Prestatie als norm
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De psychologie en de
methodiek die ten gronde moeten liggen van een beslissing een bepaald kind of
jongere toe te laten tot een hogere cursus of een hoger curriculum kan dus heel
ingewikkelde technische problemen stellen. E. Hany voerde daarvan een
diepgaande analyse door.
Zeer terecht vestigt hij er
de aandacht op dat de beslissing een bepaald kind of jongere te aanvaarden of
te weigeren, afgezien of het een hoogbegaafde is of niet, valt onder wat de
wetenschap een decisietheorie noemt, waarbij moet rekening gehouden worden,
niet alleen met de materiële mogelijkheden zoals het voorhanden zijn van
geschikte leraren en middelen en andere opportuniteiten, maar ook met de
verliesfunctie voor het subject en voor de maatschappij bij een verkeerde
beslissing. Overigens moet men kunnen uitmaken, zoals gezegd, welke de
geschiktheid is van het subject voor die bepaalde studierichting, voor die
bepaalde cursus, voor dat bepaald curriculum.
Daarna is het noodzakelijk voor elk vak normen te bepalen, en een
scheidingsscore waarbij een subject aanvaard of afgewezen wordt. Op zichzelf is
dat geen gemakkelijke taak. Veelal in het gewone schoolsysteem eist men dat een
leerling hetzij de helft, hetzij 60% of slechts één derde van de punten haalt.
Maar er heerst zulke diversiteit in de quotering, dat deze eisen amper normen
kunnen genoemd worden. Men past dan technieken toe als de volgende: men deelt
de stof in, en dat is nogal aangewezen voor vakken zoals wiskunde, in kleinere
pakketten die gerangschikt zijn volgens groeiende moeilijkheid; men controleert
of een leerling een pakket meester is, dan eerst mag hij voortgaan met het
volgende. Men valt dus volkomen terug op het prestatieniveau van een leerling.
Zijn oorspronkelijke begaafdheid speelt slechts een bijkomstige rol.
In feite loopt de hele
discussie vast, omdat men geen of weinig onderscheid maakt tussen
leerprogramma's en scholen die aangepast zijn aan het gemiddeld niveau van de
middelmatige leerlingen, uitgebreider programma's en betere scholen die
aangepast zijn voor de begaafde en zelfs de meerbegaafde leerlingen, en
tenslotte de curricula die alleen voor zeldzame hoogbegaafden geschikt zijn.
Deze laatsten houden een uitzonderlijk individuele behandeling in van het
subject, en zoals we reeds aanstipten, is een individuele diagnose
onontbeerlijk. Hoogbegaafden behoeven ook een grotere vrijheid wat betreft het
leerprogramma. Sommigen moeten in de middelbare afdeling de vrijheid hebben
cursussen te volgen aan de universiteit, of vrijstellingen bekomen, zodat ze
zich kunnen wijden aan persoonlijke studie. De hoogbegaafde doet het rigoureuze
stramien van het schoolsysteem in zijn voegen barsten. Ook op de universiteit
moet een hoogbegaafde vrijuit kunnen evolueren zonder teveel gehinderd te
worden door vaste reglementen en opgelegde lesroosters. Hij moet kunnen zwelgen
in de wetenschap. De laboratoria moeten openstaan en verantwoord initiatief
verwelkomen.
Dat alles stelt een
bijzonder acuut probleem. Hoogbegaafden hebben ook nood aan leiding door
hoogbegaafden. Wanneer zij overgeleverd worden aan de strakke en beperkende supervisie
door minderbegaafden, dan verschrompelt hun vermogen, wordt het afgeleid en
tenslotte zwaar gehinderd. Want zowel de selectie van hoogbegaafden, als de
leiding ervan, zou onverwijld moeten toevertrouwd worden aan hoogbegaafden. En
daar zit het probleem. De schaarsheid van hoogbegaafden, die aan de top staan
of die kunnen leiding geven, is zo groot, dat er steeds minder kans is dat
hoogbegaafden aan hun trekken komen. En het systeem dat nu in voege is
bevordert niet voldoende de hoogbegaafden.
De erkenning van
hoogbegaafdheid moet het resultaat zijn van een diepgaande en zorgvuldige
diagnose, waarin alle elementen aan bod komen en alle factoren die een rol
spelen in de evolutie van een jonge geest. Men zal misschien opwerpen dat
hoogbegaafdheid toch zo evident is dat men er niet naast kan kijken. In sommige
gevallen wel, in andere en meer
gevallen niet. Er zijn successtories geweest, Norbert Wiener was er een, maar
vele anderen zijn veel minder gelukkig. En niemand zal ons komen vertellen
hoeveel hoogbegaafden van in de wieg gesmoord werden, of nadien. Heel dikwijls
vermoeden zelfs de ouders helemaal niets of reageren verkeerd. Zelfs in
relatief goede omstandigheden kan het heel lang duren eer de hoogbegaafde zelf
bewust wordt van zijn kunnen. Veelal neemt het hem een lange periode vooraleer
hij ontsnapt aan de zware druk tot conformisme die hij ondergaat. De pletwals
van de gelijkheidsdruk heeft zijn zelfimago zo vervormd, dat hij moeite heeft
om zich te ontworstelen aan een minderwaardigheidscomplex. Men moet begrijpen
wat het betekent voor een jonge geest steeds op zij gezet te worden als
onbenullig, als anders, zelfs als minderwaardig, niet de waardering te vinden
voor ideeën en prestaties die op zich zelf genomen uitzonderlijk zijn, wat het
betekent te leven in een gemeenschap waarin hij zich voortdurend ergert aan de
pertinente domheden die daar opgang maken en waartegen hij niets kan
uitrichten; voortdurend op het qui vive moeten zijn in de menselijke relaties
omdat het niet mogelijk is eerlijk van gedachte te wisselen, steeds gehinderd
te worden bij het realiseren van de eigen projecten. Hoogbegaafd zijn is geen
pretje. Het is zelfs verwonderlijk dat er nog zijn die doorstoten, meestal dank
zij een onblusbare ijver en energie en tenkoste van immense krachtinspanningen,
of uitzonderlijk bij de genade van een zeldzaam gelukkig toeval. Het
hoofdprobleem van de hoogbegaafde is het vroegtijdig erkend worden en het
zichzelf erkennen als dusdanig.
Het beste wat een
hoogbegaafde kan overkomen is tijdig een andere hoogbegaafde te ontmoeten, die
de mogelijkheden heeft om zijn beschermeling te promoveren. Dit was impliciet
de filosofie die vroeger aan de basis lag van de universiteit.
Naast de kwaliteiten die men
verwacht bij hoogbegaafden, kan men een lijstje plaatsen van eigenschappen van
minderbegaafden. Hoe herkent men een gemiddeld begaafde en hoe kan men hem
onderscheiden van een hoogbegaafde? Typische houdingen van middelmatig
begaafden zijn, vooral in de volwassenheid:
Zich houden bij
het zekere en welbekende.
Zich houden
aan wat "autoriteiten" beweren.
Voortgaan op
evidente indrukken, vooral als de oorsprong ligt bij machtige en belangrijke
instituten of personen.
Beslissingen
baseren op wijsheidsadagia die slechts een ver verband hebben met de eigenlijke
zaak.
Alle
suggesties weren, die niet een
onmiddellijke evidentie vertonen.
Alle personen
weren die niet-algemeen erkende opvattingen verdedigen.
Het is duidelijk dat aan
deze houding een diepere motivatie aan de grond ligt: namelijk een behoefte aan
zekerheid, veroorzaakt door een innerlijke twijfel aan eigen capaciteiten. Deze
wordt begeleid door geldingsdrang vooral bij personen, die opgeklommen zijn tot
een zekere machtspositie, bijv. professoren, die verondersteld worden competent
te zijn. Dezen zijn het die een hoge borst opzetten, en geen tegenspraak of
kritiek dulden. De vrees om originele oplossingen uit te moeten denken voor
moeilijke en onbekende situaties of problemen, doet hen wijken naar veiliger
posities. Zij hebben de neiging te ontwijken, te vluchten.
Een hoogbegaafde houdt van
zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Hij wenst vrijheid van handelen, omdat
hij weet hoe hij gewoonlijk gehinderd wordt door de interferentie van minder
begaafden. Hij wenst zelf verstand te investeren in de dingen die hij doet.
Uitvoeren zonder te weten waarom het zo moet is niet aan hem besteed. Dat soort
werk staat hem tegen en verveelt hem. Hij houdt van taken waarin hij initiatief
en vernuft kan tonen. Eenmaal dat hij een taak onder de knie heeft, kijkt hij
uit naar nieuwe uitdagingen. De middelmatige integendeel houdt van taken
waarbij hij zo weinig mogelijk zelf verantwoordelijkheid moet nemen, waarbij
hij alleen vaststaande regels moet toepassen, en die hem goed bekend zijn. Hij
wordt overspannen in situaties waarin zijn bevoegdheid niet precies afgebakend
is, waarin hij gezond verstand moet gebruiken en waar beroep gedaan wordt op
zijn eigen oordeel. M.a.w. de minderbegaafde is de ideale ambtenaar. Rechters met
een middelmatige begaafdheid verschansen zich achter reglementen, wetten,
gebruiken en passen die soms letterlijk toe. Vooral vrouwen hebben die neiging.
Deze gemiddeld begaafden
schijnen steeds gelijk te hebben, omdat zij steunen op expliciete regels en die
nauwkeurig toepassen. Zo hebben agenten die niet veel meer doen dan
parkeerbonnen uitdelen altijd het recht aan hun kant. Zij kunnen daarbij alle
rechtsregels met de voeten treden. Zij moeten geen rekening houden met
mogelijke noodtoestanden, met omstandigheden waarin het onmogelijk is die
regels te observeren, met verschonende redenen.
Bij het zoeken naar daders
van misdrijven hoeven zij alleen rekening houden met opvallende sporen.
Intelligent speurwerk is meestal niet aanwezig. Zo komt het dat talrijke
misdrijven niet eens opgemerkt worden,
en de daders niet eens ontdekt. Want in deze gevallen is persoonlijke inzet,
tezamen met intelligente analyse en hogere integratie nodig. En dat is aan hen
niet besteed.
Hoogbegaafden zijn in staat
nauwkeuriger te onderscheiden, vlugger te identificeren, en juister te
oordelen. Zij bekijken, als men wil, de situatie door een vergrootglas.
Allerlei details merken zij op, en zij weten die te waarderen en te doen
gelden. Vandaar dat hun oordeel over een situatie in een belangrijk aantal
gevallen totaal zal verschillen van het
oordeel over dezelfde situatie door een gemiddeld begaafde. Daarom zal de
vorming van beslissingen onder invloed van die nauwkeurige perceptie verschillend
zijn en sneller verlopen.
De wereld der hoogbegaafden
is aanzienlijk rijker en genuanceerder. Daarom zijn hoogbegaafden moeilijker te
begrijpen dan middelmatig begaafden die handelen volgens de welbekende normen
en lopende opvattingen.
Hoogbegaafden zitten
dikwijls gekneld tussen hun eigen bewustzijn de situatie beter te kennen en ze
correct te kunnen inschatten en de lopende meningen die hun ongelijk geven. Dat
was het geval met Pasteur, Galilei, Freud, Galois, Jenner, von Spee, Edison.
Elk in zijn domein WIST dat hij juist oordeelde, en dat de anderen het verkeerd
voor hadden. Maar zij botsten allen op de middelmatige intelligentie van hun
tijdgenoten en zelfs hun collega's.
Nog niet zo heel lang
geleden mocht men niet, als men niet wilde aangezien worden als een dwaze
fantast, de mening opperen, dat de mens wel eens op de maan zou wandelen. Dat
was al voldoende om opzij gezet te worden voor een benoeming.
Zeer opmerkelijk is dat
vooral de media de verbreiders zijn van de oppervlakkige indrukken, de algemeen
verspreide meningen, hoe vals die ook mogen zijn. Zij zondigen vooral door het
feit dat de informatie die zij geven slechts partieel is en onvolledig, en
daardoor een vertrokken beeld schetst van de werkelijkheid. Zelden dringen zij
door tot de echte redenen van een gedrag, tot de echte oorzaken van bepaalde
gebeurtenissen. Om zgn. objectief te zijn geven zij gewoonlijk de opposiete
stellingen van twee meningen, en verzwijgen de ware toedracht en de waarde van de argumenten die worden
aangevoerd. Dat is het troebele medium waarin hoogbegaafden moeten rondzwemmen.
Komen zij met afwijkende argumenten en inzichten, dan worden ze gewoon
weggevaagd. Volgens de meerderheid zijn die niet ter zake en hebben die geen
betekenis.
Opmerkelijk is daarbij dat
het hier gaat om een echte machtsstrijd. De middelmatige intelligenties voelen
zich bedreigd door de hoogbegaafden, en doen beroep op de meerderheid om die
concurrenten te onderdrukken en ze het spreken te beletten. Dit is de
eeuwenoude politiek van de Kerk, het burgerlijk gezag, de administratie. Zij
willen slechts hoogbegaafden, als zij die volledig kunnen benutten in hun
dienst of toevallig hard nodig hebben. Maar welbegrepen, steeds in
ondergeschikte positie.
Het merkwaardige daarbij is
dat hoogbegaafden gewoonlijk niet heel veel ambitie hebben. Zij zijn niet zo
geïnteresseerd in het vergaren van geld en macht. Zij willen gewoon meer en
beter weten, meer inzicht in de dingen. Dat interesseert ze. Daar gaat hun
volle aandacht naar toe.
Het gevolg is dat zij in
tegenstelling met mindere collega's moeilijk hun vondsten weten te verzilveren,
minder pretentieus zijn, minder geldingsdrang manifesteren en daardoor ook
minder bekendheid verwerven. Het zijn vaak bescheiden, rustige geesten, die
door een gebrek aan opportunisme verhinderd worden hun volle kunnen te
ontplooien. Aan de top van de intelligentieschaal zijn ze ook eenzamer. en hoe
hoger ze staan, hoe eenzamer ze worden.
Zij hebben het moeilijk om te communiceren met collega's, omdat ze enerzijds
moeilijk begrepen worden, anderzijds zelf moeilijk de gemiddeld begaafden
begrijpen. Ze kunnen het maar niet gewoon worden, dat anderen niet inzien wat
voor hen zonneklaar is. Zelfs al geven zij zich de moeite om zo helder en
duidelijk alles te verantwoorden en uit te leggen, toch preken ze dikwijls aan
doven, en hebben ze het gevoel hun parelen voor de zwijnen te werpen. Sommigen
vervolgen dan maar hun eenzame weg. Zij sluiten zich op in hun eigen wereld,
waarin zij noodgedwongen beperkt en vernederd verder vegeteren. Sommigen lijden
daaronder, anderen blijven tevreden met hun eigen verworvenheden, en leven
verder in het bewustzijn te midden van een krankzinnige wereld te vertoeven,
waar het volkomen nutteloos is er iets aan te willen doen. Je kan het de
meerderheid toch niet kwalijk nemen dat ze dom is. En wat wil je er druk om
maken. Er is niets te doen tegen de middelmatigheid van de meerderheid.
En toch, al degenen die
bewust worden van deze situatie, zouden kunnen samenzweren, om doelbewust te
streven naar machtsposities, waarin zij in staat zouden zijn alleen
hoogbegaafden te bevorderen. Daardoor zouden zij de macht ontnemen aan de
middelmatigen, m.a.w. ze op de plaats zetten waar zij horen. Aan de
schandelijke usurpatie van macht waaraan de middelmatigen zich schuldig maken
moet zodoende een einde komen. In de politiek zien we onverantwoordelijke
regeringsleiders hun volk in de ellende storten, zonder erbarmen en zonder
wroeging, in het beleid zien we elke dag schadelijk en schandelijk favoritisme
onbekwamen in posities benoemen waar ze alleen ellende kunnen brengen aan de
onderdanen, elke dag zien we uitbuiting en kortzichtig geldbejag heersen in
alle geledingen van de staat. De grond van de zaak is een gemis aan werkelijke
begaafdheid, omdat dat gepaard gaat met kortzichtig geldbejag, eigenzinnig en
koppig vasthouden en najagen van macht. Hoogbegaafden zien beter de
verhoudingen, kunnen beter relativeren, zien beter de gevolgen op lange
termijn, en kunnen complexe situaties beter beoordelen en integreren. Normaal
zijn ze ook betrouwbaarder, en minder toegankelijk voor corruptie. Ze zijn
eerlijker, omdat ze minder nood hebben aan leugens om zichzelf te handhaven.
Hoogbegaafden staan daardoor
ietwat aan de zijde van de weg die de maatschappij rondom hen volgt. Zij volgen
de stroom niet of roeien zelfs tegen stroom in. In die zin moeten ze ontzien en
beschermd worden. Ze dreigen meegesleurd te worden door de grote modderstroom
van de middelmatigen.
Zij vertegenwoordigen
nochtans de hoogste waarden, de waardevolste inzichten en de stevigste kennis.
Het is waanzin daarmee lichtzinnig om te springen. Je kan het de maatschappij
niet ten kwade duiden dat zij niet beseft welk kapitaal zij vergooit als zij
hoogbegaafden zeggenschap ontneemt, als zij hoogbegaafde kinderen in pakken
dwingt die voor hen veel te klein zijn, als zij hun snelheid tot traagheid
verlaagt, als zij ze afwendt van de objectieven die hun liggen en interesseren,
om ze in de matrijs van de doorsnee te pletten.
Dit is echte
kindermishandeling, en strijdig met de Rechten van het Kind, omdat elk kind
recht heeft op de mogelijkheid tot maximale ontplooiing van zijn
begaafdheid. En de maatschappij heeft
daar ook recht op. Omdat elk kind zijn bijdrage moet leveren tot die maatschappij.
De belangrijkste reden
waarom een hoogbegaafde anders en beter is, is het feit dat hij anders denkt
dan minderbegaafden. Bij benadering van die denkpatronen,
"insightskills", vinden we vooral een grotere volledigheid en rijkdom
van de informatie en daarin het onderscheiden van wat essentieel en bijkomstig
is, dan volgt het zoeken naar verbanden en het toetsen van alternatieve
hypothesen.
Meer en meer gaat de
psycholoog zoeken naar de eigen denkprocessen, die aan de basis liggen van de
denkcapaciteit van hoogbegaafden. In plaats van de psychometrische IQ-bepaling,
met de erkende tekortkomingen, zoekt men de informatieverwerkende processen te
identificeren. Enkele daarvan kan men als volgt kenschetsen: in de eerste
plaats is er de "selective encoding",
of het ontdoen van een probleem van alle irrelevante bijkomstigheden en het
zich concentreren op de kern van de vraag. Dit wordt gevolgd door
"selective combination", m.a.w. in een eerste stadium moet men alle
stukken informatie bijeen hebben, in een tweede moet men weten hoe ze in elkaar
passen of weten welke in elkaar passen. Stel u voor dat men een hele reeks
puzzelstukken krijgt, die niet allemaal tot één puzzel behoren. Eerst moet men
diegenen uitzoeken die behoren tot de puzzel die moet opgelost worden, daarna
moet men uitzoeken hoe die stukken in elkaar passen. Een derde bewerking is de
"selective comparison". Het deel van het probleem dat men ontdekt
heeft, moet nu tot verklaring en begrip gebracht worden door het in te passen
in het grotere geheel van kennis. Men situeert het probleem in zijn ruimere
context, en begrijpt daardoor het belang van de oplossing.
Men kan nu
door speciale tests diegenen gaan uitzoeken die spontaan zulke vaardigheden
vertonen.
De hele vraag is of dit
"anders denken" niet kan aangeleerd worden en gedeeld door
meerbegaafden bijv. Deze vraag betreft de verwerving van "expertise".
Verworven expertise
Home page of the
psychological Laboratory