--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Eysenck
onderscheidt derhalve drie betekenissen voor het concept intelligentie:
Intelligentie A is het biologisch substraat; intelligentie B is de sociale
intelligentie, of de biologische intelligentie zoals die zich uit op school en
in maatschappelijke en opvoedkundige aangelegenheden; zij is de intelligentie A
onder invloed van de persoonlijkheid, de opvoeding, de cultuur; intelligentie C
is de psychometrische intelligentie zoals ze gemeten wordt door de
intelligentieschalen.
Als
het IQ zulke belangrijke rol vervult in de ontdekking van hoogbegaafdheid, dan
stelt zich de vraag: Welke jongeren bereiken nu zulk hoog
intelligentiequotiënt?
Een
onderzoek van Hollingworth bracht een aantal feiten aan het licht, die op zijn minst
verrassend waren. 31 kinderen werden opgespoord die een IQ hadden van 180 of
meer op de Standord-Binet schaal (gelijkwaardig aan 135 op de Wechslerschaal).
Daarvan stamden dertien kinderen van joodse, negen van Britse, twee dan Duitse
en twee van Franse ouders. Verdere voorouders waren gewoonlijk succesvol. Er
waren geen gevallen van mentale minderwaardigheid. Hier en daar was er een
familie in armoede, toch genoten de meesten van een zekere welstand. Alle
vaders behalve twee en alle moeders behalve twee hadden een hoger diploma. De
mediaanleeftijd van de vaders bij de geboorte van hun kind was 31, die van de
moeders 28.5 jaar. Vijf van deze kinderen waren enige kinderen, vijf waren de
oudste. Dus 10 waren de eerstgeborenen. 16 waren meisjes, 15 waren jongens. De
mediaanleeftijd voor het lopen was 14 maanden en de mediaanleeftijd voor het
spreken was ook 14 maanden (belangrijk vroeger
dan normaal). De eerste tand verscheen tussen de zesde en de zevende
maand. De mediaanleeftijd bij het leren lezen was drie jaar. De
gezondheidstoestand was over het algemeen goed; van de tien waarvan we de
lengte hebben, was er slechts één die niet boven de norm scoorde.
Vanaf
het begin hadden de kinderen problemen op school. Indien deze goed opgevangen werden, dan verdwenen alle
moeilijkheden; werden ze slecht opgevangen dan was de aanpassing moeilijk tot
slecht; dat kon aanleiding geven tot tegenstand, onverschilligheid en zelfs
spijbelen. Best verliep deze aanpassing wanneer de kinderen in groepen
terechtkwamen van gelijkaardige kinderen.
Slechts
één derde van die kinderen vertoonde creativiteit. Bij de meesten verliep de
evolutie binnen de uitgestippelde wegen.
Door
later onderzoek werden de hoge resultaten van de intelligentietesten
gevalideerd toen men vaststelde dat die
kinderen met een hoog IQ ook in vele gevallen goed lukten aan de universiteit.
In
het begin beschouwde men alleen intelligentie C als de basis van de
hoogbegaafdheid en bepaalde men die als het behalen van een IQ hoger dan 135
bijv. Verdere studie bracht de psychologen ertoe, inzonderheid Guilford, andere elementen te gaan meten zoals de creativiteit, aangezien het duidelijk werd dat een hoog IQ niet voldoende was, of
geen volstrekt betrouwbare aanduiding dat de betrokkene ook later tot hoge en
originele prestaties in staat was. Meer nog, men bouwde testen die zgn. de
creativiteit moesten meten, althans nominaal, en men vond dat er geen
correlatie bestond tussen het IQ en die nagemeten creativiteit, met dien
verstande dat kinderen met een hoog IQ toch creatiever zijn wegens het feit dat
ze kunnen putten in een grotere voorraad informatie met een grote diversiteit,
en dat ze beschikken over een grotere "fluency" in de combinatie van al deze elementen.
Men
ging tevens, zoals gezegd, op zoek naar het biologisch substraat van elke
intelligentie. Maar daar kwamen andere moeilijkheden opduiken. Galton was de eerste die de
intelligentie als één bestudeerde, maar Binet, Thurstone en vooral Guilford beschouwden de intelligentie als een
verzameling van factoren of vaardigheden. Guilford kwam zelfs tot 120
verschillende vaardigheden, waarvan hij dacht dat die onafhankelijk van elkaar
waren. Dat leek een vergissing en men kwam terug tot de G-factor van Spearman.
Genetische
studies van tweelingen, eeneiigen en twee-eiige, adoptiekinderen, graad van
consanguiniteit, genetische regressie, depressie door inteelt, heterosis of
hybride verrijking, en de studie van vele andere factoren brachten de conclusie
dat 79.5% van de variantie van de gemeten intelligentie verantwoord werd door
genetische en dus biologische factoren.
Eysenck, en voor hem Halstead, ging op zoek naar meer directe meetprocedures voor dit neurologisch
substraat. Galton reeds vestigde de aandacht op
de reactietijd test als een basistest voor intelligentie A. Ingevolge een
studie van Wissler in 1901 werd in alle tekstboeken voor psychologie het dogma
verkondigd dat er geen correlatie was tussen reactietijd en intelligentie. Dat
was een heel onbetrouwbare studie. Die werd rechtgezet door Peak en Boring (1926) die een bijna volmaakte correlatie vonden. Zij werd
geconfirmeerd door Mc Farland (1928), die besloot dat hoe beter
de methodologie was hoe volmaakter de correlatie uitviel.
De
evidentie werd nog groter toen de informatietheorie van Shannon ingang vond in het experimenteel
onderzoek. Zij werd vooral ontwikkeld gedurende de Tweede Wereldoorlog en had
betrekking op de veilige doorzending van signalen. In de experimentele
psychologie was het vooral de wet van Hick die op een opmerkbare wijze een
verband toonde tussen intelligentie en reactietijd. Hij gebruikte daarbij niet
de eenvoudige reactietijd, maar de keuzereactietijd. Bij de eenvoudige
reactietijd moet de proefpersoon door een druk op de knop onmiddellijk reageren
op een licht- of geluidssignaal. Bij de keuzereactietijd zijn er bijv. acht
lampjes, waarvan er slechts één oplicht. De proefpersoon houdt zijn vinger op
een knop in het midden; wanneer één van de lichtjes oplicht moet hij op de knop
drukken die achter dat lichtje staat. Zo bekomt men een zuivere reactietijd, de
tijd die verloopt tussen het oplichten van een lampje en het ogenblik dat de
proefpersoon de knop loslaat, en een tweede tijd, de bewegingstijd of de tijd
die verloopt tussen het verlaten van de middelste knop en het bereiken van de
knop achter het lampje. Nu kan men de onzekerheid van het subject bij de eerste
reactie berekenen op de volgende wijze: Er zijn acht mogelijkheden waartussen
een keuze moet gemaakt worden. In de informatietheorie drukt men die
onzekerheid uit door de logaritme op de basis 2 te berekenen van het aantal
mogelijkheden, dan bekomt men binaire eenheden, die men bits noemt. De wet van
Hick zegt nu dat er een lineaire
relatie bestaat tussen de reactietijd en het aantal bits van de keuze. Het was
de Duitse psycholoog Roth (1964) die het verband van de wet van Hick legde met de
intelligentie. Hij onderzocht groepen van onderscheiden intelligentieniveaus,
nl. van een IQ van 80 tot een IQ van 140 en met groeiende informatieonzekerheid
van 0 tot 6 bits. Hij vond een correlatie van .39 tussen de zuivere
reactietijden en de intelligentiequotiënten.
Eysenck
toonde aan dat men de correlatie nog kon doen groeien, nl. tot .60 door de
keuze iets moeilijker te maken. Telkens branden drie lampjes, waarvan één iets
verder verwijderd is dan twee andere van elkaar, hij noemde die test the "odd-man-out". Wanneer men nog
andere reactietijd testen bijvoegt, zoals het verschil opmerken tussen de
lengte van twee lijnen, tussen letters en dgl., dan kan men de correlatie opvoeren
tot .70. Snelheid lijkt hier een basisfactor bij de beoordeling van de kracht
van de intelligentie.
Hierbij
kan men nog de seriële reactietijdtest, die ook de links- en rechtshandigheid
meet, voegen.
Op degelijke wijze geprogrammeerd bekomt men
zeer betrouwbare resultaten. Tenslotte kan een zuivere meting van de aandacht
en precisiebekwaamheid door een toets uit de informatietheorie afgenomen
worden. Bij hoge prestaties is de kwaliteit van de aandacht en de precisie
immers van het hoogste belang. Deze test werd uitgewerkt door Somers (1968-1972) op basis van een
keuze tussen twee mogelijkheden, namelijk één bit informatie. Het subject moet
in absoluut oordeel aanduiden of de één of de andere stimulus aangeboden wordt:
de eerste een zuivere 1000 Hz toon met een duur van 1 sec.; de andere een
zuivere 1000 Hz toon met een duur van 1.25 sec. Het resultaat wordt na de
aanbieding van 100 stimuli berekend in biteenheden. Deze toets is zo opgevat
dat hij onvervalsbaar is en niet onderhevig aan oefening, en dgl. Hij is
cultuurvrij. De afname is volkomen geautomatiseerd, zodanig dat er geen
menselijk fouten kunnen insluipen. De moeilijkheidsgraad van de test is zo
bepaald dat het gemiddelde resultaat van een groep jonge normale volwassenen .25
bit is, bij een maximum van 1 bit. (Men kan ook de uitslag, zoals voor de
IQ-bepaling vermenigvuldigen met 100). De twee voornaamste componenten die door
deze test worden gemeten zijn de aandachtsfactor en de precisie van het
auditieve korte-termijn-geheugen. De aandachtsfactor is een erkende component
bij de intelligentietests, zoals trouwens het korte-termijn-geheugen. Het
verband met de A- en de C-intelligentie ligt dus voor de hand.
De
informatietheorie gaf ons nog meer inzicht in de werking van de intelligentie.
Men moet weten dat via de sensorische kanalen duizenden bits informatie het
brein bestormen. Het centrale kanaal dat deze bits moet behandelen heeft
slechts een zeer beperkte capaciteit. In een enkele dimensie bedraagt die
slechts 3.5 tot 4 bits, bij multidimensionele stimulatie kan zij hoogstens 17
bits bedragen.
Bij de verwerking van deze informatie is de
snelheid ervan van kapitaal belang. De toegang tot het lange-termijngeheugen
vraagt tijd, de consolidatie van stimuli uit het korte-termijn-geheugen naar
het lange-termijn-geheugen vraagt ook
tijd. Hoe sneller deze processen verlopen en hoe preciezer, des te
krachtiger het denken van het subject, en omgekeerd is het namelijk zo dat
bijv. bij mentale zieken deze processen gestoord worden door een soort ruis,
die het denken vertroebelt en vertraagt.
De
meeste testen blijven nog in het domein
van de psychometrie. De biologische basis echter van het intellect is evenwel
fysiologisch. Daarom onderzocht Eysenck bijv. ook de hersengolven. Als men een
luide toonstoot laat horen aan een subject en tegelijkertijd met behulp van
elektroden de hersenpotentialen opneemt, dan ziet men dat een potentiaalstoot
waargenomen kan worden (evoked potential). Om een duidelijk beeld te krijgen is het soms nodig om een
honderdtal stimuli toe te dienen en ze op te tellen. Dat wil zeggen dat ze hoogst variabel zijn, net zoals de
reactietijden trouwens. Nu zien we in de resultaten van Ertl (1973) die deze
experimenten uitvoerde, dat subjecten met een hoog IQ snellere golven
vertoonden dan subjecten met een laag
IQ Eysenck interpreteerde deze resultaten
als volgt: bij de transmissie van signalen doorheen de cortex sluipen er
fouten in, die wij ruis noemden. Personen met veel transmissiefouten hebben een
laag IQ, personen met weinig transmissiefouten hebben een hoog IQ De precisie
van de transmissie is dus de voornaamste factor in de intelligentie. Verder is
er de complexiteit van de golven, hogere complexiteit gaat samen met hogere
snelheid. Ditmaal vinden we een correlatie die verbazend hoog is nl. .83 tussen
deze test en het IQ, en dat is hoger dan de correlatie tussen de Wechslerschaal
en de Binetschaal. Als Eysenck nu uit de uitslagen van de Wechslerschaal door
factorenanalyse de algemene factor G ging berekenen, dan vond hij een
correlatie van .95 met deze test. En dat is het bewijs dat hij erin slaagt de
A-intelligentie te berekenen.
En
dat is belangrijk, vermits de culturele factor hier geen enkele invloed meer
heeft. Eysenck deed de proef. Hij nam kinderen van een lage
socio-economische herkomst en kinderen van een hoge socio-economische herkomst.
Het gemiddelde verschil in IQ (Wechsler) was 23 punten ( + of - 1.64
standaardafwijking). Als zijn theorie juist was, dan moest dit verschil
verdwijnen in de test met de hersengolven. En zo gebeurde het.
Daarmee
werd het mogelijk de intelligentie te testen van pasgeboren kinderen. Molfese (1985) deed de test op kinderen
36 u na hun geboorte en bekwam correlaties met latere IQ-tests. En zo opent
zich ook de mogelijkheid de aftakeling van de intelligentie door de ouderdom na
te meten.
Natuurlijk
kan men verder gaan en zoeken naar de reden van de verschillen in precisie en in
snelheid van verwerking van de informatie. Veel aandacht gaat naar glutamine in het bloed. Er bestaat een
hoge correlatie tussen de hoeveelheid
glutamine in het bloed en het IQ bij seniele groepen, debielen en normalen. Bij
zwakzinnige kinderen zou de toediening
van glutamic acid het IQ doen stijgen met een tiental punten, al wordt dit
resultaat in twijfel getrokken.
De
verhoging van energie van het brein door de aanwezigheid van glutamine of de
toediening van glutamic acid zou de reden zijn waarom minder foutieve
transmissies plaatsgrijpen en de verrichtingen sneller verlopen. We keren dus
terug naar het postulaat van Spearman, dat de basis van de intelligentie de
mentale energie is van het brein.
Recente
onderzoekingen voegen hierbij nog meer nauwkeurige elementen. Het onderzoek
naar de specifieke functie van beide breinhelften bracht aan het licht dat zij
een rol spelen hetzij in de verbale begaafdheid, hetzij in de geometrische
verbeelding en dus de performantiebegaafdheid. Bij sommige kinderen kan tijdens
de zwangerschap een stoornis ontstaan in de groeiprocessen van delen van het
linkerbrein. Dat heeft als gevolg dat het rechterbrein soms een
compensatorische groei gaat vertonen, en dus een abnormaal sterke ontwikkeling.
Deze kinderen vertonen soms dyslexie of andere defecten aan functies
die vooral door de linkerbreinhelft worden verzorgd. Zij kunnen problemen
hebben bij het leren lezen, bij het leren rekenen, en tegelijk een abnormale begaafdheid
vertonen in de functies die vooral in het rechterbrein plaatsvinden, zoals
geometrische verbeelding. Zij zullen uitblinken in de vakken als technisch
uitvinden, architectuur, fysica, geometrie en dgl. Men zegt dat bijv. Einstein en Leonardo da Vinci aan een vorm van dyslexie
leden. Th. Edison, H. Cushing (breinchirurg), Aug. Rodin hadden zware moeilijkheden om
te leren lezen. Generaal Patton kon eerst gedrukte tekst lezen
op 12 jaar; Woodrow Wilson was negen voor hij kon lezen. Storingen in de ontwikkeling van het
linkerbrein kunnen bewerken dat bepaalde functies min of meer verhuizen naar of
overgenomen worden door de andere breinhelft.
Recent
kwam ook het corpus callosum dat de brug vormt en de
verbinding tussen beide breinhelften ter sprake. Stoornissen in het corpus
callosum hebben invloed op de samenwerking van de beide breinhelften.
Dit
werd bevestigd door de differentiële encefalografie (EEG). Wanneer men een taak gaf
aan het subject die meer beroep deed op de verbale vaardigheden dan vond men
gewoonlijk in de linker hemisfeer snelle aandachtsgolven, en in de rechter tragere
alfagolven. Gaf men integendeel een visiospatiale taak aan het subject dan was
de verhouding omgekeerd. Bij sommigen is dit verschijnsel meer uitgesproken: zo
vond men bij 60% tot 70% van begaafden
een dominantie van de rechter hemisfeer, 6% tot 15% waren linksdominant, 12%
tot 15% waren gemengd.
Hier
zijn testen op hun plaats die enerzijds de dominantie van een breinhelft via de
motoriek meten: links- of rechtshandigheid, anderzijds de tremor. De seriële
reactietijd meet de adiodochokinesie, en is erg belangrijk bij het nameten van motorische vertraging, zij
het van neurologische, zij het van farmacologische oorsprong. Neuroleptica
bijv. verwekken spierverstijving, vertraging van de bewegingen, en
parkinson-gelijkende symptomen, zoals tremor en dgl.
Andere
vertragingen zijn van neurologische oorsprong. De snelle afwisseling bij de
seriële reactietijd van linker en rechterhand reveleert hoe het corpus callosum
zijn taak vervult.
Daarbij
is ook de meting van de fysiologische en pathologische tremor van groot
belang. Normaal moet die tremor
(gemeten aan de hand) vrij laag zijn (6-8 cm/sec versnelling), en bijna gelijk
in beide handen; lichtelijk lager in de dominante hand. Een merkbaar
onevenwicht kan een hersentumor verraden. Een licht verhoogde
snelle tremor kan een aanwijzing zijn naar een hyperthyroïdie...
De
ontwikkeling van de hersenen, in verband met het overwicht van de linker- op de
rechterbreinhelft of omgekeerd kan ook ontdekt worden via de techniek van de
brain-scanning. Normaal vindt men een licht overwicht van de linkerbreinhelft.
Het kan ook ontbreken. De scanning kan ook andere onregelmatigheden openbaren,
zoals ongelijke ontwikkeling van bepaalde windingen in de hersenen.
Zo kan men zelfs spreken van de psychopathologie van de
hoogbegaafdheid.
Vervolg:
Slim of verstandig
-----------------------------------------------------------------------------------------