Whitmore en anderen

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De vragenlijst van Whitmore is soberder en pertinenter.

Zij onderscheidt primaire identificatie-elementen en secundaire identificatie-elementen.

 

 

 

Primaire identificatie-elementen:

 

 

 

Het kind leert snel en gemakkelijk, zodra het geïnteresseerd is.

 

Toont uitzonderlijke cognitieve kracht om te leren, te onthouden en de kennisinformatie te gebruiken.

 

Gevorderde behendigheid bij het oplossen van problemen, wordt uitgedaagd door problemen die moeten opgelost worden, gebruikt verworven kennis en hogerstaande redeneringstechnieken om complexe praktische en theoretische vraagstukken te benaderen en op te lossen.

 

De spraak  bevat een gevorderd vocabularium, dat op een aangepaste wijze gebruikt wordt in een complexe taalstructuur.

 

Ongebruikelijk begrip van complexe en abstracte ideeën, ontwikkelt en werkt ideeën uit op een onverwacht niveau.

 

Hoog niveau van onderzoek, de kwalitatieve natuur van opgeworpen vragen en onderwerpen die interesse wekken en een volgehouden nieuwsgierigheid.

 

Uitzonderlijke denkkwaliteit zoals ze geopenbaard wordt door de taal en de vaardigheid tot het oplossen van problemen, merkwaardige manipulatie van abstracte symbolen en ideeën, inbegrepen het waarnemen en het manipuleren van de betrekkingen tussen ideeën, gebeurtenissen, mensen; formuleert beginselen en veralgemeningen door overdracht van het aangeleerde doorheen situaties en gebeurtenissen, denkt en redeneert om inzicht te verwerven en oplossingen voort te brengen.

 

 

 

Secundaire identificatie-elementen

 

 

 

Hoogcreatief gedrag bij het voortbrengen van ideeën, dingen, oplossingen; kan merkbaar creatief zijn en inventief (originaliteit); is gefascineerd door het spelen met  ideeën.

 

Een breed spectrum van interesse, in de grond zeer nieuwsgierig.

 

Een diep, soms uitputtend interesse in één of meer gebieden van intellectueel onderzoek.

 

Een intens verlangen naar kennen en begrijpen, naar het meesterschap van vaardigheden en interessante problemen.

 

Toont initiatief in het nastreven van "outside"-projecten en kan uitgewerkte hobby’s hebben die het zelf gekozen heeft, vertoont vindingrijkheid en een merkwaardige capaciteit tot zelfgestuurd leren, en dat mogelijkerwijze alleen in buitenschoolse activiteiten.

 

Geniet van zelfexpressie, bijzonder door discussie, maar ook soms doorheen de kunst.

 

Vertoont onafhankelijkheid in het oordeel, een tendens tot non-conformisme.

 

Vraagt de redenen of de uitleg voor gestelde eisen, limieten, ongewenste gebeurtenissen.

 

Neigt tot perfectionisme, tot strenge autokritiek, streeft naar hoge standaards voor prestaties, wenst uit te blinken en voort te brengen.

 

Toont een grote gevoeligheid en een hoger bewustzijn tegenover zichzelf, de anderen, wereldproblemen, kan menselijke zwakheden moeilijk verdragen.

 

 

 

Het moet reeds duidelijk zijn uit de lectuur alleen al van deze lijst, dat ook hier een dergelijke concentratie van hoedanigheden slechts mogelijk is in een zeer geprivilegieerd milieu. Daarom trof de kritiek dit zwakke punt zowel bij de intelligentietests als in andere criterialijsten, dat tenslotte alleen een bepaalde klasse overbleef, en dat vele andere hoogbegaafden uit de boot vielen als ze wel de natuurlijke begaafdheid hadden, maar niet het geluk tot een geprivilegieerde familie te behoren.

 

In 't algemeen ziet men een ontwikkeld en rijk vocabularium aan als een zeker teken van hoogbegaafdheid. Nu is het echter zo, dat in de officiële testen een schools of academisch vocabularium getest wordt. En het kan best dat een kind dat opgroeide in een café‚ en op straat, en een gewone school volgde, een heel rijk vocabularium kan hebben, maar niet van een aard die de pedagoog verwacht.  Eens in de straten van Leuven stootte ik plots op twee Antwerpse hoeren die elkaar luidruchtig aan 't uitschelden waren. Ik moet bekennen dat ik betoverd ben stil staan luisteren naar het pittigste, rijkste en hoogst pittoreske scheldproza dat ik ooit las. Hoogbegaafdheid is geen academisch privilege.

 

Ook zonder rijk ontwikkeld vocabularium kan een kind hoogbegaafd zijn, wanneer het een hoge visuele geometrische concrete verbeeldingskracht heeft, zodat het in meestal technische problemen spontaan inzicht vertoont. Het ziet hoe de zaken in elkaar zitten, weet verbanden te leggen, herkent de oorzaken. In een tijdvak waarin vooral de mechaniek overheerste, konden  deze talenten gemakkelijker ontwikkelen dan in een tijdvak waarin de elektronica de plak zwaait. Alles zal hier afhangen van het midden waarin het kind opgroeit, van de mogelijkheden die men het biedt, van de aanmoediging en begeleiding die het omringen. Het tijdvak der computers heeft vele computerfreaks doen verschijnen. Zij kunnen met een vrij beperkt budget en met een minimale scholing zichzelf vervolmaken tot echte experts. Zij kunnen zich uitleven, ontdekken, zelfs fratsen uithalen. Het is een gebied dat een bijna onbeperkte creativiteit toelaat. Zij ontwikkelen hier zelf nieuwe talen, nieuwe communicatiemiddelen, een geheel nieuwe dimensie van systeemanalyse en besturing.

 

Het ontdekken van de computers door de jeugd is een uitlaat geworden voor meer- en hoogbegaafden waardoor zij, bevrijd van de zware studie van taal en wetenschap, plots als in een spel, hun creativiteit en scheppingsdrang kwijt konden. De computer was niet alleen een uitlaat, het was ook een toegang tot vele andere domeinen, die plots interessant werden. De economie en het bankwezen waren bijv. bij uitstek toegankelijk, niet alleen om de computer van een bank te kraken, maar ook om zichzelf. Talrijke andere domeinen werden toegankelijk via de statistiek, om niet te spreken van de hele technische wetenschap van machine- en robotconstructie. Zelfs de oorlogvoering kwam in het bereik van deze nieuwe technieken. Kortom, voor de jeugd ging een hele nieuwe wereld open, zodanig zelfs dat de oude verbale kennis in de verdrukking kwam. De computerfreaks behoren tot die klasse begaafden, die wij de slimme jongens noemden. Het zou best kunnen dat absoluut hoogbegaafden na kennis te hebben genomen van het computerdomein toch verder zoeken naar een hogere integratie van het en hun weten, en met de slag zich zullen wenden naar andere domeinen die meer inzicht geven in het wezen van de mens, de maatschappij en de natuur.

 

 

 

Toen men zich in Amerika druk ging bezighouden met de opvang van meer- en hoogbegaafden, kwamen allerlei onverwachte problemen aan bod. Goed, men was bereid in beperkte mate een bijzonder onderwijs op poten te zetten voor hoger begaafden, maar dan kwam de vraag: wie toelaten tot dit bijzonder onderwijs, wie uitsluiten en vooral  op basis van welke criteria.

 Als men alleen het IQ aanvaardt, moet men dan iemand uitsluiten die bijv. 134 haalt en geen 135 zoals vereist? Anderzijds kent men de standaardfout van deze metingen, en moet men dus daarmee rekening houden. Tevens weet men dat het IQ geen volledige meting is. Het was dus duidelijk, dat men moest beroep doen op bijkomende criteria, zoals de schaal van Whitmore. Daarbij moest men evenwel het oordeel van de leraren betrekken, en nu bleek het, dat dit oordeel allerminst betrouwbaar was, althans wanneer de gebruikelijke vragen werden gesteld. Er was ook een belangrijke afwijking naarmate de leraren meer of minder ervaring hadden met meer- en hoogbegaafden, of langer in het vak stonden.

 

Men moest dus preciezere vragen stellen aan de leraren. En volgende schaal (Renzulli) is er een voorbeeld van.

 

 

 

Schaal voor de beoordeling van de gedragkarakteristieken van uitmuntende studenten (Renzulli & Hartman)

 

 

 

 

 

Deze schaal werd ontworpen om beoordelingen te bekomen vanwege de leraren omtrent de studie, de motivatie, de creativiteit en de leiderskwaliteiten van een leerling. Aangezien de vier delen van de schaal zeer verschillende hoedanigheden meten, mogen de scores van de vier verschillende schalen niet opgeteld worden.

 

 

 

Betekenis van de scores:

 

 

 

1. als de hoedanigheid zelden of nooit werd waargenomen;

 

2. als de hoedanigheid occasioneel werd waargenomen;

 

3. als de hoedanigheid  in belangrijke mate werd waargenomen;

 

4. als de hoedanigheid praktisch altijd werd waargenomen.

 

 

 

Verwerking der resultaten:

 

Tel de scores op in elke kolom van de schaal;

 

Vermenigvuldig het totaal van elke kolom met de wegingcoëfficiënt, die men vindt onderaan elke kolom;

 

Vul de gewogen scores in onderaan elke schaal. Tel ze op om het totaal van elke schaal te bekomen.

 

 

 

------------------------------------------------------------

 

 

 

NAAM:                                Voornaam:          Leeftijd:      

 

 

 

School:                                                                                                Leerjaar:

 

 

 

Leraar of persoon die dit formulier invult:

 

 

 

Hoe lang kent u dit kind?                                  Jaren:      Maanden:

 

 

 

------------------------------------------------------------

 

 

 

Eindtotalen : 

 

 

 

1° studiekarakteristieken:  ...

 

2° motivatiekarakteristieken:  ...

 

3° creativiteitkarakteristieken:  ...

 

4° leiderschapkarakteristieken:  ...

 

 

 

--------------------------------------------------------

Scores

 

                                             

1

2

3

4

                                                 

Deel I : studiekarakteristieken                                                                                                                                                       

 

1. Heeft een ongewoon geavanceerd   vocabula-

 

rium voor zijn leeftijd of zijn leerjaar,

 

gebruikt de termen op een zinvolle wijze,

 

heeft een verbaal gedrag dat gekenschetst

 

is door rijkdom van uitdrukking, uitwerking

 

en "fluency" (het vlot beschikken over een

 

aantal synoniemen

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Beschikt over een grote voorraad van informatie over een waaier van domeinen (ver buiten de gewone interessesfeer van jongeren van zijn leeftijd).                          

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

                                           

 

                                                                                                                                            

 

                                                                                                                            

 

3. Beschikt over meesterschap en snel oproepen van feitelijke informatie.

 

                                                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Heeft snel inzicht in oorzaak-gevolg-relaties, tracht het hoe en het waarom van de dingen te kennen, stelt een aantal provocatieve vragen (onderscheiden van vragen om zakelijke informatie); tracht te weten wat mensen bezielt.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

5. Heeft vlug greep op de basisbeginselen en kan snel generaliseren omtrent gebeurtenissen, mensen en dingen;  kijkt uit naar gelijkenissen en verschillen in gebeurtenissen, mensen en dingen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Is een scherpe en waakzame waarnemer, gewoonlijk  "ziet" hij meer of haalt hij meer uit een verhaal, een film, enz. dan anderen.

 

                                                                                                                                            

 

 

  

 

 

 

 

                                         

 

 

 

 

7. Leest veel uit zichzelf, gewoonlijk heeft hij een voorkeur voor boeken voor volwassenen, hij vermijdt geen moeilijk materiaal, kan een voorkeur vertonen voor biografie, autobiografie, encyclopedieën en atlassen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

               

 

 

 

 

                            

 

 

 

 

8. Tracht complexe dingen te begrijpen door ze op te delen;

 

voor zichzelf tracht hij door redenering tot klaarheid te komen; ziet logische en  gezond-verstand-oplossingen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

                                             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Som

 

                             

 

 

 

 

Gewicht

 

1

2

3 

4

                                          

 

 

 

Totaal     

 

      

 

 

 

 

                          

Deel I: karakteristieken van de motivatie        

 

 

 

1. Wordt opgeslorpt en werkelijk geëngageerd in bepaalde problemen of domeinen; is volhardend bij het afmaken van de taak (het is soms moeilijk hem te bewegen om een ander onderwerp aan te vatten).

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

2. Verveelt zich gemakkelijk bij routinetaken.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

3. Heeft weinig aanmoediging nodig om het werk door te zetten dat initieel zijn interesse gewekt heeft.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

4. Streeft naar volmaaktheid; heeft autokritiek;  is niet gemakkelijk tevreden over zijn eigen werk of zijn eigen snelheid.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

5. Geeft de voorkeur eraan onafhankelijk te werken, vereist weinig leiding van leraren.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Is geïnteresseerd in volwassenenproblemen zoals godsdienst, politiek, seks, ras, - meer dan gewoon voor zijn leeftijd.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

7. Is dikwijls assertief (soms zelfs agressief); koppig in zijn overtuigingen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

8. Houdt van organiseren en structuur te brengen in de dingen, mensen en situaties.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

9. Is zeer bekommerd over goed en slecht, juist en verkeerd; dikwijls beoordeelt hij en evalueert gebeurtenissen, mensen en dingen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

Som                                                                      

 

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                            

 

                                              Gewicht                                                                                               

1

2

3

4

                                                                                                                                                                           

                                            

 

 

¿

 

Totaal    

 

 

 

 

 

                                   

Deel III: creativiteitskarakteristieken

 

 

 

1. Vertoont zeer veel nieuwsgierigheid omtrent allerlei zaken; voortdurend stelt hij vragen over van alles en nog wat.

 

 

 

                                                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

                                             

 

 

2. Brengt een groot aantal ideeën en oplossingen voort omtrent allerlei problemen en vraagstukken; dikwijls zijn het ongebruikelijke, unieke, slimme antwoorden.

 

                                                                                                                            

 

 

 

  

 

 

 

 

                                         

 

 

3. Spreekt vrij zijn mening uit, soms radicaal en geestig als hij het oneens is.

 

                                                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

4. Hij neemt grote risico's, is avontuurlijk aangelegd en nogal speculatief.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

5. Vertoont veel intellectuele speelsheid, fantaseert, beeldt zich in: wat zou er gebeuren als...: manipuleert ideeën (verandert ze, werkt ze uit); is dikwijls bezig met het aanpassen; verbeteren, en veranderen van instellingen, objecten en systemen.

 

                                                                                                                                            

 

  

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

6. Vertoont een scherpe zin voor humor en ziet humor in situaties die niet geestig schijnen voor anderen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

7. Is ongebruikelijk bewust van zijn impulsen en meer open voor het irrationele in hemzelf (vrijere uitdrukking van vrouwelijke belangstelling bij jongens; meer dan normale drang naar onafhankelijkheid bij meisjes); toont emotionele gevoeligheid.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

  

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

8. Is gevoelig voor schoonheid, geeft aandacht aan de esthetische karakteristieken van de dingen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

9. Is niet-conformistisch; aanvaardt wanorde; is niet geïnteresseerd in details; is individualist; is niet bang om anders te zijn.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                             

 

 

 

 

10. Uit constructieve kritiek; wil geen autoritaire uitspraken aanvaarden zonder kritisch onderzoek.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

   

 

 

 

 

                                        

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Som                                                      

 

 

 

 

 

 

 

                                             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                            

 

 Gewicht                                                                              

 

 

 

1

2

3

4

 

 

                                           

 

 

 

 

Totaal        

 

  

 

 

 

 

                           

Deel IV: leiderschapkarakteristieken

 

 

 

1. Draagt goed verantwoordelijkheid; men kan op hem rekenen om te doen wat hij beloofd heeft, en doet het goed.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

2. Heeft zelfvertrouwen tegenover kinderen van zijn eigen leeftijd, evengoed als tegenover volwassenen;  schijnt op zijn gemak als hem gevraagd wordt zijn werk te tonen aan zijn klasgenoten.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Schijnt graag gezien bij zijn klasgenoten.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

4. Werkt goed samen met de leraar en zijn klasgenoten; neigt ertoe kibbelen te vermijden en is gemakkelijk in de omgang.

 

                                                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

5. Kan zich goed uitdrukken; heeft een goede verbale faciliteit en wordt over het algemeen goed begrepen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

                                            

 

 

 

 

 

6. Past zich gemakkelijk aan bij nieuwe situaties; is buigzaam in opvattingen en actie, en schijnt niet gestoord wanneer de normale routine veranderd wordt.

 

                                                                                                                                              

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

7. Schijnt te genieten van het gezelschap van anderen, is sociabel en verkiest niet alleen te zijn.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

8. Heeft de neiging anderen te beheersen als ze in de omgeving zijn, meestal leidt hij de activiteiten waarmee hij bezig is.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

9. Neemt deel aan de meeste sociale activiteiten in schoolverband;  men kan erop rekenen dat hij er is als er iemand is.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

 

 

 

 

10. Munt uit in atletische activiteiten; is goed gecoördineerd en geniet van allerlei soorten atletische spelen.

 

                                                                                                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                                                           

 

Som                                                                      

 

 

 

 

 

 

 

 

                                           

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                            

                                                Gewicht                                                                                                             

1

2

3

4

                                                                                                                                                                                            ³

 

                                           

 

                                                                                                                                            

 

 

 

                                             

 

 

Totaal          

 

 

 

 

 

 

                         

Als nu blijkt dat de identificatie van echte hoogbegaafden op veel praktische moeilijkheden stoot, begon men tenslotte te pleiten voor een meer realistische benadering: indien men bijzondere leergangen of curricula uitbouwde voor bepaalde klassen van leerlingen, dan moest men die leerlingen uitkiezen, die het meest kans maakten om in die curricula goed te lukken, en alles kwam dus neer op de goede predictie van voldoende prestaties. Een hoogbegaafde kon dus geweerd worden om de eenvoudige reden dat hij niet paste in die bijzondere cursus. En omdat men zelfs voor een dergelijke speciale predictie niet sterk stond, kwam Renzulli met een andere oplossing: de draaiende-deur-identificatie (Revolving-Door-Identification). Het kwam erop neer van een a-priori-identificatie bij middel van toetsen en testen over te stappen naar een a-posteriori-identificatie. Van het ogenblik dat een leerling zich aanbiedt om een geavanceerde cursus of curriculum te volgen in één of ander vak of domein kan men hem toelaten met dien verstande, dat, zodra blijkt dat hij ongeschikt is of niet de norm haalt, hij weer de deur uitgaat. Men stapt hier volledig af van het toetsen van de eigenlijke begaafdheid, en probeert die te reduceren tot zuivere prestatie.

 

Deze oplossing negeert een ander aspect van de zaak: tussen de leerlingen vindt men altijd overpresteerders en onderpresteerders. Er zijn leerlingen die, niettegenstaande een matige begaafdheid, deze toch weten te compenseren door een grote ijver en hard werken. Anderzijds zijn er hoogbegaafden, en regelmatig vindt men er zo, die blijvend onder hun vermogen presteren, zelfs mislukken waar minderbegaafden het toch halen. Dat is trouwens een van de redenen waarom men een grotere bekommernis moet aan de dag leggen om hoogbegaafden niet nog meer in de hoek te duwen en ze uit te sluiten uit meer gevorderde leergangen, die ze misschien zouden interesseren. Het feit alleen dat het mogelijk was dat aan een Galois en een Einstein zelfs de toegang werd geweigerd tot een hoger instituut spreekt boekdelen. Het is best mogelijk dat kinderen juist wegens hun hoge begaafdheid vanaf de lagere school reeds uitgesloten en vernederd worden, dat zij een tegenzin ontwikkelen tegen schoolse geleerdheid omdat zij daarin niet vinden wat zij nodig hebben, dat hun uitzonderlijke aanleg niet erkend en bevorderd wordt en dat zij daarom minder conventionele wegen moeten volgen.

 

 

Internet Links...

Prestatie als norm

Home page of the psychological Laboratory