Stam 1 Sponzen (porifera)

Sponsen zijn voornamelijk in zee levende, vastzittende dieren met een regelmatige vorm (sommige soorten zijn echter wel veranderlijk van vorm). Slechts enkele soorten komen voor in zoet water. Sponsen bezitten geen mond, geen spijsverteringsstelsel en hebben geen waarneembaar zenuwstelsel. Een spons bestaat meestal uit een verzameling cellen, die niet samen geordend zijn tot organen of weefsels. Ze omvatten een systeem van kamers en kanalen, die door middel van poriŽn met de buitenwereld in verbinding staan. De cellen liggen meestal in een geleiachtige massa, die wordt ondersteund door een skelet, bestaande uit kalk- of kiezelnaalden (= spicula). Deze spicula kunnen tot een fijn traliewerk samengevlochten zijn. Diverse soorten bezitten dit skelet niet maar verkrijgen hun stevigheid door een fijnmazig netwerk van sponginevezels. (Spongine is een chemische stof die nauw verwant is aan zijde.) De grondvorm van een spons is in het eenvoudigste' geval een zak die aan de buitenkant bedekt is met afgeplatte cellen, de dekcellen, die aaneensluiten. De inwendige holte is bekleed met kraagcellen, die voorzien zijn van een zweephaar. Door het slaan met deze zweepharen bewerkstelligen de kraagcellen een waterstroom die binnenkomt langs de poriŽn, naar de centrale holte wordt gevoerd en door de uitstroomopening weer naar buiten vloeit. De kraagcellen houden de voedseldeeltjes vast en verteren ze of geven ze door aan andere cellen, die voor de vertering zorgen. De waterstroom kan worden vertraagd of versneld door samentrekken of uitstulpen van de poriŽn. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plankton en organisch afval (detritus).

 

Indeling:

De indeling van de sponsen gebeurt aan de hand van de bouw van de skeletnaalden. We onderscheiden 4 klassen :

Kenmerken:

Eenvoudige bouw, uitstroomopeningen zichtbaar, zacht en plooibaar

vormen:

types:

 

Bouw:

  1. Hol lichaam, voorzien van microscopische instroomopeningen en zichtbare uitstroomopeningen.
  2. Binnenkant bekleed met kraagcellen (cellen, voorzien van een zweephaar) of choanocysten die de waterstroom door de spons veroorzaken. De kraagcellen kunnen voedsel vangen.
  3. Naargelang de plaats waar de kraagcellen zich bevinden onderscheiden we het Ascon-, Sycon- en Leucon type.
  4. Skelet van naalden (spicula) van kalk, kiezelzuur of hoorn dat stevigheid geeft aan de spons. Naargelang de naalden worden de sponzen ingedeeld in kalk, glas en hoornsponzen. De naalden bevinden zich in de gelei-achtige massa tussen de buitenste en binnenste cellaag.
  5. Weinig verschillende soorten cellen:

Voeding:

De spons is een aktieve filteraar; aktief omdat ze een inspanning doet om de waterstroom te bekomen (pomp) en filteraar omdat ze het zwevende microscopische plankton uit het water filtert d.m.v. kraagcellen. Deze kraagcellen nemen ook zuurstof op uit het water. Dit microscopische plankton bestaat voornamelijk uit diatomeeŽn; ťťncellige wiertjes. De instroom openingen zijn zeer klein om te voorkomen dat de spons zou verstoppen. Toch kan de spons niet voorkomen dat er binnenin algen samenklitten tot een vlies dat de voedselvoorzienng in gevaar brengt. Daarom zien we soms slangsterren in de spons om ze te reinigen.

Voortplanting:

1) Geslachtelijk

Sommige mesenchymcellen slaan reserve voedsel op en groeien uit tot eicellen; andere mesencymcellen vormen spermatozoÔden. Sommige sponzen zijn tweeslachtig (Hermafrodiet). De spermatozoÔden worden in de waterstroom gebracht en kunnen dan bij een vrouwelijke spons terecht komen. De bevruchtte eicellen ontwikkelen zich tot larven met zweepharen. Na enige tijd verlaten ze de moederspons en zwemmen rond om een vasthechtingsplaats te zoeken. Eens vastgehecht keren de zweepharen naar binnen en groeit de larve uit tot een nieuwe spons.

2) Ongeslachtelijk

Relaties met andere dieren:

Vijanden:

Sponzen staan voornamelijk op het menu van de sommige naaktslakken (gťťn vlokkige). Elke naaktslak heeft haar specifieke spons op het menu staan vb dalmatieŽrslak eet steenspons, doris eet badspons,...

De grootste vijand van de spons is het zand (verstopt de poriŽn) en de algen ( groeien op de spons indien er veel zonlicht bij kan en verstoppen dus ook de poriŽn).

Symbiose:

Sponzen leven dikwijls in symbiose met de worm eupolymnia die de filterverstoppingen van de spons wegpeuzelt. kleine slangsterretjes of galathea kreeftjes die de algenbegroeiing in de spons of de verstoppende eetbare deeltjes wegnemen. Deze bewoners komen 's nachts uit hun spons om een frisse neus te halen

Andere relaties:

In vele bekersponzen verstoppen zich kleine visjes(5), garnalen(3) of slangsterren(4). De spons is een groot filter dat kan verstoppen door grote organische deeltjes. Deze deeltjes dienen als voedsel voor de symbiotische partner. Op deze manier blijft het sponsfilter zuiver en blijft de spons in leven.

Het tweekleppige weekdier Ark van Noach(1) bedekt zich steeds met de rode korstspons als camouflage.

Op sommige sponzen groeien korstanemonen(2)

Philippe Mertens ***I Yellow Diving School


terug naar het hoofdmenu

terug naar overzicht van het dierenrijk