Iñigo de Loyola, zijn persoon en leven



I. De stichter van de Sociëteit.

De Sociëteit van Jezus is geboren uit de persoonlijke ambitie van een mislukt militair. De geschiedenis van zijn ambitie, zijn mislukking, zijn frustraties en tenslotte zijn wanhopige pogingen om zijn handicap te compenseren is ook de ontstaansgeschiedenis van die Sociëteit. Zij is niet de vrucht van een rijpe en heerlijke liefde, maar van een enorme menselijke ontgoocheling. Heel haar geschiedenis, haar succes zowel als haar mislukkingen, haar gebreken en de schandalen die hieruit voortvloeiden, kan men in de kiem aanwijzen als hoedanigheden, gebreken en fouten van haar stichter.

Internationaal werd het toenmalige wereldpodium beheerst door het antagonisme van Frans I , koning van Frankrijk, en Karel V , keizer van het Heilig Roomse Rijk. In Spanje heerste de geest van de " reconquista ", de herovering van het Spaanse grondgebied op de Moorse invasie. Voor heel Europa bleven trouwens de Turken een constant gevaar : zij bereikten de poorten van Wenen. Naast territoriale waren dit ook godsdienstoorlogen, zowat een vervolg op de Kruistochten. De Kerk was van haar kant in een enorme crisis geraakt door de opstand van Luther. Het corrupte Rome had alle prestige verloren en vele prinsen schaarden zich maar al te graag achter de Hervorming.

De maatschappelijke organisatie was nog helemaal middeleeuws : een landadel vormde het leger. De edellieden droomden ervan uit te blinken, bevorderd te worden, zo mogelijk, tot opperbevelhebber. Zij werden beloond met renten, land en macht.

Tegelijk was er de volle bloei van de renaissance , niet alleen in de letteren en de kunst, maar vooral ook aan de universiteiten. De studie van de Griekse en Latijnse klassieken had een sterke impuls gekregen na de verovering van Byzantium door de Turken. Vele geleerden waren naar het Westen gekomen tezamen met hun manuscripten. Deze stimulerende atmosfeer werd nog geaccentueerd door de ontdekking van Amerika, de uitvinding van het kompas, het buskruit, het papier en vooral de boekdrukkunst. Deze kleine technische ontwikkelingen hadden enorme gevolgen.

Als er bij de kleine landadel in Baskenland nog niet veel doorgedrongen was van de intellectuele stromingen in Europa, zeker werd daar deelgenomen aan het algemeen klimaat van permanente kleine en grote oorlog.



2. Jeugd.

De vader van Iñigo Don Beltran Ya§ez de Loyola (gehuwd 13 Juli 1467) was een militair, die jarenlang vocht in de legers van Hendrik IV , van Ferdinand en Isabella en van Jan II van Navarra . Daar dankte hij privileges en inkomen aan. Toch had die man, die veel afwezig moest zijn, nog de tijd om acht zonen en vijf dochters te verwekken, samen dertien kinderen, waarvan een zoon en een of twee dochters buiten het huwelijk.

De moeder (Ý1447 ?) stierf na het kinderbed van haar laatste kind (vóór 1508 ?). Iñigo (1491-1556) was de jongste zoon en was toen slechts 7 jaar oud. Hij werd uitbesteed bij Maria de Garin in Equibar.

Iñigo is dus qua ouderlijke affectie nogal gefrustreerd geweest. Hij had een ongetwijfeld ruwe, autoritaire vader, gewoon te bevelen en te vechten, veelal afwezig, en een vroeg gestorven moeder, die hem te midden van een tiental kinderen ook niet al teveel aandacht heeft kunnen schenken.

Het latere gedrag van Iñigo bevestigt, dat zijn persoonlijkheid gestoord werd vanaf zijn kinderjaren en dat zijn mentaliteit uiterst beperkt werd door zijn milieu. De ons bekende broers van Iñigo werden voor het merendeel militairen, streden in de legers in Spanje, in Italie tot in Vlaanderen, een sneuvelde in de strijd tegen de Turken, een trok naar Amerika en stierf in de streek van het huidige Panama. Pero Lopez de Oñaz , niet veel vóór Iñigo geboren, werd pastoor in de parochie Azpeitia die van de Loyola's afhankelijk was, nadat er iets zeer vreemds gebeurd was.

Pastoor toen was Juan de Anchieta en die had een neef Garcia Lopez de Anchieta , die er naar streefde zijn oom op te volgen. Op 15 October 1518 werd hij aangevallen in een klein straatje en met messteken vermoord door twee minderjarigen, waarvan een de naam Pedro de Oñaz droeg. Het was een verwante van de Loyola's. (Later werd hij griffier aldaar.) Op dat ogenblik (1518) wordt Pero Lopez de Oñaz, Iñigo's broer, pastoor van Azpeitia...

Iñigo's milieu was vrij gewelddadig en beperkt tot militaire idealen : roem en middelen verwerven in dienst van een koning, de vijand verslaan, door moed, tucht en gehoorzaamheid promotie maken. Studies bleven beperkt tot een beetje Latijn. Geen wonder dat de Geestelijke Oefeningen en ook heel de structuur van de Sociëteit later dat ietwat beperkt ideaal weerspiegelen.

Iñigo was eerder klein van gestalte en had ros haar. Hier ook was hij gefrustreerd, want om te vechten en te bevelen moet men krachtig en groot zijn. Bovendien waar Spanjaarden meestal zwart haar hebben, was hij ros. Tegelijk twee redenen om te gaan overcompenseren. Ook tegenover zoveel oudere broers had hij het waarschijnlijk lastig om zich te doen gelden. Zoals elke jongste van een groot gezin moest hij middelen vinden om de aandacht te trekken.

Op vijftienjarige leeftijd wordt hij naar een vriend van zijn vader gestuurd in Arevalo, het hart van Castilie; daar was Juan Velasquez; contador mayor. Iñigo werd "page van de koning" en maakte er kennis met de zonen van Juan. Samen met hen leerde hij zich gedragen als een jong edelman, die naar de mode van de tijd, dolgraag ridderromans las. Deze laatste waren propvol met heldhaftige en amoureuze avonturen. Het hele jonge brein van Iñigo werd nu gevuld met expliciet ridderlijke idealen, die volkomen in de lijn lagen van zijn familiare militaire erfenis.

Ondertussen gaat hij wel eens op bezoek thuis. Hij profiteert ervan om, samen met zijn broer Pero, de latere pastoor, reeds clericus, " beestigheden " uit te steken in het dorp, zodanig dat hij moet terechtstaan voor het gerecht. Hij was toen al drie en twintig jaar (1515). Wat hij juist gedaan heeft wordt nergens vermeld, maar de akten van het proces liegen er niet om : het gaat om excessen, enormiteiten, bij nacht en met opzet gepleegd ("cierto eceso, may enormes, de noche e de proposito, delicta varia et diversa et enormia"). Iñigo beweerde voor het gerecht dat hij clericus was, en daarom niet mocht berecht worden door het burgerlijk gezag (clerici mochten alleen berecht worden door de kerkelijke rechtbank : "privilegium fori"). Doch de rechtbank achtte die bewering niet bewezen, omdat hij zich helemaal niet gedroeg als een clericus : hij liep gekleed als een edelman met wapens en allerlei insignes. De zaak werd evenwel in de doofpot gestoken : de lokale adel had ook zijn privileges.

Iñigo zwijgt over die episode. Nochtans was hij toen geen puber meer en zijn broer was ouder. Men moet bij die leeftijd al aan ernstige vergrijpen denken zoals verkrachtingen en andere heldendaden. Vast staat dat deze episode op die leeftijd een duidelijk teken is van onevenwichtigheid : een indicium van psychopathisch gedrag. En dit wordt bevestigd door zijn leugens voor de rechtbank.

In 1516, amper enige tijd later, sterft koning Ferdinand, en Karel volgt hem op. De goederen en inkomsten van Juan Velasquez worden nu toegekend aan de koningin. Dit betekent het bankroet voor Velasquez. Hij komt in opstand en sterft. Iñigo moet nu op zoek naar een ander beschermheer. Hij vindt die in de persoon van Antonio Manrique de Lara , Duque de Najera y Virrey de Navarra (Okt. 1517). Hij wordt in dienst genomen als ridder, d.w.z. als officier in het leger.

3. De crisis.

Iñigo vraagt nu aan de nieuwe koning de toelating om zich te bewapenen. Hij voert aan dat hij zich bedreigd voelt door een vijand met name Francesco de Oya . Men weet eigenlijk niet waarom. Hoogstwaarschijnlijk was het alleen maar een afgesproken zaak om het recht te verkrijgen over een lijfwacht te kunnen beschikken. Want overal broeit opstand tegen de koning (de opstand van de Comuneros ) en Iñigo wil de gelegenheid aangrijpen om zich te onderscheiden. In 1520 is het de beurt aan Najera waar Iñigo deelneemt aan de repressie. Bovendien bedreigt Frans I , koning van Frankrijk, het Spaanse grondgebied. Zo komt Iñigo te Pampeluna waar een Franse overmacht van 12000 soldaten gereed staat.

De stad wordt al heel gauw overgegeven aan de Fransen. De Spanjaarden trekken zich terug in de burcht. Er zijn onderhandelingen : drie Spanjaarden, - een van hen is Iñigo, - gaan naar de Fransen toe. Alleen Iñigo verzet zich tegen de overgave : hij wil liever sterven. De belegering van de burcht begint, maar Iñigo wordt gekwetst : een kanonskogel heeft hem getroffen aan het been. De Spanjaarden in de burcht geven zich over. Iñigo wordt hoffelijk behandeld door de Fransen, en naar Loyola gebracht.

Dit is nu de derde handicap, want nu is hij ook nog een kreupele. Het is geen glorie die hij oogstte, maar de oneer van een nederlaag en een capitulatie : hij is nu een "loser", een verliezer. Een carrière in het leger en aan het hof mag hij voorgoed vergeten. Geen wonder dat hij tijdens het herstel een zware crisis doormaakt.

Tot hier is dit alles een vrij banaal verhaal. Toch vermoeden we al iets van de enorme ambitie van Iñigo. Chirurgische ingrepen in die tijd waren uiterst pijnlijk; verdoving bestond niet; men ging ambachtelijk te werk. De ambitie van Iñigo kan afgewogen worden door in de andere schaal van de balans het aantal operaties, die hij absoluut wilde ondergaan om terug normaal te worden, de duur van de behandelingen en de intensiteit van de pijn te leggen. En dit doet ons bevroeden hoe radeloos Iñigo is en hoe intens hij zoekt naar een uitweg voor zijn ondraaglijke frustratie naarmate hij langzamerhand realiseert, dat hij kreupel zal blijven. Zijn ontgoocheling wegens zijn handicap is des te groter, omdat hij, toen hij tijdens de Cortes in 1518 te Valladolid vertoefde, een sentimentele schok had ondergaan. Daar verbleef toen ook de krankzinnige Johanna van Castilie , moeder van Karel V , met haar elfjarige dochter, de infante Catalina . Deze leefde daar zowat als een gevangene. Op bevel van de jonge koning wordt zij bevrijd en doet haar intrede in de stad. Daar ziet Iñigo het meisje van zijn dromen, de Vrouwe die hij wil dienen. (In de hoofse letterkunde dient en vereert een ridder een Vrouwe, die hij idealiseert.) Dit ideaal beeld laat hem niet los op zijn ziekbed. Iñigo voedt zijn geest nog met de romantische dromen uit de schaarse ridderromans, die hij in dit landelijk slot vindt. Maar onvermijdelijk dringt tot hem het besef door dat een mankepoot niet meer kan dingen naar de gunst van een infante. De pijn en de ontgoocheling worden nog versterkt door het vreselijke gemis aan een vrouw en een moeder, dat hij nu ondergaat.

Tussen de oude boeken in het slot vindt Iñigo nog het leven van Jezus, geschreven door Landulfus (ų 1377) en de Legenda Aurea , een serie heiligenlevens. En deze ontdekking betekent voor hem een ommekeer. Onze-Lieve-Vrouw neemt plots de plaats in van de infante. Dat is nu de Vrouwe, die hij kan dienen, en haar Zoon is een hogere koning dan de koning van Spanje. Nog te Loyola ziet hij klaar haar beeld als in een visioen. Het is als een obsessie : eenmaal bekeerd gaat hij op zijn tocht naar Montserrat een O.L.V.-beeld vereren, te Saragossa versiert hij het beeld van O.L.V. del Pillar. Hij legt zijn ridderplunje af op het altaar van O.L.V. te Montserrat. In 1522 legt hij een eed af van ridder van Christus en Maria te Manresa. Hoe gevoelig hij is op dit punt blijkt uit het volgende verhaal. Onderweg uit Navarete naar Montserrat ontmoette hij een moslim, die de Heilige Maagd "beledigt", omdat hij twijfelt aan de maagdelijkheid van Maria "na" de geboorte. Iñigo reed achter hem aan en liet aan zijn ezel de beslissing of hij hem zou vermoorden of niet. De ezel sloeg een andere weg in. Iñigo is kwetsbaar en gewelddadig, omdat men hem treft in het trauma van de afwezige moederliefde. O.L.V. wordt het symbool van zijn nood aan affectie.

Nog te Loyola ontdekte Iñigo een andere wereld. Hij leert andere helden kennen : Benedictus, Dominicus, Franciscus, en anderen : woestijnvaders, die fabelachtige verstervingen deden en boetedoeningen, die baden en vastten en visioenen kregen. Hij substitueert nu de geestelijke ambitie aan de wereldlijke : hij leert een andere weg : hij moet bidden, boete doen, zijn zondig leven hervormen. Hij kan een heilige worden, misschien een groot heilige, een ordestichter. Hier heeft zijn uiterlijke verschijning geen belang meer, integendeel. Zijn verleden kan hij uitvegen door boete. Grotere zondaars zijn hem voorafgegaan. Hij overtuigt zich dat Gods hand hem leidt naar zijn dienst.

Over de rol van zijn broer Pero, de pastoor, in zijn bekering wordt angstvallig gezwegen. Zou die niet zijn op sterven na zieke broer zijn komen opzoeken op het slot van Loyola ? Wat is er gezegd tussen beide broers ? Heeft Pero Iñigo gewezen op de mogelijkheid van een kerkelijke carrière ?

Eenmaal hersteld en vastbesloten om een andere weg te volgen, maakt hij zijn oudste broer wijs dat hij terugkeert naar de hertog van Navarete. Dit was een halve leugen : de voorbode van de latere "restrictio mentalis" ?

Hij neemt afscheid thuis, begeeft zich via Aranzazu en Najera, waar toevallig ook de nieuwe paus Hadrianus passeert, naar Montserrat. Daar legt hij bij Dom Chanones; een levensbiecht af, die drie dagen duurt. Het is duidelijk dat hij zwaar lijdt onder wroeging. Vermoedelijk had hij heel wat seksuele misstappen te biechten, ook de beestigheden, die hij 's nachts en met opzet had bedreven toen hij 23 was, en vooral het doden en moorden tijdens zijn militaire bezigheden. Als penitentie werden gewoonlijk voor moord verre pelgrimstochten opgelegd, en we zien weldra Iñigo een pelgrimstocht ondernemen naar het Heilig Land. Voor seksuele misdrijven was vooral lichamelijke boete en vasten aangewezen, en ook die gaat Iñigo overvloedig bedrijven.

Bij de Benedictijnen van Montserrat heeft hij waarschijnlijk ook kennisgemaakt met de Navolging van Christus van Thomas a Kempis . En dit wordt voor hem een nieuwe dimensie in zijn denken.

Vanuit Montserrat vertrekt hij als pelgrim en bedelaar naar Manresa , waar hij naar het voorbeeld van de woestijnvaders in een grot alleen gaat wonen om te bidden, te mediteren en te boeten.(1) Zijn ambitie blijkt hieruit dat hij qua boete, vasten en gebed meer en beter wil doen dan de heiligen : hij wil de grootste worden. Hij slaat de weg in van uiterlijkheden; inwendig is hij een ontgoochelde die zichzelf verwijten maakt en nu wil overcompenseren.

4. De navolging van Christus.

De Geestelijke Oefeningen zijn ontstaan in de grot van Manresa : daaruit blijkt dat Iñigo vooral zich een beeld trachtte te vormen van Christus en de essentiele trekken uit te stippelen, die een leven van navolging moesten gestalte geven. Hier treedt een verschuiving opˇ: van de navolging van de heiligen naar een expliciete navolging van Christus zelf. Toch grijpt die verschuiving slechts geleidelijk plaats, want ondertussen put Iñigo zich uit in boeteplegingen en vasten. Hij voelde zich duidelijk in die handelwijze gesteund door het feit dat hij nu visioenen krijgt. En wie visioenen krijgt is dus een heilige. Wie de beschrijving leest van deze visioenen in het eigen verhaal van Iñigo kan er niet omheen : zij waren niet anders dan het resultaat van autosuggestie en uitputting. A. Van Ortroy, een bollandist, schrijft over een van die verhalen : "Ignatius was acht dagen in een staat van lethargie (hij had niet gegeten), waarin we de symptomen vinden van een accident van duidelijk gekarakteriseerde catalepsie. In de extase blijft de patient bij kennis en toont dit. Iñigo integendeel ontwaakt uit zijn bewusteloosheid en fluistert : "Ay, Jesus". Juan Pascual, die hem toen zag, riep : "de heilige is dood". Hij zag geen extaticus."(2) De terminologie van Van Ortroy is ietwat verwarrend; zij zou kunnen doen denken aan hysterische catalepsie, een toestand waarbij een patient niet meer reageert, of aan een lethargische slaap van lange duur. Lomer (de Loosten), die psychiater is, schijnt ook in die richting te denken : hij vermoedt een hysterische stupor.(3) Toch nuanceert hij zijn mening door erbij te voegen, dat het hier gaat, niet om een natuurlijke hysterie, maar om een bewust gewilde en zelf veroorzaakte.(4) De specifieke symptomen verwekt door uithongering en vasten zijn evenwel deze van de hypoglycaemie , d een gebrek aan glucose in het bloed. Daardoor ontstaat gewoonlijk een bewustzijnsverlaging, een toestand waarin allerlei mentale verschijnselen zich kunnen voordoen zoals visioenen, daarna bij erge gevallen een comateuze toestand en tenslotte de dood. Zo gebeurde het bij Katharina van Siena (+ 1387), die leed aan de "heilige anorexie".(5)

Verder vertelt Iñigo dat hij droomde van vlees. Van toen af begon hij terug vlees te eten. Ook dit is een bekend fenomeen : velen in de concentratiekampen hebben dit meegemaakt : zij zien als in een hallucinatie rijke tafelen. Het overkwam hem ook, dat hij op klaarlichte dag dikwijls iets in de lucht zag, dat hem veel troost gaf, omdat het zo uitzonderlijk mooi was. Hij kon er niet goed aan zien wat voor iets het was. (Noteer de vaagheid). Maar op een of andere manier had hij de indruk dat het de vorm had van een slang, met veel dingen eraan die als ogen schitterden, ook al waren het er geen.(6) Iñigo suggereert dat dit het werk van de duivel was, want hij had tegelijkertijd zware bekoringen. En dit steunt de interpretatie van Lomer dat vele visioenen directe symboliek waren van seksuele oorsprong.(7) Niet verwonderlijk : Iñigo verdrong nu zijn krachtige seksuele impulsen, en deze seksuele drang moest een andere uitweg vinden.(8)

Iñigo, slachtoffer van zijn onwetendheid in de fysiologie, aanziet dit alles als een mystieke ervaring van eerste rang, waarin hij opgeleid wordt door God zelf, beproefd en bekoord door de duivel. De vertroostingen en de desolaties, die hij ondervindt, zijn voor hem de wegwijzers naar de volmaakte dienst van God. Heel zijn leven zal hij trouw blijven aan een methode die hij noemde : de onderscheiding der geesten, gebouwd op de inwendige bewegingen van vertroosting en desolatie.

5. De christelijke soldaat.

Vanuit Manresa begeeft hij zich naar Barcelona, waar hij een maand blijft, en vertrekt dan via Rome en Venetie naar Jeruzalem. Na zijn pelgrimstocht komt hij terug via Venetie en gaat langs Genua naar Barcelona. Tot nu toe heeft hij zijn onderhoud bijeen gebedeld. Hij bezoekt daartoe heel wat vooraanstaanden; ook veel geestelijke personen gaat hij vinden om over geestelijke dingen te praten.

Na zijn terugkeer in Spanje, - hij heeft nu de boete voor zijn zonden volbracht, - begint hij te experimenteren met de geestelijke leiding : hij geeft geestelijke oefeningen, die hij kan stofferen met zijn herinneringen uit het Heilig Land. Hij tracht zo enkele discipelen rond zich te verzamelen, die juist gaan leven zoals hij. Hij biedt zijn diensten aan in de hospitalen, en vooral zoekt hij contact met gegoeden, die hem kunnen steunen en beschermen. Hij laat zich ook steeds leiden door een biechtvader. Op dat ogenblik doet hij ook reeds wat later in de Monita Privata zal aangeraden worden : bij rijken gaan bedelen om aan de armen uit te delen.

Te Barcelona valt hij op een biechtvader, die hem klaarblijkelijk leidt langs Erasmiaanse paden. Hij krijgt de raad grammatica te studeren (wij zouden zeggen zijn humaniora te doen) gedurende twee jaar. Hierin gehoorzaamt hij aan Erasmus' raad : "Als ge Christus beter wilt leren kennen, leg u toe op de studie van de letteren." (9) Bovendien krijgt hij de raad als oefening in het Latijn en als geestelijke lezing zelf het " Handboek van de christelijke soldaat " (Enchiridion militis christiani) van Erasmus te lezen.

Toen hij later te Salamanca door de subprior van de dominikanen ondervraagd werd en deze hem vroeg over welke dingen van God hij zoal sprak, gaf Iñigo het volgende merkwaardig antwoord : "Wij spreken," zei de pelgrim , "dan weer over de ene, dan weer over de andere deugd en dat vol lof nu eens over de ene, dan weer over de andere ondeugd, en dat onder afkeuring".(10) Hiermee bekent hij zijn vertrouwdheid met het Enchiridion van Erasmus, want zo geeft deze de inhoud ervan op : "een of andere ondeugd af te raden, en tot de tegenovergestelde deugd aan te raden".(11)

Dan zegt de subprior : "Dus nu er zoveel dwalingen de ronde doen, van Erasmus en zoveel anderen, die de wereld misleid hebben.." De subprior had dus goed begrepen.

Uit het onderzoek van de Geestelijke Oefeningen zal blijken hoeveel Iñigo geput heeft bij Erasmus. Toch waren er zaken die hem minder goed lagen.

Erasmus heeft scherpe uitlatingen tegen de edelen, de militairen, de monniken; hij hekelt de ambitie, de onwetendheid, de oorlog, de devoties die ook Iñigo pratikeerde, b.v. elke dag het passieverhaal lezen. De edelen geeft hij een veeg uit de pan : "Wanneer ge anderen ziet die zich opblazen over de beelden van hun grootvaders en andere voorvaderen, dat ze de anderen nauwelijks als mensen aanzien".(12) Over de militairen zegt Erasmus : "Ik zou niemand moedig noemen, die durf vertoont tegenover de vijand, die wallen overwint, die met verloochening van het leven elk gevaar het hoofd biedt, dat heeft hij toch maar gemeen met alle gladiatoren".13() De gezellen van Iñigo droegen een pij en hijzelf probeerde goedgezinden over te halen. Erasmus zegt : "Zohaast ze iemand vinden die weg van de ondeugd naar een beter leven verlangt, proberen ze hem onmiddellijk met gemene aansporingen, bedreigingen en vleierij in het monachaat te sleuren, alsof er buiten de monnikskap geen christendom zou bestaan".

Iñigo ging veel te biechten en had de neiging steeds te herbeginnen. "Ik verkies, zegt Erasmus, dat ge uw slechte gewoonten waarachtig en innerlijk haat, dan dat ge ze tienmaal alleen met woorden bij een priester gaat vermaledijden" (14).

Iñigo was mank. Zonder twijfel heeft hij bij Erasmus met gemengde gevoelens gelezen hoe deze Jacobs gevecht met Jahwe en de ontwrichte heup, die gene uit dit gevecht overhield, interpreteert. "Na elke overwonnen bekoring blijft er een verhoogde goddelijke genade over, zodanig dat men veel sterker kan weerstaan dan tevoren aan elke toekomstige aanval. Nadat de dij (van Jacob) getroffen was, verzwakte de zenuw van de overwinnaar, en begon hij met de voet te hinken. God, door de mond van de profeet, verwijt diegenen die met beide voeten hinken, dat is, diegenen die tegelijk in het vlees willen zijn en God willen behagen, en terwijl ze de twee slecht aanpakken met beide voeten hinken. Gelukkig echter diegenen bij wie de vleselijke neiging zo uitgestorven is, met de hulp van God, dat zij vooral op de rechtervoet, dat is de geest, steunen."(15) In het verhaal van de pelgrim staat vermeld dat beide benen zwaar gekwetst werden : langs welke zijde hij mankt, staat niet aangegeven. Is het verwonderlijkˇ? Hij steunde op het linkerbeen.

Iñigo vertelt, dat hij bij de lectuur van Erasmus alle devotie verloor... Toch diende het Enchiridion als gespreksthema voor de gezellen. Het inspireert hem om zijn Geestelijke Oefeningen om te smeden tot een wapen, een dolk. Ook Erasmus noemt zijn Enchiridion een dolk.

Van Barcelona trekt Iñigo nu "gewapend" naar Alcala.

6. Ketter of zonderling.

Nog te Alcala leeft Iñigo zeer excentriek : hij eet weinig, soms niets, slaapt weinig, bidt en mediteert gedurende zeven uren per dag, gaat zieken helpen in het hospitaal, onderhoudt zich met zielen over God, geeft de geestelijke oefeningen. De behandeling die hij zichzelf en de anderen oplegt is een "brainwashing" van groot formaat, gebouwd op uitputting, autosuggestie en externe confirmatie door een biechtvader; dit alles om zichzelf te overtuigen dat deze handelwijze de enige is, die God welgevallig is. Iñigo houdt van show : lijkbleek, graatmager, gehuld in een pij en blootsvoets gaat hij bedelen, legt contacten met de adel en laat zich beschermen en oppassen, hij predikt in het publiek.(16) Hij demonstreert een letterlijke navolging van Christus, zoals hij die opvat, nl. arm met zijn leerlingen rondtrekkend, predikend en zich bekommerend om zieken en armen, vooral ook gesteund door vrouwen.

Dit vreemde gedrag, in elk geval uitzonderlijk, kon niet anders dan de aandacht trekken van de Heilige Inquisitie .

Toch was het niet in eerste instantie zijn doctrine waarom hij werd aangeklaagd, maar wel zijn omgang met vrouwen.

Hij werd nl. in zijn kamer regelmatig opgezocht door een vrouw : dit lokte een kerkelijk onderzoek uit. Als een dame, samen met haar dochter, hem in zijn levenswijze wilde navolgen, komt hij in de gevangenis terecht. Hij wordt ervan beschuldigd hun de raad te hebben gegeven het huis te verlaten en op pelgrimstocht te trekken. Hij verdedigt zich door te beweren, dat hij integendeel hun dit altijd afgeraden heeft, en dat zij dit kunnen bevestigen bij hun terugkeer, dat hij hun aangespoord heeft om te Alcala zelf de armen te helpen en b.v. mee te gaan met de processie van het H. Sacrament. De vrouwen hebben dit bij hun terugkeer bevestigd. We betrappen Iñigo weer op een halve waarheid : natuurlijk wil hij zoals Christus ook vrouwen opnemen in zijn gezelschap en inspireert ze om de geestelijke oefeningen te doen; zoals Christus zendt hij ze uit om al bedelend op pelgrimstocht te gaan, maar hij is voorzichtig genoeg om ze te suggereren dat dit de wil van God is, niet die van Iñigo. Daarom raadt hij ze iets aan waarvan hij zeker weet dat ze er niet van zullen willen zoals meegaan in de processie; dit om de schijn te vermijden. Deze wijze van handelen zullen we later nog ontmoeten, en wel in de beruchte Monita Privata.

De gevangenschap heeft hem wel geleerd dat vrouwen complicaties meebrengen; als later Xaverius nog een avontuurtje meemaakt, acht Ignatius het voor bekeken. Hij wil geen vrouwen meer onder de gezellen en sluit de permanente geestelijke leiding van kloosterzusters uit.

De inquisiteurs van Toledo stellen ook een onderzoek in over zijn doctrine en zijn levenswijze. Dat leidt tot het verbod dat alle gezellen hetzelfde habijt zouden dragen. Iñigo wordt verplicht schoenen aan te trekken. Vier jaar lang mochten ze niet meer over geloofszaken spreken, totdat ze meer gestudeerd zouden hebben.

Hij ging ook eens te biechten bij een dominicaan te Salamanca. Die brengt hem bij de subprior die hem ondervraagt en die hem in een val lokt : ofwel spreekt hij over God op de basis van studie, ofwel uit de kracht van de Heilige Geest. Daar hij geen studie had gedaan, kon hij alleen maar bekennen dat hij een "illuminado" was. Hierop weigert hij nog enig antwoord te geven. Ditmaal wordt het ernstig en moet hij voor de rechtbank van de Inquisitie verschijnen. Hij moest de Geestelijke Oefeningen inleveren en ze laten onderzoeken. En hoewel hij bij hoog en bij laag beweert, dat hij niet weet wat vakgeleerden over die dingen zeiden, wordt hij verplicht de geboden uit te leggen. Hij doet dit zo uitvoerig, dat zij geen zin meer hadden nog meer te vragen.

Volgens het verhaal van Iñigo zou de discussie zich vooral toegespitst hebben op de vraag hoe hij kon "onderscheid" maken tussen dagelijkse en doodzonde. Maar eigenlijk is er in de Geestelijke Oefeningen alleen maar sprake van de enormiteit van de doodzonde. Het is alleen bij de onderscheiding der geesten dat er sprake is van "onderscheid". Natuurlijk waren de inquisiteurs daar erg in geinteresseerd. Dat was juist hun vak : de duivel herkennen. En hier daagt Iñigo de inquisiteurs uit : "Of het waar is of niet dat maakt u maar uit; en als het niet waar is, veroordeel het dan". Hij wist blijkbaar pertinent goed, dat rondom de tijd, dat hij zich te Valladolid bij de bisschop was gaan verdedigen, er een groot congres van theologen van heel Spanje bezig was, waar de leer van Erasmus onderzocht werd. Een en twintig stellingen werden opgesteld, maar de samengekomen theologen geraakten er niet wijs uit en moesten de zaak onbeslist laten. Veroordelen konden ze niet. Vermoedelijk zinspeelt Iñigo hierop : hij weet hoeveel hij ontleend heeft aan Erasmus, maar hij weet ook, dat men Erasmus niet heeft kunnen veroordelen.

Daarna laten de rechters hem met rust, maar leggen hem spreekverbod op. Uit de tekst blijkt ook dat hij er nog steeds deugd aan beleefde dat hij zich voor zijn rechters van den domme hield. En dat was weer een halve waarheid. Ongetwijfeld heeft hij heel veel kennis opgedaan bij de vele biechtvaders en geestelijke personen die hij consulteerde. Ook heeft hij al minstens enkele basiswerken doorgenomen, waarvan sommige grondig. Iñigo is er niet vies van trucjes te gebruiken, en beleeft er binnenpret aan.

Tenslotte wordt hem diets gemaakt dat hij om te onderwijzen over een aangepaste vorming moest beschikken en opereren onder het toezicht en met de goedkeuring van de Kerk. De man, die van niets weet en zich van den domme houdt, weet plots heel goed hoever het gezag van het tribunaal van Salamanca reikt. Hij verklaart dat hij zou doen wat hem bevolen was, zolang hij zich althans binnen het rechtsgebied van Salamanca bevond. Maar dat hij de uitspraak niet aanvaardde.

Tegenover de Overheid toont Iñigo zich onderdanig en voert uit wat hem opgelegd wordt zolang het om bijzaken gaat. Maar hij onderwerpt zich niet, wanneer het gaat om wat hij beschouwt als het essentiele van zijn roeping : hij is bereid zich daarvoor de grootste inspanningen te getroosten. Hij ziet in dat hij de nodige studies moet aanvatten en kiest meteen voor een van de beroemdste universiteiten van die tijd. Hij begeeft zich naar Parijs. Daar komt hij terecht in hetzelfde college waar eens Erasmus verbleef. Hij stelt zich niet tevreden met een gewone priesteropleiding. Hij is te zeer vernederd geworden door de ondervragingen : hij wil het beste.

1. Student, doctor en ordestichter

In het college van Montaigu, gesticht door Standonck , een Vlaming uit Mechelen, dat Erasmus beschrijft als een achterlijk conservatief instituut, waar de leerlingen hard moeten werken, geen eten krijgen en in ellendige kamers huizen, naast stinkende latrines, was men zeer streng.

Nadien verhuist Iñigo naar het Sint-Barbaracollege. Hij krijgt de raad, om zijn studies te kunnen betalen, een bedeltocht naar Vlaanderen te ondernemen, waar hij in een maand genoeg kan bijeenbrengen om een heel jaar te leven. Te Brugge ontmoet hij o.a. Luis Vivès , en te Antwerpen ontmoet hij ook verscheidene Spanjaarden.

Als de meeste humanisten verlatijnst hij nu zijn naam en Iñigo wordt nu Ignatius. Hij integreert gretig de hele cultuur die hij in Parijs vindt : de glans van het nieuwe humanisme, de scholastieke spitsvondigheden, de stromingen in de mystiek en de finesses van de moraaltheologie. Filosofisch heerste daar toen de strekking van het "nominalisme", die sterk het thomisme relativeerde door de filosofische begrippen als louter namen te beschouwen. Maar aan het integristische en reactionaire college van Montaigu heerste er ook een scherpe tegenstand tegen de ideeen van Erasmus. Onder de leiding van Noel Bidier (Beda) kwam men ertoe een aantal van diens stellingen te doen veroordelen. Doch men vermaakte zich ook met de schriften van Rabelais. Ignatius neemt die weerstand in zich op, maar werkt onverpoosd aan de definitieve versie van zijn Geestelijke Oefeningen. Over zijn vroegere gezellen in Spanje wordt niet meer gesproken : zij verdwijnen in de mist. Zo zullen veel latere jezuieten in de mist verdwijnen... Ignatius zoekt nu andere gezellen : edellieden, doctors van de universiteit, uiterst bekwame medewerkers. Hij vormt hiermee zijn eerste generale staf. Hij is nu een geestelijke leider geworden.

Vermits veel Spanjaarden nog leven in de geest van de " reconquista " spiegelt hij hun het ideaal voor van de bekering van de Turken . Ongetwijfeld klinkt zijn boodschap nu origineel en actueel : hij propageert de navolging van Christus in concreto voor iedereen en in volle wereld : onderwijs van de kleinen, dienst in de hospitalen, prediking in de kerk aan het volk en als een militante soldaat strijden voor het ware geloof.

Als alle gezellen geloften hebben afgelegd te Parijs, vertrekt hij naar Venetie. Er is nog altijd sprake van het gezamenlijk vertrek naar het Heilig Land nu allen priester zijn gewijd. Maar blijkbaar heeft Ignatius iets heel anders in de zin : niet de Turken moeten bekeerd worden, maar het Vaticaan . Het was vroeger zijn verlangen, indien hij ooit een orde zou binnentreden, de meest corrupte te kiezen om die te hervormen ! Plots blijkt het oorspronkelijke plan onmogelijk uit te voeren, en wordt er besloten zich te gaan aanbieden bij de paus. Men kan er zeker van zijn, dat dit geen improvisatie was, maar een zorgzaam uitgekiend plan, gerijpt in het brein van Ignatius. Om de moraal te sterken van zijn volgelingen, moet Ignatius nog een visioen krijgen, en dat komt er. In La Storta , een 14 km. verwijderd van Rome, verschijnen hem de Vader en Christus, die hem zeggen : "Te Rome zal Ik u gunstig zijn. Ik wil dat gij ons dient." God zegt hier alleen wat Ignatius wil. Hij weet reeds dat hij niet zal mislukken.

De gezellen vestigen zich eerst buiten Rome bij bevriende relaties. Merkwaardig toch hoe Ignatius die onfeilbaar overal weet te vinden. Hij had blijkbaar de grondslag daarvoor gelegd tijdens zijn eerste verblijf te Rome toen hij nog een pelgrim was. Hij kan nu zijn demarches beginnen, terwijl zijn gezellen het vertrouwde werk doen : bedelen, zieken verzorgen, prediken in de kerken. Ignatius zelf trekt naar de kardinalen en vindt steun bij kardinaal Contarini . Zijn opvattingen over het kloosterleven baren eerst opzien en wekken tegenstand : een orde zonder pij, zonder koorgebed en zonder kapittel, dat kon gewoon niet. Maar Ignatius is een edelman; hij spreekt de taal van het hof en van het humanisme; hij en zijn gezellen zijn doctors van Parijs, zij leven als heiligen en prediken ijverig en met succes. Zij bouwen onmiddellijk een netwerk uit van relaties met de hoge kringen.

Ignatius' opvattingen omtrent een militante orde waren niet zo oorspronkelijk : zij waren ontleend aan het Enchiridion van Erasmus . Deze had de monniken gehekeld omwille van hun pij, hun observanties en regels, die niets te maken hadden met het geestelijke christendom.(17) "Als ge meent dat uw heil voortspruit uit het observeren van regeltjes en de Wet, dan zijt ge joden ", zegt hij, " en geen christenen". "Alleen wat die geestelijken zelf doen, dat menen zij juist te zijn, en van daaruit oefenen zij kritiek op anderen. En dan stelt men vast, dat zij niet eens iets weten over Christus, maar dat zij druipen van animale en droeve ondeugden; in het klooster zijn ze ongenietbaar en amper kunnen ze zichzelf verdragen, ijskoud wat de naastenliefde betreft, vlammend van woede, haatdragend, virulent met de tong, onovertroffen in het dragen van ressentiment, niet bereid om zich voor gelijk wat in te zetten, en zo totaal vervreemd van de volmaaktheid van Christus dat ze zelfs de meest gewone deugden niet bezitten, die men zelfs bij de heidenen vindt.., koppig zijn ze, onhandelbaar, twistziek, geil, walgend van het goddelijk woord, voor niemand gewillig, altijd kwaad vermoedend bij anderen, terwijl zij zeer goed staan met zichzelf.." Zo schildert Erasmus de clerus en de monniken, en daar tegenover zet hij het geestelijke Christendom : niet door wetten gebonden en regels, maar door de Geest. Zo wil Ignatius de Sociëteit. Hij wil niet dat de regels of richtlijnen, die hij geeft op straf van zonde zouden verplichten : alleen de geest is belangrijk.

Met deze ideeen en vermoedelijk met enkele belangrijke argumenten zoals de nood in de Kerk van een gedisciplineerd leger van militante clerici brengt Contarini hem bij paus Paulus III . In 1538 heeft Ignatius te Frascati een onderhoud onder vier ogen met deze paus. Daar klikt het.

In 1541 krijgt hij een kerk en een huis nabij het Capitool, het centrum van Rome : de kerk van Maria della Strada . Al heel gauw komt er een grote, prachtige kerk, gefinancierd door kardinaal Farnese : de Gesu , met als begin-architekt Michelangelo , en een residentie daarnaast waar Ignatius als Generaal zijn intrek neemt. Daarbij komt ook al heel vlug het Collegium Romanum in de onmiddellijke nabijheid van de Gesu (later aangevuld met de kerk San Ignazio ), een vormingshuis met humaniteiten, filosofie en theologie.

Als bij toverslag stromen de giften toe : veel biechtelingen uit de hogere kringen schenken hun vertrouwen aan de beginnende Sociëteit. Ignatius is te Rome nu "un santo " geworden en wordt geraadpleegd als biechtvader. Hij is tegelijk een mode-verschijnsel. Hij weet de show te organiseren. De Sociëteit van Jezus is nu geboren. Langs alle kanten melden zich kandidaten. Er komen noviciaten, vormingshuizen, colleges. Alles is groots en hij verwerft machtige steun. Overal duiken weldoeners op, grote erfenissen vloeien toe, subsidies van koningen en steden. Men zou de indruk kunnen krijgen, dat Ignatius zich alleen interesseert aan geestelijke zaken en de organisatie van zijn Orde, niets is minder waar. In 1552 vat Ignatius, als Generaal van de Orde, het plan op een Eurovloot te bouwen van 200 tot 300 oorlogsbodems om de Turken te bestrijden onder het bevel van de Keizer. - Waar is de tijd, dat hij ze wilde bekerenˇ? - Dit plan werd voorgelegd via de vice-koning van Sicilie, Juan de Vega , aan Keizer Karel. De oude droom een groot bevelhebber en strateeg te worden zal nog wel eens de horens opgestoken hebben. Zo ziet men maar waartoe veel mediteren kan leiden. (Lag dit plan niet aan de basis van het opzet van Philips II de onoverwinnelijke Armada te bouwen om het protestantisme te verdrijven uit Engeland en de Nederlanden ?)

Men zou ook kunnen denken, dat Ignatius als Generaal heel wat beslommeringen had van materiele, organisatorische en strategische aard die hem beletten een intens geestelijk leven te leiden. Dan vergist men zich zwaar. Hij weet zijn geestelijk leven te binden aan de redactie van de Constituties van zijn Orde.

Doorheen zijn geestelijk dagboek hebben we een goed idee van wat er op dat terrein zoal omging in het brein van Ignatius.

Elke dag schrijft hij met grote zorg zijn geestelijke vertroostingen op minutieus noteert hij al de bewegingen van zijn ziel, zijn tranen, zijn neiging tot wenen, hoe hij moet doen om als hij geen vertroosting heeft die terug op te wekken, hoe hij zich inspant om devotie te vinden, enz.(18) Men kan hieruit besluiten dat Ignatius voortdurend "high" wil zijn; zijn meditatie is voor hem een drug. Zij moet hem voortdurend de zekerheid geven, dat hij onmiddellijk door God geleid wordt, dat hij alleen Gods wil uitvoert naar de speciale beschikkingen van Gods raadsbesluiten. Het feit dat hij al deze gegevens opschrijft, ze laat lezen door anderen, (ze werden eerst gepubliceerd in 1892 door de la Torre S.J.), toont een man, die op een of andere manier poseert : hij poseert als heilige, en toont zich tegelijkertijd načef en vervuld met illusies. Let wel : al die devotie belet hem niet keihard op te treden om "verdachte" jezučeten met dozijnen buiten te gooien, en dat niet altijd om ernstige vergrijpen; het belet hem niet even keihard te onderhandelen over de stichting van colleges en hun fondsen, om ruime en luxueuze gebouwen te laten optrekken op de beste plaatsen in de grote steden, voorzien van grote "campagnes" of buitenverblijven.

In elk geval contrasteerde deze politiek nogal met de officieel-beleden "armoede" van de Sociëteit. Want overal verbreidde men de opinie dat de Sociëteit van aalmoezen leefde, geen vaste inkomsten of bezittingen had, alle diensten gratis verleende, terwijl men zichzelf logenstrafte door eigenaars te worden van enorme landgoederen en de inkomsten van talrijke renten te genieten. Zo zelfs dat de rijkdom van de Sociëteit ieders ogen ging uitsteken.

Hoe men tot zulke situatie kwam vertelt Ignatius in zijn dagboek. (Zondag 10 februari)ˇ: "Toen ik de keuzepunten overliep en (aan de Heer) de opdracht deed niets te bezitten, veel devotie en veel tranen... daarbij bleef ik steeds bij het besluit niets te bezitten; ik nam genoegen met de volbrachte opdracht; want bij het overwegen had ik veel klaarheid ondervonden en daarna enige verlichting van de Middelaars, en niet zonder schouwen. 's Avonds beraadde ik er mij over, of ik de hele rente, een deel ervan of niets zou aanvaarden; ik deed de opdracht van het "niets"; daarbij veel devotie, inwendige vrede en zielerust, met een bepaalde zekerheid of overtuiging dat de keuze goed was."(19) Het was ook het resultaat van een gedetailleerde overweging.(20) Tenslotte werd de definitieve tekst van de Constituties aangenomen : huizen en kerken van de Sociëteit mogen geen vaste inkomsten hebben waarover zij beschikkingsrecht hebben. De professenhuizen moeten van aalmoezen leven. Huizen en kerken mogen ook geen bezittingen hebben, met uitzondering van wat voor de vorming of voor het gebruik passend of noodzakelijk is. (Door de 31e Congregatie (1965-66) werden deze schikkingen aan de moderne toestanden aangepast). In feite komt dit hierop neer dat colleges en vormingshuizen wel bezittingen en inkomsten mogen hebben en door hun aalmoezen desnoods alvast de professenhuizen kunnen onderhouden. Alle vaste subsidies van de Overheid vallen natuurlijk niet onder het beschikkingsrecht van de Sociëteit. Een feit is dat Ignatius het zo begreep dat hij de stichting van een college weigerde als de fundatie niet voldoende was. Het hoogste beschikkingsrecht over alle goederen behoort trouwens aan de paus. Men kon dus volhouden dat de Sociëteit arm was en niets bezat waarover zijzelf kon beschikken. Heel belangrijk was dat men kon gaan bedelen bij aanzienlijken en rijken, d.w.z. relaties aanknopen en hun invloed gebruiken. Vreemd genoeg geeft Ignatius als reden voor de armoede aan : "Als men geen vaste inkomsten heeft, weerstaat men beter aan de wereldse hebzucht". En dit was het juist wat men verweet aan de Sociëteit : haar ongebreidelde hebzucht, haar geldhonger. Of was er dan toch van het begin af een dubbele waarheid ? Ongetwijfeld waren er grote kapitalen nodig om de vele colleges, vormingshuizen en residenties op te richten en te onderhouden; de snelle uitbreiding van de Sociëteit vereiste steeds meer, en wel stabiel kapitaal, dat moest gevoed worden uit vaste toelagen, vaste renten, vaste bezittingen. Dat kapitaal kon maar verworven worden door voortdurend te bedelen bij machtigen en rijken, en vooral via het Vaticaan en de overheden. Daarbij moest men kunnen tonen dat de Sociëteit inderdaad arm was en bovendien geld uitdeelde aan de armen, gratis haar apostolaat uitoefende en geen eigen voordeel beoogde. De toevoeging : "waarover zij beschikkingsrecht heeft" kan ruim gečnterpreteerd worden : is het niet in laatste instantie de paus, die dat recht heeft, aangezien de hele Sociëteit speciaal met hem verbonden is door de gelofte van de professen ? Dus is het juist dat de Sociëteit arm is en niets bezit. Als zij bezit, dan is dit louter om haar apostolaat te financieren : persoonlijk moeten de jezuieten bescheiden leven. Vanaf het begin zien we ook dat de "rijke" huizen belangrijke "aalmoezen" zenden aan de Generaal, die daardoor over een reserve beschikt waarmee hij armere huizen kan helpen of speciale missies financieren. Hieruit begrijpt men ook hoe noodzakelijk het was aan de professen een speciale gelofte op te leggen, waardoor zij zich verbonden nooit in te stemmen met gelijk welke verandering in het regime van de armoede. Daarom heeft men moeten wachten tot de 31e Congregatie eer daar enige beweging in kwamˇ: het werd namelijk in de moderne context onmogelijk nog trouw te blijven aan de oorspronkelijke wetgeving zonder aanpassing (cf. infra).

Ignatius, die bereikjt had wat zijn amnbitie hem voorschreef, stierf zonder de laatste sacramenten en zonder de pauselijke zegen. De dag vóór zijn dood vroeg hij Polanco, zijn secretaris, zich naar het Vaticaan te begeven en voor hem de pauselijke zegen te vragen. Polanco oordeelde dat dit best nog een dag kon wachten, omdat de post naar Spanje nog eerst moest verzonden worden. Dezelfde nacht (31 Juli 1556) van Donderdag op Vrijdag stierf Ignatius eenzaam.


  1. Lomer, p.55 : Iñigo zou slechts een korte tijd in een eigenlijke grot verbleven hebben. Hij verbleef vooral in het hospitaal S. Lucia en werd ook opgenomen in het klooster van de Dominikanen aldaar.
  2. A. Van Ortroy, Manrèse et les origines de la Compagnie de Jāsus. Analecta Bollandiana, 27(1908),p.409.
  3. Lomer, p. 55.
  4. Lomer, p. 94.
  5. Bell, p.51. Deze studie van 261 Italiaanse vrouwen toont aan hoe de anorexie beschouwd werd als een teken van heiligheid en niet als een ziekte. Het vasten had trouwens een betekenis van meesterschap verwerven over het lichaam en de zondige begeerten.
  6. Lomer, p. 69 : "Am auffälligsten sind sicherlich die Sinnestäuschungen. Und was an ihnen sogleich ins Auge springt, ist ihre grosse Einförmigkeit und PrimitivitĄt. Fast immer handelt es sich um optische Wahrnehmungen. Ignatius sieht einen Gegenstand, der einer Schlange gleicht und "gleichsam aus vielen Augen funkelt", sieht die "Tasten eines Klavichords", einen " weissen Körper, von dem Lichtstrahlen ausgehen", einen "glänzenden Leib von mittlerer GröŠe", eine "feurige Flamme", eine "Kugel" -- also ganz ungegliederte, sehr primitive Lichterscheinungen --- die mit dem, was sie nach seiner Meinung darstellen, dem Teufel, der Dreieinigkeit, Gott, Jezus, dem heiligen Geiste, nach unseren Begriffe auch nicht das geringste zu tun haben".
  7. Lomer, p. 112.
  8. Lomer, p. 70.
  9. "Quod si litteras expetes, ut illis adjutus, Christum in arcanis litteris latentem clarius perspicies, perspectum ames, cognitum atque amatum communices, aut fruaris, accinge te ad studia litterarum".(Erasmus, Enchiridion, canon IV).
  10. Ignatius van Loyola, Het verhaal van een pelgrim. Nijmegen,s.d.,p.65.
  11. Cf. ook : R. Garcia Villoslada, Loyola y Erasmo. Madrid, 1965; voor het hele leven van Ignatius : R. Garcia Villoslada, San Ignacio de Loyola. Madrid, 1986. "Singula vitiorum genera singulis quasi declamationibus dissuadere, atque ad his oppositas virtutes adhortari" Ench.13.
  12. Ench. VIII,6.
  13. Ench. VIII,6.
  14. Ench. VIII,can.V.
  15. Ench. VI.
  16. Lomer, p. 142, heeft ook deze hysterisch aandoende tendens opgemerkt voor theater en show.
  17. Ench. VIII, can.V.
  18. " 23. Zondag (24 februari) -- In het gewone gebed vanaf het begin tot en met het einde, inwerking van diep inwendige en zoete genade, vol warme en zeer zachte devotie. Bij het voorbereiden van het altaar en bij het aantrekken der misgewaden, kwam mij de naam van Jezus voor de geest; hierbij veel liefde, een gevoel van bevestiging en een versterkte wil Hem te volgen, met tranen en snikken. Gedurende heel de Mis, langdurige zeer grote devotie en veel tranen, waarbij ik meermalen de spraak verloor; alle uitingen van devotie en alle gewaarwordingen richtten zich op Jezus, zonder dat ik ze op de andere personen kon afstemmen, tenzij in zover de eerste Persoon de Vader was van zulke Zoon; en hierop dan de antwoorden in de geest: wat een Vader en wat een Zoon!.. Gedurende heel deze tijd was er in mij, bij het waarnemen of het zien van Jezus zulk een liefde dat het mij toescheen dat er voortaan niets meer zou kunnen voorkomen dat in staat zou zijn mij van Hem te scheiden of mij aan de ontvangen genaden of de verkregen bevestiging te doen twijfelen." Ignatius van Loyola, Geestelijk Dagboek. Tielt, 1953,p.36-37.
  19. ibid.,p.19.
  20. ibid.,p.60-61.



Links

De Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola

De Cadaver-discipline van de Sociëteit

De humane vorming van de Jezuïeten

De geheime onderrichtingen van de Jezuïeten of De Monita privata

Homepage of the Psychological Laboratory (Leuven)




Dr. Herman H. Somers
Send e-mail to herman.somers@skynet.be