stam 15 De Weekdieren (Mollusca)

De stam van de weekdieren is de tweede grootste stam van de ongewervelden en bevat ca. 112000 soorten die vooral marien zijn. De bekendste weekdieren zijn de slakken, mosselen en inktvissen.

Overzicht van de stam WEEKDIEREN:

Algemene kenmerken van de weekdieren

1) Een schelp

De mantel bevat veel slijmcellen die een schaal kan uitscheiden. Deze schaal kan bestaan uit vele platen (keverslakken), uit twee schelpen (tweekleppigen), uit één schaal (slakken), uit een inwendige schelp (inktvissen) of uit een tandvormige buis (tandschelpen). Op de figuur is de schaal met een dikke zwarte lijn aangegeven.

2) Een voet

De voet is bij de weekdieren goed ontwikkeld en bezit stevige spieren. Met de voet kunnen de weekdieren kruipen (keverslakken en slakken), graven ( mossels en tandschelpen) of zwemmen (inktvissen). De voet is in de figuur gestippeld aangegeven.

3) Een ingewandzak

Het mesoderm (de laag tussen de epidermis en endodermis) heeft al de ingewanden gevormd en is omgeven door een vlies. Hierdoor ontstaat de ingewandzak. Door de ingewandzak loop de darm die begint bij de mond en eindigt bij de anus. Ook de darm is aangegeven in de figuur 15.1.

4) Een palleale holte of mantelholte

Tussen de ingewandzak en de mantel ligt de mantelholte of palleale holte. In deze holte bevinden zich de kieuwen, en monden de geslachtsopening en de anus uit. De inktvissen en sommige tweekleppigen kunnen door het water uit de mantelholte te persen snel achteruit wegzwemmen. Het is een soort straalaandrijving die zeer korte maar ook zeer hevige reakties mogelijk maakt.

5) Een rasptong of radula

Uniek in het dierenrijk is de radula of rasptong van de weekdieren. Een dergelijke rasptong is nergens anders aangetroffen dan bij de weekdieren. Het is een ideaal werktuig om de taaie algen fijn te malen. Niet alle weekdieren bezitten echter een radula.

klasse 1 De keverslakken (polyplacophora)

Keverslakken of chitons zijn trage dieren die wiertjes afgrazen op rotsige kusten. Als ze gestoord worden, klemmen ze zich stevig vast aan de onderlaag. De chitons zijn gemakkelijk te herkennen aan hun 8 shelpplaten die mooi in elkaar passen als dakpannen en waarrond een schelp-zoom loopt: de gordel. De lichaamsholte waarin de kieuwen gemakkelijk zichtbaar zijn, loopt rondom het lichaam onder die zoom (zie fig 15.4). De voet scheidt net zoals de slakken slijm af.

De chitons hebben een beter ontwikkeld bloedvatstelsel dan de snoerwormen. We herkennen hier duidelijk een pomporgaan, het hart, en wijd vertakte bloedvaten. Ze bevatten eveneens nieren die de stikstofhoudende afbraakprodukten in een zak deponeren, die uitmonden in de lichaamsholte links en rechts van de anus.

De eicellen en zaadcellen worden in het water gedeponeerd waar ze bevrucht worden en uitgroeien tot een trochophore larve. Dit is een bolronde larve die een maag en een darm bezit die buiten uitmondt via een anus. De larve heeft ook een uitscheidingsstelsel met vlamcellen. Op fig 15.5 zien we de ontwikkeling van de larve van zwemmende larve met voet A over vastgehechte larve met beginnende schelp B tot prille chiton C

klasse 2 De tandschelpen (scaphopoda)

Een kleine klasse van weekdieren die ook wel grafvoeten worden genoemd omdat ze ingegraven in het zand leven. De schelp heeft de vorm van een olifantstand. Het smalle uiteinde steekt uit het zand en heeft openingen waardoor water wordt aangezogen. Ze hebben geen kieuwen, maar de mantel waarlangs de waterstroom passert doet dienst als ademhalingsorgaan. De kop is weinig ontwikkeld en is omgeven door uitsteekbare draden die fungeren als zintuigen en die behulpzaam zijn bij het vangen van de prooi. Aan de kop bevindt zich de stevige graafvoet en ze bezitten eveneens een radula.

klasse 3 De tweekleppigen (bivalvia = lamellibranchia)

De klasse van de tweekleppigen is een voornamelijk mariene klasse (slechts enkele soorten leven in zoet water). Kenmerkend is dat het dier beschermd wordt door twee schalen die in elkaar passen en die scharnieren aan het slot. Van de tweekleppigen kennen we vooral de mossel en de oester waarvan we dan voornamelijk de smaak kennen. Het zijn dieren die voornamelijk vastzittend leven, maar er zijn ook enkele soorten (zoals de St Jakobsschelp) die d.m.v. een straalaandrijving snelle zwembewegingen kan maken.

Kenmerken

1) De schelp

De twee kleppen van de schelp zijn aan de rugzijde verbonden door een elastische band, de slotband of het ligament. Aan de rugzijde voor het ligament ligt de bolle schelptop of umbo. Dit is het oudste deel van de schelp. Naarmate het dier groeit, scheidt de mantel achtereenvolgens de verschillende zomen van de schelp af, die elk weer verder reiken dan de vorige. Daardoor ontstaan een aantal concentrische groeistrepen. De schelp bestaat uit drie lagen: de dunne donkere buitenste laag die de schelp tegen het in water opgeloste koolzuur beschermt. Daaronder ligt de dikke prismalaag die uit calciumcarbonaat kristallen bestaat die loodrecht op de schelp oppervlakte zijn afgezet. De binnenste parelmoerlaag bestaat ook uit calciumcarbonaat kristallen in dunne blaadjes die evenwijdig aan de oppervlakte zijn afgezet.

De mantel kan een parel afscheiden als afweer tegen het één of andere vreemde lichaam, gewoonlijk een parasiet, zoals het larvestadium van een trematode (trilhaarworm). Wanneer een larve of een zandkorrel op het mantelepitheel blijft vastzitten, vormt het epitheel rondom dit vreemde voorwerp een zakje en kapselt het in door afscheiding van concentrische lagen parelmoer.

Normaal gapen de kleppen door de elasticiteit van het ligament. Wil een tweekleppige zijn schaal sluiten, dan heeft hij hiervoor twee zeer sterke sluitspieren. Zo kan een mossel zich een tijdje beschermen tegen uitdroging of tegen belagers.

2) Beweging

Vele tweekleppigen hechten zich aan rotsen met vele draden die uitgescheiden worden door een klier (byssus). Deze draden vormen de zogenaamde baard van de mossel. Er zijn echter ook veel tweekleppigen die in het zand leven en die zich verplaatsen met behulp van hun graafvoet. Eerst wordt de puntige voet naar voren gestoken en verankerd door zwelling van het vrije uiteinde (door toevoer van bloed naar de voetholte). Vervolgens trekken de spieren samen, waardoor het lichaam naar voor wordt getrokken.

3) Voeding & ademhaling

Tegen de twee kleppen kleeft de mantel van de mossel. Aan de rugzijde liggen de ingewanden en daaronder, tussen de mantel hangt de voet, in de mantelholte. Links en rechts van de voet hangen de kieuwen. Aan de achterzijde is de mantel niet volledig dicht, maar heeft hij twee openingen; de gekartekde instroomopening en de ronde uitstroomopening. De kieuwen dragen microscopische porieën en zijn bedekt met trilhaarepitheel. Door de trilhaar beweging ontstaat er een waterstroom van instroomopening via de poriën door de kieuwbuizen naar de uitstroomopening. De mossel is dus een aktieve filteraar die gemiddeld 2,5 liter water per uur filtert.

In de waterbuizen lopen de bloedvaten en vindt de gaswisseling plaats. De waterbuizen lopen naar boven en monden uit in de kieuwgangen die het water tot bij de uitstroomopening brengt.

De zware deeltjes zoals zand bezinken in de mantelholte waar ze door trilhaartjes worden uitgestoten. De lichte (organische) deeltjes blijven aan het slijm kleven dat door de kieuwen afgescheiden wordt en worden eveneens door trilhaartjes tot bij de mondlappen gebracht. Hier wordt nogmaals gesorteerd zodat alleen de organische deeltjes de mond bereiken. Er is geen radula omdat alleen de kleine deeltjes tot bij de mond geraken. De mossel heeft een maag en een

darm die door het hart gaat. Het verteerde voedsel wordt uitgescheiden via de anus die bij de uitstroomopening ligt. Er is ook nog een uitscheiding via de nier zodat ook de afbraakprodukten het lichaam kunnen verlaten.

 

4) Het bloedvatstelsel

Het bloedvatstelsel van de tweekleppigen is een open systeem met grote bloedvaten die in verbinding staan met onregelmatig gevormde bloedruimten (sinussen) in de weefsels. Wanneer de grote sinus in de voet zich met bloed vult, is de zwelling van de voetpunt van betekenis bij de voortbeweging. Het hart bestaat uit twee boezems waarin het bloed verzameld wordt en één krachtige kamer die het bloed verder pompt. Vanuit de sinussen stroomt het kleurloze bloed naar de aderen en vandaar terug naar het hart. Het bloed is kleurloos omdat het geen hemoglobine, maar amoeboïdale cellen bevat.

5) Het zenuwstelsel

Het zenuwstelsel is vrij primitief bij de tweekleppigen. Ze hebben geen kop en slechts drie paar zenuwknopen. Toch hebben ze zintuigcellen die gevoelig zijn voor licht, aanraking of chemische stoffen die de mossel doen reageren (vb voet en mantel intrekken zodat de schelp gesloten wordt).

6) Voortplanting

De tweekleppigen zijn van gescheiden geslacht en planten zich uitsluitend geslachtelijk voort. De mannetjes hebben gelobde gonaden in de voet die uitmonden aan de uitstroomopening. Ze lozen hun zaad dan ook vrij in het water. Bij de zoetwatermossel komt het zaad met het instromende water binnen bij de vrouwtjes, passeren de kieuwporiën en worden binnen de kieuwzakken vastgehouden, waar de bevruchting plaatsvindt. De zygote (bevruchtte eicel) ontwikkelt zich in de kieuwzakholte tot een tweekleppige larve die glochidium genoemd wordt. Aan de rand van de schelpkleppen bezit glochidium schepre tanden waarmee het zich aan de kieuw van een vis kan vastbijten. Op de kieuwen van de vis parasiteren ze een tijdje tot ze loslaten en zelfstandig gaan leven. Bij de mariene mosselen werpen ook de vrouwtjes hun eieren in het water en de bevruchting heeft dus in het water plaats. Daarbij ontstaat eerst een trochophora en daarna een veliger larve (zie slakken).

klasse 4 De slakken (gastropoda)

180° gedraaid

In figuur 15.13 is schematisch de evolutie weergegeven van de draaiïng van het lichaam van de slak. Een hypothetische primitieve slak (A) heeft een recht darmkanaal, ingewanden, zenuwen,...

Figuur (B) geeft een hypothetische tussen-ontwikkeling weer waar het lichaam 90E gedraaid is t.o.v. de voet en de kop. Nog een stadium verder ontstaat de oude slak (Archaeogastropode) (C) waarbij het lichaam 180E gedraaid is. Door die draaiïng worden sommige ingewanden zodanig benadeeld dat ze veel minder ontwikked raken.

Indeling

Voor de leek bestaan er twee soorten slakken: de huisjesslakken die hun huis op hun rug meedragen, en de naaktslakken die geen huis of schaal hebben. Voor de wetenschappelijke indeling kijkt men echter naar de plaats van de kieuwen t.o.v. het hart. Ofwel staan de kieuwen voor het hart (prosobranchia) (alleen bij huisjesslakken) ofwel achteraan (ophistobranchia), ofwel hebben ze geen kieuwen maar een long (pulmonea). Er zijn meer dan 80.000 soorten slakken bekend. meer dan 60% zijn marien. Niet mariene slakken zijn de longslakken (pulmonea); ze leven op land of in zoet water. Bij de prosobranchia is de evolutie van de draaiïng zeer belangrijk. De oude slakken hebben nog alle organen gepaard; weliswaar is er slechts één volledig ontwikkeld, maar de tweede is nog aanwezig. Bij de recentere (meso & neogastropoda) (D) ontbreken de niet ontwikkelde organen. Ze hebben slechts één kieuw en één nier. De opisthobranchia (E) hebben hun bouwplan merkelijk gewijzigd. Hun lichaamsholte is naar de zijkant verhuisd, de anus mondt uit aan de achterkant van de lichaamsholte en de zenuwbanen zijn ontknoopt. De prachtige naaktslakken vinden we in deze orde terug. De longslakken (F) hebben hun lichaamsholte omgevormd tot een long en de kieuw is uiteraard verdwenen. Het weefsel aan de wand van de lichaamsholte is namelijk enorm talrijk aan cappilairen zodat er een gaswisseling kan plaatshebben.

Buiten de stand van de kieuwen en het lichaams bouwplan is de schelp van een slak ook een zeer belangrijk kenmerk. Bij malcologen (schelpspecialisten) zijn dikwijls enorme verzamelingen van verschillende soorten schelpen te zien. Aan de hand van de schelp kan meestal exact gezegd worden welk dier hierin geleefd heeft.

Ook bij de evolutie van de veliger larve (het kruipende larvestadium van de slakken) is de draaiïng te zien. Oorspronkelijk heeft de darm een bocht naar boven, maar door 180E te draaien komt nu de anus op de rug, boven de kop te liggen. Deze positie is beter geschikt als het lichaam in een schaal met slechts één opening moet leven.

(1) mond, (2), tentakels, (3) ogen, (4) radula, (5) cerebrale ganglion, (6) pleurale ganglion, (7) pedale ganglion, (8) voet, (9) operculum, (10) parintale ganglion, (11) viscerale ganglion, (12) gonade, (13) afscheidingssysteem, (14) darm, (15) anus, (16) pericardium, (17) hartkamer, (18) hartboezem, (19) kieuwen, (20) osphradium, (21) long, (22) mantelholte, (23) copulatie orgaan.

De naaktslakken

Een bijzonder mooie verschijning zijn de mariene naaktslakken. Ze dragen zeer mooie en opvallende kleurtekeningen die als waarschuwing dient voor roofdieren: " Bah ik smaak zeer slecht en ben giftig! ". We onderscheiden twee soorten naaktslakken. De vlokkige zeenaaktslakken die bedekt zijn met een tapijt van franjes. Deze franjes zijn de kieuwen van de vlokkige zeenaaktslak en ze bevatten bovendien de netelcellen van de neteldieren (poliepjes) die ze afgegraasd hebben. Een soort recycling dus. De andere naaktslakken herkennen we aan hun trosje kieuwen van 5 geveerde tentakels dat op hun achterlijf in de stroming wiegt. Aan dit trosje kieuwen kunnen we met zekerheid de platwormen van de naaktslakken onderscheiden. Let wel: bij gevaar worden de kieuwen ingetrokken. Een opvallend verschil tussen de naaktslakken en de huisjesslakken is de eiersnoeren. Naaktslakken leggen een spiraalvormig opgewonden ketting van duizenden eitjes die aan elkaar kleven terwijl de huisjesslakken een soort regelmatige sponskoek maken van hun eieren.

klasse 5 De inktvissen of koppotigen (cephalopoda)

De inktvissen ofwel de koppotigen zijn de intelligentste ongewervelde dieren. Het is bekend van de inktvissen dat ze leren uit de fouten die ze maken. Ze hebben een bijzondere lichaamstaal met kleurpatronen. Hun huid is bedekt met pigmentcellen. Er zijn verschillende kleuren van pigmentcellen zodat het vergoten of verkleinen van de cellen van een bepaalde kleur een kleurverandering van het hele dier veroorzaakt. Deze kleurverandering kan zeer plots zijn maar ze kan ook golvend zijn. Het kleurpatroon van een inktvis zegt iets over zijn gemoedstoestand: angst, uitputting, afschrikking, rust, onopvallend of ... interesse om te paren. De inktvissen hebben zeer goed ontwikkelde ogen die de vergelijking met een mensenoog best kunnen doorstaan.

We onderscheiden de achtarmigen of oktopussen en de tienarmigen. De oktopussen hebben acht armen van ongeveer dezelfde lengte terwijl de tienarmigen acht gewone armen hebben, en twee extra lange vangarmen. Bij de tienarmigen onderscheiden we de sepia's of zeekatten en de pijlinktvissen. Inktvissen eten voornamelijk krabben. Om de harde schaal te kunnen breken hebben ze een soort papegaaiebek in de mondopening, midden tussen hun vangarmen. Achter deze bek bevindt zich de radula.

De sifo of uitstroomopening van de mantelholte is bij de inktvissen een buis die als jetaandrijving werkt bij een snelle vluchtreaktie, die gepaard gaat met een inkt lozing in de mantelholte. Het slijmerige inkt blijft hierdoor ter plaatse zodat een aanvaller denkt dat de inktvis enkel van kleur verandert is. De sifo kan gericht worden zodat de inktvis zijn vluchtweg zelf kan bepalen. Om aan de grote zuurstof behoefte hiervoor te kunnen voldoen moeten de grote kieuwen goed doorbloed worden. De inktvissen hebben dan ook voor elke kieuw een extra hart wat het aantal harten van een inktvis op drie brengt (één normaal en twee kieuwharten). De voortplanting bij de inktvissen is een bijzonder gebeuren. De acht of tien armen worden in elkaar geknoopt en het mannetje legt een sperma pakketje in de speciale groeve van de daarvoor voorziene arm en brengt het in de geslachtsopening van het vrouwtje in haar mantelholte. Het koppeltje blijft bij elkaar tot al de eieren uitgekomen zijn en veilig verpakt weggehangen. Bij de oktopussen blijft het vrouwtje de eieren verzorgen door er vers water over te blazen (om algengroei te voorkomen) tot ze uitkomen. Al die tijd eet het vrouwtje niet zodat ze na deze broedzorg sterft van uitputting en verhongering.

Philippe Mertens ***I Yellow Diving School


Enkele interessante sites op internet:

·         http://www.austmus.gov.au/science/division/invert/mal/forum/phylpust.htm 

·         http://www.pictonb.freeserve.co.uk/nudibranchs/food.html 

·         http://www.pictonb.freeserve.co.uk/nudibranchs/anatomy.html 

terug naar het hoofdmenu

terug naar overzicht van het dierenrijk