-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Verworven expertise
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het aandeel van de verworven
kennis en ervaring, van de rijkdom aan informatie, is groot zelfs bij
hoogbegaafden wil men bereiken dat zij tot uitzonderlijke prestaties in staat
zijn. Tot nu toe was de aandacht vooral
gevestigd op de natuurlijke begaafdheid.
Maar het is duidelijk dat deze begaafdheid alleen niet voldoende
is, - er is slechts een correlatie van .15 tussen het IQ en latere buitengewone
prestaties,
- daarom is men er meer recent veel aandacht gaan besteden aan de
predictie van buitengewone performanties in verscheidene domeinen. Vooral de
studie van de schaakspelers was hier in zwang. Men verliet de weg van de
begaafdheid, die slechts een klein deel zou verklaren van de variantie, voor de
analyse van de cognitieve taken, de wijze waarop de informatie verwerkt wordt
en de strategieën die aangewend worden bij de uitvoering van die specifieke
taken.
De oplossing van complexe
taken vereist normaal de organisatie van verschillende cognitieve subfuncties
en subprocessen.
Men spreekt hier van metacognitieve competenties.
Het zou neerkomen op:
a: de identificatie van het
eigenlijke probleem;
b: de planning van een
effectieve oplossingsstrategie;
c: de keuze en planning van
een effectieve actiestrategie;
d: de selectie van een
mentale voorstelling van de informatie, die passend is voor het probleem:
verbaal, symbolisch of picturaal;
e: de efficiënte verdeling
van de aandacht;
f: de controle van alle
probleemoplossende activiteiten.
Deze explicitering van de
vereisten voor de oplossing van complexe problemen is evenwel te algemeen en te
vaag om zeer nuttig te zijn.
Want het is duidelijk dat de
onderliggende voorwaarde van een goede realisatie van deze vereisten een
substantiële basis van gespecialiseerde informatie is, en nog meer de
competentie om nieuwe en oude informatie uit het geheugen te mobiliseren en te
combineren. Men noemt dit efficiënte informatieprocessing. De transformaties
die moeten gerealiseerd worden zijn: abstractie, het ontdekken van structuren,
het anders ordenen, het herkennen van informatie in een andere context, het
snel overschakelen van één soort informatie naar een andere, het tolereren van
voorlopige en onvolledige oplossingen.
Eerst moet opgemerkt dat
voor de studie van de informatieprocessing zeer specifieke expertise moest
gekozen worden, die men gemakkelijk kon bestuderen: daar was dan schaken,
voetbal, tennis en dgl. Men deelde het aantal proefpersonen in als
beginnelingen (novicen), gevorderden, subexperts en experts. Men vond dat
experts veel gemakkelijker bepaalde constellaties van informatie-elementen
(chunks) konden herkennen en onthouden dan beginnelingen. Zij konden die
sneller verwerken. Zij ontwikkelden ook bepaalde verwerkings
strategieën, die hun
mogelijk maakten adequater de problemen op te lossen. Maar het werd vooral
duidelijk dat die behendigheid vooral een gevolg was van een intense praktijk
en oefening, zodanig dat men ging negeren dat de oorspronkelijke begaafdheid
daar nog iets mee te doen had. Alles kon gereduceerd worden tot training en
oefening, best vanaf zeer jonge leeftijd, namelijk rond zeven jaar. Men schetste zelfs het verloop
van het bereiken van een grote expertise als volgt: eerst komt een periode van
speels kennismaken met het domein, het cognitieve stadium waarin men leert welke
de vereisten zijn van de taak, en welke elementen belangrijk zijn, en welke
niet. In het tweede stadium, het
associatieve, worden de intellectuele processen meer efficiënt, door bijv.
snelle toegang mogelijk te maken tot het lange-termijn-geheugen. Het derde
stadium is het autonome stadium, waarin de processen geautomatiseerd worden en
verlopen met een minimale bewustzijnscontrole. Het duurt zowat tien jaar eer
men het niveau van grote expertise bereikt.
Dit is al van ouds bekend:
een geleerde begint als een novice waarin hij alles moet leren omtrent het vak,
dan volgen een vijftal jaren waarin hij gespecialiseerde kennis en ervaring
verwerft, en na tien jaar is hij een echt expert. Volharding, concentratie en
arbeidskracht zijn hier belangrijke factoren.
Toch kan alles niet
gereduceerd worden tot training, oefening, praktijk. Veel hangt af van de
intensiteit en kwaliteit van de training en opleiding. En dan blijft
niettegenstaande alles een deel afhankelijk van de oorspronkelijke begaafdheid.
Zonder dit deel bereikt men niet het toppunt van de expertise.
Er zijn kwalitatieve
verschillen tussen de benadering door experts en die van beginnelingen, zelfs
voor problemen in de fysica. Beginnelingen werken bijv. vanuit het doel naar de
gegevens, experts werken vanuit de gegevens naar het doel. Een groot deel van
de verschillen tussen beginnelingen en experts kan dus eveneens verklaard
worden door kwalitatieve verschillen van denkstrategieën. Voor een deel kunnen
zij aangeleerd worden, voor een deel zijn zij afhankelijk van de begaafdheid.
Hoe groter de intellectuele begaafdheid, hoe sneller het subject de
verschillende stadia zal doorlopen en hoe hoger het peil dat het zal bereiken.
De zaken liggen echter niet
eenvoudig: toen de testen van creativiteit aan de orde kwamen, vond men geen
enkele correlatie tussen de prestaties op school en de schoolse vaardigheid, en
het resultaat van de creativiteitstesten.
Om de creativiteit te verhogen is het nodig een solide
achtergrond van informatie op te bouwen en een ruime voorraad aan
denkstrategieën.
Een bijzonder geval is de
hoge mathematische begaafdheid. Twaalf- tot dertienjarigen die 600 op 800
punten halen, hetzij 75% van de punten, op de gestandaardiseerde Scholastic
Aptitude test (Mathematics) (SAT-M) staan op een niveau van de top 11% van de
hogeschoolsenioren, en behoren tot de
bovenhelft van 1% van hun leeftijdsgenoten. Meestal scoren ze ook hoog op de
testen van verbale begaafdheid en op de performantieschaal. Ze gelijken erg op
elkaar wat betreft hun zelfwaardering, en hun zelfconcept. Hoger noemden we ze
de "slimme jongens". Opmerkelijk in deze groep is de superioriteit
van jongens wanneer het erop aan komt problemen en vraagstukken op te lossen,
terwijl meisjes, ten eerste in mindere getale de top bereiken, ten tweede iets beter
zijn in rekenopdrachten. Vooral in de spatiale vaardigheid zijn de jongens
beter.
Linkshandigen die ook immuniteitsstoringen vertonen en allergieën
zijn oververtegenwoordigd bij de subjecten die hoge scores bereiken. Dit wordt
in verband gebracht met de onevenwichtige ontwikkeling van beide hersenhelften,
die op haar beurt zou veroorzaakt worden door een overvloed van testosteron in
utero gedurende de zwangerschap. Deze overdaad van testosteron beïnvloedt de
groei van de hersenen door vertraging te veroorzaken in de ontwikkeling van de
linkerbreinhelft, en beïnvloedt eveneens de immune ontwikkeling. Dat zou meer
voorkomen bij jongens wegens de grote hoeveelheid testosteron die door de foetale testes worden afgescheiden. Maar
de overwegend ontwikkelde rechterbreinhelft is verbonden met een grotere
spatiale vaardigheid.
Dit zou kunnen uitleggen waarom in mathematische vaardigheid er
een onevenwicht is in de geslachten. En dit besluit nuanceert de vroegere
theorie dat tenslotte alleen training en oefening de basis zouden vormen van
hoge expertise in het vak.
De hele
Geschwind-Galaburda-theorie wordt echter sterk in twijfel getrokken.
De rol van testosteron op de ontwikkeling van de neuronale top (crest)
in het embryo is hoogst hypothetisch. Tevens is het niet duidelijk of
allergieën en andere ziekten gewoonlijk verbonden zijn aan linkshandigheid en
aan een speciale ontwikkeling van de rechterbreinhelft. Het is wel duidelijk
dat er een aantal aanwijzingen zijn, dat in speciale gevallen zulke verbanden
kunnen gelegd worden. Veralgemening is echter onmogelijk.
Specifieke kenmerken van
jonge kinderen die mathematisch begaafdheid vertonen op zeer jonge leeftijd
zijn de volgende
:
1° ze houden van getallen en
tellen, ze houden van getallenspelletjes.
2° ze zijn bijzonder vaardig
in vragen stellen, in argumenteren, redeneren, zij gebruiken veel partikels als
"omdat", "dus", "ofwel, ofwel",
"waarom".
3° ze maken of tekenen
patronen die symmetrie en balans vertonen.
4° ze zijn nauwkeurig in het
ordenen van hun speelgoed, bijv.
speelgoedwagentjes, gerangschikt volgens grootte, en dgl.
5° als ze voorwerpen of
documenten sorteren gebruiken ze gesofistikeerde criteria.
6° ze houden van figuurzagen,
puzzels, en dgl.
Deze kenmerken kunnen
samengevat worden als een voorkeur voor rigoureus denken. Men merke op dat bij
andere hoogbegaafden in plaats van de getallenspelletjes de woordspelletjes
zullen domineren en in plaats van de manipulatie van figuren de manipulatie van
woorden en ideeën. Dit laatste zal meer voorkomen bij de kinderen die we de
"verstandige" kinderen hebben genoemd.
.
Specifieke
problemen van hoogbegaafden
Een bijzonder moeilijke aangelegenheid
bij de selectie van hoogbegaafden is het feit dat zij soms signalen uitzenden,
tegengesteld aan diegenen die we verwachten en schetsten. Een aantal
hoogbegaafden zijn onderpresteerders (underachievers), d.w.z. dat de selectie
van hoogbegaafden door de normen van prestatie helemaal misleidend is. Dit
stelt dan weer de vraag: hoe herkennen we hoogbegaafden tussen de
onderpresteerders?
Whitmore stelde een lijst op
met erkenbare eigenschappen:
Begin met gedurende
tenminste veertien dagen het kind te observeren en stel vast of het de volgende
karakteristieken vertoont. Indien het tien of meer van de volgende trekken
vertoont, inclusief al diegenen die voorzien zijn van een asterisk, dan is
individuele toetsing aangewezen (WISC).
---- * lage performantie op de toetsen.
---- * blijft beneden of juist op de normen voor
het leerjaar in één of alle van de basisvakken: lezen, taalkennis, wiskunde.
---- * dagelijkse taken dikwijls onvolledig of
slordig gemaakt.
---- * uitmuntend begrip en geheugen voor
concepten wanneer het ervoor geïnteresseerd is.
---- * grote hiaat tussen het kwalitatieve peil
van het oraal en het geschreven werk.
---- uitzonderlijk breed
repertoire van feitelijke kennis.
---- levendige en creatieve verbeelding.
---- blijvend ongenoegen met
het gepresteerde werk, zelfs in de kunst.
---- schijnt het aanvatten
van nieuwe activiteiten te vermijden om onvolmaakte performantie te voorkomen;
duidelijk perfectionisme, autokritiek.
---- toont initiatief in het
nastreven van zelfgekozen projecten thuis.
---- * heeft een brede
waaier van interessegebieden, en mogelijk bijzondere "expertise" in
een domein van onderzoek en speurwerk.
---- * geeft blijk van een
lage zelfwaardering door de tendens tot afzondering of agressiviteit in de
klas.
---- functioneert niet op
een comfortabele of constructieve wijze in een groep van enige omvang.
---- vertoont een scherpe
gevoeligheid en waarneming wat betreft zichzelf, de anderen en het leven in 't
algemeen.
---- vertoont
niet-realistische zelfverwachtingen, stelt de doelen te hoog of te laag.
---- heeft een afkeer voor routinewerk en dril,
voor memorisatie en praktijk.
---- gemakkelijk af te leiden, onbekwaam om de
aandacht te vestigen en te concentreren op de taken.
---- heeft een
onverschillige of negatieve houding tegenover de school.
---- biedt weerstand aan de
pogingen van de leraar om het te motiveren of om het gedrag in de klas te
disciplineren.
---- heeft moeilijke
relaties met kameraden; behoudt weinig vriendschappen.
Collectieve
prestatie toetsen of intelligentie testen zijn volkomen onaangepast en moeten
vermeden worden.
Dit is om zo te zeggen het
negatief portret van de hoogbegaafde. Het is nochtans voldoende specifiek om het
mogelijk te maken een hele reeks probleemkinderen adequaat in twee klassen
onder te brengen: de hoogbegaafde onderpresteerders en de minderbegaafde
onderpresteerders.
Deze klasse van
hoogbegaafden behoeft meer zorgen wil men ze tot bloei brengen. Men zal niet
kunnen blijven stilstaan bij de uitslag van een WISC, maar er zal een volledige
diagnose nodig zijn.
De tot-het-individu-beperkte
diagnose is hier zelfs niet voldoende. Het onderzoek moet uitgebreid tot de
erfelijkheid en het familiaal milieu door een systeem analyse; het moet
vervolledigd door een onderzoek van de culturele background, het schoolmilieu,
de klas- en leeftijdsgenoten. Als men
te doen krijgt met een jonge moslim die zijn tijd verdoet aan een gedwongen van
buiten leren van de hele Koran, en niets anders mag leren of doen, dan begrijpt
men plots hoe extreem en acuut sommige situaties kunnen zijn. In vele gevallen
komt het voor dat de familie zelf de zwaarste hinderpaal vormt tegen de vrije
ontplooiing van het talent van de hoogbegaafde.
We vermeldden reeds terloops
enkele emotionele problemen bij hoogbegaafden. Het is belangrijk die emotionele
problemen te kennen die specifiek verbonden zijn met de hoogbegaafdheid en de
eventuele therapie of behandeling.
De kenmerken van
hoogbegaafden vormen een uniek patroon: zoals vermeld vinden we uitzonderlijke
vaardigheden, energie, creativiteit, een brede waaier van interesses, maar ook
hooggespannen verwachtingen. Daardoor zijn ze veel kwetsbaarder, hebben een
nood aan aanpassing aan een omgeving die minderbegaafd is, en staan onder druk,
meer specifiek zijn ze onderhevig aan stress. Hun eigen belevingswereld wordt
door hen met verhoogd bewustzijn inwendig en holistisch beleefd, d.w.z. in zijn geheel, zonder veel onderscheid van de
verschillende elementen.
De stress, die zij
ondergaan, wordt verhoogd door de verwachtingen van anderen, dat zij bekwaam
zijn om met die stressvolle situaties om te gaan, dat zij in alle
omstandigheden goed presteren, dat zij altijd snel en juist reageren, en zich
altijd uitmuntend gedragen. In die omstandigheden zullen hoogbegaafden die
verwachtingen introjecteren en tot onrealistische verwachtingen over zichzelf
komen.
Als men dit patroon ontmoet moet
er ingegrepen worden. Zoals reeds vermeld, door individuele en zorgvuldige
toetsing. De uitdagingen en verwachtingen moeten realistisch omgebogen worden,
er moeten prioriteiten gesteld op basis van waarden en de besluitvorming moet
geanalyseerd.
De tweede
stap bij het ingrijpen is de analyse van de relatie van de hoogbegaafde tot de
kring waarin hij leeft.
De hoogbegaafde leeft in
nood van begrip, van evenwaardige kameraden en vrienden. Zijn vriendschap wordt
gekenmerkt door een grote gevoeligheid, intensiteit, empathie. Voor jongens kan
dit aanleiding geven tot zekere vrouwelijke kenmerken, en voor meisjes tot
mannelijke kenmerken. Die nood is zo groot dat hij aanleiding geeft tot een
zekere aliënatie of isolatie. In 't algemeen is de hoogbegaafde idealist.
Ook dit patroon veroorzaakt
stress: de hoogbegaafde voelt mee met zijn leeftijdsgenoten, identificeert er
zich mee en dit geeft aanleiding in
zijn belevenis tot een vervreemdende spanning. Hij gaat zichzelf kritiseren
en desnoods verwijten toesturen, hij beoordeelt ook de anderen en kan zich aan
hen ergeren. Hij merkt hoezeer zijn eigen vaardigheden verschillen van die van
anderen. Dit zelfbewustzijn is intens en kan emotionele overload verwekken.
Komt daarbij dat sommige ouders gaan overinvesteren in het kind, het proberen
op te fokken of onrealistische verwachtingen koesteren. Voor meisjes kunnen de
traditionele opvattingen over de rol van de vrouw een hinderpaal vormen als zij
zich te intellectueel wil ontwikkelen.
De ingreep voor dit patroon
zal vooreerst de tegenwoordigheid omvatten van een begrijpende en bekwame
vertrouwenspersoon. Deze zal vooral steun, aandacht en tijd geven. Hij zal de
ideeën van de hoogbegaafde leren ordenen. Hij zal de hoogbegaafde doen
begrijpen dat het noodzakelijk is te aanvaarden dat anderen verschillend zijn,
en dat hij zich ook aan minderbegaafden zal moeten aanpassen; hij zal hem
helpen actief kameraden en vrienden te zoeken die hem passen, hij zal dat ook
doen voor de ouders die ook aangepaste vrienden en kennissen nodig hebben. In
de meer actieve therapie zal hij de hoogbegaafde inleiden in de techniek van
het rollenspel, waarbij deze de situatie van anderen zelf leert inleven. Zo
nodig zal hij hem behandelen voor een eventuele depressie, want het is niet
ongewoon dat een hoogbegaafde ontmoedigd geraakt, zich tegenover een muur van
onbegrip gesteld voelt, en geen uitweg ziet.
Andere
kenmerken van de hoogbegaafde worden veroorzaakt door zijn sterke drang tot
creatieve zelfexpressie.
Een hoogbegaafde streeft
naar vrijheid van handeling, vrij van autoritaire controle of gebondenheid;
daarom wil hij graag alles zelf organiseren en controleren; hij wil
uitzonderlijk goed presteren, is perfectionist; wil dit ook tonen.
Hij is echter onderworpen
aan de verwachtingen voor zijn leeftijd
en voor zijn schoolgraad. Hij zal dikwijls horen dat hij voor iets te jong is,
hij springt uit de band, hij probeert koppig zich uit te werken, hij voelt
ressentiment tegen uitwendige dwang en regels; hij is ongedurig tegenover zijn
kameraden.
De vertrouwensman zal hem
dan leren hoe hij zich een model van gedrag kan vormen, door een aangepaste
doelstelling, door te herkennen welke rol daarin de inspanning, het
ontwikkelingsproces, de zingeving speelt, door dit te individualiseren en aan
te passen aan het eigen tempo en te voorzien dat de betrokkene ook de
gelegenheid krijgt zijn vaardigheden te tonen en ze te valoriseren.
De aanpassing van de hoogbegaafde
aan de school en van de school aan de hoogbegaafde volgt ook specifieke regels.
De hoogbegaafde munt uit
door een grote rijkdom van woordenschat, manipuleert graag de taal, verwerkt
vlug alle informatie, onthoudt ze goed. Hij is gedreven en onafhankelijk in
zijn werk en zijn studie. Heeft een onderzoekende houding.
En dit brengt problemen
mee. Hij vertoont minder conventionele
interesses, houdt niet van routine en dril, verwerpt de plannen en voornemens
van leraren en ouders. Hij is ongeduldig
tegenover de traagheid van anderen. Dat gebeurt vooral omdat zij niet
onmiddellijk begrijpen waar hij heen wil. Hij verwekt daardoor ressentiment.
Hij geraakt ontgoocheld over de gezagsdragers.
Deze toestand kan maar
verholpen worden door een soepele, enthousiaste leraar, die gefocusseerde
versnelling van de leergang kan verwezenlijken gebaseerd op
prestatienormen. Hij kan ook de
leersituatie verbreden en ervaring van leren in samenwerking ontwikkelen. Hij
zal taken geven die zeer persoonlijk aangepast en gefocusseerd zijn, en zelfs
een voorlopig beroepsstreefdoel voorspiegelen.
Niet alleen de school ook
het hele milieu kan aangepast worden om in staat te zijn een hoogbegaafde
volkomen juist op te vangen. Eerst komen diepgaande en waardevolle relaties,
een gestructureerde discipline volgens een duidelijke natuurlijke logica; de
gevolgen van een overtreding of van negatief gedrag moeten op voorhand
vastgelegd, gemotiveerd en overeengekomen zijn. Familievergaderingen kunnen
daarbij helpen. Er moet zorg gedragen worden voor het fysische welzijn, het in
vorm zijn.
Opvallende gebreken van het
milieu zijn hier voortdurende kritiek en verwijten, inconsistente reacties van
volwassenen, bestraffing, wraak, vergelding, autocratische gezagsuitoefening,
verwaarlozing van fysisch welzijn en verzorging.
Daartegenover moet de
vertrouwenspersoon in plaats van de aandacht te vestigen op het probleem, de
aandacht vestigen op de oplossing; de zaken in een ander kader onderbrengen
(reframing), de betrokkene leren een creatief proces te initiëren van
probleemoplossing, te leren plannen
voor alle contingenties; keuzen leren maken. Daarbij kan komen hem te helpen
zijn conditie te verzorgen. Soms zullen relaxatietechnieken aangewezen zijn om
de stress te bedwingen. Hij moet in één woord de betrokkene leren in zichzelf
te investeren en voor zichzelf een model van gedrag uit te werken en te
realiseren. Door hem zodoende meer onafhankelijk te maken van zijn milieu zal
hij hem vormen tot meer persoonlijk en verantwoord gedrag.
De
begeleiding en therapie van hoogbegaafden vereist veel begrip en veel kunde.
Een goed
begrip van de oorsprong en de bestrijding van stress is hier onontbeerlijk.
Stress ontstaat voornamelijk
uit de perceptie van het individu. Van het ogenblik dat een situatie als
dreigend overkomt, en het subject ervaart zich onmachtig om adequaat de
situatie te bemeesteren, ontstaat angst, depressie, ontmoediging. Zoals we
gezien hebben zijn er veel elementen die de hoogbegaafde van buiten uit bedreigen.
Stress kan voortkomen van overstimulatie (overload) zowel als van
onderstimulatie (underload). Het gemis aan matching tussen de bekwaamheid, de
noden en de aspiraties van de leerling, met zijn omgeving, zijn vriendenkring,
zijn curriculum, de leergangen die hij moet volgen kunnen zulke overdruk of
onderdruk veroorzaken dat de hoogbegaafde verplicht wordt zich te installeren
in onderprestatie, om niet teveel op te vallen, om conform te blijven aan zijn
klasgenoten, om zich niet teveel last op de hals te halen. Vooral jongens
hebben hier moeite mee, op meisjes is de prestatiedruk van buiten uit veel
kleiner, zodat zij zich gemakkelijker kunnen installeren in een middelmatige
prestatie.
Zodra hoogbegaafden zich geïnstalleerd hebben in het onderpresteren
is het zeer moeilijk ze eruit te halen. Zij reduceren hun cognitieve
dissonantie tussen enerzijds hun inwendige energie en dynamisme, het bewustzijn
van hun eigen kunnen en anderzijds de onaantrekkelijke, weinig stimulerende
studie zonder groot resultaat door de voordelen van de gekozen weg te overdrijven tegenover de inspanningen die
de andere weg zou eisen. Deze techniek van stressreductie houdt hun prestaties
ondermaats. En dit verklaart waarom hoogbegaafden mislukken aan een
universiteit die vooral de nadruk legt op encyclopedische kennis.
Toch vloeien niet alle
problemen met hoogbegaafden voort uit de hoogbegaafdheid zelf. De redenen
waarom kinderen die behoren tot de hoge klasse van de begaafden (hogere 5%)
niet een prestatie neerzetten die eveneens op een zelfde niveau ligt, namelijk
behoort tot de hoogste 5%, zijn meestal te wijten aan uitwendige factoren,
zoals een lage socio-economische standing, fysische afwijking of zwakte,
ondervoeding, armoede, etnische en culturele factoren. Soms zijn er psychische
factoren zoals neurotische en zelf psychotische afwijkingen, emotionele
storingen te wijten aan stressvolle relaties met de ouders en de familie.
In dit opzicht hebben de
schoolprestaties van een kind heel veel te doen met de opvoeding thuis. Een
familieleven dat niet verstoord wordt door ruzies, door echtelijke breuk,
bevordert het evenwichtige ontplooien.
Het karakter van de vader en
de moeder beïnvloedt sterk de prestatiewil van het kind. Een sterk dominerende
vader verzwakt die wil, ook een vader waarvan het aspiratieniveau laag is. Soms
identificeert het kind zich meer met een andere vaderfiguur, als een leraar,
een oom, enz., uit een zekere vijandigheid tegenover de vader. Als vader en
moeder beiden autoritair zijn, dan verzwakt de wil van de zoon. Wanneer de
moeder toegeeflijk is, dan zal de dochter met lage prestaties tevreden zijn.
Er zijn drie types van zulke
kinderen: het agressieve, het teruggetrokken en het erratische kind dat nu weer
agressief, dan weer teruggetrokken is: men noemt dit een passief-agressieve
karakterstoring. Dit komt meer voor bij jongens dan bij meisjes.
McIntyre (1964) schetst de
karakteristieken van zulke kinderen: zij treuzelen, vertonen koppigheid,
pruilen, korzeligheid, uitstellen, inefficiëntie en dagdromen. Zulke kinderen
zijn soms eigenwijs en hatelijk; zij vechten niet rechtstreeks terug, maar
rebelleren door een vorm van nietsdoen. Zij lijken kalm, maar ze zijn vol
ressentiment, en zij schijnen eerder niet-geïnteresseerd, niet-gemotiveerd,
lui, zelfvoldaan, asociaal, en eenzaam.
Onderpresteerders komen ook
van families waar de ouders toegeeflijk zijn en overprotectief of onverschillig
en afwijzend.
Als de familie niet van een
hogere opvoeding heeft genoten, kan men moeilijk verwachten dat zij zeer open
zal staan voor hogere culturele ontwikkeling van de kinderen, soms komt hier
nog een anti-intellectualistische houding bij.
En zelfs als zij inzien dat hogere ontwikkeling hun kinderen kan ten goede
komen, dan ontbreekt veelal de kennis en de traditie om de kinderen te leiden
en te motiveren.
Veel talent gaat zo verloren
door de onwetendheid, de domheid en het gebrek aan ontwikkeling van hele lagen
van de bevolking.
Een laatste categorie
begaafden, die problemen ondervinden, zijn de begaafden met leerstoornissen
(gifted-learning disabled).
Het lijkt wel een grap begaafden te vinden bij kinderen die
stoornissen vertonen in het leren.
Zoals reeds gezegd wordt er dyslexie gevonden, deze kinderen kunnen
moeilijk leren lezen of rekenen. In tegenstelling met sommige hoogbegaafden die
dan een compensatorische begaafdheid in de visio-spatiale vaardigheden
vertonen, vinden we die hier niet zo uitgesproken. In de intelligentietest
vertonen ze evenwel een merkwaardig patroon. Zeer hoge scores in het verbale
domein (informatie, gelijkenissen) gaan samen met zeer lage scores op codering
en cijfergeheugen, iets meer dan middelmatige voor de performantietests.
Deze
specifieke categorie van onder
presteerders lijdt blijkbaar
aan heel specifieke neurologische trauma's in de linkerhemisfeer, die niet
beletten dat ook deze kinderen op zijn minst begaafd en zelfs hoogbegaafd
kunnen zijn.
Al deze feiten hebben ertoe bijgedragen
dat psychologen zeer voorzichtig zijn geworden bij de kwalificatie of
niet-kwalificatie van een kind als hoogbegaafd.
Bibliografie
Hoogbegaafdheid, een
probleem
Home page of the
psychological Laboratory