De geheime onderwijzingen of Monita Privata in de Sociëteit van Jezus




VII. De Monita Privata.


1. Ideaal en werkelijkheid.

Ignatius had de grondslagen gelegd waarop de latere Sociëteit zou bouwen. Het is normaal dat die veeleisende regels, wanneer ze moesten verwezenlijkt worden door een zo talrijke groep, al vlug zouden aangepast worden. De vraag is niet : wat schrijven de Constituties voor, maar wel : wat hebben de jezuïeten er in werkelijkheid van gemaakt. Wat is de reële Sociëteit geworden ? Ignatius had reeds de tendens al zijn ervaringen en wensen in regels te formuleren. Laynez , Borgia , Mercuriaan en Acquaviva , zijn eerste opvolgers, zetten die tendens voort. De bedoeling was de grootst mogelijke uniformiteit te bereiken. Toch verplichten deze regels niet onder straf van zonde. Tegelijk blijft de overste de levende regel. Hij oordeelt en beslist. Hij blijft beschikken over een zekere vrijheid van handelen binnen de grenzen van de aanvaardbaarheid voor de doelstellingen van de Sociëteit.

Dit principe gold ook in een beperkte mate voor elke jezuïet binnen het kader van de normale activiteiten en gewoonten. Bovenal vormt er zich een collectieve ervaring, een adaptatie aan de situaties en het omgevend milieu, die kan verschillen naargelang het gaat om een residentie, gericht op het apostolaat buitenshuis, om een college voor humaniteiten, om een noviciaat, of een ander vormingshuis : juvenaat, filosofie of theologie, of zelfs een universiteit. Het geheel wordt bekroond door een bestuurservaring in de lokale en de centrale instanties. Men leert welke de beste methodes zijn, hoe men bepaalde situaties moet aanpakken en men probeert, naar het voorbeeld van Ignatius, die praktische wijsheid te formuleren. Natuurlijk blijft dit alles binnenshuis volgens de bekende formule : «ad usum nostrorum tantum» (alleen voor het gebruik door de onzen). Grotendeels gaat het om diplomatie en de trucs van de stiel. Acquaviva schrijft zelfs een soort handboek van psychotherapie ten gerieven van de oversten om bij de leden van de Sociëteit de psychische ziekten te bestrijden, zoals lauwheid, moedeloosheid, luiheid, enz. Natuurlijk zijn er ook min of meer betwistbare methodes, waarover men enigszins beschaamd is en die best niet teveel bekend worden. B.v. hoe moet men het aan boord leggen om veel geld los te krijgen van vrienden en weldoeners ? Hoe moet men groten en vorsten naar zijn hand zetten ? Hoe kandidaten verlokken om in de Sociëteit te treden ? Wat gedaan met jezuïeten die uittreden of buitengezet worden ? Hoe moet men een publiek imago scheppen ? Hoe efficiënt de Sociëteit promoten ? Allemaal vragen die binnen moeten blijven, en waarvoor men moet vermijden dat het antwoord de betrokkenen ter kennis komt. Deze hele praktische psychologie is ook de reële « modus agendi;» van de Sociëteit.

In de moderne context schaamt zich geen enkele organisatie erover dat zij beroep doet op technieken van promotie, «public relations», industriële psychologie, dat zij bestuurs- en managing-technieken gebruikt. Toentertijd,- Machiavelli (1469-1527) was nog de leermeester van de diplomatie,- heerste er tegelijk een atmosfeer van sluwe gewetenloosheid en een schaamtemechanisme, opgewekt door een slecht geweten. Door haar casuïstiek wist de Sociëteit heel wat scrupules te sussen. Zij deed dat evengoed voor zichzelf als voor de anderen. Is het verwonderlijk, dat zij, na het opstellen van de «stichtende» regels, ook nood voelde om die regels en richtlijnen te formuleren waarvan het bewezen was, dat zij efficiënt het succes van de Sociëteit bevorderden ?

Nergens zijn er in de officiële documenten zulke richtlijnen te vinden. Maar toen er plots wel een verzameling richtlijnen opdook in een publikatie, zwoer de Sociëteit bij alle engelen en heiligen, dat zij daar niets mee te maken had, dat alles laster was, verdichtsels van een afvallig jezuïet. In de apologieën tegen de Monita wordt verwezen naar de officiële brieven en Constituties van de Sociëteit en er wordt de nadruk op gelegd dat de praktijken van de Monita gewoon verboden zijn. Nergens wordt toegegeven dat er altijd twee soorten instructies geweest zijn : diegenen die men bekend maakt en de geheime, die alleen aan enkelen bekend zijn. En dit is geen gratuite bewering : zij wordt uitdrukkelijk bevestigd door de officiële Constituties (declarationes)(1) : «Alhoewel de Generaal Overste in publieke brieven, gezonden aan de particuliere Oversten, hen de ruimste machten meedeelt (om leden van de Sociëteit weg te zenden), opdat hun onderdanen hen des te meer zouden eren en zich nederig en onderdanig zouden tonen, niettemin kan hij door middel van geheime brieven die macht beperken, voor zover dit passend zou blijken».(2) Maar er zijn niet alleen de geheime brieven, er zijn ook de in geheime code gestelde brieven, die, zoals de ervaring in de diplomatie leert, dikwijls het tegenovergestelde bevatten van wat in de niet- gecodeerde brief staat. (Cf. de brief van P. Acquaviva betreffende deze geheime code (cf. infra)). Het kan dus niet tegengesproken worden, dat er naast de officiële documenten ook de geheime parallelle documenten bestonden, die zeker niet eensluidend waren met de bekende officiële, zoniet hadden zij geen reden van bestaan. De Constituties leren ons ook, dat de meeste jezuïeten geen weet hebben van wat in die geheime documenten staat, en dat ze zelfs opzettelijk misleid worden doordat hun andere documenten meegedeeld werden, die alleen maar moeten dienen om ze onderdaniger te maken.

2. Geheime onderwijzingen.

In 1614 werd te Krakau anoniem een boekje gepubliceerd met de titel: «Monita privata Societatis Jesu», plaats van publikatie : «Notobrigae», een cryptografische naam, datum van publikatie : 1612. In de uitgave van 1614 stond ook een inleiding met een scherpe aanval tegen de Sociëteit, waarin o.a. een viertal Poolse bisschoppen worden geciteerd, waaronder een tweetal uit Krakau zelf : ontegensprekelijk is de oorsprong van deze inleiding te zoeken in Polen, en wel specifiek in Krakau. Nu heeft Notobrigae geen enkele relatie met Krakau. En tot nu toe heeft men er geen enkele betekenis aan kunnen hechten. Ook de datum 1612 gaat twee jaar de werkelijke publikatiedatum vooraf.

Het boekje veroorzaakte een groot schandaal. Volgens de jezuïet J. Gretser , die een apologie schreef, verordende de bisschop van Krakau, P. Tylicki een onderzoek (11 Juli 1616) naar de auteur van het boekje, en naar de uitgetreden jezuïet Zahorowski , die toentertijd pastoor was benoemd te Gwozdziec, en waarover het gerucht ging dat hij de uitgever was. (N.B. het is nooit bewezen, dat Zahorowski auteur of zelfs uitgever was; erger nog : bij een onderzoek naar die akte van Tylicki werd zij niet teruggevonden, noch in de Acta officialia, noch in de Acta Episcopalia, noch in de Acta van het Kapittel van de Kathedraal te Krakau.) (3) De Sociëteit oordeelde het nodig alle hens aan dek te roepen om zich te verdedigen : J.Argenti (1616), Mt. Bembo (1615), J.Gretser (1618) en A.Tanner (1618) schreven apologetische tractaten tegen het boekje. Het werd veroordeeld en op de index der verboden boeken gezet door de Heilige Inquisitie , vergaderd ten huize van kardinaal Bellarmino S.J. als lasterlijk tegenover de Sociëteit (28 December 1616). Fr. Diotallenius , pauselijk nuntius te Warschau, treedt op (14 November 1615) en de vicaris van het bisdom Krakau, A.Lipski, verbiedt de verspreiding van het boek (20 Augustus 1616). Het tegenoffensief van de Sociëteit had dus een groots opzet. Het zou toch weinig helpen. Tot overmaat van ramp werd op 24 Januari 1622 het college van Paderborn geplunderd door hertog Christiaan von Brunswig . Hij gaf de boeken en documenten aan de Kapucijnen, die bij de papieren van de Rector de Monita privata vonden. Dit was geen groot nieuws, want in 1618 werd er een gelijkaardige ontdekking gedaan in Praag.(4) Nog andere exemplaren, veelal manuscripten, werden inmiddels of later zowat overal gevonden : Turijn, Poitiers, Luik, Roermond; te Padua werd een exemplaar gevonden dat samen met de Constituties ingebonden was. Het exemplaar van Roermond werd gevonden na de opheffing van de Sociëteit; bij de Franse Revolutie in 1797 werd een Latijns manuscript ontdekt, dat afkomstig was van P. Brothier , de laatste bibliothecaris van de jezuïeten te Parijs. De uitgave te Parijs dateert nochtans al van 1615. In 1654 verscheen te Groningen de uitgave van Ruckert gemaakt naar een manuscript. In 1661 de uitgave te Paderborn. Dit alles bewijst één feit : overal bij de jezuïeten heeft men exemplaren gevonden. Dit is nog geen strikt bewijs dat dit geschrift door hen zelf werd opgesteld, al zou men verwachten, dat, indien zij slechts gepubliceerde exemplaren aankochten uit nieuwsgierigheid en om zich te kunnen verdedigen, er praktisch alleen gedrukte exemplaren zouden gevonden worden. Niets is minder waar. En vooral zij zouden die niet ingebonden hebben samen met de Constituties ! Rond 1660 waren overal uitgaven van de Monita verspreid. Dit lokte weer reacties uit van de Sociëteit, o.a het werk van A. Huylenbroeck S.J.(1713). Na het herstel van de Sociëteit kwam er rond 1850 een nieuwe golf van aanvallen (de Monita kregen in de 19e eeuw 20 herdrukken), beantwoord door een hele reeks geschriften, o.a. van B. Duhr (1901), P. Tacchi-Venturi (1906), S. Bernard, (1903), J. Gerard (1901), E. Abt (1894), C. Van Aken (1881), C. Sommervogel (1890), I. Reiber (1902). Ditmaal beweert de Sociëteit zonder aarzelen dat Zahorowski zonder twijfel de opsteller is van het geschrift, want J. Wielwicki had in het dagboek van het professenhuis van Krakau een tekst gevonden, die als volgt luidde : «Dezelfde maand (Augustus 1614) verscheen dat fameuze boekje met titel Monita privata Societatis Jesu. De auteur had zijn naam weggelaten, maar al vlug stond het vast dat het geschreven was door Hieronymus Zahorowski». (Deze tekst werd eerst uitgegeven in 1889.) En dat was dus de oplossing !

Eigenlijk zegt deze tekst niet veel anders dan het zgn. decreet van de bisschop van Krakau, P.Tylicki, dat veel genuanceerder is; dit zegt dat er het gerucht ging dat Zahorowski het boekje zou uitgegeven hebben, en beveelt een onderzoek tegen de auteur én tegen Zahorowski. Het bericht in het dagboek is duidelijk de neerslag van de geruchten en de ongenuanceerde versie ervan. Het bewijst dus strikt genomen niets. Het is niet uitgesloten, dat Zahorowski zelf de inleiding tot het boekje schreef en het deed uitgeven, zodat men, als een halve waarheid, kon zeggen dat hij de auteur was.

Het feit blijft : nergens wordt Zahorowski in een officieel document, zelfs niet in het decreet van de H. Inquisitie, vermeld als auteur; nooit werd hij ver-oordeeld; hij stierf rustig als pastoor. Alvorens een grondige discussie te wijden aan de kwestie van de authenticiteit, past het dat we gewoon de lezer laten oordelen. Passim zullen we enig commentaar bijvoegen. De tekst die we hier laten volgen verschilt in details van de oorspronkelijke uitgave die we de oudere versie zullen noemen) : dit is een tweede verbeterde en aangevulde redactie , als men wil, de definitieve tekst (cf. infra). In nota geven we enkele belangrijke varianten uit de eerste versie. In de tekst duiden we die passages, die in de tweede versie werden bijgevoegd, aan met haakjes []. (Het is niet altijd mogelijk deze teksten nauwkeurig aan te duiden : soms werd de oorspronkelijke tekst met min of meer dezelfde woorden, maar in beter Latijn verwoord, waarbij dan ook nuances worden aangebracht; die beschouwen we niet als echte aanvullingen.)

3. De tekst van de Monita.

a) Inleiding.

Deze geheime onderwijzingen moeten de oversten zorgzaam bewaren en bij zich houden, en ze slechts aan zeer weinig professen meedelen; slechts één of ander aan niet-professen, wanneer en in de mate natuurlijk dit nuttig is voor de Sociëteit, en [dan onder geheimhouding] en geenszins als geschreven door iemand anders, maar ontleend aan een speciale ervaring; [en omdat professen weet hebben van deze geheimen, daarom moet de Sociëteit van in den beginne oppassen, dat niemand die ervan kennis heeft, zich bij andere orden zou begeven, behalve dan de kartuizers omwille van de blijvende afzondering en het onschendbare stilzwijgen, wat ook de Heilige Stoel bevestigd heeft].(5) Men moet er vooral voor oppassen dat deze onderwijzingen niet in de handen van buitenstaanders vallen, omdat zij, [uit jaloersheid ten overstaan van onze roeping], ze verkeerd zouden interpreteren.

Als dit toch zou gebeuren, God verhoede het, moet men ontkennen dat dit de gezindheid is van de Sociëteit, en dit moet men laten bevestigen door de onzen, waarvan het met zekerheid vaststaat, dat zij die niet kennen; men stelle daartegenover onze algemene instructies en gedrukte of geschreven regels en verordeningen. De oversten moeten ook altijd zorgzaam en behoedzaam onderzoeken, of deze instructies door iemand van de onzen aan een buitenstaander werden doorgegeven; [niemand mag ze voor zichzelf of voor iemand anders overschrijven of laten overschrijven, tenzij bij medeweten van de Generaal of de Provinciaal]; en indien men twijfelt of iemand in staat is zulke grote geheimen te bewaren, dat men het hem als bezwarend aanrekene en hem wegzende.(6)

Commentaar : Deze inleiding bevestigt wat we reeds wisten uit de Constituties : er zijn twee klassen jezuïeten : de ingewijden en de niet-ingewijden. Toen God niet verhoed heeft dat de instructies publiek werden gemaakt, hoe heeft de Sociëteit zich dan gedragen ? Juist, zoals hier beschreven. Zij heeft een hele reeks jezuïeten verdedigingen laten schrijven en zij heeft die proberen hard te maken door veroordelingen door bevriende autoriteiten. Bovendien geldt de «omerta» van de maffia (welk een diploma van eerlijkheid voor sommigen die uit de Sociëteit weggezonden worden..) Men gebruikt ook diegenen die van betje geen kwaad weten, om iedereen te overtuigen, dat alles louter laster is, verspreid door de vijanden van de Sociëteit : die jezuïeten zijn zo duidelijk oprecht.. Enkele zwijgen als vermoord en liegen er desnoods op los. En dat is, zoals we zullen zien, volkomen moreel in orde (restrictio mentalis, cf. infra). Deze inleiding bevindt zich in kortere vorm aan het einde van de eerste versie.

b) Hoofdstuk I.

Hoe de Sociëteit zich moet voordoen, wanneer zij voor het eerst ergens een stichting begint.

1. Opdat zij de plaatselijke bewoners tegenover zich tot dankbaarheid zou stemmen,(7) helpt het veel uit te leggen welke het doel is van de Sociëteit zoals dit voorgeschreven is in de regels, waar er gezegd wordt dat de Sociëteit zich volledig inspant voor het heil van de naaste, zoals voor haar eigen ziel. Daarom is het nodig nederige diensten te bewijzen in de hospitalen, de armen, de lijdenden en de gevangenen te bezoeken, prompt en van iedereen de biecht te horen, [opdat de voorname inwoners de onzen zouden bewonderen en beminnen om de ongewone naastenliefde voor allen en de nieuwigheid daarvan]. Commentaar : Nergens staat, dat de Sociëteit zich zo moet blijven gedragen nadat de promotiecampagne gelukt is. De Sociëteit wil verbazen juist zoals Ignatius wilde verbazen : het blijft een show. Hetzelfde scenario wordt telkens weer opgevoerd : men kon het nog recent bewonderen bij de stichting van een nieuwe parochie te Gent : zorg voor armen, huisbezoek, bezoek aan zieken, armoedig leven, zich bezighouden met de straatjeugd, informatie inwinnen via de postbode en anderen, enz.

2. [Men denke eraan de toelating tot het uitoefenen van onze ministeries bescheiden en religieus te vragen, opdat allen, zowel de kerkelijke voornamelijk als de wereldlijke heren, wiens gezag en autoriteit wij nodig hebben, zich welwillend zouden opstellen]. Commentaar : alles blijft middel tot het doel : naastenliefde, bescheidenheid en onderdanigheid niets is volledig echt : dit is een gevolg van het voluntarisme van Ignatius.

3. Men moet zich ook begeven naar verder afgelegen plaatsen, [waar men zelfs de kleinste aalmoezen zal aannemen, nadat men zal aangetoond hebben, hoezeer de onzen er nood aan hebben]. Daarna moet men ze aan de armen geven,(8) opdat men diegenen zou stichten, die de Sociëteit nog niet kennen, en opdat ze des te vrijgeviger zouden zijn tegenover ons.(9)

Commentaar : opmerkelijk is hier dat men de nood van de Sociëteit voorwendt om te bedelen, om onmiddellijk daarna deze aalmoezen weg te geven aan de armen. Met andere woorden : men sticht verwarring in de geesten : zelfs al heeft de Sociëteit het niet nodig, het komt wel ten goede aan de armen; die idee moet overblijven.

4. [Dat ze allen geïnspireerd blijken met dezelfde geest, en dat zij leren allen dezelfde omgangsvormen te hebben, opdat de uniformiteit in één zo grote diversiteit van personen iedereen stichte. Dat men diegenen wegzende, als schadelijk, die anders handelen]. Commentaar : Allen moeten het evenbeeld worden van Ignatius. Niets anders wordt geduld. Dit is de zuivere idee van de Stichter.

5. [Dat in 't begin de onzen zich wel wachten goederen aan te kopen, maar als ze die kopen, dat ze het doen onder de ontleende naam van enkele trouwe vrienden, die kunnen zwijgen, opdat onze armoede des te sterker zou uitkomen. Dat de goederen, die vlakbij de plaatsen liggen waar we reeds colleges bezitten, toegewezen worden aan afgelegen colleges; dat zal beletten, dat prinsen en magistraten met zekerheid de inkomsten van de Sociëteit zouden kennen].

Commentaar : De techniek van de stroman, die in plaats van de Sociëteit koopt en zaken beheert, is tot heden overvloedig betuigd. De Sociëteit kan moeilijk haar imago van armoede behouden als iedereen weet welk haar inkomen is. Op het gebied van haar financies is de Sociëteit nooit erg mededeelzaam geweest, ook niet tegenover haar eigen leden.

6. [Dat de onzen om zich te vestigen zich uitsluitend richten tot de rijke steden; het doel van de Sociëteit is immers Christus, onze redder, na te volgen, die meestal in Jerusalem verbleef, en andere minder belangrijke plaatsen slechts doorreisde].

Commentaar : Deze passage is aanleiding geweest om de authenticiteit van de Monita aan te vechten, omdat de bovengaande bewering over Christus potsierlijk lijkt. Toch is dit niet zo voor wie de bijbelinterpretaties kent van die tijd, die regelmatig terugkeerden in de predikatie b.v. Men nam grote vrijheden met de tekst. Men vindt b.v. in de Index thematum moralium bij J. Drexler S.J. een hele uitleg waarom de duivel bij het doofstomme kind juist de oren en de mond uitkiest, en niet de ogen : de ogen moeten we nl. altijd kuis gesloten houden, maar langs de oren komt het woord Gods tot ons, en de mond daar biechten we mee en ontvangen we de Communie..(10) Dergelijke interpretaties zijn schering en inslag. De tekst van het Evangelie is maar de aanleiding voor allerlei geestelijke consideraties. De aanbeveling zich te vestigen in de grote en belangrijke steden ligt volledig in de lijn van de aanbeveling in de Constituties de beste en de gezondste plaatsen uit te kiezen voor de residenties en colleges.(11)

7. [Van de weduwen moet men het meeste geld aftroggelen door ze onze geldnood sterk in te prenten]. Commentaar : Naar het woord van Ignatius moet een strateeg nagaan waar de zwakste plaatsen zijn van de vijand, en daar aanvallen waar het minst weerstand te verwachten is.(12) Een feit is dat de Sociëteit inderdaad een enorme geldnood had : een dergelijke expansie volhouden en al deze huizen en colleges onderhouden vergde zonder twijfel aanzienlijke geldmiddelen. Rijke weduwen waren dus een belangrijk doelwit. Nog onder P. Ledochowski werd de Gregoriaanse Universiteit te Rome gebouwd met de gift van één enkele rijke weduwe, een andere betaalde de volledige kapel.

8. [In elke Provincie zal alleen de Provinciaal weten welke de juiste inkomsten zijn; maar wat in de schat van Rome zit moet een mysterie blijven]. Commentaar : In de moderne omstandigheden en bij de huidige stand van de wetgeving moeten de vzw's, die het recht hebben erfenissen te ontvangen, hun balans neerleggen ter griffie van de rechtbank, waar zij door iedereen mogen ingezien worden. Andere vzw's zijn daartoe niet verplicht. De vzw's die onder de zeggenschap vallen van de Sociëteit zijn zeer talrijk. Cf. infra.

9. [Dat de onzen overal prediken en in de gesprekken verbreiden, dat zij gekomen zijn om de kinderen te onderwijzen en het volk hulp te bieden, en dat alles gratis zonder aanzien des persoons, en dat zij niet ten laste zijn van de gemeenschap zoals de andere religieuze orden].

Commentaar : Het principe van de gratis-hulpverlening is ingeschreven in de Constituties en de Formula van de Sociëteit : gratis geven wat men gratis ontvangen heeft.(13) Dit was op de duur niet vol te houden : moderne colleges draaien op subsidies van de staat, op bijdragen van de ouders van de leerlingen, enz.

c) Hoofdstuk II.

Op welke wijze de paters van de Sociëteit het vertrouwen zullen winnen en bewaren van de vooraanstaanden en groten.

1. Dat moet voor alles onze eerste inspanning zijn om overal het oor en het hart te winnen van de vorsten en vooraanstaanden, [opdat niemand zich ons zou durven tegenstellen, en opdat integendeel allen gedwongen zouden worden van ons af te hangen].

2. Daar echter de ervaring leert dat de vorsten en groten vooral gunstig gezind zijn tegenover geestelijken, wanneer die hun hatelijke daden verdoezelen, of ze op zijn best interpreteren, zoals b.v. bij het sluiten van huwelijken met aanverwanten en bloedverwanten, of dergelijke dingen,(14) -- degenen, die dergelijke dingen nastreven moet men aansporen, en de hoop laten doorschemeren [dat dergelijke dispensaties door de onzen gemakkelijk van de paus bekomen worden, en dat het zo zal gebeuren, indien de redenen uitgelegd worden, voorbeelden voorgebracht, en gunstige uitspraken geciteerd ten titel van het algemeen welzijn en de meerdere eer van God, die het doel is van de Sociëteit].(15) Commentaar : Naast de privileges en bijzondere machten van de biechtvaders, door Ignatius zelf nagestreefd en bekomen, was er de mogelijkheid om door de onmiddellijke communicatie met Rome vlot dispensaties te verkrijgen die aan de paus voorbehouden waren. Dit was een belangrijke troef om invloed te verkrijgen aan de hoven, waar dgl. dispensaties welgekomen waren o.a. voor het sluiten van politieke huwelijken.

3. Hetzelfde moet men doen, als de vorst iets onderneemt dat niet aan alle vooraanstaanden bevalt.(16) Men moet hem moed geven en aansporen, en vooral de geesten van de anderen proberen te bewegen om zich bij de vorst aan te sluiten, en hem vooral niet tegen te spreken. Maar dat alles in 't algemeen, zonder in bijzonderheden te treden, opdat men het niet aan de Sociëteit zou verwijten, indien de zaak mislukt. En indien men al eens afgekeurd wordt, dat men dan verwijzen naar de tegengestelde instructies, die dit alles volledig verbieden, [en dat men de autoriteit inroepe van enkele paters, waarvan vaststaat dat deze geheime onderwijzingen hun volledig onbekend zijn, die zelfs onder eed kunnen bevestigen, dat de Sociëteit belasterd wordt, als haar dgl. zaken ten laste worden gelegd].

Commentaar : In de Constituties staat de verplichting zich te onthouden van alle wereldlijke zaken.(17) Deze verplichtingen werden nog eens heel expliciet geformuleerd in de 5e Algemene Congregatie (d. 47) : geen enkel jezuïet mag zich met politiek inlaten, ook al wordt hij daartoe uitgenodigd : in naam van de heilige gehoorzaamheid mag niemand zich mengen met de openbare en wereldlijke zaken van de vorsten, die betrekking hebben op de staat, en niemand mag de zorg voor politieke zaken op zich nemen (d. 79). Kort daarop treedt Paulus V (1605-1621) op (Quantum religio) om aan jezuïeten elke politieke inmenging te verbieden, behalve dan de zorg voor het zieleheil van de vorsten.(18) Het feit is dus duidelijk : als er zulke reactie nodig was om de jezuïeten in het politieke domein in te houden, dan is dit het bewijs dat zij dat ongehinderd en veelvuldig deden. De maatregelen van de 5e Congregatie en van de paus beperken de openbare inmenging, m.a.w. zij verwijzen die inmenging naar het geheime domein. Daardoor komt de politieke actie volkomen in handen van de vorstenbiechtvaders, die veel discreter en in groot geheim de vorsten kunnen leiden. Bovendien worden alle «gewone» jezuïeten weggehouden uit de politiek waar zij, uit onwetendheid, een verkeerde politiek zouden kunnen volgen of de goedgekeurde politiek storen of tegenwerken. Officieel bekommerde de Sociëteit zich dus alleen om de geestelijke leiding en de gewetensvorming van de vorsten.

4. Het zal ook veel helpen om zich meester te maken van de geest van de vorsten, indien de onzen [handig en door bemiddeling van derden] zich kunnen voorstellen om eervolle en gunstige zendingen naar andere vorsten op zich te nemen, [vooral bij de paus en bij de hoogste monarchen, want bij die gelegenheden zullen ze zichzelf en de Sociëteit kunnen aanprijzen. Daarom mag men alleen zeer ijverige en in ons instituut zeer onderlegde personen daartoe bestemmen].

Commentaar : Ignatius heeft ervoor gezorgd Canisius en Fabre en anderen te belasten met zendingen. Later zijn er talrijke anderen geweest. Stanislas Warsewicz en Anton Possevinus kregen zo'n opdracht bij Johannes III , koning van Zweden, daarna was Possevinus nog bedrijvig bij de koningen van Polen en Spanje en bij de Keizer, en zelfs in Rusland. Kerkelijke en wereldlijke politiek waren zo met elkaar vervlochten dat zij niet uit elkander te houden waren; daarbij waren persoonlijke sympathieën van doorslaggevend belang.

5. De huisgenoten en de dienstboden, vooral diegenen waarmee de vorsten vertrouwelijk omgaan, moet men winnen door kleine geschenken en verscheidene vrome oefeningen, opdat zij de onzen getrouw zouden inlichten over het humeur en de neigingen van de vorsten en vooraanstaanden. En zo zal de Sociëteit zich gemakkelijk aan hen kunnen aanpassen.(19)

6. De ervaring heeft ook geleerd in het Oostenrijkse huis en de andere rijken van Frankrijk, Polen, enz. en de overige hertogdommen, hoeveel het de Sociëteit geholpen heeft huwelijken te makelen tussen de vorsten.(20) Daarom moet men voorzichtig uitgekozen bruiden voorstellen, die met vrienden of verwanten van de onzen bevriend of vertrouwd zijn .(21)

7. De vrouwen van de vorsten (22) kan men gemakkelijk winnen via de kamermeiden, daarom moet men deze op allerlei wijzen begunstigen, zo zal de toegang open zijn tot alles, zelfs het meest geheime in die familie.

8. Onze biechtvaders moeten in de leiding van de gewetens van de groten de opinies van die auteurs volgen, die het geweten vrijer maken vergeleken bij de opinie van andere religieuzen, opdat zij, na die verlaten te hebben, alleen volledig zouden willen afhangen van onze leiding en onze raadgevingen.

Commentaar : de verovering van de ziel van de vorsten, die meestal autokratische monarchen waren, was zo belangrijk, dat men alle middelen moest gebruiken om dat bastion in te nemen en te behouden. Een van de troeven was de brede morele interpretatie, die het probabilisme toeliet, en natuurlijk velen kon aantrekken om het ietwat ruimer te nemen. De vorsten zouden dit het meest appreciëren. Daarbij expliciteren de Monita louter wat Ignatius reeds in de Constituties opnam : «Tot hetzelfde doel (het welzijn van de Sociëteit) zal in 't algemeen bijdragen, dat de genegenheid en liefde van alle buitenstaanders tegenover de Sociëteit behouden blijft, maar dan vooral bij diegenen, wier wil, goed of slecht tegenover ons gezind, veel belang heeft voor het ontsluiten of afsluiten van de toegang tot het apostolaat en de zielzorg. In eerste instantie behoude men de welwillendheid van de H. Stoel,.. vervolgens die van de wereldlijke vorsten en groten, en van de autoriteiten.. En zo zal het blijken dat sommigen vijandig gestemd zijn; vooral indien zij veel gezag hebben moet men voor hen bidden en alle gepaste redenen gebruiken, opdat zij weer bevriend zouden worden..»(23)

9. De vorsten en de prelaten, en alle anderen die uitzonderlijke gunsten aan de Sociëteit kunnen toekennen, moet men deelachtig maken aan alle verdiensten van de Sociëteit, [nadat men hun het belang van dit voorrecht heeft uitgelegd].

Commentaar : in de Constituties vinden we : «Stichters en weldoeners van de Colleges worden in 't bijzonder deelachtig gemaakt aan alle goede werken, die zowel in de Colleges als in de hele Sociëteit gebeuren».(24)

10. Voorzichtig en behoedzaam moet men insinueren welke brede faculteiten de Sociëteit heeft om zelfs de gereserveerde gevallen te absolveren ten overstaan van andere pastoors en religieuzen, dat zij daarenboven kan dispenseren van vasten, van de echtelijke plicht, van de huwelijksbeletselen, en andere bekende dingen, [waardoor de meesten op ons zullen moeten beroep doen].

Commentaar : de biechtvaders beschikten tot het tweede Vaticaanse Concilie over bijzondere machten waardoor zij konden dispenseren van de Zondagsplicht, de vasten en dgl. kerkelijke geboden. Bovendien konden zij absolveren in gevallen van excommunicatie gewoon of speciaal voorbehouden aan de H. Stoel; zij konden ontslaan van private geloften, enz. Dit is niet verwonderlijk : de buitengewoon uitgebreide en solidee theologische en morele vorming kon verantwoorden dat zij optraden als expert. De pastoors en vele andere religieuzen beschikten niet over die bijzondere machten, zodat men wel terecht moest bij de Sociëteit, die zich alleen maar kon verheugen over die privileges .

11. Deze mensen moeten uitgenodigd worden bij sermoenen, sodaliteiten, gebeden, opvoeringen, voordrachten, enz. In gedichten, geschreven verhandelingen, moet men ze eer bewijzen, zelfs, indien nuttig, ze aan tafel uitnodigen, ze ontvangen en op verschillende wijze begroeten.(25)

Commentaar : is het zo verwonderlijk dat de weerlegging van de Monita, geschreven door J. Gretser S.J. voorafgegaan wordt door een lofzang aan de bisschop van Krakau ? Deze praktijken behoren bij elke promotie en zijn courant in de handel.

12. We moeten ons ook de vijandschappen en betwistingen onder de groten aantrekken om ze bij te leggen. [Zo kunnen we stilaan kennis krijgen van de familie-geheimen, en een of andere partij aan ons verplichten].

13. Indien iemand die de Sociëteit weinig genegen is, een vorst of een prins dient, moet men er op waken, dat hij ofwel door de onzen, of liever nog door anderen, in de vriendschap en de familiariteit met de Sociëteit wordt betrokken door de belofte van gunsten en promotie, die hij zal verkrijgen van de prins of de monarch.

Commentaar : dit is het geheim van vele mooie carrières en benoemingen. Vele politieke partijen in de westerse democratieën zijn als goede leerlingen van de Sociëteit dezelfde weg ingeslagen.

14. [Allen moeten er zich van onthouden diegenen die om gelijk welke reden ontslagen werden, vooral diegenen die uit eigen beweging de Sociëteit verlieten, bij gelijk wie aan te bevelen of te bevorderen; omdat die, hoezeer ze ook veinzen, altijd een onverzoenbare haat tegenover de Sociëteit in zich dragen].

Commentaar : de onverzoenlijke houding van de Sociëteit wordt hier gerechtvaardigd door haar te projecteren in de ex-jezuïeten. Dit is een gewoon psychisch mechanisme : de eigen houding moet op enige manier voor het eigen geweten gewettigd schijnen, dat kan maar als de tegenstander een onvergeeflijke fout begaat, en die hem wordt toegeschreven, nl. een onverzoenlijke haat. Anderzijds is het niet verwonderlijk dat zovelen die onheus behandeld werden, zich tegen de Sociëteit keren, vooral als zij gewaarworden dat de Sociëteit niet aflaat ze te benadelen en hun de weg verspert.

15. Tenslotte, dat iedereen zich inzette om de prinsen, de groten en de magistraten overal voor zich in te nemen,(26) zodanig dat ze zelfs tegen bloedverwanten, aanverwanten en hun eigen vrienden, bij gelegenheid, streng en trouw voor de onzen optreden.(27)

Commentaar : hoe men ze moet innemen werd al gezegd; eenmaal gebonden aan de Sociëteit zijn ze wel verplicht haar te verdedigen : hun verdere promotie hangt er van af.

Hoe de Sociëteit moet handelen met degenen die veel gezag hebben in de staat, en die, hoewel ze niet rijk zijn, op andere wijze toch kunnen dienst bewijzen.

1. Behalve het voorgaande, dat bijna allemaal verhoudingsgewijze ook op deze laatsten kan toegepast worden moet men hun gunst verwerven als een wapen tegen onze tegenstrevers.(28)

2. Men moet gebruik maken van hun gezag, voorzichtigheid en raad voor de aanschaf van goederen (29) en voor het verwerven van allerlei opdrachten, die de Sociëteit kan uitvoeren. [Als men van oordeel is dat men ze voldoende kan vertrouwen, kan men stilzwijgend en in 't geheim hun naam gebruiken bij de vermeerdering van de tijdelijke goederen].

Commentaar : zoals we reeds zegden is het gebruik van stromannen een vaste traditie in de Sociëteit. Deze praktijk ligt aan de oorsprong van het fameuze proces de Buck te Antwerpen en te Brussel. Cf. infra.

3. Men moet ze ook gebruiken om het gemene volk te bedaren en in bedwang te houden, en het plebs dat onze Sociëteit slecht gezind is.

4. Van de bisschoppen, prelaten en andere kerkelijke overheden, moet men, in verschillende mate en volgens hun genegenheid voor ons, eisen dat wat opportuun is.

5. In sommige streken zal het voldoende zijn, dat men ervoor zorge dat de prelaten en pastoors bekomen dat hun onderdanen de Sociëteit respecteren, en dat zij onze ministeries niet zouden beletten; op andere plaatsen waar zij meer macht hebben, zoals in Duitsland, Polen, enz. kan men meer eisen.(30) Men moet hun zoveel eer bewijzen, opdat door hun gezag en dat van de prinsen, de kloosters, de parochies, de priorijen, en andere fundaties, de gefundeerde heilige plaatsen aan ons toegewezen worden; dat zullen we het gemakkelijkst bereiken op plaatsen waar katholieken gemengd zijn met ketters en schismatici. Zo moet men bij deze prelaten de immense vruchten en verdiensten, die voortkomen uit zulke veranderingen aantonen, die men niet kan verwachten van seculiere geestelijken en monniken. Indien ze dit doen, moet men in 't openbaar hun ijver loven, zelfs schriftelijk en dat tot een blijvende herinnering maken.

Commentaar : Het is een feit, dat in Duitsland en Polen de kloosters en de geestelijkheid in groot verval waren, het was dus gemakkelijk voor de Sociëteit om prinsen en prelaten te overtuigen van de superioriteit van de nieuwe aanpak door een gedisciplineerd en ontwikkeld corps. Bovendien had de Sociëteit haar sporen verdiend. Het verwerven van gefundeerde parochies, bedevaartplaatsen (denk aan Loretto , Oostakker ), priorijen en dgl. kon de Sociëteit op korte tijd voorzien van grote geldmiddelen en van vooruitgeschoven posten tegen de oprukkende ketterij. Lucius citeert een hele reeks pogingen van de Sociëteit om de hand te leggen op de inkomsten van een aantal rijke kloosters en abdijen.(31) Om de prelaten en prinsen te motiveren worden ook zij beloond met prestige en eerbetoon. Weldoeners willen nu eenmaal erkend worden. Hun welwillendheid tegenover de Sociëteit kan ondersteund worden door de invloed van de Sociëteit te gebruiken om ze nog meer macht en invloed te bezorgen, en ze zo des te nuttiger te maken. Een intelligente manier om de menselijke ijdelheid uit te buiten tot meerdere eer van God.

6. Men moet er naar streven, dat zulke prelaten zouden gebruik maken van de onzen zowel voor de biecht, als voor raad en, indien zij hopen, of ernaar streven tot een hogere graad te klimmen in de Romeinse curie, moet men ze helpen met alle krachten en inzet van vrienden die er enigszins kunnen toe bijdragen.

Commentaar : de Sociëteit tracht natuurlijk zoveel mogelijk pionnen te verwerven in alle beleidsorganen van de Kerk en de Staat, maar het is absoluut essentieel dat zij compleet gecontroleerd kunnen worden binnen en buiten de biecht en voortdurend willen afhankelijk zijn in hun beleid. Deze paragraaf heeft ertoe geleid dat in de inleiding tot de Monita in de uitgave van Krakau het verwijt gemaakt wordt dat diegenen die bij de jezuïeten te biechten gaan ambitieuzen zijn en simoniaken, of hebzuchtigen en listigaards, die iets willen bereiken daar waar de jezuïeten meester zijn in de staat.(32)

7. Dat de onzen ervoor zorgen bij bisschoppen en prinsen, dat, wanneer dezen colleges of parochies funderen, de Sociëteit de macht zou hebben de vicaris aan te duiden, die instaat voor het zieleheil, dat diegene die de lokale overste op dat ogenblik is, zelf pastoor zij, en zo zal heel het beleid van die parochie van ons afhangen, en alle parochianen zullen helemaal onderworpen zijn aan de Sociëteit, zodat men alles van hen zal kunnen bekomen.

Commentaar : De Sociëteit wil vooral het beleid in handen hebben en dit door de techniek van de benoeming van «agenten». Het is niet de bedoeling alle plaatsen zelf te bezetten of alles zelf te doen.

8. Waar er hoogleraren zijn die ons bestrijden of katholieken, of ketters, die de stichtingen beletten, daar moet men trachten via de prelaten de belangrijkste preekstoelen te bezetten. [Zo zal de Sociëteit soms tenminste haar noden en haar argumenten bij gelegenheid kunnen uiteenzetten].

Commentaar : in een moderne context zou men dit «public relations» noemen en goede relaties met de media of een efficiënte media-politiek.

9. Vooral zal men de prelaten van de kerk moeten winnen, wanneer het gaat om de zalig- of heiligverklaring van de onzen, en dan zal men op alle manieren brieven van groten en vooraanstaanden moeten bezorgen, waardoor zij bij de Apostolische Stoel de zaak bevorderen.

Commentaar : Ignatius, Xaverius, Borgia, Stanislas , Berchmans en vele anderen werden heilig verklaard. Zoals men weet kost een heiligverklaring veel moeite en vereist veel geld. De Sociëteit had er veel voor over om in een aantal van zijn leden officieel erkend te worden : het werkte als een certificaat van goed gedrag en zeden en een aanbevelingsbrief vanwege de Heilige Stoel. Dit kon een aantal vijanden het zwijgen opleggen.

10. Indien het vaststaat dat prelaten of groten een zending krijgen, moet men er wel voor opletten, dat zij geen beroep doen op kloosterlingen die ons bestrijden, dat zij geen genegenheid voor hen opvatten, en vooral dat zij ze niet binnenbrengen in provincies en steden, waar wij verblijven. Indien dat soort legaten op doorreis zouden zijn in provincies of steden waar de Sociëteit colleges heeft, moeten zij ontvangen worden met grote eer en vriendschap, en behandeld worden zoals de religieuze bescheidenheid het toelaat.

Commentaar : Dit is niets anders dan de explicitatie van de stelregel van de Constituties, dat men moet zorgen dat alle machtige personen gunstig gestemd worden tegenover de Sociëteit : wat insluit dat deze personen geen vijandige concurrenten van de Sociëteit zouden begunstigen.(33)

e) Hoofdstuk IV.

Wat men moet aanraden aan de predikanten en biechtvaders van de groten.

1. De onzen moeten de vooraanstaande en beroemde mannen zo leiden, dat ze alleen schijnen oog te hebben voor de meerdere eer van God, en tot zulke graad van gestrengheid, als dezen het zelf willen toelaten; hun leiding moet niet onmiddellijk, maar langzamerhand het uitwendig en politiek beleid op het oog hebben.

Commentaar : Dit is natuurlijk een gewraakte passage : de Constituties bepalen dat men zich niet moet bezighouden met wereldse zaken, maar deze beperking was voor interpretatie vatbaar. Zoals we zegden waren godsdienstige en wereldlijke zaken volledig in elkaar verweven. Er waren bovendien decreten van de generale congregaties en verordeningen van de Generaals en last not least een verbod door de paus om in 't openbaar zich met politiek bezig te houden. Deze regels golden ook voor de biechtvaders. Maar wat kon hun beletten voor de meerdere eer van God en voor het zieleheil van hun biechteling hem informatie te verstrekken b.v. over de meest geschikte personen voor bepaalde hoge ambten, enz. Voor het politiek beleid zelf kon een biechtvader toch maar de katholieke stellingen verdedigen en zijn biechteling tot de verdediging ervan aanzetten..

2. Daarom moet men ze dikwijls voor ogen brengen, dat de verdeling van ereambten en waardigheden in de staat iets te maken heeft met rechtvaardigheid, en dat God zwaar beledigd wordt door de overheden, indien zij tegen haar in handelen en uit passie te werk gaan. Dat zij dikwijls en met grote ernst verklaren, dat zij zich geenszins willen inmengen in het bestuur van de staat, maar dat ze spreken tegen hun eigen wil in, alleen uit plicht. Wanneer de groten dit eenmaal goed begrepen hebben, moet men behandelen met welke deugden diegenen moeten voorzien zijn, die tot de waardigheden en de openbare en vooraanstaande ambten moeten benoemd worden, en dat men tenslotte hun de namen geve, en deze late aanbevelen door oprechte vrienden van de Sociëteit. [Dat moet niet rechtstreeks door de onzen gedaan worden, maar het zal veel eleganter zijn, indien men vrienden en vertrouwelingen van de prins daarbij inschakelt].

3. Daarom moeten onze biechtvaders en predikanten door onze vrienden ingelicht worden, wie er voor welk ambt geschikt is, vooral degenen die vrijgevig zijn voor de Sociëteit. En dat zij hun namen bij zich zouden hebben, en op zijn tijd handig zelf of door anderen suggereren aan de prins.(34)

Commentaar : deze politiek is naar het getuigenis zelf van Jozef II bijzonder goed gelukt in het huis van Habsburg : in een brief aan de Spaanse gezant, graaf Aranda (Januari 1770) schrijft hij : « hun ongelukkige invloed op de macht van ons huis is mij nauwkeurig bekend. De opvoeding van de jeugd, de uitleg van de wereldgeschiedenis heeft men aan hun arglistige leiding overgeleverd. De verdeling van beloningen, de benoeming tot de hoogste plaatsen lag meestal in hun handen. Zij zijn binnengeslopen in het hart van de keizerinnen en daardoor hebben ze het oor van de keizer gewonnen, om hun plannen uit te kunnen voeren.»(35)

4. De biechtvaders en predikanten worden eraan herinnerd, dat zij de gezagdrager zacht en vleierig moeten behandelen, ze op geen enkele wijze in de sermoenen en de private onderhouden ergeren, [ze alle vrees voor hun zonden wegnemen, en ze vooral aansporen tot politieke rechtvaardigheid en het geloof zelf].

Commentaar : P. La Chaise heeft blijkbaar deze stelregel toegepast voor zijn biechteling Lodewijk XIV . Door politieke rechtvaardigheid begrepen de biechtvaders dus het uitdelen van ambten aan vrienden.

5. [Kleine geschenken voor eigen gebruik mogen zij praktisch nooit aanvaarden, maar zij moeten de gemeenschappelijke nood van de provincie of het college aanbevelen.(36) Zij moeten thuis vrede nemen met een eenvoudige kamer, en zich niet al te opzichtig kleden,] zich prompt begeven bij de meest onaanzienlijke personen in het paleis om ze te helpen en te troosten, [om niet de schijn te hebben alleen beschikbaar te zijn voor de groten].(37)

Commentaar : De Sociëteit is allergisch voor het persoonlijk voordeel en bezit dat zou voortvloeien uit het aanvaarden van geschenken. P. Acquaviva schrijft over de armoede een veelzeggende brief (26 April 1610). Dit betekent alleen maar dat er veel protest gerezen was van rechtgeaarde arme jezuïeten over de privileges van de grote biechtvaders, tegenover wie veel door de vingers werd gezien door de oversten. De biechtvaders gingen soms mee op jacht met de vorsten, droegen fijne kleding, zaten aan bij grote banketten, reden per koets, hadden overal toegang, genoten van hun invloed aan het hof. Zij kregen natuurlijk ook al eens geschenken... terwijl de arme jezuïeten zich afsloofden in de colleges.

6. Zo vlug mogelijk na de dood van beambten moeten zij ervoor zorgen tijdig te onderhandelen om er vrienden van de Sociëteit in de plaats te doen benoemen, en zij moeten daarbij zelfs het vermoeden vermijden, dat zij het beleid uit de handen van de gezagdrager willen nemen. Daarom ook, zoals hierboven gezegd, moeten zij dat niet onmiddellijk zelf doen, maar wel machtige en trouwe vrienden, [die de jaloersheid kunnen opvangen, indien die ontstaat]. [

7. Indien grote heren opstandig zijn, moet men suggereren aan de vorst ze in 't geheim door trawanten of door gif te doen verdwijnen, en de scrupules, die bij dit opzet zouden kunnen ontstaan, moet men voorkomen door gezonde raadgevingen.]

Commentaar : deze laatste regel komt niet voor in vele uitgaven; blijkbaar vond men hem te kras. Toch is hij niets anders dan de door de jezuïeten standvastig en hardnekkig verkondigde stelling van de tirannenmoord. Cf. infra.(38) Van Aken citeert hem als voorkomend in de oorspronkelijke versie.(39)

f) Hoofdstuk V.

[Wat gedaan met religieuzen, die in de Kerk dezelfde functies uitoefenen als wij ?](40)

1. Dat soort mensen moet men moedig verdragen, ondertussen moet men aan de gezagdrager en aan hen die enige autoriteit hebben en ons enigszins genegen zijn, uitleggen en opportuun aantonen, dat onze Sociëteit de volmaaktheid inhoudt van alle andere orden behalve het koorgebed en een uitwendige strengheid in leeftocht en kleding, en indien sommige orden in iets uitmunten, toch blinkt de Sociëteit op een uitmuntender wijze uit in de Kerk Gods.(41)

2. Men moet onderzoeken en noteren welke de gebreken zijn van andere religieuzen; door deze gebreken [welke men voorzichtig en alsof men ze betreurt stilaan bij trouwe vrienden bekend maakt,] kan men aantonen, dat zij minder gelukkig die functies kunnen vervullen, waarin ze ons concurrentie aandoen.

3. Met grotere kracht moet men optreden tegen diegenen die scholen, om de jeugd op te leiden, willen oprichten op die plaatsen, waar de onzen eervol en nuttig doceren. Dat zij aan de gezagdrager en aan de magistraten aantonen, dat die mensen onrust en opstand verwekken in de stad, tenzij men ze daarin belemmert, en dat de moeilijkheden bij de jongeren zelf zullen beginnen, die op een andere wijze onderricht worden, tenslotte dat de Sociëteit volstaat om de jeugd op te leiden. Indien die religieuzen pauselijke brieven hebben bekomen, of de aanbeveling van kardinalen hebben, moeten de onzen tegenstand bieden via de prinsen en groten, die de paus moeten informeren over de verdiensten van de Sociëteit, en het feit dat zij volstaat om in vrede de jeugd te onderrichten. Dat zij ook getuigenissen verwerven van de magistraten over haar goede levenswandel en onderwijs.

4. Ondertussen moeten zij trachten zoveel mogelijk een buitengewoon toonbeeld te stellen van deugd en doctrine door de studerenden in de studie te oefenen; zij moeten ook voor allerlei lofwaardige schoolvoorstellingen zorgen voor een publiek van groten, magistraten en volk.

Commentaar : Deze publieke voorstellingen, veelal toneel, maar ook voordrachten, werden intensief door de jezuïeten bedreven; tegelijk werden de studies en het volgen van de leerlingen eveneens sterk benadrukt, zodanig dat de jezuïetencolleges bekend werden voor het hoge studiepeil en ook vooral voor de aandacht en de hulp die zij aan de leerlingen besteedden. Deze ijver was niet zozeer gemotiveerd door de genegenheid voor de leerlingen, maar vooral door de noodzaak de besten te zijn, en daardoor het monopolie te vestigen dat aan de Sociëteit de invloed zou bezorgen, die zij nodig had. Deze alles dominerende machtsdrang werd scherp bekritiseerd door Jozef II (en de andere vorsten) toen hij aan de hertog van Choiseul schreef : «Choiseul, ik ken de jezuïeten zo goed als gelijk wie. Ik ken al hun plannen en al hun pogingen, om in de wereld het obscurantisme te verbreiden en overal verwarring te stichten, opdat hun orde van Cap Finisterre tot de IJszee zou kunnen regeren.»(42)

g) Hoofdstuk VI.

Over het winnen voor de Sociëteit van rijke weduwen.

1. Voor dit werk moeten oudere paters gekozen worden die er fris uitzien, [levendig en aangenaam kunnen converseren]. Dat zij die weduwen bezoeken, en vanaf het ogenblik dat ze bij hun een zekere genegenheid merken tegenover de Sociëteit, dat men ze dan deelachtig make aan de werken en verdiensten van de Sociëteit. Indien ze dat aanvaarden, en als ze beginnen bij ons naar de kerk te komen, dat men hun een biechtvader bezorge, door dewelke zij goed moeten geleid worden met het oog ze te behouden in de weduwstaat, door de lof te zingen van de voordelen en het geluk ervan, en door ze als zeker de eeuwige verdienste, die zij zich gaan verwerven, voor te stellen, [en vast te beloven dat dit het meest efficiënte middel is om de pijnen van het vagevuur te vermijden].

Commentaar : Deze rijke weduwen worden slechts deelachtig gemaakt aan de verdiensten van de Sociëteit als ze voldoende geld geven. Hertrouwen zou deze bron doen opdrogen : zij zouden het gezelschap van een oudere pater niet meer zo op prijs stellen.

2. [De biechtvader moet ervoor zorgen, dat zij zich bezighouden met het versieren van de kapel of een bedeplaats van het huis, waar zij enige tijd kunnen verwijlen voor geestelijke overwegingen en oefeningen, om ze zo af te houden van de betrekkingen met en de bezoeken aan vooraanstaanden. En alhoewel ze een kapelaan hebben, moeten de onzen zich niet onthouden er de mis op te dragen, en vooral te gelegener tijd onderwijzingen te geven. Zij moeten de kapelaan trachten onder hen te houden].

3. [Behoedzaam en geleidelijk moet men die dingen die betrekking hebben op het bestuur van het huis veranderen, met inachtneming van de persoon, de plaats, de genegenheid en de toewijding.](43)

4. [Dat huispersoneel moet men eerst, maar langzamerhand, verwijderen, dat niet volledig met de Sociëteit overeenkomt of er geen betrekkingen mee onderhoudt, en, als er sommigen moeten vervangen worden, moet men diegenen aanraden die afhankelijk zijn van de onzen of bereid zijn er van af te hangen. Zo kunnen ze deelnemen aan alles wat er in de familie gebeurt].

5. De hele inspanning van de biechtvader moet erop gericht zijn, dat de weduwe voor alles bij hem te rade komt en zich eraan houdt en dat moet bij gelegenheid haar duidelijk gemaakt worden, dat dit de enige grondslag is van de geestelijke vooruitgang.

6. Men moet haar het menigvuldig ontvangen van de sacramenten aanraden, [en dat aanprijzen, vooral het sacrament van de biecht, waarin zij de intieme roerselen van de ziel en gelijk welke bekoringen kan blootleggen, daarna de menigvuldige communie en het bijwonen van de mis van haar eigen biechtvader, waartoe zij zal uitgenodigd worden met de belofte van speciale gebeden,] verder het opzeggen van de litanie [en het dagelijks gewetensonderzoek].

7. [Het herhalen van de algemene biecht, zelfs al heeft ze die reeds bij een ander afgelegd, zal niet weinig helpen om haar neigingen zo volledig mogelijk te kennen].

8. De aanmaningen zullen handelen over de voordelen van de weduwstaat, over de moeilijkheden vooral van het herhaalde huwelijk, over de gevaren die men loopt, enz., vooral diegene die haar meest betreffen.

9. [Handig moet men enkele partijen voorstellen, waarvan men zeker weet dat zij er een afschuw voor heeft;](44) van de andere beschrijft men de ondeugd en de slechte zeden, als er zijn die haar schijnen toe te lachen, opdat zij op die manier walge van een tweede huwelijk.

10. Wanneer het nu vaststaat dat zij haar weduwstaat goed draagt, [dan moet men haar het geestelijk leven aanraden, niet het religieuze waarvan men haar eerder de nadelen moet voorhouden, en overdrijven, zoals het was b.v. voor Paula, en Eustochius, enz.] De biechtvader moet voorzien dat ze nu zo vlug mogelijk door een gelofte van kuisheid [tenminste voor twee of drie jaar] elke toegang tot een tweede huwelijk uitsluite; gedurende die tijd moet men elke omgang met (45) [het andere geslacht en ontspanningen zelfs met bloedverwanten en aanverwanten verbieden uit hoofden van een grotere verbondenheid met God]. De geestelijken waardoor de weduwe bezocht wordt, moeten, als het onmogelijk is allen uit te sluiten, toch zulkdanigen zijn, dat zij toegelaten worden krachtens onze aanbeveling, of van onze toestemming afhangen.

11. Wanneer ze nu zoveel vooruitgang gemaakt heeft dat ze zover gekomen is, dan moet men ze stilaan brengen tot goede werken, vooral aalmoezen; toch mag de weduwe niets doen zonder de leiding van haar geestelijke raadsman, [omdat het van groot belang is om met discretie de talenten om te zetten in geestelijke winst, en slecht geplaatste aalmoezen dikwijls een oorzaak en een broeinest van zonden zijn, en zo maar weinig vrucht en verdienste opbrengen].

h) Hoofdstuk VII.

Hoe de weduwen behouden en over hun bezittingen beschikken.

1.[ Men moet ze voortdurend aanzetten om voort te gaan in vroomheid en goede werken, zo dat er geen week voorbijga, dat ze spontaan niet iets opofferen uit hun overtollige overvloed ter ere van Christus, of Onze- Lieve-Vrouw, of hun patroon, dat zij voor de armen bestemmen of om de kerken te versieren, totdat ze volledig ontdaan zijn van het kruim en de buit van Egypte].

2. Indien zij buitengewoon genegen zijn tegenover onze Sociëteit, en blijk geven van vrijgevigheid,(46) [dat zij dat dan blijven voortdoen], en deelachtig gemaakt worden aan alle verdiensten van onze Sociëteit [met een speciaal indult van de Provinciaal, of indien zij van zeer hoge rang zijn, van de Generaal].

Commentaar : Er zijn voorbeelden bekend van weldoensters, die zo deelachtig gemaakt werden aan de verdiensten van de Sociëteit, o.a. de moeder van P. von Hoensbroech, zoals hijzelf vertelt.(47)

3. Als zij de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd, dat zij die dan elk jaar naar onze gewoonte hernieuwen,(48) [en dat men ze voor die dag een eerbare recreatie met de onzen toesta].

4. Men moet ze dikwijls bezoeken, en met aangename gesprekken, geestelijke verhaaltjes en geestigheden ontspannen en vertroetelen [volgens eenieders humeur en neiging].

5. Men moet ze niet te streng behandelen in de biecht,(49) [zodat ze niet chagrijnig zouden worden, tenzij dat men mogelijkerwijze wanhope te herwinnen waarvan anderen zich meester gemaakt hebben. Daarin moet men oordelen met veel aanvoelen voor de instabiele natuur van de vrouwen].

6. [Men moet ze heel sluw onttrekken aan bezoeken en feestelijkheden in andere kerken, vooral die van de religieuzen, en men prente hun in dat alle indulgentiën van de overige orden in de Sociëteit werden samengebracht].

7. [Indien ze de rouw moeten voeren, dat men hun een rouwkleding toelate, die met een eerbare elegantie iets geestelijks verenigt met iets mondains, opdat ze niet de indruk zouden krijgen, dat ze volledig geleid worden door een geestelijke.] Indien er tenslotte geen gevaar is voor onstandvastigheid, en zij tegenover de Sociëteit trouw en vrijgevig bevonden worden, mag men ze een en ander toelaten, dat zij, met mate en zonder schandaal, voor hun zinnelijke voldoening opeisen.(50)

8. [Dat men bij de weduwen andere eerbare meisjes, uit rijke en adellijke ouders geboren, plaatse, opdat zij langzamerhand gewoon zouden worden aan de leiding van de onzen, en onze wijze van leven. Daarvoor stelle men een dame aan die gekozen werd door de biechtvader van de hele familie. Zij moeten onderworpen worden aan de tucht en de gebruiken van de Sociëteit, en diegenen die zich niet willen aanpassen, moet men terugsturen aan de ouders en de anderen die ze aanbrachten. Men moet ze beschrijven als misnoegden met een moeilijk karakter, enz.](51)

Commentaar : De meeste van deze regels zijn duidelijk gekristalliseerde ervaring. Voor zover dat men de gewone handelwijze van de Sociëteit kent, is aan de redactie van deze regels een rondvraag voorafgegaan bij de voornaamste biechtvaders : daarvan zijn deze regels de samenvatting. Constant is trouwens de bekommernis dat iedereen van de Sociëteit moet willen afhankelijk zijn; wil men dat niet dan wordt men gedenigreerd.

9.[Men moet niet minder zorg hebben om hun gezondheid en ontspanning dan om hun zieleheil. Daarom indien ze klagen over hun gezondheid, moeten onmiddellijk het vasten, het dragen van het haren boetekleed, de geseling en andere lichamelijke boetedoeningen verboden worden.] Ze mogen zelfs niet buitenkomen om naar de kerk te gaan, [maar ze moeten thuis in 't geheim en behoedzaam verzorgd worden]. Dat men hun toelate in de tuin en in 't college binnen te komen, [als het maar in 't geheim gebeurt]. Men moet [geheime] recreaties en gesprekken toelaten met degenen die hun het meest bevallen.(52)

10. Wat betreft de beschikking over de inkomsten [die de weduwe heeft, ten voordele van de Sociëteit, moet men hun de volmaaktheid voorspiegelen van de heilige mannen, die de wereld verlaten hebben en hun familie, hun goederen hebben afgestaan, en met grote gelatenheid en geestelijke vreugde God gediend hebben. Ten dien einde zette men uiteen wat er gezegd wordt in het Examen (53) en de Constituties van de Sociëteit over zulke afstand van goederen en de verloochening van alle dingen]. Dat men voorbeelden van weduwen bijbrenge, die zo in korte tijd tot heiligen werden, [met de hoop ooit heilig verklaard te worden, als ze zo tot het einde hadden volhard, en dat men hun aantone dat het daartoe aan de onzen niet aan gezag zou ontbreken bij de paus.]

11. Het moet hun vast ingehamerd worden, dat [als ze van een volmaakte gewetensrust willen genieten, ze totaal zonder morren, ongenoegen of inwendige reticentie,] de leiding moeten volgen van de biechtvader, [als iemand die daarvoor door God speciaal werd bestemd, zowel in tijdelijke als in geestelijke zaken].

12. Men moet hun ook bij gelegenheid onderrichten dat het beter is, dat zij hun aalmoezen zouden geven aan geestelijken, vooral religieuzen, met een duidelijk voorbeeldige levenswandel, natuurlijk alleen met medeweten en goedkeuring van de biechtvader.(54)

13. Zeer ijverig moeten de biechtvaders erop waken, dat deze weduwen die hun penitenten zijn, onder geen beding andere religieuzen zouden bezoeken of vertrouwelijk met hen omgaan.(55) [En om dat te beletten moeten zij de Sociëteit van tijd tot tijd voorstellen als de meest verheven orde boven alle anderen, de nuttigste in de Kerk, met een groter gezag bij de paus en alle vorsten, de volmaakste, omdat zij alle schadelijke en ongeschikte subjecten wegzendt, en zo leeft zonder schuim noch uitschot zoals er veel is bij de monniken, die over 't algemeen onontwikkeld zijn, dom, lui, onbekommerd om hun eigen heil, en gehecht aan hun buik, enz.]

14. De biechtvaders moeten hun(56) voorstellen en hun ertoe overhalen vaste pensioenen en bijdragen te betalen, waardoor de schulden van de colleges en de professenhuizen verlicht worden, vooral het romeinse professenhuis; en dat zij ook de sieraden van de kerk niet vergeten, de kaarsen, de wijn, enz. die noodzakelijk zijn om de mis te vieren.

15. [Indien een weduwe niet gedurende haar leven haar volledig vermogen aan de Sociëteit vermaakt heeft,(57) dat men haar bij gelegenheid, en vooral in geval van een zware ziekte of een levensgevaarlijke situatie], spreke over de nood van de menigte nog niet gefundeerde, nieuwe colleges, en dat zij er met zachte maar stevige hand ertoe worde gebracht om uitgaven te doen, waarmee zij de eeuwige glorie zal funderen.

16. Zo moet men ook handelen met de vorsten, en andere weldoeners, [door ze te doen kiezen voor datgene wat blijft in deze en in de andere wereld en wat hun een eeuwige glorie bij God zal verwerven. Als nu enkele kwaadwilligen het voorbeeld van Christus aanhalen, die niets had om zijn hoofd op te laten rusten, en de gezellen van Christus even arm als Christus zouden willen zien, moet men ze aanhoren en ernstig inprenten, bij gelegenheid ook aan iedereen, dat de kerk Gods nu veranderd is en een monarchie is geworden, die zich moet in stand houden door gezag en grote macht tegen machtige vijanden, en deze steen moet zijn die groeide tot een enorme berg, zoals de profeet heeft voorspeld].

Commentaar : In deze regel vinden we de Ignatiaanse interpretatie van de navolging van de armoede van Christus : de jezuïet persoonlijk leeft arm en de Sociëteit bezit niets, maar ze heeft machtige middelen nodig om de strijd te winnen tegen de ketterij. Zij is een monarchie met gezag en macht.

17. Zij die zich tot het geven van aalmoezen gekeerd hebben(58) en het versieren van de kerken, moet men dikwijls tonen dat de hoogste volmaaktheid hierin bestaat, dat zij zich volkomen ontdoen van de liefde tot de aardse zaken, en dat zij die volledig in eigendom geven van Christus en zijn gezellen.

18. [Maar omdat men nooit zoveel kan verhopen van weduwen die hun kinderen opvoeden voor een werelds leven, zullen we zien hoe we daar iets aan kunnen doen](59)

i) Hoofdstuk VIII.

Hoe moet men het aanvatten opdat zonen of dochters van weduwen de religieuze of een vrome staat zouden omhelzen.

1. Als de moeders streng,(60) [zo moeten de onzen zacht in deze materie] handelen. De moeders moet men instrueren dat ze hun kroost van jongs af aan bescheidenheid leren door vermaningen en afstraffingen, enz. Als ze verder gevorderd zijn, vooral indien het meisjes zijn, moet men hun de vrouwelijke sieraden en kleinoden weigeren, [wensend en dikwijls den Heer biddend, dat zij zouden verlangen naar de religieuze staat], en hun een belangrijke bruidsschat belovend als zij moniaal zouden willen worden. Zij moeten dikwijls de moeilijkheden, die iedereen in het huwelijk ondervindt, uiteenzetten,(61) en indien ze zelfs iets in 't bijzonder ervaren hebben, hun spijt uitdrukken, dat zij toentertijd niet het celibaat boven het huwelijk de voorkeur hebben gegeven. Tenslotte moeten ze zo handelen dat vooral de meisjes uit afkeer van het leven bij hun moeder, tenslotte denken aan de religieuze staat.

Commentaar : Alle godsdiensten en sekten hechten een zeer groot belang aan de vorming van de allerjongsten, opdat ze met grote zekerheid de voorgeschreven weg zouden gaan. Door een soort geestelijke mutilatie versperren zij vele wegen voor de ontwikkeling van de jongeren.

2. Met de zonen moeten de onzen vertrouwelijk omgaan, en als ze voor onze Sociëteit geschikt schijnen, brenge men ze te gelegener tijd in een college, en men tone ze en verklare alles wat hun op enige wijze kan bevallen, en wat aangenomen wordt uit te nodigen tot het leven in de Sociëteit, zoals daar zijn de tuinen, de wijngaarden, de buitenverblijven en de landgoederen waar de onzen ontspanning zoeken. [Men vertelle hun de reizen naar verschillende landen, de omgang met de vorsten der wereld], en alles wat de jeugd kan aantrekken,(62) de reinheid in de refter [en in de kamers], de aangename gesprekken tussen de onzen, [de gemakkelijkheid van onze regels, waaraan nochtans Gods glorie gebonden is, en de verhevenheid van onze orde boven de andere]; en luimige gesprekken moet men mengen met vrome.

Commentaar : trouw aan Ignatius bouwt de Sociëteit haar succes op de «ongeregelde neigingen», de eigenliefde, de hang naar succes van haar kandidaten. Eerst naderhand komt de pijnlijke ervaring van de Geestelijke Oefeningen, waar ze al die «ongeregelde neigingen» zullen moeten leren afleggen met de hoop eens te triomferen met Christus.

3. [Dat ze aangespoord worden, alsof het een openbaring ware, tot de religieuze staat in 't algemeen, dat daarna behoedzaam de volmaaktheid en de gemakkelijkheid van ons instituut boven alle andere worde gesuggereerd, dat hun zowel in publieke onderwijzingen, als in private gesprekken uiteengezet worde hoe zware fout het is tegen de goddelijke roeping weerstand te bieden, dat zij er uiteindelijk toe gebracht worden de Geestelijke Oefeningen te doen om een besluit te nemen over de keuze van een levensstaat].

4. De onzen moeten ervoor zorgen dat dergelijke jongeren onderricht ontvangen van lieden die de Sociëteit toegewijd zijn,(63) [die ononderbroken op hen waken en ze aanmanen. Indien zij echter weerstand bieden, moet hun allerlei ontzegd worden, zodat zij een walg krijgen van het leven. Tenslotte als men niet kan bereiken dat zij zich spontaan aansluiten bij de Sociëteit, dat men ze voor de studies zende naar verafgelegen colleges van de Sociëteit],(64) en, dat zij, vanwege de moeder heel weinig troost ontvangen, [maar vanwege de Sociëteit allerlei aantrekkelijke dingen, opdat zij hun genegenheid op de onzen zouden overbrengen].

j) Hoofdstuk IX.

Over het vermeerderen van de inkomsten van de colleges.

1. [Niemand mag tot de laatste professie-geloften worden toegelaten, zover als mogelijk, zolang hij nog enkele erfenissen kan verhopen, tenzij hij een jongere broer in de Sociëteit heeft, of om andere ernstige redenen. In alles en voor alles moet men zorgen voor de versterking van de Sociëteit volgens de doeleinden die bekend zijn aan de Oversten. Dezen moeten alleszins samenzweren opdat de Kerk tot meerdere eer van God in haar vroegere glans hersteld worde, en dat heel de clerus slechts uit één geest handele; daarom moet men dikwijls eraan herinneren en van tijd tot tijd verkondigen dat de Sociëteit voor een deel bestaat uit professen, die zo behoeftig zijn, dat zij, waren daar niet de dagelijkse giften van de gelovigen, alles zouden ontberen, voor een ander deel uit andere wel arme paters, maar die vaste goederen bezitten, opdat zij niet ten laste zouden zijn van het volk voor de studies en ministeries, zoals de andere bedelorden.] Daarom moeten de biechtvaders van prinsen, groten en weduwen, en van anderen waarvan de Sociëteit veel mag verhopen, ernstig wat op deze materie betrekking heeft inprenten, zodat ze terwijl ze hun geestelijke en goddelijke dingen bijbrengen, zij tenminste aardse en tijdelijke goederen van hen zouden ontvangen. Dat ze haast nooit de gelegenheid missen om iets te krijgen als het aangeboden wordt. Indien iets beloofd wordt en het wordt uitgesteld, moet men er voorzichtig aan herinneren, terwijl men zoveel mogelijk gelijk welke geldzucht verdoezele. Indien er nu iemand van de biechtvaders van groten of van anderen tekort komt voor wat betreft het in praktijk brengen van deze regels, moet men hem [bijtijds en behoedzaam] verwijderen [en een ander in zijn plaats benoemen; en indien het noodzakelijk is voor de grotere voldoening van de penitenten, worde hij verzet naar verafgelegen colleges en zegge men dat de Sociëteit daar zijn persoon en zijn talenten nodig heeft]63.(65) Wij hebben onlangs(66) gehoord dat jongere weduwen, door een vroege dood verrast, door de nalatigheid van de onzen zeer waardevolle meubelen niet aan de kerken van de Sociëteit legeerden, omdat ze niet tijdig werden aanvaard; men moet niet kijken naar het ogenblik om dergelijke dingen te aanvaarden, maar naar de goede wil van de biechtelingen.

Commentaar : Het is duidelijk dat men de echte redenen van een afzetting en verwijdering van een jezuïet niet aan iedereen meedeelt, vooral niet aan de betrokken vrienden en biechtelingen, en allerminst als de redenen zijn dat de biechtvader niet voldoende geldelijk rendeert.. Maar bovendien zal men aan de betrokkene zelf alleen maar een voorwendsel meedelen : hij moet alleen maar blindelings gehoorzamen. Hoe gewoon deze praktijken ook zijn in wereldse organisaties, toch verrassen ze in een geestelijke context. Ze zijn helemaal niet zo schandalig, als men ze ziet vanuit de heersende mentaliteit in de Sociëteit˙: de efficiënte en succesrijke actie heeft prioriteit tot meerdere eer van God, dat is de zaak van de oversten. De onderdaan, die ontgoochelt, moet men natuurlijk zulke redenen niet meedelen, dat zou de zaak kunnen schaden als hij verontwaardigd de waarheid zou verspreiden bij zijn machtige biechtelingen.

2. Prelaten, kanunniken, pastoors en andere rijke geestelijken moet men door allerlei technieken aanlokken tot de geestelijke oefeningen, [en langzamerhand door hun verlangen naar geestelijke zaken ze bevriend maken met de Sociëteit om daarna hun vrijgevigheid langzamerhand uit te vorsen].(67)

3. De biechtvaders [mogen niet nalaten hun penitenten uit te vragen, op geschikte ogenblikken wel te verstaan],(68) over hun naam, hun familie, hun verwanten, ouders, vrienden, bezittingen, daarna moet men hun erfenissen, hun staat, hun bedoelingen en beslissingen nagaan. [En indien ze nog geen beslissing genomen hebben die gunstig is voor de Sociëteit, moet men hun daartoe overtuigen. Indien er ergens op 't eerste gezicht enige hoop op een zeker nut aan 't licht komt, omdat het niet goed is alles ineens te vragen, moet men hun opleggen wekelijks te biechten te komen, hetzij om meer duidelijkheid in het geweten te brengen, hetzij als genezende penitentie, en zij moeten door dezelfde biechtvader daartoe passend uitgenodigd worden, omdat wat hij ineens niet kan onderzoeken, in verschillende malen moet onderzocht worden. Als hij lukt naar wens, en het is een vrouw, moet hij ze opleggen om te volharden in de veelvuldige biecht en het bezoek aan de kerk, indien het een man is moet hij ertoe gebracht worden de sodaliteit te bezoeken en een vertrouwelijke omgang met de onzen te ontwikkelen].

4. [Wat over de weduwen gezegd werd, moet men ook doen bij de kooplieden, de rijke burgers en de echtelieden zonder kinderen, van wie de Sociëteit als algemeen legataris niet zeldzaam de erfenis verkrijgt, indien deze technieken voorzichtig in praktijk worden gebracht. Vooral moeten deze regels geobserveerd worden tegenover de rijke devoten die met de onzen in betrekking zijn, waarbij, als ze niet uit zeer adellijke familie stammen, het volk slechts enigszins kan fluisteren.]

5. De rectoren van de colleges moeten trachten kennis te hebben van de huizen, tuinen, landgoederen, wijngaarden, dorpen en al de overige goederen, welke in het bezit zijn van de voornaamste edellieden, kooplieden of burgers; en indien het enigszins kan, van hun inkomsten en de lasten waarmee ze bezwaard zijn; [maar dit moet behoedzaam gebeuren, en het meest efficiënt in de biecht, de sodaliteit en private gesprekken. Indien een biechtvader een rijke penitent aan de haak heeft, moet hij terstond de rector verwittigen, en moet hem trachten op alle manieren te behagen.]

Commentaar : de strategie van de macht loopt onvermijdelijk langs de rijke burgers en hun geld. Men kan het schandalig vinden dat men de biecht gebruikt om te weten te komen wat deze bezitten, en dat het onderzoek naar hun bezittingen het hoofddoel schijnt te zijn van alle streven, toch vindt de biechtvader dit helemaal niet erg : zijn bezittingen afstaan aan de Sociëteit is een daad van piëteit en een teken dat men het ernstig meent met de navolging van Christus... en dat kan alleen ten goede komen aan het eeuwig heil van de penitent.

6. [Het is van het hoogste belang, dat de onzen de welwillendheid van penitenten en anderen, waar zij mee omgaan weten te verwerven en zich aanpassen aan de neigingen van elk. Daarom moeten de provinciaals ervoor zorgen, dat er velen worden gezonden naar plaatsen waar rijken en edelen wonen, en opdat de provinciaals dat voorzichtig en succesvol zouden doen, moeten de rectoren hen nauwkeurig en tijdig inlichten.]

7. Zij moeten ook nauwkeurig onderzoeken of er overeenkomsten en bezittingen door het aanvaarden van de zonen in de Sociëteit op haar over kunnen gaan, en, indien mogelijk, of enige goederen, zo door enig contract of op een andere wijze aangebracht, aan een college ten deel kunnen vallen, zodat zij die na een tijd aan de Sociëteit kunnen afstaan; [tot dat doel moet men iedereen, vooral groten en rijken de nood van de Sociëteit inhameren, en de last van de schulden].(69)

8. Indien het geval zich zou voordoen, dat weduwen of gehuwde rijken, die ons genegen zijn, alleen dochters hebben, moeten de onzen ze vriendelijk naar de staat van vrome vrouwen richten, of naar een klooster van monialen, nadat hun een bruidsschat overgelaten werd terwijl al de rest (70) langzamerhand voor de Sociëteit wordt ingepalmd. [Indien zij zonen hebben, die geschikt zijn voor de Sociëteit, moet men ze aanlokken, en de anderen moet men in andere orden binnenleiden mits het compromis van een zekere minimale toelage. Maar als er een enige zoon is, moet hij op alle manieren tot de Sociëteit aangetrokken worden, en men moet hem alle vrees voor de ouders uit de geest praten en hem de roeping van Christus inprenten, door aan te tonen dat dit het welgevalligst offer is aan God, als hij buiten weten en tegen de wil van zijn ouders wegvlucht; daarna moet men ze naar een afgelegen noviciaat zenden, nadat men eerst de Generaal heeft verwittigd. Voor het geval dat zij zonen en dochters hebben, moet men eerst de dochters naar het klooster of een religieuze staat richten, daarna de zonen met de successie van de goederen in de Sociëteit trekken.](71)

Commentaar : de heilige Stanislas Kostka is het meest bekende geval van een kandidaat die het ouderlijk huis is ontvlucht en in een verafgelegen noviciaat is terechtgekomen, waar hij overleden is.

8. [De oversten moeten de biechtvaders van dergelijke weduwen en gehuwden zacht en krachtig aansporen zich nuttig in te zetten voor de Sociëteit volgens deze instructies; doen zij dat niet, dan moeten anderen in hun plaats gesteld worden en zijzelf verwijderd, zodanig dat zij geen betrekkingen meer kunnen onderhouden met die families.]

9. Weduwen of andere vrome personen, die met veel inzet naar de volmaaktheid streven, moet men ertoe brengen te komen tot het meest efficiënte middel om tot het hoogtepunt van de volmaaktheid te komen, nl. dat zij hun bezittingen aan de Sociëteit zouden afstaan, en leven van een lijfrente van de Sociëteit, [die hun volgens hun behoeften doorlopend zal toegekend worden], opdat zij zonder zorgen en bekommernissen God vrijer zouden kunnen dienen.(72)

Commentaar : De praktijk van de lijfrenten is tot nu toe in gebruik : heel wat bemiddelde dames hebben zo een soort pensioenregeling afgesloten met de Sociëteit, die daarin fungeerde als een verzekeringsmaatschappij. In de oudste versie van de Monita staat gewoonweg dat deze weduwen zich moeten tevreden stellen met een jaarlijkse uitbetaling (interim contentae sint annuam suscipere contentationem (sic)).

10. [Om iedereen efficiënter te overtuigen van de armoede van de Sociëteit, zullen de oversten geld lenen bij de rijkere personen, die de Sociëteit genegen zijn, bij overeenkomst tot uitgestelde terugbetaling; daarna, bij een gevaarlijke ziekte van dergelijke persoon, zal zij voortdurend bezocht worden, en met alle redenen zal men haar moeten bewegen om het contract terug te geven; zo zullen de onzen het testament niet moeten erkennen, en ondertussen maken we winst zonder jaloersheid van de erfgenamen om de goederen van de stervende.]

11. [Het zal ook helpen bij sommige personen een lening te nemen tegen een jaarlijkse rente, en datzelfde geld elders aan een hogere interest te plaatsen, om de uitgaven te compenseren met de inkomsten; want ondertussen kan het gebeuren, dat vrienden, die geld op die wijze te leen hebben gegeven, door medelijden bewogen, de interest of soms ook het kapitaal, hetzij door testament, hetzij door schenking onder levenden, aan de Sociëteit afstaan, terwijl colleges en kerken gebouwd worden.]

Commentaar : de Sociëteit organiseert zich als bank en spaarkas, en hoopt door een zachte druk nog heel wat geld los te peuteren van haar «vrienden». Hier is wel sprake van een zeker misbruik van vertrouwen, alhoewel het natuurlijk de ogen uitsteekt dat de Sociëteit wegens haar bliksemsnelle expansie onder een zware financiële druk stond. Tenslotte was het allemaal tot meerdere eer en glorie van God.

12. [Op een nuttige wijze kan de Sociëteit onder de naam van rijke kooplieden, die ons toegewijd zijn, handel drijven, maar men moet een zekere en overvloedige winst op het oog hebben, zelfs in Indië, dat de Sociëteit niet alleen zielen, maar ook rijkdommen, met Gods zegen, heeft gebracht.]

Commentaar : Deze regels geven de oplossing o.a. voor het ophefmakende geval Willem De Boey te Antwerpen. Deze was een succesvol en bemiddeld zaakvoerder; hij kwam in betrekking met de jezuïeten van het college te Antwerpen, en deed zgn. uitstekende zaken op de beurs, zodat hij al vlug als schatrijk bekend werd. Toen hij zwaar ziek werd en toen het duidelijk werd dat hij zou sterven, werd zijn huis belegerd door jezuïeten, die alles controleerden. Hij schreef een testament waarbij hij een volstrekt onbekende (een broer van een jezuïet : advokaat Valentijns;) als algemeen legataris aanduidde. Een hele kist geld verhuisde door de zorgen van de jezuïeten naar het college. Zijn arme familieleden begrepen niet, dat zij slechts een schamel deel kregen, en dat al het overige naar een volslagen onbekende ging. Een daarvan, een ietwat mislopen jongen, zijn neef Benedict de Buck , die aan de goede zorgen van een jezuïet, P. Lhoire , was toevertrouwd geweest en ondertussen ook al in de gevangenis was beland, nam het niet en ging zijn vroegere geestelijke leider bedreigen. Men moet weten dat het testament stipuleerde dat gelijk wie van de erfgenamen, die het testament zou betwisten, uitgesloten zou worden; alleen deze jonge man had helemaal niets gekregen en kon dus protesteren. De met de dood bedreigde jezuïet legde klacht neer en de zaak kwam voor het Assisenhof te Brussel (13-16 Mei 1864). Daar heerste een liberale anticlericale sfeer en het proces werd een grote aanklacht tegen de Sociëteit. De jonge de Buck werd vrijgesproken. Het proces voor de erfenis ging verder voor de Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen. Uitgebreid werden alle getuigen verhoord. Het proces sleepte aan : de rechtbank erkende de geldigheid van het testament. Maar toen stierf de ongehuwde algemene legataris; zowel zijn broer, de jezuïet, als een andere broer notaris en zijn zuster weigerden de erfenis te aanvaarden, die daardoor terugkwam bij de erfgenamen-familieleden. Het hele proces werd in extenso gepubliceerd en in de pers omstandig gecommentarieerd.(73) De jezuïeten waren hun geld kwijt, en ook hun erfenis. Ze zijn teruggeschrokken voor het immense schandaal. Publiek waren ze aan de schandpaal geslagen als erfenisjagers.

13. [De onzen moeten op de plaatsen waar zij wonen een geneesheer hebben, die trouw is aan de Sociëteit, die zij bij de zieken boven alle anderen het meest aanbevelen en aanprijzen, opdat hij als wederdienst de onzen zou aanbevelen boven de andere religieuzen en zo bekome dat wij nu en dan bij vooraanstaande zieken, en vooral stervenden worden geroepen.]

14. [De biechtvaders moeten ijverig zijn in het bezoeken van zieken, vooral degenen die in gevaar zijn, en opdat zij de andere religieuzen of geestelijken daar op een decente manier zouden kunnen elimineren, moeten de oversten ervoor zorgen, dat tegen de tijd dat de biechtvader denkt weg te gaan bij de zieke, onmiddellijk anderen hem opvolgen, en de zieke in zijn goede voornemens sterken. Ondertussen moet men voorzichtig nu en dan de angst voor de hel inprenten, enz. of tenminste de angst voor het vagevuur, en aantonen dat zoals het water het vuur dooft, zo de aalmoes de zonde wegvaagt; dat aalmoezen nooit beter kunnen besteed worden, dan voor het onderhoud en de steun voor dat soort personen die door hun roeping de liefde belijden voor het zieleheil van de naaste. En zo kan men ze deelachtig maken aan dat heilswerk, en zo kunnen de zieken genoegdoening verschaffen voor hun eigen zonden, omdat de liefde een menigte zonden bedekt. De liefde kan men ook beschrijven als een bruidskleed, zonder hetwelk niemand toegelaten wordt tot het hemels gastmaal. Tenslotte moet men uit de Schriftuur en uit de geschriften van de Kerkvaders datgene aanbrengen, dat, rekening houdend met de mogelijkheden van de zieke, het meest efficiënt geoordeeld wordt om hem te bewegen.]

15. [Vrouwen die klagen over de ondeugden van hun mannen of over hun gierigheid moet men leren in 't geheim enige sommen geld weg te nemen, en ze aan God te offeren om de zonden van de mannen uit te boeten, en voor hen vergiffenis te bekomen.]

k) Hoofdstuk X.

Over de strengheid van de persoonlijke tucht in de Sociëteit.

1. Gelijk wie,(74) van gelijk welke conditie of leeftijd zal, [onder een ander voorwendsel als een vijand van de Sociëteit ontslagen worden] , die onze vrome zielen of andere vrienden zal vervreemd hebben [van onze kerk of van de omgang met de onzen, of die aalmoezen gericht heeft] naar andere kerken of religieuzen, of die aan een rijke, of een de Sociëteit welgezinde (de intrede) zal afgeraden hebben; ook wanneer ze, tegen de tijd dat ze over hun eigen goederen moeten beschikken, meer genegenheid hebben getoond tegenover hun bloedverwanten dan tegenover de Sociëteit(75); want dat is een duidelijk teken van een onverstorven geest, en het past dat professen helemaal verstorven zijn, hetzelfde geldt voor diegenen die aalmoezen verkregen van penitenten of andere vrienden van de Sociëteit naar hun arme bloedverwanten hebben afgeleid. Opdat ze echter nadien over de reden van hun ontslag niet zouden klagen, moet men ze niet onmiddellijk wegzenden, maar men moet ze eerst verbieden biecht te horen, men moet ze versterven en kwellen met de uitoefening van de laagste bedieningen; zij moeten dag aan dag gedwongen worden die dingen te doen waarvan men weet dat ze de grootste afkeer hebben. Ze moeten uit de hogere studies verwijderd worden en uit de eervolle opdrachten; dat men ze het vuur aan de schenen legge met publieke verwijten en vermaningen; dat men ze weghoude uit de recreaties, en van de omgang met vreemden; dat men ze benadele in kleding en andere benodigdheden die niet tot het strikt noodzakelijke horen, [totdat ze tot protest en ongeduld gedreven worden, en dan zal men ze ontslaan als al te onverstorven, en schadelijk wegens het slechte voorbeeld voor anderen. En indien men de reden van het ontslag moet meedelen aan verwanten of aan kerkelijke prelaten dan zegge men dat zij niet de geest van de Sociëteit hadden].(76)

Commentaar : De Duitse jezuïet Streicher bericht uit een uit de 17e eeuw stammend vertrouwelijk schrijven uit Spanje : «Een half jaar voor de wegzending wordt de betrokkene in een kerker geworpen en daar op water en brood tot vermagering gebracht («maceratus»). Elke vrijdag wordt hij, met ijzeren ketens aan beide voeten geketend, door een lekebroeder in de refter gebracht, en daar moet hij zich geselen. Ook hebben de onzen het doorgedreven dat aan geen enkele, die niet uit rechtmatige, dwingende redenen uitgetreden was, nog een pastorij of een beneficie verleend werd».(77)

In een schrijven van Generaal Carafa aan de Provinciaal van Noord-Duitsland ( Keppler ) op 24 Augustus 1674 heet het : «Wie hardnekkig volhardt in zijn verzoek tot ontslag, volhardt in de doodzonde, en moet van de anderen afgezonderd worden, hij moet door vasten en andere straffen streng getuchtigd worden, zoals voorgeschreven door het 22e decreet van de 7e Generale Congregatie». Gevangenisstraf behoorde daarbij : wij hebben o.a. een manuscript bewaard, gevonden op het vertrek van de Rector van het College van Doornik waarin naast andere notities ook het decreet van de 5e Generale Congregatie van 3 Juli 1558 genoteerd is over dat onderwerp : «de carceribus» (over de gevangenissen).(78)

De «Imago Primi Saeculi», het werk over het eeuwfeest van de Orde, door de jezuïeten van de Vlaamse Provincie opgesteld (waaronder de beroemde Bolland ) schrijft cynisch : «De priesters, die ontslagen werden, hebben dat alleen aan zichzelf te wijten. De Sociëteit heeft alleen haar recht uitgeoefend.. Ook de bisschoppen, die ze (de ontslagenen) gewijd hebben, worden door geen wet verplicht ze te onderhouden».

Het is duidelijk dat men de echte reden van het ontslag absoluut geheim wil houden. Ook de andere jezuïeten mogen niets weten. Een hele komedie moet opgevoerd worden, opdat de anderen zouden instemmen met het ontslag. Tegenover prelaten en verwanten liegt men niet als men beweert dat zij niet de geest van de Sociëteit hadden, toch is dit een « restrictio late mentalis » m.a.w. een halve leugen, omdat die vreemden menen dat de betrokkene niet beantwoordt aan de hoge geestelijke eisen in de Sociëteit, terwijl hij integendeel tekort is gekomen tegenover heel andere regels : nl. de absolute prioriteit van de Sociëteit en dat vooral in het gebied van macht, geld en invloed.

Bij de afstand van goederen, ook van diegene die hem nog kunnen toekomen, is volgens de wetgeving van de Sociëteit elke jezuïet volkomen vrij in het bepalen van de bestemming ervan voor goede werken, ook buiten de Sociëteit. De overste mag evenwel aan de betrokkene wel de nood van de Sociëteit uiteenzetten. Wanneer de betrokkene arme familieleden wil bedenken, dan moet hij dit onderwerpen aan het oordeel van één, twee of drie jezuïeten en berusten bij hun beslissing. Dit moet gemeld worden aan de Generaal, want dit is een teken van onverstorvenheid : een jezuïet moet vader en moeder en de familie verlaten, ook als ze arm zijn. De vrijheid van de afstand van goederen is vrijwel een illusie˙: wat moet hij doen als de overste hem komt uiteenzetten welk de grote nood is van de Sociëteit ? Bovendien, zelfs al laat hij alles aan de Sociëteit, moet hem gezegd worden dat het volmaakter is de beschikking over de gelden aan de Generaal over te laten, eerder dan zelf in teveel detail hun bestemming te bepalen.(79) De Monita Privata zijn hier in volkomen overeenstemming met de Constituties : gelijk welke affectie voor arme verwanten wordt erg kwalijk genomen. Alhoewel uitdrukkelijk gesteld wordt dat de betrokkene ook geld mag toewijzen aan goede werken buiten de Sociëteit (80), wordt ook dit hem zeer kwalijk genomen : hij toont dat hij niet zeer genegen is tegenover de Sociëteit en niet zeer gevoelig voor haar grote noden. Het is dus duidelijk dat hij onbetrouwbaar is en weg moet. Tegelijk is dit een test van betrouwbaarheid juist voor de laatste geloften, en het is begrijpelijk dat de Sociëteit hierover het geheim bewaart ook tegenover haar eigen leden, anders lekt het uit en is het geen test meer. Het wordt niet verzwegen dat niemand opgenomen wordt in de Sociëteit zonder degelijk op de proef gesteld te zijn of, met een moderner woord, getest. Wie niet lukt in die test, wordt onverbiddelijk uitgestoten. De reden daarvan moet geheim blijven en dus volgt een hele procedure om de betrokkene te diskrediteren bij de anderen. Het is allemaal logisch tot meerdere eer van God. In de oudere versie van de Monita staat een hele paragraaf, dat de Oversten niet scrupuleus moeten zijn in het wegzenden uit de Sociëteit, en dat iedereen kan ontslagen worden, ook de professen. Deze radicale en brutaal ongenuanceerde paragraaf werd weggelaten uit de tweede versie. Dit belet niet dat na de 31e Generale Congregatie (1965-1966) de Sociëteit nog eens een poging heeft gewaagd talrijke jezuïeten te ontslaan, voornamelijk uit de vormingstijd, maar ook priesters. Het is haar slecht bekomen : er is een echte schaarste aan roepingen ontstaan.

2. [Ook diegenen die zich scrupules maken bij het verwerven van goederen voor de Sociëteit moeten weggezonden worden. Men moet zeggen dat ze teveel aan hun eigen oordeel hechten.] Als zij bij de provinciaals zich willen verantwoorden, mag men hen niet eens horen, maar men moet ze dwingen de regel te observeren, waarvoor allen blinde gehoorzaamheid moeten opbrengen.(81)

3. [Men moet nagaan van in het begin en van in de prille jeugd wie er het meest vooruitgang maakt in genegenheid tegenover de Sociëteit; zij echter die betrapt worden op genegenheid tegenover andere orden, of de armen of de ouders moeten, omdat ze van geen nut zullen zijn, op de hierboven beschreven wijze, langzamerhand tot ontslag gebracht worden.](82)

l) Hoofdstuk XI.

Hoe de onzen zich eensgezind moeten gedragen tegenover diegenen die weggezonden werden uit de Sociëteit.

1. [Omdat de weggezondenen tenminste kennis hebben van zekere geheimen,] zijn ze schadelijk en daarom moet men hun pogingen op de volgende wijze bevechten : [vooraleer ze uit de Sociëteit weggezonden worden, moeten zij ertoe gebracht worden schriftelijk te beloven en te zweren, dat zij nooit iets kwaads over de Sociëteit zullen schrijven of zeggen]. Ondertussen moeten de Oversten hun slechte neigingen, gebreken en ondeugden, die zijzelf in de rekenschap van geweten volgens de gewoonte van de Sociëteit opgegeven hebben, op schrift bewaren.(83) Daarmee kan de Sociëteit, indien noodzakelijk, zich behelpen bij groten en prelaten om hun promotie te verhinderen.(84)

Commentaar : Wie dit als oningewijde leest, kan maar besluiten dat hier duidelijk inbreuk gepleegd wordt op het geheim, toch is dit strikt genomen niet zo. Het is duidelijk bepaald dat de overste het recht heeft de rekenschap van geweten te gebruiken in zijn bestuur; het is geen biechtgeheim. Wil de onderdaan de overste tot echte geheimhouding verplichten en toch rekenschap van geweten afleggen, dan moet hij dat doen in de biecht, alhoewel ook daar geen garantie bestaat dat de Overste het hem meegedeelde niet zou gebruiken; hij mag alleen niets voortvertellen. In de moraal noemt men de vertrouwelijkheid van de rekenschap van geweten een « toevertrouwd geheim». Welnu zulk geheim moet men niet houden, indien er teveel op het spel staat; bovendien is het zeker geen zware fout het aan één voorzichtig man mee te delen.(84) Aangezien nu de ontslagen jezuïet elders macht en invloed zou kunnen verwerven, moet men alles in 't werk stellen om dit te beletten. Hij mag het grondstreven van de Sociëteit niet hinderen. Die man zit vol gebreken en is onbetrouwbaar : dat moet meegedeeld worden aan diegenen die hem zouden kunnen beschermen. Dat is een kwestie van «sociale verantwoordelijkheid» tegenover de Kerk.

2. [Men schrijve zo vlug mogelijk aan alle colleges, wie ontslagen werd, en men overdrijve de algemene redenen van het ontslag, de onverstorvenheid van geest, de ongehoorzaamheid, het tekort aan ijver voor de geestelijke oefeningen, de eigengereidheid, enz. Daarna moeten allen verwittigd worden dat ze met hen geen briefwisseling zouden onderhouden. En mocht er vanwege vreemden melding gemaakt worden van de ontslagenen, dan moeten allen eenstemmig hetzelfde zeggen, en terloops zich laten ontvallen dat de Sociëteit niemand aan de deur zet zonder ernstige redenen, maar dat zij zoals de zee de lijken eruit gooit, enz.] Dat men ook voorzichtig zulkdanige redenen suggerere, waarvoor we niet goed gezien worden, opdat het ontslag des te plausibeler schijne.

Commentaar : In de officiële brieven aan de andere jezuïeten blijve men bij algemeenheden, tegenover vreemden houde men de schijn op. In elk geval moet alles aanvaardbaar schijnen. In het algemeen zegt een overste heel weinig over de redenen van een ontslag, en de andere jezuïeten eerbiedigen deze geheimhouding : er circuleren dan wel enige algemeenheden. Weinigen vermoeden de echte reden.

3. In de huiselijke onderwijzingen trachte men iedereen te overtuigen dat de ontslagenen zeer onrustig zijn en voortdurend willen terugkeren naar de Sociëteit. Men overdrijve de tegenslagen van hen die het na het verlaten van de Sociëteit slecht verging.(85)

Commentaar : Wij hebben van de tijd van Ignatius een schitterend getuigenis bewaard hoe deze stelregel toegepast werd : In de Koninklijke Bibliotheek te Brussel is een handschrift bewaard met daarin een dialoog opgesteld door Ribadeneira , één van de eerste gezellen.(86) Daarin vinden we een aantal griezelverhalen over uitgetredenen, die naar een andere Orde overstapten, over ontslagenen, over diegenen, die geen gehoor gaven aan de goddelijke roeping in te treden in de Sociëteit. Naast een paar voorbeelden hoe sommigen krankzinnig werden en b.v. zoals een Vlaming, Laurentius Velez , in 1543 naakt door de straten loopt in Vlaanderen, hoe een ander overloopt naar de Trinitariërs, maar na enkele maanden uitgestoten wordt en sindsdien een zware ziekte meemaakte en geen kruimel meer te eten heeft. (Ribadeneira denkt er niet aan deze arme te helpen, integendeel alles wordt voorgesteld als de gerechte straf van God : hij mag rustig creperen); hoe een Brit blijft aarzelen om de Sociëteit binnen te treden en tenslotte zich verdrinkt; hoe een getalenteerd gediplomeerde uit Parijs in 1511 neiging heeft om af te wijken in mening van Sint Thomas' leer. Hoe men hem in Rome alle boeken ontneemt behalve die van Sint Thomas, hoe hij tenslotte door Ignatius zelf ontslagen wordt en hoe deze verbiedt dat iemand nog met hem zou spreken. Het spreekverbod is dus ook authentiek afkomstig van Ignatius zelf : getuige Ribadeneira. Dat er ook «ongelukken» gebeuren met diegenen die trouw in de Sociëteit blijven wordt verzwegen. De meest bekende gevallen van vroegtijdige dood zijn Stanislas Kostka, Aloysius van Gonzaga, Jan Berchmans ; daarbuiten zijn er de tallozen die stierven onderweg naar de missies, gedood door piraten op zee of gevangen genomen door ketters of Turken, of slachtoffers van de vele besmettelijke ziekten. Ook in de recente Sociëteit zijn veelvuldige ongevallen gekend : tijdens de tweede wereldoorlog stierven te Drongen tijdens noviciaat en juvenaat twee jongeren, een twintigtal gevallen van longvliesontsteking en tuberculose deden zich voor, enkele novicen werden zo overspannen, dat zij verzorging behoefden in een krankzinnigengesticht. Twee pleegden zelfmoord enige tijd na hun ontslag uit de Sociëteit.

(Het fenomeen van de zelfmoord na ontslag komt nogal voor, ook bij andere religieuzen : wie is het geval vergeten van Soeur Sourire en haar gezellin, die tot wanhoop werden gedreven, toen zij, met amper middelen van bestaan, de rekening gepresenteerd kregen van de fiscus voor alles wat Soeur Sourire met haar succesvolle song-optredens had verdiend en aan het klooster afgegeven. De congregatie weigerde die fiscale aanslag te betalen.. Rond die tijd zijn ons nog een paar zelfmoorden van uitgetreden kloosterzusters bekend.) Deze zelfmoorden zijn hoofdzakelijk te wijten aan de uitzichtloze situatie waarin deze religieuzen worden gestoten : zonder middelen van bestaan, totaal geïsoleerd, zonder sociale rechten, beroofd van de middelen om een nieuw bestaan op te bouwen worden ze letterlijk op straat gezet. (In de huidige context kunnen ze nog altijd een beroep doen op het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.) De zelfmoord van Soeur Sourire op Goede Vrijdag is een duidelijk protest geweest tegen deze harteloze praktijken. 4. Tegenover de beschuldigingen, die de ontslagenen uit de Sociëteit zouden kunnen formuleren moet men de autoriteit stellen van ernstige mannen, [die terloops verklaren dat de Sociëteit niemand zonder ernstige reden ontslaat, en geen gezonde ledematen afsnijdt] en dat kan bevestigd worden door de ijver die zij heeft en over 't algemeen betoont tegenover de zielen van de buitenstaanders, hoeveel te meer dan tegenover haar eigen huisgenoten. Commentaar : Zoals in de apologieën tegen de Monita gebruikt de Sociëteit vooral waarschijnlijkheidsargumenten en uitspraken van autoriteiten. Dit is een vrij constante praktijk. De weerlegging door J. Gretser S.J. van de Monita is een schoolvoorbeeld van deze techniek.

5. Daarna moet men die groten en prelaten, bij wie de weggezondenen enige autoriteit of vertrouwen hebben weten te verwerven, door allerlei soorten gunsten vanwege de Sociëteit innemen en ze binden.(87) [Men moet hun uitleggen, dat het algemeen welzijn van een zo beroemde als voor de Kerk nuttige orde moet doorwegen boven het private belang van gelijk welk individu; indien de sympathie tegenover de weggezondenen voortgaat], zal het helpen de redenen voor het ontslag uiteen te zetten, en die dingen te overdrijven, die niet zo zeker zijn,(88) als ze maar door een waarschijnlijke conclusie kunnen afgeleid worden.

Commentaar : De Sociëteit kan niet dulden dat ze van haar eigen ex-leden concurrentie zou ondervinden. Eigenlijk beweegt de Sociëteit zich op de rand van de laster en de corruptie. Men lette er nochtans op dat dit geen corruptie is, daar er in de geest van de begunstigde geen verband wordt gelegd tussen de vriendschap en de diensten die hij krijgt van de Sociëteit en het doel dat men wil bereiken : de Sociëteit probeert alleen de ontslagene te onderkruipen. Het is ook geen laster wanneer ze de gegevens over de ontslagene als waarschijnlijk doorspeelt. Zij probeert de beschermer echter door diensten te verplichten, zodat hij wel moet ophouden iemand sympathie te betonen, die door de Sociëteit niet goedgekeurd wordt.

6. Op alle wijzen moet men voorkomen, dat vooral zij die uit eigen beweging de Sociëteit deserteerden, tot enig kerkelijk officie of waardigheid zouden gepromoveerd worden, tenzij ze zich en al het hunne aan de Sociëteit hebben onderworpen en toegezegd, zodanig dat het voor iedereen vaststaat, dat zij volkomen van de Sociëteit willen afhankelijk zijn.(89)

Commentaar : dezelfde regeling geldt voor diegenen die kardinaal of bisschop worden benoemd : zij moeten beloven ten allen tijde te luisteren naar de raad van de Generaal.(90)

7. [Tijdig moet men ervoor zorgen, dat zij zoveel mogelijk afgehouden worden van de uitoefening van eervolle kerkelijke functies als daar zijn sermoenen, biechthoren, het uitgeven van boeken, enz. opdat zij niet de sympathie en het succes bij het publiek zouden verwerven. Met dat doel zal men met de uiterste zorg hun levenswijze en hun gewoonten, niet alleen de kringen waarin zij vertoeven, hun bezigheden, enz., maar ook hun bedoelingen doorgronden. Daaromtrent moet men bewerken, dat de onzen een speciale briefwisseling onderhouden met iemand uit de familie, waar de ontslagenen inwonen.] Zohaast echter dat er iets minder lofwaardigs, of zelfs afkeurenswaardigs opduikt, moet dit door individuen (91) van lagere stand die ons genegen zijn, onder het publiek verspreid worden, [daarna moet men de groten en prelaten, die de ontslagenen begunstigen, intimideren door de vrees van een komend schandaal].(92) Voor het geval dat de ontslagenen niets laakbaars bedrijven, en zich lofwaardig gedragen, moet men met subtiele uitingen en dubbelzinnige woorden hun hoedanigheden en lofwaardige daden kleineren, totdat de waardering en het krediet dat hun tevoren werd toegekend, vermindert; [het is van groot belang voor de Sociëteit, dat de ontslagenen, en vooral dan diegenen die uit eigen beweging deserteerden, volledig gesupprimeerd worden («prorsus supprimi»).]

Commentaar : Dit is de oorlog : de Sociëteit kan welvoeglijkerwijze de deserteurs en de weerspannigen of ongewensten niet fusilleren, ze kan wel trachten ze monddood te maken. Ignatius is een militair gebleven in hart en ziel. De vijand moet totaal vernietigd. Hoe keihard Ignatius was heeft de eigen broer van Laynez, een der eerste gezellen en tweede Generaal van de orde, aan den lijve ondervonden. Ignatius gunde de ontslagenen niet eens één nacht verblijf.(93)

8. Ongelukken en tegenslagen, die hun overkomen, moet men zo gauw mogelijk publiek maken, [terwijl men om gebeden vraagt bij vrome personen, opdat de onzen niet zouden verdacht worden uit passie te handelen]; in de huizen moeten die op allerlei manieren overdreven worden om de anderen tegen te houden.(93)

Commentaar : We citeerden al de dialoog van Ribadeneira; maar deze regel heeft een geur van schijnheiligheid. Nochtans is het niet tegen de caritas om gebeden te vragen bij vrome personen, trouwens handelen de onzen niet uit passie, maar wel beredeneerd met een bepaald doel voor ogen : de ergernis te beperken en elke schade af te wenden voor de Sociëteit. Dat er wel een en ander moest gedaan worden om de afvalligheid te bestrijden en te voorkomen is ook zonder meer duidelijk˙: er zijn brieven van Generaals, die eraan herinneren hoe bindend de geloften zijn en die de biechtvaders aanmanen hun penitenten met de hellestraf te bedreigen, indien sommigen hun ontslag vragen aan de Generaal. Diegenen die ontslagen werden moesten ook dienen als afschrikkingsmiddel om de anderen soepeler en gehoorzamer te maken.

m) Hoofdstuk XII.

Wie men in de Sociëteit moet behouden en begunstigen .

1. De eerste plaats moeten de goede werkers bezetten, die nl. niet minder het tijdelijke goed van de Sociëteit dan het geestelijke bevorderden, zoals daar zijn meestal de biechtvaders van prinsen en groten, van weduwen en rijke vrome dames [en de professoren, en al diegenen die deze geheimen kennen].(94)

2. Zij wier krachten afnemen wegens de leeftijd, in de mate dat zij hun talenten gebruikt hebben voor de tijdelijke belangen van de Sociëteit, zodanig dat men gepast rekening houdt met de voorbije oogst, behalve dan dat zij nog geschikte instrumenten zijn om, terwijl ze toch altijd thuis zijn, aan de oversten de gewone tekortkomingen over te dragen, die zij bemerken bij de huisgenoten.(95)

Commentaar : in de Constituties is een syndicus voorzien, om alle onregelmatigheden aan de overste te melden.(96) Het spreekt vanzelf dat oudere Paters, die niet veel bezigheden hebben, geredelijk zulke taken op zich nemen.

3. Dezen mag men nooit wegzenden, zoveel mogelijk, opdat de Sociëteit geen slechte reputatie zou krijgen.

Commentaar : Hier blijkt weer eens welke de rangorde der waarden is : eerst komt de glorie van God, d.w.z. o.a. de reputatie van de Sociëteit, daarna eerst het individuele welzijn en de caritas tegenover de medebroeders.

4. Bovendien moet men diegenen begunstigen, [die uitblinken door hun verstand, adel of rijkdom, vooral] indien zij vrienden of verwanten hebben die de Sociëteit genegen zijn en machtig, [en als zij zelf een oprechte genegenheid koesteren tegenover de Sociëteit volgens de uitleg die hierboven gegeven werd]. Men moet ze naar Rome zenden om te studeren of naar de beroemde universiteiten. Indien ze echter in de provincie zouden studeren, moeten zij begunstigd worden met een speciale genegenheid vanwege de professoren. Totdat ze de afstand van hun goederen aan de Sociëteit gedaan hebben, mag men hun niets weigeren, maar nadat ze die gedaan hebben, moet men ze versterven, net zoals de anderen, [maar mits altijd enige rekening te houden met het verleden].(97)

Commentaar : Dit is de logische toepassing van de wet dat alle jezuïeten gelijk zijn voor de regel. Voor de laatste geloften en de definitieve afstand van goederen moet men die «nuttige» subjecten in ere houden en voorkomen dat zij zelf hun ontslag zouden vragen, daarmee de Sociëteit berovend van de voorziene buit.

Ook in de Constituties wordt gezegd dat diegenen die begaafd zijn, adellijk of rijk meer geschikt zijn om aanvaard te worden in de Sociëteit.(99) Deze lijn wordt dus hier voortgetrokken.

5. De oversten moeten ook speciaal rekening houden met diegenen, die enkele uitgelezen jongeren tot de Sociëteit hebben aangetrokken, omdat zij hun genegenheid tot de Sociëteit niet weinig betuigd hebben. [Maar zolang zij nog geen professen zijn, moet men hun niet teveel toegeven, opdat ze niet bij toeval, diegenen die zij tot de Sociëteit brachten, ook zouden kunnen terug sturen].

n) Hoofdstuk XIII.

Over de keuze van jongeren, die men in de Sociëteit moet toelaten en de wijze ze te behouden.

1. Met grote voorzichtigheid moet men er naar streven, dat de jongeren met een goed verstand, een niet te verwaarlozen voorkomen, van adellijk geslacht,(100) of op zijn minst met een van deze hoedanigheden begaafd gekozen worden.

Commentaar : deze vereisten stammen rechtstreeks van Ignatius : ook hij wil mooie jongens («specie honesta»), liefst van adel en begaafd : hij zegde « mala facies, malum faciens» (lelijk gezicht doet lelijke dingen).

2. Om ze des te gemakkelijker tot ons Instituut aan te trekken, moeten ze met een speciale genegenheid vanwege de surveillanten en leraars bejegend worden;(101) [men moet ze buiten de lesuren onderrichten, en hun zeggen hoe welgevallig het is aan God, als iemand zichzelf en al het zijne, vooral in de Sociëteit van zijn Zoon, aan Hem toewijdt].

3. Bij gelegenheid leidde men ze doorheen het college en de tuin, zelfs soms naar het buitengoed, en dat ze tijdens de recreaties met de onzen omgaan en langzamerhand ermee familiair worden, [met dien verstande echter dat men er op wake dat de familiariteit geen misprijzen voortbrenge].

4. Men mag niet toelaten dat ze gestraft zouden worden, en dat ze tot de orde zouden geroepen worden door de leraars samen met de andere leerlingen.(102)

5. [Met kleine geschenken en verscheidene voorrechten, aangepast aan hun leeftijd, moeten zij gewonnen worden, en men moet ze vooral door geestelijke gesprekken aanwakkeren].

6. [Men moet hun inprenten dat dit alles gebeurt door een goddelijke voorbeschikking, als aan uitverkorenen voor de Sociëteit tussen zovele anderen die hetzelfde college bezoeken.]

7. Bij andere gelegenheden, vooral onderwijzingen, moet men ze afschrikken met de bedreiging van de eeuwige verdoemenis, als ze niet gehoorzamen aan een goddelijke roeping.

8. Indien ze volhardend vragen in de Sociëteit te treden, stelle men hun toelating uit, zolang ze standvastig blijken; als ze echter veranderlijk schijnen, moet men ze spoedig en met alle middelen begunstigen.

9. [Men moet ze efficiënt verwittigen dat ze aan geen enkele vriend, of zelfs niet aan hun ouders hun roeping zouden bekend maken, vooraleer ze toegelaten zijn. Omdat indien ze daarna bekoord zouden worden om terug te trekken dat hun vrij zou staan, zowel als aan de Sociëteit. Is de bekoring overwonnen, dan is dit altijd een gelegenheid om ze aan te wakkeren door ze eraan te herinneren, moesten ze tijdens het noviciaat, of na de eenvoudige geloften opnieuw bekoord worden.](103)

10. Omdat het zeer moeilijk is de zonen van groten, edelen, senatoren, aan te trekken, [zolang ze bij hun ouders zijn, die hun opvoeden, om hen op te volgen in hun ambten, moet men deze door vrienden overtuigen, eerder dan door leden van de Sociëteit, om hun zonen in andere provincies en verafgelegen universiteiten te plaatsen, waar de onzen onderwijs geven, nadat men aan de professoren alle inlichtingen heeft gegeven over hun conditie en kwaliteit, opdat ze gemakkelijker en zekerder hun genegenheid voor de Sociëteit zouden kunnen winnen.](104)

11. [Wanneer ze tot een rijpere leeftijd gekomen zijn, moet men ze ertoe brengen enige geestelijke oefeningen te doen], die in Duitsland en Polen dikwijls met succes bekroond werden.

Commentaar : De traditionele roepingsretraite in de hoogste klas van de jezuïetencolleges is uit deze regel gegroeid.

12. [Men moet ze troosten in hun beroeringen en in hun verdriet met uitleg aangepast aan hun hoedanigheid en conditie, en met speciale aansporingen over de slechte gevolgen van de rijkdommen, en over het goed van een goddelijk roeping, die men niet kan verachten onder straf van de veroordeling tot de hel.](105)

13. Bij de ouders, opdat zij des te gemakkelijker zouden toestemmen bij het verlangen van hun zonen om binnen te treden in de Sociëteit, tone men de uitmuntendheid van het instituut van de Sociëteit boven alle andere orden, [de heiligheid en de geleerdheid van onze paters], de totale waardering bij allen, de eer en het universele succes, dat de Sociëteit ten deel valt zowel bij hoog als bij laag; [en men moet het getal prinsen vermelden en groten, die tot grote vertroosting van hun ziel in de Sociëteit geleefd hebben, en er gestorven zijn, en er nog leven. Men tone aan hoe het God welgevallig is dat jongeren in zijn dienst treden, vooral in de Sociëteit van zijn Zoon, en hoe goed het is voor een man, indien hij dat juk van in zijn jeugd gedragen heeft. Als er discussie komt over de jonge en niet aangepaste leeftijd, verklare men hoe gemakkelijk de observantie is van ons instituut, dat buiten de drie geloften, niets anders speciaal lastigs vervat, en wat men bijzonder goed in 't oog moet houden, dat geen enkele regel een verplichting inhoudt, zelfs niet op straf van dagelijkse zonde.](106)

Commentaar : jezuïetencolleges waren de broedplaatsen voor roepingen. Alle voordelen van het internaat worden uitgebuit om de jongere te vervreemden van huis, en meer en meer invloed op hem te winnen. Eenmaal goed bevonden voor de dienst begint de belegering van de ziel, op dezelfde manier als eens Ignatius de ziel van Xaver en Fabre en de anderen belegerde. Pedagogisch is het systeem nefast : men schept twee categorieën van leerlingen : de bevoorrechten, die allerlei privileges genieten en familiair omgaan met de paters, en de anderen die gewoon gedrild worden. Wat erger is, de lijn wordt doorgetrokken tot diep in de vormingsjaren, en zelfs enigermate daarna door de differentiële behandeling van rijke en invloedrijke leden en anderen. Dit hoofdstuk beschrijft getrouw de praktijk in de jezuïetencolleges en communiteiten. Het is begrijpelijk dat veel jongeren niet konden weerstaan aan de zang van de sirenen en binnentraden. Men vraagt zich af of die politiek, die wel veel kandidaten opbracht, toch geen immens kwaad heeft gedaan. Langzamerhand moesten deze jongeren zich rekenschap geven, vooral als ze begaafd waren, in welk net ze gevangen zaten. Als er daarna veel klachten komen over de stijgende golf van misbruiken in de Sociëteit, over het gebrek aan motivatie, over de drang naar wereldse relaties en invloed, is dat dan niet het onmiddellijk gevolg van deze selectiepolitiek ? Vanaf veertien jaar werden ze aanvaard, velen rond zestien jaar. En dit is iets heel anders dan de rekrutering op rijpere leeftijd en na het afsluiten van universitaire studies. Begrijpelijk had men een voorliefde voor de jonge rekrutering wegens de kneedbaarheid van de jonge zielen; rijpere en meer kritische subjecten laten zich niet zo gemakkelijk doen, relativeren gemakkelijker en nemen vele zaken met een korreltje zout.

o) Hoofdstuk XIV.

Over de voorbehouden gevallen, en de redenen tot ontslag uit de Sociëteit.

1. Behalve de gevallen, die in de Constituties vermeld staan, van dewelke alleen de overste of de gewone biechtvader, met diens toelating, kan ontslaan, zijn er nog de sodomie, de wulpsheid, de ontucht, de echtbreuk, de verkrachting, het onkuise aanraken van een man of een vrouw, bovendien, indien iemand uit een zekere ijver, of bij gelijk welke gelegenheid iets ernstigs tegen de Sociëteit zou plannen, haar eer of haar belang, zijn dit allemaal gegronde redenen voor ontslag.

2. Indien iemand nu zoiets zou belijden in de biecht, mag hij niet eerder geabsolveerd worden, dan hij beloofd heeft zich buiten de biecht aan de overste bloot te geven, zelf of via zijn biechtvader, zoals het best voorkomt. Dan zal de overste een besluit nemen naar gelang wat best lijkt voor het algemeen goed van de Sociëteit.(107) [En indien men met zekerheid kan hopen dat het vergrijp verborgen blijft, moet hij hem een aangepaste boete opleggen, indien dit niet het geval is dan moet hij hem zo vlug mogelijk wegzenden;](108) de biechtvader moet wel oppassen niet mee te delen aan de penitent, dat hij riskeert buitengezet te worden.

Commentaar : het wordt eentonig : het algemeen goed van de Sociëteit primeert boven alles; men is niet bang vals te spelen tegenover de penitent door hem uitdrukkelijk te verzwijgen welke de gevolgen zullen zijn voor hem als hij de zaak ter ore brengt van de Overste. In de eerste versie van de Monita staat het interessante element aangegeven, dat de Generaal niet ondoordacht handelt of uit eigen beweging, maar na consultatie van zijn theologen en met de uitdrukkelijke goedkeuring van de Apostolische Stoel.

3. Indien een van onze biechtvaders van een buitenstaander verneemt, dat hij (of zij) met een van de onzen onkuisheid beging, mag hij die persoon niet eerder absolveren, dan deze buiten de biecht de naam heeft gegeven van degene met wie hij (of zij) gezondigd heeft; [en als de naam bekend is, mag men nog niet absolveren, tenzij de biechteling bij eed zich verbonden heeft dit nooit aan gelijk welke sterveling mee te delen zonder toestemming van de Sociëteit.]

Commentaar : alhoewel nergens gedrukt, worden deze regels mondeling onderwezen in de cursussen van moraal voor de toekomstige priesters van de Sociëteit.

4. Indien er twee van de onzen vleselijk hebben gezondigd, en de eerste dit heeft bekend gemaakt, worde hij behouden in de Sociëteit, de andere worde weggestuurd; maar daarna moet diegene die behouden bleef zo verstorven worden, en langs alle zijden genekt, dat hij uit walg en ongeduld ergens voor de wegzending een gelegenheid biedt, die dadelijk moet aangegrepen worden.

5. De Sociëteit kan ook, daar zij een edel en vooraanstaand corps is in de Kerk, al die personen van zich afscheiden, die minder geschikt lijken voor de realisatie van ons instituut, alhoewel ze in het begin voldoening gaven,(109) en men zal gemakkelijk een gelegenheid vinden, indien ze namelijk voortdurend gekweld worden, en alles tegen hun zin geschiedt, als men ze onderwerpt aan gemene oversten, als ze verwijderd worden gehouden van meer eervolle studies en functies, enz. totdat ze beginnen protesteren.

6. Men moet geenszins in de Sociëteit diegenen houden die in 't publiek opstandig zijn tegen de oversten, of in 't openbaar of in 't geheim bij de leden en [liefst bij buitenstaanders] klagen; hetzelfde geldt voor diegenen die bij huisgenoten of vreemden de wijze van handelen van de Sociëteit, wat betreft de verwerving en de administratie van de tijdelijke goederen veroordelen,(110) of andere wijzen van handelen b.v. het neerslaan en supprimeren van diegenen die de Sociëteit niet goed gezind zijn, of de ontslagenen, enz., of diegenen zelfs die de Venetiërs, de Fransen, of anderen, waardoor de Sociëteit verbannen werd, of zware schade ondervond, ter sprake brengen of steunen.(111)

Commentaar : de Sociëteit is altijd heel gevoelig geweest voor wat er over haar gezegd wordt, en voor de genegenheid en trouw van al diegenen waarmee zij relaties onderhoudt of die invloed hebben op haar zaken. Vrije discussie en afwijkende meningen zijn niet toegestaan op gevoelige punten in de communiteiten zelf. Dit alles is in overeenstemming met de bepalingen van de Constituties, waarbij allen één hart en één ziel moeten zijn en uit één mond spreken.

7. Voor de wegzending, moet men dezen die weggezonden zullen worden scherp aanpakken, ze verwijderen uit de gewone officies, ze nu hier, dan daar inzetten, ondertussen, in zoverre ze goed gepresteerd hebben, ze verwijten maken, en onder dat voorwendsel ze weer elders inzetten; voor een kleine fout, die ze misschien gedaan hebben, moet men ze zware straffen opleggen, men moet ze in 't publiek beschamen tot ze ongeduldig worden, tenslotte moet men ze wegzenden als schadelijk voor de anderen; daartoe moet men een plaats uitkiezen, waar ze het minst op bedacht zijn.(112)

Commentaar : Als men ze beu is om een of andere reden, als ze geen nut meer opleveren, als ze te sterke persoonlijkheid hebben of niet met zich laten sollen, worden ze onbarmhartig aan de deur gezet. Tot daar toe, maar ze worden eerst nog eens extra behandeld. Zij moeten eerst het gemene gezicht van de Sociëteit zien, om dan hun walg uit te spuwen. Voor de anderen wordt het dan duidelijk, dat die subjecten niet meer in de Sociëteit horen. En zo is de klus geklaard.

De Machiavelli die dit opstelde en uitdacht was wel een goede leerling van Ignatius. Men mag niet vergeten, dat al deze jezuïeten zonder het te weten vijanden van de Sociëteit werden. Wat doet een bevelhebber in de oorlog als de vijanden in zijn macht vallen ?

8. [Indien er een zekere hoop bestaat dat één van de onzen een bisschopsambt kan verkrijgen, of een andere kerkelijke waardigheid, moet hij gedwongen worden, buiten de gewone geloften, een andere te doen, nl. dat hij altijd goede gevoelens zal koesteren over het instituut, en die ook zal uitspreken, dat hij geen andere biechtvader dan een van de Sociëteit zal hebben, en dat hij niets zal beslissen in zaken van enig belang, tenzij na het horen van het oordeel van de Sociëteit. Het is omdat kardinaal Toletus dit niet gedaan heeft, dat de Sociëteit van de Heilige Stoel verkregen heeft, dat nadien geen moor, noch ketter van het perfide joodse of mohammedaanse (ras) zou worden toegelaten, die zulke gelofte niet zou willen afleggen, in dat geval moet hij als de ergste vijand van de Sociëteit, hoe beroemd hij ook is, buitengezet worden.]

Commentaar : Zoals we reeds deden opmerken staat de eis, dat iemand die kardinaal of bisschop wordt, de belofte moet afleggen steeds naar het oordeel van de Sociëteit te luisteren, reeds duidelijk geformuleerd in de Constituties (cf. supra). Het geval van kardinaal Toletus, die een jood was, en zich door paus Clemens VIII (1536-1605) liet ontslaan van die verplichting heeft een trauma nagelaten bij de Sociëteit (1592). Toletus zou de geheime richtlijnen van de Sociëteit aan de paus kenbaar hebben gemaakt. Lucius suggereert dat zowel Toletus, als de paus kort daarop gestorven zijn.(113) Toletus stierf inderdaad in 1596 (ĝ14-10-1532), Clemens VIII eerst in 1605. De paus had in 1594 de Sociëteit haar hoogmoed verweten; hij wilde de Sociëteit hervormen, daarin voorgelicht door kardinaal Toletus, die als een afvallige werd aangezien door de Sociëteit. Alhoewel Polanco , één der eerste gezellen van Ignatius, een bekeerde jood was en tegelijk secretaris en vertrouwensman, wordt de Sociëteit na het geval Toletus echt jodenvijandig gezind. Polanco bleef secretaris ook onder Laynez en Borgia, maar de vijfde Generale Congregatie besliste in 1593 al, dat niemand die van joden of Sarazenen afstamde nog in de Sociëteit mocht aangenomen worden. Niemand kon van dat beletsel dispenseren, zelfs de Generaal niet.(114) De Sociëteit moet wel erg gefrustreerd geweest zijn, door het feit dat Toletus met haar een jodenstreek had uitgehaald, en de Sociëteit buiten spel had gezet. Men begrijpt waarom˙: daarmee was ze haar greep kwijt op het Vaticaan. Enige tijd later (1599) evenwel werd dit verlies goedgemaakt door de benoeming van R. Bellarmino S.J. tot kardinaal.

p) Hoofdstuk XV.

Hoe men moet handelen met monialen en vrome vrouwen.

1. De biechtvaders en de predikanten moeten zeer oplettend zijn om geen aanstoot te geven aan monialen,(115) of [hun gelegenheid te geven tot een bekoring tegen hun roeping; maar integendeel, nadat men bovenal de genegenheid van de oversten gewonnen heeft, moeten ze ervoor zorgen tenminste de buitengewone biechten af te nemen, en bij hen de onderwijzingen te geven, indien ze wederzijds hun erkentelijkheid ondervinden; de adellijke, en vooral de rijke abdissen, kunnen de Sociëteit veel helpen, zelf en door de bemiddeling van verwanten en vrienden, zodanig dat doorheen de bekendheid bij de kloosteroversten langzamerhand de Sociëteit in de bekendheid en de vriendschap van bijna heel de stad kan komen.](116)

2. [Anderzijds moet men vermijden dat onze vrome vrouwen de vrouwenkloosters bezoeken, opdat die levenswijze hen niet meer zou toelachen, en dat zo de Sociëteit beroofd zou worden van de hoop op de goederen, die zij bezitten. Men moet ze ertoe brengen de geloften van kuisheid en gehoorzaamheid af te leggen in de handen van hun biechtvader, en men moet hun aantonen dat deze levenswijze overeenkomt met de gewoonten in de primitieve kerk, nl. als een licht in het huis, en niet (verstopt) onder de korenmaat zonder stichting voor de naaste en vrucht voor de zielen; bovendien moeten zij naar het voorbeeld van de weduwen uit het evangelie met hun bezit weldoen aan Christus doorheen zijn gezellen; tenslotte moet men alles wat in het nadeel van het kloosterleven is , hun uitleggen en het op hen toepasselijk maken; dergelijke onderwijzingen moeten hun meegedeeld worden onder het zegel van het geheim, opdat ze niet aan de oren van de kloosterzusters zouden komen.]

Commentaar : dit subtiel dubbel spel is duidelijk bedoeld om het onderste uit de kan te halen tot meerdere eer van God : de vrome vrouwen zijn een vrouwelijke afdeling van de Sociëteit; zij hebben niets te maken met de kloosters, zij moeten de Sociëteit helpen , vooral dan met hun geld. Anderzijds kunnen de kloosterzusters ook veel hulp verschaffen; dat is dan mooi meegenomen.

q) Hoofdstuk XVI.
Over het misprijzen van de rijkdom, dat men publiek moet tonen.(117)

1. Opdat de wereldlijken ons niet een te grote geldzucht zouden toeschrijven, zal het helpen soms aalmoezen van weinig belang, die ons voor de diensten door de Sociëteit verleend, worden aangeboden, te weigeren, [alhoewel men passenderwijze zelfs de minste moet aanvaarden, opdat we niet zouden beschuldigd worden van geldzucht, indien we alleen de grotere giften aannemen].

Commentaar : de Sociëteit is niet uit op het geld, ze heeft er alleen maar heel veel nodig en moet er voor zorgen er zo veel mogelijk bijeen te scharrelen. Het wordt dan ook een hele toer om de schijn te vermijden naar geld te zoeken, en alleen naar geld, of het geld tot het eerste objectief te maken van haar actie.

2. De begrafenissen van gewone mensen in onze kerken moet men weigeren, [hoezeer ze ook met de Sociëteit verbonden waren; we mogen de schijn niet wekken dat we rijk worden door de talrijke doden; zo ziet men niet het profijt dat we van de dode geschept hebben].

3. Met de weduwen en andere personen, die aan de Sociëteit het grote deel van hun vermogen gegeven hebben, moet men beslist en krachtig, [alles in acht genomen, handelen als met de anderen, opdat we de schijn niet zouden verwekken dat we ze meer begunstigen dan anderen wegens hun rijkdom]. Immers moet men dezelfde regel observeren tegenover diegenen die in de Sociëteit zijn, maar alleen nadat ze afstand gedaan hebben van hun goederen en er aan verzaakt hebben; en, indien noodzakelijk moeten ze ontslagen worden, maar dat met alle discretie, zodanig dat ze althans een deel van wat ze de Sociëteit gaven haar laten, [of bij hun sterven haar door testament vermaken].(118)

Commentaar : In de oudere versie staat nog, dat men aan diegenen die men ontslaat uit de Sociëteit niets mag teruggeven, of althans er een groot deel moet aftrekken omwille van de kosten die de Sociëteit om hunnentwil gedragen heeft. In deze nieuwere versie wordt meer de nadruk gelegd op discretie. Met nadruk wordt er nog eens gesteld, wat ook in de Constituties staat, dat de Sociëteit geen aanzien des persoons kent, maar toch rekening houdt met de particuliere conditie ervan en met de algemene omstandigheden. Het principe is duidelijk, de toepassing en de praktijk moeten soepel zijn.

r) Hoofdstuk XVII.

Over de middelen om de Sociëteit te bevorderen.

1. In eerste instantie moeten allen zich hiervoor inspannen, dat ze zelfs in zaken van weinig belang hetzelfde denken, of tenminste het naar buiten toe zeggen; zo zal de Sociëteit, hoezeer ook de zaken van deze wereld woelig zijn, toch altijd vergroten en verstevigen.

2. Zo moeten allen proberen uit te blinken in geleerdheid en in voorbeeld, opdat zij boven de overige religieuzen, vooral die van de clerus, pastoors, en dgl. zouden staan, en dat tenslotte het publiek zou verlangen dat alles door de onzen zou gedaan worden; men moet onder het publiek (de mening) verspreiden, dat zoveel studies niet vereist zijn voor de pastoors, dat zij zich trouwens kunnen laten leiden door de raadgevingen van de Sociëteit, die juist daarom zoveel belang hecht aan de studies.

Commentaar : In de Constituties wordt sterk de nadruk gelegd op de voorrang van het geestelijke boven de andere meer menselijke middelen zoals een juiste en solide geleerdheid en doctrine.(119) Toch is het een grote bekommernis voor Ignatius dat de Sociëteit zou uitblinken in de studies, en daardoor vooraan zou staan in de Kerk. Hij zal niet vergeten zijn, dat veel van zijn succes te Rome verband hield met het feit dat zijn gezellen en hijzelf doctors waren van de Parijse Universiteit. Zijn schermutselingen met de dominikanen en de Inquisitie zullen ook wel niet totaal vergeten geweest zijn : het was dus een «must» ook de dominikanen in geleerdheid voorbij te streven.

3. Men moet de vorsten en prinsen met deze doctrine voeden, dat het christelijke geloof in de huidige toestand niet kan blijven bestaan zonder politiek, maar daar is dan wel de grootste discretie nodig; om die reden zullen de onzen de groten behagen, en geroepen worden voor de meer geheime raadplegingen.

4. Men kan ze ook vergasten op uitgelezen en zekere nieuwsjes, van overal overgeschreven.

5. Het helpt ook heel veel als men behoedzaam en in 't geheim voeding verschaft aan de meningsverschillen van groten en prinsen, zelfs diegenen, die gepaard gaan met wederzijdse brokken. Zohaast men echter merkt dat zij zich waarschijnlijk zullen verzoenen, moet de Sociëteit zo spoedig mogelijk zich inzetten om ze tot vrede te brengen, opdat niemand anders haar zou voor zijn.

6. Men moet op allerlei manieren, vooral bij het publiek en de machthebbers, de opinie verbreiden dat de Sociëteit opgericht werd door een speciale (intentie) van de goddelijke voorzienigheid volgens de profetie van de abt Joachim, met het doel de Kerk, die door de ketters werd ten gronde gericht, weer recht te helpen.

7. Eenmaal de gunst van de machthebbers en de bisschoppen bekomen, moeten de pastorieën en de kanunnikaten bezet worden om tot een veeleisende hervorming van de clerus te komen, die vroeger onder een vaste regel samenleefde met de bisschoppen en naar de volmaaktheid streefde. En tenslotte moet men uitkijken naar de abbatiale ambten en prelaturen, die gezien de vadsigheid en stupiditeit van de monniken, niet gemakkelijk zullen kunnen bekomen worden, daar waar ze vacant worden; want het zou de Kerk ten goede komen, indien alle bisschopsambten door de Sociëteit zouden bezet worden, zelfs indien zij de hand zou kunnen leggen op de Apostolische Stoel; vooral als de paus ook de meester zou worden van alle tijdelijke goederen; daarom moet men in elk geval de tijdelijke goederen van de Sociëteit, voorzichtig echter en in 't geheim, langzamerhand uitbreiden, en dan is er geen twijfel over dat gouden eeuwen zullen aanbreken en een blijvende en algemene vrede, en diensvolgens zal de goddelijke zegen de Kerk begeleiden.

Commentaar : Deze eerlijke regel is de nauwkeurige explicitering van de meditatie De Regno van de Geestelijke Oefeningen : Christus, en dus ook zijn gezellen, moeten over de hele aarde heersen. Men denke ook aan de hierboven geciteerde brief van Ignatius aan de scholastieken van Coïmbra : daar wordt het rijk van de Sociëteit zelfs uitgebreid over de engelenkoren. Er kan dus geen twijfel over bestaan dat deze enorme ambitie stamt van de Stichter.

8. Indien er nu geen hoop is dit te bereiken, omdat er noodzakelijk schandalen zullen ontstaan, moet men voor een tijdje het geweer van schouder wisselen, en de vorsten, die met de onzen vertrouwd zijn, ophitsen tot wederzijdse onophoudelijke oorlogen, opdat zo de Sociëteit overal zou geroepen worden en belast met de openbare verzoening, zodat ze, als de behoedster van het algemeen welzijn, zou gecompenseerd worden met vooraanstaande beneficies en waardigheden.

Commentaar : in de eeuw van Machiavelli vond de Sociëteit goed haar weg. Ook Ignatius zag niet op een oorlog of een veldslag, daarvoor was hij te zeer een militair; we herinneren maar aan de oorlogsplannen die hijzelf opstelde voor de strijd tegen de Turken en de demarches die hijzelf beval om van de Keizer militaire acties te bekomen. Geen wonder dat men de Sociëteit als de eerste schuldige heeft aangewezen voor de dertigjarige oorlog in Duitsland. Door deze politiek heeft de Sociëteit vermoedelijk zelf het meest bijgedragen tot de definitieve vestiging van het protestantisme in het Noorden. Al is het hier niet met zoveel woorden gezegd, men droomde er waarschijnlijk van het opperbevel te krijgen over de gezamenlijke katholieke strijdkrachten, nadat deze, na de onderlinge twisten , omwille van de vrede zouden hebben beroep gedaan op de Sociëteit. Ware dit maneuver gelukt, dan hadde men in heel Europa gezien wat hier in de Nederlanden gebeurd is tijdens het Spaanse bewind.

9. Tenslotte moet de Sociëteit tenminste dit proberen te bewerkstelligen, dat, nadat ze het gezag en de gunst van de vorsten heeft bekomen, ze door diegene waardoor ze niet bemind wordt, tenminste zou gevreesd worden.

4. Authentiek of vals ?

Het staat vast, dat Ignatius, die ontegensprekelijk ook de ambitie had een groot heilige te worden, opgevolgd werd door goede leerlingen, die daar helemaal geen behoefte meer aan hadden. Zij hadden vooral goed begrepen dat zij de heerschappij van Christus en de Kerk over de hele aarde moesten vestigen. Zoals Ignatius, waren zij bijzonder geïnteresseerd in de strategieën, die hun succes moesten waarborgen : zij konden nu beschikken over een ruime ervaring : op alle nevralgieke punten waren ze aanwezig en daar konden ze hun methodes toetsen aan de werkelijkheid. Vanuit de talrijke huizen en colleges kwamen de brieven, gewone en geheime, om de Generaal en zijn staf in te lichten over tegenslagen en successen, over het wel en wee, over de trucjes die tot welslagen leidden. De behoefte om al deze ervaring in regels te formuleren had Ignatius reeds te pakken, en al zijn opvolgers tot na Acquaviva hadden ijverig nieuwe regels opgesteld en getoetst. Is het zo onwaarschijnlijk dat de gekristalliseerde ervaring van oversten en biechtvaders op haar beurt, tezamen met de voornaamste beginselen van de actie, in een vaste vorm werd gegoten ? Het was helemaal de gewone wijze van doen van Ignatius om bij elke missie ook gedetailleerde strategische wenken mee te geven. De Monita Privata liggen volkomen in die lijn.

We hebben gaandeweg ook aangetoond hoe ze gewoonweg op vele punten een explicitatie zijn van wat in de Constituties trouwens te lezen staat, soms geven ze de tekst zelf bijna woordelijk weer. Niemand anders dan iemand die grondig het Instituut kende, kon zulke regels opstellen. Wie de praktijk van de Sociëteit kent, weet dat zulke documenten voorafgegaan worden door een consultatie na rondschrijven van de Generaal aan de provinciaals en de lokale oversten; uit de antwoorden wordt dan een voorlopig document gedistilleerd dat weerom op proef toegezonden wordt aan de provinciaals, die nauwkeurig erop waken of en hoe ze toegepast worden. Nadat hun opmerkingen terug toegekomen zijn te Rome wordt het finale document opgesteld en dan ter goedkeuring voorgelegd aan de Generale Congregatie. Natuurlijk geldt dit vooral de officiële documenten, waarvoor evenwel ook discretie vereist is. In de hedendaagse Sociëteit worden er nog heel wat documenten verspreid « ad usum Nostrorum tantum» (alleen voor de Onzen), die niet mogen meegedeeld worden aan vreemden. Daarnaast is er het geheime circuit : de Generaal schrijft gecodeerde brieven aan de Provinciaals, en zij antwoorden in geheimschrift. Naast het geschreven circuit is er het mondelinge : regelmatig komen Visitatoren, Assistenten van de Generaal of simpelweg gewone jezuïeten, even langslopen˙: zij brengen mondeling de geheime instructies mee.

Wij wezen er reeds op dat het bestaan van geheime instructies ronduit vermeld staat in de officiële Constituties van de Sociëteit (cf. supra); minder bekend is het gebruik van de geheime code. Nochtans bestaan hierover de nodige bewijsstukken. In de Koninklijke Bibliotheek van Brussel is, zoals gezegd, een handschrift bewaard, dat de tekst inhoudt van een brief van Acquaviva over het juiste gebruik van de geheimschrift, die hij stuurde.(120) De Sociëteit was georganiseerd als een diplomatische dienst, en codeerde dus zijn staatsgeheimen. Dit houdt in dat veelal glad het tegengestelde kan staan in de geheime brief van wat in de gewone brief gezegd wordt en dat wordt geconfirmeerd door de Constituties. Nu is het bijzonder verwonderlijk dat niet alleen de vrienden van de Sociëteit, maar ook de vijanden steeds refereren naar de officiële documenten : de vrienden en de jezuïeten zelf om aan te tonen dat er tegenstrijdigheid is tussen de Monita Privata en de Constituties en onderwijzingen van de Generaals, wat helemaal niet juist is trouwens, zoals we aangetoond hebben; de vijanden om aan te tonen hoe de praktijk van de Sociëteit helemaal niet overeenkomt met de beginselen die ze officieel belijdt. De waarheid is anders : de Monita Privata zijn de logische en gedetailleerde uitwerking van de Constituties en van de praktijk van Ignatius en de Sociëteit. Men moet tevens rekening houden met de gecodeerde en geheime zijde van alle beslissingen en gebeurtenissen, al krijgt men een gecodeerd document niet gemakkelijk onder ogen. Nochtans zouden veel raadsels van de geschiedenis daar hun oplossing vinden. Op de curie te Rome beweert men, dat in het archief niets aanwezig is wat de Monita Privata betreft. Het is evenwel zonder meer duidelijk, dat als deze laatste authentiek zijn, er een uitgebreide briefwisseling moet over bestaan hebben, zeker nadat ze uitgelekt zijn.

Het is nu bewezen, dat er geheime instructies bestaan in de Sociëteit die niet eensluidend zijn met de officiële documenten. Het is bewezen dat er daarnaast een heel geheime briefwisseling bestond. Het is bewezen dat daarvan zogoed als niets bekend is. De Monita Privata zelf waren hoogstens streng voorbehouden voor een groep ingewijden; geen mens twijfelt eraan dat zij opgesteld werden met behulp van een degelijke kennis van het Instituut, zoveel zal nu toch al duidelijk zijn : deze kennis gaat gepaard met een grote vertrouwdheid met de gewone wijze van handelen van de Sociëteit; vele malen wordt erop gedrukt hoe behoedzaam en voorzichtig men moet te werk gaan, met welke discretie men moet handelen, hoe men moet rekening houden met alle omstandigheden; tegelijk valt de nadruk op de radicale toepassing van de algemene beginselen : de voorrang van het doel van de Sociëteit op gelijk welke andere consideratie, zij ze van menslievende aard. Opmerkelijk wordt er in de tekst van de Monita melding gemaakt van de toestanden in Polen, Duitsland en Frankrijk (121) ; er wordt allusie gemaakt op voor de rest weinig bekende huwelijksmakelarij voor vorsten en prinsen. De regels zijn dus opgesteld door één of meerderen die overzicht hadden over de toestand in Europa en wisten van de situatie aan de hoven. Wijst dit niet naar Rome ?

Er is echter meer : al is de wijze van opstellen niet precies die van een Ciceroniaanse redevoering, maar veeleer van een summiere synthese uit vele elementen, toch is het gebruikte Latijn in de uiteindelijke redactie van hoge kwaliteit : het is humanistisch Latijn, zoals te verwachten van iemand die goed geschoold werd in de klassieken. Eén woord en één uitdrukking maken daarop uitzondering en die wijzen naar een inbreng uit Duitsland en mogelijk de Nederlanden : Weduwen moeten aan hun dochters kleinoden weigeren : «clenodia»(122). Dit woord bestaat niet in klassiek Latijn, maar wel in het Duits en het Nederlands : kleinood. Definitief is dit argument niet, omdat het woord reeds in de Middeleeuwen voorkomt en wel vanaf 1276. Het komt dus ook voor bij humanisten.(123) Verder wordt gezegd dat de oversten het ongeluk moeten overdrijven van de weggezondenen, die nadien « male perierunt »(124) (die slecht aan hun einde kwamen, die slecht draaiden, die het slecht verging). Vermoedelijk wilde de auteur de uitdrukking : «die het slecht verging», vertalen in het Latijn : «vergaan» is «perire», «male» is «slecht», dus «male perierunt». Het is moeilijk in te denken, dat de oversten alleen over doden moeten spreken, terwijl er zovelen nog springlevend waren.

Het Latijn van de eerste versie is ongeschaafd en mist de elegantie van uitdrukking van de tweede versie; de zinnen hangen aaneen met stukken en brokken; de eerste versie is duidelijk een voorlopig document, dat voor commentaar en aanvulling gestuurd werd aan de oversten. Het woord «clenodia» komt er tweemaal in voor en op andere plaatsen dan in de tweede versie. (125) De uitgetredenen, «die het slecht verging», van de tweede versie, waren in de eerste versie « de tegenslagen, die de ontslagenen treffen».(126) Verder is er in heel de tekst van de Monita, noch eerste, noch tweede versie, geen enkel specifiek Pools element te vinden, integendeel. Alle signalen uit de tekst wijzen naar een heel andere oorsprong. Zoals gezegd, dateert de eerste druk te «Notobrigae» van 1612 . Deze plaatsnaam kon tot nu toe niemand verklaren; het kwam in die tijd nog meer voor dat men fictieve namen opgaf. Toch is er een nogal voor de hand liggende verklaring. Het was de mode in de tijd van het Humanisme de meeste namen te verlatijnsen of te hellenizeren. Men nam het niet zo heel nauw : soms werd er alleen een Latijnse uitgang bij het oorspronkelijke woord gevoegd, Canisius b.v. voor Kanis, I¤igo werd gewoonweg vervangen door de naam van een Kerkvader : Ignatius, daar waren ook Erasmus, Thomas Morus, enz. De plaatsnaam Notobrigae ;moet dus ook zo gezien worden : «brig», «burg», «borrough» zijn gewone eindbestanddelen van plaatsnamen, «noto» kan een vertaling zijn : welnu «notia» betekent in 't Grieks : regen, en derhalve betekent Notobrigae : Regensburg.(127) Het gaat dus gewoon om een cryptografische vervorming van de oorspronkelijke naam. Het was dus in Beieren dat voor het eerst de tekst gedrukt werd, niet ver van Ingolstadt waar de jezuïeten een belangrijke theologische faculteit bezaten, en waar toevallig ook een zeer bekend hellenist verbleef : J. Gretser S.J., één der besten van zijn tijd. Het pseudoniem Notobrigae kon maar ontstaan in het brein van een humanist.

Is het ook een toeval dat deze zelfde Gretser een werk schreef over de «clenodia» van het Keizerrijk ? Is het een toeval dat hij ook door Mutius Vitelleschi (1615-1645) belast werd een apologie te schrijven tegen de Monita ? Toch is de eerste versie zeker niet door de handen gegaan van een humanist, om de tekst op poten te zetten; het is geschreven in de gewone taal van de curie, door iemand die bondig en synthetisch, zonder veel bekommernis voor de elegantie van de dictie, zegt wat hij te zeggen heeft.

De publikatie van het werkje vond plaats te Krakau twee jaar later; het werd toen voorzien van een inleiding, die o.a. geciteerd wordt door Gretser in zijn apologie.(128) Deze inleiding draagt een typisch Poolse stempel, en contrasteert fel met de tekst zelf : het is een akte van beschuldiging tegen de Sociëteit, waarbij als getuigen Poolse bisschoppen geciteerd worden, o.a. twee van Krakau. De uitgave verscheen anoniem en vermeldde de oorspronkelijke datum en plaats van de eerste druk : Notobrigae, 1612. Niemand twijfelde eraan dat een jezuïet aan de oorsprong lag van de publikatie. Wie kon anders zulk document in handen krijgen ? Al vlug werd bekend dat waarschijnlijk een zekere Zahorowski, uitgetreden jezuïet, de uitgave zou bezorgd hebben. Deze Zahorowski was van een oorspronkelijk orthodoxe adellijke familie afkomstig (ĝ1582-+1634). Hij trad in de Sociëteit in 1599; hij deed sterke studies in de Sociëteit (cursus maior), maar werd gebuisd in het examen de universa, het laatste, dat ook telt voor de professie. Hij werd op het einde van de vorming tot leraar benoemd van de laagste klassen. Zoals we nu al weten was dit al een zeker teken, dat er iets misliep. Hij wordt, getrouw aan de richtlijnen gegeven door de Monita, beschreven als een onrustige, woelige geest. Blijkbaar was hij erg aangeslagen door het feit dat hij niet tot de professie kon toegelaten worden. Als leraar zou Zahorowski dan door zijn leerlingen brieven hebben laten schrijven aan belangrijke personages in Polen over de praktijken van de jezuïeten. Hij werd ontslagen uit de Sociëteit. Hij tekende beroep aan bij de Visitator Argenti S.J., die hem hoorde en veroordeelde (Augustus 1614). Hij werd pastoor de Gwozdziec. Toen zou Zahorowski de Monita gepubliceerd hebben, en wel in dezelfde maand Augustus 1614. Argenti schreef in een brief aan koning Sigismund : «vulpes agnita est» (de vos is ontdekt), maar vernoemt niemand. In het dagboek van de residentie te Krakau zou de nota voorkomen (Augustus 1614) : «dezelfde maand verscheen het fameuze boekje Monita privata het stond algauw vast dat het geschreven werd door Hieronymus Zahorowski».(129) Vele jezuïeten-auteurs steunen hierop om te beweren dat Zahorowski ook de auteur van het boekje is, en niet alleen de vermoedelijke uitgever.(130) Zahorowski zelf schijnt niet geweten te hebben welke de juiste oorsprong van het boekje was : hij zou gedacht hebben dat het in Spanje ontstond, te Padua vertaald werd in het Italiaans, vandaar naar Oostenrijk ging, en zo in Polen terecht kwam.(131) In elk geval dateert de ultieme redactie van de eerste versie van na 1606, vermits deze allusie maakt op de verbanning van de Sociëteit uit Venetië . Waarom juist de Sociëteit Zahorowski verworpen heeft weten we niet; was hij te nationalistisch, was hij te eerlijk ? Zijn protest gold in elk geval de oneerlijke praktijken van de Sociëteit. Volgens Gretser in zijn apologie, die hem citeert, gaan de voornaamste verwijten naar het feit dat de Sociëteit alle opportunisten aantrekt, daardoor Polen bederft, dat ze veel pseudo-katholieken maakt en zo het aantal eerlijke mensen met een solide geweten vermindert.(132) Het is begrijpelijk dat er vooral in Polen bij de seculiere geestelijkheid een sterke oppositie ontstond tegen de Sociëteit. Tijdens Sigismund II (1546-1572 kwamen de jezuïeten in Polen (na 1562). Het was vooral door de bemiddeling van kardinaal Hosius , dat zij op korte tijd een reeks colleges en residenties konden bouwen; de eerste jezuïeten waren Fransen, Engelsen, Spanjaarden, Italianen, enz. Dit maakte goede indruk, en de adellijke jeugd vloeide toe. Al vlug kwamen de kandidaten uit Polen zelf. Zij namen de strijd op tegen het dreigende protestantisme. Na een kort intermezzo, de regering van Batory (1576-1586), kwam de jezuïetenvriend Sigismund III Wasa (1586-1631) aan de macht. Overal hadden de jezuïeten nu colleges en ze overvleugelden volledig de seculiere geestelijkheid. In dat milieu moeten we Zahorowski plaatsen.

In geen enkel officieel document wordt Zahorowski vermeld als de auteur van het boekje, nergens wordt hij veroordeeld, ook niet na het zgn. kerkelijk onderzoek dat steeds volgens Gretser, door de bisschop van Krakau verordend werd. Daar kan maar één reden voor zijn : dat men nl. zeer goed wist, dat hij de auteur niet was, hoogstens de uitgever. Alleen de lectuur van het boekje maakt de stelling dat Zahorowski zomaar het boekje uitgevonden heeft volkomen onwaarschijnlijk; Zahorowski zou dan een genie zijn, veel groter dan Machiavelli, om in enkele dagen dat alles op papier te toveren. Noteer dat hij in Augustus 1614 ontslagen wordt uit de Sociëteit, en dat het boekje verschijnt in Augustus 1614. En hoe verklaart men dan de volmaakte tegenstelling van de inleiding en de tekst : of gaat men beweren dat Zahorowski het boekje zelf schreef, en dat de inleiding door een ander geschreven werd ? Zahorowski werd, zoals gezegd, na het zgn. kerkelijk onderzoek nooit veroordeeld en stierf rustig te Kamionka waar hij in 1626 pastoor werd.(133) Trouwens hoe verklaart men het bestaan van een uitgebreide en verbeterde tekst, die duidelijk van latere datum is ? Volgens Tazbir zou er een merkwaardige verzoening plaatsgegrepen hebben tussen Zahorowski en de Sociëteit tegen het einde van zijn leven. Hij zou zelfs, al had hij zijn afgestane erfenis slechts met veel moeite teruggekregen van de Sociëteit in 1916 (noteer : twee jaar na de publikatie), een legaat aan de kerk van de Sociëteit te Lublin geschonken hebben. Dientengevolge werd hij aldaar in de krypte begraven. Was dit een eerherstel ?

De enige mogelijkheid om dit alles te begrijpen is te veronderstellen dat Zahorowski de Monita privata, gedrukt in 1612, in handen gekregen heeft en dat hij geschandaliseerd daartegen geprotesteerd heeft. Waarop hij geweigerd werd voor de professie en als ondeugdelijk beoordeeld voor de Sociëteit. Zijn reactie wordt dan duidelijk : hij heeft het «corpus delicti» in het publiek gebracht. In die tijd was het nog niet gebruikelijk brieven van de Generaal, regels, decreten van de Generale Congregaties te laten drukken : deze documenten circuleerden als handschriften. Het bewijs is dat er heel wat dergelijke manuscripten werden teruggevonden : te Brussel in de Koninklijke Bibliotheek is er een manuscript met de titel «Constitutiones Societatis Jesu», afkomstig van de rectorskamer van het college te Doornik, met regels over de geheimhouding (de discretione), over de gevangenissen, enz. Van de kamer van de studieprefect is er een handschrift met regels over de armoede, over de voorbehouden gevallen, die niet mochten geabsolveerd worden zonder toelating van de rector, enz.(134) Als dus handschriften gevonden worden van de Monita, en nog wel op de kamer van de rector, en zelfs ingebonden samen met de Constituties, dan zijn het duidelijk beleidsdocumenten. Gretser, in zijn apologie, gewaagt van andere Monita; hij zegt : « nostra monita generalia, quae accepimus a R.P. Claudio Acquaviva», onze algemene instructies die wij ontvingen van P. Claudius Acquaviva.(135) Hij zegt nergens wat hij daardoor eigenlijk bedoelt en citeert ze ook niet. Er zijn heel wat brieven van deze Generaal, maar die kan men bezwaarlijk Monita generalia noemen.

De eerste druk dateert, zoals gezegd, uit 1612 te Regensburg. De jezuïeten van het Heilig Roomse Rijk vonden het blijkbaar een goede idee de Monita te laten drukken, veeleer dan ze zo dikwijls te moeten afschrijven voor de talrijke oversten van colleges en professenhuizen. Deze druk werd gevolgd door een uitgave te Krakau in 1614. De eerste uitgave te Parijs zou al dateren van 1615, te Basel van 1627 (door Lucius) (136) , te Genève van 1635 (Arcana Societatis Jesu).(137) Het manuscript van Turijn dateert van vóór 1665. (De tekst zelf van de Monita is van een andere hand dan een bijgevoegde tekst, die gedateerd is : 16 Augustus 1665). Ruckert bezorgt in 1654 een uitgave te Groningen. Te Parijs volgt een uitgave in 1661 en vele volgende. In 1661 is er de uitgave te Paderborn. Niettegenstaande dat ze gemaakt werden op verschillende manuscripten zijn ze gelijkluidend, behalve dan dat er één versie is die ietwat ouder schijnt dan de latere waarbij de tekst werd herschikt en aangevuld. Tot die eerste versie behoren de druk van Regensburg, de uitgave van Krakau, het handschrift van Paderborn, Turijn, de eerste uitgave te Parijs en de uitgaven te Basel en te Genève. Tot de tweede versie behoren het manuscript van Roermond, de uitgave te Parijs in 1661 en vele latere uitgaven in Frankrijk. Daardoor is bewezen dat Zahorowski zeker niet de auteur is van de tweede versie, zoals hij het trouwens ook niet is van de eerste .

Men kan de versies gemakkelijk onderscheiden : In de eerste staat het voorwoord van de latere, aan het einde van de tekst. Vanaf het Hoofdstuk XII (oude versie XV) is de orde licht verschillend. In de jongste versie werden vooral de hoofdstukken I, XV en XVI uitgebreid. Kortom : het oude XV werd XII, het oude XII werd XIII, het oude XIII werd XV. Fundamenteel gaat het om dezelfde tekst, die herschikt werd en bijgewerkt. Van Aken S.J. noemt deze tweede versie een vervalsing door de jansenisten, maar verklaart niet welk belang de jansenisten hadden om het slot vooraan te zetten, de hoofdstukken te herschikken en enkele hoofdstukken ietwat uit te breiden. Zulke hypothese is gewoonweg zo onzinnig, dat men moet twijfelen aan de goede trouw van Van Aken. Zoals men kan vaststellen in de tekst is er helemaal niets jansenistisch te vinden in de stijl-verbeteringen, de herschikkingen, en de aanvullingen. Veel zinniger is te veronderstellen, dat de eerste versie slechts voorlopig was, en zoals normaal, werd herzien en bijgewerkt; de brutaalste passussen uit de oude versie werden weggelaten of genuanceerd. Mogelijk is het dat die oude versie voor het eerst officieus rondgedeeld werd toen Zahorowski ze in handen kreeg. Reflecteert de eerste versie niet veel getrouwer de brutaliteit en dubbelzinnigheid van Acquaviva , terwijl de latere versie veel meer de grotere zachtmoedigheid en genuanceerdheid van Mutius Vitelleschi , zijn opvolger, weergeeft ? Dit zou insluiten dat de tweede versie zou dateren van na 1615. M.a.w. de eerste versie werd voorbereid en rondgestuurd, en ook bekritiseerd onder Acquaviva; mogelijk werden de moeilijkheden voorgelegd aan de Generale Congregatie die Vitelleschi verkoos, en werd aan de nieuwe generaal de opdracht gegeven, in het licht van de kritieken, de tekst te herzien en een definitieve versie uit te geven. Mogelijk was dit al een reactie op het schandaal verwekt door de publikatie van de eerste versie en heeft men toen ingezien dat men haar hier en daar moest nuanceren. Deze laatste versie duikt vooral op in de Franse uitgaven na 1660. Vandaar dat Van Aken S.J. deze de jansenistische vervalsing noemt : spijtig genoeg voor zijn stelling is ook het handschrift van Roermond een tweede versie. Dat, zoals Zahorowski, niet alle jezuïeten het met de Monita eens waren, blijkt uit het manuscript, dat in Turijn werd gevonden. Onderaan schrijft Giacomo Lubrani S.J. een sonnet : « Hebt ge het gelezen ? Ja, zijt ge het niet eens dat het vuiligheid is. Hebt ge het genoteerd˙? O God, kan men iets slechters doen, of zelfs uitdenken ? Dat men het boekje verbrande en voor bespotting de auteur aan de schandpaal binde. Heer, haast U mij te helpen ».(138) In een postscriptum verklapt hij echter een bekentenis : « Kardinaal Nitardi (Eberhard Nidhard S.J., kardinaal in 1675 (÷ 1681) zestien jaar lang biechtvader van koningin Maria Anna van Oostenrijk , echtgenote van Philips IV , en Grootinquisiteur, was tot 1669 volledig benomen door de politiek en het bestuur van Spanje) zegde in vertrouwen aan een intieme vriend, sprekend over de jezuïeten : «het zijn allemaal heiligen, behalve de politici onder hen, dat zijn allemaal atheïsten». Hij kon het weten.

Alle handschriften werden bij jezuïeten gevonden, sommigen bijna gelijktijdig met de eerste druk en de eerste uitgave. Nergens anders dan bij de Sociëteit kon men de grondige kennis van het Instituut en van de «modus agendi» van de Sociëteit vinden. Bovendien is de hele inhoud zowat de kristallisatie van de ervaring van oversten en van biechtvaders van vorsten e.a. Het geheel kan duidelijk gesitueerd worden tijdens het generalaat van Acquaviva, misschien reeds concreet voorbereid door Mercuriaan . Maar eigenlijk werd er alleen voortgebouwd op de praktijk van Ignatius en op de Constituties. De vraag is, hoe men kon twijfelen aan de authenticiteit : zelfs de jansenist A. Arnauld , de protestant von Harnack en de jezuïetenhater F. Nippold konden hun ogen niet gelove13(139) De jezuïeten gebruikten vernuftige argumenten, die trouwens weinig terzake waren : getrouw aan de richtlijnen begonnen ze met aan te tonen, dat de Monita niet compatibel waren met de Constituties en de officiële documenten van de Sociëteit, dat lukte nogal voor de kwestie of de jezuïeten aan politiek mochten doen; over al de rest werd gezwegen. Dan legden ze hun troeven op tafel˙: het boekje werd veroordeeld door de Heilige Inquisitie, door de vicaris Lipski van Krakau, door de nuntius : de slag van de autoriteiten was daarmee begonnen. Vreemd genoeg verschijnen er allerlei apologieën tegen de Monita, geschreven door jezuïeten, geen enkele officiële veroordeling door een Generaal of door de Generale Congregatie. En deze handelwijze is conform met de voorschriften van de Monita : het zijn vooral diegenen die niet volledig ingewijd zijn, die men moet inzetten om voor iedereen te getuigen dat de Monita niets te maken hebben met de Sociëteit. Gretser S.J. probeert een aantal regels van de Monita te relativeren, verdedigt ze zelfs, geeft toe dat er wel eens iets schandaligs gebeurt, maar dat dit dan volledig in tegenspraak is met de regels van de Sociëteit; de kern van het probleem dat er mogelijk geheime richtlijnen bestaan die soms nogal verschillen, of op een betwistbare wijze de erkende beginselen preciseren, daar raakt hij niet aan. Van Aken S.J. redeneert heel spitsvondig : hoe komt het zegt hij dat vele jezuïeten niets weten over de Monita, terwijl ze veel meer gepubliceerd werden dan de Constituties. Hij vergeet, dat inderdaad de meeste jezuïeten ver gehouden werden van de lectuur van de Monita, een boek dat op de Index stond en dus streng verboden lektuur was en overigens onbereikbaar. Degenen die er wel van wisten moesten zwijgen. Men heeft duidelijk de Monita overschreeuwd : voor een deel waren ze niets anders dan de explicitering van de Constituties, en de praktijk van Ignatius (buitenzetten uit de orde b.v., de contacten met machthebbers en adellijke kringen met het doel de middelen bijeen te brengen, die de Sociëteit nodig had, de strenge individuele armoede, het aantrekken van de jeugd, de primauteit van het doel : het herstel van de macht en de glans van de Kerk, onder de leiding van de Sociëteit, het misprijzen voor de andere orden en voor de seculiere geestelijkheid, enz.). Dit alles werd aangevuld met enkele trucjes uit de ervaring. Waar men aanstoot aan nam was de onmenselijke ongevoeligheid voor de waardigheid van de mens; de individuele jezuïeten, zowel als de biechtelingen, zijn maar middelen voor het doel, en verdienen maar consideratie, in de mate dat zij machtig of rijk zijn. De naastenliefde die de Sociëteit demonstreert is niets anders dan een fa‡ade, die iedereen moet aanlokken en tegelijk misleiden; tenslotte is zij het middel dat moet dienen om de suprematie van de Sociëteit te vestigen.

Dat is het fundamenteel schandaal. Men kan niet aanvaarden dat een generaal overste handelt als een legeraanvoerder, die, om de overwinning te bereiken, geen rekening houdt met de verliezen in manschappen en de slachtoffers bij vriend en vijand. Men kan niet aanvaarden dat een generaal van een Orde, die alleen maar geestelijke doelen beweert na te streven, tegelijk een politieke wereldheerschappij als verborgen objectief viseert en alles doet om dat streven te verstoppen en te negeren. Men verdraagt het niet dat het geestelijk heil ondergeschikt gemaakt wordt aan het verwerven van rijkdom en macht. Als meest fundamenteel argument dat de Monita authentiek zijn geldt voor iedereen, dat de Sociëteit ze continu in praktijk brengt en blijft toepassen tot nu toe. We gaven reeds enkele voorbeelden : het gedrag tegenover jongeren, kandidaten, leden, de redenen om te aanvaarden, de redenen om ontslag te verlenen, de gedragingen tegenover de ontslagenen; het gedrag van de biechtvaders tegenover vorsten, rijke weduwen en biechtelingen. Het zwaarst wordt natuurlijk de aanmoediging van de tirannenmoord aangevoeld, vooral als die dan ook gepaard ging met reële aanslagen en zelfs moord op prinsen en vorsten, mogelijk kardinalen en zelfs een of ander paus. (Cf. infra). Meer dan die sensationele gebeurtenissen, is de ervaring doorslaggevend, dat in het doordagelijkse leven, het gedrag van de Sociëteit, en dan wel in 't bijzonder van de oversten, mysterieus en onbegrijpelijk voorkomt, zolang men de Monita niet kent; zeker is het dat men niet wijs geraakt uit hun gedrag zolang men alleen de officiële Constituties kent. Van het ogenblik echter dat men de Monita heeft, wordt alles doorzichtig en duidelijk. Voor iemand, die te goeder trouw binnen de Sociëteit leeft, en die ziet hoe de oversten begaafde medeleden weghouden van hogere studies, of na hogere studies van het professoraat, hoe zij anderen begunstigen, hoe zij voortdurend relaties onderhouden met een hele reeks «vrienden», schijnt dit hele gedrag niet altijd erg conform met de geest van de Constituties, maar hij leert dat op de rekening zetten van de menselijke onvolmaaktheid en zwakheid, die hij helaas ontdekt in zijn oversten en in zijn medebroeders. Daarom zoekt hij niet veel andere verklaringen en legt er zich bij neer. Kent hij eenmaal de Monita dan staat hij verbaasd hoe trouw die opgevolgd worden. En hoe ze tot in de details alles wat er gebeurt in het huis verklaren. Hoe dikwijls werden b.v. jongeren, die uittraden, zoals voorgeschreven door de Monita, in de jaren 1960, kort voor hun uittrede naar andere colleges of huizen gestuurd. Er kan dan ook geen twijfel overblijven dat de Monita, ingebonden samen met de Constituties, beleidsinstrument waren voor de Sociëteit, en het onder een aangepaste vorm, nog steeds zijn. Heel de jezuïetenliteratuur, bedoeld om de authenticiteit van de Monita te bestrijden, is gewoonlijk niet meer dan goedkope, bewust misleidende apologetica, bestemd voor zeer naïeve lezers, die de moeite niet kunnen doen om de authentieke documenten te lezen en te bestuderen, en om ze in hun historische context te zetten. Het uiteindelijke bewijs van de authenticiteit zal liggen in de bekentenis van de Sociëteit zelf. Die laat echter op zich wachten. Hardnekkig blijft de Sociëteit heel de schuld op de eerlijke Zahorowski schuiven, terwijl zij even hardnekkig haar archieven gesloten houdt en iedereen ver probeert weg te houden van de duizenden brieven, gewone en geheime, van de regels en instructies gegeven door de Generaals, de rapporten van de besprekingen in de Generale Congregaties en in de raad van de consultoren van de Generaal. Zonder twijfel bevatten deze archieven de verklaring voor heel wat onopgehelderde feiten, tenzij eventueel de Sociëteit in een ogenblik van paniek zou besloten hebben alle geheime documenten te vernietigen. Veel van wat wij weten is louter te danken aan de opheffing van de Sociëteit. Toen belandden heel wat archieven in de openbare bibliotheken. Spijtig genoeg was er toen al heel wat verbrand.

Bij Borgia, de derde Generaal, vinden we het profetisch woord (1560):« Er zal een tijd komen, dat heel de Sociëteit zal bezig zijn met menselijke wetenschappen zonder enig verband met de deugd; ambitie zal er domineren en hoogmoed.» Acquaviva (1587) vult aan:« De liefde tot de wereldse dingen en de hof-geest is voor de Sociëteit een gevaarlijke ziekte..», natuurlijk in de mate dat ze de Sociëteit onbestuurbaar en onbetrouwbaar maakt. Toch is het onzin te willen dat de Sociëteit als geheel zich zou afzijdig houden van de politiek, van het beleid en het bestuur van een land. Ten eerste zijn er de multipele, soms zeer materiële belangen van de Kerk en de Sociëteit. Ten tweede is er de behoefte aan politieke steun om zo het volk des te sterker te kunnen beïnvloeden. Ten derde is er de noodzaak over zoveel mogelijk gewillige medewerkers te beschikken, en alle tegenstand uit te schakelen. Hoe doet men dat ? Alleen maar door te trachten ze te overtuigen ? Ten vierde was het een gemakkelijke oplossing zich bezig te houden met het geestelijk heil van vorsten en machtigen, en zo onrechtstreeks het hele land te besturen, zonder op zich het odium te laden zich te willen inmengen in politieke aangelegenheden. Deze «oplossing» had het enorme voordeel helemaal in het geheim te verlopen via de biecht, de geestelijke leiding, via de provinciale overste en de Generaal : L. Ricci , de laatste Generaal voor de opheffing, kon, zoals gezegd, fier beamen : «van hieruit wordt heel Europa geregeerd». Het was dan ook gemakkelijk te beweren dat geen enkel jezuïet aan politieke actie deed˙: hoofdzaak was de gewetensvorming en het zieleheil van de vorsten te bevorderen. Want de ontstemming van een machtig vorst kon de Sociëteit haar machtspositie en haar apostolische efficiëntie kosten. Wat vraagt dan de meerdere eer van God ? Natuurlijk ten allen prijze te pogen de verlangens van die vorst in te willigen door zeer ruim te zijn in de interpretatie van de morele wet.. En moet men niet ten koste van alles beletten dat tegenstanders de actie van de Sociëteit dwarsbomen˙? De meeste jezuïeten moesten door dit systeem helemaal niet ingewijd worden in de geheimen : hun werd verboden zich met politiek in te laten; die was immers voorbehouden aan zeer weinigen. Het is dan ook nogal naïef te wijzen op de verbodsbepalingen, die niets anders waren dan middelen om te beletten dat teveel oningewijde jezuïeten de gevoerde politiek in de war zouden sturen of door onvoorzichtigheid schade berokkenen. De vraag moet hier gesteld worden : Zijn de Monita een pathologisch document, of zijn zij het charter van de witte-boords-criminaliteit ?

Er zijn verschillende kenmerken, die wijzen op pathologische tendensen : ten eerste valt het op dat iedereen de Sociëteit MOET gunstig gezind zijn en haar geldelijke en andere bijstand geven. Wie dit niet doet wordt gestraft en als een vijand behandeld. Alleen de Sociëteit mag gevorderd worden, ieder ander moet daarbij uitgesloten. Is dit niet een soort enorme behoefte aan exclusieve moederliefde, waarvan we het gemis vaststelden bij de stichter zelf ? Ten tweede is er de nauwelijks verdrongen jaloersheid tegenover elk succes van andere orden. Ten derde is er een machtsdroom, die moet gerealiseerd worden met alle middelen, ook zeer betwistbare : oorlog stoken tussen bevriende vorsten, om zo de grote rol te kunnen spelen van verzoener, en daaruit profijt te trekken b.v. Hier is ongetwijfeld de inspiratie van een psychopaat aan het woord; het voortdurend balanceren op de grens van het toelaatbare, gezien vanuit een ruime spitsvondige casuïstiek, is een houding die een oppervlakkig gevoelsleven veronderstelt in de zin van een afwezigheid van diep-menselijke bindingen : en dat was juist het doel van de vorming in de Sociëteit en van de Geestelijke Oefeningen van Ignatius, nl. de mens bevrijden van de «ongeregelde» neigingen tot mensen en dingen. Er is dus een oorzakelijke verband tussen deze semi-psychopatische houding en de spiritualiteit : slechts één binding werd geduld : die met de Sociëteit. Toch moeten we enkele nuances aanbrengen. Ieder mens wordt gevormd door het milieu waartoe hij behoort. Het was normaal dat b.v. een hoveling gemakkelijk zijn toevlucht nam tot de heersers van die tijd om gunsten te bekomen, en dat hij de hofetiquette toepaste. Hij wist nauwkeurig hoe hij zich onderdanig moest gedragen, welke de betekenis was van de woorden, die hij sprak. Aan een hof is er veel meer bedekte «diplomatische» taal, zijn er veel meer «mentale restricties» ingevlochten in het dagelijks verkeer, en iedereen weet dat. Er is de normale geheimhouding van de staats- en persoonlijke geheimen. Niemand wordt daar eigenlijk door bedrogen. Het is gewoon en aanvaard. Buiten de adellijke kringen van het hof, in de burgerlijk samenleving en in de lagere standen worden al die subtiliteiten soms heel kwalijk genomen en kortweg als bedrog bestempeld. Dat is vooral het geval in de kringen van zakenlieden, waar men moet kunnen betrouwen op het woord van de handelspartner. Het is duidelijk dat Ignatius en Borgia de diplomatische taal volkomen beheersten, en dat die geen enkel gewetensprobleem voor hen stelde. Aan een hof is het ook volkomen normaal mededingers uit te schakelen, desnoods door intriges, door halve woorden, en te trachten het uitsluitend vertrouwen van de vorst te veroveren. Dit zijn gewoon de wetten van het milieu. Welke politicus, welke diplomaat maakt zich daarover zorgen ? Even normaal is het uitzien naar «vrienden», die men natuurlijk al eens een wederdienst moet bewijzen. Welke politieke partij doet dit niet ? Welke partij streeft niet naar politieke benoemingen ? Toch neemt men zulke praktijken de Sociëteit zeer kwalijk, en des te kwalijker omdat zij «vuile» methodes gebruikt : zoals verfijnde lastercampagnes, bedekte propaganda en oneerlijke reclame. Zo was het ook oneerlijk te zweren, dat men niet streefde naar politieke macht en tegelijk alles te doen om die te verwerven. De dubbelzinnigheid bestond hierin, dat de politieke macht slechts een middel was om de geestelijke suprematie te vestigen tot meerdere eer van God. De politieke macht werd slechts nagestreefd omwille van het geestelijke doel : de hele aarde onderwerpen aan Christus.

5. De heerschappij van het crapuul.

Stelt men zich voor dat vele kandidaten werden aangetrokken door het machtsprofiel van de Sociëteit, dat de misschien reeds aanwezige kern van psychopathische tendensen in hen werd gefixeerd door de vorming, dat een dubbelzinnige Generaal en oversten door hem gekozen, de toon aangeven, dat aan sexueel gefrustreerde individuen geen andere uitweg wordt gegeven dan de ambitie, dan bekomt men noodzakelijk een Sociëteit waarin eerlijke mensen beschouwd worden als schaapachtige naïevelingen. Nu nog moet men in de Sociëteit niet teveel scrupules hebben : in de 31e Generale Congregatie (1965-1966) werd het volgende decreet goedgekeurd : «Degene, die herhaaldelijk meent in geweten niet te kunnen gehoorzamen, moet gaan denken over een andere weg, waarop hij God rustiger zal kunnen dienen.»(140) De Congregatie bevestigt hierbij in 't algemeen wat in de Monita gezegd wordt:« Men moet diegenen wegsturen, die zich scrupules maken om bezittingen te verwerven voor de Sociëteit».(141) Cordara S.J., (ĝ1704-1785), de officiële geschiedschrijver van de Sociëteit, schrijft zonder er doekjes om te doen dat rond de tijd van de opheffing : «in de Sociëteit de misdaad regel was geworden».(142) Acquaviva in een brief van October 1613 schrijft over het toenemen van misbruiken in de Sociëteit : «Het ergste is dat de oversten denken dat ze naar willekeur kunnen dispenseren van regels en verordeningen». Er zijn dus twee problemen : enerzijds worden de Constituties en de regels zo vrij geïnterpreteerd, dat ze niet meer herkenbaar zijn, anderzijds gedragen de oversten zich schaamteloos amoreel. Toch mogen ook zij geen scrupules hebben, al was het alleen maar om jezuïeten te liquideren. (Cf. Mon. X, comm.). Een groot aantal jezuïeten, - er zouden meerdere provincies mee gemoeid zijn, - heeft zelfs aan paus Clemens VIII (1592-1605) een rapport overhandigd, waarin stond : «Diegene die loochent, dat er misbruiken bestaan in de Sociëteit is blind. De Generaal heeft de absolute macht; hij boezemt de anderen schrik in; grote en voor de Sociëteit zeer verdienstelijke mannen onderdrukt hij, ja, hij doodt ze bijna».(143) In een ander verzoekschrift aan de paus klinkt de klacht : «Diegene, die overste is geworden, doet wat hij wil, vreest niemand, behandelt de onderdanen zoals het hem belieft, laat gehoorzaamheid, deemoed en armoede buiten beschouwing. Alhoewel vele oversten ongeschikt, ergernisgevend, rustverstorend zijn, toch laat de Generaal ze in hun ambt. De Generaal is de Heer der Heren, hij doet wat hij wil, is door geen wet gebonden, hij doodt en maakt levend, alsof hij God ware». (144)

De onderdanen begrijpen er niets van : noch de Generaal, noch de oversten, door hem aangeduid, storen zich aan de hoge spiritualiteit van de Sociëteit. Dit getuigenis, zeker uit een onverdachte bron, wijst ondubbelzinnig naar de voornaamste inspirator en zijn medewerkers, die de Monita hun definitieve vorm hebben gegeven : Acquaviva en de vele oversten, die hij aanstelde. In de eerste versie van de Monita klinkt die brutaliteit nog volledig door; in de latere versie werd ze afgezwakt.

Onverwacht komt ook het getuigenis van J. de Mariana , S.J. zich hierbij voegen.(145) «Ik vrees, dat een verdere oorzaak van de.. wanorde de onrechtvaardigheid is die allengs onder allerlei voorwendsels het bestuur is gaan beheersen... De ambten geeft men en verdeelt men aan zeer weinigen. Twintig of dertig ongeveer bezetten de hoofdambten, en de anderen, die naar de algemene overtuiging niet geringere aanspraken daarop kunnen maken, zijn om een of andere reden daarvan voor altijd uitgesloten». (p.56 ss.).

Toch moet men niet denken dat de Generaal alles zijn gangetje liet gaan, integendeel : minutieus werd alles en iedereen gevolgd. «Ik durf beweren,» vervolgt Mariana, «dat, wanneer de archieven van de curie te Rome zorgvuldig doorzocht zouden worden, men geen enkel integer man zou vinden.. want alle anderen werden door verklikking bezoedeld, de ene meer, de andere minder.»(p.62). Van de denunciatie van medebroeders wordt dus ruim gebruik gemaakt; wanneer deze gebruiken geen zin meer krijgen in een broederlijke sfeer, dan bloeit de haat op binnen de gemeenschap : velen groeten elkaar niet eens meer, ze speken niet meer met elkaar. Ze worden doodsvijanden.(146) « Niemand kan zijn medebroeder vertrouwen, omdat die zo, op kosten van de andere, de gunst van de overste, en bijzonder van de Generaal wil verwerven» (p.15).

Machtsgeil, hoogmoedig, geldzuchtig laait de ambitie hoog op. Vele jezuïeten solliciteren machtige buitenstaanders om hun bevordering in de Sociëteit te bekomen, niettegenstaande de zware verbodsbepalingen. (Drie Algemene Congregaties moesten zich daarmee bezighouden : de 7e (1615-1616), de 10e (1652) en de 16e (1731)). Deze getuigenissen geven zeer goed de sfeer weer die heerste in de Sociëteit ten tijde van Acquaviva. Er was onrust en ontevredenheid bij de grote massa. Een kern van half-psychopatische persoonlijkheden beheerste de hele Sociëteit.

6. Jezuïeten als koningsmoordenaars.

Als de vorsten en groten zich niet willen laten leiden door de Sociëteit van Jezus, dan moet men ze dwingen, ze intimideren of desnoods uit de weg laten ruimen. De belangen, die op het spel stonden waren zo groot, dat men ze niet kon laten schaden door een vorst, zelfs een kardinaal of een paus. De heersers, die onwettig regeerden, waren tirannen en die mochten door eenieder vermoord worden. Dat was in substantie de leer van de tirannenmoord , die door dik en dun door de Sociëteit werd verdedigd. De volgende stap was : diegenen die zich verzetten tegen de invloed van de Sociëteit tot onwettige heersers te verklaren, aangezien zij het Rijk Gods weerstreefden, en derhalve ze te laten ombrengen door handlangers of door gif.

Wat was nu de grond van de zaak ? De eerste gezellen hadden te Parijs de moraal bestudeerd; het thema van de tirannenmoord was één van de klassieke debatonderwerpen. Het vond zijn oorsprong in de klassieke oudheid en in één van de fundamentele beginselen van de Romeinse republiek, nl. dat de uitoefening van de macht nooit aan één man alleen mocht toevertrouwd worden, tenzij zeer uitzonderlijk en voor een zeer beperkte periode. De Republiek had een einde gesteld aan het koningschap en bepaald dat voortaan de macht zou uitgeoefend worden door twee consuls, verkozen door het volk voor één jaar.

De moord op Julius Caesar (44 vr Chr.), die ervan verdacht werd alleenheerser te willen worden, was een geschikt thema voor een debat over de vraag of het toegelaten was een tiran te doden. Het was trouwens een algemeen aanvaarde doctrine geworden : in de twaalfde eeuw werd de tirannenmoord als geoorloofd aangezien door Johannes van Salisbury ; deze leer werd bevestigd door het Concilie van Constanz (1414); zij werd verdedigd door Luther en Melanchton . Op order van de Lutheraanse aartsbisschop Laurentius Petrus Gothius tezamen met andere bisschoppen werd de Zweedse koning, Erik XIV , in de gevangenis vergiftigd (÷ 1568).(147) Jezuïeten waren zeker niet de enigen die deze thesis verdedigden. Toch waren zij het die het meest aangevochten werden omwille van die doctrine. En de reden was, dat zij die stellingen als het ware propageerden en voor toepassing vatbaar achtten : J. de Mariana S.J. werd er berucht om, toen hij schreef : «Als alle hoop vervlogen is, in geval van een gevaar voor het algemeen welzijn, eist dit de heiligheid van de godsdienst : wie is zo arm aan oordeel, dat hij niet zou erkennen dat het dan toegelaten is de tiran neer te slaan met het recht, de wetten en de wapens˙?»(148) Maar ook de Leuvense professor van theologie A. Del Rio S.J. schrijft : «Het is zeker toegelaten een tiran te vermoorden, die zich van de macht heeft meester gemaakt, indien men op geen andere wijze de tirannie kan doen ophouden.»(149) De Mariana liet het niet bij een abstracte affirmatie : hij commenteerde met bewondering en beschreef met welgevallen de moord op Hendrik III (1589) door Jacques Clément , een theologiestudent bij de Dominikanen.(150) Merkwaardig genoeg wordt de Sociëteit betrokken in een aantal aanslagen en moorden op vorsten en prinsen, die zich niet lieten doen. Alvorens hier dieper op in te gaan is het belangrijk een aantal feiten aan te geven, die om zo te zeggen het decor vormen van de gebeurtenissen, en die de algehele sfeer weergeven. Belangrijk is ook de continuïteit te zien, het feit dat «iedereen» gaat maatregelen nemen, zelfs de paus, dat het moreel aanvoelen van velen geschokt is, en vooral de koppige volharding in de boosheid. Er is ook de «totale oorlog» tegen het protestantisme : geestelijk, politiek en militair. In 1561 wordt P.Gonzalez Silveria; S.J. ter dood gebracht te Monomotapa (Mozambique) als spion voor Portugal en de Sociëteit.

  • In 1578 worden de jezuïeten uit Antwerpen, Doornik, Maastricht en Brugge verbannen omdat zij zich niet willen neerleggen bij de Pacificatie van Gent , genegotiëerd door Willem van Oranje .
  • In 1581 wordt Acquaviva verkozen tot Generaal van de Sociëteit en opvolger van Mercuriaan (1573-1580) die de eerste provinciaal van de «Nederduitse» Provincie was geweest (1538).
  • In 1581 worden P. Campion , P. Skerwin en P. Briant S.J. wegens samenzwering tegen koningin Elisabeth van Engeland ter dood gebracht.
  • In 1584 wordt Alexander Farnese , die eigenhandig nog door Ignatius gedoopt werd, gouverneur van de Spaanse Nederlanden.
  • In 1584 zijn Jezuï:eten betrokken in de moord op Willem van Oranje. en in de moordpoging op zijn zoon, Maurits van Oranje (1568).
  • In 1589 wordt Hendrik III van Frankrijk vermoord door J.Clément.
  • In 1593 wordt Barrières aangezet tot moordpoging op Hendrik IV , koning van Frankrijk.
  • In 1594 worden de jezuïeten uit Frankrijk verdreven als medeplichtigen van Jean Chƒtel , in zijn moordpoging op Hendrik IV.
  • In 1595 wordt P. Guignard S.J. opgehangen, omdat men schriften bij hem heeft gevonden ter verdediging van de koningsmoord.
  • In 1597 verwijt Paus Clemens VIII hun : «Gij zijt de lastposten, die de hele Kerk in wanorde brengt».
  • In 1605 worden P. Oldecorn en P. Garnet S.J. terechtgesteld wegens medeplichtigheid in het poeder-komplot tegen Jacobus I van Engeland.
  • In 1606 worden de jezuïeten uit Venetië verjaagd wegens inmenging in de politiek (er was reeds mee gedreigd in 1560).
  • In hetzelfde jaar verdrijving uit Thorn.
  • In 1608 vorderen de protestanten in de Rijksdag de verbanning van de Sociëteit uit Duitsland.
  • In 1610 wordt Hendrik IV vermoord door Ravaillac .
  • In hetzelfde jaar publiceert de Mariana zijn boek «Institutio principis» met de thesis van de tirannenmoord , met het duidelijke doel de vorsten te intimideren.
  • In 1611 is er de verdrijving uit Aken.
  • In 1612 volgt de verdrijving uit Danzig.
  • Van 1618 tot 1648 (Vrede van Westfalen) woedt de Dertigjarige Oorlog voor een deel toegeschreven aan het oorlogsstoken der jezuïeten. Men schat het aantal slachtoffers van deze oorlog op twaalf miljoen.(151)
  • In 1618 worden de jezuïeten verjaagd uit Bohemen.
  • In 1619 worden zij verjaagd uit Moravië .
  • In 1631 zijn er de troebelen in Japan.
  • In hetzelfde jaar vragen de protestantse vorsten nogmaals de verbanning van de jezuïeten uit Duitsland als prijs voor de vrede.
  • In 1641 binden de jezuïeten de strijd aan tegen het jansenisme .
  • In 1643 worden ze verdreven uit Malta.
  • In 1646 breekt het schandaal uit van het failliet te Sevilla. Broeder Andreas del Villa Goitia (1632-1642) bracht het rijkste college van Spanje, St Hermenegild te Sevilla, door bankspeculaties tot het bankroet.(152)
  • In 1648 bemoeilijken de jezuïeten de vredesbesprekingen tussen protestanten en katholieken te Munster.
  • In 1685 (22 October) slaagt P. Letellier S.J. erin Lodewijk XIV te overtuigen het Edict van Nantes te herroepen : 200000 protestantse families zijn gedwongen Frankrijk te verlaten. Cf. de gedwongen uittocht van de protestanten uit Antwerpen naar het Noorden.
  • In 1689 verdrijft Peter de Grote de jezuïeten uit Rusland.
  • In 1709 slagen zij erin Port Royal , bolwerk van de jansenisten, te doen afbreken.
  • In 1713 bewerken ze de veroordeling van het jansenisme (bulle Unigenitus) met als gevolg een vervolging van de Jansenisten (80000).
  • In hetzelfde jaar schrijft P. Jouvency S.J. een geschiedenis van de Sociëteit, waarin hij de koningsmoordenaars ophemelt als martelaren. De magistraten doen zijn werk verbranden.
  • In 1719 wordt de Sociëteit voor een tweede maal uit Rusland gezet.
  • In 1755 organiseren de jezuïeten de Indianen van Paraguay ;om zich in te zetten tegen de koning (1 October 1759).
  • In 1757 wordt er een moordpoging uitgevoerd tegen Lodewijk XV , door iemand die lang in de colleges van de jezuïeten heeft verbleven.
  • In 1758 is er de moordaanslag op Jozef I , koning van Portugal, geïnspireerd door P. Malagrida , P. Matus en P. Alexander S.J.
  • In 1759 worden de jezuïeten uit Portugal verdreven.
  • In 1761 wordt P.Malagrida S.J. als ketter verbrand op de brandstapel.
  • Hetzelfde jaar is er in Frankrijk het schandalige failliet van P. Lavalette , die handel dreef in goederen uit Martinique. De Sociëteit weigert de volledige schuld te betalen en wordt veroordeeld.
  • In 1762 wordt de Sociëteit voor de tweede maal uit Frankrijk verjaagd.
  • In 1767 wordt zij uit Spanje en de koloniën gezet.
  • In 1773 wordt de Orde opgeheven door de paus.

    Al deze feiten kunnen moeilijk toegeschreven worden aan een samenloop van omstandigheden. Net zoals men alleen handschriften van de Monita vindt in de huizen van de Sociëteit, zo concentreren zich de beschuldigingen van aanstichting tot koningsmoord bij de Sociëteit. Bovendien zijn er twee supplementaire indiciën : de taaie verdediging van de doctrine van de toelaatbaarheid van de tirannenmoord ;en de weggelaten passage uit de Monita (IV) : «Si rebelles dominos contingat esse, clam, per satellites, aut pharmaca, tollendos suggerant principi scrupulique qui huic oriri possent, anticipentur sano consilio» (Indien het zou gebeuren dat bepaalde heren opstandig zouden zijn, moeten zij (de biechtvaders) aan de vorst suggereren ze te doen verdwijnen in 't geheim door handlangers of gif, en de scrupules, die bij deze zouden kunnen ontstaan moeten zij voorkomen door gezonde raad). Nogmaals : de Sociëteit is niet gesteld op al te «scrupuleuze gewetens». Het was zonder meer duidelijk, dat als men de doctrine van de Sociëteit te ernstig nam, er noodzakelijk «ongelukken» moesten gebeuren. Bovendien concentreerden de colleges de jeugd uit de katholieke adellijke middens en de conservatieve burgerij, die een hoge graad van vijandschap opbrachten tegen hun politieke tegenstrevers. Daardoor werden de colleges ook de broeinesten van het verzet.

    Willem van Oranje, een prins, die opkwam voor verzoening tussen katholieken en protestanten en reeds bij de Pacificatie van Gent stootte op de hardnekkige weerstand van de Sociëteit, werd na de opstand zeker de verpersoonlijking van een onwettig vorst, en dus een tiran, waartegen geen ander middel baatte dan de moord. Op wiens raad werd hij door Philips II vogelvrij verklaard ? Zeker is dat de moordenaar, Balthasar Gerards , eerst bij een rosse jezuïet, biechtvader te Trier de absolutie ging halen. Deze verzekerde hem, dat hij er met drie medebroeders over had gesproken; hij gaf hem de verzekering, dat, indien hij gedood zou worden, hij zeker opgenomen zou worden in de lijst van de martelaren. Petrus Panne , die de zoon van Willem van Oranje, Maurits wilde vermoorden, bekende dat de jezuïeten van Douai hem een prebende voor één van zijn kinderen hadden beloofd. De provinciaal gaf hem zijn zegen, en ze hem: «Gij gaat als een engel onder Gods hoede». De 22e januari 1568 werd hij na deze bekentenis te Leiden terechtgesteld.(153)

    Om iets van de toestanden in Frankrijk te begrijpen moet men de hele evolutie kennen.

    Het protestantisme had de adel verdeeld, en die verdeeldheid strekte zich uit tot het koningshuis. Vanzelfsprekend sympathiseerden de jezuïeten met de partij van de katholieke adel, en inspireerden de Liga . In een brief aan de koning ( Karel IX ) schreef Pius V : «Hetis alleen door de uitroeiing van de ketters dat de koning dit edele koninkrijk weer aan de godsdienst kan geven. Wij hebben vernomen, dat sommigen er zich voor inzetten de krijgsgevangenen te sparen; ge moet dat beletten, en ervoor zorgen, dat deze schurken overgeleverd worden aan een verdiende terechtstelling». Daarmee wisten de jezuïeten wat hun te doen stond. De Generaal verordende gebeden en processies om het succes van de wapens te bevorderen. (154)

    Hendrik de Guise , leider van deze Liga, was de aanvoerder die in de Bartholomeusnacht (23 Augustus 1572) 20.000 hugenoten liet vermoorden. In 1588 keerde de Liga zich voorgoed tegen Hendrik III (1574-1589), die, na de moord op Henri de Guise, op zijn beurt vermoord werd, na een hevige campagne van de Sociëtet tegen zijn persoon.(155) Hendrik IV (1589-1610) was oorspronkelijk protestant. Hij moest voor de erkenning van zijn recht op de troon slag leveren met de Spaanse koning, Philips II, en de jonge hertog de Guise, hoofd van de Liga. Hij bekeerde zich tot het katholicisme om de vrede te herstellen in Frankrijk (1593) en promulgeerde het Edict van Nantes ten voordele van de protestanten (1598). Hij dacht er aan samen met de protestantse vorsten van Duitsland het katholieke huis van Habsburg te vernederen. De jezuïeten erkenden de geldigheid niet van de absolutie geschonken door Paus Clemens VIII; bij het afzweren van het protestantisme door de koning.(153) Net zoals Willem van Oranje was deze verzoenende figuur een aartsvijand voor de jezuïeten. Vanaf het begin werd de wettigheid van zijn gezag betwist en trachtte men hem «manu militari» te verwijderen. Hij was dus een tiran, en er bleef alleen de moord over om het protestantisme de weg te versperren. Reeds in 1593, onmiddellijk nadat Hendrik IV het protestantisme heeft afgezworen, wordt P.Varadé S.J. ervan beschuldigd Barriè res met een dolk te hebben uitgerust en hem geïnspireerd te hebben om Hendrik IV te vermoorden. In 1594 doet Jean Chƒtel een tweede poging. In 1595 wordt P.Guignard S.J. bij wie tijdens het onderzoek naar de medeplichtigen van Chƒtel geschriften gevonden werden die de koningsmoord rechtvaardigen, opgehangen. De jezuïeten worden ondertussen uit Frankrijk verbannen. Het Edict van Hendrik IV is zo welsprekend, dat we het hier laten volgen.

    Edict van Hendrik IV tegen de Sociëteit van Jezus.

    «Hendrik, bij de genade van God, koning van Frankrijk en Navarra, aan allen die dit zullen zien, heil. Van alle middelen en instrumenten, waarvan sinds lang diegenen gebruik hebben gemaakt, die ernaar streefden de hand te leggen op deze staat, en die nu alleen maar zoeken naar zijn ineenstorting en ontmanteling, en niet meer vooruit kunnen, is duidelijk erkenbaar geworden, ten aanzien van de emotie en gedurende het verloop van de huidige troebelen, het ministerie van diegenen die zich noemen (leden) van de Sociëteit en de Congregatie van Jezus. Zij zijn namelijk de bewegende kracht, het broeibed en de steun van vele sinistere praktijken, plannen, kuiperijen, intriges en de uitvoering ervan, die opgezet werden om het gezag van de overleden koning te ondergraven... om het vestigen van het gezag (van de nieuwe koning) te beletten. Deze kuiperijen, plannen en intriges zijn des te meer verderfelijk, omdat het voornaamste doel ervan is geweest onze onderdanen in 't geheim en in 't openbaar ervan te overtuigen, en ze ertoe te brengen, onder het voorwendsel van vroomheid, dat zij de vrijheid hebben een aanslag te plegen op het leven van hun koningen; en dat is manifest gebleken in het zeer onmenselijke en deloyale besluit om ons te doden, genomen verleden jaar door Barrières, geconfirmeerd en toegestaan op de uitsluitende suggestie van de oversten van het college te Clermont van die stad, dat behoort aan de genoemde Sociëteit en Congregatie; en recentelijk door de aanslag die een jongeman van 18 tot 19 jaar, genoemd Jehan Chƒtel, kind van deze stad, heeft uitgevoerd op onze persoon; welke Chƒtel gevoed en opgeleid gedurende verschillende jaren in het college van Clermont, waar hij al zijn studies doorlopen heeft, gemakkelijk te kennen heeft gegeven dat de onderwijzingen, waarschuwingen en middelen voor dit verdoemenswaard opzet alleen waren uitgegaan van dit college, zoals het daarna bewaarheid werd door het onderzoek in dit proces en de confrontatie met Jehan Gueret, die zich priester noemt van deze Sociëteit, zoals ook van Pierre Chƒtel en Denise Hasard, vader en moeder van de genoemde Jehan Chƒtel, volgens dewelke de leden van de genoemde Congregatie onder het gezag zouden gestaan hebben (se trouvaient ès-mains) van Jehan Guignard, één van de oversten van het college en van dezelfde Sociëteit. Men heeft vastgesteld dat zij met evenveel goddeloosheid als onmenselijkheid volhouden dat onderdanen hun koning mogen doden, terwijl ze de dood van de overleden koning (de moord op Hendrik III) goedkeuren, om welke reden de genoemde Guignard openlijk werd ter dood gebracht; overwegend hoe verderfelijk en gevaarlijk het verblijf in ons koninkrijk is van zulke verfoeilijke subjecten... hebben wij gezegd, verklaard en verordend... dat de priesters en leerlingen van het genoemde college van Clermont en alle anderen van de zo genoemde Sociëteit en Congregatie, op welke plaats en in welke stad ze ook mogen zijn, als bedervers van de jeugd, onruststokers en als onze vijanden, en als vijanden van de staat en de kroon van Frankrijk, binnen de drie dagen, nadat ze er het bevel toe hebben gekregen, het land verlaten en dat ze veertien dagen later, nadat de gezegde tijd verstreken is, waar ze ook zullen gevonden worden, gestraft worden als misdadigers, schuldig aan majesteitsschennis. Wij verklaren ze, vanaf dit ogenblik, onwaardige eigenaars van de goederen, roerende zowel als onroerende, die zij bezitten in het koninkrijk; welke goederen wij willen dat ze zouden gebruikt worden voor goede werken waarvoor de weldoeners ze bestemd hebben. Bovendien verbieden we zeer uitdrukkelijk aan al onze onderdanen, van welke staat en conditie ze ook mogen zijn, leerlingen te zenden naar de colleges van de genoemde Sociëteit die gelegen zijn buiten ons koninkrijk om er opgeleid te worden, en dat op dezelfde straf van majesteitsschennis.. Gegeven te Parijs, de 7e Januari van het jaar 1595. Getekend, Henri.

    Onder paus Clemens VIII, die meer toenadering zoekt tot Frankrijk, probeert ook Acquaviva een verzoening met Hendrik IV, die hij weet voor zich te winnen... via Jezuïeten zoals Possevinus en vooral Toledo, zodanig dat zij zelfs een terugkeer van de orde in Frankrijk kunnen bewerkstelligen (Edict van Rouen, 1 Sept. 1603).(154) Kardinaal de Toledo weet te bereiken dat de paus de absolutie schenkt aan Hendrik IV, die zich terug had bekeerd tot het katholicisme.(155) Dit ontnam elke bestaansreden aan de partij van de Guise, die nochtans niet ontwapende. Velen bleven de geldigheid van die absolutie bestrijden. P. Pierre Coton wordt zelfs konings biechtvader, na een vrij dubbelzinnige eed van getrouwheid aan de koning. Al had hij het er wel eens moeilijk mee, o.a. omwille van de 56 maŒtressen van zijn penitent.(156) Ondertussen schenkt Hendrik IV talrijke colleges aan de Jezuïeten en wordt hun grootste weldoener. Toch wordt hij kort daarop (1610) door Ravaillac vermoord... De Jezuïeten kregen het hard te verduren, omdat iedereen wist dat zowel Barrière, die te biechten ging bij P. Varadé, en Jean Chastel, die geïnspireerd was door P. Guignard, die allebei Hendrik IV hadden willen vermoorden, gehandeld hadden volgens de leer van de tirannenmoord. In Juni 1610 werd dan ook Mariana's boek openbaar verbrand.(157)

    Toch bleven de jezuïeten. Tijdens haar regentschap (1610-1617) volgde Maria de Medicis (1573-1642) blindelings de leiding van haar biechtvader, P. Coton , die zij ook tot 1617 wist op te dringen aan Lodewijk XIII. Toen Concini, de eerste minister van Maria de Medicis, werd vermoord viel Coton in ongenade (1926). Lodewijk XIII, die fel gekant was tegen zijn moeder, bevorderde Richelieu tot eerste minister (1624). P. Suffren, die Coton opvolgde, trachtte via P. Lamormaini, de biechtvader van keizer Ferdinand II van Habsburg, een bondgenootschap te bewerken tussen Frankrijk en Habsburg tegen de Protestantse vorsten. Dit was echter niet naar de zin van Richelieu die streefde naar de vernedering van Habsburg, desnoods mits bondgenootschappen met die Protestantse vorsten. P. Caussin trachtte die tendens tegen te gaan maar moest ontslag nemen. Hij werd door P. Mutius Vitelleschi, de Generaal, vervangen door een soepeler Jezuïet. Richelieu zelf verdween in 1642 en werd opgevolgd door Mazarin, een oudleerling van de Jezuïeten.

    Als Lodewijk XIV; (1643-1715) het roer overneemt is de Sociëteit weer in volle kracht opgebloeid. Niettegenstaande het gallicanisme van de Franse Kerk, gekant tegen het pauselijk gezag, verwierf zij een geprivilegieerde positie en leverde de biechtvaders van de koning. Zoals gezegd was het P. Letellier S.J. die Lodewijk XIV kon overtuigen op 22 October 1685 het Edict van Nantes in te trekken : daardoor werden 200000 protestantse families gedwongen te emigreren.

    De slag leek definitief gewonnen. En toch was dit een loutere illusie.

    Toen Lodewijk XV (1715-1774) aan het bewind kwam, was er reeds over heel Frankrijk een mentaliteitsverandering gekomen. Er was een enorme toename van het rationalisme en het libertinisme. Onder Lodewijk XIV reeds zijn de Monita Privata bekend geworden in Frankrijk en ze zijn ongetwijfeld in de handen gekomen van de leidende kringen. In 1661 worden boekhandelaars in Parijs gemolesteerd door de politie, maar daar bleef het bij.

    Lodewijk XV was niet meer zo volgzaam tegenover zijn biechtvaders. Hij versleet er een drietal : Perussault , Desmarets en de Sacy, maar als ze eisten dat hij zijn lichte leven zou beteren of althans Madame de Pompadour van het hof verbannen, dan liep het mis. Hij werd een min of meer «verlichte» vorst, die in Madame de Pompadour, en daarna Madame du Barry andere biechtvaders vond.

    De jezuïeten verloren meteen hun greep op het hele beleid in Frankrijk. Kon de Sociëteit dulden dat het werk van zoveel jaren ineens verloren ging˙? Ook Lodewijk XV moest ondervinden dat de jezuïeten niet zo gemakkelijk hun macht afstonden. Hij werd dus weer eens een onrechtmatig heerser, een tiran. Opnieuw rijpte het plan voor een moordaanslag die mislukte. Weer worden de jezuïeten verdreven.

    In zijn edict van november 1764 blijft Lodewijk XV nog relatief mild tegenover de Sociëteit. «Wij verordenen dat de Sociëteit der jezuïeten geen plaats meer zal hebben in ons koninkrijk.. We laten evenwel toe, dat de gewezen leden van die Sociëteit, als partikulieren, in onze staten blijven leven onder het geestelijk gezag van de plaatselijke bisschoppen, zich in alles gedragend als goede en trouwe onderdanen». De Franse diplomatie zal actief de algehele afschaffing van de Sociëteit blijven nastreven, totdat Paus Clemens XIV zal toegeven.

    Gelijkaardige scenario's speelden zich af in Engeland. In 1605 worden drie jezuïeten betrokken bij het poederkomplot , dat de bedoeling had het parlement met koning en al in de lucht te blazen. In Engeland was een getrouwe katholieke adel blijven bestaan, die het anglicanisme bestreed. Onder koningin Elisabeth waren er reeds pogingen geweest om deze katholieken te organiseren voor de weerstand. Toen Jacobus I een eed van trouw eiste was dit duidelijk teveel voor die katholieken. Cotesby , het hoofd van het komplot, had als biechtvader en raadgever P.H.W. Greenway S.J., die zijn overste P.H. Garnet S.J. inlichtte. Een derde jezuïet P.J. Gerard S.J. was ook op de hoogte en celebreerde de mis voor de samenzweerders. Het staat vast dat Garnet regelmatig de Generaal inlichtte over de stand van zaken. In zijn officiële brieven doet hij dat op een bedekte manier, zeggend dat hij de grootste moeite heeft om de katholieken het gebruik van geweld te ontraden.(156) Wij kunnen slechts vermoeden wat hij schreef in zijn geheime boodschappen. Bij de mislukking van het komplot konden twee jezuïeten vluchten, Garnet werd gevat en terechtgesteld.

    Een gelijkaardig scenario vinden we ook in Portugal, waar Jozef I (1750-1777) geviseerd wordt. Telkens gaat het ook om de doctrine over de tirannenmoord. P. Malagrida S.J. wordt zelfs door de H. Inquisitie als ketter veroordeeld. De hertog van Aveiro was medeplichtig en bekende. Malagrida had over het subject een brief geschreven vóór de moordaanslag aan Anna de Lore¤a ; die werd teruggevonden.(157)

    In Spanje ging het niet anders. De 27e februari 1767 vaardigt Karel III een decreet uit waarbij alle Jezuïeten op staande voet uit het land gezet worden. De beschuldiging luidde : staatsverraad en aanhitsing tot opstand. Karel III voerde allang met d'Aranda, zijn eerste minister, een politiek die de Jezuïeten niet aanstond. Blijkbaar wilden ze aan het bewind van Karel III een einde stellen door een volksopstand.

    In 1798 laat Karel IV evenwel een beperkte terugkeer toe, maar in 1801 werd die toelating al ingetrokken. In 1815 (25-05-1815) herstelt Ferdinand VII de orde, maar reeds in 1820 maken de liberalen grote moeilijkheden. Het komt zover dat op 17 Juli 1834 vijftien jezuïeten vermoord worden. De 4e Juli 1835 volgt een decreet van Maria-Christina tegen de Sociëteit. Eerst in 1852 wordt door een concordaat de toestand rechtgetrokken. In 1868 komt er weer vervolging, gevolgd door een herstel in 1879. Dan volgt er een ru148stige periode tot 1931. In 1932 is het weer zover en moet de Sociëteit vluchten.(158)

    Wij kunnen alleen maar de unanimiteit vaststellen waarmee tribunalen en regeringen, katholiek zowel als protestants, uit verschillende landen, onafhankelijk van elkaar en voor zeer verscheidene gebeurtenissen, op ver uit elkaar gelegen tijdstippen, steeds de Sociëteit hebben aangewezen als schuldig aan moordaanslagen waarvan zeer bepaalde jezuïeten beschuldigd worden de inspirators te zijn. (Een paar kardinalen maakten altijd persoonlijk hun miswijn gereed, uit vrees door de jezuïeten vergiftigd te worden.) Telkens ook wordt de Sociëteit verbannen en dat is geen maatregel die men lichtvaardig neemt. (Later werd de Sociëteit om de haverklap verbannen uit één of ander land : Cavour (1810-1861) verjoeg ze uit Sardinië , Garibaldi (1807-1882) uit Sicilië en Napels; in 1847 werden ze uit Zwitserland gezet; in 1872 verdreef Bismarck ze uit Duitsland; in 1880 en 1902 was het de beurt aan Frankrijk.)

    Een zaak is heel duidelijk : zelf is geen jezuïet voor zover we weten, rechtstreeks betrokken geweest in een moordaanslag, maar het is zeker, dat jezuïeten ermee sympathiseerden en als biechtvaders de potentiële daders absolveerden en aanmoedigden. Zij hebben duidelijk ook de politiek geïnspireerd, die moest leiden tot die aanslagen, ook al vergde dit talrijke slachtoffers.


    1. Constitutiones Societatis Jesu, P.II,I,207.
    2. Ook Lomer, p. 179.
    3. Uit een persoonlijke mededeling van kardinaal Fr. Macharski op 11 Mei 1988.
    4. Cf. M.Wolf, Das 17. Jahrhundert, in : Westphälische Geschichte, W.KOHL (ed.),Düsseldorf, 1983, I, p.539-602. Het feit dat de Monita gevonden werden in 1622 te Paderborn wordt ontkend door Van Aken, Abt e.a. om duistere redenen. Christian von Braunschweig-Wolfenbüttel (1599-1626) was bekend om zijn rooftochten en plunderingen. In 1621 was hij met een eigen leger zijn tocht door Westfalen begonnen; in 1622 was Paderborn aan de beurt. In 1623 werd hij verslagen door Tilly. De jezuïeten vestigden zich in Paderborn in 1616, zij stichtten er een college en een universiteit. Zij werden er verdreven in 1633.
    5. Door Paulus III en Paulus V werd bepaald, dat geen enkele religieus van de Sociëteit deze mag verlaten zonder een speciale toelating van de overste, tenzij om binnen te gaan bij de orde der Karthuizers.
    6. «si in aliquem vel leves erunt conjecturae»:als er maar de geringste aanduiding is.
    7. «quem non ita primum suscepit»,die haar niet zo aanvaardde.
    8. «aliis videntibus», terwijl anderen toezien.
    9. «delinquentes e nostris vel ob id dimittantur», de onzen die hierin tekortkomen moeten daarom ontslagen worden.
    10. J. Drexelius, Opera Omnia. Antwerpen, 1643, Index thematum moralium, Dom. XI post Pentecost.
    11. Constit. X,C,827.
    12. Exerc., Reg. ad dignosc. spiritus 14.
    13. Formula Instituti: Julius III in Litteris apostolicis Exposcit debitum, 21 Juli 1550: «gratis omnino et nullo, pro suo in praedictis omnibus labore, stipendio accepto».
    14. «Quae matrimonia magnam habent difficultatem, ob vulgi opinionem, quod tales obsecratur thoros», welke huwelijken grote moeilijkheden meebrengen, omwille van de publieke opinie, die zulke huwelijken verfoeit.
    15. «explicentur rationes, quae illorum desiderium augeant, videlicet matrimonium hoc fore causam majoris vinculi, et gloria Dei», men moet allerlei redenen aanbrengen, die hun verlangen doen groeien, bijv. dat dit huwelijk een sterkere band zal betekenen, en de eer van God.
    16. «videlicet si bellum movere vult, tunc eius voluntas iuvanda», bijv. als hij een oorlog wil beginnen, dan moet men zijn wil steunen.
    17. Const. P.VI,III,7,591.
    18. P. von Hoensbroech,o.c., I, p. 665-695. Epitome Instituti, 700.
    19. «Salvo tamen iure virtutis et conscientiae», voor zover het kan gebeuren in eer en geweten.
    20. «Si careant uxores., iique virgines depingantur laudum coloribus, quibus eas depingi vellent ipsimet Principes», Indien zij niet getrouwd zijn.. zij moeten die maagden afschilderen in alle lofwaardige kleuren, waarmee de vorsten ze zelf zouden wensen afgeschilderd te zien.
    21. «Sic enim fiet, ut per uxores alias alienos nobis, amicos reddamus», zo zal het gebeuren, dat we echtgenoten tot vrienden maken, die ons anders vreemd zouden zijn.
    22. «Faeminae ne mutant animos, aut de suo favore in nos remittant, serio illis inculcetur amor in nostram Societatem, tum per nostros, tum per eas famulas, quae nobis sint addictae», opdat de vrouwen niet van gedachte zouden veranderen, of verslappen in hun genegenheid voor ons, moet hun de liefde tot de Sociëteit stevig ingeprent worden, dan weer door de onzen, dan weer door die meiden, die ons toegewijd zijn.
    23. Constit. X,11,823-824.
    24. Constit. IV,II,5,317.
    25. «Variius linguis salutentur tempore mensae a nostris fratribus»t;, ze moeten begroet worden in verschillende talen door de scholastieken.
    26. «Deferendos honores primatibus ominentur, delatos gratulentur libellis carminum per studiosos, in primo ingressu loci, ubi exercenda sit iurisdictio», dat zij de overheden, bij hun eerste intrede in de plaats, waar ze hun rechtsbevoegdheid zullen uitoefenen, voorkomen met eerbetoon en laten begroeten door de studenten met eredichten.
    27. «nec dimissos a Societate ullo modo promoveant», dat zij de ontslagenen uit de Sociëteit op geen enkele wijze zouden helpen.
    28. «favor ad lites forenses» hun gunst bij de processen voor de rechtbank.
    29. «in illis praesertim civitatibus quae nostros nolunt habere», vooral in die steden, die niet willen weten van de onzen.
    30. «Nam in Germania, Polonia, magna est auctoritas Episcoporum, qui parvo labore, collata re cum principe, monasteria.. nobis posunt attribuere», want in Duitsland en Polen hebben de bisschoppen veel gezag. Zij kunnen met de minste inspanning, na overleg met de vorst, ons kloosters.. toewijzen.
    31. Lucius, o.c., p.359; het is natuurlijk uiterst moeilijk om al deze gevallen nog te controleren : hij citeert o.a. alleen te Antwerpen al˙: de bezittingen van de Carmelieten en die van de Benedictijnen van Hemiksem, en een aantal abdijen van Premonstreit in het Vlaamse land, waaruit inkomsten werden geput. Van de Benedictijnen werd een eigendom afhandig gemaakt dat grensde aan het College van Antwerpen plus een belasting van 2000 goudstukken per jaar. Uit de abdijen van Premonstreit zouden ze jaarlijks 20.000 goudstukken getrokken hebben. Tegen de bisschop van Kamerijk werd een proces ingespannen, om hem een eigendom afhandig te maken, dat grensde aan het college van Brussel, enz.
    32. J.Gretser, Contra famosum libellum, cuius inscriptio est: Monita privata Societatis Jesu, etc. libri tres apologetici. Ingolstadt, 1618,X,p.182.
    33. Const. X,11,823.
    34. «Ut facilius oblata occasione promoveantur a principibus, quos olim sibi laudari a suis confessionariis et concionatoribus audierant», opdat diegenen gemakkelijker zouden bevorderd worden door de Overheden, als dezen hun lof al hebben gehoord van hun biechtvaders en predikanten.
    35. Hoensbroech, o.c.,II,p.584, die verwijst naar : Mitteilungen des Salzburger Hochschulvereins, 1909, 4, p.11 v.
    36. «Confectiones, aquas distillatas modice acceptent; quod usu privato parva pecunia sint contenti»,bereidingen, «gedistilleerd water» mogen ze bescheiden aanvaarden; voor hun privaat gebruik moeten ze met weinig geld tevreden zijn.
    37. «Prudenter inculcant suis Principibus, ne vel lato ungue discedant a consilio spiritualium patrum»,dat ze voorzichtig hun vorsten op het hart drukken geen duimbreed af te wijken van de raad van de geestelijke vaders.
    38. Cf. C. Van Aken, La fable des Monita secreta ou Instructions secrètes des Jésuites, in Précis historiques,
    39. 30(1880),p.264-284,344-365,432-446.
    40. Ibid.,p.264.
    41. «Quid agendum, cum religiosis, qui symbolizando nobiscum, in multis occupationibus multum nobis detrahunt˙?», wat te doen met religieuzen, die ons bestrijden, en in vele bezigheden veel aan ons onttrekken ?
    42. «Omnia in Societate melius haberi, ipsa etiam subjecta», alles in de Sociëteit is beter, zelfs de subjecten.
    43. Hoensbroech, o.c., II,p.583.
    44. «Ut res tota melius illi cedat, comitatus famulorum diminuendus suadeatur, ordinentur officiales aulae et praefecti bonorum praescribantur..», opdat zij gemak-kelijk alles aan hem (de biechtvader) zou overlaten hale men haar over het personeel te verminderen, men ordene de paleisbedienden, en men schrijve voor wie de zaakvoerders zullen zijn..
    45. «Facete proponat viros nobiles, quorum illa vidua, cum qua agitur, non abnueret connubium, iiden viri ita describantur, declarando mores et vitia ipsorum..»,hij stelle schertsend adellijke mannen voor die de weduwe, met wie hij omgaat, niet zou afwijzen; deze mannen beschrijve hij en levere commentaar over hun zeden en hun ondeugden..
    46. «ut ex aula abigantur iuvenes liberiores in iocis, pauci admittantur hospites, in iisque tractandis mediocritas», jonge vrijuit geestige mannen moet men van het hof verdrijven, men late weinig gasten toe en men behandele ze gewoon.
    47. «clenodiis aut pecuniae non modica», met sieraden of met niet weinig geld.
    48. P. von Hoensbroech, 14-Jahre Jesuit˙: persönliches und grundsatzliches. Leipzig, 1910.
    49. «renovet bis in annum, exponatur ordo nostrae societatis domesticus, qui si placuerit, praescribatur pro Aula, indicantur confessiones menstruae, dum pro festis Christi, dominae Bijv. et Apostolorum constituantur syndici inter mares et feminas, qui defectus notent inter aulicos et famulos, referantque magnifice, interdicantur nutus, susurri, clandestina colloquia: delinquentes severe castigentur», zij vernieuwe de geloften tweemaal per jaar; men legge ze de dagorde van de Sociëteit uit, en indien die bevalt schrijve men ze voor voor het paleis; op de feestdagen van de Heer, O.L.V. en de Apostelen stelle men onder de mannen en de vrouwen gedelegeerden aan, die bij hovelingen en personeel de gebreken noteren en ze nauwkeurig rapporteren, men verbiede contacten, geroddel, clandestiene gesprekken˙: overtreders straffe men streng.
    50. «nisi tunc, cum minor spes est aliquid ab eis accipiendi», tenzij als er minder hoop is dat men van hen nog iets krijge.
    51. «Demum quicquid fieri potest, ad viduarum sensualitatem (modo sint liberales et addictae Societati intime) fiat, caute tamen, et secluso scandalo», men doe al het mogelijke voor de zinnelijke bevrediging van de weduwen (op voorwaarde dat ze vrijgevig zijn en de Sociëteit intiem toegewijd), omzichtig echter, en met uitsluiting van elk schandaal.
    52. «Si in aula honestae puellae, quae varia ornamenta conficiendo pro templis, se in pietate exerceant, super se habeant manuductricem, quae laborantibus attendat et mores edoceat», indien er in het paleis fatsoenlijke meisjes zijn, die, terwijl ze ornamenten maken voor de kerken, zich oefenen in de godsvrucht, moeten zij boven zich een werkleidster hebben, die toezicht uitoefene op het werk en hun lere zich gedragen.
    53. «Nuptia filiarum exornentur carminibus studiosorum externorum˙: si exequiae peragendae sunt, ornatus, licet lugubris, splenditus tamen exhibeatur, catafalci non vulgari structura», de trouwfeestan van de dochters luistere men op met zangen door de leerlingen, indien er lijkdiensten te doen zijn, moeten de rouwornaten, schitterend zijn, de katafalk buitengewoon opgebouwd.
    54. Het Examen is een uiteenzetting van het doel en de eisen van de Sociëteit, die elke kandidaat te lezen krijgt.
    55. «Ne religiosis quidem personis dent eleemosynas, inscio confessario, sed adnotatis illis, quae se daturas alicui decreverant. Schedulam exhibeant confessario, qui detrahere aut addere potest, prout videtur», dat ze geen aalmoezen geven , zelfs niet aan religieuzen buiten weten om van de biechtvader, maar dat ze noteren wat ze besloten hebben om te geven. Dat ze de lijst aan de biechtvader voorleggen, die kan bijvoegen of schrappen, zoals het hem goeddunkt.
    56. «ne post se feminae natura inconstantes abducant», dat ze niet de van nature onstandvastige vrouwen met zich mee wegbrengen.
    57. «Dum multa est pecunia et bonis collecta», als er veel geld is en veel inkomsten uit goederen».
    58. «Post mortem viduae exponantur.. coram viduis.., ut habeant in quod suam liberalitatem possint exercere», na de dood van de weduwe.. zette men aan de weduwen uiteen.., opdat ze iets zouden hebben om un vrijgevigheid uit te oefenen.
    59. «Si clenodia sint, suadeatur aeternitati ea conservanda; si dentur a viduis ad sepulchra nostrorum beatorum Romanorum, comprobetur id exemplis aliarum matronarum, quae id praestiterunt», indien het sieraden zijn, overtuige men ze dat ze eeuwig bewaard zullen blijven; indien ze gegeven worden voor de graven van onze Romeinse gelukzaligen, keure men dat goed door voorbeelden aan te halen van andere vrouwen, die dat gedaan hebben.
    60. «Quod si filios et filias Dei obsequio dicare voluerint, non est liberalitas.. spernenda, accipiendo quae offeretur partim tamen ab iis viduis accipiendum, qui filios et filias ad seculum dirigunt», indien zij zonen en dochters aan de dienst van God willen wijden, is deze vrijgevigheid niet te misprijzen; men moet aannemen wat ten dele aangeboden wordt door die weduwen die zonen en dochters opleiden voor een werelds leven.
    61. «Suaviter et fortiter», met zachte stevige hand,.. «Filiabus molesta sit virgis, minis, abstinentiis asperius tractando..», voor de meisjes moet ze lastig zijn, ze afslaan met roeden, ze bedreigen, ze hard behandelen door ze (van alles) te ontzeggen.
    62. «Exaggerat futuri mariti furores», zij moet de woedeuitvallen van de toekomstige echtgenoot overdrijven.
    63. «munuscula», kleine geschenken.
    64. «immo futuri de nostris», zelf kandidaten voor de Sociëteit.
    65. «subtrahat mater filiis necessaria ad tempus modicum, exponat intricata negotia ex parte bonorum. Si ad alias provincias iverint studiorum causa, ita illos mater non delicate tractet pecunia, ut taedio victi in exteris nationibus, religionem ingredi serio meditentur», de moeder moet aan de zonen voor een tijdje het nodige ontzeggen, ze legge daarbij uit hoe ingewikkeld de zaken zijn in verband met de goederen. Indien zij naar andere provincies zouden gaan omwille van hun studies , moet de moeder ze inzake geld niet fijngevoelig behandelen, opdat ze in het buitenland door walg overwonnen, er ernstig aan zouden denken in het klooster te treden.
    66. «tamquam boni communi minus affecti.. domi exagitantur», als minder toegewijd voor het algemeen welzijn.. thuis zouden opgejaagd worden.
    67. «magno dolore»,met groot verdriet.
    68. «quo tempore multa nostri possunt lucrari : apud hos omnes audeant captare benevolentiam, explicando gratitudinem societatis, et fidelem exsecutionem ratione locorum, quae accipiunt a benefactoribus, secus quam alii seculares sacerdotes et monachi», op dat ogenblik is er veel te winnen voor de onzen : bij dezen moet men durven zich meeste maken van hun welwillendheid, door ze de dankbaarheid van de Sociëteit uit te leggen en de trouwe uitvoering naar gelang de plaats, heel anders dan de seculiere priesters en de monniken.
    69. «Adeant civium domos, aulas nobilium, nec non viduarum..», dat zij zich naar de huizen begeven van de burgers, de adel, de weduwen..
    70. «Devotis et devotabus Societatis nostra quandoque bona sua vendant cum pace, quo post breve tempus, societas gratis eadem sit ab ipsis receptura», aan vrome mannen en vrouwen verkope de Sociëteit soms goederen, die haar toebehoren, met een overeenkomst dat na korte tijd de Sociëteit ze gratis van hen terug ontvangt.
    71. «uti pagos, clenodia, totamque possessionem», zoals dorpen, juwelen, en het hele bezit.
    72. «Si autem tantum unum filium, aut plures, vidua nostrae societati amica habuerit, nullaque sit spes filios aut filium fore in societatie indicetur matri, sufficere, si integras possessiones filiis vel filio relinquat; at collecta pecuniae summam et suam propriam dotem posse legare societati», indien er slecht één zoon is, of meerdere, die een weduwe die bevriend is met de Sociëteit, heeft, en er is geen enkele hoop dat de zonen , of de zoon ooit in de Sociëteit komt, geve men de wenk aan de moeder, dat het volstaat dat zij het gehele bezit aan de zonen of de zoon overlaat; maar de opbrengsten en haar eigen bruidschat dient zij te legeren aan de Sociëteit.
    73. «contentae sint annuam suscipere contentationem», zij moeten ermee tevreden zijn een jaarlijks onderhoudsgeld te trekken.
    74. Cf. voor talrijke andere gevallen Hoensbroech, o.c., I,p.490-498; cf. ook Der Jesuitenprozess in Brüssel. Keulen, 1864; ook in het Frans: Le procès de Buck. Brussel, 1864.
    75. «Testabimur disciplinae rigorem, eiiciendo a nobis, quandocumque videtur societati, si cuiuscumque conditionis et status juvenes consumpserint aetatem et vires, morbo calenti et alio quocumque, postquam ingressi sunt societatem affecti fuerint», wij zullen getuigenis afleggen van de strengheid van onze tucht, wanneer wij uit ons midden verwijderen diegenen, bij wie vrij jong door koorts of door gelijk welke andere ziekte het leven verkort en de krachten gesloopt worden, nadat ze binnengetreden zijn in de Sociëteit.
    76. «non dandum totum societati; prius tamen tales per aliquot annos in societate mortificentur», door niet alles aan de Sociëteit te geven; tevoren moeten zulke lieden enkele jaren in de Sociëteit gepest worden».
    77. «Fratres.. detineantur in scholis inferioribus; altiora studia, praecipue quartus theologiae annus non concedatur», de scholastieken houde men in de lagere klassen, om daar les te geven, vooral de verdere studie, het vierde jaar theologie, worde hun niet toegestaan.
    78. Hoensbroech,o.c.,I,p.258-259; cf. Friedrich, Beiträge zur Geschichte des Jesuitenordens, p.73.
    79. Constitutiones S.J.,msc., Brussel,p.37. Cf. Van den Gheyn, VI,3959.
    80. Const.P.III,I,256-259; Epitome 481-490.
    81. Epitome 488.
    82. »Si.. conquerantur coram Provincialibus, non credatur facile, excusetur factum. Dicatur teneri eos obedire superiori, ubicumque non est peccatum», indien ze klagen bij de Provinciaals moet men ze niet gemakkelijk geloven, en men excusere de feiten. Men zegge dat ze gehouden zijn aan de overste te gehoorzamen, overal waar er geen zonde mee gemoeid is.
    83. «Non sint scrupulosi in dimissione superiores: cum enim ordo noster gaudeat nomine societatis et sociorum, non mirum societati annexam esse dimissionem: nam societatis et sociorum vincula facilius solvuntur, neque sunt perpetua. Dimissio coepit cum instituto Societatis: id evidenter ex eo patet, quia societas habet vota simplicia pro scholasticis coadiutoribusque formatis, quae vota non habent mutuum contractum, ac si societas habeat obligationem, personas cum talibus votis in societate retinendi semper, id enim nequaquam est˙: tantum enim obligatio cadit in voventem, non in societatem, quae potest cum talibus votis quoscumque dimittere; quando quacumque de causa sibi videbitur. Licet autem in societate alii faciumt professionem quattuor votorum, alii trium votorum solemnium, more aliorum monachorum, tamen et tales a societate dimitti possunt», de oversten moeten niet scrupuleus zijn voor het wegzenden; vermit onze orde de naam gezelschap en gezellen draagt, is het geen wonder datbij een gezelschap ook het ontslag hoort. Want in een sociëteit en bij gezellen worden de banden gemakkelijk verbroken, en ze zijn ook niet eeuwig. Het ontslag begint bij het instituut : en dat is evident duidelijk, omdat de sociëteit eenvoudige geloften heeft voor de scholastieken en de gevormde coadjutoren, welke geloften geen wederzijds contract inhouden, alsof de sociëteit de verplichting zou hebben personen met zulke geloften altijd te behouden, dit is geenszins zo : de verplichting valt op diegene die de geloften doet, niet op de sociëteit, die iedereen kan wegzenden die dergelijke geloften heeft afgelegd, om gelijk welke reden die haar goeddunkt. Alhoewel anderen in de Sociëteit de professie van de vier geloften, anderen de drie plechtige geloften afleggen, naar de gewoonte van de monniken, kunnen ook zulke uit de Sociëteit ontslagen worden.

      Nota: merkwaardig genoeg is dit niet helemaal juist˙: de eenvoudige geloften zijn ook eeuwige geloften, alhoewel zij met opzet eenvoudig gehouden worden opdat ze gemakkelijker zouden kunnen ontbonden worden dan de plechtige geloften. De uitdrukking˙: »om gelijk welke reden die haar goeddunkt» getuigt hier van een arbitrair gezag, zoals het aangeklaagd werd bij de paus in verband met Acquaviva.

    84. «quos de se in manifestatione conscientiae aliquando superioribus aperuerat, et juxta quam in societate dirigebatur, cedendo in hoc iure suo», die hij in de rekenschap van geweten eens aan de oversten meegedeeld heeft, en volgens welke hij in de Sociëteit werd bestuurd, hierin van zijn recht afstand doende.
    85. »Antequam e Societate dimittatur, praemittat eius rei testimonium dimisso ad eos spirituales et seculares Dominos, quorum ipse occupare posset gratiam», vooraleer dat hij ontslagen wordt uit de Sociëteit zende hij (de overste) aan de geestelijke en wereldlijke Heren, waarvan de ontslagene de gunst zou kunnen genieten, bericht over deze zaak.
    86. Ed. Génicot s.j.& J. Salsmans s.j., Institutiones Theologiae Moralis. Brussel, 1951, I,p.362,n.432.
    87. P. Ribadeneira, Dialogus de apostatis, qui a Societate Jesu deciderunt, msc. Cf. J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique. Brussel, 1906,VI,p.216-452.
    88. »Invitentur ad prandia», men nodige ze uit voor een etentje.
    89. «Et defectus dimisse enucleate exponendo, nihil omittendo», en de gebreken van de weggezondene uitvoerig uiteenzetten, en niets overslaan.
    90. «Nisi aut dederint non modicam pecuniam aut sua bona inscripserint», tenzij ze niet weinig geld hebben gegeven of hun goederen overgeschreven.
    91. Const.P.X,6,817.Epit.543.
    92. «per amicos et devotas nostras ordinis inferioris», door onze vrienden en vrome vrouwen van een lagere rang.
    93. «Ipsae ne dimissis faveant et apud se conservent dimissos, terreantus censuris, negetur absolutio», deze vrouwen mogen de ontslagenen niet begunstigen en bij zich onderhouden, men moet ze afschrikken door kerkelijke straffen, hun de absolutie weigeren.
    94. Hoensbroech, o.c.,I,p.255; cf. Gothein, Ignatius von Loyola, p.409.
    95. «ut reliqui terreantur et vel inviti maneant in Societate», opdat de overigen zouden afgeschrikt worden en desnoods tegen hun wil in de Societeit blijven.
    96. «confessarii, dum ad decrepitam aetatem accedunt, amoveantur a viduis», als de biechtvaders stokoud zijn, moeten zij van de weduwen weggetrokken worden.
    97. « His concedantur quaecumque petunt in cibo, vestitu, aliisque rebus, nec vexantur a ministris penitentiariis : contra tales non sint creduli superiores», hun worde alles toegestaan wat zij vragen wat betreft voeding, kleding en andere zaken, en dat de ministers, die met de tucht belast zijn hen niet lastigvallen; tegenover zulken moeten de Oversten niet lichtgelovig zijn. »Habeatur et eorum ratio, qui minimos defectus, in aliis notatis, superiori deferunt, aut positi in officio ministri alios mortificare sciunt, non ex affectu, sed amore disciplinae», men moet ook rekening houden met diegenen, die de kleinste tekortkomingen opgemerkt in anderen aan de Overste overbrengen, of in de positie van minister anderen weten te versterven, niet uit passie, maar uit liefde voor de regeltucht.
    98. Const.P.III,I,271.
    99. «post factum pane, non lacte pascendi», nadien (na de afstand van goederen) moeten ze gevoed worden met brood, geen melk meer.
    100. Constit.P.I,II,161.
    101. «et opulenti», en rijk.
    102. «laudentur crebrius, dentur ipsis munera», men moet ze dikwijls loven, men geve hun taken (of geschenken).
    103. «Cum aliis descendendum ad virgas, obiicienda crimina ex aliquibus conjecturis, iratus vultus ostendendus, acrius compellandi et reprehendendi. Iuvenilis aetas ad omnia mala quod sit in illis proclivis ostendatur, nisi religiosi fiant, damnatione aeterna terrendi», met de anderen moet men zijn toevlucht nemen tot de roede, ze misdrijven verwijten die kunnen verondersteld worden, hun een verbolgen gelaat tonen, ze streng houden en ze vermanen. Men moet hun tonen dat hun jeugdige leeftijd geneigd is tot al het kwaad dat er in hen is, en men moet ze afschrikken met de eeuwige verdoemenis, tenzij ze religieus willen worden.
    104. «et si voluerit postea exire ex talibus, revocetur illi ardens studium, quo ingressum in societatem urgebat», en indien iemand daarvan wil uittreden, herinnere men hem aan de grote ijver, waarmee hij destijds de intrede in de Sociëteit heeft gevraagd.
    105. «Si tales sint, mittantur Romam ad noviciatum; prius tamen praemoneatur de ipsis Generalis, aut Provincialis Romanus. Quod si in Germaniam, Galliam, Italiam venerint, et societatem adsecraverint, sine scrupulo suscipiantur, in illis dominiis, in quibus monarcha civitatis est addictus. Sub tali enim Domino haec et similia erunt peragenda, siquidem illius subditi, cum nostro favore indigeant, non facile contra nos insurgent, et si insurgant, nihil lucrabuntur», indien het zulken zijn, zende men ze naar Rome naar het noviciaat; men waarschuwe echter vooraf de Generaal, of de Romeinse Provinciaal. Komen ze in Duitsland, Frankrijk, Italië, en wijden ze zich aan de Sociëteit, dan aanvaarde men ze zonder scrupels, in die gebieden, waar de vorst ons genegen is. Onder zulke vorst kan men dergelijke dingen doen, omdat zijn onderdanen onze gunst nodig hebben en dus niet gemakkelijk tegen ons gaan protesteren, en doen ze het, zullen ze niets winnen.
    106. «Non omittamus occasiones inducendi filios eorum, qui studiorum causa ad nostra Gymnasia ex aliis Provinciis veniunt, maxime tunc cum incipiunt pecuniam amittere, et partim pudore amissae pecuniae, partim metu parentum aut affinium ob molestias quas timent, induci se sinunt : res habuit bonum successum in Germanis et in Polonis», verwaarlozen we geen enkele gelegenheid om hun zonen binnen te brengen die omwille van de studies uit andere Provincies naar onze Gymnasia komen, vooral als ze beginnen blut te zitten, en gedeeltelijk beschaamd om het verloren geld, gedeeltelijk uit schrik voor de ouders of de verwanten omwille van de moeilijkheden die zij vrezen, zich binnen laten brengen. Dat lukte voortreffelijk met de Duitsers en de Polen.
    107. «Insinuent se intimam familiaritatem ipsorum, reddantque eos contentos, si id personae dignitas et necessitas postulabit», dat ze laten horen hoe intiem ze met hen (de vorsten) omgaan, en dat men ze (de ouders) tevreden stelle, indien de waardigheid en de noodzaak dit eise.
    108. «Qui si advertet peccatum cum complice aut in grave damnum societatis, non absolvet, nisi poenitens promittat, aut se ipsum scripturum hac de re Generali aut dederit facultatem scribendi confessario, aut superiori de tali causa; alias nullo modo absolvet poenitentem. Generalis vero casu poenitentis cognito, re collata cum Secretario, de casu poenitentis id concludet, quod pro societate poenam adsignabit quod si acceptare noluerit, numquam valide possit absolvi», indien hij bemerkt dat er sprake is van een zonde met een medeplichtige of een zonde die groot nadeel kan berokkenen aan de Sociëteit, geve hij (de biechtvader) de absolutie niet, tenzij de penitent belooft zelf over deze zaak aan de Generaal te schrijven, of dat hij de toelating geeft aan de biechtvader dat te doen, of aan de overste; anders zal hij geenszins de penitent absolveren. De Generaal, zogauw hij kennis neemt van het geval van de penitent, zal een besluit nemen, na de zaak overlegd te hebben met de Secretaris, en een straf aanduiden. Indien de penitent die niet aanvaardt, zal hij nooit geldig kunnen geabsolveerd worden.
    109. «Id faciendum conclusimus cum Theologis nostris in casibus reservatis et approbatione Sedis Apostolicae; frustra quibusdam repugnantibus», dat zo moet gehandeld worden in de gevallen die gereserveerd zijn hebben we besloten samen met onze theologen en met de goedkeuring van de Apostolische Stoel.
    110. «earum deprehenderit esse crassas in moribus et loquela», indien ze betrapt worden vuil te zijn in taal en zeden.
    111. «quoad viduas et directionem Rerumpublicarum», wat betreft de weduwen en het bestuur van de staat.
    112. Verbanning uit Venetië in 1606-1650; uit Frankrijk in 1594, uit Antwerpen in 1578; uit Bohemen in 1618; uit Moravië in 1619.
    113. 113 «aliquo iubeatur ire ad vineam, vel vicinum collegium», men legge hem op ergens naar de wijngaard te gaan, of naar een nabijgelegen college.
    114. L.Lucius, Historia Jesuitica, Bazel, 1627, p.362.
    115. Hoensbroech, o.c.,I,p.811-815. Congr. Gen. V, d.52.
    116. «cum tantae sint benefactrices, ut aliquae fundationem iuverint collegiorum, plurimae mediam dotem dederint, annuente monasterio et Abbatissa», omdat er zo grote weldoensters bij zijn, die geholpen hebben bij het funderen van de colleges, meerderen gaven de helft van hun bruidschat, met de toestemming van het klooster en de abdis.
    117. «Quare ob clausuram non eas molestent, relinquant Episcopis; conservent potius favorem monialium, ne contra nos agant ob dimidiatas dotes, easque exprobrent nostris datas», men moet ze niet lastig vallen over (de observantie) van het slot, dat late men aan de Bisschoppen; dat men eerder probere hun gunst te behouden, opdat ze zich niet tegen ons zouden keren omwille van de gehalveerde bruidschatten, en er een verwijt van maken, dat ze aan de onzen zijn gegeven.
    118. «Quid praeterea dum declinandum, tum observandum», wat men enerzijds moet afwijzen, anderzijds observeren.
    119. «aut nihil eis reddendo, aut saltem bene detrahendo, ob sumptus a societate eorum causa praestitos», of door hun niets terug te geven, of tenminste er ruimschoots van af te trekken, omwille van de kosten die de Sociëteit voor hen gedragen heeft.
    120. Const. P.X,2-3,813-814.
    121. Cl. Acquaviva, Epistolae, msc., Brussel, nr. 36 De cyfra, qua utuntur provinciales (9 febr. 1602). Daaruit: « Primum quidem numeris his notatis loco charactera cyfrae litterarum scribendi utendum erit : scribendum cum fuerit a primo alphabeto ducendum exordium, ex eoque accipiendus character scribenti usus futurus, hoc est ille numerus qui supra charactera fingendum profigitur, tum deinceps alter ex secundo, tertius ex tertio, item reliqui ex ordine ad postremum usque alphabetum accipientur, quibus absolutis iterum ab eodem primo alphabetho inchoandum..»
    122. Mon.XIII,12;II,6;III,4.
    123. Mon.VII,1.
    124. D. Du Cange, Glossarium mediae et infimae latinitatis. Niort, 1883, II, p. 366.
    125. Mon.XI,3.
    126. Mon.VII, eerste versie :«testetur vidua clenodiis aut pecuniae non modica»; Mon.IX, e.v. : »uti pagos, clenodia, totamque possessionem». In de tweede versie werd «clenodia» geschreven voor wat in de eerste versie genoemd wordt˙: «ornamentum muliebre exquisitum» (VIII,e.v.)
    127. «successus mali, qui accidunt dimissis, evulgentur cum magna commiseratione» (Mon.e.v.,XI).
    128. De stad Regensburg dankt haar naam eigenlijk aan de rivier Regen, een bijrivier van de Donau; zij ontstond uit een legerkamp van de Romeinen.
    129. J. Gretser, Contra famosum libellum cuius inscriptio est Monita privata Societatis Jesu libri III apologetici, Ingolstadt, 1618.
    130. J.Wielwicki, Diario storico della Casa Professa della Compagnia de Gesu in Cracovia 1579-1637, 1889.
    131. C. Van Aken s.j., La fable des Monita secreta ou Instructions secrètes des Jésuites, in: Précis historiques, 30 (1881),p.264-284,344-365,432-446; Van Aken zegt nog, dat nooit iemand met zekerheid zal weten, wie de Monita geschreven heeft. Nadien worden de jezuïeten eenstemmig˙: Zahorowski heeft de Monita uitgevonden.
    132. Cf. Van Aken s.j., l.c.
    133. J.Gretser, Contra famosum libellum, cuius inscriptio est˙: Monita privata Societatis Jesu, etc. libri tres apologetici, Ingolstadt, 1618, II,X,p.182-183.
    134. Van Aken, l.c.,p.354. Cf. ook, Ch. Sommervogel s.j., Le véritable auteur des Monita Secreta, in˙: Précis historiques. Mélanges religieux, littéraires et scientifiques, 39 (1890), p.83-87. Ook J. Tazbir, Hieronim Zahorowski. Zapomnianu autor glosnego pamfletu, in : Kwartalnik Historyczny, 70/2 (1963), p.341-361.
    135. Constitutiones Societatis Jesu, msc.; cf. Van den Gheyn, o.c.,V,3959; De Paupertate, msc.; Van den Gheyn, o.c.,V.,3961.
    136. J. Gretser, Contra libellum.., in: Opera omnia, XI,p.990.
    137. Lud. Lucius, Historia Jesuitica, Basel, 1627, p.347 ss.
    138. Arcana Societatis Jesu, I. Instructio secreta pro superioribus Societatis Jesu, Genève, 1635.
    139. Monita Privata, msc., Torino, 1665, bewaard in de Newberry Library te Chicago.
    140. Hoensbroech, o.c.,II,209.
    141. 31e Gener. Congreg.,d. 17,10.
    142. Mon. X,2.
    143. Hoensbroech, o.c.,II,p.186-201.
    144. ˙Hoensbroech, o.c.,II,189; Liberius Candidus (Scioppius), Tuba magna, II,292 ss.
    145. Ibid.
    146. J.Mariana s.j., Discorso intorno a' grand' errori, che sono nella forma del Governo dei Jesuiti. Bordeaux, 1625. Cf. Hoensbroech, o.c.,II,p.192.
    147. Hoensbroech, o.c.,II,p.191; Reusch, Beiträge: Zeitschrift für Kirchengeschichte,15(1894),p.261 ss.
    148. Koch, o.c.,II,p.1776˙: een oorkonde werd bewaard, waarin die bisschoppen verklaren, dat de verwijdering van de koning door moord volgens de goddelijke en de menselijke wet volledig veroorloofd was.
    149. J. de Mariana, De rege et regis institutione libri II. Toledo, 1599,I,6.
    150. Cf. Instructions secrètes,p.XVI.
    151. De Mariana, o.c.,ibid.
    152. Cf. L.Koch, Jesuiten-Lexicon.Die Gesellschaft Jesu einst und jetzt. Paderborn, 1934, k.406-413.
    153. Koch, s.v. Einkünfte, k. 476.
    154. Pasquier, p. 201
    155. Piaget, p. 68, 101,117-119,113-205,237.
    156. Piaget, p. 347-351.
    157. Lucius, o.c.,p.362-364.
    158. Bangert, p. 123.
    159. Crétineau-Joly, II, p. 361.
    160. Aveling, p. 208 vv.
    161. Bangert, p. 123-126.
    162. Koch, o.c., p.1776-1777.


    Links

    Geheim en wijsheid der Jezuïeten

    Ignatius van Loyola, leven en persoon.

    De Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola

    De Cadaver-discipline van de Sociëteit

    De humane vorming van de Jezuïeten


    Homepage of the Psychological Laboratory (Leuven)



    Dr. Herman H. Somers
    Send e-mail to herman.somers@skynet.be