Het drama van de Tempelorde is tot nu toe een enigma
gebleven. Gesticht in 1118 door
Hugues de Payens waren de
Tempeliers slechts negen in getal. Hun doelstelling was de bescherming van de
pelgrims in het Heilig Land. Ze
bleven gedurende negen jaar een erg
kleine groep tot zij in 1128 een
officiële erkenning kregen op het concilie van Troyes en Bernardus van Clairvaux
hun een monastieke regel schreef.
Alleen aan de Paus werden ze nu ondergeschikt. Van toen af vloeiden hun giften en goederen toe. Diederik, graaf van Vlaanderen, bijv.
gaf hun rechten op erfenissen, koren, wijn en was. Zij vermenigvuldigden zich
zodanig dat ze bij hun opheffing in 1312 beschikten over meer dan 9000 burchten
en commanderijen, verspreid over heel Europa en het Midden-Oosten. Zij waren ook een financiële macht geworden en
bewaarden de schatkist van de Franse koning. Zij gaven leningen aan koningen en
heren. Naast deze Tempeliers stond er een Franse koning in
voortdurend geldgebrek. Oorlog voeren kostte massa’s geld. In 1287 wilde Filips IV de
Schone reeds alle sinds dertig jaar
verworven bezittingen van de Tempel in beslag nemen, maar moest de beschikking
in 1292 intrekken. In 1291 werden de Italiaanse kooplieden, de Lombarden,
aangehouden. Zij moesten zich vrij kopen. In 1295 werden
de joden gearresteerd en in 1305 uit het land gezet. Filips wilde ook de hand leggen op de opbrengsten van de kerkelijke bezittingen, maar dat
bracht hem in conflict met de autoritaire paus Bonifatius VIII. Het graafschap Vlaanderen revolteerde tegen de Franse verdrukking en bracht in 1302 in de
velden van Groeninghe een verpletterende nederlaag toe aan de Franse koning. Hij
verloor het kruim van zijn leger en een deel van zijn prestige. Een van de
zestig ridders die streden in het Vlaamse heir was een commandeur
van de Tempel. Nu de nood hoog was en de paus van geen wijken wist, belegde
Nogaret, de Franse minister, een vergadering in het Louvre waar hij de fameuze eis voorlegde dat de
paus zou aftreden. Ondertussen was
er ook een conflict met de familie Colonna te Rome, waardoor de paus besloot
zich terug te trekken in een slot te Anagni. Dit was de aanleiding van de aanslag op
de paus te Anagni op 3 september 1303 waar hij door de Fransen en de Colonna’s
bedreigd werd en waar ze eisten dat
hij zou aftreden. Bonifatius weigerde kordaat. Hij werd tenslotte bevrijd door de
inwoners van Anagni en keerde naar Rome terug, waar hij kort daarop stierf. Dit leverde de Franse koning een excommunicatie op. Ook Nogaret werd getroffen door een
banvloek. De gevolgen van een
excommunicatie waren vreselijk voor de machthebbers: niemand mocht hen nog
erkennen of gehoorzamen. In 1304 heft Benedictus XI de banvloek tegen de koning
op. Vanaf 1305 werkt
Nogaret ook onverdroten voor de
opheffing van de banvloek die Benedictus
XI , de opvolger van Bonifatius VIII, tegen de daders van de aanslag in Anagni had
uitgesproken. Hij doet dit door een lastercampagne tegen Bonifatius
VIII. Deze paus zou atheïst geweest
zijn, sodomie en simonie bedreven
hebben en zijn voorganger Celestinus V vermoord. De tempelier Hugues de Pairaud, visitator van Frankrijk, had
bij de koning een vertrouwensstelling en hij werd gekozen om als onderhandelaar
op te treden in het conflict met de Paus in februari 1302. Niet hij maar zijn
neef Hugues de Chalons ging effectief naar Rome in opdracht van de hertog Robert van
Bourgondië. Hugues de Pairaud kreeg de opdracht van de koning de
oorlogssubsidies te innen. De
koning vroeg hem ook, samen met de
overste van de
Johannietenorde, op 13 juni 1303 de
veroordeling te ondertekenen van Paus Bonifatius VIII, wat hij deed. Een bijzondere oorkonde getekend door de
koning, zijn gemalin en zijn zonen onderscheidde hem met de belofte hem altijd
te zullen verdedigen tegen ieder die hem zou willen onrecht aandoen, en heel
speciaal tegen de paus. In juni 1304
verkrijgt hij nog een
oorkonde ter beschutting van
de orde. Clemens V was
intussen paus geworden in 1305 door de steun van de Franse koning. Deze bisschop
van Bordeaux was ineens een Franse paus die de zetel van Rome naar Avignon overbracht. Nu gebeurde er iets heel significatiefs: voortdurend op zoek
naar geld had in 1306 de koning het muntstelsel aangepast: alleen de zware
munten waren nog geldig. Dat
betekende dat alles in zware munten moest betaald worden, m.a.w. dit betekende
een verarming voor het volk. Het
kwam tot volks protest in Parijs zodanig dat de koning bescherming moest zoeken
juist bij de tempeliers in de vesting van de Tempel te Parijs. Hij verbleef er een paar dagen,
maar de tempeliers deden niets om
de koning te ontzetten. De verhouding tot
Jacques de Molay, de
grootmeester, was gespannen en kil. De Molay weigerde hem geld te lenen, en
hij was ook tegenstander van de plannen van de koning om de orde van de tempel te versmelten met
de orde van de hospitaalridders. Door dat plan kon de koning beide orden
onschadelijk maken, want hij wilde ze lanceren in een nieuwe kruistocht onder de
leiding van één van zijn zonen. Ook
daar stootte hij op de tegenstand
van de Grootmeester. Hijzelf had tempelier willen worden, maar dat werd hem
geweigerd. Het was duidelijk dat de
enorme rijkdom van de Tempel hem de ogen uitstak. Vanaf dat ogenblik stond zijn besluit vast: de Tempel moest
weg en zijn bezittingen moesten in zijn handen komen. Vanaf 1306 begint Nogaret met een lastercampagne bij de paus. De tempeliers hadden zich verdacht
gemaakt als ze niet ingegaan
waren op de uitnodiging mee te strijden tegen de albigenzen. Zijzelf
hadden zich schuldig gemaakt aan “bougrerie”, d.w.z de ketterij van de bulgaren,
ze waren bogomilen, genaamd naar de pope Bogomilos. De tempeliers aanbaden een idool, Bafomet, hun priesters celebreerden de mis zonder
de formule van de transsubstantiatie uit te spreken, lekenoversten absolveerden zware zonden, bij de inwijding moesten
de neofieten God verloochenen en het kruis vertrappelen en erop spuwen. Daarbij
werd hun ook de toelating gegeven sodomie te bedrijven en ze moesten de aars van
de overste kussen. Clemens V was een corrupte paus. Hij reisde overal rond in het gezelschap
van zijn maîtresse in een overdadige luxe. Bij zijn dood had hij een schat
vergaard. Hij deed ongegeneerd aan nepotisme. Tegenover de aarzeling van de paus was de vastberadenheid van
Filips des te groter. Het moest allemaal zeer vlug gaan. Op 12 october 1307 woonde de Molay nog
de begrafenis bij van Catharina van Courtenay, de gemalin van de broer van de
koning, Karel van Valois. Op 13 october bij het ochtendkrieken worden alle
tempeliers in Frankrijk gearresteerd, ondervraagd, gefolterd en opgesloten. Alle goederen worden zorgvuldig
geregistreerd en aan zorgzame personen toevertrouwd. De operatie was zeer nauwkeurig voorbereid en gepland.
Voor allerlei commissies, zo wereldlijke als geestelijke,
moeten de tempeliers verschijnen. Onder de folteringen leggen zeer velen volledige
bekentenissen af. Een tempelier zegt het treffend: ik zou bekend hebben zelfs
God vermoord te hebben. Het is
twijfelachtig of ook de Molay gefolterd werd voordat hij zijn fameuze bekentenis
uitsprak voor een talrijk gehoor.
Hij gaf toe dat hij gespuwd had op het kruis, maar niet dat hij homoseksualiteit
had bedreven. Hij vroeg dat men de orde zou vergeven, indien zij fouten zou hebben begaan. Het was niet uit te maken hoe schuldig de orde was tot in 1877 Merzdorf een geheime regel
publiceerde, die opgedolven werd in
de Vaticaanse archieven door Münter, bisschop van Seeland ( geb. in 1762,
gestorven in 1830.) Hij liet zijn helaas onvolledige documenten over aan Wilke.
Via Kopenhagen, Petersburg, Stockholm en terug Petersburg kwamen zij in handen
van Dr. Buck uit Hamburg, die ze naliet aan de grootloge. Tenslotte was het
Merzdorf die ze daar vond. De authenticiteit van deze regel is betwist geworden,
alhoewel hij alle kenmerken van zijn oorsprong duidelijk in zich draagt. Wij vinden in deze regel alle elementen
terug van de beschuldigingen van de
inquisitie. Hij bestaat uit drie delen: het eerste is de officiële regel, het
tweede zijn de geheime statuten van de uitverkorene leden, het derde is het doopsel van het vuur, bestemd voor
de “consolés”. De initiand moest bij de eerste inwijding de eed van geheimhouding afleggen. Elke
indiscretie zou met de dood bestraft worden. De overste zal de neofiet eerst op de
mond kussen, om hem de adem in te blazen, op de sacrale plexus waar de
scheppende kracht vertoeft, op de navel en tenslotte op het mannelijk lid, beeld
van het scheppende mannelijk beginsel. Dan volgt de geloofsbelijdenis in God de
Schepper en zijn zoon, die niet geboren is, niet gestorven, niet gekruisigd en
niet verrezen. Dan zal de neofiet het kruis vertrappelen en erop spuwen. Want het rijk van Christus is inwendig; de Kerk is het
Babylon, de synagoog van de Antichrist. De tempeliers kunnen te biechten gaan bij de overste van het
huis, die hun zonden kan vergeven. Indien de tempelier ondervraagd wordt, zal hij gebaren van niets te weten. Het derde deel behelst het doopsel van het vuur voor de “
consolé’s”. Deze laatste statuten werden ondertekend door de kopiist Robert van
Samfort, procureur van de Tempel in Engeland in 1240 In deze statuten wordt duidelijk gesteld, dat vele
uitverkorenen en consolé’s ook over vele landen verspreid zijn, en dat zijn de Goede Mannen van Toulouse (
katharen), de Armen van Lyon (de waldenzen), de albigenzen, ook diegenen uit de omgeving van Verona
en Bergamo, de Bajolais uit Galicië en Toscane, de begarden en de Bulgaren. Al
deze uitverkorenen, zelfs ook sarazijnen en drusen zijn welkom als de heilige
geest ze bezielt. Het ritueel van deze laatste inwijding verloopt als volgt: de
neofiet zal schriftelijk een algemene biecht afleggen aan de overste, die hij onder ede zal bevestigen in
tegenwoordigheid van twee getuigen.
Hij zal daarna zweren het stilzwijgen te bewaren, gehoorzaamheid en
trouw. De overste
absolveert hem dan van al zijn zonden. Hij ontbindt hem van elke
verplichting van de geboden van de Kerk in de naam van God en in de naam van de
ware Christus die niet gestorven is en niet kan sterven. Dan worden drie gebeden gereciteerd; het eerste:
het gebed van Mozes, het tweede het gebed van Jezus en het derde: het gebed van
Bafomet en dat is de aanhef van de Koran: “Fatiha”. Dan wordt het beeld van Bafomet uit zijn
schrijn gehaald. Alle aanwezigen roepen “Yah Allah!”, kussen het beeld en raken het aan met
hun gordel. Wij vinden hierin stuk voor stuk de bevestiging dat er
inderdaad in bepaalde ingewijde kringen van de tempeliers een opmerkelijke
kathaarse invloed was: de katharen verwierpen de sacramenten van de kerk en
behielden het doopsel van het vuur:
het consolamentum. Volgens hen was
Christus een hemelse figuur, die slechts in schijn hier bleef. De duivel was de schepper en meester van
deze wereld. Er was niet alleen kathaarse invloed, er was ook de invloed
van de islam. Mahommed staat op dezelfde hoogte als Mozes en Jezus. De geheime regel verklaart heel veel: waarom slechts weinigen
helemaal ingewijd waren. De regel van het zwijgen en het feit dat niet iedereen alles
wist verklaart dat sommige tempeliers eigenlijk niet veel kunnen bevestigen, of gewoon alles
ontkennen. Er zijn heel wat theorieën over die mysterieuze Bafomet, die
de aanleiding was dat men de tempeliers aanzag als aanbidders van de duivel.
Nochtans Bafomet is gewoon
een fonetische vervorming van
Mahommed. In het occitaans dat vele
tempeliers spraken waren de oorspronkelijke araabse klanken iets of wat vreemd.
De gutturale uitspraak van het araabs was zeker moeilijk voor een middeleeuwse
Fransman; de h kon gemakkelijker als een f die ook een spirans is en
meer voorkomt in het Frans,
gehoord en uitgesproken worden. De
begin-m van Mohammed of Muhammad
komt dicht bij een donkere ploffer als b.
Bafomet is dus gewoon een
volkse benaming van Mahommed. En dit wordt bevestigd door
verscheidene bronnen: ten eerste
wordt de aanhef van de Koran het gebed van Bafomet genoemd in de geheime
regel, ten tweede vinden we in
Ducange, de betrouwbare bron van middeleeuws latijn: Bafomet pro Mohamet, en hij
citeert een middeleeuwse tekst: de “Altis vocibus Baphomet invocaverunt (Turci).
“ Van een tempelier-troubadoer
vinden we een vers: Van de kerk van de heilige Maria maakt hij een Baphomeria (
een moskee), en Baphomet dira de son poter (Mahommed zal zijn macht tonen). De
term Baphomeria komt overigens ook elders voor en betekent islamitisch
heiligdom. Elk idool noemden de kruisvaarders trouwens een Mahomet of Bafomet. Op 9 november 1307 werd
Hugues de Pairaud, visitator van Frankrijk, onderhoord in het huis van de Tempel te Lyon. Hij bekende het idool aanbeden te
hebben, en ondervraagd waar het was zegde hij het overhandigd te hebben aan broeder Pierre Alemandin, précepteur van het
huis van Montpellier. Hij voegde eraan toe dat het beeld vier poten had : twee
vooraan en twee achteraan. Hij wist niet of de agenten van de koning het
gevonden hadden. Het is bevreemdend, dat de tempeliers in Frankrijk als
schapen naar de slachtbank zijn geleid, zonder enige weerstand en zelfs met een zwakke verdediging voor
de rechtbanken. Zij hadden
gemakkelijk een legertje op de been kunnen brengen en gewapend weerstand
bieden. Was het de totale verrassing die hen verlamde of een latent
schuldgevoel waardoor zij zich verloren voelden. Als enige verdediging voerde de Molay
aan dat er in de tempels mooie erediensten plaatsgrepen, dat er veel aalmoezen
werden gegeven, en dat wel 10.000 Tempeliers hun leven hadden gegeven in de
strijd voor het ware geloof. De rechtbank deed hem opmerken dat het hier ging om ketterij.
Het is begrijpelijk dat de tempeliers die noch
intellectuelen, noch theologen waren niet goed begrepen hoe erg de zaken
opgenomen werden als ze van ketterij werden beschuldigd. De tempeliers hadden meer gezien dan Frankrijk, ze hadden
kennis gemaakt met de islam, ze waren geterroriseerd geweest door sultan Saladin in 1187, die
toen de “Franken” een
verpletterende nederlaag had
toegediend in Tiberias. Een aantal ridders waren gevangengenomen,
waaronder zowel de grootmeester van de Tempel als de grootmeester van de
hospitaalridders. Zij werden allen
gehalsrecht met uitzondering van de grootmeester van de tempeliers, Jean de
Terric (1184-1188), die werd gespaard na de belofte nooit meer de wapens op te
nemen tegen de islam. Jean de Terric nam ontslag als grootmeester, werd precepteur,
en werd opgevolgd door een Vlaamse ridder: Geeraard van Ruddervoorde, de
10e grootmeester. De tempeliers
waren voorstander van een multiculturele maatschappij; zij onderhielden
nauwe betrekkingen met de
Assassijnen waardoor zij zich lieten steunen. Saladin had als voorwaarde voor het
lijfelijk behoud van zijn gevangenen geëist dat ze zich zouden bekeren tot de
islam. Dat weigerden allen. Vreemd
dan toch dat alleen Jean de Terric
behouden mocht terugkeren. Heeft hij Saladin bepaalde beloften gedaan in
verband met de verering van Mohammed? Paus Clemens V riep in 1311
het concilie van Vienne samen. Het
proces tegen paus Bonifatius VIII werd afgevoerd , maar de orde van de Tempel
werd afgeschaft in 1312. De
bezittingen van de Tempel werden
toegewezen aan de hospitaalridders. Na een lijdensweg van 7
jaar gevangenisstraf werd de Molay
door drie kardinalen, die een uitspraak moesten doen, veroordeeld tot
levenslange gevangenisstraf. Toen
hij protesteerde en zijn onschuld proclameerde werd hij bij koninklijk bevel als
relaps onmiddellijk diezelfde avond nog
tezamen met 39 anderen op een traag vuurtje verbrand (13 maart 1314). In 1313 was Nogaret al overleden, in 1314 stierven Filips IV
en Clemens V. ----------------------------***-+- Tenslotte bleef
er van de tempeliers in Frankrijk praktisch niets over: de roerende goederen
werden in beslag genomen om de processen en magistraten te betalen; een enorme
som, en dat was nog maar een deel,
zowat 340.000 florentijnse
florijnen moest door de
hospitaalridders aan de kroon betaald worden, er ging ook een deel aan de
paus, verder moesten de
hospitaalridders heel veel schulden afbetalen die zij gemaakt hadden voor de herovering van Rhodos, veel ging
verloren als families die giften hadden gedaan aan de
tempeliers, die terug in bezit namen… enz. In Duitsland verliepen de zaken anders. Onder de dreiging van gewapend verzet
werden de tempeliers ongemoeid
gelaten. In Engeland werden ze afgeschaft maar gepensioneerd. In Portugal
vormden ze twee nieuwe ordes. Besluit: De tragedie van de Tempeliers was te wijten aan een samenloop
van ongunstige omstandigheden: het chronisch geldgebrek van de Franse koning, - de
tijdsomstandigheden waren immers ongunstig: na de nederlaag tegen het Vlaamse
leger was er ook nog de strijd tegen de katharen, die eerst in 1330 een einde
nam, - en zijn ambitie die hem in
conflict bracht met de paus; daar waren ook de niet helemaal orthodoxe
beginselen van de leiding van de Tempel die hem kwetsbaar maakte voor de
inquisitie, - er hing een sfeer van
ketterijbestrijding, - daar was de jaloersheid van de seculiere clerus wegens de
rijkdom van de Tempel en het feit dat
hij alleen van de paus afhing en van niemand anders, het feit dat de
tempeliers niet zo koningsgezind waren, - zolang Filips geëxcommuniceerd was
mocht niemand hem gehoorzamen -, kortom
de Tempel werd geofferd op het altaar van de afgoden der koninklijke ambitie
en hebzucht , het pauselijke
opportunisme en de
kerkelijke hypocrisie. Bibliografie BARBER , M., The Trial of the Templars Cambridge, C.U.P.,
1978. BORDONOVE,
G., Les templiers. Parijs, Fayard,
1963. BULST-THIELE,
M.I., Sacra domus militiae templi Hierosymitani Magistri. Göttingen,
Vandenhoeck, 1974. CHARPENTIER, J.,
L’ordre des templiers. Parijs, 1961. DEGRIS, A.,
L’ordre des Templiers. Les secrets dévoilés. Parijs, Devry,
1993. DESSUBRE, M., Bibliographie de l’Ordre des
Templiers. Parijs, 1928. FINKE , H.,
Aus den Tagen Bonifaz VIII.
Münster, Aschendorf,
1902. GILLES, R., Les
Templiers sont-ils coupables ? Parijs, Guichaoua, 1957. HAUF, M., Der Mythos der Templer. Düsseldorf, Walter,
1995. LAMBERT, E., L’architecture des templiers. Parijs, Picard,
1955. LASTEYRIE (de),
R., L’architecture religieuse en France à l’époque romane. Parijs, Picard, 1912. L’enquête
pontificale de 1373 sur l’Ordre des Hospitaliers de Saint Jean de Jérusalem,
vol. I. Ed. Cl.
Legras et R. Favre, Parijs, FNRS, 1987. LIZERAND, G., Le dossier de l’affaire des Templiers. Parijs, Champion,
1923. MELVILLE , M., La vie des templiers. Parijs,
Gallimard, 1951-1974. MICHEL, A. &
SIMONNET, G., Mémoire Cathares. Parijs, Albin Michel, 1993. MONTAGNAC (de),
E., Histoire des chevaliers templiers. Parijs, Aubry,
1864. OURSEL, P.,
Le procès des templiers, Parijs,
Denoel, 1955.
Tempeliers, inquisitie, schuld
en geschiedenis