Frans Clinckaert (1897-1997)

Plaats in afstamming

In memoriam

Uit het tijdschrift "Jezuten", augustus 1997

Hij heeft het niet gehaald. Op 20 juni 1997 is pater Frans Clinckaert in Drongen vreedzaam overleden. Negenennegentig en een half jaar is hij geworden. Hij was de nestor van onze provincie, de enige nog overlevende uit de 19de eeuw: op 24 december 1897 werd hij in Hofstade bij Aalst geboren als negende en jongste van het gezin.
Na de humaniora in Aalst 1911-17 doet Frans een jaar filosofie op het Klein Seminarie van Sint-Niklaas. Zijn priesterroeping neemt een andere wending wanneer hij zich op 26 september 1918 bij de Jezuten aanmeldt te Alken. Na de oorlog verhuist het noviciaat weer naar Drongen, waar hij in 1920 de eerste geloften aflegt. Hij studeert er n jaar klassieke filologie en wordt in Turnhout ingezet als leraar. Voor de filosofie gaat hij naar Vals (Frankrijk). Hij loopt nog een jaartje stage als leraar, nu in Aalst, alvorens in 1927 te Leuven de vierjarige cyclus theologie aan te vatten. Bisschop Coppieters wijdt hem op 12 april 1931 in Gent tot priester. Opnieuw een jaar in het hem vertrouwde Aalsterse college, het derde proefjaar in Drongen 1932-33. Daarna naar de residentie in Lier, waar hij, in 1934 tot huisminister aangesteld, verblijft tot 1939. Twee jaar is hij "operarius", belast met algemene zielzorg, in Turnhout. In 1941 verhuist hij naar het niet zolang tevoren begonnen college te Borgerhout. Xaverius in zijn vaste en geliefde woonplaats gedurende mr dan een halve eeuw.

Nomen est omen. "Clinckaert" doet denken aan "klinckert" of "klinkdicht", een woord dat ten tijde van Vondel en Hooft wel eens gebruikt werd als synoniem (eigenlijk een vertaling) van "sonnet". Denk ook aan "sonate" en wij zijn waar wij wezen moeten. De pater met de welluidende naam was een kunstenaar tot in de toppen van zijn vingers.
Samen met wijlen pater Luc Uten koestert hij een diepe bewondering voor Alfred Ost. Zij spelen het klaar dat de schilder, een beetje op de dool, een tijdlang in huis wordt opgenomen. Zij moedigen hem aan bij het tekenen en schetsen. Wanneer de flamboyante Ost de wanden van het college met zijn machtige taferelen vult, hebben zij voorzeker soms voor inspiratie gezorgd, bijvoorbeeld voor het fresco met de s.j. heiligen en -missionarissen.

Pater Frans had zelf enig grafisch talent, wat ook buiten de strikte kunstbedrijvigheid uitstekend te pas is gekomen. Een vriend van hem, een aannemer, riskeert na de bevrijding last te krijgen. Hij acht het veiliger om met zijn gezin de wijk te nemen naar Spanje. In zijn huis hangen enkele werken van Ost, voor wie hij een meacenas is geweest. En stelt de man bijzonder op prijs: een "Avondmaal in Emmas", een zwarte tekening met pastel ingekleurd. Ingenieurs van Gevaert, eveneens vrienden, slagen erin alle kleuren uit te filteren en een reproductie te maken met alleen het zwart van de tekening. Onze Clinckaert kleurt die zo nauwkeurig mogelijk bij. De kopie wordt in het huis van de aannemer opgehangen en jawel hoor, door het Belgisch Sekwester in beslag genomen, terwijl het origineel de weg naar het buitenland heeft gevonden.

Op het vlak van de pozie heeft hij zich vooral bewogen tijdens en na de laatste Wereldoorlog. Het zijn verzen in de stijl van toen, maakwerk vervaardigd met het oog op muziekbewerking. Aan Jef van Hoof bezorgt hij teksten voor liederen: Morgenliedje, Stapliederen voor de jeugd, reeksen Kruis- en Marialiederen, om er enkele te noemen.

Iedereen heeft wel gehoord van Frans’ passie voor de viool, en hoe hij meende het geheim van de Stradivari te hebben ontdekt. De vioolbouwer Andr van Hoof, familielid van de toondichter, bouwde een instrument volgens de gegevens van Clinckaert. Zo vol en zuiver klonk het, dat de heer Van de Velde, concertmeester van de Antwerpse Filharmonie, er graag op speelde en het vaak in de hand nam bij grote concerten. De "Clinckadarius", de evenknie van de Stradivarius !

Nog in zijn laatste jaren heeft de duizendkunstenaar twee wensdromen gekoesterd, aan de vervulling waarvan hij helaas niet is toegekomen. De eerste was een reis, of liever een pelgrimage naar Cremona, de bakermat van de befaande vioolbouwers Amati, Guarneri, Stradivari. Hetgeen er nog van overschiet van de omgeving waarin ze hadden geleefd en gewerkt, wou hij met zijn eigen ogen aanschouwen, met eigen handen betasten. De tweede droom gold het ontwerpen van een vernieuwd cellotype, zoals hij dat voor de viool had gedaan. Hij was er namelijk van overtuigd dat de celloklank oorspronkelijk lichter uitviel, met als gevolg dat zij bij kamermuziek de vioolpartij niet zo sterk domineerde als nu het geval is. Maar, zoals gezegd, het is bij plannen en eindeloze becijferingen gebleven.

De musicoloog was tevens muziekbeoefenaar. Elk jaar recruteert hij enkele leerlingen die een instrument bespelen. Hij repeteert met hen en vorm een ensemble, zo nodig met de hulp van een collega. Dit ensemble speelt het wijsje dat bij een plechtige prijsuitreiking het afroepen van "de prijs voor uitmuntendheid" luister bijzet. Hij is ook van de partij als het orkest van "Jeugd en Muziek Antwerpen" repeteert en optreedt. Jeugdige spelers waarderen de steun van een vaste, ervaren strijkstok.

Toegegeven, soms raakte zijn artistieke gedrevenheid in disharmonie met de systematische aanpak die het doceren aan de hand van een vastliggend leerplan nu eenmaal vereist. De "Clinck" was meer een bezielde en enthousiaste dan een kritisch-methodische leerkracht, en zijn jongens wisten dat maar al te handig uit te buiten. Met voorgewende belangstelling leidden de lieverdjes van de argeloze pater af van de leerstof naar een zijspoor, een excursie over … de viool, incluis demonstratie en auditie. Wee hun gebeente als hij het doorhad dat ze hem te grazen namen. Hevig was zijn woede, maar van korte duur.

Wat het taalonderricht betreft ging zijn voorkeur uit naar het Duits. Hij verleende zijn medewerking aan zijn ordegenoot Joseph Christelbach bij het opstellen en heruitgeven van diens fel gewaardeerde handboek Duits voor iedereen, met de bij horende Vertaling van thema’s. Bij het lesgeven evenwel speelde zijn geestdrift hem nu en dan parten. En anekdootje mag dat illustreren. In de vijfde klas legt de "Clinck" voor de zoveelste keer een regel uit van de Duitse spraakkunst, niet bepaald een item om jongens te boeien. Een steekt de vinger in de lucht: "Pater, zouden wij niet eens een gedicht lezen ? – Dat kan, het staat ook in het leerplan. – Misschien van Schiller, pater ? – Schiller was een groot dichter, hij leefde … en wg was hij. – Heeft hij geen gedicht geschreven over klokken ? – Zeer juist, Das Lied von der Glocke, een prachtig stuk. De volgende les beginnen we eraan." Knipoogjes her en der in het klaslokaal. De week daarop horen de jongens, zich danig verkleukelend, de commentaar aan die ze het jaar tevoren hebben gekregen. En de goede pater, opgetogen over de leergierigheid van zijn jonge snaken.

Och, dat zijn enkel maar de schaduwkantjes die het eigenlijke portret wat meer relif geven. Dat portret vinden wij treffend geschetst in het getuigenis van een oud-leerling: "Steeds blijk ik de beste herinnering bewaren aan mijn leraat van de toenmalige Vierde Latijnse. Op mij, en ongetwjifeld op velen, heeft hij een duurzaam stempel gedrukt. Hij leerde ons wat standvastig Godsvertrouwen is en wat echte Mariadevotie betekent. Hij leerde ond, ons in te zetten en mr te doen dan gevraagd werd. Hij gaf ons vooral gevoel voor schoonheid en voor idealen die ons leven zijn en richting konden schenken. Wat heeft hij voor ons al niet gedaan waartoe hij niet verplicht was ! Onze klas maakte hij tot een echte gemeenschap die op het college heel wat op gang wist te trekken."

Zijn laatste levensperiode, vanaf 1994, heeft pater Frans doorgebracht in de Oude Abdij van Drongen. Een opgewekte, vrolijkeman. Van onder de borstelige wenkbrauwen flitsen zijn guitige pretoogjes op, telkens als hij herinneringen naar boven haalde, of zijn genegenheid uitsprak voor zijn familie (Nonkel Frans werd hoog in ere gehouden), zijn verzorgsters, zijn huisgenoten. Een kinderljk vrome priester. Een van de laatste woorden die de ei zo na honderdjarige op zijn sterfbed hoorbaar over zijn lippen kreeg, was: "Moeder!". Of bedoelde hij daarmee soms de moeder van de Heer, die hij, licht bombastisch maar diep gemeend, in liedteksten had bezongen : "Dat Maria ons geleide,/ die ten hemel wijst en wekt, / als in ‘t uur van ons verscheiden / hare krans de borst bedekt" ?

Tekst bidprentje:

"Zijn laatste levensjaren heeft pater Frans
met bejaarde medebroeders doorgebracht
in de "Oude Abdij" van Drongen, als oudste
van de Vlaamse Jezueten. Hij was er
de opgewekte, guitige pater, die zijn
genegenheid en dankbaarheid liet blijken
aan al wie hem bezochten of voor hem zorgden.
Hij mocht er terugblikken op een ruime
leerlingen- en vriendenkring in het
Xaveriuscollege te Borgerhout. Toondichters als
Jef van Hoof, schilders als Alfred Ost waren
vrienden en beschermelingen geworden.
Graag vertelde hij over zijn kinderjaren in Hofstade,
zijn eerste vioollessen en later zijn zoektocht naar
het geheim van Stradivari. Voor zijn familie was
hij de gemoedelijke nonkel Frans, steeds bereid om de
huwelijken in te zegenen en de kinderen te dopen.
En van de laatste woorden die hij zijn ziekbed
over zijn lippen kreeg was MOEDER.
Wellicht ook een hulpgeroep naar Maria, moeder van
Onze Heer: in vele liedteksten had hij haar bezongen.

"Dat Maria ons geleide
die ten hemel wijst en wekt
als in 't uur van ons verscheiden
hare Krans de borst bedekt."

muziek: Jef van Hoof - tekst F. Clinckaert s.j."

 


Copyright & webdesign Webbert
Bert Deruyck, St.-Annastraat 10, B9308 Hofstade-Aalst, Belgi.
Tel: (053) 70 44 43.
Email:
bert.deruyck@skynet.be

http://ganesh/clinckaert/biografie/1897fran.htm
Hofstade, 04-12-97.