Laatst gewijzigd op 2007.02.19 door Frans Janssens
Hobuechen: Kroniek van de voorgeschiedenis van Hoboken

Frans Janssens, Nachtegaallaan 12 bus 12, B-2660 Hoboken
Raymond Corremans, Vinkenveldenstraat 1, B-2660 Hoboken

Abstract

Nog te doen...

Sleutelwoorden: Hoboken, voorgeschiedenis

Belangrijke opmerking: Deze kroniek is slechts een embryonair begin en is in voortdurende revisie.
Alle info om deze kroniek verder aan te vullen is welkom.

BC 0000 0100 0200 0300 0400 0500 0600 0700 0800 0900 1000 1100 1200 1300 1400 1500 1600 1700 1800 1900 2000

-200 ca.


Duinkerke 1 transgressie van de 6de eeuw voor Christus tot de 2de eeuw voor Christus (Denis, 1992:83).
Zeepeil bereikt +8m. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
Merk op: 'Antwerpen' ligt beneden zeeniveau. 'Hoboken' ligt op een eiland in een inham aan de kust.

-59

In de eerste eeuw voor Christus verovert Julius Caesar grote delen van West-Europa, waaronder ook onze streken. Deze verovering vormt het begin van een verregaande romanisatie die het maatschappelijk en cultureel leven zeer sterk beïnvloedt. Alhoewel het Antwerpse in de Romeinse tijd slechts een uithoek van een uitgestrekt imperium vormt, laat de Romeinse aanwezigheid zich duidelijk voelen. (Archeoweb Antwerpen).

Julius Caesar wordt consul en hij krijgt voor een periode van 5 jaar de provincies Gallia Cisalpina, Illyricum en Gallia Narbonensis onder zijn beheer (Herm, 1979:205). Julius Caesar vormt het plan om heel Gallië te veroveren (naar Van Mieghem, 1936:21).

-57

Caesar onderwerpt de Nerviërs (Herm, 1979:205). Hij verschijnt met zijn zegevierend leger op de oevers van de Samber. Na de Nerviërs overwonnen te hebben (onder leiding van hun koning Boduognat), verslaat hij vervolgens de Aduatieken (te Namen); de Trevieren en Eburonen onderwierpen zich zonder strijd. (naar Van Mieghem, 1936:18-21).

Het oorspronkelijke eikenmengbos, bestaande uit eiken, linden en iepen, regresseerde op vele plaatsen en werd vervangen door steppeachtige heidevegetatie die gemakkelijker gerooid kon worden dan de originele bebossing. Het machtige Ardeense Kolenwoud, met zijn grootste dichtheid ten zuiden van Samber en Maas, vormt een uitloper die tot aan de boorden van de bovenloop van de Schelde reikt. De noordelijke grens ervan bereikt de streek van Doornik en volgt de rechteroever in noordoostelijke richting tot de bovenloop van de Dender. Het Kolenwoud bestaat vooral uit beuken, maar de Schelde oevers worden omzoomd door wilgen, olmen en elzen die op de brede alluviale boorden gelegen zijn. In de streek, ingesloten tussen de Schelde, de Rupel en de Nete, hebben zich voornamelijk de den, de berk en de hazelaar ontwikkeld naast een gemengd woud bestaande uit eiken, elzen en wilgen. Ten oosten van Antwerpen vormt zich een uitloper van de bosrijke streek ten noorden van de Kleine Nete. Ten noordoosten van Gent, in het gebied tussen de Schelde en de Durme, bestaat er nog een dichtbeboste streek, die later toebehoort aan de Sint-Baafsabdij, en die zich in noordoostelijke richting over de Durme tot vlak bij de Antwerpse linkeroever uitbreid. (naar Stuyck, 1987:97,99).

-54

Met de Menapiërs en de Moeren, beschermd door hun moerassen, sloot Caesar, na 3 jaar strijd, een verbond als 'vrije bondgenoten der Romeinen'. (naar Van Mieghem, 1936:21).
Tijdens een tijdelijke afwezigheid van Caesar, die in Rome vertoefde, voerde Ambiorix, koning van de Eburonen, de opstand aan; het romeinse kamp Aduatika, dat onder bevel stond van Sabinus en Cotta, werd aangevallen en de romeinse legioenen verslagen. Vervolgens belegerde Ambiorix het kamp van Quintus-Cicero in het land der Nerviërs. Ook Induciomar, opperhoofd der Trevieren, kwam in opstand, belegerde het romeinse kamp in zijn land, maar werd verslagen en gedood. (naar Van Mieghem, 1936:21,25,26).

-53

Caesar snelde Cicero ter hulp en versloeg Ambiorix, brandde het land der Eburonen plat en liet het volk uitmoorden; Ambiorix vluchtte over de Rijn (naar Van Mieghem, 1936:21; Herm, 1979:225).

-51,-50

Caesar pacificeert Gallië (Herm, 1979:225). Na 7 jaar strijd beëindigd Caesar zijn verovering van Gallië, waarna hij terugkeert naar Rome. Door de veldslagen was de bevolking in onze streken uitgedund. Germaanse stammen, de Tongeren en Toxanders, kwamen, met toelating van de Romeinen, over de Rijn en vestigden zich respectievelijk in het verwoeste land van de Eburonen en in Toxandrië (de Kempen). (naar Van Mieghem, 1936:21-22,25).

Onder keizer Augustus worden de voornaamste romeinse heirbanen (heer- of legerwegen) aangelegd. Iedere 3 km werd een mijlpaal geplaatst. Afspanningen voor soldaten en weldra ook voor reizigers werden langs deze steenwegen gebouwd. Weldra verrezen er meer woningen rondom de afspanning, en dit was de oorsprong van menig dorp (naar Van Mieghem, 1936:27).

De grote heirbaan Bavai-Asse liep vermoedelijk door in noordelijke richting naar het Nederlandse rivierengebied, over Rumst, Kontich, Wijnegem, Brecht en Breda (ArcheoNet, 9 april 2005).

-47 ca.

In de topografische kaart, de Geographia, uit ca. 150 gebruikte Ptolemæus geen eigentijdse gegevens. Ptolemæus was geen geograaf, maar een astronoom/mathemaat. Hij wilde het door hem uitgevonden coördinatensysteem voor plaatsaanduiding demonstreren aan de hand van een voorbeeld, en gebruikte daarvoor willekeurig oud kaartmateriaal uit de reeds sedert de brand van 47 v.C. in verval verkerende bibliotheek van Alexandrië. Anders gezegd: Ptolemæus beschrijft de transgressiesituatie Duinkerke 1. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

0 ca.

De Romeinse overheersing van onze streken viel globaal samen met een regressieperiode. Ze arriveerden tegen het einde van de transgressie Duinkerke 1, in een juist droogvallend en nog nauwelijks door mensen bezocht gebied. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
De romanisering van lokale nederzettingen in het Antwerpse komt zeer traag op gang. Onderwijl wordt Gallia gepacificeerd. De campagne in Germania faalt. (naar AVRA vzw).
De Schelde had haar monding in de Maas nabij het emporium Witla, dat gelijktijdig met Antwerpen door de Noormannen werd verwoest in 836 (naar Rombaut, 2006.08.04).
Tijdens de Duinkerke-I regressie onstaat de Oosterschelde (gewijzigd naar Van Bladel, 1989:97).
De Schelde loopt niet langer tot aan de Maas, maar vind een nieuwe weg via de Oosterschelde naar de zee. In deze periode zijn er geen getijden merkbaar op de Schelde ter hoogte van Antwerpen. (naar Miniatuurstad Antwerpen).

50 ca.

Grobbendonk is mogelijk een regionaal romeins administratief centrum (naar AVRA vzw).

70 ca.

De opstand van de Bataven is neergeslagen. De romanisering van de Antwerpse nederzettingen is voltooid. (naar AVRA vzw).

100 ca.

De "Alfsberg" in Kontich is een hoogte die redelijk steil boven het omliggende landschap oprijst. Het toponiem (Elfenberg) en de folklore rond deze plaats wezen al op een potentieel oudheidkundig belang. Bovendien waren er in de jaren 70, tijdens een korte opgraving door de AVRA al Romeinse artefacten gevonden. Er werden ook sporen van latere Gallo-Romeinse gebouwen gevonden, waaronder een aantal "tubuli", onderdelen van een Romeins verwarmingssysteem. Er zou dus een relatief luxueus gebouw (voor de regio althans) in de nabijheid gelegen kunnen hebben.
Net ten noorden van de Romeinse vicus op de Steenakker aan Kontich Kazerne, vond AVRA sporen terug van ijzertijd woningen en een Keltisch tempelgebouwtje (fanum). In de loop van de eerste eeuw na Chr. vormde zich een nieuwe bewoningskern ten zuiden van deze nederzetting, die zich ontwikkelde tot een belangrijk regionaal centrum tijdens de Romeinse tijd. (naar AVRA vzw).

Op de plaatsen genaamd "Steenakker" en "Kapelleveld" aan Kontich Kazerne werden tijdens verschillende opgravingscampagnes sporen gevonden van een Gallo-Romeinse vicus (nederzetting). In de huidige toestand van het onderzoek lijkt het erop dat deze Gallo-Romeinse bewoning niet gezien kan worden als een voortzetting van de voorafgaande "late ijzerijd" bewoning in het gebied ( die o.a. de "viereckschanze" op de Alfsberg bouwde.) Er zijn een drietal fasen te onderscheiden in de geschiedenis van de nederzetting. Een vroeg-eerste eeuwse nederzetting op het Kapelleveld bevatte een typisch Keltisch tempelgebouwtje ( fanum ). Tegen het einde van de eerste eeuw (mogelijk na de Batavenopstand) verplaatste de bewoning zich meer naar het zuiden (Steenakker) en werd een nieuwe Gallo-Romeinse tempel gebouwd. Deze tempel werd op zijn beurt verwoest in de laatste helft van de tweede eeuw. Het terrein werd niet lang daarna opgeruimd , maar er werd geen nieuwe tempel meer gebouwd. De vicus bleef nog bestaan tot het midden van de 3de eeuw. Er zijn geen sporen van geweld bij het einde van de nederzetting. Naast de tempel wijzen de resten van een tweetal straten, meerdere huisplattegronden en een pottenbakkersoven op een nederzetting met een zeker regionaal belang. (naar AVRA vzw).

In Oelegem zijn sporen blootgelegd van een kleine inheems-Romeinse nederzetting, die ontstond rond het einde van de eerste eeuw en heeft bestaan tot het begin van de derde eeuw.
Een vijftiental houten gebouwen kwamen aan het licht. Het betreft een vijftal hoofdgebouwen - woonhuizen - en een tiental bijgebouwen, geschaard rond een open erf. De hoofdgebouwen waren waarschijnlijk woonstalhuizen, waar mens en dier samen onderdak vonden. Dit typeert Oelegem als een bescheiden, uitgesproken agrarische nederzetting. (naar AVRA vzw).

In het begin van de 2de eeuw bereikt de Romeinse zeeregressie haar dieptepunt van ongeveer -7m. Bij dit zeepeil ligt geheel Nederland droog, met inbegrip van Zeeland, het IJsselmeer en de Waddenzee. Er blijven slechts een paar meertjes in Zuid-Holland en een paar forse riviermondingen in het noorden over. (Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

140, 150 ca

Archeologisch onderzoek toont aan dat in Ekeren in de loop van de 2de eeuw een nederzetting ontstaat en tot bloei komt. De archeologen ontdekten er sporen van een rurale nederzetting waar de bewoners leefden van landbouw en veeteelt. (Archeoweb Antwerpen). (Site 'Wilgehoevestraat', tweeschepige woning met stalgedeelte, houtbouw).
Te Ekeren werden de grondsporen onderzocht van twee gebouwen op 800m van elkaar, precies op de scheidingslijn tussen de polders en de zandige gronden. Gebouw 1, site Wilgenhoeve, is zonder meer één van de duidelijkste voorbeelden van een potstal in onze streken in de Romeinse tijd. Op de site Schoonbroeck kwam een gelijkaardig gebouw aan het licht. Ook hier betreft het een aantal palen rond een afvalkuil. Hier kon echter niet uitgemaakt worden of het een afzonderlijke veestal betreft, of de potstal van een stalwoning zoals het gebouw aan de Wilgenhoeve. Het schervenmateriaal levert een datering op van de 1ste helft van de 2de eeuw tot het begin van de 3de eeuw n.C. (naar AVRA vzw).

Begin bewoning in het centrum van Antwerpen (Willem Ogierplaats). (Stadsarcheologie, Tony Oost 1976-1982, site 'Stadsparking')
In de omgeving van het huidige Steen onstaat een kleine, eenvoudige Gallo-Romeinse nederzetting (Schoups, 2005:18).
Archeologische opgravingen, onder leiding van Van de Walle A.L.J, hebben aangetoond dat er een Romeinse nederzetting heeft bestaan nabij het Steen, in de buurt van het verdwenen 'Bezaanshuis' (het Bezaanshuis werd in 1884 afgebroken, zie Antwerpen 1860-1960, p. 97) (naar Van de Walle in Van Acker, 1975:10). De opgedolven Romeinse overblijfselen omvatten een grote hoeveelheid gewoon aardewerk, evenals versierde terra sigillata, dus met het zegel van de pottenbakker voorzien aardewerk, uit de periode van 140 tot 275 nC. In menig opzicht zijn die aardewerkvondsten belangrijk. Vooreerst ligt die Romeinse laag op de ongerepte moerbodem, hetgeen dus prehistorische vondsten op deze plaats uitsluit. Bovendien duidt het getal der gevonden scherven op een niet onaanzienlijke bevolkingsgroep. Op deze betrekkelijk kleine onderzochte oppervlakte haalde men circa 2.400 Gallo-Romeinse scherven naar boven, waarvan 595 definieerbare, die toelaten ze te dateren. Deze getallen beginnen maar iets te zeggen, wanneer men ze vergelijkt met de scherven opgedolven uit de 82 afgegraven terpen in de provincie Friesland. Daar vond men er 2.210, waarvan 2.060 zich bevinden in de Leeuwarder verzameling en 150 in de verzameling van het Rijksmuseum te Leiden. (naar Van de Walle in Van Acker, 1975:10).
Enkele Antwerpse stukken stammen uit de eerste eeuw, maar het gaat hier waarschijnlijk om familiestukken die lang met zorg werden bewaard. De meeste andere, te situeren tussen de jaren 100 en 250, wijzen op een vrij armelijke, eenvoudige bevolking, die geen luxevoorwerpen kon kopen. Het gaat om eerder gewoon, grof materiaal voor dagelijks gebruik, meestal kookpotten en ook wrijfschalen die dienden om grof gemalen meel verder fijn te wrijven. (naar Van de Walle in Van Acker, 1975:10).
Slechts een 25-tal scherven, nauwelijks één procent dus, behoorden tot het inheemse vaatwerk. Verreweg het grootste deel was importgoed van Oost-Gallisch fabrikaat. Trier en Rheinzabern waren bekende fabrieken - om in de taal der vakgeleerden te blijven - van terra sigillata. Die vondsten wijzen dus op betrekkingen met Rijn- en Moezelstreek. (naar Van Acker, 1975:10). De handel in deze waar geschiedde misschien door Friezen die de Rijn afvoeren en over de Fossa Corbulonis de Maas en de Ooster-Schelde opvoeren, maar ook handelsbetrekkingen over de landwegen mogen a priori niet uitgeschakeld worden. (naar Boeles in Van Acker, 1975:10).
De bestaansmiddelen van de mensen van deze nederzetting kunnen niet afgeleid worden uit de opgravingen. Resten van woningen werden niet gevonden, maar men moet ze wel in de buurt veronderstellen. Men haalde immers ook een honderdtal fragmenten van dakpannen en drie vierkante vloertegels naar boven, hetgeen eerder sterkere constructies doet vermoeden dan alleen maar huisjes van hout- en vlechtwerk. De nabijheid van de rivier suggereert natuurlijk visvangst en scheepvaart naast de opbrengst van wat schrale landbouw. (naar Van Acker, 1975:10).
In Antwerpen werden einde jaren 1970 vijftig integrale Gallo-Romeinse dakpannen weggegooid vooraleer bij de laatste twee werd vastgesteld dat ze de vermelding “PRIMCORS” bevatten... (naar Rombaut, 2006.08.02). Vijftig dakpannen kon men samenstellen uit de scherven die men heeft teruggevonden. Of deze dakpannen ook het woord PRIMCORS vermeldden is echter niet meer te achterhalen. Het betreft ofwel afbraakmateriaal uit de Gallo-Romeinse tijd dat, nog tijdens deze periode, als filtervulling hergebruikt is geweest en bijgevolg kan dit materiaal onmogelijk van ver zijn aangevoerd, en heeft het als dakbedekking gediend vlakbij de waterput waarin ze werden aangetroffen. Ofwel waren de dakpannen misbaksels die onmiddellijk na de productie zijn verbrijzeld voor een ander nuttig doel nl. de filtering van drinkwater. Ook in het laatste geval moet de productie van dit materiaal niet al te ver uit de buurt worden gezocht. Het vervoer van dergelijk afvalmateriaal over grote afstanden is immers onnuttig want het was vervangbaar door de diverse soorten zand en kiezel die men in de bodem ter plaatse en aan de Scheldeoevers terug kon vinden. Op tenminste twee dakpanfragmenten stond de tegelstempel PRIMCORS, in 1982 gepubliceerd met de vermelding: “betekenis onbekend” (deze gestempelde dakpannen zijn echter onvindbaar...). Omdat andere dakpanfragmenten die in België gevonden zijn inscripties vertoonden die niet opgelost waren, was de publicatie met “betekenis onbekend” zogenaamd veilig. Deze vondst op zich en de context waarin ze werd gedaan zijn een expliciete archeologische indicatie voor een mogelijke vestiging van een cohorte vlakbij de site Stadsparking in de Gallo-Romeinse tijd. Hoe wordt zo’n dakpanstempel aangebracht in een dakpan? Dit gebeurt door een stempel in te drukken in de nog niet volledig gedroogde gevormde daktegel, mogelijk met een losse stempel maar veeleer met een in de vorm aangebrachte vaste lettercombinatie die terugkeert op alle dakpannen die met die vorm werden geproduceerd. In beide gevallen heeft men de stempel PRIMCORS vervaardigd om te dienen voor meer dan slechts twee dakpannen. Het was nl. de stempel van het legeronderdeel dat hiermee de eigendom van zijn materiaal verzekerde, die van de Cohors Prima. (naar Rombaut, 2006.08.08).
Men vindt een Gallo-Romeinse bodem over de gehele oppervlakte van de opgraving, die ook op andere plaatsen in de binnenstad werd teruggevonden. Voeg daarbij dat in de Gallo-Romeinse bodem spadesteken waren aangetroffen, dan heeft men een element om te besluiten dat er een legereenheid heeft vertoefd op deze plaats. De metalen spade in het algemeen was een erg duur apparaat, zeker in de Gallo-Romeinse tijd. Afdrukken van een spade die tot twee steken diep kunnen worden teruggevonden in de Gallo-Romeinse bodem, veronderstellen een metalen spade van het type “steekschup”, een onderdeel van de uitrusting van een Romeins soldaat bekend onder de naam bipalium. Als onderdeel van de uitrusting van een soldaat bleef dit soort materiaal eigendom van de Romeinse staat. Daardoor zijn er slechts zeer weinig voorbeelden teruggevonden (o.m. eentje in Engeland). Dit element roept een occupatie op van de 'Antwerpse' binnenstad in de Gallo-Romeinse tijd met een militair karakter. (naar Rombaut, 2006.08.08).
Ook het bestaan van secundaire Romeinse wegen tussen Antwerpen en de kust enerzijds en de weg van Asse (verbonden met Bavai en Tongeren) over Rumst, Kontich langs het Antwerpse anderzijds, doet ons denken aan een overzetdienst, al of niet van overheidwege ingericht. (naar Maertens in Van Acker, 1975:10; naar Uytterhoeven in Van Acker, 1975:10).
Hier kan meteen gewezen worden op een eerste parallelisme tussen Antwerpen enerzijds en Brugge en Gent anderzijds : ginds zoals hier hadden de Romeinen het nut ingezien van een nederzetting op een strategisch belangrijke plaats. (naar Van Acker, 1975:11). In Brugge vond men scherven van Romeins en Pingsdorf aardewerk in de Burg. (naar Devlieger in Van Acker, 1975:11). Ook Gent kende en vroegere Romeinse nederzetting, die misschien Blandinium heette. (naar Deruelle in Van Acker, 1975:11).
Noot: kunnen deze Antwerpse Gallo-Romeinse vondsten geen aangespoeld materiaal zijn van de door de zeetransgressie reeds eerder onder water gezette Brugse en Gentse nederzettingen?

Archeologisch onderzoek toont aan dat op de plaats van het huidige Antwerpse stadscentrum in de loop van de 2de eeuw een nederzetting ontstaat en tot bloei komt. Er kwamen talrijke afvalkuilen en waterputten aan het licht die eveneens wijzen op een bewoningskern met een ruraal karakter. (Archeoweb Antwerpen).

Volgens archeoloog Davy Herremans kwamen de meeste Gallo-Romeinse sporen aan het licht op en rond de site van de Stadsparking. "Op basis van het materiaal dat tot nu toe gevonden is, denk ik echter niet dat we kunnen spreken van een vicus of een militaire vesting. Waarschijnlijk ging het eerder om een uitgebreid boerenerf." (ArcheoNet).

De afgelopen decennia heeft de archeologische dienst van de stad Antwerpen verscheidene 2de-3de eeuwse nederzettingssporen gevonden in de buurt van de Grote Markt, het Vleeshuis en de Koraalberg. (naar AVRA vzw).

Op de Koraalberg werden ook paalsporen uit de Gallo-Romeinse tijd aangesneden, de eerste maal dat in de Antwerpse binnenstad een gebouw uit deze periode geïdentificeerd werd. (Archeoweb Antwerpen).

  Davy Herremans: "Aan de Oudaan werd een Gallo-Romeins crematiegraf aangetroffen. Dit zou kunnen wijzen op een begraafplaats." (naar ArcheoNet).

Dit Gallo-Romeins crematiegraf werd per toeval ontdekt tijdens opgravingen in een Augustijnenklooster uit de 17de eeuw naast de politietoren. Tim Bellens stuitte per toeval op het graf. "We gingen omzichtig te werk om de skeletten niet te beschadigen. Gelukkig, want bij ruwere graafwerken hadden we het Romeins crematiegraf gemakkelijk kunnen missen." Naast de urne -- eigenlijk een gewone kookpot -- trof Bellens ook een volledig intact potje en restanten van een glazen parfumflesje aan. "Ik herkende onmiddelijk het typisch Romeinse materiaal van de pot en het deksel. Ook de grote dakpannen rond het crematiegraf dateren duidelijk uit die tijd." De archeologen vermoedden dat het graf dateert uit de tweede eeuw na Christus. "Een ruwe schatting", benadrukt Veeckman. Aan het Steen en in de Antwerpse rand werden eerder al sporen van Gallo-Romeinse nederzettingen gevonden. Maar de archeologen stuitten nog nooit op graven. "Het is onwaarschijnlijk dat we aan de Oudaan een geïsoleerd graf hebben aangetroffen", aldus Veeckman. "De kans is groot dat we een klein deeltje van een grafveld hebben blootgelegd. Ik denk dan ook dat er in de omgeving nog meer crematiegraven liggen." (naar Het Nieuwsblad, Verelst, J., 9 april 2002).

  het stelsel van rivieren tussen Noordzee en Maas in onze gewesten, meer bepaald het Scheldebekken dus, is van een zeer merkwaardige structuur. Het bijzondere ervan bestaat erin dat van in de Romeinse tijd tot nu alle rivierarmen van dit rivierstelsel samenkomen in één samenvloeiing, nl. die van Rupel en Schelde. Langs de buitenzijde van het Romeinse rijk, dit is in noordelijke richting, diende deze zeer strategische samenvloeiing beschermd te zijn, ten einde de scheepvaart op dit enorme waterwegennet vanaf Terwaan aan de Leie tot Ripae nabij Tongeren aan de Demer te beschermen tegen indringers van buitenaf. Daartoe werd Antwerpen gesticht en dit reeds in de Gallo-Romeinse tijd.
Het belang van de herkomst van de naam Antwerpen uit het Latijn is zonder meer van essentieel belang voor de oorspronkelijke bescherming van de Schelde en haar bijrivieren, en neergelegd in de betekenis “beide oevers” of Anduaeripae”. Gezien de vertakking in een duidelijke westelijke (richting Gent) en oostelijke helft (richting Mechelen) is het zeer logisch dat het sluitstuk van de bescherming van deze rivieren langs het gedeelte waar de beide geledingen samenkomen en hun weg naar de monding vervolgen langs beide oevers gelegen was. Dat dit in de Romeinse tijd dient te worden gesitueerd is zo logisch: de reden ervan kan worden afgeleid uit de rijksverdelingen in de post-Romeinse tijd die op enkele kortstondige uitzonderingen na, steeds de Schelde als grens hebben. Wie als heerser in één van beide rijksdelen de samenvloeiing van Rupel en Schelde beheerst, beheerst de rivieren in het gebied van de rivaal. Alleen bij een supranationale macht verdwijnt dit verdeelprincipe, o.m. tijdelijk onder Clovis, Karel de Grote en Lodewijk de Vrome, maar vooral tijdens de Romeinse overheersing.
Naamverklaringen voor Antwerpen werden steeds in het Germaans gezocht, o.m. door M. Gysseling (1960) met als betekenis “aangeworpen land”, nadien gewijzigd in “tegenover aangeworpen land” omdat de huidige ligging van Antwerpen op de rechteroever van de Schelde precies op die oever ligt die door het water erodeert. De hypothetische toponymische reconstructie van Gysseling “anda + werp” werd nadien door J. Van Loon (ca. 1980) overgenomen met als betekenis “schans opgeworpen tegen een vijand” (naar analogie met ant- uit “antwoord” en met als vijand de Noormannen, aan wie de teruggevonden aarden wal wordt toegeschreven die in de jaren 1950 archeologisch onder de Scheldekaaien werd teruggevonden). De datering van de aarden wal onder de Antwerpse kaaien is echter ook zeer dubieus, gebaseerd op een uitspraak van prof. H. Jankuhn die op zicht de aarden constructie uit Antwerpen vergeleek met deze van Haithabu, de beroemde archeologische site die hij had opgegraven in de landengte van Sleeswijk-Holstein. Derwijze had iemand deze aarden wal kunnen vergelijken met die van Chestres aan de Aisne.
Door al deze hypothesen werd nooit rekening gehouden met een mogelijke naamverklaring uit het Latijn. De onderzoekers zijn ook voorbijgegaan aan het feit dat Antwerpen tot 836 langs beide zijden van de Scheldeoever kan gelegen hebben. Dit kan meer bepaald worden afgeleid uit de vermelding van de plaats (o.m. als castrum) in de Echternachteksten wat de rechteroever betreft anno 726, zodat Antwerpen deels gelegen was in het bisdom Kamerijk dat teruggaat op Romeinse Civitas Nerviorum waarvan de Schelde de westelijke grens vormde, en voor de linkeroever in de vermelding van de stad als Andouerpis (en haar inwoners als Andouerpenses) in de Vita Eligii antiqua geschreven door de H. Audoenus tijdens het laatste kwart van de 7de eeuw als onderdeel van het bisdom Doornik, dat teruggaat op de Civitas Menapiorum, waarvan de Schelde de oostelijke grens vormde. (naar Rombaut, 2006.08.03).
Een mogelijke nieuwe etymologische verklaring van Antwerpen zou kunnen afgeleid zijn van het Latijnse Ambaeduaeripae of uit het postklassieke Latijn Anduaeripae. Waarschijnlijk betekent het zoiets als "de twee oevers". (Uitpers, nr. 77, 7de jg., juli-augustus 2006) (naar Vanden Bavière, 2006.07.25, Met Julius Caesar van Italië naar Tongeren) (naar 2006.07.25).

Achter de politietoren op de Antwerpse Oudaan is een uniek Gallo-Romeins crematiegraf uit de 2de eeuw na Christus ontdekt, de oudste Romeinse sporen van begravingen op Antwerps grondgebied. Stadsarcheoloog Johan Veeckman: "Een graf mét een urne en 'bagage' zoals een vaasje en scherven van een bord. Een voor Antwerpen ronduit unieke vondst." (GVA).

 

Tijdens de opgravingen in de ontwijde Sint-Augustinuskerk vond de Archeologische Dienst tussen de postmiddeleeuwse graven een Romeins crematiegraf met een urne, een deel van een bord, een gave beker en fragmenten van een glazen flesje. Het graf was opgebouwd met twee (oorspronkelijk vier) rechtopstaande dakpannen. De urne met deksel, die uit de 2de eeuw dateert, bevatte verbrande menselijke resten en maakte vermoedelijk deel uit van een groter grafveld. De beenderresten bleken na onderzoek afkomstig te zijn van een volwassen vrouw tussen 30 en 35 jaar oud, ongeveer 1,55m groot. Ze was moeder van minstens één kind. Haar doodsoorzaak kon niet achterhaald worden. De crematie was kort na het overlijden uitgevoerd op een brandstapel die minstens temperaturen van 800°C haalde. Op basis van het graftype, de grafgiften en de voedselresten blijkt dat deze dame van welstellende afkomst was. Het nieuwe van deze vondst was niet het bewijs dat Antwerpen bewoond was in de Romeinse tijd - dat was immers al langer bekend. Wel werd voor het eerst het grafveld uit die tijd blootgelegd en daarmee ook kennis opgedaan over de funeraire gebruiken in het Gallo-Romeinse Antwerpen. (ArcheoNet, 13 januari 2006).

Voor de bewaring van crematieresten werden in de Gallo-Romeinse periode vaak kookpotten als urne gebruikt. De hier afgebeelde 2de-3de eeuwse kookpot werd vervaardigd in grijze klei, heeft een ruw oppervlak en werd afgesloten met een passend deksel. Samen met enkele bijgaven vormde hij de inhoud van een crematiegraf, opgegraven onder het voormalige Sint-Augustinusklooster (Kammenstraat/Oudaan). In de pot werden de verbrande beenderen van een volwassen vrouw ontdekt. (Archeoweb Antwerpen).

Voorwerpen in terra sigillata variëren van strakke en eenvoudige vormen, zoals deze borden uit de 2de-3de eeuw, afkomstig uit Oost-Gallië, tot meer ingewikkelde en rijkversierde types, waarbij met moules een versiering in hoogreliëf werd aangebracht. Soms kunnen herkomst en pottenbakker aan de hand van naamstempels op de voorwerpen achterhaald worden. (Archeoweb Antwerpen).

Wrijfschaal van het type Dragendorf 43 in terra sigillata en een tweede exemplaar met een uitgiet in de vorm van een leeuwenkop. Terra sigillata, een oranjerode aardewerksoort overtrokken met een sliblaagje, is typische luxeceramiek uit de Romeinse periode 2de-3de eeuw. Vooral de pottenbakkersateliers uit Oost- en Centraal-Gallië kenden een grootschalige productie met een wijde verspreiding. (Archeoweb Antwerpen).

Net zoals bij terra sigillata wordt bij het zogenaamd gevernist aardewerk het oppervlak met een sliblaagje overtrokken. Door het aardewerk in een gesloten oven te bakken, zonder toevoeging van zuurstof, krijgt deze beker uit de 2de-3de eeuw een zwart, metaalachtig uiterlijk. De belangrijkste productiecentra van dit aardewerk bevinden zich in het Rijnland. (Archeoweb Antwerpen).

Deze kookpotten uit de 2de-3de eeuw in gewoon aardewerk zijn versierd met nagelindrukken op de rand, zigzaglijnen op de schouder en een oppervlakkige kamversiering op het onderste deel van de buik. Het zogenaamd Vlaams-Menapisch aardewerk is een typisch voorbeeld van een lokaal product uit de Gallo-Romeinse periode. (Archeoweb Antwerpen).

De fijne en zachte structuur van dit Gallo-Romeins kruikje uit de 2de-3de eeuw is verantwoordelijk voor de benaming zeepwaar. Naast grote amforen voor het transport van wijn en andere verbruiksgoederen, komen in de Gallo-Romeinse periode tal van kleinere kruikamforen voor met diverse functies. (Archeoweb Antwerpen).

Alhoewel de Romeinen een schitterende glasproductie kenden, waarvan talloze voorbeelden in graven werden teruggevonden, is deze kraal de enige Antwerpse glasvondst uit de 2de-3de eeuwse Gallo-Romeinse periode. De kraal kwam op de site stadsparking aan het licht. Het gaat om het oudste glazen voorwerp dat op het grondgebied van de stad Antwerpen werd gevonden. (Archeoweb Antwerpen).

Tijdens de opgravingswerken aan de Stadsparking worden twee soldatenschoenen gevonden (caligae) (naar Rombaut, 2006.08.08).
Uit deze 2de-3de eeuwse leren schoenzolen blijkt dat in de Gallo-Romeinse periode het schoeisel reeds uit twee afzonderlijke delen opgebouwd werd: de zool en het bovenleer. De ene schoenzool behoort tot een laarsje van een militair type, wat soms als argument voor het militaire karakter van het Gallo-Romeinse Antwerpen wordt aangehaald. (Archeoweb Antwerpen).

 

Rurale nederzettingen verspreid over gans het Antwerpse. Regionaal belangrijke "vici" in Kontich en Grobbendonk, kleine villa in Mortsel. (naar AVRA vzw).
De tempel in Kontich was een fanum, bestaande uit een cella en een porticus. Mogelijk werden in deze tempel ook Minerva en Venus vereerd. Getuige hiervan fragmenten van terracotta-beeldjes van deze beschermgodinnen van de vrouwen. (ArcheoNet, 9 april 2005).

170-171

Romeinse sestertius, geslagen onder keizer Marcus Aurelius. Op de beeldzijde is de keizer afgebeeld, op de andere zijde een vrouwelijk personage. In de Gallo-Romeinse periode ontstaat voor het eerst een echte monetaire economie waarbij gebruik wordt gemaakt van munten bij het aankopen en verkopen van goederen. (Archeoweb Antwerpen).
 

Alhoewel de naam Wilrijk zou zijn afgeleid van het Romeinse toponiem Villariacum, werd tot op heden geen spoor van een nederzetting of begraafplaats in Wilrijk teruggevonden. (Archeoweb Antwerpen).

210

Wijnegem : romeins openluchtheiligdom op de Steenakker (naar AVRA vzw).
Het openluchtheiligdom te Wijnegem was een vierkante constructie, waarvan de 30 m lange zijden bestonden uit palenrijen. Het overwicht aan waardevolle metalen voorwerpen zoals munten, bronzen armbanden en mantelspelden wijst op het bijzonder karakter van dit mysterieus bouwwerk. Mogelijk werden er goden vereerd in de vorm van antropomorfe houten palen. (ArcheoNet, 9 april 2005).

250 vóór

De Rupel, een kleine verwilderde rivier van slechts enkele tientallen meter breed, loopt in een grote bocht rond de 'Antwerpse' stuifzandheuvels. We 'weten' dat de Rupel tot in de 8ste eeuw de ring rond Antwerpen volgde en niet de huidige bedding van de Schelde. Thurnini wordt gesticht aan deze oude Rupelbedding waar de 2 Schijnen uitmonden in de Rupel en waar nu nog altijd Deurne is gelegen. (naar Miniatuurstad Antwerpen).
Noteer dat deze hypothese niet bevestigd wordt door geologische studies. (Alternatieve hypothese).

250 ca

Duinkerke 2 transgressie van de 2de of 3de eeuw tot de 7de of 8ste eeuw (Denis, 1992:83).
Begin Duinkerke-II transgressie. Zeepeil 0m. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

Nederzetting 'Thurnini' (Deurne) (Miniatuurstad Antwerpen).

250-270 ca

In de loop van de 3de eeuw komt aan de bewoning in Antwerpen een einde. (Archeoweb Antwerpen).
Waarom verdween de oorspronkelijke Antwerpse Gallo-Romeinse nederzetting, die van tamelijk bescheiden omvang was? De politieke crisis die het Romeinse rijk kende door de herhaalde invallen der Franken in de tweede helft van de derde eeuw, was er misschien de oorzaak van. De meeste munstschatten werden geborgen (en dus de villa's geteisterd) tussen de jaren 250 en 300. (zie kaartje I bij: De Maeyer R.: De Romeinse villa's in België. Ook in Algemene geschiedenis der Nederlanden, I tegenover p. 224) (naar Van Acker, 1975:10).
Een andere reden is echter waarschijnlijker: de Duinkerke II transgressie die het Scheldegebied overspoeld heeft. Er zijn immers uiterlijke tekenen op het vaatwerk (verspoeling) die erop wijzen dat het water de mensen hier verjaagd heeft. (naar Vandenborn in Van Acker, 1975:10).
De Romeinen verlieten onze streek toen Duinkerke 2 hun het leven zuur maakte, in de periode 260–275 n.C. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

Keizer Augustus schafte het druïdisme af en trachtte dit te vervangen door het Romeinse paganisme. Op het einde van de 3de eeuw, begin 4de eeuw kwamen de eerste christelijke geloofspredikers, zoals St-Servatius, naar onze streken (naar Van Mieghem, 1936:24,27).

268

Piraten blijven onze kust bestoken. De Duinkerke 2 transgressie vervolledigt hun vernietigingswerk. Muntschatten zoals die gevonden in Lichtervelde en Belsele getuigen van de heersende onrust. Geologische veranderingen bedreigen onze kust. De duinengordel wordt herhaaldelijk overstroomd. De bevolking moet de nederzettingen achterlaten. Festia (Vechten), de inschepingshaven voor Brittanië raakt overspoeld. De versterkte posten, bedoeld om de kusten tegen Frankische en Saksische invallen te verdedigen, worden verlaten. Deze transgressie van de zee heeft de overstroming van het Vlaamse platteland tot gevolg. (naar Struye, 1987:77).

280

De nederzettingen in het Antwerpse zijn nu volledig verlaten (naar AVRA vzw).

285

De Salische Franken overschrijden de IJssel en bezetten de Veluwe. Samen met de Saksen maken ze als zeerovers de Noordzee onveilig. (naar Struye, 1987:78).
De Salische Franken stoten door tot in Taxandria, in de huidige Kempen (Prims, 1977:8).

300 ca

De topografische kaarten, het Itinerarium Antonini van ca. 300 en de Peutingerkaart, oorspronkelijk uit de 4e eeuw, beschrijven de transgressiesituatie Duinkerke 2. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
Omstreeks het jaar 300 word ons kustgebied, samen met de hele Scheldestreek, onder water gezet door een zeetransgressie, de zogeheten Duinkerke II transgressie. Het duurt tot de negende eeuw eer het hele gebied opnieuw gecolmateerd is tot een niveau waarop het practisch niet meer overstroomd word (Ameryckx en Verhulst, 1958:4,11 in Van Acker, 1975:10).

300-309

De Salische Franken, die in Batavia en Toxandrië wonen, worden door eigen koningen geregeerd, en hebben een eigen rechtsstelsel, de Lex Salica. Hun verhouding tot Rome is vergelijkbaar met die van de Bataven vroeger: ze zijn niet belastingplichtig, maar wel verplicht soldaten te leveren. (Struye, 1987:82).

350 ca

Door de stijging van de zeespiegel trekken verschillende stammen uit de Lage Landen naar andere, hogergelegen streken. (Struye, 1987:87).

350-356

De Salische Franken, die als bondgenoten het grensgebied tussen de Rijnmonding en Nijmegen bewonen, maken van de heersende grensonlusten gebruik om naar Toxandrië af te zakken. (Struye, 1987:87).

358 ca

De Franken overrompelen onze streek. De Romeinse keizer Juliaan komt vanuit Lutetia aangesneld ter verdediging van het rijk. Ter plaatse aangekomen staat hij de inwijking van de Franken echter toe (Ammianus Marcellinus in Prims, 1977:8).

391

Het christendom wordt onder Theodosius I staatsgodsdienst (Herm, 1979:311).

400-600 ca

Omstreeks 400 doet de zee weer een grote aanval op het binnenland (Duinkerke-II transgressie) (Van Bladel, 1989:97).
Vóór Duinkerke 2 zich in Vlaanderen manifesteerde en de zee dus de 0m grens passeerde, moeten meer in het noorden reeds hele streken geleidelijk overstroomd zijn. De daar toen verblijvende mensen werden voortdurend zuidwaarts door het water opgejaagd. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

De volksverhuizing begint: de Chamanen dringen de Saliërs voort. Vanuit Taxandria richting westwaarts, naargelang de Kempische hoogten het toelaten, of de moerassige valleien hen dwingen. En waar de gunstige gelegenheid wordt ontdekt komt er een heim, een sala. Rond Antwerpen, binnen een kring van 15 km, ontstaan er 30 heims en 8 sele's. Enkele daarvan brengen het tot dorp, andere tot hamellus, de meeste blijven landbouwhoeven tot ze in de XIIIe eeuw riddergoed worden. (Prims, 1977:8-9).

Het Frankische land was verdeeld in pagi: ten noorden van ons: pagus Scaldis, het land van Stryen reikte nog tot 1097 tot Ekeren en Schoten; Antwerpen lag in pagus Renensium, het land van Ryen; overzijde Schelde: pagus Wasiae (Prims, 1977:9).

406

Wandalen en Suëven komen de Rijn over, zoals de Gothen over de Donau. In onze gewesten zijn het de Saalfranken, die van het noorden (de Yssel) naar onze gewesten trekken, maar ze hebben de Friezen weinig of niet verontrust. (Prims, 1952:20).
De Salische Franken maken van de volksverhuizingen gebruik om geleidelijk naar het zuiden af te zakken. (Struye, 1987:95).

431

De Franken dringen door tot in onze streken en veroveren Doornik (Stuyck, 1987:15).

451

De Saalfranken, met Merwig, verslagen, samen met de Romein Aëtius, de aanstormende horden van Attila en de Hunnen, in de Catalannische velden, in Champagne, bij Châlons (Prims, 1952:20).

476

Val van het Romeinse Rijk (Schoups, 2005:19).

481

Chlodovec (Clovis) volgt zijn vader Childeric op (Schoups, 2005:19).

530 ca

Koning Theodebert van Austrasië slaat de Noormannen die de Scheldemonding bedreigen krachtig terug. Die Noormannen komen uit het verre Noord Europa en noemen zichzelf Denen, Noren of Zweden. (Struye, 1987:116).

560

Broechem, Borsbeek, Grobbendonk : Merovingisch grafveld (naar AVRA vzw).

570 ca

Met de steun van de Friezen, de aartsvijanden van de Saksen en Chaucen, drijven de Franken onder leiding van graaf Lupus (Wolf) de Saksen en de Denen terug die de monding van de Schelde bedreigen. Bij ons, en vooral in Austrasië worden die mannen van het noorden, 'Nordman' genoemd, zoals alle Germanen aan deze zijde van de Elbe ze noemen. Veel van hen zijn rondzwervende krijgers die zich in een 'hird' (militaire clan) organiseren. Onder de leiding van hun koningen schuimen ze met hun schepen de zeeën af en plunderen de kusten ten zuiden van hun grondgebied. (naar Struye, 1987:116).

590

Geboorte van Elooi (Eligius). Leefde tot 660 (Schoups, 2005:20). Vooraleer Elooi priester werd werkte hij als goudsmid. Hij was ook raadsheer van één der Merovingische vorsten geweest. (Schoups, 2005:21).

600 ca

Uiteindelijk zorgde Duinkerke 2 dat het zeepeil ook de +5 m grens passeerde en het hele Vlaamse plateau voor lange tijd in zee veranderd werd. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
Einde van de stijging van de zeespiegel van de Noordzee. Terwijl de kreken van het Zwin, de IJzer en de Aa nog diep wegzinken, raken de kusteilanden stilaan weer met elkaar verbonden. De polderstreek verrijst met haar moerassige slikken, die af en toe toch nog bedreigd worden door de zee. Van de schorren wordt al opnieuw gebruik gemaakt door de schapen te laten grazen op de vruchtbare weiden. (naar Struye, 1987:120).

Botsing tussen Friezen en de Frankische wereld: het zijn Oost- of Ripuarische Franken die van uit het Luikerland tot bij de Beneden-Schelde hun macht doen gevoelen (Prims, 1952:20-21). Er ontstaat een gespannen toestand tussen de Friezen, welke nog immer het heidens geloof aankleven, en de verschristelijkte Franken (Dierickx, 1954:22).

In 2001 werd de vondst van 2 potjes uit de Merovingische tijd in de gemeente Broechem (Ranst) gemeld. Van september 2001 tot october 2002 werd het terrein onderzocht, waarbij een grafveld uit de Merovingische periode (6de-7de eeuw) werd gevonden. (naar AVRA vzw).

625 ca

Vanaf de VIIe eeuw predikt Sint Amandus op de Scheldeoevers (Dierickx, 1954:61). De Aquitaanse monnik Amandus komt aan in de streek van de Schelde en de Scarpe, in de pagus van Gent of op de eilanden in de Scheldemonding. Hij komt daar tegenover ruw volk te staan dat nog de natuurelementen vereert. (naar Struye, 1987:122).

638-678

Tussen 638 en 678 was Amandus erg actief in onze streken (Schoups, 2005:21).

639 vóór

Zendeling Amandus sticht nabij het castrum Ganda (Gent), aan de samenloop van de Leie en de Schelde, twee kloosters, waarvan één, op de Blandijnberg, wordt gewijd aan Sint Petrus. (naar Struye, 1987:124).

639

Dood van Pepijn van Landen, de Austrasische hofmeier. Hij is de aartsvader die het Land van Rijen en het Land van Strijen regeerde. Met de oude Pepijn begon de verchristelijking en het conflict met de heidense Friezen. (Prims, 1952:21).

641-645

In 641 wordt Eligius bisschop van Noyon-Doornik (Prims, 1977:10).
Van 641 tot 645 predikt Eligius te Andoverpis (of Andouerpis; spreek uit als Antwerpis; noteer meervoudsvorm (Dado ca 700 in Prims, 1977:7)) en in het bisdom en sticht er kerken (Dado in Prims, 1977:10). Maar: Antwerpen lag niet in het bisdom van Eligius...

648-649

Amandus wordt het bisschopsambt toevertouwd door de Austrasische hofmeier Grimoald. (naar Struye, 1987:127).

650 ca

Einde Duinkerke-II transgressie. Zeepeil terug op 0m. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

Bisschop missionaris Amandus arriveert te Antwerpen (Prims, 1977:11).
De streek van Antwerpen is één van de laatste missiegebieden voor Amandus na zijn episcopaat te Tongeren-Maastricht. Hij sticht er een abdij. (Struye, 1987:127).

650-700 ca

Op de plaats waar nu de Sint-Joriskerk staat werd een eerste gouden munt gevonden uit de periode van 650 tot 700. Een tweede gouden munt van 1,25 gram werd gevonden bij het fort van Bath. Op de munt prijkt een keizerlijke buste uit de laat-Romeinse tijd met de vermelding 'Anderpvs' en op de keerzijde de naam 'Chrodigisil'. Dit opschrift laat vermoeden dat er in Antwerpen een muntatelier was - het slaan van munten was een bijzonder voorrecht dat alleen de vorsten konden verlenen. (Schoups, 2005:21,22).

650-660 ca

De missionering van ons land vangt reeds aan ten tijde van Clovis en wordt een eerste maal doorgevoerd tot in de VIIIe en IXe eeuw (Dierickx, 1954:61-62). Amandus beveelt te Antwerpen de bouw van een kerk (naar Prims, 1977:14). Amandus verschijnt op onze Scheldeoevers en wordt verstoten door de bevolking van Caloes-Antwerpen, zodat hij zijn bedehuis moet optrekken in het 'Antwerpo castello', binnen de Antwerpse Frankische versterking (Prims, 1952:21). Tot ca 660 verblijft Amandus met zijn volgelingen op een klein eiland in de Schelde: het nooit teruggevonden Chanelaus (Haneloo? of Calloo?) (Prims, 1977:11).

651-652

Amandus ziet af van het bisschopsambt. De moeilijkheden van zijn taak zijn bekend. Men had gehoopt dat de interventies van de nieuwe paus Martinus I, tot betere resultaten zou leiden. Het is nu uitkijken naar de keuze van zijn opvolger. (naar Struye, 1987:127).

660 ca

Ca. 660 was het gebied ten zuiden van Antwerpen in bezit van een zekere graaf Witger. Zijn dochter, Reinilde, erfde het ganse gebied. Zij schonk het gebied aan de Henegouwse Benedictijnerabdij van Lobbes. (naar Van Bladel, 1992:117).

Amandus verkondigt het evangelie in de zuidelijke Scheldevallei rond Antwerpen. Amandus tracht de inwoners van het Schelde-eiland 'Chanelaus' te bekeren. Bedoelt de auteur van Het leven van Sint Amandus Kaloes, ten zuiden van Antwerpen? Een ander document leert dat Amandus een kerk heeft opgericht dicht bij de Schelde, opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus, 'infra castrum Antwerpis'. Overblijfselen getuigen dat op deze plaats tijdens de Gallo-Romeinse periode wallen waren opgetrokken. Waarschijnlijk waren die bedoeld als bescherming tegen de Saksische en Herulische invallen tijdens het laat-Romeinse keizerrijk. (naar Struye, 1987:127).

690

Willibrordus (leefde van 658 tot 739) kwam vanuit Engeland (Northumbrië) naar het noorden van Nederland (Schoups, 2005:21). Willibrordus met 11 metgezellen in Friesland (Prims, 1977:13).

692

De pagus Renensium wordt vernoemd. (Struye, 1987:131).

693-694

Confirmatio van oudere carta gegeven sub Clodoveo rege: begiftiging aan heer Rohingus (Theodoricus 1190-1191 in Prims, 1977:12).

694

Er wordt met muntstukken gewerkt, 'triens' genaamd, die de 'Anderpus'-stempel dragen. Naar Merovingische munttraditie wordt zo het atelier aangegeven waar de munten worden geslagen. De aanwezigheid van een muntatelier wijst op de economische bedrijvigheid en het administratief belang van Antwerpen.
Rohing en zijn vrouw Babelina dragen de kerk van Antwerpen, die Amandus gesticht heeft ca 650, over aan Willibrordus, prediker van de Friezen. Rohing voegt aan deze gift nog een villa en eigendommen toe, waaronder een inningscentrum.
Antwerpen is dus het centrum van een 'pagus' en beschikt over een 'portus', een handelswijk waar de buitenlandse goederen in transito liggen. (naar Struye, 1987:131).

700 ca

Omstreeks 700 is de zee weer volledig teruggetrokken en nemen de Friezen, die door het water van hun eilanden in Friesland waren verdreven, de kustvlakte en de oevers van de benedenloop van de Schelde in (naar Van Bladel, 1989:97).
De "Willibrordregressie": zeepeil -5m. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
Dado, later Auduenus (S. Ouen), geschiedschrijver van Noyon (p.11), beschrijft het leven van bisschop Eligius in zijn 'Vita Eligii' (p.7) (Prims, 1977:10): "Jugi instantia Andoverpis decertavit... Andoverpenses..." (Prims, 1977:646).

700-730

Het eiland Chanelaus in de Schelde (Van Acker, 1975:13).

710

De overwinning van Karel Martel op Radbod (Prims, 1977:14), koning der Friezen.

714

Dood van Pepijn van Herstal, die de Frankische heerschappij op onze Schelde verzekerde (Prims, 1952:21). Met Pepijn van Herstal was de Frankische in bezit name van de Schelde een feit (Dierickx, 1954:22).

718

De monnik Pirmin (Pirminius), sterk beïnvloed door het Keltische christendom en afkomstig uit de omgeving van Narbonne, mogelijk van Visigothische afkomst, wordt te Antwerpen abt van het klooster Quortolodora en, samen met zijn leerlingen, de bedienaar van de burchtkerk (later de Sint Walburgiskerk genoemd) [nvdr.: betwistbaar: de burcht werd pas gebouwd ca 950]. Na enkele jaren wordt hij door de plaatselijke heer Rohingus overgeplaatst naar Thommen, bij Sankt Vith in de Ardennen. (Wikipedia).

719

Bij de dood van de Friese koning Radbod is de Friese weerstand voor goed gebroken. (Prims, 1952:21). Zijn onderdanen worden zachtjes aan en geleidelijk opgeslorpt en erkennen hun nieuwe Frankische meester. (naar Dierickx, 1954:22).

720 ca

Willibrordus keert terug naar Antwerpen (Prims, 1977:14).

726

Vernieuwing van de confirmatio van 693 aan heer Rohingus: heer Rohingus van de koninklijke villa te Weimodo heeft gezag over een castellum aan de Schelde (Theodoricus 1190-1191 in Prims, 1977:12).
20 October. - Liber aureus Epternacensis te Gotha, fo 43; MF I, 10; reproductie in Stockmans, Deurne en Borgerhout, 1, blz. 60. Bevestiging door Rohingus van zijn gift der Antwerpse kerk met het derde van de tol aan Willibrordus. Betwist stuk.
Zonder datum. - MF I, II, Stockmans, Deurne en Borgerhout, 1, blz. 75. Rohingus geeft aan de kerk van Antwerpen zijn villa van Sprusdare en van Windelichun. Betwist stuk.
726. - MF, I, II. Testament van S. Willibrordus, met de vermelding der giften van Rohingus. Betwist stuk. (Prims, 1977:656).
In de biografie van Elooi, die dateert van 726, wordt Antwerpen vermeld als 'Andouerpenses' en 'Andouerpis'. Deze oude Antwerpse nederzetting bevond zich zeker niet op de plaats waar nu het Steen staat. (Schoups, 2005:21,22).
Archeologische vondsten brachten aan het licht dat, nog voor de bouw van de Antwerpse burcht, er een 'castrum' bestond. Het Antwerpse centrum komt voor het eerst voor in een charter uit 726-727. Het zou een met aarden wallen omgeven vesting geweest zijn, gebouwd door de Merovingers. Het castrum word in 836 door de Noormannen verwoest. (naar Van Loon 1982 in Stuyck, 1987:17).

739

Overlijden van bisschop Willibrordus

741 na

Met Pepijn, zoon van Karel Martel, wordt het Frankische rijk Karolingisch (naar Herm, 1979:312).

750 ca

De Schelde verplaatst zich naar zijn huidige bedding (Miniatuurstad Antwerpen).

 

Hypothetische evolutie van de Scheldebedding in 5 fasen in lijn met de geologie van de ondergrond. Blauw = oorspronkelijke bedding met 2 kleine meanders: stroomopwaarts een westelijk kronkelende bocht en stroomafwaarts een oostelijk slingerende lus. Rood = de twee meanders bereiken hun maximale west-oost amplitude; in de oostelijke meander monden de twee Schijnen uit; de beddingen van de lussen naderen elkaar ter hoogte van de 'aanwerp' te 'Antwerpen'. Groen = de stroomopwaartse meander breekt door, waardoor de bocht wordt afgesneden en een westelijk gelegen ringvormig meer wordt gevormd dat geleidelijk aan verlandt. Geel = door het verhoogde waterdebiet breekt ook de stroomafwaartse meander door en een westelijk gelegen ringvormig meer wordt gevormd. Zwart = huidige bedding.

751

Hofmeier Pepijn III, alias Pepijn de Korte, maakt door een staatsgreep een einde aan het gezag van de Merovingers (Schoups, 2005:19).
Pepijn de Korte start onderzoek naar het invoeren van de tienden als stadswet (Prims, 1952:29).

760 ca

De Benedictijnen van Deurne ontdekken een nieuwe geschikte locatie aan de verlegde rechter Scheldeoever en bouwen er een nieuwe vooruitgeschoven nederzetting die ze de naam "ANVERPIA" geven (naar Miniatuurstad Antwerpen).

763

Pepijn de Korte voert de tienden in als algemene verplichting (Prims, 1952:29).

768

Dood van Pepijn de Korte (Prims, 1952:29).

770 ca

De Benedictijnen leggen de Aiendijk aan ( Eiendijk, Ayendijk) (Miniatuurstad Antwerpen).

800 (vóór)

Voorheen bestond de gewoonte dat de gelovigen vrijwillig een tiende der opbrengst van akker- en nijverheidsproducten afstonden aan de parochie. Karel Martel had zich in zijn strijd tegen de Sarracenen evenwel verplicht gezien de hand te leggen op alle kerkelijke goederen ten einde met de opbrengst ervan een ruiterij te creëren om de Muzulmannen te verslaan. (Dierickx, 1954:63).

800-850 ca.

Graaf Everaard bezit ons graafschap (Prims, 1952:26).
Graaf Evrard bezit de gouw "Rijen" (die reeds vanaf de VIIe eeuw voorkomt), dat zich uitstrekt over een gebied begrepen tussen een lijn lopend van Antwerpen tot Herentals en de twee Neten, dus tussen het land van Strijen in het Noorden (met Breda en Bergen op Zoom) en het land van Mechelen in het zuiden (Dierickx, 1954:24).

In 1997 spitte Johan Veeckman van de archeologische dienst van Antwerpen op de Koraalberg de oudste Antwerpenaar op, een schedel uit de negende eeuw (GVA).

De Koraalberg bevindt zich op het hoogste punt van de Antwerpse kernstad. De ligging is mede verantwoordelijk voor de vroege bewoning op deze plaats. Bij archeologisch onderzoek in functie van nieuwbouw voerde de stedelijke afdeling archeologie in 1996-97 intensief noodonderzoek uit. Op de site troffen de onderzoekers een skelet van een jongeman aan, de 'oudste Antwerpenaar', daterend uit de 9de eeuw. (Archeoweb Antwerpen).

800

Karel de Grote (zoon van Pepijn de Korte (Schoups, 2005:19)), die de Franken en het grootste deel van de Germanen in één rijk heeft samengevoegd, wordt op kerstdag tot keizer gekroond (Dierickx, 1954:23).
Als resititutie voor de geroofde eigendommen maakte Karel de Grote het betalen der tienden aan de parochies verplichtend. De tienden waren een compromis tussen kerk en staat, ontsproten aan de Karolingische wetgeving (IXe eeuw). (Dierickx, 1954:63).
De tienden van de bebouwde landen waren voor een deel bestemd voor de opbouw en onderhoud van de kerken (of voor de vrijkoop der gevangenen (cf. Dierickx, 1954:64)), een deel was bestemd voor de priester die de kerk bediende, en het derde deel om de armen te ondersteunen. (naar Kuyl, 1866:68-69).

806

Overstroming de Sint-Thomasvloed (naar Stuyck, 1987:47).

811

Antwerpen riviertol.
Lodewijk de Vrome, enige nog overblijvende zoon van Karel de Grote, heeft 3 zonen (Prims, 1977:15).

816

Lodewijk de Vrome wordt tot keizer van het Frankische rijk gekroond (Schoups, 2005:10).

817

Lothaar, oudste zoon van Lodewijk de Vrome, regeert mede (Prims, 1977:15).

818

Keizerin Irmingard sterft (Prims, 1977:15).

819

Lodewijk de Vrome hertrouwt met Judith (Prims, 1977:15).

821

Het oudste dorp Saefthinge werd door Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote, aan de bisschop van Utrecht geschonken (Van Bladel, 1989:101).

823

Lodewijk de Vrome krijgt vierde zoon. Judith zaait verdeeldheid tussen vader en drie oudste zonen (Prims, 1977:15).

826 - 850

Heriold de Jonge, aan het hoofd van de Noormannen, is heer en meester over het gebied tussen de Rijn en de Schelde (Schoups, 2005:10).

830 ca

Het eiland Caloloo in een voor de schippers gunstig gelegen bocht van de Schelde (Van Acker, 1975:13).

831-834

De ruzies tussen de zonen van Lodewijk de Vrome leiden tot burgeroorlog (Prims, 1977:15).

834

De Noormannen verwoesten Duurstede en Witlant aan de monding van de Maas (Friesland) (Prims, 1977:15).

836

De Noormannen varen de Schelde, het Schijn en de Rupel op en vernielen Antwerpen, Deurne en Rumst. Antwerpa civitas verbrand (cf. annalen Fulda); Andoverpum oppidium verbrand (cf. annalen Gemblours) (Prims, 1977:15).
In september 836 noteert een monnik van de abdij van Fulda, in 744 door Bonifatius opgericht in Duitsland, in zijn jaaroverzicht: 'Nordmanni Andwerpam civitatem incendunt' (de Noormannen hebben Antwerpen in brand gestoken). De brandstichting staat ook vermeld in de 'Chronicon universale' van de monnik en historicus Sigisbertus van Gembloers. (Schoups, 2005:9). Tot nu toe zijn in de bodem van Antwerpen en omgeving geen archeologische sporen van verbrande nederzettingen uit de 7de tot de 9de eeuw gevonden. (Schoups, 2005:10).
Het Antwerpse houten castrum wordt door de Noormannen verwoest (naar Van Loon 1982 in Stuyck, 1987:17) (model castrum naar Miniatuurstad Antwerpen).

Na 836 ontstaat in Antwerpen een nieuwe woonkern. De nieuwe vestiging ligt gedeeltelijk op de plaats van het huidige Steen en het Steenplein. (Schoups, 2005:15).
Bij opgravingen rond het Steen in 1952-1961 werden 9e eeuwse overblijfselen van een versterking aangetroffen (naar Suykens et al. 1986 in Stuyck, 1987:17).

838

De stormvloed van 26 december 838 was een voorbode van de Duinkerke 3 transgressie. (gewijzigd naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
De pleistocene landrug, 100.000 jaren oud, die Hulst met Saeftinge verbond, wordt doorbroken en de zee dringt via een oostwaarts lopend veenriviertje, de Honte, door tot boven Antwerpen. Deze doorbraak scheidde Zuid-Beveland van Zeeuws-Vlaanderen (Van Bladel, 1989:95), die beide behoorden tot Keizerlijk Vlaanderen (Van Bladel, 1989:97).

840

Karel de Kale wordt koning van de Franken (Schoups, 2005:15).

843

Na jaren broederoorlog tussen de zonen van Lodewijk de Vrome : vrede van Verdun. Het rijk van Lodewijk de Vrome wordt verdeeld in 3 rijken : Westland of Neustria (inclusief Vlaanderen), het Oost-Frankisch rijk, en het land van keizer Lothaar (inbegrepen Rome, Aken, "België" vanaf bisdom Kamerijk, de Schelde = westergrens tot oostwaarts de Weser. (Prims, 1977:15-16).

850-1050

De invallen en plunderingen der Noormannen vóór 850 en hun expidities in de Scheldevallei rond 850-852, maken een einde aan de kerstening (Dierickx, 1954:62).
Wilrijk (inclusief Hoboken) kwamen tijdens de Noormannentijd in handen van wereldlijke heren (Van Bladel, 1992:117). Of waren dat al sinds Karel Martel?
Na 850 kwamen er huizen en straten in Antwerpen. (Schoups, 2005:25). Vanaf ca 850 tot 1050 worden de alleroudste straten te Antwerpen met houten balken en planken gelegd.

855

Door de dood van Lotharius I (zoon van Karel de Grote) wordt het middendeel van het rijk van Karel de Grote (vanaf de Schelde tot de Beneden-Maas en de Rijn) verdeeld in drie stukken. Het noordelijk gedeelte er van (dat onder meer geheel ons land ten oosten van de Schelde omvatte) werd nu geregeerd door Lotharius II (Dierickx, 1954:23). Lotharius II (855-869) erfde van zijn vader het land tussen Schelde en Rijn, zich uitstrekkend van de Noordzee tot de Jura. Het was zo verscheiden van landstreken dat men het kortweg 'Lotharii regnum' of Lotharingie noemde. Maar we vernemen van bepaalde gewesten en o.m. luidt het 'in Bracbanto comitatus quator'. Een van deze 4 graafschappen van Brabant is Taxandrie. Naar alloude gallo-romeinse indeling vormde de landdekenij van Antwerpen daarin het kleine pagus Renensium of Pagus Riensis, d.i. het land van Rijen. (Prims, 1952:26). Het Rijk van Lothaar II wordt bij "Duitsland' gehecht. Het graafschap Antwerpen behoort tot het onderdeel "Brabant". (Dierickx, 1954:24).

875

Karel de Kale wordt keizer van de Franken (Schoups, 2005:15).

879-885

In de jaren 879-885 vertoeven de Noormannen nog steeds in de Scheldestreken. Nadat de rust volledig hersteld is beleeft "België" een tweede periode van evangelisatie. Vanaf het einde der IXe eeuw tot in de XIIe eeuw worden kapittels, landdekanaten, aartsdiakonaten en parochies gesticht. (Dierickx, 1954:62).

880

Gontso, een personeelslid van de Sint-Baafsabdij, vlucht uit Gent naar Antwerpen. Al was Antwerpen nog maar een gehucht, een 'vicus', het was blijkbaar een veilig toevluchtsoord. (Schoups, 2005:22).

891

De Noren worden door Arnulf te Lovonnium (Leuven) definitief verslagen (Theodoricus 1192 in Prims, 1977:16).

900 ca

Na de Noormannentijd werden de wereldlijke heren, op straf van excommunicatie of uitsluiting uit de kerk, verplicht de 'onwettig' verworven goederen aan de kerk terug te geven. Volgens Van Passen (1982) bekwam de Sint-Baafsabdij Wilrijk (inclusief "Hoboken") ofwel als eerste schenking, ofwel als restitutie. Later zou dan de Sint-Baafsabdij de kapel van "Hoboken" hebben geschonken aan het bisdom Kamerijk. (naar Van Bladel, 1992:117).

Eb en vloed dringen nu door tot Antwerpen (Miniatuurstad Antwerpen).

De 'capella de hobuechen' is vermoedelijk uit dankbaarheid gebouwd door vissers afkomstig van Antwerpen, die hoogst waarschijnlijk op de uitgestrekte waterpartijen te Hoboken, waar later de polder zou ontstaan, ruim aan hun trekken kwamen qua visvangst. Het plaatsen van deze kapel kunnen we terugbrengen tot het begin van de 10e eeuw, na 891 wanneer de Noormannen zwaar worden verslagen te Leuven door de Oost-Frankische koning Arnulf. (naar Corremans, 2006).

Een ontoegankelijke woeste heide scheidt de aan de oever van de Schelde hoog gelegen 'Hobokense' dorpskern van die van Wilrijk. Via ten minste één pad, mogelijk twee paden, is deze dorpskern bereikbaar vanaf de Schelde. Een voor de hand liggende aanlegplaats voor vissersbootjes is de Kille, een natuurlijke inham van de Schelde. Vanaf de Kille leidt een pad (nu Kapelstraat), een beek volgend, naar de hoger gelegen dorpskern (nu Kioskplaats). (gewijzigd naar Corremans, 1987:7). Een tweede voor de hand liggende aanlegplaats bevindt zich vermoedelijk aan de noordelijke oever ter hoogte van de verlengenis van de huidige Berkenrodelei. Noteer dat de +5m hoogtelijn ongeveer overeenkomt met de toenmalige vloedlijn (hoogwater).

923

Lotharingen word bij het Duitse rijk gevoegd. De Schelde dient nu als nieuwe grens tussen Frankrijk, gelegen op de linkeroever, en het Duitse rijk, op de rechteroever. (Miniatuurstad Antwerpen).

950-980

Ca 950 bouwt Keizer Otto I een burcht aan het huidige Steenplein als strategisch bastion op de westelijke grens van zijn Duits imperium (Heilige Roomse Rijk) tegenover de Franse invloedsfeer op de linker oever (naar Stuyck, 1987:17; naar Miniatuurstad Antwerpen). Aan de zuidkant van deze burcht onstaat later de kern van Antwerpen. Lithografie van Fourmois naar J.Stordiau. (naar Stuyck, 1987:18).

In de periode 950-980 werd er in Antwerpen vermoedelijk een aarden wal opgetrokken, elf meter breed en waarschijnlijk zes meter hoog. Het grondvlak lag vier en een halve meter onder het huidig straatniveau. Deze wal liep in een cirkel van het huidige Steen naar het Vleeshuis. Verder volgde de binnenzijde van de gracht het traject van de huidige Burchtgracht terug naar de Schelde. (Schoups, 2005:25).

954

Inval van de Hongaren: strooptocht van Maastricht tot Aalst (Prims, 1977:16).

955

Nederlaag van de Hongaren (Prims, 1977:16).

969

Graaf Ansfrid, is met Hilsondis, 'comitissa terrae de Strijen', gehuwd. Rijen en Strijen kwamen aldus in één hand. Enige dochter Hilsondis sticht de abdij van Thorn en haar dochter wordt de eerste abdis. Ansfrid wordt keizerlijk bisschop van Utrecht en zijn vrouw kloosterzuster te Thorn. Meteen verdwijnt graafschap Taxandrie. Keizer Hendrik II splijt het markgraafschap Antwerpen uit, dat hij toevertrouwt aan Gothelo, een van de jongere zonen van Godfried van Verdun. (Prims, 1952:26).
Graaf Ausfrid, getrouwd met Hildsondis, gravin van Strijen, wat dus een versmelting van Rijen en Strijen voor gevolg heeft, worden geestelijken, evenals hun enige dochter, wat het einde betekent van dit graafschap (Dierickx, 1954:24).

978

Tractaat van Margut-sur-Chiers, gesloten tussen Frankrijk en het Duitse Rijk, de Schelde wordt als scheidslinie genomen tussen Neustrië en Lotharingie [Lotharingen].

980

Antwerpen wordt de hoofdplaats van het markgraafschap, en Otto II schakelde de stad in de grensverdediging van het Duitse Rijk in. Een castrum werd opgetrokken ter hoogte van het huidige Steen. Aan de zuidelijke voet van de burcht werd, langsheen de Schelde, de Vismarkt aangelegd. (ArcheoNet).

Bisschop Notker van Luik schrijft een brief aan abt Womar van de Gentse Sint-Baafsabdij over een mirakel dat gebeurd was in de burcht, 'castro/castrum', van Antwerpen. De heilige Landoaldus had er een man van zijn aanvallen van krankzinnigheid verlost. (Schoups, 2005:22,25).

1000

Middeleeuwse angst voor de ondergang van de wereld.

Antwerpen wordt, na Ename en Valenciennes, de derde mark langs de Schelde. (Schoups, 2005:25).

De wal rond de burcht te Antwerpen is afgewerkt (naar Schoups, 2005:25).

1000-1099

Translatio sti Baronis: "Puella quaedam, Meinswidis nomine, Andwerpis adulta, corpore contracta".
Miracula sti Trudonis: Een meisje uit Inwerpis wordt te S.Truiden genezen.
Vita stae Berlindis: "Hujus pater Odelardus comes fuit inter Antwerpiam et Condacum".
Annales Fuldenses: "Nordmanni Antwerpam civitatem incendunt".
(Prims, 1977:646).

1000-1180

Rondom het Antwerpse castrum ontwikkelde zich in de elfde eeuw het burchtdorp met ook handelswijken zoals de Kraaijwijk. Dit burchtdorp werd verdedigd door een Ruiengordel en is dan ook beter bekend als de Ruienstad. (ArcheoNet).

Tussen 1000 en 1180 zorgden de bewoners ervoor dat een watersingsel de stad bescherming bood. Ze maakten gebruik van het aanwezige water en van het reliëf om een gebied af te bakenen met als zuidelijke grens de huidige Suikerrui en als noordelijke grens de latere Holen- of Kolenvliet. De landrug van de Schelde naar de Braderijstraat, Oude Beurs en Wolstraat zorgde voor de bescherming in het oosten. De cirkel werd gesloten via de huidige Kaas- en Jezuïetenrui. Van een omwalling met muren en poorten was nog geen sprake. De omwalde burcht was 2,5 hectare en het grondgebied binnen de watersingel werd zo'n 20 hectare groot. (Schoups, 2005:26-27).

1003

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Wilrijk (Schoups, 2005:22).
Op basis van een Sint-Baafsdiploma is Hoboken een 'appendicia' van Wilrijk (naar van Passen, 1982:26).
Artistieke impressie door Wilfried Hooftman van de visserskapel, de 'capella de hobuechen', bij hoog water op basis van een foto van een houten schaalmodel van de kapel gebouwd door Eddy Van Honsté. Op de voorgrond enkele aanmerende vissers aan de oever van de Schelde, op de achtergrond de 'woeste heide van Hoboken'. Bemerk de op de hoge oever nog jonge aangeplante beuken aan de aarden graven links achter de kapel, die later geleid hebben tot het onstaan van de naam Hoboken (naar Janssens & Corremans, 2006).

1008

12 september 1008: 'comitatus Gotizonis comitis (Gothelo) qui Antwerf dicitur'. Het was de keizer te doen om de verzekering van de westergrens van het keizerrijk, met welk groot werk Otto I was begonnen. (Prims, 1952:26-27). Koning Hendrik schenkt aan de bisschop van Luik het jachtrecht in het Waverwald "in comitatus Gotilonis comitis qui Antwerf dicitur" (Prims, 1977:646).

1019-1030

Othebold, abt van St-Baafs vermeldt bij zijn goederen: "in comitatu Antwerpensi, villam Buocolt" (Prims, 1977:646).

1023

De titel 'marchio' (= markgraaf) verschijnt. Voortaan spreekt men van het 'marchionatus Antwerpensis'. (Prims, 1952:27).
Gothelo I, van het huis van Verdun (van de Ardennen), zoon van Godfried van Verdun, jongere broer van Godfried I van Lotharingen, verwerft het markgraafschap Antwerpen (tot markgraafschap verheven door Hendrik II) onder de titel Markgraaf van het Rijk (Dierickx, 1954:24; Prims, 1977:125).

Markgraaf Gothelo I wordt genoemd als voorname dijkbouwer en inpoldenaar ten noorden van Antwerpen. Hierdoor dringt de getijgolf van de Noordzee dieper het Scheldebekkn en dus het land in. Rond de 11de-12de eeuw bereikt de getijgolf de Rupel. (naar Stuyck, 1987:24).

1044-1046

Na de dood van Gothelo I gaat het markgraafschap Antwerpen over op zijn jongere zoon Gothelo II (Prims, 1977:125).

1050 ca

Duinkerke 3 transgressie van de 11de tot de 12de eeuw (Denis, 1992:83).
Begin van de eerste fase van de derde Duinkerke transgressie van de zee (D III A) (naar Verhulst in Van Acker, 1975:10).
Merk op: door het steigende zeeniveau tijdens elke transgressie verhoogt de invloed van de getijden op het binnenland. Het binnenland wordt dus 2 maal per dag telkens tijdens vloed overspoeld.
Vanaf ca 1000 proberen de kust- en deltabewoners zich door dijkaanleg tegen de dagelijkse overstromingen van de zee te beschermen. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).
De Duinkerke-III A transgressie verbreedde de Honte en schuurde ze verder uit. (Van Bladel, 1989:100). Zeepeil +2m. (naar Bruijnesteijn van Coppenraet, W.).

1055

Historia monasterii Hasnoniensis: "Unde Balduinus ..Antwerpenses fines aggredi parat". Verhaal der zelfde gebeurtenissen in andere kronieken. (Prims, 1977:646).

De Vlaamse graaf Boudewijn V onderneemt een expeditie tegen het Antwerpse 'castrum'. De woningen die zich buiten de burcht bevonden werden in de as gelegd. (Schoups, 2005:26).

1065-1069

Toen Gothelo stierf gaf Hendrik III het markgraafschap aan Godfried met den Baard van het huis van Verdun (der Ardennen) (Prims, 1952:27). Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Godfried met de Baard (Godfried II van Lotharingen) (die evanals Gothelo I uit de dynastie van Verdun afstamt: oudste zoon van Gothello I, huwt Beatrix, weduwe van de hertog van Toskanen) (Dierickx, 1954:24; Prims, 1977:125).

1069-1076

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Godfried met den Bult (Godfried III van Lotharingen) (zoon van Godfried met den Baard, huwt met Mathildis van Toskanen, zijn halfzuster) (Dierickx, 1954:24; Prims, 1977:125).

1071

In het Vlaamse Land van Waas, te Melsele, rekent men met Antwerpse 'denieren'. Antwerpen sloeg dus een eigen munt. (Schoups, 2005:27).

1076-1089

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Koenraad, zoon van keizer Hendrik IV (Prims, 1977:125).

1079

Het Derde Concilie van Lateranen (gehouden in 1173 (cf. Kuyl, 1866:69)) verbiedt dat de tiendebezitters hun opbrengst nog verder zouden overmaken aan hun nakomelingen op gevaar van in de kerkban geslagen te worden (Dierickx, 1954:64). De tienden moesten hun vorige bestemming terug krijgen (naar Kuyl, 1866:69). Uit vrees schonken vele leken er dan een deel van weg of verkochten ze. Zo kwamen de meeste tienden in de handen der abdijen, doch hun oorspronkelijke bestemming kregen ze niet meer terug. (Dierickx, 1954:64).
In de restitutieperiode werd "Hoboken" echter niet teruggeschonken aan de abdij van Lobbes, maar aan de kerk in de persoon van de bisschop van Kamerijk, vermoedelijk tussen 900 en 1100. (naar Van Bladel, 1992:117).

1089-1100

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Godfried van Bouillon (leefde van 1076 tot 1100 (Schoups, 2005:25)), zoon van Eustaas van Boulogne en Ida, zuster van Godfried met den Bult (Dierickx, 1954:24; Prims, 1977:125).

1095-1096

Op het aanraden van goede lieden, geestelijke als wereldlijke, geeft Godfried van Bouillon, onze markgraaf, de tienden "de Antwerpia et ejus ambitu" die hij van de keizer te leen hield aan de kerk van St-Michiel (duas partes manipulorum decime) (in akte van Burchard van Kamerijk, 1124). (Prims, 1977:656).

1097

Afscheiding van het land van Breda van het land van Stryen (Prims, 1977:9).

1100 ca

Begin van de tweede fase van de derde Duinkerke transgressie van de zee (D III B) (naar Verhulst in Van Acker, 1975:10).

De leenheren begonnen, onder de zwakke opvolgers van Karel De Grote, steeds meer gezag en macht te verkrijgen, en zij begonnen de tienden toe te eigenen, zodat er in het begin van de 12de eeuw bijna geen geestelijke tienden meer bestonden. (naar Kuyl, 1866:69).

1101-1106

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Hendrik van Limburg (huis van Limburg) (Prims, 1977:125).

De nieuwe Grote Markt (daterend uit de 11de-12de eeuw) wordt net binnen de grenzen van de Ruienstad aangelegd, maar kon eveneens de oude Karolingische kern, die volgens een andere theorie meer naar het zuiden lag, rondom de Hoogstraat, bedienen. (ArcheoNet).

1104

Keizer Hendrik versterkt de burcht. De muren worden verhoogd van 5 m naar 12 m en de dikte van 1.35 m naar 2 m (Miniatuurstad Antwerpen).

1106-1140

Op 13 mei 1106 benoemd, te Antwerpen, de Duitse keizer Hendrik IV de graaf van Leuven, Godfried I tot markgraaf van Antwerpen (Schoups, 2005:25). Godfried I (met den Baard) van het huis van Leuven, heet zich hertog van Neder-Lotharingen, en laat zich hertog van Brabant noemen (Prims, 1952:27; Dierickx, 1954:24; Prims, 1977:125; Schoups, 2005:25).
De graven van het huis van Leuven zeggen de waardeloze titel van 'hertog van Lotharingen' vaarwel en na de vereniging van Leuven met Brussel, noemen ze zichzelf hertogen van Brabant (Dierickx, 1954:24).

1113

Aanstelling door de keizer van Burchard als bisschop van Kamerijk (Van Honsté, 1995:46).

1114

De burchtkerk Sint-Walburgis te Antwerpen wordt voor het eerst vermeld. Op dat ogenblik was de kerk al rijk, zodat haar geschiedenis veel vroeger begonnen moet zijn. De burchtkerk werd helemaal in Doornikse steen opgetrokken en dat was toen niet gebruikelijk voor een pas gestichte kerk. De naam laat vermoeden dat de stichting in de 10de eeuw gebeurde. (naar Schoups, 2005:25-26).

1114-1119

Bisschop Burchard geeft het kapittel van St-Michiels zijn "privilegium prioris fundationis et libertatis". (in akte van Burchard van Kamerijk, 1124). (Prims, 1977:656-657).

1115

Overlijden van Tanchelm (Schoups, 2005:28).

1116

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Oorderen (Schoups, 2005:22).

1119

Proost van het kapittel van ?Onze Lieve Vrouw? : Hildewinus (Prims, 1977:126).
November (vóór). - Hertog Godfried I, onze markgraaf, geeft aan het vrije kapittel van St-Michiels de Antwerpse tienden terug die Hertog Hendrik van Limburg had afgenomen, volgens afspraak met de bisschop Burchard. Hij vraagt de B. tribunus en anderen te Antwerpen de kerk in deze te beschermen tegen de kwaadwilligen. (Prims, 1977:657). De hertog wou de kanunniken tegelijkertijd verplichten voortaan als kloosterlingen in hun kerkgebouwen te leven. Tot dan toe mochten de geestelijken wonen waar ze wilden en zelf eigendommen verwerven. (Schoups, 2005:28).
21 November. - Keizer Hendrik geeft op vraag van Hertog Godfried de tienden van Santvliet tot Olmermuiden aan de kerk van St-Michiel. (Prims, 1977:657).

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Berendrecht (Schoups, 2005:22).

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Zandvliet (Schoups, 2005:22).

1119-1133

Burchard van Kamerijk schenkt de kerk van Beckerseel aan het oratorium van Bijgaarden. "Signum Raduardi de Antwerpia" (Prims, 1977:647).

1124

Burchard, de bisschop van Kamerijk, richt een nieuw kapittel op te Antwerpen: het O.L.Vrouwekapittel (naar Dierickx, 1954:26).
Toen 8 van de 12 kanunniken van het Sint-Michiels kapittel het door hertog Godfried I voorgestelde kloosterleven afwezen (zie 1119) schonk hertog Godfried I de Sint-Michielskerk aan de Norbertijnen. De Sint-Michielskerk wordt omgevormd tot de Sint-Michielsabdij. De kanunniken werden verplicht te verhuizen naar de jonge Onze-Lieve-Vrouwekapel, die buiten de Antwerpse wallen ligt. (Schoups, 2005:28).
Het Antwerps Sint-Michiels kapittel dient 4 prebenden, de St. Michielskerk, het kerkhof met drie kapellen en de bijliggende hoeven af te staan. (naar Van Honsté, 1995:46-49).
De proost van het kapittel van Onze Lieve Vrouw : Hildolfus (Prims, 1977:126).
Bisschop Burchard van Kamerijk over de vrijheden der kerk van Antwerpen en hare overeenkomst met de Norbertijnen die in St-Michiels komen. (Prims, 1977:657).

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Lillo (Schoups, 2005:22).

Eerste vermelding in schriftelijke bron van Zwijndrecht: "Arnold van Suindrecht" (Corremans, 2007:in litt.).

1125

Klimaat: strenge winter

"Anno 1125 verwoestte een gruwzame hongersnood de voornaemste gedeelten van België en Westphalen. De H. Norbertus, de beroemde stichter der Witte Orde, had den inval dezer plaeg dry of vier jaren te voren aen der moniken van het klooster van Cappenbergh voorspeld. Zoo talryk waren de slagtoffers dat alle de wegen met menschenlyken bezaeid waren. De graef van Vlaenderen, Karel de Goede, beval by die gelegenheid al de honden en onnutte dieren te dooden, verbood van uit granen bier te brouwen, en deed al de graenzolders der kooplieden openen, om het graen voor eenieder tot eenen redelyken prys verkrygbaer te stellen. Hy zelf verkocht al zyne kleederen, deed honderd arme menschen in elke zyner talryke pachthoeven voeden, en doorliep het gansche land om de hongerigen by te staen. Tot loon van dit voorbeeldelyk gedrag, werd de brave vorst in de kerk van Sinte Donaes, te Brugge, door eenige voorname graenopkoopers verraderlyk vermoord (1).

(1): VAN DER STERRE, "Leven van den H.-Norbertus", bladz. 179; DE SMET, "Histoire de Belgique", I, p.100; OUDEGHERST, "Annales" I, p.364; Chronyke van Vlaenderen", I. deel, bl.147. »

1133

Bisschop Lietardus schenkt aan het kapittel te Utrecht de kerken van Westerlo en Oulo: "...solidos Antwerpensis monete". (Prims, 1977:647).

1134

Met de Duinkerke-III B transgressie doet de zee weer een aanval op het land, waardoor o.a. ten noorden van Brugge het Zwin werd gevormd. Boekhoute, gelegen op een heuvel in een uitgestrekte vlakte, werd door het water bereikt, maar niet overstroomd. Dit om de omvang van de overstroming aan te geven. (Van Bladel, 1989:100).

1135 (vóór)

Vóór 1135 bestond er te "Hoboken" een kapel, die echter niet zelfstandig was. Ze hing van een andere parochiekerk af, voorzeker Wilrijk. Een kerk hing op zijn beurt af van een klooster. Dit bezat het jus patronatus: het klooster beschikte als 'heer van de kerk' over haar inkomsten zonder dat ze de titels of de kapitalen ervan konden vervreemden. In ruil hiervoor hadden ze voor het in stand houden der kerk te zorgen. Verder voorzagen ze in het onderhoud van de priester en bij de pastoorskeuze mochten ze een persoon als kandidaat voorstellen aan de aartsdiaken. De bezittingen van de kerk omvatten een stuk land, in 'Hoboken' was dit Kerchelandt, 4 gemeten groot, gelegen achter de Grote Peerdspolder, tienden en oblaties (giften van gelovigen gegeven tijdens het toedienen der sacramenten, begrafenissen, enz.). (Dierickx, 1954:62).
"Hoboken" is een leen of een heerlijkheid waarover de hertogen van Brabant beschikken. Tussen de heer van "Hoboken" en de hertog van Brabant bestaat het leenverband. De heer is, als ondergeschikte, aan de hertog onderdanigheid en bijstand verschuldigd en deze laatste bekleedt de plaatselijke heer met alle leenrechtelijke of feodale macht. (Dierickx, 1954:29).
De abdijen volgden het door de koninklijke fiscusdomeinen gegeven voorbeeld, en eisten de tienden op voor hun kerken, en de plaatselijke heren bleven niet ten achter. Deze bestemden de tienden, welke op hun domeinen geheven werden, voor het onderhoud van hun private kapel. (Dierickx, 1954:63).

1135

1 Januari. - Keizer Lotharius bevestigt voor O.-L.-V. wat zijn voorganger aan dezelfde kerk in St-Michiels had gegeven, nl. de tienden der polders mits het vierde ervan voor de proost te houden. (Prims, 1977:657).
Bisschop Lietardus van Kamerijk bevestigt de regeling tussen O.-L.-V. en Norbertijnen. (Prims, 1977:657).
Lietardus, bisschop van Kamerijk, schenkt een deel van de grote tienden aan het kapittel van O.L.Vrouwe te Antwerpen. Hiervoor waren de kanunniken verplicht te zorgen voor een eerlijk bestaan van de pastoor en het gedeeltelijk onderhoud van de parochiale kerk. (naar Kuyl, 1866:69). In de giftakte wordt de kerk aangeduid onder de naam van kapel, alhoewel het toen al een parochiale kerk was; het woord capella wordt immers in die tijd dikwijls gebruikt voor een kerk waar een priester de heilige sakramenten uitreikt. In het bisdom van Kamerijk werd de term quarta capella toen gebruikt om een kerk van derde rang aan te duiden. De benaming had haar oorsprong in het aandeel dat een kerk voor de bisschop, aartsdiaken en deken opbracht. De bisschop schonk het recht van patronaat over de kerk aan het Antwerps kapittel. De kanunniken mochten dan een priester om de kerk te bedienen, ter benoeming van de bisschop voorleggen, maar ze waren belast met de onderhoud van de pastoor, waarvoor ze dan ook een opmerkelijk deel van de tienden verkregen. (Kuyl, 1866:71).
De oudste vermelding van "Hoboken": een brief van bisschop Liettardus ('Lietardus' volgens Dierickx, 1954:25,358; 'Liettardi' volgens Dierickx, 1954:358) uit Kamerijk aan het kapittel van O.L.Vrouwekerk te Antwerpen (Dierickx, 1954:25). Liettardus verklaart in zijn brief dat hij aan de benarde financiële toestand van het nieuw opgericht O.L.Vrouwekapittel te Antwerpen wil verhelpen door hen de opbrengst van de 'capella de hobuechen', waarover hij vrijelijk beschikt, te schenken. Met die opbrengst worden vooral de tienden bedoeld (Dierickx, 1954:26). Zodoende beschikten de kanunniken over een derde deel van alle tienden welke het grondgebied van "Hoboken" opbracht. De overige twee derden waren verdeeld tussen het klooster van Oudergem en de heer der gemeente. De pastoor had het recht op een derde der tiendenopbrengst van het kapittel, wat dus overeenkwam met een negende deel van alle tienden; men noemde dit recht dan ook de negende schoof. Naderhand is het de heer gelukt twee derden van de grote tienden in handen te krijgen (Dierickx, 1954:65).
Bisschop Lietardus geeft aan de verarmde kerk van O.-L.-V. de kapel van Hoboken. (Prims, 1977:657).
Burchard's opvolger, bisschop Liettardus, is zeer begaan met het pas opgerichte Antwerps kapittel van O.L.Vrouw. Hij schenkt het kapittel in 1135 de kapel van 'hobuechen', en de daaraan verbonden tienden, en vergoedt zo de kanunniken voor de aan de Norbertijners afgestane rechten. (naar Van Honsté, 1995:46-49).

1140-1142

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Godfried II (huis van Leuven) (Prims, 1977:125).

1142-1190

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Godfried III (huis van Leuven) (Prims, 1977:125).

1148

Bisschop Nicolaas bevestigt de brieven van Burchard en Lietard. (Prims, 1977:657).

1164

Overstroming de Sint-Julianavloed (naar Stuyck, 1987:47).

1175

Met de vloed van 1175 werd Saefthinge verzwolgen door het water dat oostwaarts via de Honte het dorp bereikte evenals het oudste Agger en vermoedelijk Hontemuide zelf (Van Bladel, 1989:101).

1176-1200

Samen met de periode 1226 tot 1250 waren deze jaren de warmste in duizend jaar in West-Europa. (Klimaat Optimum).

1180

Vondst van het kruisbeeld de 'Zwarte God'. (Van Bladel, 1989:94). Bracht de vloed van 1134 het kruisbeeld van Boekhoute op drift? Het kruis bleef dus lang onderweg; dat zou de zwarte verkleuring van het hout kunnen verklaren (Van Bladel, 1989:100). Of was het de vloed van 1175 die Saefthinge verzwolg? (Van Bladel, 1989:101). Het houten kruis kwam bij een stormvloed via de Schelde vanuit noordwestelijke richting, dus vanuit stroomafwaartse richting, naar Hoboken gedreven. (Van Bladel, 1989:95). (Cfr. notariële akte van 25 april 1618). (Van Bladel, 1989:93).

1190-1235

Het markgraafschap Antwerpen gaat over op Hendrik II (huis van Leuven) (Prims, 1977:125).

1190-1191

De monnik Theodoricus van de abdij van Echternach stelt zijn Codex aureus op (Prims, 1977:12).

1192

In een brief aan keizer Hendrik schrijft de monnik Theodoricus van de abdij van Echternach dat Arnulf alle Willibrordus goederen van de abdij van Echternach ontneemt (Prims, 1977:16).

1200 na

Sinds de doorbraak van 838 hebben zowel grote als kleinere stormvloeden de Honte uitgeschuurd en verbreed, zodat de Schelde boven Antwerpen het uiteindelijk won van de oostwaarts lopende Honte en haar bedding verkoos om westwaarts naar zee te stromen om na 1200 de eigenlijke Westerschelde te vormen zoals we die vandaag kennen (Van Bladel, 1989:97).
De Schelde vindt via de Westerschelde weer een nieuwe weg naar de zee. De mensen beginnen de oevers van de Benedenschelde te ontginnen voor de schapenteelt, de turfgraverij en nadien de landbouw. Hiervoor worden dijken gebouwd en daardoor gaat een belangrijk deel van het overstromingsgebied van de Benedenschelde verloren. Het water word hoger opgestuwd tussen de dijken, eb en vloed dringen dieper door in het binnenland. (naar Miniatuurstad Antwerpen).
Aan de monding van de Westerschelde verschilt het amfidroompunt en de stromingsrichting t.o.v. de Oosterschelde. Hierdoor wordt het water hoger opgestuwd in de monding van de Westerschelde en eb en vloed dringen door tot in Antwerpen. Jaarlijks blijft het gemiddelde waterpeil van de Schelde stijgen. Niet zozeer door de stijging van de zeespiegel maar door het vergroten van de amplitude van eb en vloed. (naar Miniatuurstad Antwerpen).

1226-1250

Uitzonderlijk warm klimaat in West-Europa, net als in de periode 1176 tot 1200. (Klimaat Optimum).

1290

Begin van de ontginning van de hoger gelegen gronden, tot aan Wilrijk, een dorre en wilde woestenij, oorspronkelijk met heide overdekt. (naar Kuyl, 1866:2).

Referenties