De Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola




II. De geestelijke oefeningen.


1. «Brainwashing» of «bourrage de crâne» ?

De wijze van procederen, die we Ignatius zagen aanwenden tot nu toe, is de volgende : Verwondering en bewondering opwekken : een edelman, die bidt, boet en bedelt en spreekt over God, nederige diensten verricht bij zieken en armen, dat is ongewoon. Bedelen bij vooraanstaanden en spreken over God en Christus, ze ertoe brengen in afzondering de Geestelijke Oefeningen te doen kan blijkbaar maar als hij vertelt over zijn eigen avontuur en over de voldoening die hij daarin vond.

Deze Geestelijke Oefeningen zijn de neerslag van zijn belevenissen te Manresa ; zij werden geïnspireerd door en aangevuld met de Navolging van Christus van Thomas a Kempis en het Enchiridion van Erasmus .

De bepaling van deze Geestelijke Oefeningen geeft Ignatius zelf : het is gelijk welke wijze om het geweten te onderzoeken, om te mediteren, te contempleren, oraal en mentaal te bidden,.. gelijk welke manier om de ziel ertoe te brengen elke ongeordende neiging van zich af te zetten en daarna de goddelijke wil te vinden over zijn leven met betrekking tot het zieleheil. In moderne termen zou men dat als volgt kunnen vertalen : enerzijds is het een bewustwording van de eigen morele verantwoordelijkheid en een psychoanalyse van de driften, vervolgens een sensibilisering voor godsdienstige waarden, inzonderheid voor de persoon van Christus, zoals die voorgesteld wordt door Ignatius, anderzijds een training in autosuggestie en een gedragstherapie.

De eerste stilzwijgend aangenomen veronderstelling is dat iemand daardoor de wil van God over zijn leven kan kennen; de tweede, impliciet in de vorige vervat, dat zulke wil bestaat. Natuurlijk hebben zulke veronderstellingen slechts zin in de hypothese van het bestaan van een persoonlijke God, die zich bezighoudt met het gedetailleerd bepalen voor elk mens van een «roeping». Toch vindt haast iedereen dat vanzelfsprekend : niet alleen gelovigen, ook heidenen. Seneca (De Provid. V) citeert reeds de sterke woorden van Demetrius : «Het enigste, onsterfelijke goden, dat ik U kan verwijten is dat ge me niet vroeger uw wil hebt te kennen gegeven; ik zou vooropgelopen hebben op de beproevingen tot welke ge mij nu roept. Wilt ge mijn kinderen mij ontnemen ? Ik heb ze op de wereld gezet voor U. Wilt ge een stuk van mijn lichaam ? Neem het, ik breng geen groot offer; ik zal het toch helemaal verlaten binnenkort. Wilt ge mijn leven ? Waarom zou ik U doen aandringen om terug te geven wat ik van U ontvangen heb ? Ik zal U van ganser harte laten al wat gij kunt opeisen. Eigenlijk had ik liever gewild U die dingen op te dragen, dan ze U af te staan. Waarom ontnemen datgene wat ge zo kon krijgen ? Maar, zoals de zaken staan, zult ge niets ontnemen, want men ontneemt maar aan diegene die weerstand biedt.» De geestelijke leider moet zich neutraal houden, want de retraitant moet de indruk hebben dat hijzelf de wil van God ontdekt en zelf beslist die te volgen. In werkelijkheid suggereert Ignatius een reeks «waarheden» en traint de retraitant in de autosuggestie.

In de eerste week, - de Geestelijke Oefeningen duren dertig dagen, - wordt de retraitant gesteld tegenover zijn Schepper. De aanhef is merkwaardig˙:˙«De mens is geschapen om zijn Heer, God, te loven, hem eer te bewijzen en te dienen en zo het heil te bereiken». Horen we hier niet een echo van het oude Akkadische epos : de goden schiepen de mensen, omdat zij dienaars nodig hadden ? Tevens is dit de verwoording van de mentaliteit van de hoveling en militair : zijn taak is de Koning te dienen en hem eer te bewijzen. Ignatius gaat verder : «En al de rest is geschapen voor de mens, om hem te helpen zijn doel te bereiken (Gods glorie)». En daaruit trekt Ignatius een besluit; eigenlijk begaat hij een logische fout, een «latius hos», waarbij de conclusie verder gaat dan de praemissen toelaten. «Daaruit volgt,» zegt hij, «dat de mens slechts daarvan (van al het geschapene) gebruik moet maken, voor zover ze (alle dingen) hem helpen tot dat doel, en dat hij er zich van moet ontdoen in de mate dat ze hem dit verhinderen. En daarom moeten we ons volledig onverschillig maken tegenover deze dingen, zodanig, dat we niet meer de gezondheid willen boven ziek zijn, rijkdom boven armoede, eer boven schande, een lang leven boven een kort leven, alleen dat verkiezend, wat ons dichterbij het doel brengt.»(1) Hoe misleidend deze inleiding is blijkt hieruit : ten eerste : wie zegt, dat het bestaan van de kosmos maar één doel heeft : de glorie van de Schepper ? Is God zo'n grote ijdeltuit ? En wat, indien Hij de wereld zou geschapen hebben om de mens gelukkig te maken ? Ten tweede : wie zegt, dat al de rest alleen maar mag dienen om dat doel te bereiken ? Ten derde : wie zegt, dat ziekte, armoede, schande, een kort leven ons dichter bij het door God gewilde doel brengt ? Baart dit zoveel eer aan God˙?

Het hele fundament is erg betwistbaar. Maar men begrijpt het beter vanuit het standpunt en de mentaliteit van een hoveling : het enige wat voor hem telt is zijn plaats in de waardering van de Koning; zijn streven kan alleen zijn : met alle middelen die hij heeft zich in te zetten voor de meerdere eer en glorie van die Koning. Toevertrouwde middelen voor iets anders gebruiken zou misbruik zijn. Hij moet zijn leven veil hebben, en eigenlijk alles wat hem dierbaar is, om de Koning te dienen. Ignatius substitueert God en Christus aan de Koning en transponeert.

Eenmaal dat de retraitant deze visie gaat aanvaarden, wordt hij geconfronteerd met zichzelf. Vanuit deze fundamentele standaard moet hij heel zijn leven onderzoeken. Bovendien wordt hij getraind door speciale gewetensonderzoeken (driemaal per dag) om elke instructie, gegeven door de geestelijke leider, strikt te onderhouden : deze onderwijzingen zijn gedetailleerd : hoe zich gedragen, hoe zich voeden, hoe bidden en overwegen, hoe zich inspannen om de gewenste stemming te bereiken, enz.

Nauwkeurig moet de retraitant heel zijn voorbije leven voor de geest brengen : vooral alle zonden die hij bedreef, hij moet zijn ongeregelde neigingen identificeren, -- seksuele neigingen zijn altijd ongeregeld, -- hij moet strijden om «onverschillig» te worden en zich voorbereiden om alleen maar de wil van God te doen, hoe pijnlijk die ook zal overkomen. Tegelijk moet hij overwegen welke catastrofale gevolgen de zonde heeft : hij moet overwegen en zich levendig voorstellen : de val van de engelen, de zonde van Adam en Eva, zelfs de gevolgen van één enkele doodzonde.- Voor een hoveling kan één flater aan het hof de ongenade betekenen.- De bedoeling is bij de retraitant een enorm schuldgevoel op te wekken, hem te doen uitroepen : Wie ben ik, dat ik dit heb aangedurfd ?

Ignatius drijft de retraitant tot een levensbiecht. Deze ziet nu de noodzaak in zijn leven te veranderen : vasten, boeten, concrete plannen maken, zich ontdoen van de bezittingen, de ongeregelde neigingen bestrijden. Tegelijk beschikt nu de biechtvader over een volledige kennis van de persoonlijkheid van de retraitant en kan hij oordelen of deze geschikt is om in de Sociëteit te treden. Zo neen, zal hij hier de zaak afsluiten. Zo ja, zal hij hem inleiden in de tweede week met als kernoverweging : de meditatie over het Rijk van Christus (De Regno). In de tweede week komt het hof-model expliciet terug; de aanhef is welsprekend : »Ik moet mij een koning voor ogen brengen, uitverkoren door God, aan wie alle prinsen en overheden eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd zijn, en ook alle christenen. Nu spreekt die Koning : «Mijn wil is het de hele ongelovige wereld te onderwerpen. Wie met mij wil komen, moet leven zoals ik, hetzelfde voedsel gebruiken, dezelfde kleding dragen, nacht en dag werken. Zo zal hij deelgenoot worden aan de overwinning, zoals hij deelnam aan het werk.»(2) Zo werft men soldaten. Hier heerst de geest van de « reconquista ». Maar Christus spreekt nu : « Mijn wil is het de hele wereld te onderwerpen, en alle vijanden, en zo in de glorie van mijn Vader te komen». Wie enigszins oordeel heeft, zegt Ignatius, zal zich aanbieden voor dat werk. Evident was dat voor een edelman en hoveling : wie blijft thuis als de koning oproept voor de strijd ?

De wereldheerschappij was het ideaal van de Romeinen, de joden, het christendom; nu is het ook het ideaal van de Sociëteit van Jezus. Een van de belangrijke aanklachten tegen de Sociëteit was haar geniepig streven naar politieke macht en heerschappij. De wereldheerschappij van Christus is het expliciete doel dat aan de basis ligt van de roeping tot jezuïet. Moeten de wereldlijke heersers misschien niet gehoorzamen aan de wil van God˙? Moeten ook zij zich niet onderwerpen aan de heerschappij van Christus ? En is de Sociëteit daar niet om dat ideaal te verwezenlijken ?

De Sociëteit heeft nooit getracht de plaats in te nemen van de vorsten; ze heeft wel getracht ze te leiden en ze onder haar beheer te brengen.

Tot iemand die verpletterd is door wroeging en schuldgevoel, wordt een oproep gericht : de grootste koning roept u op om de hele aarde te onderwerpen, bevrijd van alle schuld meester te worden van de wereld. Ignatius doet hier beroep op een pathologisch mechanisme : de retraitant is ontredderd door een afwijkend schuldbewustzijn, daar plant hij dan de overcompensatie in van een machts- en grootheidsdrang. De retraitant wordt geplaatst midden de deliberaties van de Heilige Drieëenheid : op hoog niveau. Hij moet zien hoe de Goddelijke Personen beraadslagen en besluiten de Zoon te zenden. En nu vooral moet hij beschouwen hoe de Zoon, hoe Maria gehoorzaamt, hoe Jezus gehoorzaamt aan zijn ouders. In het evangelie zoekt Ignatius alle voorbeelden uit van onderwerping aan Gods wil. Hoe de leerlingen onmiddellijk alles verlaten en Jezus volgen. Hoe arm Jezus geboren wordt en leeft. Hoe rein Maria is. Hoe de leerlingen gezonden worden en hun brood moeten bedelen. Kortom, de retraitant krijgt de pap in de mond. Maar daarmee is zijn innerlijke weerstand nog niet afgebroken.

Dan volgt de beroemde meditatie van de twee standaarden. Satan zit ergens in een veld rond Babylon op een zetel van vuur en rook. Hij heeft een gedrochtelijk, vreselijk gelaat. Hij is omringd met menigten duivels, die hij zendt over de hele wereld, en naar alle mensen. Hij spreekt hen toe om ze aan te sporen de mensen te binden met ketens, hen te bekoren door hebzucht om zo tot ijdele wereldse eer te komen, en tot een grote hoogmoed, om ze daarna tot allerlei zonden te leiden. Daartegenover moet men Christus stellen : Hij zit ergens op een groot veld in de omstreken van Jeruzalem. Hij is schoon en beminnelijk. Hij kiest over de hele aarde apostelen en leerlingen. Hij stuurt ze over de hele wereld om zijn leer te verkondigen bij iedereen. Hij houdt een toespraak, om ze aan te sporen tot geestelijke en zelfs actuele armoede en nederigheid : armoede tegen de rijkdommen, oneer en verachting tegenover wereldse eer, nederigheid tegen hoogmoed.

De retraitant krijgt nu de keuze tussen de beminnelijke Christus en de hatelijke Satan. De suggestie volgt : hoe kan men aarzelen tussen schoon en lelijk, lief en hatelijk ? Ignatius bewerkt een bewustzijnsverenging bij de retraitant, die nu voor een onontwijkbaar dilemma staat : Christus of Satan, met als alternatief : branden in de hel tussen dansende duivels en afzichtelijke monsters !

Kiezen voor Christus is goed, maar zich ontdoen van eigen bezit en verzaken aan een huwelijk is wat anders. Om dat te bereiken gaat Ignatius de psychologische toer op : hij drijft de retraitant tot introspectieve analyse. Deze moet mediteren over drie klassen van mensen : de eersten willen wel, maar stellen altijd maar uit, de tweede klasse zoekt een compromisoplossing om toch alles te behouden, de laatsten maken zich gereed om alles te willen wat de dienst van God vereist. Ignatius laat voorlopig in 't midden wat er nu eigenlijk vereist zal zijn. Natuurlijk wil iedereen in de beste klasse zitten. Ondertussen mediteert de retraitant over meer suggestieve episoden uit het Evangelie, en hij wordt gevraagd die toe te passen op zichzelf. Hoofdgedachte is de suggestie : God vraagt Christus in alles na te volgen.

Dan komt nog eens een psychologische meditatie : de drie graden van nederigheid. De eerste bestaat in de vaste wil de geboden te observeren. De tweede is de vaste wil niet eens een dagelijkse zonde te bedrijven en daar waar het voor de dienst van de Heer gelijk is, niet eerder rijkdom dan armoede, niet liever eer dan schande, geen lang leven boven een kort leven te verkiezen. De derde graad is tot de volledige navolging van Christus besluiten : de voorkeur geven aan arm en zelfs krankzinnig (stultus) met Christus te zijn boven wijs en voorzichtig in de wereld.

Zo kan de retraitant zich evalueren : waar staat hij op de ladder ? Hoe ernstig is zijn keuze voor Christus ? Nu is hij goed voorbereid : hij moet nu de keuze maken (de electio ). Om hem te helpen geeft Ignatius enkele tips : hij moet zich inbeelden dat hij op zijn doodsbed ligt en zich afvragen wat hij dan het liefst zou gedaan hebben. De retraitant moet nu een concreet plan uitwerken, waartoe hij zich verbindt. Dit is een soort gedragstherapie.

Na de electie blijft de retraitant meestal in een pijnlijke toestand achter. Hij heeft emotioneel vaarwel gezegd aan zijn ouders, zijn vrienden, zijn bezittingen, alles waarvan hij hield om naakt en arm Jezus te volgen in gehoorzaamheid. Hij voelt zich verdwaasd, hoe hard hij ook bidt om zich naar Gods wil te voegen : het blijft pijnlijk. Daarop volgt dan de derde week en dat is nu juist de overweging van het lijden van Christus. De retraitant kan zich nu vereenzelvigen met Christus : hij moet leren lijden met Christus. Is eenmaal deze identificatie gelukt, dan kan men de retraitant gelukkig maken door de vierde week : de triomf van Christus over de dood, de troost van de Heilige Geest en de zending over de hele wereld. De oefeningen besluiten met de ««Contemplatie om de liefde te bekomen». Opnieuw wordt de retraitant voor God gesteld, maar nu gelouterd en gezuiverd. Hij moet zich vol dankbaarheid voelen voor alles wat God hem gegeven heeft : de schepping, de verlossing, alle weldaden, alle gunsten die hij ontving, en vooral de roeping. En dan nadenken wat hij God daarvoor kan teruggeven. En dan volgt het grote slotgebed : Neem Heer en ontvang heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil. Alles wat ik heb en bezit, Gij hebt mij alles gegeven. Alles schenk ik U terug. Alles is van U. Beschik erover volgens uw wil. Geef mij alleen uw genade en uw liefde, want dat is mij genoeg. Dit gebed wordt gezegd, terwijl de retraitant zich moet inbeelden dat hij staat voor heel het hemels Hof ! Allicht doet deze opdracht ons terugdenken aan de woorden van Demetrios. Voor alle jezuïeten zijn zij het definitieve engagement geworden in de Sociëteit van Jezus. Ignatius heeft bereikt wat hij wilde : hij heeft alle inwendige weerstand overwonnen en beschikt nu over een dociel en gewillig instrument om zijn wil uit te voeren. Want de Overste vertegenwoordigt Christus en zijn wil is de wil van God. De kandidaat jezuïet heeft geen eigen wil meer en ook geen eigen mening. Hij heeft geleerd door autosuggestie zich tot conformisme te dwingen.

2. De bronnen.

In deze Geestelijke Oefeningen is niet alles van Ignatius; hij ontleende diverse ideeën bij o.a. Erasmus . Eerst en vooral is er de algemene opvatting : het leven is een militaire dienst, waarbij men moet kiezen tussen Satan of Christus. Bovendien is het een «militia» tegen onze slechte neigingen, tegenover hetwelk wij uiterst waakzaam moeten zijn : waakzaamheid die Ignatius concretiseert in het dagelijkse gewetensonderzoek. «Welke zin heeft het», zegt Erasmus, «dat het teken van het kruis op uw voorhoofd werd gedrukt, tenzij dat ge, zolang ge leeft, zoudt dienen onder zijn vaandel».(3) Ook de grondgedachte van het fundament vinden we bij Erasmus : «God heeft deze wereld geschapen, opdat alles zou dienen voor uw gebruik.»15 Erasmus en Ignatius zijn beiden christocentrisch : alleen Jezus is het model. « Christus is het enige dat voor u voldoende zal zijn in plaats van al het andere» zegt Erasmus.(4) De duivel en Christus zijn de twee voorname tegenspelers geworden. « Denk eraan», zegt Erasmus, «dat ge zeer waakzaam moet blijven, want er zijn hoogst misdadige duivelen, tegen ons gewapend met duizend listen, duizend manieren om ons te schaden, die onze geesten van het hogere willen neerhalen met hun brandende en in dodelijk gif gedoopte pijlen». (5) De meditatie over de twee standaarden staat opgegeven bij Erasmus : « Hoeveel wenselijker is het niet te strijden onder de standaard van Christus dan onder de standaard van de duivel ? En hoeveel wenselijker is het te lijden met Christus dan in geneugten met de duivel samen te spannen ?»(6) Men heeft zich afgevraagd waarom Ignatius schreef over de drie soorten «dubbelgangers» ( binarii ). In het zesde hoofdstuk van het Enchiridion handelt Erasmus over de inwendige en de uitwendige mens, en over de twee delen in de mens : de lichamelijke (vleselijke) en de geestelijke. Dit is inderdaad de binarius die overleg pleegt in de mens. Ook in het Enchiridion worden de ongeordende neigingen besproken : « Men moet dus eerst alle neigingen kennen, en dan weten dat er geen zo geweldige zijn, dat zij niet door de rede kunnen bedwongen worden of tot deugd omgebogen».(7)

Ignatius doet de retraitant mediteren over de staat van doodzonde die de dader in de hel brengt. Erasmus zegt daarover : «Denk eraan hoe kommervol, hoe vluchtig het huidige leven is, hoe het tallenkante verraderlijk door de dood bedreigd wordt. Zij treft hier en daar diegene, die helemaal niets vermoeden. En omdat niemand ook maar één ogenblik zeker is te leven, denk eraan welk enorm gevaar er bestaat bij die plotse dood, zoals het dikwijls gebeurt, dat ge voor eeuwig verloren gaat».(8) Ignatius stelt de retraitant in tegenwoordigheid van het hele hemelse hof; Erasmus doet dit ook : «En zulke afschuwelijke daad, dat ge u zoudt schamen er ergens een meisje getuige van te maken, zoudt ge niet vrezen te bedrijven in tegenwoordigheid van uw engelbewaarder en dat terwijl het hele koor der engelen toekijkt en dit afkeurt ?»(9) Andere ontleningen komen voor in de methode tot onderscheid der geesten. Cf. infra.

Naast Erasmus was ook Thomas a Kempis een bron waarin Ignatius bij voorliefde putte. Aan Nadal zei Ignatius : «zelfs als ik het boek bij toeval opende, zou ik er iets in vinden dat paste op de actuele noden, dat had hijzelf ondervonden».(10) Gonzales de Camara zegde : «Men heeft de indruk dat handelen met de Vader (Ignatius) niets anders is dan Gerson lezen in uitvoering».(11)

Vooral de leer over de ongeregelde neiging vinden we het meest uitgebreid terug in de Navolging van Christus, die vroeger wel aan Gerson werd toegeschreven, maar eigenlijk stamt uit de beweging van de Moderne Devotie in de Nederlanden. In de Navolging kan men zowat een twintigtal plaatsen vinden waar er sprake is van de ongeordende neiging .(12) In de Navolging is zij een «liefde», en wel een exclusieve liefde van de schepselen, een onreine begeerlijkheid, waar het streven vertroebeld is door al te natuurlijke inzichten, door de eigen wil, door de hoop op beloning, door de gemakzucht. Zij is ongeregeld, omdat zij ingaat tegen de orde die door God gewild is, tegen de onderwerping van de zinnelijkheid aan de rede en van de rede aan God.(13) Zij is het die de vleselijke mens stelt tegenover de geestelijke mens : deze laatste, vrij van elke wanordelijkheid vergeet zichzelf en bemint alleen God; de andere, zelfs al verlangde hij naar de geestelijke dingen, blijft verdeeld en slaaf van zijn driften.(14) De ongeregelde neiging bevlekt de liefde tot God, zij voert tot zonde.(15) Zij maakt de mens ingewikkeld : hij bedriegt zichzelf.(16) Zij beklemt de liefde, zij verduistert de blik van de zuivere contemplatie. Zij brengt ook droefheid in de ziel en walg, onrust, bitterheid.(17)

Ignatius nuanceert deze leer : de ongeordende neiging maakt een zuivere keuze (electio) onmogelijk. Zij belet de onverschilligheid in de aanvaarding van de wil van God. Zij verwekt verlangens en afkeer. Toch is het zo dat Ignatius de retraitant op stang jaagt, hem de daver op het lijf geeft, door de lat te hoog te leggen. Bij Erasmus en Thomas a Kempis gaat het in wezen om het elimineren van die neigingen, die in de ziel verwarring en onrust brengen, het weerstand bieden aan de verleiding om verkeerd te handelen. Ignatius wil de tegenzin en de weerstand overwinnen die de meest radicale formule van zelfverloochening inboezemt, nl. afstand doen van alle eigen welzijnscriteria. Ignatius brengt zelf onrust in de ziel, en hij zal nu de regels meedelen om met die onrust tot een beslissing te komen : de regels voor het onderscheid der geesten.

3. Het onderscheid van de geesten .

Ignatius is voortdurend bezig met introspectie : elke gemoedsbeweging wordt nauwkeurig onderzocht : zij kan immers van God komen of van de Satan, van de goede engel of van de boze. Hij probeert technieken uit om zich in vertroosting te houden, en de desolatie te bevechten. Die leert hij ook zijn retraitant. Hij maneuvreert, om tenslotte «het doel« te bereiken : de volledige onderwerping aan de wil van God, althans zoals Ignatius die opvat. De regels die hij uitwerkt moeten zgn. inzicht geven over de oorsprong van de gemoedstoestanden.

Er zijn twee reeksen regels : de eerste reeks is meer aangepast aan retraitanten die nog met de zonde worstelen; de tweede reeks is voor diegenen, die aarzelen hun voet te zetten op het pad der «volmaaktheid«. De eerste reeks is vooral bestemd voor de subjectieve belevenissen van de eerste week. De duivel bekoort diegenen die van de ene doodzonde in de andere vallen door ze allerlei lusten voor te spiegelen; de engel bezorgt hun wroeging. Bij diegenen die zich intens zuiveren van de zonde, daar werkt de duivel anders˙: hij maakt ze terneergeslagen, droef, onrustig en spiegelt hun allerlei drogredenen en hindernissen voor, terwijl de goede geest vreugde geeft, vertroosting, tranen, inspiratie en alle hindernissen wegruimt. Een vertroosting is er, wanneer de ziel begint te ontvlammen in de liefde van God, als ze geen enkel schepsel meer kan beminnen om het schepsel zelf, maar alleen in de Schepper, wanneer men tranen stort uit liefde tot God of uit berouw over zijn zonden, bij elke vermeerdering van geloof, hoop en liefde en bij inwendige vreugde en rust. (Noteer hoe men poogt de concrete genegenheid en liefde te vervangen door een abstracte, ideële «liefde».)

De eerste reeks is vooral bestemd voor de subjectieve belevenissen van de eerste week. De duivel bekoort diegenen die van de ene doodzonde in de andere vallen door ze allerlei lusten voor te spiegelen; de engel bezorgt hun wroeging. Bij diegenen die zich intens zuiveren van de zonde, daar werkt de duivel anders˙: hij maakt ze terneergeslagen, droef, onrustig en spiegelt hun allerlei drogredenen en hindernissen voor, terwijl de goede geest vreugde geeft, vertroosting, tranen, inspiratie en alle hindernissen wegruimt. Een vertroosting is er, wanneer de ziel begint te ontvlammen in de liefde van God, als ze geen enkel schepsel meer kan beminnen om het schepsel zelf, maar alleen in de Schepper, wanneer men tranen stort uit liefde tot God of uit berouw over zijn zonden, bij elke vermeerdering van geloof, hoop en liefde en bij inwendige vreugde en rust.

Het tegengestelde van de vertroosting is de desolatie, de vertroebeling van de ziel, de geneigdheid naar aardse dingen, onrust, als de ziel zich lui voelt, lauw, droef en als afgesneden van God (vgl. de Imitatio). Ten tijde van de desolatie mag men nooit zijn inzichten veranderen, maar moet men volhouden, want de goede geest leidt de mens meer tijdens de vertroosting, de slechte geest meer tijdens de desolatie, en deze laatste mag ons niet leiden als we beslissingen nemen.

Buiten het feit dat deze beginselen hier zomaar geponeerd worden, en de retraitant die wel wil aannemen op het gezag van de geestelijke leider, zijn ze psychologisch gezien misleidend. Al is het juist dat men geen beslissingen moet nemen in een zwaarmoedige bui, of als men onrustig is, of instabiel, het is evenmin aangeraden beslissingen te nemen in positieve emotionele toestanden als enthousiasme b.v. Het geneesmiddel dat Ignatius voorschrijft tegen desolatie, is niet rust en ontspanning, maar integendeel : meer bidden, meer mediteren, meer zichzelf onderzoeken, meer boete doen, m.a.w. meer autosuggestie. Hij drijft de retraitant dieper in de put. Hij raadt aan (Annotationes), dat iemand die geneigd is iets niet om Gods wil te verlangen, zoals b.v. geldelijke voordelen, om het tegengestelde zou bidden : nl. armoede (affici ad contrarium, agendo contra ). Dit is niet helemaal eigen aan Ignatius, ook Erasmus zegt : «Als ge geneigd zijt tot geldzucht, verhoog het budget van uw aalmoezen; wordt ge aangezet tot ijdele glorie, verneder u des te meer in alles.»(18) Als de ziel daarbij desolatie ondervindt, dan moet zij overwegen, dat de Heer haar op de proef stelt door haar over te laten aan zichzelf om zo de bekoringen te weerstaan. Want dat kan zij met de hulp van God toch nog altijd. Zij moet geduld oefenen en hopen op vertroosting. Erasmus zegt : « Denk eraan, dat ge bij troosteloosheid eerder God moet bedanken dat Hij u als zijn toekomstige erfgenaam opleidt, als zijn liefste zoon kastijdt, als een vriend op de proef stelt»(19) Maar, verrassend genoeg, Ignatius zegt : «hij die in vertroosting is, moet zich vernederen«, terwijl Erasmus : «Bij geestelijke vertroosting bedank onmiddellijk God om zijn weldaad, terwijl ge nederig erkent, die niet waardig te zijn».(20) Let wel : Ignatius is harder dan Erasmus : de retraitant moet zichzelf vernederen door eraan te denken hoe hij zal zijn in de desolatie. De vijand is als een kwaad wijf, zegt Ignatius; het is best haar onverschrokken te antwoorden. De vijand is ook als een geheime minnaar, die niet wil dat zijn voorstellen voortverteld worden. Best is meteen de geestelijke leider op de hoogte te brengen. Ignatius wil de touwtjes zelf in handen houden. Hij ontvouwt een hele theorie, die natuurlijk aan de moderne psycholoog vrij naïef voorkomt, om uit te leggen vanwaar de desolatie komt : ten eerste is er de slordigheid in de geestelijke oefeningen, ten tweede is er de beproeving door God, die wil zien hoever we zullen gaan in zijn dienst zonder veel vertroosting, ten derde wil God ons laten voelen, dat de vertroosting niet uit onszelf komt, maar helemaal een gave van God is. Ignatius weet dat zijn retraitant zich ongemakkelijk voelt tegenover datgene wat hij hem voorstelt, en dat hij zich in een wanhopige situatie bevindt. Hij verhoogt dus het schuldbewustzijn en het gevoelen van hulpeloze afhankelijkheid. Wat hijzelf doet, schrijft hij toe aan de vijand, Satan : de vijand gedraagt zich als een legeraanvoerder, die uitzoekt welke de zwakke plekken zijn van de burcht, die hij moet aanvallen. (Pampeluna heeft zijn sporen nagelaten...) Deze eerste regels spelen in op een totaal verwarde en onrustige geestesgesteldheid van de retraitant. In de eerste week van de oefeningen wordt deze geconfronteerd met heel zijn zondig verleden en de eis van absolute dienstbaarheid aan een Schepper, zoals die voorgesteld wordt door Ignatius˙: een egoïstische monarch, die alles ondergeschikt maakt aan zijn Glorie. Als de retraitant dat niet geredelijk doet, wordt hij bedreigd met alle pijnen van de hel. Hij wordt voor een artificieel dilemma gesteld. Ignatius laat hem maar één weg vrij om te ontsnappen : de volledige overgave aan Gods wil, waarmee hij heel zijn verleden achter zich laat liggen en zich opgelucht voelt.

Want in de tweede week komen andere ideeën aan de orde : een lieflijke, beminnelijke Jezus, die rondgaat bij de mensen, wel doet en ze aanspoort Hem te volgen. Tijdens deze tweede week zijn er andere gevoelens, en daarvoor zijn er de tweede reeks regels. De vertroosting is een teken van God; als zij optreedt zonder dat daarvoor een tastbare reden is, dan beweegt God de ziel tot vreugde. Maar ook de slechte geest kan dat : hij neemt de gedaante aan van een engel van het licht, om langzamerhand tot zijn doel te komen. Daarom moet men opletten : als begin, midden en slot van de gedachten goed zijn en strekken tot beter, dan zijn ze van God, maar als ze neigen naar iets wat minder goed is, dan komen ze van de duivel, m.a.w. als de retraitant meer voelt voor het huwelijk dan voor het celibaat, dan is dit de inspiratie van de duivel.

Als de geest goed is, dan komt hij binnen bij diegenen die van goed naar beter gaan op een zachte wijze; de slechte geest integendeel komt binnen met onrust en rumoer. Bij degenen die van slecht naar slechter gaan, daar gebeurt het omgekeerde.

Er volgt nog een waarschuwing : zelfs als de vertroosting van God komt, kan de mens daarna door eigen redenering verder gaan. Hij moet daarvoor oppassen en goed onderscheiden, want wat hijzelf toevoegt, kan verkeerd zijn. Alles gaat ervan uit, dat God zelf (en ook de duivel) de ziel beweegt, en dat de mens kan weten wanneer dit geschiedt. Dit was een klassieke leer in de middeleeuwen : in het autograaf manuscript der Exercitia vindt men volgend citaat : B. Thomas 1.2,q.9, art.6 et q.10, art.4. (21) Ignatius is hier nog helemaal afhankelijk van de oude opvattingen over de rechtstreekse invloed van God en de duivel op de emoties en de gedachten van de mens. Heel deze primitieve psychologie heeft zijn leven gevuld. Zijn opstelling is evenwel genuanceerd : hij controleert zelf de inspiratie van de Heilige Geest, klopt die niet met de vooropgestelde doelen, dan is zij van de duivel... Iemand die eraan zou denken zijn vermogen eerlijk te beheren en de armen te helpen, een degelijk gezin op te bouwen, loopt in de val van de duivel, die hem bekoort onder de schijn van het goede, om hem af te houden van een hoger ideaal : de volledige afstand van de goederen en de intrede in de Sociëteit. Ignatius buit de ambitie uit van zijn retraitant; telkens geeft Ignatius hem te kiezen : wilt ge lager of hoger, minder volmaakt of helemaal volmaakt. Bloed en water zwetend, zoals Jezus in de Olijfhof, geeft de retraitant toe : hij wil niet achterblijven. Stuk voor stuk perst Ignatius er alles uit tot in de laatste consequenties. Het is begrijpelijk dat weinig jongeren weerstand kunnen bieden aan zulke druk. Ignatius als dilettant in de psychotherapie begaat hier stuk voor stuk gevaarlijke fouten. Ten eerste speelt hij in op onverantwoordbare veronderstellingen betreffende de schepping, de plaats van het schepsel in het heelal, enz. Ten tweede cultiveert hij schuldbewustzijn en onrust, wroeging om reële en ingebeelde fouten (b.v. in zake van seksuele gevoelens). Hij duwt de retraitant zo diep mogelijk in de put en houdt hem daarin om hem te doen smachten naar verlichting. Daarna volgt een methode van conditionering : telkens wordt aangemoedigd wat in de «goede« richting gaat, en alles wordt verworpen en afgekeurd wat in de «verkeerde« richting gaat. Hij dringt de retraitant naar een irrationele houding, waarbij het gezond verstand wordt uitgeschakeld. M.a.w. het subject moet automatisch schuldbewustzijn voelen zohaast hij afwijkt van die uitgestippelde weg.

Een deskundig psychotherapeut zal integendeel een subject naar hoger bewustzijn trachten te brengen, het bevrijden uit vooroordelen en verkeerde denkwijzen, het leren zijn eigen weg te vinden aangepast aan zijn eigen situatie en mogelijkheden, het onafhankelijker maken. Hij zal de onrust bestrijden en het aanmoedigen besluitvorming door te drijven in een serene sfeer met een koel hoofd. Ignatius integendeel bouwt op het irrationele geloof en op de lichtgelovigheid van zijn retraitant. Hij vervult hem met een totale illusie : de gesuggereerde ideële wereld van Gods wil. M.a.w. hij wordt een gedrogeerde, die weldra tot de werkelijkheid zal teruggeroepen worden door het harde labeur, de tegenslag, het vermoeden dat Gods wil zoals de oversten die formuleren, toch wel heel wat verschilt van wat hem als Gods wil werd voorgespiegeld. Maar hij zal zich onderwerpen aan wat hij ziet als het onvatbare mysterie van Gods genade. Als hij lijdt, dan is het de goede Vader, die diegenen beproeft die Hij bemint, als hij gelukkig is dan is dit de fantastische beloning en de manifestatie van Gods liefde voor hem. Zo heeft men altijd gelijk.

Ignatius beweegt zich nog volkomen in de intentionalistische interpretatie van het wereldbeeld en alle psychische verschijnselen : er is God, de duivel en de mens. Natuurwetten en psychische mechanismen zijn volkomen onbekend. Alles wat gebeurt is het gevolg van een specifieke intentie.

Dit wordt zeer duidelijk als men de regels over de scrupules onderzoekt. Het is het eigen van de duivel, zegt Ignatius, om een tere ziel tot het uiterste gevoelig te maken, om haar te kunnen verstoren, en haar zodoende scrupuleus te maken. Is de ziel ongevoelig, dan maakt hij haar nog ongevoeliger, zodat ze zelfs de doodzonde gering gaat achten. Dan moet men telkens het tegenovergestelde doen van wat de vijand vraagt (agendo contra). Wij kennen vrij goed één van de eerste retraitanten van Ignatius : Pierre Fabre , van wie wij ook de voorgeschiedenis kennen : een ideale prooi voor Ignatius. De ouders van Fabre hadden de uiterste zorg besteed om Fabre's jonge hart tot grote fijngevoeligheid van geweten te vormen, en tot grote vroomheid. Net zoals men een laks geweten niet moet aanzetten tot grotere vrijheid, zo hoeft men ook een delicaat geweten niet steeds nauwer toe te schroeven. P. Veillard , die een vurig christen was, en als leraar gewoon was met jongens van twaalf tot zeventien jaar om te gaan, wist in zijn leerlingen de vrees voor God te ontwikkelen. Hij was wel verplicht vrees in te boezemen aan de soms al te vrije gewetens van zijn studenten. Maar welk een nefaste invloed moest dit op Fabre's fijngevoelig gemoed uitoefenen ? Zodra voor deze de beproeving van de puberteit begint, grijpt hem een panische schrik aan. Hij is even beangstigd voor de biecht als voor de zonde. Hij vlucht zichzelf. Niet lang zal het duren of zijn angstige houding zal zich wreken. Nu begint de angst om de onvolledige biechten. Alles samen wordt het één grote angstvalligheid. Fabre is op negentien jaar een neurastheniek scrupulant. Zo komt hij naar Parijs. In 1529 komt er een vreemde gast op het college wonen en nog wel op de kamer zelf van Fabre. Hij noemde zich Iñigo van Loyola. Er huisde daar ook een andere Spanjaard : Francesco di Xaver , die dat jaar leraar zou worden van Iñigo en Fabre tegelijk. Iñigo stond nl. ten achter voor de studie, en zo kwam het dat Xaver, die nogal hield van Fabre, deze aanduidde om privaatles te geven aan de nieuweling. Iñigo vond filosofie wel interessant, maar voor hem was Fabre toch veel interessanter. Het duurde dan ook niet lang of Fabre was geen leraar meer en Iñigo geen leerling. Fabre vroeg raad. Zijn genezing kwam traag. Vele bekoringen blijven hem kwellen en steeds nieuwe scrupules duiken op˙: nu is het weer zijn ijdelheid, die hem beangstigt, dan weer zijn goede eetlust of zijn gulzigheid, dan weer zijn achterdocht en zijn gevoeligheid voor andermans gebreken. Tegelijkertijd wordt hij opgejut door het probleem van zijn roeping, of hij geneesheer, of advokaat of leraar of monnik of gewoon priester zal worden. Ook hier vindt hij geen rust en verandert voortdurend van plan. Tegen het einde van de vierjarige omgang met Iñigo voelt hij zich sterker. Reeds twee jaar houdt hij sommige genomen besluiten vol. De vrees vermindert. Nu acht Ignatius het ogenblik gekomen : Fabre is rijp voor de grote retraite. Fabre, de vreesachtige scrupulant, besluit de avontuurlijke Iñigo te volgen.

Het is interessant dezelfde scrupulant aan 't werk te zien later. Door zijn verfijnd aanvoelen is hij de geboren diplomaat, die voor Ignatius heel wat klussen opklaarde. Het was nog de tijd van het allereerste begin van de Sociëteit. In Europa was het toen oorlog tussen Frans I en Karel V . Het bevel kwam in Parijs vanwege de koning, dat alle Spanjaarden de stad binnen de week moesten verlaten. Enkele Spaanse gezellen van de Sociëteit, die daar studeerden, hadden gehoopt dat zij zouden kunnen genieten van de privileges van de universiteit. Maar het bevel was zo volstrekt, dat zij gedwongen werden in overhaastige vlucht Leuven te bereiken. Onderweg werden ze verscheidene malen door roverbenden lastig gevallen, en toen ze te Leuven aankwamen, vonden ze de studenten nog georganiseerd in benden strijders, die zojuist de stad hadden ontzet. Fr. Strada , die de meest bekende onder hen zou worden, was toen nog novice. Maar zijn ijver kon zich moeilijk houden bij het stille studieleven. Een van zijn eerste daden was de Geestelijke Oefeningen te geven aan de toenmalige vice-kanselier van de universiteit : Tapper . Kort nadien kon hij de kapelaan van Sint-Pieters winnen voor de Sociëteit : de bekende P. Vishaven . Toen kwam Fabre zelf een bezoek brengen aan Leuven en zijn communiteit. Fabre viel ziek, zodat hij een tijdje te Leuven moest verblijven. Hij wist onmiddellijk veler sympathie te winnen, zo van studenten als professoren. Talrijk waren zij die hem kwamen opzoeken. Tegelijkertijd zet hij Strada aan te beginnen met Latijnse preken in de Sint-Michielskerk, een nieuwigheid in die tijd. Strada was nog niet begonnen met de theologie, maar Fabre gaf hem de stof en Strada sprak. Toen Ignatius bevel gaf, dat Fabre naar Keulen zou vertrekken en dat de kleine communiteit haar studies zou voortzetten in Coïmbra, meldden zich 19 studenten aan voor de Sociëteit; negen ervan werden onmiddellijk aanvaard. Het vertrek van de studenten had echter opzien gebaard aan de universiteit en de stemming werd plots vijandig. Zover kwam het dat aan de studenten verbod werd betekend nog om te gaan met P. Vishaven en de tien postulanten die te Leuven waren gebleven. De toestand was nog steeds niet gunstig geworden, toen vijf maanden later Fabre op doorreis naar Spanje weer in Leuven kwam. En wat gebeurde er ? Alles werd plotseling weer rustig. Fabre was blijkbaar een meester geworden in de methode van het onderscheiden der geesten.

In de huidige psychologie zouden we Ignatius' methode rangschikken in de cognitieve psychologie, die vooral door indoctrinatie haar doel bereikt. Zij levert interpretaties voor de motieven en de gevoelens van de retraitant, die notabel vals zijn, maar die deze aanvaardt. Nu is het een algemeen verschijnsel in de demonologische doctrine, dat men altijd gelijk heeft. Vertoont de retraitant ongewenste blijde gevoelens, dan is het de duivel die bekoort en zich verstopt achter de gedaante van een engel. Vertoont de retraitant droeve gevoelens, dan is het duidelijk de duivel die hem wil ontmoedigen. Het enige criterium is of de retraitant het doel van Ignatius aanvaardt, nl. de volledige overgave en onderwerping, en dan doet het er weinig toe of het blijde of droevige gevoelens zijn. Naar gelang de situatie kan men die dan aan de engel of aan de duivel toeschrijven.

Deze regels zijn dus grotendeels misleidend. In de crisis, die de retraitant doormaakt, en waarin hij her en der geslingerd wordt, krijgt hij regels, die hem in elk geval naar de gewenste oplossing leiden. De Ignatiaanse spiritualiteit is een ingrijpende verkrachting van de natuurlijke biologische en psychologische mechanismen van de mens. Eerst en vooral wordt het subject weggerukt van zijn biologische functie : de liefde tot de schepselen, de partner, de voortplanting, de bescherming van het jonge leven, de verantwoordelijkheid voor het gezin. Hij wordt losgeweekt van zijn rol voor de verdere familie : solidariteit en bescherming, uit zijn daaruitvolgende sociale rol : zijn verantwoordelijkheid in de ruimere samenleving, b.v. zijn beroeps- of ambtsuitoefening. De meestal jonge man wordt ontworteld, banden met familie, bekenden en vrienden worden afgesneden; hij wordt gezonden naar andere streken, moet andere gewoonten en denkwijzen aanleren en komt vooral in een artificieel milieu terecht. Hierin is zijn lot niet anders dan dat van een krankzinnige, die met geweld uit zijn natuurlijk milieu wordt gerukt en in een gesticht opgesloten, waar alles beslist wordt buiten hem. Eenmaal onderworpen aan de «brainwashing» wordt de hele energie gericht naar invloeds- en machtsproductie voor anderen. Zelf moet iedereen afstand doen van alles, om het op een schaal aan te bieden aan de Overste, die het aanvaardt in naam van de Sociëteit.

4. Het Gods- en Jezusbeeld van Ignatius.

Ignatius kon zich moeilijk een ander, of een moderner voorstelling van God of Jezus vormen dan diegene, die traditioneel gemeengoed was in zijn tijd. De navolging van Jezus stoelt dus op sterk vertekende opvattingen; de Jezus die moet nagevolgd worden is een tamelijk traditionalistische Messias, een Jezus van het geloof, geïdealiseerd en gestileerd, die helemaal niet overeenkomt met de historische Jezus, zoals wij die nu kennen. Maar er is meer.

Ignatius kiest uit de traditie de doctrines, en uit de bijbel en het evangelie die passages die kunnen gebruikt worden om anderen aan te zetten tot nederigheid, gehoorzaamheid en armoede. Hij selecteert, zoals we reeds deden opmerken, alles wat enigszins die houdingen kan suggereren. Hij werkt aan een bewustzijnsverenging, en bovendien cultiveert hij een tendens tot dominantie, die het enthousiasme moet wekken : alle ongelovigen moeten onderworpen worden, de hele wereld veroverd. Hij identificeert zich met Jezus, die alleen de wil doet van zijn Vader; daardoor wordt hij een «gezel van Jezus», direct geleid door God die hem inspireert : een charismatische leider, die met Jezus triomfeert en zijn Rijk vestigt. Het Jezusbeeld, dat model staat voor zijn persoonlijk streven, is in zekere zin een projectie van zijn eigen psyche : hij wil legeraanvoerder, hoveling, «grande» worden; Jezus is legeraanvoerder, koning en heerser.

Zoals in vele gevallen waar de liefde ontbreekt, wordt zij door macht en geld vervangen. Ignatius bedelt erom : veel macht en veel geld. Dat vraagt hij aan de paus : privileges , opdat zou blijken dat hij en de zijnen dé orde zijn, dé gezellen van Jezus, de enigen. Alle geld, alle macht moet naar de Sociëteit vloeien. In Ignatius' optiek heeft Jezus de weg getoond naar een wereldheerschappij. In de middeleeuwen en nog in de renaissance vertegenwoordigt de paus het goddelijk gezag, terwijl de keizer het wereldlijk gezag in handen houdt. De paus is een heerser, die heel het Westen domineert. Als Ignatius rechtstreeks en uitsluitend van de paus gaat afhangen, en door hem gezonden wordt, dan verwerft hij in zekere zin een geestelijke macht over heel Europa. Het enthousiasme dat Jezus opwekt bij Ignatius is dus verbonden met twee vooropstellingen : Jezus is de grote legeraanvoerder tegen de Satan , en Jezus is de grote koning, die de hele wereld onderwerpt, want Hij is ook de Zoon van God.

Allicht is de voorstelling, die Ignatius heeft van die Vader van Jezus amper christelijk. Men kan zich afvragen in welke mate zij geen projectie is, een weerspiegeling van zijn Vader-imago. Heeft hij de levenservaring opgedaan, dat hij als kind maar het leven gekregen heeft om te dienen voor de passie en eerzucht van zijn vader ? Een feit is dat hij al heel vlug weg werd gestuurd om carrière te maken naar een leerschool, waar hij moeilijk iets anders kon opvangen dan dat alle hovelingen er maar waren om eer te betuigen aan de vorst. Hij kan zich blijkbaar een echte altruïstische liefde nauwelijks voorstellen. Een vader en een moeder, die leven om hun kinderen gelukkig te maken, heeft hij blijkbaar niet gekend : kinderen zijn er voor hun ouders, die moeten ze eren en gehoorzamen, zoals hovelingen er zijn voor hun vorst, die moeten ze dienen en eer bewijzen.(22) Al de rest is ondergeschikt aan dat doel. Dat is het fundament van de geestelijke oefeningen. Geïnspireerd door een maatschappij, die geregeerd wordt door absolute vorsten, heersend uit goddelijk recht, is het samenlevingsideaal een paternalisme zonder grenzen, waarin een kern dienaren, als controleurs, als officieren en censoren, de rest van de bevolking domineren. Allen moeten tot volstrekte dienstbaarheid en totale gehoorzaamheid komen. Dit soort harmonie is het ideaal. Ieder heeft alleen het recht te gehoorzamen. Als edelman verbeeldt Ignatius, zoals gezegd, zich de hemel als een koninklijk hof, waar de koning verschijnt in majesteit omringd door alle hovelingen.

Belangrijk is ook de steeds weerkerende formule : «vragen wat ik wil». In feite komt dit hierop neer : God mag mij alles vragen wat Hij wil, als ik maar bekom wat ik wil : nl. zijn gunst, als ik maar zijn uitverkoren werktuig wordt, zijn plaatsvervanger, zijn legaat. Ignatius bedelt om de goddelijke gunst, die zal vertaald worden in macht : het bevel over de troepen. Daarvoor wil Ignatius een hoge prijs betalen. Daarom wil hij de beste zijn : « magis »(meer), de meerdere eer van God; alles moet ingezet worden : « omnia ut juvent » (alles wat maar kan helpen). Hij moet de opperbevelhebber worden.

In feite staat de psychologie van Ignatius diametraal tegenover de psychologie van de echte Jezus van Nazareth. Jezus is geen ontgoochelde, die verplicht is ten allen prijze een andere weg te zoeken. Jezus is zichzelf; hij volgt niemand na, al identificeert hij zich met de Mensenzoon, die voorspeld werd, en stelt hij Messiaanse gebaren. Hij is niet nederig; hij protesteert tegen de omstandigheden waarin Hij moet leven en tegen het feit dat hij aan tafel niet de ereplaats krijgt. Hij wil erkend worden. Hij ontwikkelt een immense haat tegen diegenen die niet in Hem geloven. Hij is niet gehoorzaam en wil niet arm zijn.(23)

Jezus is niet diegene die Ignatius zich voorstelt. Toch hebben beiden de ambitie gemeen : beiden willen de wereld domineren. Onnodig te vermelden, dat Ignatius' visie op Jezus compleet voorbijgestreefd en verouderd is.


  1. Thesaurus spiritualis Societatis Jesu. Brugge, 1932 : Exercitia Spiritualia, p.34-35.
  2. Ibid.,p.84.
  3. Ench. I.
  4. Ench. VIII, can
  5. Ench. I.
  6. Ench. VIII, can.III.
  7. Ench. V.
  8. Ench. VIII, can. XXI.
  9. Ench. IX.
  10. Autobiografische nota's, 29 Nov. 1545. Epistolae P. Nadal, t.I,p.19.
  11. Gonzales, Memoriale, n. 226; Fontes narrativi de S. Ignatio, t.1(1943),p.649. Cf. ook J. de Guibert, La Spiritualité de la Compagnie de Jésus, Parijs. 1953.
  12. Cf. V. Mercier, Concordance de l'Imitation de Jésus-Christ et des Exercices de Saint Ignace. Parijs, 1885; A. Mueller, Sequere Jesum. Concordantia Exercitiorum et Imitationis Christi, Ratisbonne, 1920.
  13. Imit. I,15,2;III,33,2.
  14. Imit. III,49,2.
  15. Imit. I.24,4.
  16. Imit. III,31,4;III,42,2;III,5,3;III,28,2.
  17. Imit., ibid.
  18. Ench. VIII,can.XVII.
  19. Ench. VIII,can.VIII.
  20. Ench. VIII,can.IX.
  21. Thesaurus spiritualis, p.226, nota 4.
  22. Lomer, p. 181, spreekt over de «Herzenskälte »van Ignatius, die hij in al de zijnen wil geëvenaard zien.
  23. Cf. H.Somers, Jezus, de Messias. Was het Christendom een vergissing? Antwerpen,1986, passim.


Links

Geheim en wijsheid der Jezuïeten

Ignatius van Loyola, leven en persoon.

De Cadaver-discipline van de Sociëteit

De humane vorming van de Jezuïeten

De geheime onderrichtingen van de Jezuïeten of De Monita privata

Homepage of the Psychological Laboratory (Leuven)



Dr. Herman H. Somers
Send e-mail to herman.somers@skynet.be