De Cadaver-discipline van de Sociëteit van Jezus




III. De gehoorzaamheid.


Ignatius zegt het onomwonden : de Sociëteit mag het onderspit delven tegenover de andere orden in boetplegingen, vasten en waken, maar op het gebied van de gehoorzaamheid moet ieder jezuïet uitblinken.

In de overste moet hij Christus zien. Volledig wil en oordeel blindelings gelijkvormig maken aan de wil en het oordeel van de overste, daar komt het op aan. En dat men niet poge de wil van de overste naar de eigen wil te buigen ! Dit is weer een van de gedachtensprongen, die Ignatius zo graag maakt. Hij identificeert simpelweg de overste met Christus. Hier contrasteert zijn opvatting scherp met die van Erasmus , die zich richt tot de gezagdragers : "Blaas u niet op, ziet gij dan niet welke verantwoordelijkheid gij draagt en waarvoor gij u zult moeten verantwoorden ?.. De namen apostel, pastor, bisschop duiden functies aan, geen heerschappij. Paus, abt zijn bijnamen voor de caritas, niet voor de macht."(1) Het is niet omdat een overste een functie heeft, die hem de supervisie toekent over anderen, en hem een soort vaderlijk gezag toekent, dat hij zo maar kan vereenzelvigd worden met Christus zelf. De eis van Ignatius is dan ook strikt overdreven en misleidend. Hij vestigt een soort afgodendienst in de persoon van de overste, en dat is tenslotte de Generaal van de Sociëteit, dat is Ignatius zelf.

De Ignatiaanse visie is niet zo christelijk als men zou denken. Ignatius koesterde het plan de Moslims te bekeren, mogelijk nam hij toen enkele ideeën over uit de Islam . "Gij zult in de handen van uw sjeik zijn als het lijk in de handen van diegene die het wast", zegt Sjeik Si-Snoussi .(2) "Gehoorzaam uw sjeik in alles wat hij beveelt, want het is God zelf, die door zijn stem beveelt".(3) Nog meer overtuigend is de volgende tekst, die men zou achten door Ignatius zelf te zijn geschreven : "Om tot deze zeer volmaakte gehoorzaamheid te komen, moet men elk redeneren, goed of slecht, uit het hoofd bannen zonder onderzoek en zonder de draagwijdte ervan te overwegen uit vrees dat een vrije gedachtengang tot dwaling voert. Men moet tegenover zijn overste in een toestand van passieve gehoorzaamheid zijn. Dan moet men zijn sjeik voor zich zien en hem alleen geloven." In zijn brief over de gehoorzaamheid geeft Ignatius een paar voorbeelden, die zijn gedachte moeten illustreren. Maurus , een leerling van Sint Benedictus, kreeg het bevel het meer in te wandelen, hij verdronk niet. Een ander kreeg de opdracht een leeuwin te vangen; hij werd niet opgepeuzeld, maar bracht ze mee. Besluit : hoe gek het bevel ook schijnt, men moet geen vragen stellen. Men zou geneigd zijn dgl. voorbeelden te zien als een soort welwillende humor. Maar was er wel humor bij Ignatius ? Ignatius leefde onder constante spanning; van hem zijn geen humoristische anekdotes bekend. Het is anderzijds zo, dat hij wel duidelijk binnenpretjes beleefde, als hij zijn slag weer eens thuisgehaald had, zelfs op een slinkse wijze. Hij kon de fratsen van Ribadeneira verdragen en wist ermee om te springen. Maar vooral : hij had zin voor show. Toen er eens een heel gierige minister was op de curie, beval hij dat men voor de hele communiteit heel dure paling zou opdienen; adellijke novicen liet hij in hun beste plunje de straat schoonmaken; toen Fr. Borgia , de hertog van Gandia, novice was, liet hij hem in de curie de tafel dienen. Uiterlijke show was er bij hem altijd bij˙: imposante gebouwen op de beste plaatsen in de stad waren de regel, de kerken moesten rijkelijk versierd worden, de diensten met grote plechtigheid volvoerd. Ook in de gehoorzaamheid zit er een stuk show. Hij wil dat zijn regiment volmaakt defileert. Het is geen humor als hij schrijft, dat de gehoorzame jezuïet moet zijn als een stok in de hand van een oude man, als een lijk dat geen weerstand biedt, maar dat men kan dragen waar men wil. De gehoorzaamheid is als een "holocaustum", een brandoffer : men moet bereid zijn zoals Abraham het dierbaarste dat men heeft aan God ten offer te brengen.

Gehoorzaamheid is niet alleen uitvoering van wat bevolen wordt, het is instemming van de wil en zelfs van het verstand : "Idem velle, idem nolle" (hetzelfde willen, hetzelfde niet willen). En als men een ander inzicht heeft dan de overste, dan moet men maar de rede onderwerpen. Ignatius affirmeert om zo te zeggen schaamteloos het primaat van de wil over het verstand : men moet niet gaan onderzoeken, men moet gewoonweg zichzelf overtuigen, dat de zaken zo zijn zoals de overste ze ziet. Zo offert men het beste wat men heeft, het eigen verstand, op aan God : dan is de offergave compleet. Het is niet mogelijk uitdrukkelijker te zeggen dat de onderdaan geen enkel recht heeft, zelfs niet het recht na te denken. Men moet bereid zijn zwart wit te noemen, en wit zwart, als de Kerk dat vraagt, zegt hij in de Geestelijke Oefeningen.(4)

Hiermede heeft hij zonder enige twijfel de grondslag gelegd voor wat men de leugenachtigheid en de huichelarij van de jezuïeten is gaan noemen : zij zeggen het anders dan zij in de grond overtuigd zijn. Want een overtuiging veegt men niet uit door een akte van de wil. Van een Rector van de theologische faculteit vertelden de scholastici dat hij 's morgens bij de meditatie op zijn bidstoel voor zich een leugen zette, na de meditatie was dit een waarheid geworden. Als hij te biechten ging, beschuldigde hij zich regelmatig, dat hij weer eens de waarheid had gesproken... De gehoorzaamheid is voor Ignatius het paradepaard van de Sociëteit en zo begrijpt hij het zoals hij op 17 december 1552 schrijft aan J. Miron , nieuwe provinciaal overste van Portugal : "Ziehier wat ik u beveel in naam van de heilige gehoorzaamheid en asjeblieft zorg ervoor dat deze order met zorg wordt uitgevoerd : indien er in uw huizen zijn die weigeren te gehoorzamen, niet alleen aan u, maar ook aan gelijk welk andere overste of lokale rector in Portugal, dan doet ge één van deze twee dingen, ofwel jaagt ge ze uit de Sociëteit, ofwel stuurt ge ze naar Rome, als ge oordeelt, dat ze mits zulke verandering, echte dienaars kunnen worden van Jezus-Christus, onze Heer." Hij voegt erbij : "Ik heb u reeds geschreven, dat wanneer Meester Leonard( Kessel ) te Keulen ineens negen of tien leden van de Sociëteit had weggezonden, dit mij aangenaam was. Later heeft hij er evenveel weggezonden en ik heb zijn gedrag goedgekeurd, alhoewel het misschien voldoende ware geweest er één of twee weg te zenden."

Hij zegt ook in die brief, wat hij begrijpt onder ongehoorzaamheid : "Hoe tevreden zou ik geweest zijn te vernemen, dat er niemand is onder hen, die zodanig de eerbied vergeet dat hij durft zeggen aan zijn overste : "U zoudt mij dat niet mogen opleggen" of "het gaat mij niet af dat te doen", dat er niemand is die weigert te doen wat hem opgelegd wordt, of door tekens of daden weinig eerbied en inwendige onderdanigheid toont tegenover de vertegenwoordiger van Jezus Christus, onze Heer, tegenover dewelke men zich daarom in alle omstandigheden moet vernederen als voor de goddelijke Majesteit." Het ligt er vingerdik op : Ignatius wil gehoorzaamd en geëerbiedigd worden als de goddelijke Majesteit. Zonder ervan bewust te zijn beschrijft hij het mechanisme van de fanatisering. Men wil over niets meer spreken dan over het eigen gelijk; elk tegenargument wordt gewoonweg opzij geschoven en genegeerd; de "fhrer" heeft toch altijd gelijk. De autokratische Ignatius droomt van een leger, dat zonder meer het verlengde is van zijn wil en zijn intenties. Hij zelf is immers het centrum en de uitdrukking van Gods wil.

En de paus zal men vragen ? Eigenlijk komt die op de tweede rang. Ignatius kan niet anders dan zijn gezag erkennen, maar tenslotte staat de paus in de weg. Ook deze moet geleid worden door de raad van de Generaal. Zo zag men nog recent jezuïeten optreden als biechtvaders van de paus (kardinaal Bea S.J. als biechtvader van Pius XII ), P. Dezza S.J. als biechtvader van Johannes Paulus I ). Men spreekt nu nog van de witte en de zwarte paus. Ignatius beoogde klaarblijkelijk de verovering van het Vaticaan , want zodoende kon hij de hele Kerk beheersen. Zo deed hij ook op het politieke plan, wanneer hij nauwe relaties onderhield met de keizer via verscheidene kanalen. Voor Ignatius is de show van de gehoorzaamheid vooral ook een middel om te beïnvloeden, en tenslotte te heersen. Hijzelf wil doorgaan als een heilige, voor iemand die rechtstreeks geïnspireerd wordt door de Heilige Drievuldigheid, en wat kan de paus dan anders dan luisteren naar zijn raad ? Wanneer hijzelf moet gehoorzamen, dan stelt hij zich toch enigszins anders op˙: na het vonnis van de Inquisitie verklaart hij ronduit, dat hij zich alleen uiterlijk zal onderwerpen en alleen in het rechtsgebied van de Inquisitie van Salamanca, en dat hij de uitspraak niet aanvaardt. Hij beweegt hemel en aarde als zijn opvatting over een orde dreigt schipbreuk te lijden op de gevestigde normen. Daar wil hij zich ook niet onderwerpen aan de gevestigde kerkelijke discipline. Gelukkig klikt het met Paulus III en zijn drie opvolgers. We weten niet op welk wijze hij ze overtuigd heeft. Men kan zijn twijfels hebben, over het feit of hij alleen maar "geestelijke" argumenten heeft gebruikt. Zo is de gehoorzaamheid aan de paus de kunst om zich juist dat te doen opleggen wat men in de zin heeft. En hoe totaler de gehoorzaamheid van het corps hoe machtiger diegene is die aan het hoofd staat en hoe sterker zijn invloed op het Vaticaan.

IV. Het karakter van Ignatius.

Ignatius is bondig gezegd een ambitieuze, sluwe berekenaar. Bedachtzaam, uitgekookt voert hij zijn plan uit. Hij heeft geen scrupules om mensen te "gebruiken" voor zijn eigen doelstellingen, om ze te misleiden, in deze zin dat ze gedreven worden naar doelen, die niets bijbrengen tot hun eigen welzijn, tenzij misschien hun eeuwige zaligheid. Hij is voorzichtig, intelligent, conservatief, d hij voert alleen die hervormingen in die strikt noodzakelijk zijn voor het bereiken van het doel. Hij kiest altijd de partij van de sterkste, en stelt zich in dienst van de machtigste. Hij is grondig opportunist. Zijn persoonlijke ambitie een groot strateeg en veroveraar te worden zet hij door in het geestelijk domein. Hij vertaalt de deugd in macht en geld. Geen moeite, geen offers zijn hem daarvoor te groot. Hij poseert graag : hij wil de geschiedenis ingaan als een groot heilige, groter dan Benedictus, Dominicus, Franciscus. Hij heeft zin voor show : rondlopen op blote voeten, haren en nagels laten groeien, bedelen , de roep verspreiden van visioenen, van directe communicatie met God. Tegelijk voert hij een intense politieke en diplomatische campagne, tracht vorsten en keizer te veroveren via het Vaticaan en de paus moet heel de Kerk volgen. Wie teveel persoonlijke ideeën heeft wordt onverbiddelijk aan de deur gezet, ook voor minieme redenen. Hij negeert elke verdere verantwoordelijkheid voor diegenen, die hij eerst misleid heeft en die beginnen protesteren. Naar zijn voorbeeld zal de latere Sociëteit niet erg gediend zijn met leden die te eerlijk, te oprecht, te "scrupuleus" zijn. Tegelijk weet hij dat hij goede waar moet bieden om de beste te blijven op de markt. Hij richt studiehuizen in naar het voorbeeld van de beste universiteit van dat ogenblik : de Sorbonne te Parijs : hij volgt overal de " modus Parisiensis ". Hij zoekt begaafde, rijke en adellijke kandidaten; de colleges moeten een uiterst hoogstaande vorming geven in de letteren en een "opvoeding" in goede manieren en uiterlijke discipline. Tegelijk moet alles stichtend en sober zijn voor de paters, maar rijk en weelderig voor de kerken en colleges, de grote stijl. Hij brengt een ongewoon schouwspel in Rome en elders. Hij schept een mythe : het volk moet zeggen : zie eens hoe arm die paters leven, en allemaal edellieden, hoe zij ten dienste staan van de armen, wat een prachtige liturgische diensten, wat een imposante gebouwen, wat een fijne mensen, allemaal even vriendelijk en correct, dienstvaardig, toegewijd; en in de kerk wat een verheven predikatie in een verzorgde taal, iets heel anders dan wat men gewoonlijk van de kansel hoort; en in de biechtstoel daar weet men veel breder te zijn dan de parochiepriesters. Bovendien kan men er terecht voor raad in politieke aangelegenheden en de paters zorgen er zelfs voor dat men promotie maakt, of betere zaken doet. Natuurlijk moeten die paters gesteund worden en mogen zij wel eens een dienst vragen, waarom niet ? Alles is bij hen zoveel beter dan bij die luie en bedorven monniken en die vervallen en weinig geletterde seculiere clerus. En welk een perspectief : ze hebben filialen in Azië en Amerika en bezetten heel Europa, en dat niet alleen met kloosters, maar met colleges en zelfs universiteiten. En ze hebben relaties met omzeggens alle vorstenhuizen, prinsen, hertogen en graven. Ze zijn veilig orthodox en worden gesteund door de paus, ze staan zelfs rechtstreeks onder zijn bevel. Ze beschikken over privileges en speciale machten.

Ignatius speelt in op de ijdelheid en de ambitie van de hogere kringen : alleen diegenen hebben aanzien, die rijk en machtig zijn, en al leven de jezuïeten sober, algauw verbreidt zich de roep van hun macht. Ignatius heeft de ziel van een moderne manager : hij doet efficiënt aan promotie, hij reduceert de personeelskosten tot een minimum, om de winst zo hoog mogelijk te houden. Grondbeginselen is de armoede van de jezuïet : gratis werken tot de limiet van de mogelijkheden, geen gezinslast, geen sociale zekerheid, geen mensenrechten. De kunst bestaat er dus in zo hoog mogelijk gequalificeerd personeel aan te werven, het uit te persen tot de laatste druppel om te kunnen investeren en de financiële macht uit te breiden. Want financiële macht kan omgezet worden in politieke macht : men kan helpers betalen, pionnen, informanten, men kan zelfs belangrijke personen aan zich binden en ze verplichten. Dit alles natuurlijk tot meerdere eer van God en tot een stabiele vestiging van het Rijk Gods, d.w.z. van de Roomse kerk en van de Sociëteit. Aangezien God erachter staat is alles per definitie "clean". En zoals een vorst geen problemen maakt als zijn dienaar ietwat slinkse middelen heeft gebruikt om het doel te bereiken, zo doet ook de Generaal niet, en zal God dat ook niet doen, als de intentie maar juist was : de wereld voor God te winnen. Ignatius heeft zijn eigen persoonlijke voldoening volmaakt weten te koppelen aan de idealen van de godsdienst en de meer concrete belangen van de Roomse kerk. Daarbij bezorgde hij zich een diploma van heiligheid. Geen wonder dat er al heel vlug schandalen ontstonden, wanneer minder voorzichtige of schijnheilige jezuïeten het roer overnamen. Ignatius steunde nog teveel op het linkerbeen : de vleselijke mens, terwijl Erasmus het ideaal van de geestelijk mens voorhield. Ignatius bouwde zijn imperium op de ambitie, de geldzucht, de ijdelheid die gebruikte hij om de machthebbers naar zijn hand te zetten. De "vleselijke lusten" waren zijn bondgenoten; door elke toegeving eraan als een zware doodzonde af te schilderen, die bestraft zou worden met alle pijnen van de hel, kon hij er iedereen de stuipen mee op het lijf jagen. En de geldzucht ? Moest men geen afstand doen van alle goederen, die niet helemaal correct verworven waren, moesten die niet voor goede werken gebruikt worden ? En konden die beter besteed worden dan aan de werken van de Sociëteit ? Ignatius stond hier heel ver van Erasmus, die schreef : "Men moet de mensen tot beternis brengen met menselijkheid, niet met bedrog".(5) Ignatius, en na hem de Sociëteit, heeft heel veel last om de beginselen van de diepe houding van caritas tegenover alle mensen, zelfs de vijanden, te verzoenen met het onverbiddelijk najagen van de doelstellingen. Er is plaats voor een show van dienstvaardigheid, hulpverlening, er is plaats voor een oppervlakkige vriendelijkheid tussen medebroeders. Er is geen plaats in de Sociëteit voor leden die geen nut meer opleveren. De liefde voor de vijanden is zelfs helemaal zoek.(6)

We kunnen best Ignatius beoordelen door hem te vergelijken met een tijdgenoot. Erasmus is niet heilig verklaard, maar hij is christelijker, minder werelds dan Ignatius. Erasmus geeft een verhevener, geestelijker aangezicht aan het christendom dan Ignatius. Hij vertegenwoordigt het "ideale" christendom, het hemelse; Ignatius vertegenwoordigt eerder het aardse, het reële christendom met zijn concrete machtsstrijd.

Getuige daarvan is zijn brief aan Johannes van Avila . Hij legt in die brief uit, waarom hij een proces is begonnen tegen de dominikanen te Salamanca. Om zijn actie te verdedigen citeert hij een reeks kerkvaders als Augustinus en Hieronymus en ook Sint-Thomas. Onze reputatie is voor ons essentieel om de anderen te kunnen helpen; als men ons beschuldigt van ketterij dan kan niemand dat dulden, zo argumenteert hij." Wie zijn reputatie verwaarloost is wreed, omdat hij de ziel doodt van de anderen. Daarom moeten we maatregelen nemen voor de grotere glorie van God, vooreerst met alle voorkomendheid en alle mogelijk caritas (sic), door hun een brief te zenden van een kardinaal die enige autoriteit bij hen heeft, daarna door hun een brief van hun generaal aan te bieden. Indien de twee eerste middelen niet helpen, dan, om te doen datgene waartoe God, onze Heer, en de naastenliefde ons verplichten, en om de pogingen van de vijand van de menselijke natuur te breken, dan, zeg ik, zal men procederen langs gerechtelijke weg, en tenslotte met een breve van de paus, zoals u zult zien." We zien hier Ignatius aan 't werk, behoedzaam, onrechtstreeks. Hij laat eerst een kardinaal schrijven, met gezag, daarna de generale overste van de Dominicanen, dan gaat hijzelf in de aanval en laat die steunen door een breve van de paus. Hij schrijft alsof hijzelf die breve zal dicteren.. In alle aanvallen op de Sociëteit zullen we hetzelfde stramien zien terugkeren. Eerst doet de Sociëteit beroep op machtige vrienden om de verdediging op te nemen, daarna eerst treedt ze zelf op en doet zich steunen door het hoogste gezag. Ignatius was geraffineerd : hij kon uren bidden, dan kreeg hij reuze-ideeën; hoe hij de dingen moest aanpakken, wie hij moest aanspreken, wat hij moest zeggen, wat verzwijgen, enz. Het was niet voor niets, dat hij zo intens nadacht, zo dikwijls zijn geweten en zijn gedrag onderzocht, en de minste fouten probeerde te elimineren. Zijn spontaneïteit was volkomen uitgewist, en vervangen door een tweede persoonlijkheid. Hij was uiterst nauwkeurig. Met een instinct van hoveling was hij altijd bereid te gehoorzamen aan het gezag, zich onberispelijk te gedragen, altijd zijn woorden wegend en op zijn hoede. Zijn doortastendheid, zijn radicaal doorzettingsvermogen, zijn sluwheid ook maken hem tot een efficiënt organisator. Hij verliest nooit het vooropgestelde doel uit het oog, en hij gedraagt zich volkomen consequent. Een flinke dosis zelfkritiek gaat bij hem nooit verloren. Ignatius blijft een redelijk man, met wie te praten valt en die niet dwaselijk koppig is. Natuurlijk was hij volkomen onwetend inzake psychopathologie : hij wist niet dat zijn visioenen grotendeels op autosuggestie berustten en op de gevolgen van de hypoglycaemie , veroorzaakt door het vasten. Hij gelooft rotsvast in de subjectieve vertroosting, in de gave der tranen. Hij had wel flair en intuïtie en een subjectief gevoelen dat men op de goede weg zit, al kan men dat niet helemaal redelijk verantwoorden. Dit laatste verwart hij wel met de mystieke inspiratie. Hij was de aangewezen man, als geknipt, voor de taak van het schrijven van de Constituties van de Orde. Dag na dag weegt hij elke zin af; vlecht praktische ervaring doorheen ideale doelstellingen, bepaalt nauwkeurig wie men moet aanvaarden, wie wegzenden of weigeren, hoe men de kandidaten moet vormen, hoe de oversten hun gezag moeten uitoefenen, wat men moet doen om de Sociëteit te bevorderen en gezond te houden. Hij legt de basisprincipes vast en hoe ze moeten geobserveerd worden : de drie geloften : reinheid, armoede en gehoorzaamheid. Alles krijgt evenwel de persoonlijke stempel mee van Ignatius : een soort onverbiddelijke compromisloosheid verbonden met een bekommernis om het uiterlijke succes, de publieke opinie, de relaties met de machtigen. Hij bepaalt het eigen karakter van de Sociëteit : de privileges, de speciale verhouding tot de paus. Het doet wel plezierig aan als men als laatste aanbeveling in de Constituties leest, dat men erop moet letten dat de huizen-colleges van de Sociëteit zouden gebouwd worden waar er goede lucht is, en niet op andere plaatsen.(7) Sommige mystieken leven vooral een inwendig leven; zij zoeken contact met een bovennatuurlijke wereld, en cultiveren introspectief stemmingen, ingevingen, verbeelding, autosuggestie. Deze mystiek stoelt vooral op een doctrine, die afkomstig van de Oude Grieken (Platonisme, Neo-Platonisme, Gnosticisme) en uitgewerkt door Augustinus (De Trinitate) gemeengoed was geworden in de kloosterscholen. "Deus intimior intimo meo" (God dieper in mij dan mijn intieme Ik), zegde Augustinus. En daar gingen zij Hem zoeken. In Spanje zal deze mystieke introspectie haar hoogtepunt kennen tijdens het leven van Theresia van Avila (1515-1585) en van Johannes van het Kruis (1542-1592). Ignatius, die absoluut zich wil aansluiten bij die mystiek, is evenwel geen hystericus, geen neuroticus, geen secundaire introverte natuur, hij is integendeel een "Streber" in de volle zin van het woord : alles is bij hem gewild, afgedwongen door discipline : " id quod volo ". Het voluntarisme is dan ook een kenmerk gebleven van de spiritualiteit van de orde. In die zin is Ignatius blind voor zichzelf; hij merkt wel de kleinste foutjes, maar de grondfout ziet hij niet, die dekt hij toe als een glorieuze roeping door God zelf. Zo gezien is Ignatius een ijdeltuit, die zich een aureool van heiligheid wil verwerven. Hij was daarbij vervuld van eigenliefde. Dit is een tweede tekort dat we vaststellen : eigenlijk heeft hij de formule gevonden om onder het voorwendsel God alleen te dienen en de zielen tot God te voeren, toch niemand anders te moeten beminnen dan zichzelf. Elke fundamentele genegenheid, elke vaste band, elke "Du"-relatie moet wijken voor "het doel". Is een of andere persoon daar niet meer nuttig voor, dan laat hij die vallen als een steen. Over degenen, die hij met dozijnen uit de Sociëteit sloot, bekommerde hij zich verder niet. Hij zette ze gewoon op straat. Als zij hun bezittingen hadden afgegeven, kregen ze die niet eens terug. Wat verworven was, was verworven. Hij miste ook die diepe eerbied voor de persoonlijkheid, die belet dat men iemand met trucjes zou maneuvreren, hem gewoon "gebruiken", hem uitbuiten of uitpersen. Zijn retraitanten kleedt hij helemaal uit : hun bezittingen, hun eigen opvattingen, hun eigen wil, hun eigen verstand, alles moet te zijner dispositie zijn. Daarvoor gebruikt hij ook God, een God die alleen wil wat Ignatius wil.

V. Het mechanisme van het succes.

Bij de dood van Ignatius (1556), zestien jaar na de goedkeuring van de Orde, waren er 12 Provincies, 100 huizen, waarvan 29 colleges of universiteiten : 11 in Italië, 10 in Spanje en Portugal, 2 in Frankrijk, 1 in België, 4 in Duitsland en 1 in Oost-Indië.

In 1552 bouwde Ignatius te Rome het Collegium Romanum. In 1567 had het 1000 leerlingen.

Even voor de opheffing (1759) bezat de Sociëteit in 41 Provincies 609 colleges, alleen in Duitsland al 121. (8)

Deze onloochenbare feiten getuigen van een enorm succes : het is Ignatius gelukt.

Om succes te hebben is het beslist nodig een publiek imago te bezitten dat in de wind ligt. Een feit is dat de Sociëteit van in het begin getracht heeft "belangrijk" en "groot" te zijn op verschillende vlakken :

  1. Zij trad op als rechtstreeks verbonden met de paus, het hoogste kerkelijk gezag. Vele jezuïeten vervulden geheime of niet-geheime missies in opdracht van de paus bij de vorsten.
  2. Overal toonde zij dat ze beschikte over ruime geldmiddelen, al ging ze overal bedelen en beweerde ze dat ze arm was, door het oprichten van grootse gebouwen en rijk versierde kerken, door een "luxueuze" eredienst.
  3. Zij beschikte ook over uitgebreide landgoederen, die als buitengoed dienden voor de ontspanning van de paters.
  4. Het stond bekend dat vele paters grote reizen maakten, want dit was een deel van hun roeping : "multa loca peragrare" (vele plaatsen doorreizen).
  5. Zij dreef de humane vorming tot een hoog peil op, om overal te kunnen uitblinken; ook de filosofie en de theologie werden zo gecultiveerd.
  6. Zij werkte in op de verbeelding van het volk : gratis uitzonderlijke diensten verlenen met grote toewijding bij armen, gevangenen, zieken. Gratis onderwijs verzorgen voor de kinderen. Predikaties houden voor het groot publiek en volksmissies.
  7. Zij weefde een net van relaties met alle machthebbers en belangrijke personen, inzonderheid vorsten.
  8. Zij bracht ook een nieuwe godsdienst-beleving : inwendig leven gericht op de actie; een concrete navolging van de Heer.
  9. Zij bracht wonderbare verhalen uit Indië, Japan, China, Amerika : avontuur en wonderen.
  10. Zij was een strijdend leger; er was een geestelijke oorlog tegen de protestanten : zij verdedigde het ware geloof tegen de ketterij.

Een belangrijk factor is het goed geweten dat de Sociëteit kon bezorgen aan haar kandidaten en leden : alles wat zij deden was de uitdrukkelijke wil van God, die duidelijk sprak via de oversten, en gegarandeerd werd door de paus. Twijfelen of aarzelen moesten zij niet meer; ze waren om zo te zeggen rechtstreeks verbonden met de hemel. Bovendien was er de belofte van uitzonderlijk succes en invloed : als biechtvaders zouden zij ingewijd worden in vele geheimen, ook staatsgeheimen. Dit opende de mogelijkheid het hele bestuur te controleren : de beslissingen, de benoemingen, de grote richtlijnen, tegelijk met de meest intieme en persoonlijke aangelegenheden. Elke jezuïet kon meegenieten van de sympathie van de vrienden van de Sociëteit, het respect van vele anderen, en zelfs de vrees van sommige tegenstanders. Hij kon zich in beperkte mate opkrikken aan de invloed van sommige medebroeders : het kwam zo ver dat sommige lekebroeders behandeld werden als adellijk en een ereplaats kregen op feestmalen tot ergernis van de paters (er zijn daar brieven over). De jonge Sociëteit kon dus op drie factoren steunen om haar succes te waarborgen : wat zij deed was uitzonderlijk op alle gebied, zij gaf een godsdienstig houvast temidden van een zeer verwarde periode, zij werd omgeven met een aureool van bovennatuurlijkheid (mirakelen, gebed, een speciale relatie met de hemel en een persoonlijke verhouding tot Christus). Zij kon bogen op de aantrekkingskracht van het mysterieuze, het uitzonderlijke en het pathologische. Want de Sociëteit maakte ook beroep op de duistere driften : de nood aan Ego-inflatie, machtswellust, die het niet zo nauw moest nemen met de fundamentele menselijke bindingen. Ouders en familie kon men gewoon verlaten; vriendschap en genegenheid waren verdacht en betreurenswaardig; zelfs tegenover de eigen medebroeders gold alleen de Regel. Deze elementen moesten psychopathische naturen aantrekken en zelfs vormen; bovendien werd deze tendens nog versterkt, omdat er zo dikwijls leugen, geheim en simulatie noodzakelijk waren. Voor velen was dit een morele bevrijding : scrupules moest men nu niet meer hebben. De aanvallen van dit kleine legertje waren goed beredeneerd, voorbeeldig georganiseerd, volmaakt gedisciplineerd. Het kon zich soepel aanpassen, was van alle markten thuis en op alles voorbereid; het bracht een ongekende humanistische kwaliteit, het selecteerde de beste krachten, het was voorbeeldig onderdanig. Het was in alle klassen van de samenleving thuis : door de adel werden jezuïeten onmiddellijk herkend als de hunnen en als gelijken behandeld, en door de minderen werden ze geëerbiedigd. Overal voelde men een nieuwe geest, een nieuwe degelijkheid, een nieuwe aanpak. Deze was wel wat eenzijdig en traditionalistisch, maar maakte indruk op de heersende klasse. Haar pathologische gehechtheid aan het succes zou de invretende kanker worden, die haar van binnenuit zou ondergraven en aftakelen.


  1. Ench. VIII,can.VI.
  2. P. von Hoensbroech, Der Jesuitenorden. Bonn, 1927-1928,I,p.803-804t; V. Charbonel, L'origine musulmane des Jésuites. Paris,1900; Si-Snoussi, Livre de ses appuis. Trad. Cotas.
  3. Présents dominicaux, secte Ralmania.
  4. Regulae ad sentiendum cum Ecclesia, reg. 13.
  5. Ench. ibid.
  6. Lomer, p. 142 en 181, cf. supra.
  7. Constitutiones Societatis Jesu, p.X,13 C (827).
  8. P. von Hoensbroech, Der Jesuitenorden. Bonn, 1927-1928,I,p.88.


Links

Geheim en wijsheid der Jezuïeten

Ignatius van Loyola, leven en persoon.

De Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola

De humane vorming van de Jezuïeten

De geheime onderrichtingen van de Jezuïeten of De Monita privata

Homepage of the Psychological Laboratory (Leuven)



Dr. Herman H. Somers
Send e-mail to herman.somers@skynet.be