Richtlijnen over  borstvoeding en kunstvoeding

Voor zuigelingen van 0 tot 12 maand

 

    Werkgroep Voeding

    van de Vlaamse Vereniging Kindergeneeskunde

 

In samenwerking met de

Vlaamse Pediatrische Diëtisten

Kind en Gezin

 

Aanbevelingen

1.      Exclusieve borstvoeding gedurende minstens de eerste 4 levensmaanden verdient actieve aanbeveling. Bijvoeding met suikerwater of
kunstvoeding tijdens de eerste levensdagen wordt afgeraden.

2.      Bij exclusieve borstvoeding is bijvoeding vóór de leeftijd van 6 maanden overbodig.

3.      Geef op actieve wijze advies over het hoe en waarom van borstvoeding, en doe dit zowel pre-, peri- als  postnataal.

4.      Leg de nadruk op het belang van frequente voedingen op vraag van de baby gedurende de eerste levensdagen. Een goede begeleiding
met vooral aandacht voor het correct aanleggen van de zuigeling verhoogt de slaagkansen.

5.      Naast de inspanningen die reeds in de kraamklinieken worden geleverd, zijn steunprogramma’s voor borstvoeding nodig zowel in het
onderwijs als binnen de algemene welzijnszorg. 

6.      Werkgevers moeten moeders de kans geven borstvoeding verder te zetten, via flexibele werkuren of andere maatregelen.
Borstvoedingsverlof na het zwangerschapsverlof moet aantrekkelijker gemaakt worden.

7.      In de omgeving van een pasgeborene wordt best niet gerookt, om het even of het kind borst- of kunstvoeding krijgt. Roken is evenwel
geen contra-indicatie voor borstvoeding.

8.      Wie geneesmiddelen voorschrijft aan een zogende moeder, moet rekening houden met de mogelijkheid van een nadelig effect
op het kind via de moedermelk. Voor en tegen zijn in elke situatie af te wegen.

9.      Als de moeder HIV-positief is, een actieve tuberculose heeft, of een andere ondermijnende ziekte heeft (bv. een kanker) is
kunstvoeding aangewezen. Hepatitis B en C zijn geen contra-indicatie voor borstvoeding.

10.  Bij de geboorte wordt aan elk kind vitamine K toegediend. Bij borstvoeding wordt peroraal vitamine K (25 mcg/dag) aanbevolen
zolang de borstvoeding exclusief is. Geen ijzersuppletie bij borstvoeding.

11.  Bij borstvoeding wordt een supplement van 400 IE vitamine D aanbevolen vanaf de geboorte. Kinderen met een donkere huid zijn erg
gevoelig aan vitamine D tekort; bij hen wordt 600 IE aanbevolen.

12.  Kunstvoeding op basis van koemelk is aanbevolen tot de leeftijd van 12 tot 18 maanden.

13.  “Startvoeding” is aangewezen van 0 tot 4 à 6 maand. Van 4 à 6 maand tot 12 à 18 maand zijn de “opvolgvoedingen” aangewezen.

14.  Gepasteuriseerde volle koemelk mag geïntroduceerd worden vanaf de leeftijd van 12 tot 18 maand. Goede diversificatie is
noodzakelijk.

15.  Halfvolle melk is niet aanbevolen vóór de leeftijd van 4 jaar.

16.  Magere melk is steeds ongeschikt.

17.  Wei- of lactalbumine-overwegende startvoedingen worden als “eerste keuze alternatief voor borstvoeding” aanbevolen.

18.  Opvolgvoeding (2e leeftijdsmelk) is aangewezen van 4-6 tot 12-18 maand.

19.  Bij een evenwichtige voeding is “3e leeftijdsmelk” of “groeimelk” overbodig.

20.  Moedermelk is ook de eerste keuze voeding voor prematuren en dysmaturen.

21.  Bij extreme prematuren (< 34 weken) en ernstige dysmaturiteit is het aanbevolen om de afgekolfde moedermelk aan te rijken met
eiwit- en mineraal-supplementen, zolang het kind niet aan de borst kan drinken.

22.  Indien geen borstvoeding gegeven wordt, zijn “kunstvoedingen voor prematuren” het beste alternatief.

23.  De duur van het gebruik van deze voedingen bij prematuren en dysmaturen dient individueel geëvalueerd te worden, in functie van
de graad van prematuriteit en gewichtsevolutie. Daarna wordt een gewone startvoeding of een opvolgvoeding voor prematuren gegeven.

24.  Er zijn onvoldoende argumenten om “opvolgvoedingen voor prematuren” systematisch voor te schrijven aan deze groepen.

25.  Soja-drank (met uitzondering van kunstvoeding voor zuigelingen op basis van soja), rijst-drank en andere vegetarische dranken, al
of niet verrijkt, zijn ongeschikte alternatieven voor moedermelk of kunstvoeding tot de leeftijd van 2 jaar.

26.  Kunstvoedingen op basis van soja zijn aangewezen voor die kinderen die om gezondheids- (zoals galactosemie), culturele of religieuze
redenen (zoals vegetarische levensstijl) geen voeding op basis van koemelk kunnen of mogen krijgen.

27.  Een veganistische voeding is ongeschikt voor kinderen.

28.  Regurgitatie is vrijwel steeds fysiologisch, en behoeft dus geen medische behandeling.

29.  Een geruststellend gesprek bij regurgitatie is fundamenteel.

30.  Het voorschrijven van een “anti-regurgitatie” melk kan een geruststellend gesprek ondersteunen, maar kan dit niet vervangen.

31.  Sterk doorgedreven hydrolysaten zijn de eerste keuze in de behandeling van koemelkeiwitallergie.

32.  Sterk doorgedreven of partiële hydrolysaten kunnen gebruikt worden in de preventie van koemelkeiwitallergie. Volgens een Europese
consensus komen zuigelingen die geboren worden in een huisgezin waar
minstens één eerste-lijns familielid een duidelijk bewezen
atopie heeft, hiervoor in aanmerking.

33.  Voedingen op basis van andere dierlijke eiwitten (geitenmelk, ezelinnenmelk, paardenmelk…), rijstmelk of amandelmelk komen niet in
aanmerking als alternatief. 

34.  Zuigelingenvoedingen op basis van soja kunnen gebruikt worden (1) in geval van weigering van de baby om een hydrolysaat te drinken,
en (2) therapeutisch na de leeftijd van 6 tot 12 maanden.

35.  Semi-elementaire diëten zijn lactose-vrij, bevatten een doorgedreven hydrolysaat en middenlange keten vetzuren, en zijn aangewezen
in de behandeling van enteropathie.

36.  Bij uitzonderlijk ernstige voedingsallergie en persisterende malabsorptie ondanks een semi-elementair dieet, is een voeding op basis van
aminozuren (“elementaire voeding”) aangewezen.

37.  De voedingen in deze rubriek die als behandeling gebruikt worden, zouden net als essentiële geneesmiddelen in aanmerking moeten
komen voor een financiële tussenkomst door het RIZIV.

38.  Klachten zoals huilen, veranderingen in stoelgangsconsistentie, flatus en opboeren vormen in de regel geen indicatie voor een
voedingswijziging.
Er is evenmin een indicatie om aan “preventie” van dergelijke klachten te doen.

39.  Onoordeelkundige veranderingen van voeding zijn niet succesvol, en vergroten bijgevolg de ongerustheid van de ouders, wat tot verdere
medicalisering leidt.

40.  Orale rehydratatieproducten zijn uiteraard aanbevolen bij een acute gastroenteritis; maar de realimentatie gebeurt best met de voeding
die het kind ervoor kreeg.

41.  Er is geen systematische indicatie voor bijzondere voedingen in de realimentatie na een acute gastroenteritis.

42.  Bijvoeding kan gestart worden tussen 4 en 6 maand, en is noodzakelijk na de leeftijd van 6 maand om te kunnen voldoen aan de
toenemende nutritionele behoefte en de normale ontwikkeling.

43.  Dagelijkse sterilisatie van fles en speentjes tot de leeftijd van 6 maand garandeert hygiënisch veilige voeding.

44.  Gebruik bij voorkeur flessenwater “geschikt voor de bereiding van babyvoeding”

45.  Fruitsap dient beperkt te blijven om te vermijden dat het als vervangmiddel van moedermelk of kunstvoeding zou gebruikt worden.

46.  Gebruik geen kruidenthee of andere dranken.

47.  Introductie van bijvoeding rijk aan ijzer vanaf 6 maand

48.  Eventueel suppletie van ijzer tussen 6 en 18 maand bij kinderen met vegetarische eetgewoonten en bij kinderen van Turkse en
(Noord-)Afrikaanse origine (Fer-in-Sol, 10 mg of 0,3 cc/dag)

49.  IJzersuppletie tot 12 maand is aanbevolen bij dysmaturen en prematuren (Fer-in-Sol, 10 mg of 0,3 cc/dag).

50.  Suppletie vitamine D:

400 IE vanaf de geboorte tot 2 jaar indien geen aangepaste kunstvoeding
600 IE tussen geboorte en 5 jaar indien kind met een donkere huid