--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Slim of verstandig
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Hoogbegaafdheid
doet zich dus voor onder allerlei vormen, van zeer specifieke naar zeer
algemene.
Daarom vond
men ook binnen de categorie van cultureel bevoordeelden opmerkelijke
verschillen.
Zonder in te gaan op al te
subtiele verschillen, kunnen we grofweg de hoogbegaafden classificeren in twee
categorieën.
Er zijn in de eerste plaats
diegenen die we de slimme jongens gaan
noemen; ze zijn snel van begrip. Daar onderscheiden we nog twee soorten: ten eerste: diegenen die goed omgaan met
abstracte begrippen en een grote taalkennis voor hun leeftijd bezitten, ten
tweede: zij die een goed begrip voor geometrische verhoudingen hebben en blijk
geven van geometrische en technische verbeeldingskracht. Zij zijn gewoonlijk uitstekende leerlingen
met zeer goede resultaten, en zij tonen een groter interesse voor bepaalde vakken,
zoals biologie, chemie, fysica, wiskunde, indien de lessen die nieuwsgierigheid
kunnen wekken en bevredigen. Deze hoogbegaafden vertonen een grote spontane
nieuwsgierigheid. Dit is de derde stap naar de hoogbegaafdheid. Na de goede
reproductiviteit en de creativiteit vinden we de spontane nieuwsgierigheid, de
nood om er het fijne van te weten.
Een typisch voorbeeld van
een slimme jongen is Edison.
Wegens de armoede van zijn ouders, die nochtans weelde hadden
gekend, was er niet eens geld om hem naar school te sturen. Zijn moeder, die
onderwijzeres was, moest hem zelf alles leren. Zij erkende de gaven van haar
zoon, en spoorde hem aan. Om bij te dragen in het huishouden ging Edison
kranten verkopen in de stations. Al vlug vond hij het middel om zelf een
krantje te drukken.
Op een dag redde de jonge
knaap het kindje van de stationschef op het nippertje van onder een aankomende
trein. Zo nipt was het, dat beiden met kracht tegen een kiezelhoop werden
gesmeten, en er gelukkig slechts lichte verwondingen aan over hielden. Uit
dankbaarheid leerde de stationschef Edison telegraferen. Dat was de start voor
een leven van uitvindingen. Het meest opmerkelijke is, dat telkens als Edison
een belangrijke technische vernieuwing uitdacht, hij aan de deur gezet werd van
de maatschappijen waarvoor hij werkte, meestal wegens het feit dat hij een
reglement had overtreden of zelfs eens een gevaarlijke fout had begaan, of na
een valse beschuldiging van een jaloerse chef. Edison leest veel, studeert
veel, experimenteert, en vindt. Gedreven door een inwendige nood, gesteund door
een liefdevolle moeder, werpt hij zich met energie op alle praktische problemen
die hij ontmoet. Deze bij uitstek slimme jongen vindt tenslotte de erkenning
die hij verdient, omdat hij de technische moeilijkheden weet op te lossen in
economisch zeer belangrijke gebieden.
Tenslotte zijn er de
verstandige jongens, de echte superklasse, die in alles even goed zijn. Niet zo
extreem als de vorigen, maar overal degelijk.
Ze zijn misschien niet zo
speciaal geïnteresseerd, ze volgen goed in de studie, maar niet altijd als
uitblinkers. Zij zijn de echte hoogbegaafden. Hun hoge intellectuele
begaafdheid laat hun toe zeer synthetisch te denken, ruim overzicht te hebben
over een bepaalde problematiek, verschillende domeinen te integreren. Daarom
gaan ze misschien op sommige toetsen onderpresteren, omdat ze op ruw gestelde
vragen aarzelen om simplistisch te antwoorden.
Zij zien aspecten of nuances waar diegene die de toetsen maakte niet
eens aan dacht. Zij denken preciezer en nauwkeuriger. Zij zoeken ook naar het
waarom der dingen.
Aristoteles is
hiervan het uitmuntende voorbeeld. Hij beheerste de hele wetenschap van zijn
tijd, en wist bepaalde takken tot een zeldzame volmaaktheid op te voeren: zijn
traktaat over de logica is tot op heden ongeëvenaard.
Het is al
direct duidelijk dat de psychologie van die verschillende klassen zeer
verschillend zal zijn.
De verstandige kinderen, - en
naarmate ze verstandiger zijn, hebben ze grotere moeilijkheden, - hebben het
lastig met hun leeftijdgenoten en met de school. Meestal zijn ze zich niet
bewust dat ze hoogbegaafd zijn, en veronderstellen als vanzelfsprekend dat
anderen hen onmiddellijk begrijpen of in dezelfde dingen geïnteresseerd zijn.
Daarom vervreemden ze soms van hun leeftijdgenoten en weten meestal niet
waarom. Meestal worden ze niet tot leiders gekozen, want dat zijn alleen
degenen die een IQ hebben van 125-155 op de Stanford-Binet-schaal of 100-120 op
de Wechsler-schaal.
Zij zijn zelf te verstandig om goed begrepen te worden. Op school
gebeurt het allicht dat ze zich vervelen, waardoor hun interesse vermindert, en
het kan zijn dat ze op een minder goede school ook minder gaan presteren; de
leraars waarderen hen niet. Want die kinderen, als ze de gelegenheid hebben om
vragen te stellen, willen altijd het waarom weten; zij plooien slechts als men
hun het waarom doet begrijpen. En vele leraars huldigen het beginsel van de
autoriteit. Zij zeggen het zo, dus is het zo. Een gemakkelijke en snelle
informatieverwerking en getrouw informatiebehoud bewerken dat die leerlingen
weinig of geen moeite moeten doen in klassen die afgestemd zijn op middelmatige
leerlingen. Derhalve zich soms afwijkend gaan gedragen, moeilijk begrepen
worden door hun medeleerlingen. Ook de leraren vinden deze kritische geesten
weinig sympathiek. Dit kan gemakkelijk leiden tot conflicten, straffen,
vernedering, en dergelijke.
Deze leerlingen zijn ook
niet tevreden met een leerstof die louter van buiten moet geleerd worden, zij
willen inzicht, begrijpen. Geeft de leerstof dat niet, dan interesseert het hun
niet meer. Zij hebben een onderwijs nodig dat uitdiept en inzicht geeft.
Emotionele problemen
bij hoogbegaafden ontstaan telkens als een kind zich bevindt in een midden,
vooral van kameraden van gelijke leeftijd, waarin het niet past. De
hoogbegaafde heeft andere interessegebieden dan de leerlingen van gelijke
leeftijd.
Hoe extreem hoger het
IQ is, hoe groter de moeilijkheden zijn die het kind ondervindt bij zijn
kameraden, op school, en zelfs thuis. Zo
bleek het, dat sommigen leden onder zware stress, verworpen werden, kortom
onbegrepen bleven.
De hoogbegaafde houdt er
niet van gecontroleerd te worden, vooral niet door onbegrijpende ouderen, hij
snakt naar vrijheid, vooral ook omdat hij nieuwsgierig is, dikwijls in domeinen
die niet zo conventioneel zijn.
De hoogbegaafde heeft
dikwijls een groot observatie vermogen, een sterk gevoelen voor rechtvaardigheid,
en merkt allerlei tekortkomingen, onrechtvaardigheden, gebreken, waar
tegen hij onmachtig is. Edison geeft zijn ontslag, als een
beloning waarop hij recht had wegens een bijzondere prestatie, hem onthouden
werd.
Die bijzondere gevoeligheid
kan aanleiding geven tot kleine en grote conflicten, weigering te gehoorzamen,
kritiek op de leraars, kortom tuchtproblemen, die door de school beantwoord
worden met straf, afkeuring, vernedering. Dat alles kan weer bewerken dat de
hoogbegaafde een afkeer van schoolgaan en studeren verwerft, mislukkingen in
examens, demotivatie.
De hoogbegaafde verstaat gewoonlijk
niet, dat wat voor hem oerduidelijk is het niet is voor anderen. Dat kan
bewerken dat hij ongeduldig is, de moeite niet doet om alles duidelijk uit te
leggen, en niet voorziet wat de reacties van anderen kunnen zijn. Hij kan
gealiëneerd worden van de sociale werkelijkheid rondom hem, zich terugtrekken
en een volkomen negatief wereldbeeld ontwikkelen. Zijn Ik-beeld kan daaronder
lijden, hij kan depressief worden, omdat hij staat tegenover een muur van
onbegrip.
Zo verging het Galois,
erkend grondlegger van de moderne wiskunde. Hij wilde het toelatingsexamen
afleggen van de Ecole Polytechnique te Parijs, en werd gebuisd. De reden was
eenvoudig: hij had een eigen methode om de vraagstukken die hem werden
voorgelegd op te lossen, en die methode kenden de professoren niet. Een beroep op de Académie des Sciences te
Parijs werd afgewezen. Hij stond voor een muur. Bovendien had hij kennis met
een meisje, dat ook door een andere aanbidder werd nagezeten. Het kwam tot een
duel (we zijn 1830), waarin hij werd gedood. Mogelijk was het een verkapte
zelfmoord. Galois had immers zijn dood voorzien. Hij schreef een lang
testament, waarin hij zijn theorie betreffende de wiskunde uiteenzette.
Zijn vrienden wilden niet
dat het testament verloren ging, en trokken ermee naar twee van de beroemdste
wiskundigen van Frankrijk: Fourier en Poisson, nog steeds klinkende namen.
Die vonden het allemaal maar
niets. Toen wendden de vrienden zich tot Chevalier, een minder beroemd lid van
de Académie. Deze las het geschrift, onderzocht en begreep het. Hij deelde aan
de Académie de bevindingen van Galois mee, en van toen af wordt deze postuum
erkend als een van de grondleggers van de moderne wiskunde.
Dit lot van een hoogbegaafde
illustreert op een voortreffelijke wijze tot welke wanhoop een hoogbegaafde kan
gedreven worden door het feit, dat wat hij zeker weet als juist, door anderen
niet eens geacht wordt.
Een ander voorbeeld van
collectieve obstructie van hoogbegaafden is de geschiedenis van de anesthesie
in de geneeskunde. De Amerikaanse chirurg Henry Hill Hickham (1800-1830) die
lachgas had gebruikt op dieren en die een smeekschrift richtte tot koning Karel
X om de toelating te bekomen dat Franse artsen zijn ervaringen zouden
bestuderen, was de eerste. Zijn
smeekschrift werd gewoon genegeerd. Hij stierf op de leeftijd van 30 jaar. De
apothekersleerling Humphry Davy (1778-1829) begon ook met experimenten en beval
lachgas aan als verdovingsmiddel. Ook hij werd genegeerd.
De derde, die bij een
mislukt experiment te Harvard als kwakzalver werd uitgescholden was de Amerikaanse tandarts Horace Wells
(1815-1848), die daarna zijn experimenten staakte. William Thomas Morton, ook
een tandarts, ging te rade bij scheikundigen en kwam op de proppen met een
ander verdovingsmiddel nl. zwavelether. Hij had succes. Het einde was niettemin
tragisch. Wells, Jackson en Morton betwistten elkaar de eer van de uitvinding. Wells pleegde zelfmoord, Jackson werd
krankzinnig, Morton ging in eenzaamheid ten onder.
Het rapport
van Jenner, die de inenting tegen de pokken vond, werd geweigerd door de Royal
Society (1797).
Ook Pasteur
ervoer grote moeilijkheden wanneer hij de gangbare theorie van de
spontane generatie betwistte en het bewijs leverde dat microben de oorzaak
waren van talrijke ziekten. Hij moest kampen met hardnekkige tegenstanders in
de Franse Academie van Geneeskunde.
Hoogbegaafden ondervinden
zware tegenstand als ze met originele en waardevolle ideeën voor de dag komen.
De minderbegaafden verdedigen hun verworven posities.
Bij de slimme jongens liggen
de problemen anders. Zij zijn veel meer bewust van hun kunnen, maar dan van hun
specifieke kunnen. En zij gaan zich uitsluitend richten naar die specifieke
vakken; denk aan de computerfreaks. Voor het onderwijs wordt het dan moeilijk
ze ook te interesseren voor de algemene vakken als taalkunde. Men zal daar een
strategie moeten uitdokteren waardoor die algemene vakken opgenomen worden in
de specifieke belangstellingssfeer van die slimme jongens. Edison was zo in een
ideale situatie die hem geen lesrooster of onderwijsprogramma oplegde. Hij kon
zich volledig wijden aan die dingen die hij nodig achtte om zijn praktische
problemen op te lossen.
Anderzijds zijn er
regelmatig gevallen van speciaal begaafde kinderen, die ofwel in een
uitzonderingspositie kwamen, denk aan Mozart, ofwel onbegrepen vegeteerden in
een klassysteem dat niet voor hen
aangepast was. Soms zijn dit
begaafden die heel hoog scoren in één bepaalde factor, bijv. geheugen, uit het
hoofd rekenen, muziek, kunst, talen, enz. Deze laatsten kunnen zelfs deficiënt
zijn in andere vakken; bijv. een taalgenie of musicus kan soms geen wiskunde
leren, enz. Deze laatsten zullen we
geen hoogbegaafden noemen. Het zijn de bijzonder begaafden.
Het is dus duidelijk dat we
een typische problematiek zullen vinden bij elke categorie kinderen. Toch
blijven kinderen nu eenmaal kinderen, en alle kinderen moeten de stadia
doormaken die elk kind moet doormaken. Ook zij ondergaan de invloeden van het
gezin waarin ze opgroeiden, van het milieu waarin zij belandden, van de
maatschappij waarin zij thuishoren, en dat kan zowel positief als negatief
uitvallen voor hoogbegaafden. De school zal zich dus erg soepel moeten
opstellen om aan deze noden tegemoet te komen.
Diagnose van de
hoogbegaafdheid
Home page of the
psychological Laboratory