|
.
|
Moeder
Met je ziel boende
je ons geweten tot wat
we behoorden te zijn
en later, toen we alles
beter wisten, gingen
we onze eigen weg
- stiekem kregen we
nog een zegen mee -
nooit geweten dat
zij heeft geweten
dat het nodig was.
© Hendrik Hoogland.
|

| |
Vergankelijk
Verweesd op een schamele stoel
is haar wereld zoals het behang
oud vergeeld vaag en traag
ze hield van bloemetjesmotief
uren kon ze voor zich uitstaren naar
onzichtbaar leven op eentonige muren
zag wat niet meer te zien was, voelde
wat er niet te voelen was
half tot stof vergane fragmenten
van hoe ze ooit sierde als een jonge bloem
voor iedereen leek het of ze op aarde haar tijd
uitgeteld had tot zuchtjes herinneringen
ze hield van bloemetjesmotief
een mooie wereld en weidse vergezichten
met een vage glimlach op haar gelaat
nam ze vrede met alles wat was
stond op en verdween in het behang.
© Hendrik Hoogland
|
|
Storm in een glas water
Droog keek je door me heen, je
zult je dag maar, als was ik een wolk
druppel van niets – en zoals gewoonlijk -
door de jaren heen, zeilden woordloze
blikken het water tot kringen
deinend, over en weer
onveranderlijk en steevast door de
jaren heen, wat later dan, trachtend
de golven tot spiegelgladheid te strijken
streek met de handen door je haren
en als vanouds ging de storm weer
liggen, nog voor hij echt losbarstte
geluk is tastbaar fragiel.
|
Verlaten
Vaak staart ze, enigszins afwezig,
naar de zuidermuur
er woont een koppeltje, merels
wel te verstaan
maar als de zon schijnt,
er geen regen te verwachten valt
aan de lijn het linnen wappert omdat
het nu eenmaal niet anders kan;
dan blijft het akelig leeg in het nest
zo is het hoe ze zich voelt,
vol van leegte
verlaten door wie haar graag zag.
© Hendrik Hoogland.
|
De hoop van morgen
Verhangen naar het tijdloze oogstte ze elke dag de vraagstukken uit ‘t verleden met dat reddeloze van akkers waar geen vreugd meer valt te plukken
erosie kent geen weg terug en wat haar is aangedaan, er zijn geen woorden voor
slechts een schim van wat ooit was overspoelt zonlicht haar schaduw alsnog keert ze de handen om de kracht, de hoop van een nieuwe morgen.
© Hendrik Hoogland.
Verder gaan
We zijn allemaal maar mensen
de ene met een groot, de ander
met een klein verdriet
en of je het nu wel of niet gelooft
wat ons bezwaart moeten we,
- voor we verder gaan -
een plaatsje geven
dan pas kunnen we verder,
anders niet.
© Hendrik Hoogland

Zij is alles
Soms ben je zacht,
zelfs bijna rimpelloos
dan weer woest
bulderend met kracht,
toont ze haar macht
toch kan je me lokken
net als eb en vloed
en wis je zelfs m'n sporen
als ik jou bezoek
je brengt rust, als ik luister
naar je lokkend gefluister
trouw wacht je op mij,
droomt m’n dromen mee
zij, zij is de zee.
Geven en nemen
Je noemt me je allerliefste
al is het, dat ik je vaak plaag.
Maar als we ergens toekomen
neem ik je jas, schuif een
stoel voor je aan.
En wat later, bij het gaan,
hou jij de deur open tot
opperste verbazing alom.
Maar misschien begrijpt
men het niet, al is het echt
niet zo moeilijk.
Liefde is uiteindelijk altijd
al geweest, zoiets als,
een beetje werken aan.
© Hendrik Hoogland
De liefde voorbij
Toen ik je jaren later weer zag
en nog wat later
zomaar, een cadeautje gaf
speelden zich verloren gewaande
filmfragmenten in je ogen af
ik mis je, voorbij, nee dank je
en toch geflatteerd
wel zei ik, geen angst, het is niet
je liefde waar ik naar streef
het is anders dan dat, want
liefde gaat soms voorbij ondanks
alles wat was
het is meer uit warmte
warmte voor jou die altijd bleef
de liefde en onze wegen zijn vergaan
in de herfststormen van ‘t leven
maar zelfs in jouw ogen zag ik, na
al die jaren, de warmte weer gloeien
zoals winter met haardvuur altijd aan.
Alleen
Je voelt je soms verbannen
tot bestaan in alleen staan
al ben je opgewekt in de
mensenmassa opgegaan
toch, voelt het vanbinnen
anders dan je zou willen
ergens dat kil en eenzaam
beseffen zij hun geluk?
velen lopen saam.

Ansichtkaart
In de zachte handpalm van de nacht ontwaken
’s ochtends de huizen als vanouds, tot zo dat schone,
als van een ansichtkaart, hier was het dat
in groenig zomers wuivende gelande, halfweg een
statige kerk en het ouderlijke huis, dat we samen in
de zon, zwaluwen rank en hoog in ’t blauwe zwerk
dat zich hier een eerste prille liefde ontspon, hier was
het dat we onbezorgd door onze jeugdjaren groeiden tot
ieder zijn richting, op zoek naar het juiste levensspoor
ik zei je nooit vaarwel en misschien stuur
ik je op een dag mijn letters van herinneringen
op zo van dat schone, als van een ansichtkaart.
In een brief
Het
geluk waar ik het soms over had...
laten
we het maar als liefde omschrijven
we
spraken er over, hoe dat aanwaaien
komt
als zomersblauwe lucht
zo
langs een pad van witte rozen als loper
uitgerold tot in een zevende hemel
of net
niet,
dat
geluk steeds weer als een ongrijpbare
vlinder
voor je uitvliegt
ik
schreef je dat, weet je nog?
en we
werden eenzaam
eenzaam
omdat we begrepen
wat
geluk hebben betekende
en bevonden
dat al
een groot geluk.
Vluchtig
Vluchtig ontmoette ik een late bloem
wiegend op najaarswinden die op weg
door krimpend weideland een luchtig
geklede zomer ontvoerden
ze leek op een mens in volhardend streven
vervlogen tijden, drang naar lenteleven
doch ter plaatste gekluisterd aan moeder aarde
alsof het levensvuur in haar zichzelf reeds
bluste
terwijl ze naar elke nieuwe dag verlangde en
hoopte op die ene vlinder die nooit doemde
ik legde me naast haar onder d’ herfstlucht
waar
zilveren vogels nog streepjes trokken richting
blauwe oorden en wachtte, wachtte net als zij,
op dat wat niet langskwam.
Duo gedicht
Lentelicht
Eer de nacht zich
omdraait naar dromen
van gisteren
schrijf dan vederlicht
lachende lijntjes
in zacht dons
dat onze uren mist
zie het ontwakend
sterrenlicht
langs het venster
van nu
zo teder vleit de
nacht het lentelicht
in onze handen
van morgen.
Metha (NL) en Ricky (B)

Picture
Verzonken
in vleugjes maanlicht glanst
de
verbondenheid zo tijdloos en mooi
je staart
me aan in het schemerdonker
prevelt
aarzelend dat je naar me verlangt
in mijn
ogen spiegelen vleugjes maanlicht
ik wil je
omarmen vanuit m’n gouden kooi
zachte
vingers bewandelen mijn gezicht
nu je zo
voor me staat wil ik je aanraken
jouw
handen voelen over mijn lichaam
ik wil met
je vrijen en jou beminnen
in
laaiende, allesomvattende zinnen
maar in de
schemering van de kamer
ben ik
slechts
allesoverheersende stilte
een
herinnering aan het voorbijgaande
I’ am just a picture in a frame.
Zo van die
dagen
Er zijn zo van die dagen
dagen dat je liever niet uit
bed wou komen
Dagen van je alléén te voelen
waarin de dag geen einde
lijkt beschoren
Zo van die dagen
er zijn zo van die dagen
dat je liever wou verdwijnen
Dagen dat tranen weer opwellen
en herinneringen
aan betere tijden najagen
Zo van die dagen
er zijn zo van die dagen
afvragend waarom je hier bent
En vandaag had ik weer zo een dag
een dag waarin een tedere knuffel
niet binnen handbereik lag.
© Hendrik Hoogland
|
Verdwaald
in de spiegeling
van
gisteren
zoek ik aan de
vloedlijn
van morgen
wat eens,
het strand
van vandaag was.
Zand
Een zoekende hand
delvend,
tussen schrale korrels zand
vindend
de wortel, levensader van
een halm, die ene houvast
een blik, hoopvolle ogen
kijkend
met de wil tot vasthouden
groeiend ongeloof onmacht
vliedend zand van tussen
tot kom gevormde handen
restend,
een leegte, einder
zonder houvast.
~~~~

Een jonger vrouw
In mij is een jonger vrouw dan ik,
met lichter ogen en smaller handen.
zij staat op kleine gespitste voeten
door mijn ogen naar buiten te zien,
zij kijkt
naar de dagen,
naar licht en naar kleuren.
Ziet alles verwonderd,
ziet alles heel schoon
beiden verlangen we
dat ze kon spreken,
dat zij kon bewegen en leven,
en breken de donkere
die om haar woont.
Ankie Peypers
Momenten
Kom zegt ze, stap in mijn wereld.
En een gezellige dikkerd
door ’t leven niet gespaard
wijst naar haar tuin.
'Hier bloeit alles bijna uit het niets'
en stapt, nu ze het nog kan,
langs bloemen en ‘t kruidenallegaartje
naar een schaduwrijke rustplaats.
Op een bankje in ’t groen genesteld
liggen enkele boeken.
Een steelse wind bespeelt de bladzijden
een gedicht dwarrelt neer.
Eentje van jou zegt ze.
Ergens helpt het me, doorheen het leven.
Mijmerend blikt ze naar geurende lavendel.
Genietend van haar wereld, wegdromend
bij een vlucht overvliegende ganzen in
d’ontluikende schemering.
En ik, ik glimlach.
|
Achter een lach verborgen
Achter een lach verborgen,
roert zich een wereld
van duizend zorgen.
Schuilt een wereld van
niet begrepen worden,
in de hoopvolle armen van
misschien morgen.
In de ogen, drijft waarheid
naakt aan de oppervlakte,
deinen golven als de
stille schreeuw der ziel.
Niemand die ze hoort
niemand die ze begrijpt
niemand die het ziet
niemand die benijdt.
Hoe je om enig begrip,
de lach op het gezicht,
elke dag weer
keer op keer
moeizaam verder strijdt.
© Hendrik Hoogland |
Verlaten oord
Onomkeerbaar galmt
een avondklok vergane
tijd door de nacht
ik richt de schrede naar
een verlaten oord,
mijn thuis
waar niemand wacht
ontberend de groet,
door woordloze
donkerte wadend,
zoek ik het licht
de stilte,
vraagt om verbreking,
jouw stem
die spoorloos is.
Innerwarmte
Hoe ze straalde,
hoe ze ooit met warmte
werd bestrooid.
Hoe haar eeuwig trouw
was beloofd.
Hoe het licht ruilde
voor de duisternis.
Hoe de warmte tot
kilheid vergaan is.
Hoe ze het smachtende
herverlangen ontplooit
hoe ze ooit met warmte
werd bestrooid.
Hoe ze nu als ijsbloem
winter tooit.
Als ik een moment
Als ik een moment jouw spiegeling was
dan kon ik voelen wat jij voelt
de liefde des ware die jij altijd gaf
of hoe je eigen schaduw soms woelt.
Doorheen je tranen de onmacht zien
begrijpen wat jou in het leven verdriet.
Jouw hart heftig voelen bonzen
als het dezes wereld onrecht ziet.
Jou in je gedachten zien verzachten
in het geluk dat je kan verblijden.
Of ontdekken het stilles lijden
voor zelfrespect te strijden als
onmin des ander je ik zijn versmachte.
In de spiegeling die heel jouw zijn bevat
zien mijn ogen jou ‘t leven beleven.
Zie ik zoveel van jouw liefde gegeven
dat ik alleen maar oprecht kan beamen,
met een hart van goud ga jij door het leven.
|
Kristallen lentebloem
Geëtst in een nacht van vrieskou
witte bloemen als breekbaar
kristal op het raam
van een verdwenen zomer
bevroren glinstertranen van wat
eens dauwdruppels waren
in het aangezicht van een lentebloem
de kracht van haar levenspad
door winter in ijzige greep gevat
het leven even vertraagt in tijd
bedekt met een sneeuwwit tapijt
rilt haar mooi maagdelijk gezicht
onder een diffuus avondlicht
doch ze kan en zal niet versagen
dra zal het zonlicht opnieuw
haar kelk met warmte behagen
haar mantel van ijs ontdooien
en haar als ontluikende bloem met
warme lentestralen bestrooien. |
Woorden
Kunnen aanvoelen als het scherp van de tong
toch bedoelt het hart 't dikwijls andersom
de onmacht komt, voelt zeer hard aan
misbegrepen maar toch,
voel aan... voor je 't laat gaan
woorden lijken soms heel anders en koel
vertrouw, ga af op wat je weet en voelt
te snel uitgesproken woorden,
reflecteren niet altijd wat 't hart wil
verwoorden.
Eenzaam samen
Ooit vonden ze elkaar
vlinders zweefden rond
ze versmolten tot
een innig liefdespaar
doch jaren van erosie
hebben hen verwond
mooie dromen tot stoffig
spinrag geweven
door gelatenheid
een
wig gedreven
baarden ze,
een leven naast elkaar
samen, en toch eenzame
dagen gevangen in het web
van het dagelijks bestaan
tracht tanende liefde
de tand des tijds
te doorstaan.
Hijs de zeilen
Aan wrakhout geklampt, dronken van vergane
heroïsche liefdesnachten, ‘t geluk van weleer
genadeloos rijgen dagen zich te pletter
sinds je die druilavond verdween in
‘t aangezicht van een alledaags straattoneel
een jongeling betokkelde z’n beeldfoon
onder neonreclame dorstte een bankje
ouderen pensioen en het kleine vissersdorpje
omdat het wist hoe lief ik je had
huilde,
laat je tranen maar niet gaan
niemand ziet de huizenhoge vertwijfeling
in je achtergebleven ogen staan
hoe je gebinte ook spant en kraakt
de zeilen! hijs de zeilen van ‘t hart
hijs ze hoger dan hoog ten top!
zucht gebroken woorden overboord bevaar
nieuwe wegen, hoon weg de misthoorn
ergens weerklinkt een harp in ’t ruime sop.
Verdronken vlinder
Vervlogen in tijd alweer, die ene zomer,
als een saga, de dingen eruit voortgekomen
herfst staat aan de deur van het niemandsland
een vlinder strijdt, door storm langs verlaten kant,
zoekend de klaproos en vergane roem
doorweekt, hagel, geschut... met gebroken vleugels
stort hij neder in het land van ijzer en wake
op door in het verleden rood gekleurde grond
vervlogen strijders, onzichtbare handen, 't ijzerfront
dragen zorg voor hun volk.. waken, verlaten niet
tillen uitgeputte vlinder tot aan de voet der ijzertoren
waar groeit de klaproos, door vlinders uitverkoren
symbool voor strijd, stormzang, met gebogen hoofd
ontwaart ze haar verdronken vlinder, verdoofd
opent ze nog éénmaal haar zuivere kelk
ontvangt uit schemerhanden de moegestreden vlinder
in haar besloten warmte, haar hartenkelk
om saam, ’s lands stormen te doorstaan
samen één, wachtend op terugkeer van lentepracht
bevrijding, het smachten, ‘t minnen op een lentedag
hun levenskracht komt voort uit elkaar
uit 't land van ijzer en wake
alwaar velen in smarten zijn vergaan
blijft de klaproos en de verdronken vlinder
als mythe er altijd bestaan.
©
Hendrik Hoogland,
gedichten uit het leven.
|