De humane vorming in de Sociëteit van Jezus




VI. De Vorming.


1. De humane vorming en de colleges.

Ten tijde van de renaissance beheerste de antieke cultuur de samenleving : het humanisme werd het model van alle geleerdheid; de grondige kennis van de Latijnse en Griekse letterkunde was de basis van de vorming. Erasmus stelde dat een dergelijke vorming noodzakelijk was voor een diepere kennis van Christus. Ignatius was noodgedwongen die weg gegaan. Hij wilde dat elke jezuïet grondig de humaniteiten zou kennen en bekwaam zou zijn te onderwijzen in de colleges. Na het noviciaat werd dus een juvenaat ingeschakeld gedurende hetwelk de humane vorming op het gewenste peil zou gebracht worden (tot recent kwam dit overeen met een soort kandidatuur in de klassieke filologie). Deze maatregel moest de kwaliteit van het onderwijs waarborgen.

Alles werd geregeld door de « Ratio studiorum ». Veelal volgde één enkele leraar gedurende de hele humaniteiten dezelfde leerlingen. Later werd dit regime vervangen door het systeem van de klasleraar, die praktisch alle vakken doceerde. Hier wisten de jezuïeten enkele succesvolle innovaties in de pedagogiek in te voeren : van tijd tot tijd werden er theaterstukken opgevoerd door de leerlingen, en daarbij werd «de stad» geïnviteerd : dit was natuurlijk een verstandige promotie voor het college, want bij deze opvoeringen werden de autoriteiten uitgenodigd om door hun tegenwoordigheid de plechtigheden op te luisteren. Binnen de klassen werden ook veldslagen geleverd met behulp van Griekse en Latijnse vormen tussen b.v. Romeinen en Carthagers : in de lagere klassen was het succes verzekerd.

Natuurlijk werd de godsdienstige vorming, of moeten we zeggen : indoctrinatie, niet verwaarloosd : dagelijkse Mis en gebeden, predikaties, aansporingen tot de veelvuldige biecht, geestelijke leiding en bovenal een strenge uiterlijke discipline onder een constant toezicht. De invloed van deze vorming was des te groter omdat vele leerlingen internen waren en voor vrij lange periodes op het college verbleven. Zij kregen daarbij les uit de «beste» handboeken, d.w.z. uitsluitend door jezuïeten samengesteld en aangepast. Uit de klassieke teksten b.v. werd een selectie aangeboden, waaruit alle ongewenste passages weggelaten werden.

Als leraren werden vooral jongeren aangeduid, die nog geen theologie hadden gestudeerd en nog geen priester waren. Hun ervaring moesten ze dus ter plaatse opdoen onder de leiding van een studie- en een tuchtprefect. De status van regent werd door hen omschreven met de woorden «damnatus ad bestias» (veroordeeld om voor de wilde beesten gegooid te worden). En inderdaad een surveillant voelde zich wel eens als een dierentemmer temidden van een troep jonge leeuwen.

De Sociëteit heeft lang vastgehouden aan de louter Grieks-Latijnse vorming en verwaarloosde grotendeels de wetenschappen en de talenkennis meestal moest ze gedwongen worden door de autoriteiten om meer wetenschap en techniek, en ook talen in de programma's te schakelen. Na een tijd waren heel wat schoolboeken verouderd en bevatten fouten. Zij bleef vasthouden aan het adagium van Ignatius : «non multa, sed multum» (niet vele zaken, maar veel), d.w.z. men moet geen wandelende encyclopedieën maken van de leerlingen (materiële vorming), maar men moet ze leren denken, zich leren uitdrukken, zich leren gedragen, en wat ze kennen moet grondig gekend zijn (formele vorming). Ongetwijfeld stoelde deze wijze van handelen op een juist inzicht en was zij de grondslag van de «superioriteit» van de vorming bij de jezuïeten; haar traditionalisme verhinderde de Sociëteit evenwel in te zien dat de nieuwe tijd een wetenschappelijke cultuur eiste, gebouwd op quantitatief en exact denken, en een vorming tot objectiviteit in het oordeel; tegelijk groeide er naast de technische approach een sociale en psychische benadering van de menselijke problematiek (J.J.Rousseau). Hier en daar heeft de Sociëteit wel wat meegepikt van de revolutie die aan de gang was. B.v. Er waren heel wat jezuïeten geïnteresseerd in de wiskunde en de astronomie, vooral toen bleek dat juist deze wetenschappen, tegelijk met de militaire techniek, een introductie konden bezorgen in het Chinese Rijk. Die vakken werden echter vooral verschoven naar het hoger onderwijs : de filosofie.

De Sociëteit heeft zich altijd, zoveel mogelijk, verzet tegen het invoeren in de humaniteiten van meer wetenschappen, wiskunde, talen. Daarom verloor ze het monopolie en werd zij langzamerhand bijna volledig vervangen. De glans van de colleges verduisterde ook naarmate de Sociëteit minder haar leerlingen kon selecteren. Het is duidelijk, dat men allicht betere resultaten zal bereiken, als men ook de meest begaafde en ontwikkelde jongeren kan kiezen en tegelijk streng de minder-begaafden en minder-ontwikkelden kan weren.

Er heerste in de colleges een soort broeikas-atmosfeer : daar werden ook de kandidaten voor de Sociëteit opgeleid en geselecteerd. Natuurlijk kende men die jongeren door en door, van jongs af aan gingen zij te biechten en volgden zij de geestelijke leiding bij de Paters; zij werden dikwijls vertrouwelingen en mochten al enigszins deelnemen in de surveillance, door de tucht-prefect in te lichten over wat er zich afspeelde in de groep waar ze thuis hoorden. Zij werden de informanten van de overheid en mochten genieten van allerlei gunsten. Na enige tijd was de Sociëteit in grote mate samengesteld uit oud-leerlingen, want de colleges vormden een ruime rekruteringsbasis en wel van ideale kandidaten : onbesmet met vreemde ideeën, gevoed met de moedermelk van de Sociëteit.

De Sociëteit heeft nooit ingezien welk gevaar zich daarin schuil hield : zij was niet meer bekwaam tot een degelijke autokritiek. Iedereen was overtuigd dat de Sociëteit volmaakt was en zeker op geen enkel punt moest hervormd worden. Gesteld tegenover de keuze hervormen of verdwijnen kon het antwoord maar zijn : «Sint ut sunt, aut non sint »(dat ze zijn zoals ze zijn, of dat ze niet zijn) (Ricci).

De colleges van de Sociëteit hebben duizenden jongeren gevormd. Bij die vorming werden, naast de algemene tendensen die we tot hiertoe bespraken, ook nog een hele reeks beginselen in praktijk gebracht, die deze colleges onderscheidden van andere scholen. Welke is de betekenis en de essentie van die vorming ? Groei en ontwikkeling van het kind vereisen een gunstige atmosfeer : hulp en leiding om het alles bij te brengen (kennis en attitudes) wat het nodig heeft om stand te houden in en bij te dragen tot de samenleving. Aangezien het kind wel spontaan leert, maar anderzijds niet geneigd is zich systematisch zware inspanningen te getroosten om althans een deel van het pakket techniek, wetenschap, cultuur te veroveren, is er onvermijdelijk een dril nodig, een vrij streng kader, dat kunstmatig wordt opgelegd. De school is een voorbode van de harde maatschappij, waar men moet presteren, aan strikte eisen beantwoorden en aan vaste regels gehoorzamen. Zij kan zich niet veroorloven iedereen te laten doen waar hij zin in heeft : men mag niet babbelen als men graag iets vertelt, men moet de opgelegde huistaken uitvoeren, men moet bewijzen dat men iets kent, men moet zich eerbiedig en gehoorzaam gedragen. Ook saaie lessen moet men aanhoren, ook moeilijke taken uitvoeren, ook aan antipathieke leraars gehoorzamen.

Ontegensprekelijk was de strenge discipline op de jezuïetencolleges een goede voorbereiding voor het leven in de maatschappij. Normaal is er op de jezuïetencolleges geen «laisser aller» : de leerstof, die vooral bestond in grammatica en literatuur, oefeningen in thema, opstel en spreekoefeningen (geschiedenis werd niet als een apart vak gegeven) wordt nauwkeurig en grondig ingeoefend, en er wordt geëist dat zij ook geassimileerd zou worden. Vooral leerde men er ook zich klaar en duidelijk uitdrukken in een behoorlijke correcte taal.(1) Tegelijk leerde men er goede manieren en een zekere zelfbeheersing. Men herkent de «goede» leerling van een jezuïetencollege aan de volgende kenmerken : hij is beschaafd, beleefd, gedisciplineerd tegenover zijn overheid, hij voert zijn taak uit met nauwgezetheid en toewijding, hij kent zijn plaats, is bescheiden en discreet. Dit zijn vele troeven voor diegenen die carriŐre willen maken, en die vorming verlangden de ouders van de Sociëteit voor hun kinderen. In 't algemeen werkte het systeem, ook al werden sommige colleges juist daarom pensionaten «pour mauvais garçons de bonne famille». De jezuïetentucht zou hen wel de nodige opvoeding bijbrengen. Geen nood. Er wérd gesurveilleerd. Er werd gewerkt met verklikkers uit de leerlingen zelf, en de oudere paters, die niet meer heel valide waren, surveilleerden de surveillanten. Vooral de internen hield men in de gaten, want er waren de studie- en slaapzalen, en daar manifesteerden zich de afwijkingen : speciale vriendschappen, mutuele seksuele bevrediging, o.m. in de avondstudie was het favoriete spel van leerlingen die op één bank zaten, met de hand in elkaars broek te zitten. Zelfbevrediging werd ook voortgeleerd van de een aan de ander. Er waren de «vuile» gesprekken. Soms kwamen er meer intieme contacten, en dat niet alleen tussen de leerlingen onderling, maar ook tussen leerlingen en surveillanten of leraars, die soms gevoelig waren voor de jonge charme van bepaalde leerlingen. Wegens de voortdurende waakzaamheid bleven deze feiten binnen redelijke perken; totaal konden zij niet vermeden worden. Het seksuele gedrag van de jongens was, naast de algemene discipline, het hoofdobject van de surveillance. Men moest pogen de zondaars op heterdaad te betrappen. En iemand, die dit niet heeft meegemaakt, kan zich niet inbeelden, wat het juist betekent zo een paar honderd heetgebakerde bokjes in zijn kudde te hebben.

De leerlingen werden normaal ver weg gehouden van allerlei voorstellingen in de stad, openbare spelen, enz. Er was maar één uitzondering : de terechtstelling van ketters !(2)

Natuurlijk strookt dit systeem niet meer met de moderne opvattingen : vrije ontplooiing en uitdrukking van de persoonlijkheid, democratische gezagsuitoefening, groepswerk, ontwikkeling van het sociaal bewustzijn waren toen volkomen onbekende begrippen. De geestelijke leiding oordeelde volgens de doelstellingen van de Sociëteit en kon moeilijk vergeleken worden met een psychologische begeleiding, die oordeelt in termen van psychisch evenwicht en welzijn. De jezuïetenvorming leerde verzaken aan eigen geneugten en eigen wil; zij bereidde mensen voor op het functioneren in een autoritaire maatschappijstructuur. Jongeren leren niet alleen door een uiterlijk opgelegde tucht, maar vooral door het voorbeeld, de integriteit, de strenge levenswandel van de verantwoordelijken. Dat heeft ook op diegenen die emotionele problemen hebben, of die enigszins uit hun evenwicht zijn gebracht een grote invloed. Begeleid door talrijke instructies en richtlijnen, vermaningen over wat mag en wat niet mag, is er de dagelijkse dril : op de speelplaats : mekaar niet aanraken, zeker niet vechten; onmiddellijk klinkt het waarschuwingsbelletje van de surveillant; in de rij : zwijgen en ophouden met spelen zohaast het belsignaal weerklinkt; in de klas : zwijgen, luisteren, antwoorden wanneer gevraagd; voor de internen : alles stipt op tijd, netjes geordend. Dit is een dril zonder persoonlijke verantwoordelijkheid, met slechts zeldzame gelegenheden om iets zelf te organiseren of zelf creatief op te bouwen. Natuurlijk moet de verantwoordelijke ook wel eens rekening houden met de collectieve wil of onwil van de groep, maar in principe beslist hij zonder meer. In 't algemeen leert het systeem geen persoonlijk denken, geen nauwkeurige observatie, tenzij voor taalkundige details, geen experimenteren, weinig leren uit ervaring, het leert vooral assimileren, uitvoeren, analyseren, zich mooi uitdrukken. Zonder twijfel waren er heel wat pluspunten in dit systeem. Maar er zijn ook sterk problematische aspecten.

Tegelijk kregen de leerlingen een «godsdienstige» opvoeding, bepaald door een zeer aparte spiritualiteit, en een levensbeschouwing met zeer beperkte horizon. Het is duidelijk dat heel wat leerlingen moeite hebben om het onderwijsritme bij te benen, ofwel om zich in te passen in het disciplinaire schema. De manier waarop deze problematiek opgevangen wordt is van het grootste belang; de opvoeder reageert vanuit zijn eigen denkschemata, die hij meestal weinig genuanceerd toepast. Zo was een algemeen toegepast opvoedkundig middel de straf; wie tekort kwam, kreeg straf, in sommige colleges zelfs lijfstraf. Opmerkingen, slechte rapporten, geschreven straffen, «retenue», «pain sec» tot veel zwaardere als b.v. drie dagen uitsluiting waren schering en inslag. Alles was gebouwd op een primair voluntarisme, zonder veel oog voor de psychische mechanismen en de persoonlijke problematiek. Deze vond trouwens amper gehoor in de geestelijke leiding. Deze laatste kende haar clichés voor de behandeling : gebed, penitentie, vasten, enz. Het gevolg is dat de mentaliteit van de leerlingen en van de ouders in 't algemeen geboetseerd gaat worden door die praktijk en van daaruit alles gaat beoordelen. Tegelijk impliceert dit een waardeschaal : als ieder zijn plicht doet, loopt alles gesmeerd, en dat hangt van ieder persoonlijk af. Plaats voor affectieve of emotionele factoren is hier niet; die moeten genegeerd worden.

De opvoeding bij spontane vriendschap, bij het ontluiken van affectieve en seksuele gevoelens, sympathie en antipathie is zeer eenzijdig : eerder dan een gezond ontplooien beoogt de geestelijke leider een verdringing te bewerken. Als de leerling geen roeping wordt, dan hypothekeert deze opleiding het toekomstig affectief leven van het individu : jongens, en ook meisjes, hebben geleerd hun seksuele gevoelens te negeren, en zoniet, ze te beleven in een schuld- en schaamte-beladen, sommigen als in een «vuile» en zelfs misdadige sfeer. Zij moesten dan plots als «deftige» echtgenoten een seksuele relatie uitbouwen, die vol potentiële conflicten zat. Als deze opvoeding misbruikt werd om roepingen te kweken, dan ziet men hoe rampzalig zij moest zijn voor diegenen, die in het net gevangen werden, maar ook voor diegenen, die er slechts gedeeltelijk aan ontsnapten. Want de oud-leerlingen moesten het verlengde zijn in de wereld van de eigenlijke Sociëteit, en daar moesten zij de invloed van die Sociëteit verder uitbreiden. Zij vormden een ruime rekruteringsbasis voor «vrienden» en, eens dat zij kinderen hadden, voor leerlingen en later kandidaten.

2. De geestelijke vorming en het noviciaat .

Opgegroeid in een gesloten milieu meldden zich spontaan heel veel kandidaten. Velen waren zeer jong : 15-16 jaar. Deze leeftijd garandeert kandidaten, die nog soepel zijn, lichtgelovig, onervaren, vol idealisme. Op dat ogenblik is het afstand doen van gezin en nakomelingschap nog een licht offer. Zij zijn nog in het stadium van de jeugddromen, zonder veel realisme. Zij zijn geneigd tot ascetisme, hebben een bijzondere intuïtie of aanvoelen voor religieuze waarden en komen open voor die kwesties : ze zijn rijp. De ervaring leert, dat enkele jaren later, b.v. na universitaire studies, de meeste roepingen verdwijnen als sneeuw voor de zon. Sommige leerlingen werden reeds van hun 10-12 jaar bestemd voor het priesterschap; zij mochten dan studeren b.v. op een apostolische school. Men heeft hun doen zeggen als jongetje dat zij wel graag priester zouden willen worden; er is contact opgenomen met de ouders, en zonder meer wordt het kind op weg gezet. Het aanlokken van rijkere kandidaten is al eveneens een erg zelfzuchtig gebaar; deze jongeren waren dé geschikte instrumenten, de toekomstige professen , als ze maar kapitaal binnenbrachten. Dit alles heeft niets meer te maken met echte opvoeding en vorming, het is geestelijke mutilatie van jongeren, die niet beter weten.

Een paar slachtoffers hebben zich bevrijd. Onder hen graaf Paul von Hoensbroech , waarvan de moeder reeds een eminente weldoenster van de Sociëteit was; hij groeide op in een jezuïetencollege en trad binnen. Na 14-jaar, nadat hij gestudeerd had aan de Berlijnse Universiteit o.a. onder leiding van von Harnack , ontvluchtte hij de Sociëteit.(3) Hij was bestemd om Bollandist te worden; hij verdiepte zich evenwel na zijn uittreden in de geschiedenis van de Orde en schreef er een merkwaardige encyclopedie over, waarin hij vooral, en hij legt de bewijzen voor, de leugenachtigheid aanklaagt van de jezuïeten, die over de Sociëteit geschreven hebben.

Zoals God de mens schiep, zo wilde ook Ignatius elke jezuïet vormen naar zijn beeld en gelijkenis. Ieder moest de weg volgen die Ignatius zelf had afgelegd, en die begon in de grot van Manresa. De geestelijke oefeningen, veel bidden, vasten en boete, al bedelend op pelgrimstocht, zich inzetten voor de zieken en de armen, dienstverlening in huis (aan tafel dienen, poetsen, helpen in de keuken), godsdienstonderricht aan kinderen, dat is het programma van het noviciaat. Daarbij zich laten leiden door de novicenmeester, hem heel het geweten en alle gemoedsbewegingen blootleggen, zich laten opleiden in de geest van het Instituut, geestelijke boeken en heiligenlevens lezen, aangevuld door een flinke dosis gewetensonderzoeken, private devoties, kortom een «bourrage de crâne» zonder weerga. Essentieel is dat de novicen volmaakt de techniek van de autosuggestie leren, hun eigen wil en hun eigen gezond verstand compleet afleggen voor het oordeel en de wil van de overste. Contacten met de ouders worden gewoon afgesneden, of gereduceerd. De novicen worden ook afgericht : op de klank van de bel moeten zij onmiddellijk reageren (tot onlangs zowat alle kwartier of half uur) : grote nadruk ligt op de huiselijke tucht : het stilzwijgen, het Latijn spreken, de modeste houding (ogen terneergeslagen, geen luide lach, beheerste stap), voor zowat alles moet eerst de toelating gevraagd aan allerlei «officiales» : voor een schaar, voor een pen, voor inkt.. Men legt de nadruk op de volmaaktheid in de kleine dingen. De novicen moeten elkaar in 't oog houden : in recreatie en op wandeling worden de gezellen altijd aangeduid door de novice-meester, telkens met twee of drie. Elk van de novicen moet de novice-meester overbrengen, vooral de tweedejaars zijn hiermee belast, als hij iets opgemerkt heeft dat niet in orde is. In het begin was het noviciaat een zeer realistische proef en leerschool waar de kandidaat kon bewijzen dat hij geschikt was voor het harde leven van jezuïet. Later verloor het noviciaat zeer veel wegens de jonge leeftijd van de kandidaten, wegens de geslotenheid van het milieu, wegens de beperking tot een formele deugd-beoefening zonder al te veel realiteitswaarde. Iedereen wist dat men er nu eenmaal toch doorheen moet. Na die twee jaar komt men voor vele jaren in de studiehuizen terecht waar weliswaar nog altijd de huiselijk tucht heerst, die dan wel vooral op de intellectuele vorming is gericht.

Het noviciaat is, in plaats van een training tot doortastendheid, wilskracht en durf, veeleer een school voor pusillanimiteit, afhankelijkheid, kleinzieligheid. Er grijpt een proces plaats van infantilisatie. Zonder dat er veel over gezegd wordt, is de aandacht vooral toegespitst op de seksuele reinheid in gedachten en werken. Deze jonge kandidaten hebben heel wat erotische impulsen; er kunnen ook speciale vriendschappen ontstaan, en deze vormen een hoofdbrok in de gewetensonderzoeken en de rekenschap van geweten. De novice-meester volgt met argusogen de «strijd om de reinheid » van elke novice : daaruit zal moeten blijken of de novice voldoende beheersing kan opbrengen om de «engelachtige reinheid» te beleven die Ignatius eist. Tegelijk worden de kandidaten overtuigd van de formidabele eer uitverkoren te worden tot de dienst van de Heer in de Sociëteit van Jezus. Wij zien Ignatius concreet aan het werk tegenover jonge studerende jezuïeten (scholastieken) in zijn brief aan de scholastieken van Coïmbra . Hij wil de indiscrete ijver, de overdrijving in gebed en boete temperen, die de studie schaadt. Maar hij werkt op de fierheid tot een uitzonderlijke Orde te behoren. «Gij moet beantwoorden aan de verwachtingen van diegenen, die van u een buitengewone vrucht verwachten. Ge zijt gebonden door zulke verplichtingen, dat een gewone handelwijze daar geenszins aan kan voldoen. Beschouwt uw roeping, en ge zult zien, dat wat bij anderen niet een kleine prestatie zou zijn, dat wel voor u is.. (Noblesse oblige !) Ge kunt nu inzien welke adellijke en koninklijke levenswijze gij gekozen hebt, zodanig dat er geen subliemere is, noch bij de mensen, noch bij de engelen... Uw loon is de hele wereld, en alles wat die lichamelijk en geestelijk inhoudt, maar ook het hele hemelse hof, geen enkele hiërarchie van engelen uitgezonderd, want zij zijn allen uw dienaars.. Tenslotte krijgt ge ook Christus als loon. En kijk dan naar de wereld, wat al onwetendheid, vrees en passies..» Ignatius overdrijft wel wat, maar het werd toch geslikt. Hij geeft de jonge jezuïeten een enorm zelfgevoel : zij zijn de uitverkorenen, de verlichte geesten, de besten, de eersten boven de andere orden, boven alle andere gelovigen en natuurlijk boven de hele onwetende wereld. Zij zijn de meesters over de wereld, zelfs over de engelen ! Zij moeten in alles uitblinken. Zouden we dit geen zotte hoogmoed mogen noemen ? Een feit is dat dergelijke sentimenten wel meer voorkwamen bij de adel van die tijd.

3. Filosofie en Theologie.

In de cyclus van de hogere studies volgde de Sociëteit de « modus Parisiensis » : de lessen waren geen cocktail meer van allerlei onderwerpen, maar werden systematisch gerangschikt. In tegenstelling tot de « modus Italicus », waar de studenten de professoren verkozen en beheersten, en waar er vooral publieke lessen werden gegeven met groot apparaat, gaven de professoren, in de «modus Parisiensis» wel degelijk vakken en de problemen, die erbij hoorden.(4) Men hield het vooral bij Aristoteles en de scholastieke filosofie, waaraan men al heel vlug een persoonlijke tint gaf. Suarez bracht belangrijk nuances aan in het Thomisme (onder Leo XIII , zoal we reeds zegden, werd de Sociëteit verplicht het Suarezianisme op te geven). Ook in de theologie legde de Sociëteit persoonlijke accenten, die trouwens hardnekkige betwistingen uitlokten : hier werd het voluntarisme van Ignatius de aanleiding tot het debat «de auxiliis » over de rol van de menselijke wil tegenover de goddelijke genade en de predestinatie. Enerzijds bestreden de jezuïeten hier Luther en Calvijn, anderzijds de dominikanen, en later de jansenisten. Het hele debat vond zijn oorsprong in de leer van Augustinus over de predestinatie en de « massa damnata ». De mens werd maar gered door de genade van God; men zag dan niet goed meer wat de vrije wil van de mens daar nog kwam bij doen. Om geit en kool te sparen vond Molina S.J. er dit op : voor de schepping kon God alle mogelijke werelden kiezen; Hij kon voorzien wat er in elke wereld zou gebeuren. Welnu hij heeft er een uitgekozen, waarbij elke mens vrij handelde. Hij wist wel op voorhand hoe elke mens zich zou gedragen. En daardoor is elke mens dus gepredestineerd tot het hemels geluk of tot de verdoemenis. Dominicanen, jansenisten, stuurden aan op de veroordeling van deze doctrines. De paus legde de jezuïeten en de Dominicanenhet zwijgen op, en veroordeelde het jansenisme .

Ook in de moraaltheologie namen de jezuïeten een eigen standpunt in. Dit veroorzaakte enorm veel rumoer in de Kerk. Het probabilisme , de doctrine die de Sociëteit volgde, hield, dat men in twijfelachtige zaken de opinie mocht volgen van één enkel moralist, ook al waren er meerdere andere die de tegenovergestelde opinie hielden. Het was dus voldoende dat de eerste opinie een zekere waarschijnlijkheid had. Het probabiliorisme integendeel hield dat men moreel verplicht was een veiliger opinie te volgen, dus degene die door meerdere gezagvolle moralisten werd gehouden. De jezuïeten hadden daar een meer juridische instelling : in het recht gold, dat een twijfelachtige wet niet kon verplichten (lex dubia non obligat).

De stelling van het probabilisme hadden de jezuïeten niet uitgevonden. Maar door het feit dat heel veel jezuïeten-moralisten hun opinies publiceerden, en dat die opinies ongehoord breed voorkwamen, zelfs schandalig, ontstond er een lawine van zeer «lakse» probabele meningen die het hele morele bewustzijn van de Kerk ondergroeven. Vele stellingen van jezuïeten werden aangevallen en veroordeeld. In de jaren 1677-1679 vorderde de universiteit van Leuven van de paus de veroordeling van 100 lakse stellingen : 65 ervan werden veroordeeld. Alexander VII (1655-1667) veroordeelde een stelling, die door de jezuïeten Escobar , Sanchez , Lessius , Laymann , Tamburini , allemaal gezagvolle moralisten in de Sociëteit, verdedigd werd : Een edelman mag een duel aannemen om zich te onttrekken aan het verwijt van lafheid. Wanneer iemand een oorvijg gekregen heeft, mag hij, zeker niet met het inzicht van wraak, maar met het inzicht zich voor oneer te behoeden de belediger tuchtigen, ook met het zwaard.(5) In Frankrijk werden de jezuïeten over de hekel gehaald door Pascal in zijn Provinciales (1656-1657). Soms werden hele reeksen stellingen van de jezuïeten-moralisten veroordeeld o.a. van Taberna , Gobat (Innocentius XI 1679), Busenbaum-Lacroix (Alexander VII, Innocentius IX, Alexander VIII). Jezuïeten namen een ruime, begrijpende houding aan in de biechtstoel; zij behandelden in hun handboeken alle details van het seksuele leven, en dit schandaliseerde de goegemeente. Ad. von Harnack zegt hierover : «hun handboeken zijn voorbeelden van afschuwelijkheid en mijnen voor de ontdekking van ontzettende zonden en vuile gewoonten».(6) Na de Freudiaanse seksuele revolutie lijken ons deze schandaalschreeuwers erg kinderachtig : hoe moet men biechtvaders vormen, die elke dag geraadpleegd worden over allerlei seksuele praktijken, zonder ze daarover grondig in te lichten en hun een techniek bij te brengen waardoor zij die gevallen kunnen behandelen ? Trouwens ook in de handboeken van de Inquisitie kon men alle details vinden over de doop van foetussen in de schoot van hun moeder b.v. Alles over de kerkelijk gerechtelijke vaststelling van de impotentie van de man met het oog op de ontbinding van het huwelijk was gemeengoed. Toch waren er sententiën die de deftige burgers ontstelden. Emmanuel Sa S.J. b.v. houdt dat een vrouw een zekere prijs mag vragen voor het beschikbaar stellen van haar charme en dat zij daarop recht heeft. Voorhuwelijkse betrekkingen zijn of geen of slechts een lichte zonde.(7) De analyse van de sodomie wekte natuurlijk sensatie. Kortom, veel van de schandalen zijn gewoon gebonden aan het puriteinse taboe. Andere bezwaren gelden het axioma : het doel heiligt de middelen, dat nergens door een jezuïet verdedigd wordt, maar dat geldt als een samenvatting van hun praktijk. Anders ligt het weer met de toelaatbaarheid van de tirannenmoord en de « restrictio mentalis », een vorm van leugen en misleiding. Deze stellingen werden algemeen aanvaard en verdedigd. Cf. infra.

Zonder enige twijfel heeft de Sociëteit veel op de helling gezet van wat als onbestreden en onveranderlijke waarheid gold. Moedig heeft zij stellingen verdedigd die ingingen tegen de heersende mentaliteit. Maar, zoals we zullen aantonen, volgde zij daarin ook uit opportunistische redenen de tijdgeest. Vele stellingen waren ingegeven door haar haast pathologische nood aan succes. En dat was ook zo in de predikatie. Ook daar werden de jezuïeten aangevallen omwille van hun fantasierijke en gebloemde stijl en hun op succes gerichte inhoud. L. Henriques S.J. schrijft in een boekje over de bezigheden van de heiligen in de hemel, dat elke heilige daar zijn eigen huis heeft, dat er veel zwembaden zijn waar de gelukzaligen zwemmen als vissen, alle vrouwen hebben er lange haren en zingen er schoner dan de mannen, de gehuwden kunnen er vrijen naar hartelust en zelf de engelen gaan gekleed in vrouwenkleren. Maar ook het vagevuur is erg aantrekkelijk...(8)


  1. Cf.J.B. Herman, La pédagogie des jésuites au XVIe siècle, Leuven, 1914.
  2. Reg. 13 extern. auditorum Societatis, cf. Hoensbroech, o.c.,II,26.
  3. Hoensbroech, P.(von), 14 Jahre Jesuit. Persönliches und grundsatzliches. Leipzig, 1910.
  4. cf. Herman, o.c.
  5. Ibid.,I,p.728.
  6. A.v. Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, III, p.748 v.; geciteerd ibid., p.734.
  7. Instructions secrètes de la Société des Jésuites. Paris, 1845, p.XVII en XVIII.
  8. L.Henriques, Occupation des saints dans le ciel. Salamanca, 1631, 22; 24; 65 en 71; cf. Instructions secrètes, Keulen,, 1704,p.37.


Links

Geheim en wijsheid der Jezuïeten

Ignatius van Loyola, leven en persoon.

De Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola

De Cadaver-discipline van de Sociëteit

De geheime onderrichtingen van de Jezuïeten of De Monita privata

Homepage of the Psychological Laboratory (Leuven)



Dr. Herman H. Somers
Send e-mail to herman.somers@skynet.be