stam 2 Neteldieren (cnidaria)

Neteldieren zijn vooral mariene dieren (Slechts enkele soorten komen voor in zoet water). Binnen de stam komen 2 verschijningsvormen voor: de vrijlevende medusen (uitzondering : de steelkwallen) en de vastzittende poliepen (uitzondering : de staatskwallen) die meestal in kolonies leven. Neteldieren zijn variabel in vorm, maar in principe hebben ze alle dezelfde grondvorm : rond een centrale as is een symmetrisch zakvormig lichaam opgebouwd. Het lichaam bezit een centrale maagholte (= gastrale holte). De lichaamswand bestaat uit 3 lagen : een binnenste cellaag (= endodermis) en een buitenste cellaag (= epidermis of ectodermis) met daartussen een celarme, geleiachtige laag (= mesogloea). De enige opening naar astrale holte dient zowel als mond als anus. De mondopening (anus) is omringd door ÚÚn of meerdere rijen tentakels die de netelcellen (= nematocysten) bevatten. In de netelcellen ligt als het ware een opgespannen spiraalveertje dat bij aanraking van een gevoelig uitsteeksel in de epidermis), met kracht naar buiten vliegt en in, op of rond de prooi terechtkomt. Door de ontspannen draad vloeit gif die de prooi verlamt.

Poliepen en medusen zijn door een generatiewisseling met elkaar verbonden. Bij sommige groepen is het medusestadium echter gedegenereerd of ontbreekt volledig, anderzijds zijn er kwallen waarbij het poliepenstadium ontbreekt. Sommige poliepsoorten planten zich voort door knopvorming en/of op geslachtelijke wijze. Kolonievormende poliepen (zoals bijvoorbeeld de hydro´dpoliepen) planten zich ongeslachtelijk voort door knopvorming afsnoering van een meduse. Deze medusen planten zich echter wel geslachtelijk voort en brengen een larve (planulalarve) voort waaruit een nieuwe poliep ontstaat.

Bij de schijfkwallen treedt eveneens een generatiewisseling op. Uit de bevruchte eicel ontstaat een planulalarve, die zich na verloop van tijd op de bodem vastzet waar ze zich ontwikkelt tot een poliep. Door afsnoering worden aan de lopende band larven (ephyrae) geproduceerd die zich ontwikkelen tot echte kwallen.

Zeeanemonen planten zich voort door zich in tweeŰn te delen of door geslachtelijke voortplanting waarbij de bevruchte eicel of zygote zich tot een planulalarve ontwikkelt, zich vastzet en tot een zeeanemoon uitgroeit.

Kenmerken:

1) Netelcellen

Een eerste verschil met de sponzen is dat de neteldieren een verdedigingsmiddel gevonden hebben: netelcellen. Naast de gewone dekcellen zitten aan de buitenkant van het neteldier netelcellen die gebruikt worden als verdediging (vijanden afschrikken) maar ook als aanvalswapen (prooidieren vangen). Een netelcel betaat uit een gevoelig uitsteeksel of cnidocyl dat de minste aanraking voelt, een spiraalvormig opgewonden draad met gif gevuld die in de prooidieren geschoten wordt, een dekseltje dat de netelcel afsluit zodat er altijd een overdruk in de netelcellen aanwezig kan zijn.

Rondom de netelcel liggen contractiele vezels die sterk samentrekken als het gevoelige uitsteeksel aangeraakt wordt. Daarop neemt de druk in de netelcel sterk toe en ontploft de netelcel; de draad schiet naar buiten en het gif wordt in het slachtoffer gespoten.

2) Twee-lagen struktuur

Ieder neteldier heeft een zakvormig bouwplan. Een doorsnede van de wand laat duidelijk een buitenste en een binnenste cellaag: epidermis en endodermis. Tussen deze lagen bevindt er zich een gelei-achtige massa. Bij de kwallen is deze gelei achtige tussenlaag zo dik dat ze, aangespoeld op het strand ook lijken op geleihoopjes.

 

3) Zenuwstelsel en spieren

In de gelei achtige tussenlaag vinden we ook een zenuwnetwerk dat bij de sponzen nog niet aanwezig was. Ze hebben ook zintuig cellen die doen denken aan de gevoelszenuwen in onze huid. Sommigen hebben ook een primitief evenwichtsorgaan. Door het zenuwstelsel is er een co÷rdinatie mogelijk en kunnen spieren bevolen worden. De neteldieren hebben zowel langsspieren (in de lengte richting) als kringspieren.

4) Gastrale holte

Sponzen waren duidelijk gemaakt om zeer kleine deeltjes uit het water te filteren; neteldieren zijn volledig aangepast om grotere dieren te vangen en te verorberen. Ze hebben spieren en netelcellen om ze te vangen, maar ook kliercellen om ze te kunnen verteren. Dat maakt dat de lichaamsholte nu niet meer een met water gevulde holte is, maar een primitieve maag: de gastrale holte. De gastrale holte is zo groot als het neteldier zelf dat iedere cel dicht bij de voedselbron ligt. In de gastrale holte liggen enkele netelcellen om gevangen prooidieren binnen te houden en cellen met zweepharen om een waterstroom in de gastrale holte te bekomen. Deze waterstroom is nodig om zuurstof in de gastrale holte te brengen.

 

5) Generatiewisseling

Bij de neteldieren komen twee stadia of levensvormen voor: het vastzittende poliepstadium en het vrij zwevende medusestadium (kwal-stadium). Twee kwallen planten zich geslachtelijk voort; ze produceren een bevruchtte eicel. De bevruchtte eicel zet zich vast op de bodem en groeit uit tot een poliep. De poliep zal zich ongeslachtelijk voortplanten door kleine bloempjes af te snoeren; de jonge kwalletjes. De afwisseling van meduse en poliepstadium noemt men de generatiewisseling en kenmerkt de neteldieren.

Overzicht van de stam NETELDIEREN:

Hydro´dpoliepen of Hydrozoa

  • Hydro´dpoliepen of Hydrozoa die normaal gezien een generatiewisseling hebben (het medusestadium kan echter gedegenereerd zijn. ook de poliepengeneratie kan ontbreken zoals bij de staatskwallen. De meeste hydro´dpoliepen zijn kolonievormend (Plaat 12, fig. 1-3). Vb. : Zeedennetje, Zeecypres, Haringgraat, Gorgelpijp.
  • Staatskwallen vb het portugese oorlogschip

Kubuskwallen of Cubozoa : kleine, meestal tropische kwallen waarvan de klok de vorm heeft van een kubus met afgeronde ribben. Ze kunnen zeer heftig netelen en ernstige brandwonden veroorzaken. Som treden er zelfs verlammingsverschijnselen op (Plaat 12. fig.7). Vb. Zeewesp, kubuskwal

Schijfkwallen of Scyphozoa : neteldieren met een generatiewisseling van poliepen die zich door knopvorming vermenigvuldigen en van kwallen die de geslachtscellen produceren (Plaat 12, fig. 4-6). Vb. : Oorkwal, Zeepaddestoel, Kompaskwal

Deze 3 besproken klassen worden binnen de stam van de neteldieren (Cnidaria) ondergebracht in de onderstam Medusozoa. De volgende 2 klassen worden ondergebracht in de onderstam bloemdieren of Anthozoa. Bij de bloemdieren bestaat alleen de poliepvorm. De dieren leven zowel solitair als in kolonies. De gastrale holte wordt door middel van tussenschotten in 6 (= hexa) of 8 (= octo) "kamertjes" verdeeld.

Zes-stralige bloemdieren of Hexacorallia

  • Orde korstanemonen of Zoanthiniaria : kleine, op zeeanemonen gelijkende dieren. ze hebben geen voetschijf, maar zitten met hun van onderen puntige lichaam vast in het substraat Vb. : Gele korstanemoon
  • Orde zeeanemonen of Actiniaria : vastzittend met behulp van een hechtschijf. Ze kunnen zich echter hiermee wel verplaatsen. De dieren zijn meestal van gescheiden geslacht.Vb. : zeeanjelier, Zeedahlia, Paardeanemoon, wasroos,
  • Orde steenkoralen of Scleractinia : de "echte" koralen. Het zijn meestal kolonievormende dieren die op dezelfde manier gebouwd zijn als de zeeanemonen. Ze onderscheiden zich van deze laatsten doordat de voetschijf een skelet afscheidt (Plaat 10). In iedere poliep komen symbiotische algen voor (= zo÷xanthellen) die een belangrijke rol vervullen. De zo÷xanthellen scheiden namelijk zuurstof en koolhydraten af die de poliepen Gebruiken voor hun eigen_ stofwisseling, terwijl de algen gretig gebruik maken van de door de koralen aangemaakte kooldioxyde en andere afvalstoffen.Vb. : Hersenkoraal, Zwamkoraal, Hertshoornkoraal.
  • Orde Corallimorpharia : poliepen bezitten geen hard skelet. De tentakels hebben een knobbelvormige top.
  • Orde cylinderrozen of Ceriantharia : op zeeanemonen gelijkende solitaire poliepen die in een uitgescheiden slijmige buis in de zeebodem staan.
  • Orde doornkoralen of Antipatharia: kolonievormende koralen die in hun groeiwijze sterk op gorgonen lijken. Uiterst kleine poliepen. Vb. : Zwart koraal

Acht-stralige bloemdieren of Octocorallia

  • Orde Stolonifera: kleine, kruipende octocorallia die in tropische ondiepe wateren leven
  • Orde Telestacea: opzij gerichte poliepen op een enkele of vertakte steel.
  • Orde leerkoralen of Alcyonacea: de intrekbare poliepen liggen ingebed in de massa van de kolonie. Het skelet van de kolonie bestaat uit kalkachtige spiculae waardoor de kolonie enigszins zacht en buigzaam aanvoelt (Plaat 13, fig. 1 en 2). Vb. : Dodemansduim
  • Orde Coenothecalia: een orde die slechts 1 soort omvat, namelijk het blauwe koraal Heliopora coerulae. De kolonie bezit een hard kalkskelet met blauwachtige kern.
  • Orde hoornkoralen of Gorgonacea: intrekbare poliepen die ingebed liggen in een kolonie die bestaat uit een centraal skelet, opgebouwd uit gorgonine, een hoornachtige stof .
  • Vb. : Bloedkoraal, Gele gorgoon, Witte gorgoon.
  • Orde zeeveren of Pennatulacea : veervormige kolonies met een hoornachtig of kalkachtig skelet (Plaat 14, fig. 1 en 2). Vb. : Lichtende zeeveer, Grijze zeeveer, stekelige zeeveer,

Voortplanting:

Het voornaamste kenmerk bij de voortplanting is de generatiewisseling. Een ander kenmerk is het vormen van kolonies; door ongeslachtelijke voortplanting copieŰrt een poliep zichzelf zodat er een hele verzameling van poliepjes ontstaat; een poliepenkolonie. Bij sommige neteldieren is het ene stadium vrij uitgesproken en het andere zeer onopvallend of zelfs ontbrekend (zes- en acht-stralige bloemdieren) zodat we niet altijd kunnen zeggen welke poliep bij welke meduse (kwal) hoort. Bij de hydro´dpoliepen hebben we daarom een naam voor het poliepje en ÚÚn voor de meduse. De levenscyclus van obelia zien we op de figuur 2.5 weergegeven.

Bij hydro´dpoliepen zien we soms een arbeidsverdeling optreden in hun kolonie; we zien dan afzonderlijke voortplantingspoliepen, verdedigingspoliepen en voedingspoliepen.

Een bijzonder geval bij de hydrodpolipen vormen de staatskwallen; het is een poliepenkolonie op enkele medusen die samen ÚÚn organisme vormen. De medusen zijn zo aan elkaar vergroeid dat ze een drijfblaas vormen met daarboven dikwijls een zeil zodat deze zeilkwallen door de wind over de zeeŰn geblazen worden. Onderaan de staatskwallen hangen dan de verschillende poliepen als lange slierten (tot 50 m) die prooidieren vangen en naar de mond bewegen.

Voortplanting van de medusen:

De vrij-zwemmende meduse maakt deel uit van het geslachtelijk stadium van de neteldieren. Er bestaan dus vrouwelijke en mannelijke medusen. De vier geslachtsorganen liggen in de gastrale holte rondom de mondopening verspreid. We zien dan ook een vier-stralige symmetrie. De mannelijke kwallen scheiden de zaadcellen af in de gastrale holte en komen via de mond in het water terecht. De vrouwelijke medusen laten hun eicellen ook los ofwel blijven ze aan het moederlichaam vastzitten. De zaadcellen moeten dan via de mondopening bij de vrouwelijke kwal binnenstromen om er de eicellen te bevruchten. De ontstane larve (planula larve) zwemt naar buiten om zich ergens te vestigen op het substraat als jonge poliep.

Voortplanting van de poliepen:

De vast zittende poliep maakt deel uit van het ongeslachtelijk stadium van de neteldieren.

Door knopvorming

Aan de poliepen ontspringen knoppen op ongeveer 1/3 van de hoogte vanaf de basis. De beide lagen plooien zich, vormen een uitsteeksel dat in de lengte uitgroeit en waaraan weldra tentakels ontspringen. De jonge poliep groeit omdat ze voedsel krijgt van de gastrale holte van het moederdier en kan zich afsnoeren door de basis naar onder af te zakken om zelfstandig verder te leven. Op deze manier ontstaan grote kolonies. Soms blijven de gastrale holten nog in verbinding door buisvormige kanalen.

Door regeneratie

Het regeneratievermogen van de neteldieren is niet zo groot als van een spons maar toch zullen de stukken van een neteldier dat in enkele stukken werd gesneden terug uitgroeien tot volwassen neteldieren.

Door afsnoering

Bij de generatiewisseling zullen op de poliepen voortplantingspoliepen groeien. In deze voortplantingspoliepen groeien de jonge medusen die na enige tijd worden afgestoten door de poliep. Een op deze wijze afgesnoerde meduse zal uitgroeien tot een geslachtsrijpe, volwassen meduse. Ze behoort dan tot het geslachtelijk stadium en zal de generatiewisseling in stand houden.

Bouw:

klasse 1 Hydro´dpoliepen (Hydrozoa)

Kenmerkend voor de hydro´dpoliepen is de kolonievorming die zorgt voor een arbeidsverdeling bij zowel de poliepenkolonies zoals Obelia en het Gorgelpijpje als bij de staatskwallen zoals de zeilkwal Velella en het portugese oorlogschip.

klasse 2 Kubuskwallen (Kubozoa)

geen figuur voorhanden

klasse 3 Schijfkwallen (Scyphozoa)

We zien op de figuur 2.11 duidelijk de bouw van de kwal.

Laten we enkele kenmerkende delen eens nader bekijken.

De mondbuis

De mond is uitgegroeid tot een lange buis die de gastrale holte afsluit.

Het velum

Het velum is een vlies aan de binnenkant van de klok zodat de geslachtsorganen van de kwal beschermd liggen. De voornaamste funktie van het velum is het zwemmen verbeteren. Rondom en in het velum liggen kringspieren en een zenuwkring zodat het samentrekken van de kwal een forse waterstuwing oplevert.

De zintuigorgaantjes

Opdat de zwemmende kwal zich zou kunnen oriŰnteren moet ze weten wat boven en onder is. Daarvoor heeft de kwal zintuigorgaantjes die primitieve evenwichtsorganen zijn. Ieder orgaantje is een zakje en bevat een zware massa (steentje). De prikkelingen van het steentje tegen de wand van het orgaantje geeft de kwal een boven-onder oriŰntatie.

Ogen

Kwallen hebben geen ogen, maar hebben aan de basis van de tentakels holle zwellingen, rijk aan zenuwcellen die een lichtgevoelig pigment bevat. Een tweede functie van deze zwellingen is het aanmaken van nieuwe netelcellen die zich van daaruit over de tentakels verspreiden en hun plaats innemen in de netelbatterijen

De geslachtsorganen

De kwal bezit een vierstralige symmetrie en bezit dus ook vier geslachtsorganen. Die zijn bij de oorkwal goed zichtbaar als vier roze hoefvormige ringen onderaan de klok, beschermd door het velum. Deze geslachtsorganen bevatten ofwel eicellen (vrouwelijke kwal) ofwel zaadcellen (mannelijke kwal).

klasse 4 zes-stralige bloemdieren (Hexacorallia)

De orden die we zullen bestuderen in de klasse van de hexacorallia zijn de anemonen en de steenkoralen. Deze bevatten ook de kenmerken van de hele klasse.

Enkele bijzonderheden zijn:

De tussenschotten

De gastrale holte is verdeeld in verschillende kompartimenten door zes (of een veelvoud van zes) tussenschotten. Hierdoor wordt de oppervlakte van de gastrale holte enorm vergroot. Op de rand van deze tussenschotten liggen spijsverterings klieren die de prooidieren verteren.

De voetschijf

De voetschijf van de hexacorallia is hun verdediging tegen de sterke stroming waarin ze hun voedsel vinden. Het is bij de anemonen een sterke zuignap waarin enkele spieren zorgen voor een sterke aanhechting. Ook kan de anemoon op wandel gaan, al is het dan enorm traag. Bij de steenkoralen scheidt de voetschijf een kalkskelet (een skeletrozet) af, waardoor ze het substraat bedekken. Hierdoor kunnen vele generaties later enorme koraalriffen ontstaan. Zo is bijvoorbeeld het 2000 km lange great barrier reef het eeuwenoude werk van ontelbare millimeter grote koraalpoliepjes.

De voortplanting

De koraalpoliepjes zijn kolonievormend zodat ze grote bouwwerken maken met eigenaardige vormen zoals het hersenkoraal, boomkoraal en andere met tot de fantasie sprekende namen. Ze hebben geen meduse stadium maar kunnen zich toch geslachtelijk voortplanten zodat er meerdere kolonies ontstaan. De geslachtsorganen van de hexacorallia bevinden zich op de tussenschotten zodat de eicellen of zaadcellen via de mondbuis naar buiten moeten gebracht worden. De bevruchting gebeurt dan in het water en de gevormde planula larve zal zich op het substraat vestigen om een nieuwe kolonie te vormen.

Spieren

Niet enkel de voetschijf bezit spieren; de hexacorallia hebben langsspieren in de tussenschotten waarmee ze zich korter en dikker kunnen maken en hun tentakels naar binnen keren. Ze hebben ook kringspieren zoals de kwallen waarmee ze de mondbuis kunnen sluiten om zich te beschermen tegen aanvallers of schadelijke stoffen.

De tentakels

In tegenstekking tot de volle tentakels kwallen zijn de tentakels van de hexacorallia hol zodat ze meer voedingsstoffen krijgen en de gastrale holte nog vergroten. Het aantal tentakels is altijd een veelvoud van zes omdat ze een zesstralige symmetrie bezitten. Deze zesstralige symmetrie zien we ook aan de kalk skeletrozet van de steenkoralen. Het is dan ook niet moeilijk voor te stellen waarvan de naam hexa-corallia afkomstig is.

klasse 5 Acht-stralige bloemdieren (Octacorallia)

De poliepjes van de octacorallia lijken sterk op hun zesstralige familie, maar ze hebben toch enkele markante verschillen:

  • Terwijl de kolonies van de hexacorallia uit afzonderlijke poliepjes bestonden, zien we dat de poliepjes van de octacorallia verbonden blijven d.m.v. entodermale kanalen.
  • Het aantal tentakels en tussenschotten is bij de hexacorallia steeds een veelvoud van zes terwijl het bij de octacorallia exact acht is.
  • Op de tussenschotten staan trilhaartjes die een trilhaarbaan vormen
  • Het skelet wordt niet aan de buitenzijde door de voetschijf afgescheiden, maar inwendig als losse elementen of spicula (zoals bij de sponzen). Deze spicula kunnen uit kalk (onbuigzaam) of hoornstof (wel buigzaam) gemaakt zijn en klitten samen om een dikke, massieve centrale as te vormen.

Relaties met andere dieren

Het nachtelijke leven van de koralen

De koralen die er overdag glad uitzien zoals deze hersenkoralen(1) (detail 2) laten 's nachts hun tweede levenswijze zien. Overdag leven ze als een plant en maken hun voedingsstoffen door fotosynthese. 's Nachts voeden ze zich met de voedselrijke stroming van de oceaanbodem. Dan voeren ze een dierenbestaan en laten ze hun met tentakels omrandde monden zien die sierlijk het rif een nieuwe gedaante geven. Deze gedaantewisseling speelt zich niet onmiddellijk af na zonsondergang maar enkele uren daarna. 

Philippe Mertens ***I Yellow Diving School


terug naar het hoofdmenu

terug naar overzicht van het dierenrijk