| Hobuechen: HOBOKEN als “appendiciis” van Wilrijk |
Raymond Corremans, Vinkenveldenstraat 1, B-2660 Hoboken
Belangrijke opmerking: Deze tekst is in voortdurende revisie.
Sleutelwoorden: Hoboken, hobuechen, Wilrijk, uuilrika
Voor Hoboken is deze akte ook belangrijk omdat onze gemeente er indirect wordt vermeld, want er staat geschreven : “ … et in uulrika ecclesiam cum appendiciis”.
Over deze appendiciis schrijft Van Passen :
“Het ligt voor de hand hier aan de kapel op het toen nog heel waarschijnlijke afhankelijke Hoboken te denken.”
Maar door het meervoud wordt er twijfel gezaaid want onder afhankelijkheden kan zoals Van Passen terecht stelt, alles worden begrepen wat bij de ecclesia behoorde, zoals het altaar, het kerkgebouw, de inkomsten (omhalingen, schenkingen), het patronaatsrecht, de tienden en eventuele opbrengsten van huizen en gronden.
Laat ons daarom even de akte van 1003 nader bekijken. Waarom werd deze opgesteld?
Na de verwoestingen door de Noormannen werd de abdijkerk van Sint-Baafs te Gent in 946 heropgebouwd onder invloed van Arnulf de Grote, graaf van Vlaanderen. Vanaf 966 begonnen dan de zogenaamde restituties, dit wil zeggen de domeinen die bezit waren van de abdij maar die lange tijd wederrechtelijk ontnomen waren, terug aan de abdij schenken. Soms werden er zelfs ander domeinen bijgeschonken die nooit van de abdij zijn geweest, maar als een soort compensatie voor het doorstane leed.
In dit kader moet de akte van 1003 gezien waarbij de goederen in de streek rond Antwerpen werden geschonken door Hendrik II, keizer van het Heilig Roomse Rijk aan de Sint-Baafsabdij.
Van Passen stelt verder dat de actieve abt Odwin voor de heropbouw van de vele kerken en kapellen (en ook voor nieuwe vestigingen) heeft uitgekeken naar plaatsen met veel bosgronden, wegens het vele hout dat nodig was en aldus geďnteresseerd was in Boechout (beukenhout) en in Wilrijk (door haar gehucht Hobuechen=Hoge beuken).
Maar deze hypothese houdt geen rekening met de geologische geschiedenis van onze gemeente, waaruit blijkt dat Hoboken in 1003 gewoonweg niet rijk aan bossen kon geweest zijn, en integendeel zwaar te lijden had van zware wateroverlast ten gevolge van de DuinkerkeIII-transgressie en ook het feit dat de bodemgesteldheid niet toeliet dat er uitgebreide bossen konden voorkomen, maar wel een schrale heide.
Waaruit bestonden deze opbrengsten dan die in 1135 groot genoeg werden bevonden om geschonken te worden aan het nieuwe kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Antwerpen.
Daarenboven werden deze opbrengsten geschonken niet door Sint-Baafs zoals we zouden verwachten, maar door de bisschop van Kamerijk. Hoe is deze laatste in de plaats van de Sint-Baafsabdij dan gekomen tenzij Hoboken altijd van Kamerijk is geweest, wat meer voor de hand zou liggen? Of heeft de oprichting van de Hobokense kapel andere bindingen met Antwerpen gehad (zoals we in het kader van de familie van Hoboken zullen zien) waardoor het meer voor de hand lag om deze opbrengsten aan Antwerpen te schenken en niet van een andere plaats zoals Oorderen (in 1116 van Kamerijk terwijl de herenrechten spoedig aan de stad Antwerpen toekwamen) of Wilmarsdonk (1157 maar eerst in 1626 van de stad werd).
De enige oplossing die we kunnen bedenken die rekening houdt met alle feitelijkheden zoals historische vermeldingen en geologische geschiedenis is de hypothese dat de kapel Hobuechen uit dankbaarheid gezet is door vissers afkomstig van Antwerpen, die hoogst waarschijnlijk op de uitgestrekte waterpartijen te Hoboken (waar later de polder zou ontstaan) ruim aan hun trekken kwamen qua visvangst. Het plaatsen van deze kapel kunnen we daarom terugbrengen tot het begin van de 10e eeuw, na 891 wanneer de Noormannen zwaar worden verslagen te Leuven door de Oost-Frankische koning Arnulf.
![]() |
In deze hypothese kunnen we trouwens het optreden van de familie van Hoboken plaatsen. Wanneer men ontdekte dat de tienderechten de moeite waard waren, is er ongetwijfeld een gegoed man in Antwerpen naar voor gekomen om de heerlijke rechten in Hoboken op te eisen. Hoewel er geen enkele oorkonde dienaangaande meer bestaat of is gevonden, moet op een bepaald ogenblik de hertog van Brabant een verhef hebben verleend aan een Antwerps persoon, die zich van dan af van Hoboken kon noemen. Al dient in dit kader gesteld dat de gemeentenaam een snelle evolutie moet hebben doorgemaakt van Hobuechen (1135) naar Hoboken (1219, eerste vermelding van deze familienaam). Het is dan weer niet meer duidelijk hoe in de loop van de 13e eeuw Godevaart van Perwijs als heer in bezit van Hoboken is gekomen want de documenten die dit moeten aantonen zijn er niet meer.