hoogten vliegt,
‘t spansel der leegte alleen doorklieft

schenk hem een plaats om te aarden
waar wij samen onze sporen ontwaren
zij aan zij op een verkenningsvlucht
hoog in de azuurblauwe lucht.

©  Hendrik Hoogland  romantische gedichten.

 

Home Over de liefde Romantische Uit het leven Liefdesgedicht Valentijn gedichten Liefdesverdriet Spreuken Over de dood Fotocollage Info Feedback

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 04 augustus 2014