| Hobuechen: Etymologie van de term hobuechen |
Frans Janssens, Nachtegaallaan 12 bus 12, B-2660 Hoboken
Raymond Corremans, Vinkenveldenstraat 1, B-2660 Hoboken
Belangrijke opmerking: Deze tekst is in voortdurende revisie.
![]() |
Sleutelwoorden: Hoboken, hobuechen, Hobeuchem, etymologie
Alhoewel Hoboken waarschijnlijk ontstaan is uit een 5de eeuwse (juiste datum onbekend) nederzetting van Slavische Franken
is de tot nu toe oudst gekende schriftelijke verwijzing naar de naam Hoboken de term 'hobuechen' vermeld in een oorkonde die dateert van de 12de eeuw, en die velen kennen als
de "brief" van Lietardus (naar Caremans, 1992:67,69).
Hierna volgen respectievelijk een transcriptie met originele punctuatie (*), een latijnse interpretatie en een nederlandse vertaling van het geoorkonde feit, het zogenoemde negotium:
"Qua[c]ppt[&] capellam de hobuechen qu[&]a lib[']am inn[&]ra habuim[?]
potestate ad usus fr[&]m in supradicta beate marie eccl[']a d[&]o seruientiu[&] lib[']am concedim[?.] saluis
ep[&]alis iuris reditib[;][.]"
(naar Caremans, 1992:77).
"Quapropter capellam de hobuechen quam liberam in nostra habuimus
potestate ad usus fratrum in supradicta beate marie ecclesia domine servientium liberam concedimus salvis
episcopalis juris reditibus."
(naar Dierickx, 1954:358; naar Caremans, 1992:70).
"Derhalve hebben wij de kapel van hobuechen over dewelke wij vrij kunnen beschikken vrijgegeven ten gebruike van de broeders die in bovengenoemde kerk van de heilige maria de heer dienen, met behoud van de bisschoppelijke rechten."
(naar Caremans, 1992:70,75).
(*) [c] is een subscript teken dat een afgekort woord aangeeft
[&] en ['] zijn superscript tekens die afgekorte woorden aanduiden
[?] is een superscript teken dat de suffix 'us' aanduid
[.] is een leesteken dat een korte pauze aanduid (onze komma)
[;] is een leesteken dat een lange pauze aanduid (ons punt)
De naam Hoboken is allerwaarschijnlijkst afgeleid van hoge beuken (buken), welke boomsoort daar zeer weelderig opschiet [in 1866] (Kuyl, 1866:4). Dit kan echter niet met zekerheid gezegd worden van de term 'hobuechen', term die de kapel omschrijft die geschonken wordt aan het kapittel van Onze Lieve Vrouwe kerk te Antwerpen in 1135 in de akte van Lietardus.
Ook is het helemaal niet zo zeker dat de hoge beuken waar Hoboken naar verwijst wel zo kenmerkend waren voor de streek zoals meestal wordt aangenomen. Als je de gravure 'Kermis van Hoboken' bekijkt, zie je wel veel bomen en dat heeft waarschijnlijk Dierickx (1954) geïnspireerd om te zeggen dat Hoboken overdekt was met (beuken)bossen om de naam te verklaren.
We moeten onderscheid maken tussen
ten eerste
1.de naam van de kapel
2. de beschrijving/kwalificatie van de kapel
en ten tweede
1. de naam van de kapel
2. de naam van de parochie/gemeente.
In de brief van Lietardus wordt noch melding gemaakt van de naam van de kapel noch van de naam van de parochie/gemeente. Er staat wel een kwalificatie van de kapel in. Dat deze kwalificatie later geleid heeft tot de naam van de gemeente Hoboken is duidelijk, maar een aparte studie waardig. Wat we hier in eerste instantie proberen uit te zoeken is hoe de kwalificatie 'de hobuechen' zelf tot stand is kunnen komen.
Het woord 'hobuechen' in de akte van Lietardus is geen Latijns woord, maar een gelatiniseerde transcriptie van een nederfrankisch woord. Vandaar 'capella de hobuechen' en niet 'capella hobuecheni' (verwijzend naar 'hobuechen' als eigennaam), ook niet 'capella hobuechenensis' (verwijzend naar 'hobuechen' als plaatsnaam).
Omdat er zoveel onbekende feiten in de voorgeschiedenis van Hoboken voorkomen, moeten, om de historische feiten aaneen te schakelen en onderling te verbinden, de onbekende feiten ingevuld worden bij middel van hypothesen die op logische redeneringen steunen (naar Van Bladel, 1992:113).
In wat volgt zullen we enkele hypotheses ontwikkelen met betrekking tot de onderliggende betekenis van de term 'hobuechen' als gebruikte beschrijving van de kapel in de akte van Lietardus : bvb.
- 'hobuuc', verwijzend naar een hoge beuk, die in de buurt van de kapel stond
- 'hoolwegh', verwijzend naar een lage weg, die in de buurt van de kapel langs liep
- 'hoolbeke', verwijzend naar een diepe beek, die in de buurt van de kapel langs liep
- 'hoboc', verwijzend naar een hogerop gelegen bokkenstal, die in de buurt van de kapel stond
Later zullen de interpretaties geëvalueerd worden op basis op hun unieke eigenschappen. Enkel die die de kapel op unieke wijze beschrijven komen verder nog in aanmerking.
Misschien stonden er slechts enkele (misschien max 5) beukebomen, die opvallend waren in een vlak landschap van landbouwgronden, struikgewas en heideplanten (dus lage beplantingen) met misschien hier en daar een berk of zo.
In analogie is bvb. ook de plaatsnaam 'Hobeuken' in de gemeente Sprockhövel bij Wuppertal, Duitsland, met zekerheid af te leiden van 'hoge beuken', steunend op nederduitse spraak
en het feit dat de gemeente ligt in een gemengd loof- en dennengebied, met opvallend
heel hoge pijnbomen, maar ook natuurlijk hoge loofbomen
(naar Hockamp, 2005:in litt.).
Hobeuken ligt in/aan het oude Romeinse Kolenwoud. Dat was een uitgebreid MiddenEuropees beukenwoud. De kans is dus zeer groot dat de naam Hobeuken wel degelijk is afgeleid van 'hoge beuken'.
In analogie zijn ook nog enkele oude latijnse plaatsnamen voor een plaats in de buurt van Hamburg te vermelden die duidelijk naar hoge beuken verwijzen (Grässe, 1909):
Haboki, s. Hohbuocki
Hochbuoki, s. Hohbuoki
Hohbuochi castll., s. Hohbuoki
Hohbuoki, -chi, Haboki, Hochbuoki, Abochi, De Alta Fago, eh. Oschf. b. Hamburg.
Hieruit is ondubbelzinnig af te leiden dat de middelduitse stam voor beuk = buoch.
Dus niet 'buech'!
Het latijns voor (hoge) beuk = (alta) fago.
De -i suffix wijst op gelatiniseerde eigennamen in 'van' vorm, bvb. het kasteel van Hohbuoch = Hohbuochi castellum
Merk op: toch opletten met nederduits en hoogduits. Gravures die te Antwerpen werden gedrukt in de 16e eeuw, o.a. de beroemde Kermis van Hoboken, waar onder de tekening teksten ter verduidelijking staan, lijken nu meer duits dan nederlands. Maar het betreft hier het zogenaamde nederduits dat door de Limburgse oorsprong een gemeenschappelijke taal bij ons en het duitse grensgebied is geweest. Het 'Hobeuken' uit Wuppertal is een typisch voorbeeld uit een nederduits gebied. Verder in Duitsland (Hamburg, München) komt in de 16e eeuw een heel ander duits voor (cf de teksten op de gravures van Dürer).
De horizontale kroon van de beuk biedt een goede schuilplaats tegen slecht weer. Het zou kunnen dat op een hoger gelegen plaats wat meer kalk in de grond zat zodat een eenzame beuk er toevallig tot volwassenheid kon komen. Die moet dan boven alle andere in de omgeving aanwezige bomen uitgestoken hebben en dus opvallend geweest zijn. Een grondboring aan de kerk kan uitsluitsel geven over het wel of niet aanwezig zijn van de kalk.
Een 'round up' van 'beuktoponiemen':
Bocholt : in 1096 Buocholz,
een gemeente gelegen in typische heidegrond in Limburg bij Bree,
ongeschikte grond voor beuk, tenzij het haagbeuk betreft;
Boechout : in 974 Buocholt, in 983 Buocholt (Prims, 1952:30, in 1249 Bochouta (van den Toorn et al., 1997:70)
ook op de grens met de heide, maar misschien toch al beter geschikt voor
de beuk;
Buggenhout : in 1125 Buckenholt,
niet zo ver van de Schelde; vermoedelijk toch waterrijke gronden,
en toch beuken?
Boekhoute : in 1170 Bochoute,
gelegen in de polder bij Watervliet,
en toch beuken?
Andere 'bomennamen' zijn
bvb. Olmen (in de Kempen), Linden en Bueken (bij Leuven), Elst (in Vlaanderen) (Kuyl, 1866:4).
Opvallend is ook in Nederland: geen enkele beukennaam.
Merk op dat deze beuktoponiemen verwijzen naar het hout (van de beuk), niet naar de beuk als boom.
De '-hout' suffix in deze plaatsnamen is te interpreteren als 'bos'.
In het germaans is bos 'hulta' (Hasquin et al, 1980:414). Dit evolueert tot 'holt' en 'hout'.
In het latijn is bos 'nemus' (Hasquin et al, 1980:416).
Moest er in onze streek een beukenbos aanwezig zijn geweest dan had men toen eerder gesproken over de kapel 'de hobuocholt' of 'de hobuckenholt' of 'de hobochoute' (in de betekenis van 'bij het op een hoogte gelegen beukenbos'). 'hobuechen' heeft dus niets met 'beukenbos' te maken.
In het middelnederlands is er niets dat verwijst naar 'buech' als stamwoord voor 'beuk'. De stam is eerder 'buoc' ofwel 'buc' ofwel 'boc'. Als in 1125 de orthografie 'Buckenholt' naar 'beukenhout' verwijst, waarom zou dan in 1135 de orthografie 'hobuechen' dan naar 'hoge beuken' verwijzen? Zou dit dan niet eerder 'hobucken' moeten zijn? Opvallend is nu dat onder al de mogelijke schrijfwijzen van Hoboken (cfr Dierickx, 1954) juist deze ontbreekt.
Voorlopig kunnen we besluiten dat deze beukennamen ontstaan zijn in een landschap waar deze boom helemaal niet verwacht wordt en dus opvallend is door enkele aangeplante exemplaren bij de dorpskern of op de dorpsplaats. Zoiets als in later tijden de lindeboom of vrijboom op de centrale dorpsmarkt. De vraag is natuurlijk waarom men voor een beuk koos? Misschien omdat de beuk een vrij dominante boom is en de andere op de duur zelfs verdringt of werd die juist daarom voor een dorpsplaats gekozen?
Solitaire bomen hebben steeds een mystieke indruk op de mensen nagelaten. Zie bvb de oude solitaire eiken, geparisiteerd door maretak. Het zou kunnen dat aan de hoge solitaire beuken een magische betekenis werd gegeven. En dat maakte ze dan uitmuntend geschikt om een kapel naast te bouwen.
Werden de beuken aangeplant of zijn ze spontaan gegroeid? We kunnen 2 scenarios bedenken:
1. de mensen plannen de bouw van een kapel en benadrukken de gekozen plaats door het aanplanten van een hoge beuk.
2. de hoge beuk stond er eerst, trok de aandacht, en daarom bouwde de mensen daar een kapel.
Het 1ste scenario past in een groter geheel van de Romeinse villa in Wilrijk, waar waarschijnlijk ook reeds beuken zullen aangeplant geweest zijn, en waar de 'hobokenaars' misschien hun inspiratie vandaan hebben gehaald.
Maar men kan geen hoge beuk aanplanten.
Men plant eerder een jong onopvallend boompje dat met de jaren
kan uitgroeien tot een hoge beuk,
m.a.w. de plek moet eerst als heilig zijn beschouwd en
aanleiding geven tot het planten van een niet tot de streek
behorende boom.
Als dan jaren later deze is uitgegroeid tot een boven de
omgeving uitstekende opvallende boom, wordt er een kapel
bijgebouwd die dan naar de boom wordt genoemd.
Alleen: het benoemen van een christelijke kapel naar een heidense boom lijkt niet zo vanzelfsprekend. De meeste kerken en kapellen hebben namen van heiligen. Als we er vanuit gaan dat de plaats eerst een heidense naam draagt, dan moet die van vroegere oorsprong zijn. Misschien was de hoger gelegen plaats een heidense offerplaats, met een altaar. Om de plaats duidelijk te markeren in de bossige omgeving werd er misschien een jonge beuk aangeplant die vlug boven alle andere bomen uitgroeide. Men kon de ligging van de offerplaats dan reeds van ver herkennen. Zelfde funktie zoals de hoge kerktorens later de dorpcentra aangaven. Parallel met de aangroei van de plaatselijke bevolking groeide het altaar later misschien uit tot een kleine tempel. En die tempel werd dan genoemd naar de inmiddels hoge beuk in zijn onmiddelijke omgeving. Na de kerstening van de streek werd de tempel dan een kapel en 'erfde' de kapel de oude naam van de tempel. Een beuk wordt max 300 jaar oud. Dus moet het onstaan van offerplaats ten vroegste rond 835 geschat worden.
Het is niet zeker dat de clausule 'de hobuechen' verwijst naar een naam (noch van een plaats, noch van een kapel). Het lijkt eerder een kwalificatie van de kapel. Een 'bijvoeglijke clausule' in de letterlijke zin: het zegt iets meer over de kapel. In die betekenis wordt 'capellam de hobuechen' dan 'de kapel aan de hoge beuk'. Dit houdt in dat in de zuidelijke omgeving van Antwerpen deze situatie zich maar één keer voordeed, anders kan Lietardus deze omschrijving niet gebruikt hebben om een kapel op unieke wijze te identificeren.
Het 2de scenario past eerder in de context van een onafhankelijk van Wilrijk ontstane dorpskern. Stel dat op de hoger gelegen drogere plaats een beuk spontaan opgroeide, dan maakt het de plaats nog geschikter, aantrekkelijker om een religieus bouwsel, een kapel te bouwen.
Stel dat er een heidense heilige plaats ontstaat op het hoger en droger gelegen gedeelte tegen de heide in/tegen de bocht van de beek die uitmondt in de Kille. Het is de eerste plaats die men tegenkomt als men de beek vanuit de Kille volgt die niet meer door de Schelde overspoeld wordt. Een natuurlijke plaats voor een heiligdom. Stel dat er op deze heidense heilige plaats eerst een altaar stond waar naast dieren, vermoedelijk ook planten, vruchten en dus noten geofferd werden. Stel dat er af en toe eens wat gemorst wordt tijdens de offergaven. Alternatief: het is bekend dat eekhoorntjes (die de offergaven misschien 'plunderden') beukenootjes begraven als wintervoedsel. Een vergeten noot kan dan in devolgende lente ontkiemen. Stel dat een beukenootje kan ontkiemen in de buurt van het altaar. Een kiemplant van een beuk is een zeer opvallende en mooie verschijning. Het zal zeker gekoesterd zijn geworden. Het groeit in het begin wat grillig uit, eerder tot een struikje dan een boom. Pas op zijn 25ste jaar begint de beuk een rechte stam te vormen en begint de boomvorm pas tot zijn recht te komen. En vandanaf gaat het snel: een hoge stam en een horizontale kruin vormend. Men zal er dan niet meer naast kijken. Op 80 jaar is de beuk volwassen en steekt hij boven alle omliggende bomen (elzen, wilgen, berken, haagbeuken, zelfs eiken) uit. Later verbouwde men dan het altaar tot kapel.
De plaats van de kapel had niet alleen een zeker belang als schuil- en godsplaats voor de lokale mensen, maar ook voor reizigers op doorreis. Er zal weliswaar lokaal eten verschaft zijn, maar heel dikwijls hebben zulke reizigers ook zelf eten bij en werden de etensresten of afval op een soort mesthoop gedumpt of in het ronde gesmeten waar zaadjes dan konden gedijen of eekhoorns en andere dieren hun werk doen om te komen tot uitheemse plant- en bomensoorten.
Nemen we echter aan dat Hoogstraten is afgeleid van 'straat op een hoogte'. Dus in de Hobokense context zou onze beuk niet een hoge boom geweest zijn, maar een boom die op een hoogte stond en vandaar kan 'hobuechen' van 'beuk op een hoogte/heuvel' afgeleid zijn.
'fageto' is de datieve of ablatieve vorm van 'fagetum'. De latijnse suffix '-etum' wordt de collectivum genoemd. Het geeft de collectieve vorm van het stamwoord aan: de stam = 'fagus' (= beuk). fagetum is dus een collectie van beuken. Vergelijk 'arboretum' = collectie van bomen. Noteer: een collectie aangeplante bomen. 'fageto' als datief = aan de collectie van beuken.
'alto' is de datief of ablatief van 'altum'. 'altum' betekent 'verhevenheid', 'hoogte'. 'alto' betekent 'aan/op de hoogte', 'hoogte' in de betekenis van een verheven geografisch element, bvb. een hoog gelegen stuk land. Het voorwoord 'Ho' of 'Hoe' is een verbastering van 'hoog' (Kuyl, 1866:4). Vergelijk met 'Hobosch' (= Hoogbosch, = hoog bos) (Wauters in Kuyl, 1866:4; Carnoy in Dierickx, 1954:13; Carnoy in Meskens, 1979:XXXI; Carnoy in Thys, 1987:12), 'Hoberg' (= hoge berg) (Carnoy in Dierickx, 1954:13; Carnoy in Meskens, 1979:XXXI; Carnoy in Thys, 1987:12), 'Hoonakker' (= hoge akker) (Carnoy in Dierickx, 1954:13; Carnoy in Meskens, 1979:XXXI; Carnoy in Thys, 1987:12), 'Hodonk' (= hoge donk) (Carnoy in Dierickx, 1954:13; Carnoy in Meskens, 1979:XXXI; Carnoy in Thys, 1987:12), 'Hoestraten' (= Hoogstraten) (Marshall & Bogaerts in Kuyl, 1866:4), 'Hostraten' (1256) (= Hoogstraten) (Verachter in Kuyl, 1866:4; Mansion in Meskens, 1979:XXXI), 'Hovorst' (= Hoogvorst) (Hoeufft in Kuyl, 1866:4), 'Hoeleden' (= Hoogleden) (Hoeufft in Kuyl, 1866:4). Noteer dat de 'Ho(e)' in deze toponiemen steeds verwijst naar een topografisch attribuut, nooit naar een bepaald type vegetatie.
![]() |
Samengevat:
1. 'Alto fageti' = latijnse vertaling voor 'de hobuechen', door Gramaye (1610:158).
'Alto fageti' betekent 'op de hoogte van de groep beuken'.
2. 'alto fatego[sic]' = lapsus calami voor 'Alto fageti', door Dierickx (1954:13).
3. de interpretatie 'hoge beuk' op basis van 'alto fageti/fatego[sic]' is onjuist. 'hoge beuk' in het latijn = 'fagus alta' (Theuwen, 2006, in litt.).
4. tenslotte is het beschouwen van 'alto fageti/fatego(sic)' als een 'bewijs' voor de betekenis van 'Hoboken' (cfr Dierickx, 1954:13) niet meer dan een cirkelredenering, vermits zowel 'Alto fageti' als 'Hoboken' onafhankelijk afgeleide interpretaties zijn van hetzelfde 'de hobuechen'.
Besluit:
'capella de hobuechen' = 'de kapel aan de op een hoogte gelegen groep van beuken'.
Deze groep beuken moet zeker beschouwd worden als aangeplant (vergelijk 'arboretum'). Zeker niet als een natuurlijk bos.
De kapel lag inderdaad ook duidelijk op een hoogte in vergelijking met Antwerpen. Zie bvb. de hoogtekaarten (afb.3 en 4) verder in deze tekst.
Er blijken slechts een beperkt aantal kapellen in het Antwerpse te hebben gestaan in 1135. Vermoedelijk is de omschrijving 'aan de hoog gelegen groep beuken' voldoende om de kapel uniek te identificeren.
De haagbeuk is een veel kleinere boom dan de gewone beuk. Moest de naam 'hobuechen' afgeleid zijn van een bosje haagbeuken zou dit wel heel misleidend zijn, dan zou het eerder 'labuechen' geworden zijn ...
De haagbeuk bestaat blijkbaar bij ons al miljoenen jaren. Kan 'hobuechen' geen vervorming van 'haagbeuken' zijn, want het ligt fonetisch toch dicht bij elkaar? Daarenboven kan de boom toch opvallen in een omgeving van lagere plantengroei of desnoods de kapel als een haag van haagbeuken omgeven hebben en dan niet uitsteken over de andere planten? Ten slotte kan de haagbeuk toch 25 m hoog worden, wat toch opvallend is. De mogelijkheid bestaat dus dat we met één of enkele zeer hoog geworden haagbeuken rond de kapel te doen hebben gehad, die daarom naar dit uitzonderlijk verschijnsel genoemd is.
Waar de haagbeuk max 25 m hoog kan worden en dus eerder bij de grote heesters kan gerekend worden, haalt de beuk max 40 m, een echte boom dus.
Misschien was de plaats waar de kapel moest komen eerst gemarkeerd was (ca 900) door een haag vormende haagbeuken. En dit op een hoger gelegen stuk van het terrein (wat inderdaad zo was) en waar enkel een soort stenen offertafel stond of een beeldhouwwerkje om de buurtbewoners de kans te geven hun religie uit te oefenen. Waar dan later, als men begint huisjes te bouwen, een echte kapel zal gebouwd worden. Deze 'hogere' plaats kan eerst een soort toevluchtsoord geweest zijn, waar men bij slecht weer of overstroming ging schuilen en waar dan dus tegelijkertijd een religieus beeld kon gezet worden om te bidden voor betere weersomstandigheden.
Haagbeuk komt inderdaad meer in aanmerking dan beuk als de vochtige, zure bodem in rekening gebracht wordt. Maar dat zou dan ook betekenen dat de boom minder opvallend is voor de streek. In onze vochtige door de Schelde regelmatig overstroomde landstreek was de haagbeuk misschien een vrij gewone boom. De haagbeuk heeft phylogenetisch niets te maken met de beuk (terwijl de beuk verwant is met de eik, is de haagbeuk verwant met de berk). Er is alleen de oppervlakkige similariteit van de bladvorm. Maar misschien beschouwde men daarom in 1135 de haagbeuk als een kleinere vorm van de beuk. En als dan enkele echte beuken op de plaats van de kapel waren aangeplant vielen die natuurlijk wel op tov de kleinere meer algemene haagbeuk.
Terwijl de haagbeuk Carpinus betulus (de Latijnse naam verraad reeds de verwantschap met de berk) een inheemse heester (gemiddeld 19m hoog) is in onze alluviale streken is de beuk Fagus sylvaticus (gemiddeld 30 m hoog) in de jaren 1100 bij ons eerder een zeldzame en opvallende verschijning. Terwijl het blad van beide bomen gelijkvormig is, zijn de bloemen en vruchten niet te verwarren. Maar misschien beschouwde de middeleeuwse mens de bomen wel als twee verschillende vormen van eenzelfde soort boom: een kleinere talrijk voorkomende (en misschien bossen vormende) vroegbloeiende (haag)beuk en een veel grotere meestal solitair voorkomende (echte) later bloeiende beuk.
Werd de beschrijving hobuechen gebruikt omdat er juist geen beuken waren of komen we toch weeral terug op onze haagbeuk, die toch wel een belangrijke boom is geweest voor het maken van tal van houten benodigdheden en werd het haagbeukencomplex bij onze kapel als heilig beschouwd en dus onaangeroerd waardoor de kapel de omschrijving hobuechen kreeg omdat men toeliet dat de haagbeuken konden groeien zo hoog als ze konden? Trouwens in het heide-polderlandschap zullen ze dan wel hoog uitgestoken hebben boven de omgeving en dus de kwalificatie van hoge bomen verdiend hebben.
'capella de hobueche' (nominatieve vorm)
'capellam de hobuechen' (accusatieve vorm)
= 'de kapel van/aan het haag(beuken)bos'
De term 'hobuechen' uit de brief van Lietardus uitgesproken op zijn vlaams = 'hobuuken', op zijn brabants = 'hoboeken' (naar Willemeyns, 2003:87). 100 jaar later wordt dit 'Hoboken'. Op 100 jaar zijn eventueel naast de kapel aangeplante (of uitgezaaide) beuken ook volwassen geworden, zodat de 'hoge beuken' theorie op de naam 'Hoboken' dan wel van toepassing kan zijn.
Samengevat:
hainbusch (middelnederlands < 1135)
hobueche (Kamerijks latijn 1135, nominatief)
hobuechen (Kamerijks latijn 1135, accusatief)
hobuuken (= middelnederlandse vlaamse uitspraak van 'hobuechen')
hoboeken (= middelnederlandse brabantse uitspraak van 'hobuechen')
Hoboken (vanaf 1200?)
De Hollebeek werd vroeger ook Hoolbeek genoemd (= de diepe beek): 'hoolbeke' vermeld vanaf 1462 (van Passen & Roelandts, 1967:109).
Alhoewel de 'capellam de hobuechen' niet direct aan de Hollebeek ligt, zou het toch kunnen dat deze beek bedoeld wordt in de brief van Lietardus? Het is de voornaamste beek in onze streek.
Het stroomgebied van de Hollebeek heeft, bij de grens Wilrijk-Hoboken respectievelijk Wilrijk-Antwerpen, een oppervlakte van ongeveer 1000 ha.
(Prims, 1952:15).
Er vanuit gaand dat het kapittel van de OLVkerk van Antwerpen zelf de oplossing voor hun financiële problemen aan Lietardus gesuggereerd heeft, heeft ze misschien naar de kapel aan de Hollebeek verwezen. Het was de dichtsbij de Hollebeek gelegen kapel:
hool-beek (1135?; 1462: in de betekenis van 'diepe beek')
Holle-beek (nu)
In de franslatijnse phonetische transliteratie van 1135 wordt 'hool-beek' dan 'ho-buech' (de 'l' wordt ingeslikt; de 'ue' zoals bvb in het spaanse 'guerilla' uitgesproken als 'ee', de terminale 'ch' uitgesproken als een aangeblazen 'kh')
'capellam de hobuechen' = 'de kapel aan de diepe beek'
Op te merken valt dat er geen of mischien zeer uitzonderlijk gebouwen naar waterlopen werden
genoemd omdat een waterloop gewoonlijk een grote oppervlakte bestrijkt
en men dus als plaatsaanduiding meestal verplicht is om verder
te preciseren.
Daarenboven is de Hollebeek in de archivalia terechtgekomen omdat
het een grensnaam is tussen Hoboken en Wilrijk en vandaaruit zijn
belang haalt.
Vandaar ook zijn belang als toponiem, gezien vanuit Antwerps standpunt.
Dus zulke naam als naam voor een plaats of gebouw lijkt dan nog
zeker minder haalbaar.
Let op: de kapel is niet genoemd naar een waterloop. Ze is er wel naar gekwalificeerd.
Belangrijk in deze context is wel dat de zaak moet bekeken worden vanuit het standpunt van het Antwerps OLV kerk kapittel. Hoe waren de toponiemen van de streek gekend bij de toenmalige St-Michiels en OLV kerk. De kans is groot dat in de hypothetische Kielse/Antwerpse brief aan de voorganger van Lietardus een kwalificatie van de kapel gebruikt is geworden die later geleid heeft tot de kwalificatie 'de hobuechen' in de brief van Lietardus van 1135.
Enkele 'holle beek' toponiemen:
Hoelbeek (bij Hasselt), Holebeken in 1178 is afgeleid van het germaans hula (dal) en baki (beek). (Hasquin et al, 1980:398).
Hoeleden (in Brabant), is afgeleid van het germaans hula (hol) en baki (beek) = beek in een ravijn gelegen. (Hasquin et al, 1980:399-400).
Hollebeke (bij Brugge), Holebeca in 1185, is afgeleid van 'beek in ravijn', of 'beek met snelstromend water'. (Hasquin et al, 1980:405).
Maar sommige plaatsnamen zoals Hovorst hebben de verkorting Ho- behouden. Hoboken is misschien nooit Hoogbeuken of Hoogboken geworden omdat in de spraak Hoboken veel beter ligt; de schrijfwijze is daar de weerslag van. Maar in het geval Hoogstraten ligt de nadruk op 'Hoog' meer voor de hand omdat ge anders een evolutie naar Hoeistraten zoudt krijgen en dus een associatie met hooi wat er niets mee te maken heeft. De nadruk moest op hoog liggen. Daarentegen is de volksspraak nooit naar Hoeiboken kunnen evolueren omdat dit dan weer niet op de tong ligt.
Misschien is Ho- meer verwant met Hey (heide), cfr Kreglinger (1847, geciteerd in Dierickx, 1954:13): hey-bog = heide moeras. Toch wijst dit weer impliciet naar 'hoog': het hoogveen. De 'buech' in 'hobuech' kan mischien een verbuiging zijn van 'bog'. Zo wordt dan 'capellam de hobuechen' = 'de kapel aan het heide moeras' of misschien toch nog 'de kapel aan het hoog gelegen moeras' of 'de kapel aan het hogerop gelegen moeras'.
Vandaar weer een nieuw verhaal: Veronderstel dat er aan de kapel enkele oude magische en dus voor de omwoners voorname eiken stonden. En de kanunniken van Antwerpen willen de kapel in hun verzoekschrift(en) aan de bisschop omschrijven. In plaats van van gewoon te schrijven : 'de kapel aan de magische, oude voorname eiken' doet de scriptor het wat plechtiger en geleerder: 'capella de hobet ueche' (= kapel aan de hoofdeiken); samengetrokken wordt dit dan: 'capella de hobueche'; in accusatieve naamval: 'capellam de hobuechen'.
Er zijn enkele eikentoponiemen geweest, maar die dateren van na 1500. De Eikenlei dateert van 1699 (straat en straatnaam) en dit is inderdaad een merkwaardige zaak want er werden wel degelijk beuken geplant en de straat Eikenstraat genoemd. Als het inderdaad zo is dat er beuken werden aangeplant, lijkt dit voorval wel te staven dat onze voorouders eiken voor beuken namen en/of omgekeerd. Het lijkt er dus op dat 'hobuechen' evenveel met eiken als met beuken te maken kan hebben. Interessant is ook dat het engelse 'oak' (=eik) in het nederlands klinkt als 'ook'. Als de eiken in die begintijd van Hoboken een rol gespeeld hebben in de naamvorming dan is Hobooken een voor de hand liggende spelling van een opvallende plaats waar 'hoofd'zakelijk 'eiken' staan. Geen eikenbos, maar een beperkte smalle strook eiken aan de rand van de polders en de woeste heide.
Een belangrijk Eik-toponiem is het Eikske geweest aan de Sint-Bernardsesteenweg- Hollebeekstraat, genoemd naar de galgen die er gestaan hebben en die vermoedelijk uit eikenhout bestonden. In elk geval leefde dit voort in de uitdrukking : iemand naar het Eikske sturen = hem laten ophangen.
Zou het niet kunnen dat onze Antwerpse stadsmonniken gewoon het verschil niet kenden tussen een beuk en een eik en de namen hebben verwisseld toen ze een (op dat moment) nog niet genoemde kapel wilden omschrijven? Zoiets als een stedeling die het verschil tussen hooi en stro niet kent. Maar het is ook mogelijk dat ze het verschil tussen de bomen wel kenden, maar dat ze in Antwerpen het verschil in de 'Hobokense' uitspraak van de naam van de bomen niet (her)kenden. Als oorspronkelijke '(schier)eilandbewoners' zal het 'Hobokens' dialect wel afgeweken hebben van het Antwerpse dialect.
Het is trouwens een soort Belgenmop : een eik die als beuk wordt genoteerd in 1135 en een rij beuken die in 1699 Eikenlei wordt genoemd. Dit is een vrijwel onomstootbaar bewijs dat onze middeleeuwse voorouders zelf het verschil niet hoorden tussen (b)'euken' en 'eiken'. Merk ook de klankverwantschap tussen (b)euk en eik en misschien lag de uitgesproken klank in 1135 van Hoge Beuken en Hoge Eiken wel veel dichter bij elkaar dan wij vermoeden. Een mooi voorbeeld van het feit hoe hardnekkig de verwarring tussen beuken en eiken stand houdt tot in onze tijd is de volgende passage: "Langs de Eikenlei bevond er zich eertijds de monumentale poort, bestaande uit staanders en bekroond met slanke vasen in een soort rocaille-stijl ... Vóór enkele jaren werd ze afgebroken, samen met de uitvoering der prachtige Beukenlaan(sic) welke liep vanaf Broydenborg naar de St Bernardse Steenweg." (Dierickx, 1954:342).
Stel dat er een eik is geplant geweest bij een oorspronkelijke 'heilige' begraafplaats en deze groeide tot een hoge boom waar dan de kapel bij wordt gezet. In Antwerpen wil men de kapel naar deze merkwaardige boom noemen, en dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel zegt men 'ho-buechen' en hoewel de eik is bedoeld verkeerdelijk de beuk wordt gezet, ofwel wil men 'hoge-eik' zeggen en schrijven maar botst men hier op een onuitsprekelijke tongval : 'hogeeik', 'hogeik', en kan men niet tot iets verstaanbaars of duidelijk komen en dus schuift men maar hoge beuken dat goed op de tong ligt. In elk geval hebben we andere voorbeelden van hogebeuken, maar geen enkel hoge eik-toponiem. Zijn de veel voorkomende namen als Eikendreef, Eikendaal, Eikenbos, Eikenburg, Eikenveld (misschien), Eikenlaar, wel oude namen? Of zijn ze ten vroegste in de 19e eeuw ontstaan? Alleen in Zwitserland heb je de gemeente Eiken (kanton Baselland) maar dat is te ver om voor ons van tel te zijn.
Neem nu even een verwant van de taxus: de buxus. En aan 'hobux' = 'hoge buxus'.
Het ziet er verleidelijk uit...
Is er enige aanduiding dat onze vroege christenen buxus planten op hun graven?
Vermoedelijk was er geen vaste plant voorzien is om te planten
bij een graf.
Men gebruikte wat beschikbaar was.
In het geval van hobuechen dus een haagbeuk, beuk, eik of buxus.
Op de gravure 'Kermis van Hoboken' zien we diverse bomen
voor de kerk staan, maar dit lijken wilgen te zijn.
In elk geval op huidige kerkhoven vind je steevast de treurwilg.
Besluit: Hoboken is begonnen als een graf met een aangeplante buxus?
Wat taxus betreft: het is duidelijk een inheemse boom op voedselarme zandgrond. In het Meerlenhof te Hoboken staat het vol jonge taxussen. De boom zaait er zich spontaan uit.
In het Duits is het woord 'Hain' de aanduiding voor een heilig bos. 'Hainbuche' is daarenboven de naam voor haagbeuk.
Veronderstel dat er op de plaats in kwestie in Hoboken oorspronkelijk een bosje haagbeuken stond die merkwaardig gegroeid of aangepast waren aan hun omgeving zodat de mensen bij noodweer daar konden gaan schuilen en o.a. daarom al de plaats als 'heilig' beschouwden.
Zulke gang van zaken is niet ongebruikelijk : een natuurlijk fenomeen dat als heilbrengend werd beschouwd en dus geïnterpreteerd werd als een heilige plaats waar men dan de werking van de maagd Maria of een heilige in zag. Maar in het geval van Hoboken was er niet direct een heilige betrokken (voor de aanspoeling van de Zwarte God moest men nog wachten tot 1180 - twijfelachtig die datum, maar veel later gebeurd, anders had deze zeker in de naamgeving opgedoken) en dus werd de naam gekozen naar het fenomeen zelf nl een bosje haagbeuken of hainbuchen, met de nadruk op hain als heilig bos.
Als nu Lietardus deze plaats vermeld in zijn brief is er eerst een fonetische mededeling geweest door iemand van het kapittel van Antwerpen, die hem ongetwijfeld gesuggereerd hebben om deze rijke kapel af te staan. Die fonetische mededeling is het Nederduitse woord 'hainbuche' geweest dat de bisschop (of zijn franstalige monniken-schrijvers) hebben genoteerd als 'hobuechen'. Dit woord is dan later een eigen leven gaan leiden tot het al op het einde van de 12e eeuw verword is tot 'hoboken', met dien verstande dat men zeer waarschijnlijk nog altijd sprak van 'hai-ho' buch(=k)en, maar hoboken schreef. Er is geen enkele aanwijzing dat de plaats in kwestie eerst een heidense afgodsplaats is geweest, tenzij het feit dat aan deze heilige plaats geen enkele heilige kon gelinked worden (omdat het eerst een heidense plaats was zoiets als de Oude God in Mortsel) en dus genoemd werd naar het natuurlijk fenomeen.
De haagbeuk kwam waarschijnlijk zeer veel voor in die tijd. Het was geen uitzonderlijke of opvallende boom. Naast elzen en wilgen op de nattere gronden, vond men berken en eiken en haagbeuken vermoedelijk heel gewoon op de drogere gronden. Als er al een groot bos bestond in onze streken, dan was dat zeker een gemengd eiken-berken-haagbeuken bos. Misschien werd het volledige door haagbeuken gedomineerde en alzo getypeerde bos in onze streek als heilig beschouwd.
We kunnen dan misschien stellen dat het betreffende Nederduitse woord niet 'hainbuche' maar 'hainbusch(e)' was: in de betekenis van 'heilig bos'. Misschien vertelde het kapittel iets aan de franse monikken over een kapel in het heilig bos? 'capellam de hobuechen' verwijst dan naar 'de kapel van/in het heilig bos'.
Op te merken valt dat er geen of mischien zeer uitzonderlijk gebouwen naar wegen werden genoemd, zeker niet naar een lange weg zoals de Lage weg van Hoboken, want je mag niet vergeten dat deze weg één geheel vormde met de Oudestraat (deze laatste werd eerst in de 16e 'oud' genoemd, wat logisch is, want daarvoor was hij niet oud). Dus de weg vertrok aan de Moerelei in Wilrijk (heden kruispunt aan de Groenstraat bij de afgebroken Schans XV) en liep langs de kapel om de Lageweg te vormen naar de Hobokense Lage weg op het Kiel waar hij uitkwam aan de Kronenburgpoort. Dit is een enorme afstand.
Op Kiels grondgebied heeft zelfs ook nog een kapel aan de weg heeft gestaan. Maar dat was pas rond 1246-1250 (de kapel van Hugo Nose, de heer van de heerlijkheid van het Kiel). In 1250 valt Nose echter in ongenade van hertog Hendrik III, die de kapelstichting laat vervallen. In 1253 laat het kapittel van OLVkerk (de moederkerk) de kapel van het Kiel afschaffen. (Zie Prims, 1974:15-16).
Dus de kans is klein dat de weg verantwoordelijk kan gesteld voor de gemeentenaam.
In dit verband kan men nog eens terugkomen op de Kielse/Antwerpse verzoekschriften aan bisschop Burchard, de voorganger van Lietardus (Caremans, 1992:69). Het in 1124 nieuw opgerichte kapittel van de OLVkerk te Antwerpen zat in geldnood en verzocht de bisschop naar een oplossing. Hierbij hebben ze zeker zelf een oplossing gesuggereerd: onze kapel. Ze hebben die kapel dan beschreven in een terminologie die vanuit Antwerps standpunt vanzelfsprekend moet zijn geweest. Vanuit Antwerpen liep er toen slechts één weg naar onze streek: de 'leeghe wegh' over de 'Kyle' (het Kiel) langs de polders. De 'hooghe wegh' over de heide is van veel latere datum. In de veronderstelling dat er tussen 1124 en 1135 slechts één kapel stond langs die zeer lange lage weg (zie hierboven over de Kielse kapel), is de 'hoolwegh' kwalificatie ('capella aen de hoolwegh') voldoende om deze kapel op unieke wijze te identificeren (hoe lang deze lage weg ook mag zijn). Die kapel staat ongeveer in het midden van de weg/streek/gebied tussen het huidige Kiel en Hemiksem, én op een 'kruispunt' (eigenlijk een T) met een weg naar een haventje aan de Schelde ('onze' Kille). Ze moet dus wel van strategisch belang geweest zijn gezien vanuit Antwerps standpunt. Een analoge redenering is te bedenken rond de kwalificatie 'hoolbeek'.
Het Latijnse 'capella' betekent 'geit'... Misschien werden er vroeger geiten geofferd op het altaar van heilige plaatsen en heeft de kerk na de kerstening de lokale tempels waar geiten werden geofferd 'kapellen' gaan noemen, om de mensen zo op 'zachtmoedige' wijze te kunnen inlijven in de kerkelijke leer?
Alhoewel de naam 'hobuechen' is uitgevonden door de kannuniken van Antwerpen omdat er geen enkele andere aanduiding eender waar is voorgekomen (zie Wilrijk boven), moet onze oorspronkelijke gemeenteplaats toch reeds een zeker belang hebben gehad, meer dan we denken omdat de opbrengsten, eigenlijk alleen de tienden aan Antwerpen konden afgestaan worden. Dit betekent dat er geen lokale bedienaar van de eredienst is geweest, maar de opbrengsten voor Wilrijk waren bestemd bij gebrek hieraan. De omvang ervan kan het vermoeden doen scheppen dat er toch door de lokale gemeenschap een naam was gekozen die lokaal en in Wilrijk werd gebruikt om het kind toch een naam te moeten geven. In de context van de bokken en geiten hypothese: misschien sprak men plaatselijk iets uit als 'Hobok(k)en' dat door de kannuniken gehoord werd als hobuechen omdat zij literair en intellectueel natuurlijk beter waren opgeleid en het verband met boom legden.
Wie was er nu eerst, het dier 'de boc' of de familienaam 'de Boc'? Hoogstwaarschijnlijk het dier dat aan een belangrijk hoeder van bokken en geiten diens familienaam heeft opgeleverd.
Werden geiten in kudden gehouden zoals een herder doet met schapen? Wilde geiten leven in kleine kuddes met telkens een bok als leider van de kudde. Geiten zijn met minder tevreden dan schapen, dus die kunnen op minder goede gronden grazen, zoals bvb de woeste heide. Geitenboeren moeten dus armer geweest zijn dan varkensboeren of herders. Kan een grote belangrijke geitenboer wel ontstaan? Is dat bio-economisch mogelijk? Waarschijnlijk niet. Misschien was het eerder een hele grote familie van kleine geitenboeren. Verspreid over de hele (latere Wilrijkse en Hobokense) heide. Een geitenboer zal al vlug de bijnaam den 'Boc' gekregen hebben en de belangrijke familie geitenboeren wordt dan bekend als de familie van den 'Boc'.
Lag de bokkestal hogerop de geitestallen aan de Moerelei? En is dit in de volksspraak snel verkort tot de hoboc, dit is de 'hogerop gelegen bokkestal'?
Werd gezien vanuit Wilrijk de kapel en centrum
aangeduid als 'hogerop de gronden van de boc' en dus
hoboc?
Dit ligt dan weer moeilijk met een naamgeving vanuit Antwerpen...
Alhoewel: 'verst afgelegen gronden van (de) Boc' vanuit het standpunt
van Antwerpen. De kapel stond aan de rand van de heide. Veronderstel nu
dat de heidegronden die in gebruik waren door de geitenboer 'Boc' rond 1100 tot aan de kapel liepen, dan klopt de uitdrukking 'hoboc', ook gezien vanuit Antwerpen.
Een andere interpretatie vanuit Antwerpen is nog: 'hogerop' in de betekenis van 'meer stroomopwaarts'.
'hoog' kan worden geïnterpreteerd als 'hogerop' in de betekenis van 'het verst afgelegen' (van Pasen & Roelandts, 1967:107). 'hoboc' zou dan kunnen betekenen 'verst afgelegen (de) Boc' Opmerkelijk is nog dat (Prims, 1974:12) zelf de uitdrukking 'hoger op' gebruikt in de betekenis van 'verder terug in de tijd'.
Er is misschien nog een equivalent tussen 'hobuechen' en 'Hoogstraten' in verband met onze familie (de) Boc. Hoogstraten kan nl. ook geïnterpreteerd worden als 'hogerop gelegen straten' gezien vanaf Antwerpen ('straten' is altijd in meervoud genoemd maar het ging toch altijd over één straat, want Hoogstraten is een zogenaamd straatdorp).
Een fransman gaat 'hobuechen' anders lezen dan een duitser... Omdat het gebruik van deze term éénmalig is is de kans groot dat het om een ongebruikelijke spelling gaat. Hoe zou een Franstalige bisschop in een Latijnse brief een kapel omschrijven gelegen in een dun bewoonde moerassige streek beneden Antverpia? Hij kan dat alleen maar op een fonetische wijze doen (net zoals in de tijd van Napoleon toen die voor het eerst de mensen in de lage landen liet registreren op naam). Wist hij hoeveel kapellen met een aangeplante hoge beuk er bestonden in die streek? Het lijkt me veel aannemelijker dat hij de kapel, die blijkbaar nog geen christelijke naam heeft, zal laten beschrijven aan de hand van haar ligging. Dat was vrij eenvoudig te doen vermits er in die tijd slechts één weg liep die Antwerpen in zuidelijke richting verbond met Hemiksem/Wilrijk. Deze weg was de facto voornaamste zuidelijke verbindingsweg met Antwerpen. En langs deze hoofdweg stond de kapel. Lietardus kon dus de kapel ééduidig identificeren door gewoon te vermelden dat ze aan de hoofdweg lag: 'de kapel aan de hoofdweg'.
Uit het MNW woordenboek:
Middelhoogduits:
houbetwëg
Middelnederduits:
houbetwech,
houbtwech,
houbwech
Middelnederlands:
hovetwech,
hooftwech,
hoofwech
Middelnederlands op zijn duits:
hobwech
KamerijksLatijn op zijn frans (fonetische spelling):
hobuech (uit te spreken als 'hoobweg')
'capellam de hobuechen' wordt dan 'de kapel aan de hoofdweg'.
De -en uitgang van 'hobuech' is in overeenstemming met de accusatieve verbuigingsvorm 'capellam' van 'capella'. De accusatieve vorm wijst erop dat 'capella' lijdend voorwerp uitmaakt in de betreffende zin.
houbet-wegh (<1135; middelhoogduits; 'hoofdweg')
hovet-wegh (<1135; middelnederlands)
hoob-wegh (1135)
In de franslatijnse phonetische transliteratie van 1135 wordt 'hoob-wegh' dan 'hob-uech' (met 'u' uitgesproken als 'w' of misschien als 'v', met 'ch' uitgesproken als een aangeblazen 'kh'):
'capellam de hobuechen' = 'de kapel aan de hoofdweg'
Er dient toch opgemerkt te worden dat de term 'hoofdweg' van latere tijden is. De termen 'gemene weg' (weg voor het gewone volk) en 'heerweg' (weg voor de heer) waren meer gangbare middelnederlandse begrippen om een weg te typifiëren.
Misschien ontstond Hoboken als een gehucht (van Wilrijk?) aan de rand van de heide in een bosgebied rijk aan eiken, ten westen van de Hollebeek.
Dit 'hof ter eiken' kan dan door de Antwerpse kanunniken verlatiniseerd zijn geweest als 'hoba de ueche', samengetrokken tot 'hobueche'. In de accustieve naamval wordt dan 'de kapel aan het hof/gehucht ter eiken' 'capellam de hobuechen'.
Zie ook 'de kapel aan de oude eiken'.
Misschien had de familie de Boc ook reeds iets te betekenen en hadden ze reeds gronden in onze streek in de 12e eeuw? Stel dat onze kapel op/aan hun grond stond. Zou het kunnen dat de kapel een schenking 'van' de familie de Boc was? Dan zou ernaar gerefereerd kunnen worden als de 'capella de de Boc'. Alternatieve spellingen van Boc in samenstellingen in nominatieve vorm zijn: boch(e), box(e), boeck(e), en in bijvoeglijke vorm: boeckx(e), bocx(e), boex(e), boecx(e), boeks(e), bockx(e), bux(e), bocs(e) (naar van Pasen & Roelandts, 1967:48,49).
Maar hoe zit het dan met de 'ho' prefix? Is het gewoon 'de Boc' dat 'hoboc' wordt?
Of komt die prefix misschien van hof of hoeve? Het hof van de familie de Boc? De hoeve van de familie de Boc?
Of van heide, hey? De hey van de familie de Boc?
Of van haeg (in overdrachtelijk zin: een omhaagd goed)? De haeg van de familie de Boc?
Het hof (de) Boc? De hoeve (de) Boc? De hey (de) Boc? De haeg (de) Boc?
Dat wordt dan samengetrokken bvb: ho(f)boc, hoe(ve)boch, heyboeck, hae(g)boch.
Dit leidt dan tot hobuech in de brief van 1135.
'capella de hobuech' = 'de kapel aan de hof/hoeve/heide/haag van de familie de Boc'
Is er misschien enige verwantschap met de familie van Hoboken?
Is het wellicht een onecht kind van de adellijke familie geweest
die zich daar heeft gevestigd?
De familienamen Boxlaer, de Bo(e)ck en varianten komen
in elk geval van een bokkestal.
In analogie doet dit denken aan de naam Beerschot: ook deze naam zou teruggaan op het
mannelijk exemplaar van het varken en dus vergelijkbaar met onze bokkestal.
Maar deze familie 'van Hoboken' komt pas voor in de 13de eeuw. Dus kan ze moeilijk aan de basis liggen van de kwalificatie van de kapel. Misschien via de naam 'Boc' als tussenstap: bvb: 1. boc(kestal) (1000) -> 2. Boc (1100) -> 3. de Bo(e)ck (1200) -> 4. van Hoboken (1200+).
Het geven van familienamen is een gewoonte die opkwam op het einde van de Middeleeuwen en na de terugkeer van de eerste kruisvaarders die deze gewoonte in het oosten hebben tegengekomen en mogelijk ook door het feit dat de families alsmaar groter werden en dus een nadere precisering noodzaakten. Immers er liepen heel wat Johannessen rond en dus wist niemand nog wie er werd bedoeld zonder familienaam. Dus was in 1135 een familienaam nog een grote zeldzaamheid. Immers kijk naar de familie van Hoboken die in 1219 voor het eerst wordt vermeld aan het hof van Brabant. Zij zijn genoemd naar hun plaats van herkomst en dat moet ons dorp geweest zijn, vermits zij lid was van de Zeven Schaken. Zij waren vermoedelijk zelfs een prominent lid van deze Zeven Schaken omdat Hoboken in de Middeleeuwen en later de meest ongunstige reputatie heeft overgehouden (roofovervallen op reizigers).
Dus als Hoboken genoemd is naar een belangrijk geitenhoeder, dan is dit vermoedelijk in de eerste plaats gebeurd naar zijn voornaam. Ten slotte kan misschien Boc ook als voornaam in gebruik zijn geweest tot deze naam naar een familienaam evolueerde.
Merk op dat er twee totaal verschillende aspecten aan dit verhaal zijn:
1. de ogenschijnlijk ver gezochte oorsprong van de naam 'Hoboken' afgeleid van de voornaam 'Hobbo',
2. de -hem uitgang in 'Hobuechem'(sic) die naar een frankische woonplaats kan verwijzen.
We zullen hier wat dieper ingaan op het eerste aspect. Het afglijden van 'Hobboinghem' naar 'hobuechen' vereist zoveel onnatuurlijke veranderingen in de phonetische evolutie van de term dat we eraan twijfelen dat de oorspronkelijk naam wel Hobboinghem kan geweest zijn.
De voornaam 'Hobbo' blijkt veel voor te komen in de streek van Leeuwarden, Friesland. Van in de 15de eeuw tot heden komt de naam voor in verschillende spellingswijzen: 'Hobbo', 'Hobbe', 'Obbe', 'Obbo', 'Obe' en in de verlatiniseerde vormen 'Obia' en 'Obius'. Als achternaam komt de naam veel voor als 'Obbes', 'Obbesz', 'Obbedr', en 'Obes'. De meest voorkomende schrijfwijze is 'Obbe' als voornaam en 'Obbes' als achternaam.
'Hobbe' ('Hobbo') is een mannelijke voornaam en is zoals de meeste Germaanse namen tweestammig van oorsprong (van Rooyen, 1994a:430):
'Ho(g)'- (= 'Hug'-) en '-be(rt)' of '-bo(ld)' (= '-bald') (vergelijk met 'Hubert' of 'Hubald') (van Rooyen, 1994b:470).
'Hug-' = 'Ho-' = denkende geest, geheugen, gedachte, verstandige;
afgeleid van het gotisch 'hugs' (= geest, vestand) en 'hugjan' (= denken)
(van Rooyen, 1994a:468-469).
'-bo' = '-bald' = stoutmoedige, onverschrokkene, moedige, dappere, onversaagbare, stoere; afgeleid van het gotisch 'balths'
(van Rooyen, 1994a:436-437).
Betekenis van 'Hobbe': 1. verstandige uitblinker; 2. verstandige dappere of stoutmoedige. Herkomst: noordnederlands.
Afleidingen: 'Hobbes' (Friesland), 'Hobbo' (Groningen), 'Hobba' (Friesland, Groningen), 'Hobbechien' (Drente, vrouwelijk), 'Hobbich(je) (Friesland).
(van Rooyen, 1994b:470).
Nemen we nu aan dat de naam 'Hobbo' reeds in gebruik was in onze streken in de tijd van de Salische Franken.
In analogie met de Frankische namen 'Merovech' en 'Cholodovech' kan de naam toen als 'Hobbovech' in gebruik zijn geweest door een belangrijk lid van een Frankische nederzetting. De germaanse uitgang '-vech' ('-wig', '-wich', '-wijk') betekent 'strijd' of 'strijder/strijdster', afgeleid uit het oudhoogduits 'wîg' of 'wîc' = 'strijd' en 'wîgant' = 'strijder' (vergelijk ook het middelnederlands 'wijch' en 'wîghen') (van Rooyen, 1994a:502) en benadrukt aldus het strijdvaardig karakter van 'Hobbo'. Als toenmalig stamhoofd zal 'Hobbovech' een verstandige, dappere of stoutmoedige vechter, strijder, krijgsheer moeten geweest zijn.
Na verloop van tijd komt de naam in allerlei vormen voor: 'Hobbovech', 'Hobbovich', 'Hobbowich', 'Hobbowech'. Verlatiniseerd wordt het 'Hobboveus', 'Hobbovius'. Vergelijk met 'Meroveus'. Verfranst wordt het: 'Hobbovee', 'Hobbovis', 'Hobbouis'. Vergelijk met 'Clovis', 'Louis'.
Verduitst wordt het: 'Hobbowig'. Vergelijk met 'Chlodwig', 'Ludwig', 'Hlodwig'.
Vernederlandst wordt het: 'Hobbowijk'. Vergelijk met 'Lodewijk'.
Ook komen 'Hobbe-' vormen voor en vormen met enkelvoudige 'b' zoals 'Hobo-' en 'Hobe-'.
Een voorbeeld van een nu nog steeds voorkomende vorm is 'Hobovich'.
Tenslotte vormen zonder tussenklank, zoals 'Hobvech'.
Deze laatste vorm kan op zijn romaans als 'Hobuech' geschreven worden. 'hobuechen' is dan de bijvoeglijke naamwoord vorm in de betekenis van '(de woonplaats) van Hobuech'. 'de hobuechen' = 'aan (de woonplaats) van Hobuech'.
'capellam de hobuechen' = 'de kapel aan (de woonplaats) van Hobuech'.
Tussen de zesde en tiende eeuw ontstaan aldus in de naaste omgeving van het
Gallo-Romeinse Antwerpen permanente agrarische nederzettingen met
Frankische namen, eindigend op -heem: van het noorden naar het zuiden: Merksem, Wijnegem, Wommelgem, Berchem, Hoboken (van
Hobeuchem), Edegem, Hemiksem (gewijzigd naar Lampo, 2000:20).
inghem = Fries, plaats waar men woont
heem = Karolingische Franken (Kikkert, 1980:74), plaats waar men woont
'hobuechen' in de akte van 1135 wordt blijkbaar op verschillende manieren gelezen:
hobuechen (volgens de akte 1135)
Hobeuchen (volgens Dierickx, 1954:13)
Hobeuchem (volgens Lampo, 2000:20)
Volgen we de lezing van 'hobuechen' als 'Hobeuchem' (Lampo, 2000:20), dan kan ho-beuc-hem ontleed worden in de betekenis van de 'heem ho-beuc'. In analogie kunnen we dat ook toepassen op het dichter bij de spelling van de akte van 1135 aanleunende 'hobuechem', ofte ho-buec-hem: de 'heem ho-buec'.
De 'ue' naar 'eu' lezingen van Dierickx en Lampo zijn waarschijnlijk verkeerde
lezingen van de oorspronkelijke akte of dichterlijke vrijheden van de betreffende auteurs.
Want dit houd een geheel andere uitspraak in:
hobuechem, misschien uitgesproken als hoo-buuk-heim (vlaams),
of als hoo-boek-heim (brabants) (naar Willemeyns, 2003:87)
hobeuchem, als hoo-beuk-heim
1. In het licht van onze bespreking van de familie van boer 'Boc',
2. en aannemend dat 'boc' = 'buec', vinden we in het middelnederlands bvb:
middelnederlands (retrograde vorm) = middelhoogduits = nederlands
buc (boc, boec) = boc = bok
buckenroete (buuckenroete) = ? = bokkevet
maar ook:
boxbloet (buxbloet) = bockesblôt = bokkebloed
boxhaer (buxhaer) = ? = bokkehaar
Dan wordt 'hobuechem' de 'de ver afgelegen plaats waar de familie (van boer) Boc woont'. Indien de 'hen/hem' suffix inderdaad verwijst naar 'heem' dan geeft dit blijk van de belangrijkheid van de toenmalige familie van boer 'Boc' in het zuiden van Antwerpen.
'capellam de hobuechen' = 'de kapel van de ver afgelegen plaats waar de familie (van boer) Boc woont'.
Misschien was er nog een andere, binnen de wallen van de stad wonende, familie van boer 'Boc'? Dit kan de noodzaak van de prefix 'ho' verklaren: om onderscheid te maken tussen de dichtbij en veraf wonende familie van boer Boc.
In het licht van de hypothese over de familie van boer Boc is de hobuechem interpretatie natuurlijk
wel mogelijk maar door gebrek aan enige aanwijzing elders is het moeilijk vol te
houden...
Maar wat doen we dan met devolgende indirekte aanwijzingen: alle (de meeste) andere
lokale nederzettingen blijken afgeleid te zijn van de Nederfrankische
woonplaats aangeduid met -heem in plaatsnamen zoals Wijnegem, Wommelgem, Berchem, Merksem,
Hemiksem, maar ook Middelheim. De veel oudere nederzetting Wilrijk stamt
uit het romeins. Maar Hoboken is niet zo oud, waarom zou Hoboken dan een
buitenbeentje zijn?
Stel
1. de Nederfranken spraken onze ch meer uit als k (zoals de Fransen
trouwens nu nog doen, bvb in schild)
2. de s in -ksem wijst op een bijvoeglijke vorm: bvb: het heem van Boc =
Boc sine heem = Boc's heem = Bocsheem = Bocsem
3. dit leidt tot plaatsnamen: Merksem, Hemiksem, ??Hobocsem??
4. de ks/cs wordt later in het middelnederlandse schrift (>1300) ook als x
geschreven: Hemixem
5. door classistische invloeden word die cs/ks/x-klank genoteerd in
akten als de Griekse ch: Berchem, ??Hobochem??
Het lijkt best mogelijk dat 'hobuechen' in de akte van Lietardus toen
uitgesproken werd als 'hoo-buuk-sen' of 'hoo-boek-sen'
en niet als 'hoo-buuk-en'/'hoo-boek-en' of 'hoo-buuch-en/'hoo-boech-en'.
Hypothetisch:
stel dat onze frankische geitenboer met roepnaam Boc zich aan de rand
van de woeste heide gevestigd heeft rond 900: het prille begin van het
'heem van Boc'. In de loop der tijd breidt de succesrijke geitenboer
zijn familie uit. Zijn zonen zetten het werk van hun vader verder.
Iedere zoon begint een nieuwe geitenhoederij in de nabije buurt. Na
enkele generaties (nemen we aan dat we elke 25 jaar een nieuwe generatie
hebben) ontstaat er zo een hechte groep van verwante geitenboeren.
Stilaan zal de plaats in de buurt bekendheid krijgen onder bvb
respectievelijke namen zoals: Boc sine heem, Bocs heem, Bocsheem,
Bocseem, Bocsem. We zitten ondertussen in het jaar 1000. Dan
beginnen in de gesproken taal de oorspronkelijk hoogduitse
klanken te veranderen naar oudnederlandse klanken. Er treed een
klankverschuiving op van o naar u. We krijgen dan Bucsem. [Dit zet zich
voort tot in de 14de eeuw (waar boc ondertussen buc (enkelvoud), bucke
(meervoud) en bux (adjectief vorm) geworden is).] Bij de
nederfrankstalige volkeren aan de kusten van de noordzee komt een
typische verlenging van klinkers voor (nog altijd waar te nemen in
Vlaamse kustdialecten, denk bvb aan 'hoog' uitgesproken als 'huujech'):
Buucsem (uitgesproken als 'buujeksem'). We zijn ondertussen weer enkele
generaties verder beland bvb in de jaren 1050. De Franken gebruikten van
in den beginne voor hun officiële akten het latijn als schrijftaal. In geschriften zou Buucsem (uitgesproken
als 'buujeksem') gelatiniseerd kunnen worden als Buecsem, maar ook als
Buechem (ks klank genoteerd als Griekse ch). Begin 1100 hebben we dan de
verschuiving van de suffix -em naar -en, en zo krijgen we Buechen
(geschreven), uitgesproken als 'buujeksen'.
In de akte van 1135 vinden we dan 'hobuechen', vermoedelijk toen
uitgesproken als 'hoobuujeksen' (vlaams) of 'hooboeksen' (brabants).
Stel dat we gemiddeld elke 25 jaar een nieuwe generatie hebben. Stel dat
iedere generatie 2 vruchtbare mannelijke nakomelingen voortbrengt. Stel
dat de gemiddelde levensverwachting van een geitenboer 30 jaar is. Stel
dat elke 2 generaties de helft van de nakomelingen sterft (ziekte,
oorlogen, hongersnood,...).
(dit vereenvoudigde theoretische model is afgeleid uit de cijfers van
Dierickx (1954:133) die berekend heeft dat de bevolking van Hoboken in het
begin van de 17e eeuw 250 inwoners telde en ongeveer verdubbelde in 25
jaar).
900: 1 boer Boc
925: 1x2 = 2
950: 2x2 /2 = 2
975: 2x2 = 4
1000:4x2 /2 = 4
1025:4x2 = 8
1050:8x2 /2 = 8
1075:8x2 = 16
1100:16x2 /2 = 16
1125:16x2 = 32 boeren Boc
Onze geitenboer Boc heeft dus een belangrijke familie nagelaten, waar
zeker rekening zal mee gehouden moeten worden.
Het komt er op neer dat onze boer Boc familie verdubbelt elke 50 jaar.
Maar het kwadratisch model is nogal simplistisch. In de praktijk zal de aangroei
van de familie Boc niet quadratisch maar linear verlopen. Steunend op de
cijfers van Dierickx kunnen we berekenen dat het linear gemiddelde van
de bevolkingsaangroei 36 eenheden per 100 jaar moet geweest zijn (tot
het begin van de 17de eeuw).
Gebaseerd op dit lineaire model hebben we in 1125 ongeveer 80
nakomelingen van boer Boc, waarvan de helft, dus 40, mannen.
We kunnen dus besluiten dat de boeren Boc in 1125 ongeveer 32 tot 40
geitenhoederijen moeten bezitten. We kunnen dus aannemen dat ze wel
bekend waren in de streek. Dus ook tot in Antwerpen.
Om onderscheid te maken tussen de verschillende leden van een familie hanteerde men een kenmerkende kwalificatie: bvb Karel De Grote, Philip De Stoute, enz. In die zin kunnen we misschien de prefix 'ho' als een kwalificatie beschouwen: 'hobuechem' verwijst dan naar '(boer) Boc de hogerop(= veraf) wonende'
Voorlopig besluit:
capellam = de kapel, accusatieve vorm
de = van/aan
hobuechen =
ho- = hogerop, verkorte vorm, betekenis = ver afgelegen
-buec- = verlatiniseerde vorm van buc = bok
-hen = heem = woonplaats (nederfrankisch), verkorte vorm, m vervormd tot n
'capellam de hobuechen' = 'kapel aan de woonplaats van de ver afgelegen (boer) Boc (en zonen)'
In de uitdrukking 'capellam de hobuechen' kan 'de hobuechen' als een genitieve vorm van 'hobuech' beschouwd worden. In dit geval kan 'capellam de hobuechen' gelezen worden als 'kapel (gemaakt) van (het materiaal genaamd) hoogbeuken' (met 'van' in de Engelse betekenis: 'of ').
'hobuechen' is een samentrekking van de oud-nederlandse woorden 'hoch' en 'buchen':
'hoch' (=hoog) is afgekort tot 'ho' zoals bvb in 'Hoheit'
'buchen' = bijvoegelijk naamwoord = beuken ('van beuk')
'Buchen' = naamwoord meervoud = beuken (de bomen zelf)
'buechen' = gelatiniseerde spelling van 'buchen'
'hobuechen' = 'hoog van beuk' of 'hoogbeuken'
'capella de hobuechen' = de 'hoogbeuken kapel'
Wat de hoogte van beuken betreft: beuken van 25 m zijn geen uitzondering. Er zijn beuken bekend van 150 jaar die dan 35 m zijn, en van 200 jaar die 40 m hoog zijn. De hoogste beuk van Nederland is 48 m hoog en wordt op minstens 250 jaar oud geschat. Een beuk kan max 300 jaar worden.
Wat de betekenis van 'ho' betreft:
in letterlijke zin: 'hobuech' = hoge beuk;
'capellam de hobuechen' = 'kapel van een hoge beuk' als lijdend voorwerp in de zinsconstructie.
Wat de betekenis van 'ho' betreft:
in overdrachtelijke zin: 'hobuech' = voorname beuk (in onze streken was beuk iets speciaal, iets voornaam)
'capellam de hobuechen' = 'kapel van voorname-beuk' of 'voorname-beuken kapel' als lijdend voorwerp in de zinsconstructie.
De kapel zal wel voornaam geweest zijn vermits ze als geschenk aangeboden werd door Lietardus aan het kapittel van OLV te Antwerpen.
In de akte van Lietardus staat niet 'capellam de Hobuechen'
(Dierckx, 1954:356,noot 5) maar wel: 'capellam de hobuechen'. Merk op dat 'hobuechen' niet
gecapitaliseerd is, wat er op wijst dat de tekst niet verwijst
naar de naam van een plaats, maar eerder een beschrijving is van de
kapel zelf. In die laatste betekenis kan de tekst dan gelezen worden
als: 'kapel (gemaakt) van hoge beuken (of hobuechen)'. Aangezien het een
houten kapel betrof, en aangezien beuk eerder een exotische boomsoort
was (gezien vanuit het standpunt van onze streek), dus als meer
waardevol beschouwd werd dan de lokale eik bvb, kan beuk beschouwd
worden als waardig materiaal voor een kapel. De 'ho' in 'hobuechen'
suggereert dat het een hoge kapel betreft, of één met een hoge toren?
'hobuechen' verwijst dus naar het beukenhouten
materiaal waar de hoge kapel mee gebouwd is geworden, en niet naar het
feit dat er rond de kapel hoge beuken aangeplant zijn geweest. Gezien de
beuk in die tijd een waardevol 'exotisch' bouwmateriaal was, moet de kapel een
voorname kapel geweest zijn.
In onze streken was de eik vroeger heel gewoon. Het was de boom van de gewone man. Iedere stal of schuur was opgetrokken in eik. Beuk was in onze streek echter zeldaam, iets speciaal. Het komt dus zeker in aanmerking om een in beukenhout opgetrokken kapel een speciale waarde te geven.
Als de kapel in 1135 van hout is gemaakt kan ze onmogelijk 235 jaar oud zijn. Houtconservering was ongeschikt om het hout van rotting te vrijwaren in 235 jaar. Ofwel moet de kapel reeds verschillende keren herbouwd zijn geweest ofwel is ze van veel latere datum.
Voortgaande op de veronderstelling dat 'buech' verwijst naar 'beuk'.
De stam = 'buech'='beuk'
De term 'de hobuechen' kunnen we dan herleiden tot de stamvorm 'de buech' = 'van beuk' (of 'beuken')
De clausule 'capellam de hobuechen' kan dus herleid worden tot de stamvorm 'capella de buech' = 'kapel van beuk' of 'beuken kapel'
In het latijn wordt 'capella' verbogen tot de accusatieve vorm 'capellam' als het woord lijdend voorwerp is in de betreffende zin.
Overeenkomstig wordt 'buech' dan verbogen tot 'buechen', vermits de bijvoeglijke bepalingen in dezelfde vorm moeten staan als die van het betreffende zelfstandige naamwoord.
Aldus krijgen we 'capellam de buechen' = 'kapel van beuk' of 'beuken kapel' als lijdend voorwerp in de zinsconstructie.
De term 'haagbeuk' is echter een vrij recente term. Merk ook op dat de haagbeuk in tegenstelling tot wat zijn nederlandse naam suggereert, helemaal geen familie van de beuk is maar van de berk. Het zachte haagbeukenhout is minder duurzaam dan het hardere beukenhout.
Blijkbaar werd het hout gebruikt voor het maken van de tanden van de tandraderen in watermolens.
Voortgaande op het feit dat de originele kapel éénbeukig was,
en veronderstellende dat 'buech', gelezen op zijn duits als 'buuc', verwijst naar 'buik'.
De stam = 'buech' = 'buuc' = 'buik'.
De term 'de hobuechen' kunnen we dan herleiden tot de stamvorm 'de buech' = 'de buuc' = '(voorzien) van buik' = 'met buik' = 'buikig'.
De clausule 'capellam de hobuechen' kan dus herleidt worden tot de
stamvorm 'capella de buech' = 'capella de buuc' = 'kapel met buik' of 'buikige kapel'
Aldus krijgen we 'capellam de buechen' = 'kapel met buik' of 'buikige kapel' als lijdend voorwerp in de zinsconstructie.
Noteer dat de 'buik' van een kapel of kerk uiteindelijk in het nederlands 'beuk' geworden is (= de ruimte binnenin een kapel/kerk). Later is de term meer uitgewerkt geworden in de architectuur specifiek voor kerkgebouwen.
Wat de betekenis van 'ho' betreft:
in letterlijke zin: 'hobuech' = 'hobuuc' = 'hooghbuuc' = 'hoghe buuc' = 'hoge buik' = 'hoge beuk'.
'capellam de hobuechen' = 'kapel met hoge beuk' of 'hoogbeukige kapel' als lijdend voorwerp in de zinsconstructie.
'buuc' heeft nog een andere betekenis: een groep van 6 voorname personen (notabelen) van het dorp die aan belangrijke beslissingen aangaande het dorpsbestuur mochten deelnemen. In die zin geeft 'buuc' zelf reeds iets voornaam weer. 'hobuuc' zou dan kunnen wijzen op nog iets voornamer/belangrijker.
'hobuech' in overdrachtelijke zin wijst dus op iets dat zeer voornaam is. Onze kapel moet zeker indruk gemaakt hebben op Lietardus!
Beuken
Beukenbos
Beuken aanplantingen
Kapel ligging
Van plaats omschrijving tot plaatsnaam
Kapel naam
De familie 'van Hoboken'
Wilrijk
Duinkerkse transgressies
Overkwalificatie
Linguistische analyse
Een beuk wordt maximaal slechts 150 tot 300 jaar oud. De boom verkiest een gematigd klimaat in kombinatie met een hoge luchtvochtigheid. De wortels moeten tot in de grondwaterlaag kunnen doordringen. Hun overigens oppervlakkige wortelgestel maakt hun uiterst gevoelig voor windval en voor perioden van grote droogte. Wijzigingen in hun levensomstandigheden, zoals bvb. een kleine wisseling in het grondwaterpeil, kunnen funest zijn. Ook verdraagt de beuk geen gesloten bodem rond zijn voet. (Decuypere et al., 1989:54).
De beuk stelt dus hoge eisen aan bodem en standplaats. Zij vragen een open en vruchtbare, goede doorwortelbare bodem. Beuken verdragen geen dichtgeslagen gronden. Zware klei, arme droge zandgronden en natte veengronden met hoge grondwaterstand zijn voor beuken ongeschikt. Grote, blijvende veranderingen in de grondwaterstand en plotselinge veranderingen in de bodemgesteldheid veroorzaken vaak dat oudere beuken snel afsterven. Moesten er dan al beuken voorgekomen hebben in onze regio dan zijn die allemaal verdwenen tijdens of na de derde Duinkerkse trangressie rond het jaar 1000.
Beuken kunnen niet groeien op een waterondoordringbare kleihoudende bodem die bovendien nog regelmatig onder water loopt onder invloed van de Schelde (aannemende dat de bouw van de dijken in 1135 nog niet voltooid was). Bovendien kunnen beuken ook niet groeien op de zure op veenlaagafzettingen gelegen hogere zandgronden (de op glaciale zandafzettingen ontstane heidegronden). Waar de lager gelegen gebieden eerder gekenmerkt geweest zijn door bvb wilg en els (typische broekbos bomen), zijn de hogere gebieden eerder gekenmerkt geweest door berk en eik. Beuken passen niet in het plaatje van 1135... Als er dan toch beuken staan in het Hoboken van 1135, dan zijn die hoogstwaarschijnlijk aangeplant.
Ook wordt er al eens verwezen naar de rode beuk, zo typisch voor Hoboken. Rode beuk kan echter onmogelijk in onze streek in 1135 voorgekomen hebben. Rode beuk, ook bruine beuk, of purperen beuk genoemd is een kleurvariëteit Fagus sylvatica 'Atropurpurea' van de gewone beuk (Decuypere et al., 1989:54). Deze variëtiet is pas omstreeks 1680 ontdekt in een bos in Zwitserland. Deze variant houdt van een kalkrijke grond (pH 6,5 of hoger).
Dierickx (1954:13) spreekt over beukenbossen ("Hobuechen zinspeelt op het bebost uitzicht van de streek: beuch of beuk."). Dit kunnen we als 'beukenbos' interpreteren. Een beetje verder op dezelfde blz zegt Dierickx echter: "...het dorp waarin de boomgroei - hoge beuken - voor de toenmalige bezoeker of inwoner opvallend was." Hier komt de eerste tegenstelling reeds tot uiting: als de streek toenmalig bebost was met beuk, dan zal het voor de inwoner of bezoeker weinig opvallend zijn.
Onze streek was waarschijnlijk toen helemaal niet bebost met beuk. Beuken waren hier toen uitzonderingen (bvb. aanplantingen) en vandaar opvallend.
Van Bladel (1996:131) volgt Dierickx (1954): "Deze hoogstammige bomen komen ook in onze streken voor en zullen door naamvervorming leiden tot Hoboken (hoge beuken-Hobuechen-Hoboken). ...
De hoge beuken van Hoboken zijn een deel van het grote Koningswoud waarvan men ook sporen in 'Borgerweert', op de linker Schelde-oever, heeft gevonden."
Van Bladel (1989:97) vergelijkt de benedenloop van de Schelde, circa 3000 voor Christus, met de Amazonerivier, waar grote wouden de oever afzoomden; van die bossen bleven uiteindelijk over: het Koningswoud in het Waasland, en het hoge beukenbos op de rechteroever van de Schelde.
Kikkert (1980:13) stelt dat het vlakke gebied, reeds behorend tot de uitgstrekte Vlaamse laagvlakte, oorspronkelijk tamelijk boomloos was.
Een beukenbos is een eindstadium, een climaxvegetatie, in de evolutie van opeenvolgende vegetaties. Wanneer een kale grond aan zijn lot wordt overgelaten zullen pionierssoorten zoals berk, wilg en populier spontaan opschieten. Deze pioniers stellen weinig eisen aan de bodem, hebben een groot regeneratievermogen, en produceren grote hoeveelheden gemakkelijk te verspreiden zaad. De aanwezige pioniersvegetatie verandert het microklimaat. Andere soorten die meer bescherming vergen tegen klimatologische faktoren of die een betere bodem vragen kunnen zich dan beginnen vestigen. Uiteindelijk leidt dit tot de climaxvegetatie. Onder de klimatologische en bodemkundige omstandigheden in Vlaanderen is de beuk een van de soorten die de climaxvegetatie typeren. De jonge beuk groeit op onder de bescherming van andere soorten in een voor hem aangepast microklimaat en aangepaste bodemgesteldheid. De volgroeide beuk zal het volledige gebied echter voor zich opeisen. Hij schakelt alle konkurrenten uit: zijn dicht bladerdak neemt alle licht onder zich weg, en zijn afgevallen bladeren vormen een strooisellaag waarin andere planten onmogelijk kunnen opgroeien. (Decuypere et al., 1989:53).
Vanaf 6300 v Christus ontstaat het gemengd eikenbos (met eik, olm, es, linde en taxus) van onze streken. Op de vochtige bodems in de riviervlakte neemt de els de rol over van de wilg, als meest dominante boomsoort. (van Strydonck & de Mulder, 2000:37). Vanaf 3800 v Christus gaat het bos geleidelijk achteruit om een dieptepunt te bereiken in de romeinse tijd. In de nieuw ontstane open ruimten in de leem- en zandstreek pionierden eerst beuk, later haagbeuk. (van Strydonck & de Mulder, 2000:47-48). Van 0 tot 1100 gedraagt de Schelde zich als een overstromingsrivier. Alle natuurlijke bossen van 6000 jaar geleden zijn ondertussen gerooid. De nog overblijvende bomen nemen de verlaten landbouwzones terug in. Het bos breidt terug uit. In de alluviale vlakten wint de els opnieuw aan belang. Na de 6e eeuw is er nieuwe ontbossing. (van Strydonck & de Mulder, 2000:71). Door de middeleeuwse bosontginningen werd het rivierdebiet van de Schelde onregelmatiger, met periodieke overstromingen en sedimentafzettingen in de alluviale vlakte tot gevolg. (van Strydonck & de Mulder, 2000:101). De bedijking komt op gang in de 12e eeuw (van Strydonck & de Mulder, 2000:104).
Samengevat: In de alluviale vlakte van de Schelde was het natuurlijke interglaciale holocene bos een gemengd eikenbos (met eik, olm, es, linde en taxus). Met op de vochtige bodems els als dominante boomsoort. Alleen in (drogere) leem- en zandstreek komt beuk, en haagbeuk als natuurlijke boomsoort voor. Tot 1100 was de Schelde een natuurlijke overstromingsrivier met in haar alluviale vlakte periodieke kleiafzettingen en veenvorming. Pas in de 12e eeuw komt de bedijking op gang.
De kwalitatief hoogstaande, in het vroegere Hoboken kleirijke doch kalkarme, landbouwgronden zijn echter ongeschikte bodems om beukenbossen te doen ontstaan. Voor gezonde beuken draait alles om de waterhuishouding en de kalkhuishouding in de bodem. Niets wijst erop dat de bodem geschikt was voor beukenbossen. De eventueel aangeplante beuken zijn dan eerder curiosa, die zich alleen kunnen handhaven op goed gedraineerde zandgronden in de buurt van kalkstenen of gemetste constructies, zoals (romeinse) villa's, kloosters, kastelen, e.d. Misschien ook in de vorm van dreven langs (kalk)stenen wegen.
Een 'volwassen' beukenbos vormt zich pas op 300 tot 1000 jaar. In de veronderstelling dat in 1135 de dijken nog niet volledig waren en de ontwatering van de bodem nog niet goed genoeg was kan zich daar geen beukenbos vormen of handhaven. Stel dat de bodem geschikter wordt vanaf 1135 dan duurt het nog tot ongeveer 1500 voor we over het eerste volwassen beukenbos in Hoboken kunnen spreken.
'In latere tijden' gaan de beuken het in Vlaanderen beter kunnen doen. Na het afzetten van de kleilagen van de Duinkerkse transgressies en het terugtrekken van de zee, vormden zich uitgestrekte moerassen en daaropvolgend veenlagen in onze streek. De te natte en zure bodem was toen ongeschikt voor beukenbossen. Later door dijkenbouw en ontwatering en 'ontginning' van de eiken-berkenbossen vormde zich de heide. Hierdoor ontstonden stuifduinen. Hierdoor kwamen kalksedimenten (kalkwier afzettingen van de oude zee) bloot. De bodem wordt kalkrijker en geschikter voor beuk.
Het eiken-berken bos is nu het meest voorkomende bostype in Vlaanderen in de minst urbane gebieden: Antwerpse Kempen en Limburg. Er zijn 2 types eiken-beukenbos beschreven. Één voor natte en één voor drogere bodems. Een ook veel voorkomend doch meer verspreid bostype is getypeerd door (kleinere) haagbeuken. De beuk heeft zich dus in de loop der tijd door de geleidelijke verkalking (door de urbanisatie en de landbouw) over heel Vlaanderen verspreid.
Beuken stammen vanuit het Krijt. Ze hebben dan hun bloeiperiode gekend. Dat was dus 100den miljoenen jaren geleden. In de alluviale vlakte van de Schelde is de laatste 1000den jaren wel het een en ander gebeurd, dat maakt dat de beuk het moeilijk gekregen heeft in onze streken. Merk op: we hebben het hier over natuurlijke vorming van beukenbossen. Niet over aanplantingen. Wat genoegzaam beweerd wordt in de geschiedenisboeken over Hoboken, namelijk dat vroeger uitgebreide beukenbossen zo kenmerkend waren voor onze streek, kan niet kloppen.
Eiken hebben een diep en uitgebreid wortelgestel, aangepast om diep in de zachte, kleiachtige ondergrond door te dringen. Beuken hebben een breed ondiep wortelgestel, aangepast om in de relatief dunne laag aarde te wortelen die op een harde, ondoordringbare kalksteenbodem ligt.
Naast de grotere kalkbehoefte van beuk (kalk die ontbreekt in onze alluviale sedimenten) zijn er nog meer aanwijzingen dat beuk hier moeilijk bos kon vormen: de lokale landelijke bevolking bestond vooral uit varkensboeren. Varkens kunnen voortreffelijk gehouden worden in de open eikenbossen. Varkens zijn verzot op eikels. En de open bosstruktuur zorgt voor voldoende voedselafwisseling door de goed ontwikkelde kruidlaag. Beukenbossen vormen echter een gesloten kroondek, met daaronder bijna geen onderbegroeiing. Beuken verdringen op termijn alle andere bomen, inclusief eiken (beuken groeien sneller dan eiken). Op een monotone beukennootjes dieet kunnen varkens echter niet lang overleven...
Een natuurlijk beukenbos is een vrij monotone 'gewascultuur'. Er is haast geen onderbegroeing. De 12de eeuwse varkensboeren zullen met hun varkens moeilijk terecht kunnen in de donkere gesloten beukenbossen.
Tijdens de derde Duinkerkse transgressie rond het jaar 1000 lag Hoboken aan de zeekust. Het zeewater is zout. In de Hollebeekbedding zijn fossiele beenderresten van zeezoogdieren gevonden. Rond 1100 moeten er nog steeds brakwatermoerassen tussen Hoboken en Antwerpen liggen. Beuken komen niet voor aan brakke kuststreken.
Robert Vande Weghe (19??) bespreekt onder Abdijstraat dit merkwaardig gegeven: "door de hertog van Brabant was hier op Beerschot al van in de eerste helft van de 12e eeuw een aanzienlijk stuk heidegrond geschonken aan de Norbertijnerabdij van Sint-Michiels". Deze abdij heeft de straatnaam geleverd want nog steeds heet het daar Sint-Michiels- of Prelaatshof. Hier is dus al sprake van heidegrond, maar hoe is deze er dan gekomen ? Kan dit zo kort na de 3de Duinkerkse overstroming-transgressie van het jaar 1000? Het 'aanzienlijk stuk heidegrond' dat was geschonken, heeft zeker een stuk van Hoboken bevat, maar er is geen naam voorzien. Dit kan want de naam van onze kapel en van de plaats kan zeer plaatselijk zijn geweest en alleen voor de hoogte aan de Kioskplaats hebben gegolden.
Besluit: in 1135 kan er onmogelijk reeds een groot beukenbos bestaan hebben in onze omgeving.
Daarentegen blijft de haagbeukentheorie stand houden. In het boek 'Bomen in België, 1992, van Baudouin, de Spoelberch en Van Meulder staat op blz 54 een foto van een haagbeuk te Le Roeulx. In dit park zijn de haagbeuken zelfs monumenten. De kampioen die op de foto te zien is draagt 14 takken en meet 590 cm. Maar de schrijvers van het boek zeggen verder dat hij beschermd staat tussen een groep bomen achter een vijver en daardoor nog vele jaren zal leven. Hoe dan ook als zulke boom zou gestaan hebben op de hoogte waar later de kapel in 1135 zal verschijnen, kan dit niet anders dan een magische boom geweest zijn. Heel het uiterlijk van de boom leent zich daartoe. De andere haagbeuken in dit park meten 545 cm en de in 1991 door een storm omgevallen 510 cm. Indrukwekkend, geen enkele Fagus sylvatica, zelfs niet de purpurea, die aan deze haagbeuk kan tippen.
De geologische oorsprong van de plaatselijke bodem is een door een oude zee afgezette kleilaag. Op die kleilagen liggen evenwel nog andere tussenlagen van veen en zand. We krijgen een soort van multiplex situatie met opeenvolgende klei, veen en zandlagen. Dit soort van bodem levert in onze contreien uiteindelijk als eindpunt van de sucessiereeks plantengemeenschappen een eiken-berkenbos. Beukenbossen vereisen veel meer kalk in de bodem dan hier op natuurlijke wijze te vinden is. Men zal ze dan ook meer vinden in midden België en hoger. 'Onze' vroegere loofbossen zijn eiken-berken bossen die uiteindelijk door de mens zijn omgevormd tot heide. Eens de bodem permanent ontwaterd werd (door dijken, bemaling, enz.) kunnen aangeplante beuken wel overleven mits ze 'goed verzorgd' worden. In de buurt van kalkstenen, met leem gemetselde, bouwsels bvb, zoals kloosters, kunnen ze waarschijnlijk wel in hun kalkbehoefte voldoen. Dus het is best mogelijk dat er beuken rond de kapel waren aangeplant. Alleen: de oorspronkelijke kapel was van hout. Het probleem blijft dan hoe de beuken dan aan hun levensnoodzakelijke kalk zijn geraakt.
Volgende stelregels dienen in acht genomen te worden om een aangeplante beuk met redelijke kans op slagen te laten opgroeien tot volwassen exemplaar:
de bodem moet voedselrijk zijn, niet te zuur, niet te basisch,
de grond moet vochthoudend zijn, maar een te natte bodem is niet aangewezen,
de beuk ontwikkelt zich pas goed in aanwezigheid van mycorrhiza (schimmels rond de wortels); vandaar is het raadzaam om de bodem te enten met 'beukengrond'; anderzijds plant men een jonge beuk beter niet op de plaats waar voorheen reeds een beuk stond,
de jeugdige beuk moet beschermd worden tegen wind en tegen rechtstreekse zonnestralen.
(Decuypere et al., 1989:54).
Met andere woorden: een beuk aanplanten is een hele opgave...
Rond de 'capellam de hobuechen' kunnen een paar beuken gestaan hebben. Die beuken moeten dan wel aangeplant zijn geweest, vermits de bodem volledig ongeschikt is om er spontaan een beukenbos te hebben doen ontstaan. Het grootste gedeelte van 'hobuechen' bestond uit overstroombare lagere gronden en zanderige hogere heidegronden. De plaats waar de kapel stond, was zeker een hogergelegen, vrijwel constant droog terrein waar een zorgvuldig aangeplante beuk wel kon gedijen.
De prachtige beukendreef (Corremans, 1997:48) in park Sorghvliedt, is een mooi voorbeeld van een beukenrij die goed gedijdt ver van gebouwen. Deze dreef was aangelegd rond 1825-1830 en van toen staan de meeste exemplaren er nog. De eerste boom van deze rij stond echter op het grasperk rechtsachter het kasteel (gezien van de Broydenborglaan) en is in 1990 uitgedaan omdat hij ziek was en nochtans stond deze het dichtst bij de gekalkte muren van het voormalige hoveniershuis dat in 1992 is gesloopt. Blijkens de jaarringen was hij ongeveer 150 jaar oud (Corremans, 1997:276), maar misschien moet men enkele jaarringen bijtellen uit de begintijd van de boom die moeilijk te zien zijn.
Het duurt wel enkele 100den jaren vooraleer beuken opvallend 'hoog' kunnen genoemd worden. De omringende eiken uit de omgevingen stonden daar reeds van oudsher en de kans is groot dat die oud en hoog zijn. Het zou betekenen dat de beuken reeds in 900 of ten laatste in 1000 zouden moeten aangeplant geweest zijn op de plaats waar in 1135 de kapel stond. In de veronderstelling dat de dorpskern reeds bestond in 900, waarom zouden de dorpsbewoners de moeite gedaan hebben om een zeldzame boom als de beuk daar aan te planten?
Misschien was onze streek wel gekenmerkt door uitgestrekte gemengde eiken-haagbeukenbossen... In zulke streek moeten aangeplante echte beuken zeker opvallend geweest zijn. Het moet mogelijk zijn om hier uitsluitsel over te krijgen op wetenschappelijke wijze door middel van een grondboring in de nabijheid van de huidige kerk. Een kwalitatieve pollenanalyse van het materiaal in de verschillende grondlagen moet de toen aanwezige boomsoorten kunnen aantonen. Een kwantitatieve pollenanalyse moet bovendien de dominante boomsoort kunnen aanduiden.
Niet ver noordelijk van onze kapel lag de zogenaamde 'Koude geestheide', een merkwaardig natuurlijk fenomeen, dat in de 17e eeuw is bestreden door heidebranden waarna het gebied de naam van De Schroei heeft gekregen.
De oude kapel heeft dus echt wel gelegen op een rustpunt tussen allerlei natuurlijke complexen: in het westen de landbouw-poldergronden van het Kapelleveld, ten noorden ook polder, ten noordoosten koude geestheide, ten oosten gewone heide, ten zuiden ook landbouwgronden van de Midden- en Buitenvelden (hoewel de laatste nog sterk heideachtig kan geweest zijn).
Dit drieslagstelsel is merkwaardig eerst op het einde van de 14e eeuw vermeld in de geschriften, maar moet toch ouder geweest zijn. Noteer dat Wilrijk, waar er zeker een Frankische oorsprong in de Bist is terug te vinden, nergens nooit een drieslagstelsel heeft gehad. Heeft dat van Hoboken misschien voor hen gediend? Er bestond namelijk in de 14e eeuw reeds een verbindingsweg via de Moerelei tussen pakweg de Kil-Kapelstraat en de Bist via de Moerelei en de Oudestraat in Wilrijk. Dus het Wilrijks aspect mag zeker niet uit het oog verloren worden.
Is de initiële 'h' van 'hobuechen' in de akte van Lietardus (Dierickx, 1954:27 en Caremans, 1992:77) een kleine letter of een hoofdletter?
De twee 'h's in 'hobuechen' worden op dezelfde manier geschreven. Dit wijst er reeds op dat de initiële 'h' een kleine letter is.
Gelukkig staat er in de akte ook een hoofdletter 'H', nl. in de naam van kanunnik 'Hugonis'. De 'H' in 'Hugonis' heeft geen 'vlaggetje' links bovenaan het lange been en de 'buik' van de 'H' is bijna dubbel zo hoog als die van de 'h'.
'Hugonis' is de voornaam (Hugo) van één van de aanwezige kanunniken die mee bij de oorkonding aanwezig zijn geweest (Caremans, 1992:71,75).
Let op: Dierickx (1954:358) heeft de deelzin waarin 'Hugonis' voorkomt 'vergeten' in de latijnse vertaling:
'Gaufridi, Ade, Hugonis canonico?x?' ontbreekt.
Hieruit kunnen we dus met zekerheid besluiten dat 'hobuechen' met kleine letter 'h' geschreven is geweest.
Hoe moet dat nu geïnterpreteerd worden?
Namen worden met hoofdletters geschreven. Was dat ook reeds het geval in 1135 en meer bepaald in de akte van Lietardus?
In de akte worden namen van personen consequent met een hoofdletter geschreven.
Hoe zit het nu met de plaatsnamen? Er komen met zekerheid slechts 2 plaatsnamen voor in de akte.
De plaatsnaam Antwerpen is geschreven in verbogen vorm als 'Antvuerpensi' met een hoofdletter 'A' (vergelijk ook met de 'A' in 'Ade' (=Adam), in 'Actum' en in 'Anno'. 'Antvuerpensi' = 'Antvuerpens'-'i'. De 'i' suffix wijst er op dat 'Antvuerpens' een plaatsnaam is. Het wijst er ook op dat 'Antvuerpens' taalkundig mannelijk van geslacht is. Het wijst er ook op dat de kerk waar in de akte naar verwezen wordt eigen(dom) is aan(van) Antwerpen. 'Antvuerpensi' = te(van) Antwerpen.
Daarentegen is de plaatsnaam Kamerijk in de verbogen vorm als 'cameracensiu(m)' met kleine letter geschreven. 'Cameracum' =
'Kamerijk'. 'Cameraci' = 'te(van) Kamerijk'. De -ensium suffix wijst er op dat het woord verbogen is tot bijvoeglijk naamwoord. Het is een kenmerkende kwalificatie van de bisschop: nl. het is de bisschop van Kamerijk. 'cameracensis' = 'Kamerijks' (de -ensi suffix wijst op de betekenis van plaatsnaam van afkomst). 'cameracensium' = cameracensis verbogen in taalkundig mannelijke vorm (in overeenkomst met het mannelijke 'miseratione (= bisschop).
Hieruit kunnen we afleiden dat taalkundig:
1. 'hobuechen' geen verwijzing is naar een eigendom van een plaatsnaam; maw 'capellam de hobuechen' betekent niet 'de kapel van Hobuechen' in de betekenis dat de kapel eigen(dom) was aan(van) Hobuechen. Moest dit wel het geval geweest zijn, dan had men in de akte 'capellam Hobuecheni' geschreven.
2. 'hobuechen' geen verwijzing is naar een plaatsnaam van afkomst; maw 'capellam de hobuechen' betekent niet 'de kapel (afkomstig) van Hobuechen'. Moest dit wel het geval geweest zijn, dan had men in de akte 'capellam hobuechenensis' geschreven.
Bovendien is deze interpretatie syntactisch zinloos gezien de kapel lijdend voorwerp is in de zin.
Hieruit kunnen we dan besluiten dat 'hobuechen' geen verwijzing is naar een plaatsnaam.
In de jaren 1100 hadden vermoedelijk noch de lokale waterlopen noch de lokale wegen een 'echte naam'. Die dingen werden getypeerd aan de hand van unieke kwalificaties die ze moesten onderscheiden van andere en dit op een unieke wijze. Veel later zijn uit die kwalificerende omschrijvingen dan de 'echte' namen uit afgeleid. Wat was er bvb. zo speciaal aan de Hollebeek: dat ze in een diepe uitgeslepen bedding liep. Die diepe bedding was uniek voor deze beek. Geen enkele andere beek in de streek had zo een diepe bedding. Het was dus voldoende om te zeggen dat het de diepe beek betreft om de beek op unieke wijze te bepalen. Wat was er zo speciaal aan de Lage weg: dat die door de laaggelegen poldergebieden liep. Dus 'hoolbeek' en 'hoolwegh' zijn geen namen maar typografiën: typifiëerende beschrijvingen. Vrij vertaald: de beek met diepe bedding, en de weg die over de lage gronden loopt.
De 'vervorming' tot naam van de topgrafische aanduiding komt pas later. En dit door fonetische neveneffecten.
Samengevat is een mogelijk scenario zo verlopen:
1. verzoekschrift van de kanunniken aan bischop Burchard (rond 1124), met een beschrijving van de kapel (niet een naam, maar een eenduidige omschrijving): bvb 'kapel aan de hoolbeek' of 'kapel aan de hoolwegh'
2. oorkonde van bisschop Lietardus aan de kanunniken (1135), met een beschrijving van de kapel (niet een naam, maar een eenduidige omschrijving'), maar nu reeds geschreven als 'capella de hobuech'. Merk op dat de vervorming fonetisch zeer klein is: het middelnederlands 'hoolbeek' of 'hoolwegh' klinkt bijna hetzelfde als het franse 'hobuech'.
3. 100 jaar later heeft de accusatieve kapelkwalificatie 'hobuechen' uiteindelijk dan geleid tot de plaatsnaam 'Hoboken'.
In het scenario wordt ook aangenomen dat niet iedereen in die tijd kon lezen en schrijven. Zelfs hooggeplaatste mensen kunnen in die tijd best ongeletterd zijn. Men had gespecialiseerd 'personeel' om te schrijven en om te lezen. Schrijvers en voorlezers. De brief van de kanunniken (na 1124) is waarschijnlijk voorgelezen geworden aan de bischop. Die daar dan bijna 10 jaar voor nodig heeft gehad om een antwoord te 'dicteren' aan zijn brievenschrijver. Het opstellen van die brieven was een heel formele zaak. De brief/akte/oorkonde moet aan allerlei inhoudelijke en vormgevingsregels voldoen. Dus alleen gespecialiseerde schrijvers kunnen zulke brieven opmaken. De bischop levert de inhoud, en de schrijver zorgt voor de geijkte vormformules. Dicteren is dus niet letterlijk op te nemen. We zitten wel met verschillende mondelinge communicaties, dus fonetische aspecten mogen we niet uit het oog verliezen.
Het volledige proces is dan een mogelijkheid:
1. de abt van de kanunniken te Antwerpen 'dicteert' het verzoekschrift aan zijn monnikschrijver; de Antwerpse scriptor schrijft 'hoolbeek' (mannelijke vorm), misschien 'hoolbeke' (vrouwelijke vorm of meervoudsvorm)
2. de voorlezer te Kamerijk leest het verzoekschrift voor aan de bischop; de Kamerijkse voorlezer, die 'hoolbeek' als een franslatijnse term leest, spreekt dit vermoedelijk uit als 'ô-béc' (de 'l' na een lange 'oo'-klank gevolgd door een medeklinker wordt meestal niet uitgesproken, bvb 'aulne' = 'els', om bij de bomen te blijven...)
3. de bischop te Kamerijk 'dicteert' jaren later de oorkonde aan zijn scriptor; de Kamerijkse schrijver, in een poging om 'ô-béc' te 'verdietsen' noteert dat als 'hobuech', in accusatieve vorm wordt het dan 'hobuechen'.
4. de voorlezer te Antwerpen leest het antwoord voor aan de kanunniken; de Antwerpse voorlezer spreekt 'hobuechen' uit als 'hoobuuken'.
Dit word dan later Hoboken.
Het blijft echter wel onduidelijk waarom onze kapel niet naar
een heilige of Maria of Christus is genoemd en wel naar een lokale
eigenaardigheid qua plantengroei (hoge beuken).
Ook dit is uitzonderlijk want in andere voorbeelden van beuktoponiemen (bvb. Boechout, Boekhoute,
enz.) betreft de naam het hout zelf en niet de boom.
Indien we er echter vanuit gaan dat de kapel niet benoemd maar wel gekwalificeerd werd in de akte van Lietardus wordt dit misschien duidelijker.
En: verwijst dit ontbreken van een christennaam misschien ook indirect op haar oude 'heidense' oorsprong?
Zeker is dat onze kapel de Onze Lieve Vrouwkapel werd genoemd,
nadat ze werd overgedragen aan het kapittel te Antwerpen met dezelfde
naam.
Vermits al in 1219 een adellijke familie van Hoboken vernoemd wordt
aan het hof van Brabant, kan het niet anders of de hertog heeft
deze titel al voor 1200 verleend.
Wat kan er gebeurd zijn?
Een Antwerps krijgsheer of struikrover, (titel toepasbaar naargelang
de omstandigheden) krijgt van de hertog in verband met bewezen diensten
de verheffing in de adelstand :
verhaaltje : er is een Antwerpenaar die besluit struikrover te worden.
Hij nestelt zich in de woeste heide van Hoboken (toen nog geen gemeentenaam)
om reizigers te overvallen die de oude doorgangsweg Oudestraat-Lageweg
hebben gekozen.
Maar op een dag ontmoet hij een groep met de hertog (zie Erol Flynn in 'Robin
Hood' als hij in Sherwood forest de karavaan van Sir Guy of Gisbourne overvalt),
maar de hertog kan hem overtuigen voor hem eens een gevecht aan te gaan (bijv in de
strijd van de hertog tegen de graaf van Vlaanderen) omdat hij dan meer kan
verdienen dan de kruimels van de reizigers en zich ook rehalibiteren.
Onze Antwerpenaar stemt toe en overwint. Als dank wordt hij in de adelstand
verheven om af en toe nog eens een klusje voor de hertog op te knappen en de
heraut van de hertog verleent hem de titel 'heer van Hoboken' omdat het
tenslotte daar is dat hij zijn titel kan verbinden aan een domein waar
hij actief is geweest.
Maar hoe komt men dan op Hoboken ?
Zou de Antwerpenaar misschien een telg uit het geslacht de Boc geweest zijn die
als verloren zoon is uitgestoten ?
Was de naam van de familie de Boc dan (voor 1200 !) al doorgedrongen voor
heel de plaats Hoboken ?
Het kan natuurlijk ook dat de verdienstelijke Antwerpenaar juist in de strijd
tegen de struikrovers van Hoboken zich verdienstelijk heeft gemaakt voor de
hertog en de titel heeft verkregen, maar ook dan hoe komt men op Hoboken ?
Waren er dan verschillende leden van de familie de Boc die de geitenstiel beu
waren en een gemakkelijker leventje hadden nagestreefd als struikrover ?
Bedenking: een naam is iets anders dan een titel. Bij wijze van voorbeeld: zou boer de Boc heer van Hoboken kunnen geworden zijn? Hij behoudt dan wel zijn naam de Boc. De titel 'heer' wijst er op dat de plaats Hoboken een heerlijkheid is. Een heerlijkheid is de laagste titel in rang. Dan heb je baanderij, hertogdom, en graafschap. De titel is dus onafhankelijk van de naam. Zo was bvb Karel van Ursel ook hertog van Hoboken, en prins van Arche (Dierickx, 1954:43).
Toegepast op de familie van Hoboken van 1219: was 'van Hoboken' een familienaam (als in de familie van Hoboken) of een titel (als in de heer van Hoboken)?
Het is inderdaad eerst een titel, geen naam.
Deze titel wordt dan familienaam (zie onze
koninklijke familie die veranderd is van titel-familienaam
van 'van Saksen-Coburg' naar 'van België').
We zouden dus een chronologie moeten opstellen :
* eerst was er een boer die Boc heette naar de beesten
die hij hoedde.
De naam Boc werd zijn voornaam die overging op een
familienaam, het is te zeggen, zijn in principe oudste
zoon heette ook Boc, die zijn oudste zoon ook weer en zo voort.
Op de duur noemde men ieder lid van deze familie 'de Boc'.
Zij woonden en werkten op het Valaar of omtrent, latere
grens Hoboken-Wilrijk.
* Een niet-oudste zoon gaat zich verder westwaarts vestigen
op een droog geworden stuk van de heide en wordt dan
'de hogerop verblijvende Boc' ofte 'hoboc' genoemd.
Nu moeten we ervan uitgaan dat dit dus eerst een voornaam was die
overging op zijn kinderen en dus later familienaam 'hoboc' werd.
Hoboc lijkt mij echter als voornaam geen probleem te zijn
al heb ik hem nooit tegengekomen, het klinkt in elk geval goed.
Als de plaats van Hoboc verder ontwikkelt en ook door anderen
wordt bewoond, krijgt dit een kapel die de Hoboc of Hobuechen
wordt.
* Dan krijgt heel de plaats deze naam: Hobuechen is ontstaan.
Door taalevolutie ontstaat vrij snel Hoboken (dat nog wat
moet herinneren aan onze boer Boc en daarom misschien overging)
en als dan de struikrover (want zo'n kerel moet er ook geweest
zijn) in de adelstand wordt verheven, krijgt hij de titel
heer van Hoboken (hij kan al de Boc hebben geheten, maar dat
hoeft niet).
* de titel 'van Hoboken' is in de 14e-15e eeuw tot familienaam
geëvolueerd omdat de titel erfelijk was zoals een familienaam.
De titel kan onafhankelijk van de familienaam zijn, maar dit
geldt voor latere tijden want in de Middeleeuwen waren er nog
geen familienamen en soms zien we zelfs dat de titel de familienaam
gaat vervangen, zoals bijv bij Arthur Wellesley, die de erfelijke
titel kreeg van duke of Wellington, die dan familienaam werd.
Prims (1952:30) neemt aan dat Wilrijk oorspronkelijk het niet minder bosrijke gehucht van de Hoge Beuken d.i. Hoboken omvatte. Hij beschouwt de naam Hoboken ('Hobueche'(sic) in 1135) als een treffend synoniem van Boechout ('Buocholt' in 983). Deze vergelijking betwijfelen we echter ten stelligste. Zie onze discussie hiervoor. Maar toen de St-Baafs abdij Buocholt in 1003 verwierf, was er nog iets hangende omtrent Wilrijk. Vermoedelijk heeft de de abdij de parochie van Wilrika verkregen mits afstand aan de bisschop van Kamerijk van de kapel van 'hobuechen' generzijds de Hollebeke. Dit wordt hierdoor een kleine, afzonderlijke parochie, wier 'altaar' door Kamerijk in 1135 aan het hernieuwde kapittel van OLV van Antwerpen geschonken wordt. Meteen is de kapel van Hoboken een kerk met parochierechten geworden, en aldus een nieuwe gemeenschap die een zelfstandige gemeente, of dorp, zou worden. (Prims, 1952:30). Volgens Van Passen (1982) bekwam de Sint-Baafsabdij Wilrijk (inclusief Hoboken) ofwel als eerste schenking, ofwel als restitutie. Later zou dan de Sint-Baafsabdij de kapel van Hoboken hebben geschonken aan het bisdom Kamerijk. (naar Van Bladel, 1992:117).
Volgens Van Bladel (1992) kwam Hoboken, net zoals Wilrijk, terrecht in het bezit van de abdij van Lobbes. In de restitutieperiode werd Hoboken echter niet teruggeschonken aan Lobbes, maar aan de kerk in de persoon van de bisschop van Kamerijk, vermoedelijk tussen 900 en 1100. (naar Van Bladel, 1992:117). Dat Hoboken aanvankelijk één zou geweest zijn met Wilrijk is in tegenspraak met de geïsoleerde ligging van Hoboken ten opzichte van Wilrijk. Er was een dubbele natuurlijke scheiding die bestendig contact verhinderde. Er was de woestine of de grote heide, die zich over de Hollebeek als Wilrijkse heide verder uitstrekte, en er was de Hollebeek zelf. Als woestine was de grote heide quasi ontoegankelijk, zeker in het regenseizoen. Er was in oostwaartse richting geen enkele weg voorzien die het dorpscentrum van Hoboken rechtstreeks met Wilrijk verbond. Van de Hollebeek zelf, oorspronkelijk Hoolbeke of diepe beek genoemd, zijn geen toponiemen bekend die wijzen op een doorwaadbare plaats of een brug. Hoboken lag dus geografisch geïsoleerd van Wilrijk. Bovendien belemmerde de domaniale organisatie enig contact tussen de twee bevolkingsgroepen. De meerderheid van de bevolking was horig en verbonden aan een domein. Dat konden ze niet willekeurig verlaten, zelfs niet kortstondig. (naar Van Bladel, 1992:118).
Stel dat de oorspronkelijke naam waarschijnlijk 'hobuechen' zelf is en niets anders daaraan is vooraf gegaan.
De vraag is of er voor 1124 al een naamsaanduiding was of
dat de kanunniken van OLV de naam hebben 'uitgevonden' om
onze kapel aan de bisschop te kwalificeren.
Met wat geluk zit het verzoekschrift van de kanunniken aan de bisschop nog ergens in de archieven te Kamerijk. Dus kan de hypothese getest worden.
De kanunniken hebben echter niet een 'naam' uitgevonden, wel een 'kwalifiactie'. Het is belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen
1. de naam van de kapel, en
2. de beschrijving/kwalificatie van de kapel.
De kanunniken hebben de kapel niet bij naam vernoemd (de kapel had nog geen naam), ze hebben ze enkel omschreven, gekwalificeerd.
Een voorbeeld van bedoelde kwalificatie: de beschrijving 'de zoon van Jan' wordt later via 'Jan's zoon' de naam 'Jansoon', 'Jansen'.
Het toenmalige Hobokense gebied heeft waarschijnlijk deel uitgemaakt van Wilrijk en had daarom geen eigen gemeentenaam aanduiding nodig. Het zijn inderdaad dus de kanunniken geweest die de beschrijving hebben uitgevonden om de kapel te kwalificeren los van de andere kapellen van Wilrijk. Trouwens in Wilrijk zelf vinden we geen naam voor onze gemeente terug, maar is het daar in een akte van de 11e eeuw een 'dependentie' van de kerk van Wilrijk. Dit bevestigt dat ook de kapel geen naam zal gehad hebben, vermits zelfs de locatie geen naam had.
M.a.w. als de kanunniken dan overgaan tot een effectieve specificatie gaan zij niet een naam van een waterloop of een weg 'vervormen' tot een naam voor de kapel. Daarenboven is het niet noodzakelijk welke taal Lietardus sprak, maar vermoedelijk is wel één van de vier of vijf schrijvers die in de akte vermeld staan, de plaatselijke taal bij ons machtig en dus in staat de lokaal gebruikte naam taalkundig correct te vertolken en dus hobuechen te laten zetten in de akte.
Enkel Raduardus, kanunnik van het OLV kapittel van Antwerpen en werkzaam als scriptor tussen 1124-1148, blijkt hiervoor in aanmerking te kunnen komen. In de akte van Lietardus verwijst de 'Signum' naar een objectieve 'Subscriptio': getuigen die niet eigenhandig getekend/meegeschreven hebben. Raduardus kan dus geholpen hebben bij de 'verdietsing' van de omschrijving van de kapel : 'hobuechen'. (naar Caremans, 1992:71).
Hoboken had ca 1100 nog geen naam en maakte deel uit van Wilrijk. Stel dat ofwel de landbouw in hoboken zo sterk rendeerde of dat de veeteel (boer de Boc) zo sterk rendeerde, dat de kerk van Wilrijk redeneerde: laat ons een kapel bouwen bij de plaats in kwestie om onze tienden te kunnen opstrijken. In dit opzicht is de kapel er vrij laat gekomen (en moet boer de Boc gedacht hebben: hier zijn ze weeral, ze hebben ons gevonden om af te dokken). Maar in Antwerpen zag men ook dat de plaats goed opbracht en schreven naar de bisschop dat zij de inkomsten beter konden gebruiken dan die van Wilrijk. En dan zijn het de kanunniken van Antwerpen die een omschrijving van de kapel in de brief van Lietardus laten opnemen om duidelijk die van 'hoboken' te kunnen aanduiden. Met deze brief zijn zij dan naar Wilrijk gegaan om de opbrengst op te eisen en daar zal het wel gestoven hebben!
| In de latere fase van het Holoceen, het Subatlanticum (300 v. Christus tot nu) spreekt men over drie waterstijgingen. Deze geografische gebeurtenissen staan bekend als de Duinkerkse transgressies I, II, III. In het begin van het Subatlanticum was de Schelde een rivier met weinig tijwerking. Ze liep noordwaarts tot het oosten van het eiland Tholen waar ze westwaarts de Noordzee indraaide met een grote monding medegevormd door de Maas. Bij het begin van onze tijdrekening onstaat door de eerste Duinkerkse transgressie de Oosterschelde (van vóór 1530), die een rechtstreekse verbinding vormt met de Noordzee, zodat de getijdenwerking tot in Antwerpen merkbaar toeneemt. Bij de tweede Duinkerkse transgressie, omstreeks het jaar 300, steeg het water opnieuw en de verhoogde tijwerking noodzaakte de toen spaarzaam aanwezige bewoners aarden verhogingen aan te leggen op de van oudsher gebruikte paden en wegen doorheen het wadden en slikkengebied. Ook moest het woon- en wingebied volledig omdamd worden. Rond het jaar 1000 werd bij de derde Duinkerkse transgressie de Honte of Westerschelde gevormd. Dit bracht weerom een verhoogde tijwerking mee, zodat de 700 jaar oude walletjes moesten worden versterkt tot echte dijken. Enkele natuurlijke verhogingen (pleistocene opduikingen?), waaronder een groot gedeelte van Hoboken, werden nooit bedekt met deze vruchtbare afzetting en dienden aldus aanvankelijk als vluchtheuvels voor kudden en later als kleine nederzettingen om uiteindelijk te evolueren naar kernen van bewoning midden hun landerijen. (naar De Vree, 1997:44-45). Noot: volgens Van Bladel (1996:10) gebeurde de doorbraak van de Honte en de vorming van de Wester-Schelde ten gevolge van een grote overstroming rond het jaar 838. |
![]() |
Het eiland Hoboken-Wilrijk-Hemiksem wordt in noord-zuid richting als het ware in 2 gespleten door een diepe en woeste beek, de Hollebeek, een voor de eilandbewoners moeilijk te nemen hindernis. Op dit eiland ontstonden minstens 2 woonkernen. In het oosten van de Hollebeek een Gallo-romeinse agrarische nederzetting, die waarschijnlijk afhankelijk was van die van Kontich. In het westen hoge woeste gronden en moerassen, schorren en wadden aan de oever, met een visserskerndorp. Het vissersdorp was niet groot genoeg om een eigen kerk/kapel te verantwoorden. Pas nadat de regressie van Duinkerken III ingezet was rond 1100 en onze Kille ondertussen terug boven de zeespiegel kwam te liggen, een natuurlijke aanlegplaats vormend voor nieuwe pioniers, zodat de westelijke nederzetting gestaag groeide, ontstond er behoefte aan een kapel voor de door de Hollebeek van de rest van de Wilrijkse nederzetting afgezonderde woonkern van vissers aan de westelijke kant van het steeds meer droogvallende eiland. (Nog te onderzoeken: hoe zit het met de woonkern te Hemiksem?)
Tijdens de derde regressie van de zee moeten er nog geruime tijd, gevaarlijke moerassen tussen de opduikingen gelegen hebben die voor verder voortdurende isolatie van de woonkernen zorgde. Pas na de indijkingen verbeterde het verkeer tussen de woonkernen te Antwerpen en te Hoboken-Wilrijk.
Na de verwoesting van Antwerpen door de Noormannen heeft de verarmde Antwerpse bevolking waarschijnlijk de rijke visgronden in de stroomopwaartse bocht in de Schelde voorbij Antwerpen (her)ontdekt (circa 900). Stel dat de Antwerpse vissers daar (hier bij ons dus) twee keer per dag bij hoogwater gingen vissen. Ze zullen zeker een soort van (tenten)kamp op een gemakkelijk bereikbare hogere, droge plaats op de oever hebben aangelegd (om het lage tij te overbruggen). Er zal wel eens een ongeluk gebeuren. Overleden vissers werden ter plaatse op de oever begraven in plaats van terug vervoerd te worden naar Antwerpen. Het graf zal aangelegd worden in de buurt van het kamp. Het graf werd niet gemarkeerd door een stenen zerk maar door een jonge boom te planten naast het graf. Als boomsoort komen de plaatselijk veel voorkomende bomen niet in aanmerking anders kan de ligging het graf later niet meer herkend worden, vermits die bomen overal spontaan groeien op de oever. Bvb. els, wilg, eik. De enige boom die niet spontaan op de oever groeit, maar wel op de hoger, droger gelegen landtoppen is de haagbeuk. Door een haagbeuk aan het graf aan te planten wordt dit duidelijk en blijvend gemarkeerd. Na verloop van tijd moeten er verschillende graven aangelegd geweest zijn. Het wordt dus tijd voor een kapel om dankoffers en smeekoffers te kunnen brengen. Er staan ondertussen al verschillende oude haagbeuken in een groep. De kapel zal op die plaats gebouwd worden ca 1000. In 1135 omschrijft men deze kapel op basis van haar ligging op de (relatief) hoge Schelde-oever en verwijzend naar de 'beuken' die in de buurt van de kapel staan. De Antwerpse kanunniken zullen zeker het onderscheid tussen haagbeuk en beuk niet gekend hebben. Het blad is bijna hetzelfde en de verwarring is begrijpelijk. We kunnen dus stellen dat de kanunniken in 1135 onder 'beuk' zowel beuk als haagbeuk begrepen.
De zee was toen ongeveer 3 meter gestegen ten opzichte van het niveau nu. Het getij kunnen we bvb. schatten op ongeveer 2 meter. Dus laagwater = 1 meter. Hoogwater = 5 meter. De kapel staat op 10 tot 12 meter hoogte. Bij hoogwater is de Schelde sterk verbreed en moet de kapel vrij dicht aan het water staan. De afstand tot de noordelijke oever naar de noordzijde van de kapel is dan veel korter dan de afstand van de oostelijke oever naar de westzijde (voorzijde) van de kapel. De toegangsweg naar de kapel moet dan de kortste afstand geweest zijn, dus via de noordzijde (richting Berkenrodelei nu). Hier moet ook de aanlegplaats voor de vissersbootjes geweest zijn. Bij laag water is de Schelde sterk versmald. De oevers bestaan dan uit brede stroken slikken en schorren. Met allerlei geulen. Onbegaanbaar gevaarlijk terrein. Te vergelijken met Saefthinge nu.
Onze kaart komt vrij goed overeen met die van Prims (1952:10). Hiermee is duidelijk aan te tonen dat onze streek een typisch kustmoerasgebied was in het toenmalige Schelde estuarium. Ook blijkt nu dat een groot gedeelte van Hoboken in het Subatlanticum steeds droog is gebleven. De streek is toen waarschijnlijk bewoond geweest door mensen die leefden van de visvangst en misschien op paalwoningen leefden. Toen de Romeinen in onze streken arriveerden rond het begin van de jaartelling spraken ze van een stam, de Menapii, die hier in de moerassen aan de kust leefden. Waarschijnlijk zijn dat de eerste Hobokenaars geweest...
De kaart toont ook aan dat er toen van beukenbossen geen sprake kan zijn geweest! Gezien de 2de en 3de Duinkerkse transgressie is onze streek voortdurend periodiek door de zee overspoeld geweest, wel in mindere mate dan met de 1ste transgressie. Maar toch nog voldoende om de omliggende gronden te nat en te brak te houden om een beukenbos te doen onstaan. Pas nadat men dijken begon te bouwen (vanaf 1000) is de grond droger gaan worden en aldus geschikter geworden voor beukenaanplantingen.
![]() |
Het is vermoedelijk zo dat oorspronkelijk de O.L.Vrouwkapel aan de Schelde oever stond ten dienste van de schippers en dat er een probleem ontstond toen het water zich verder terugtrok ten gevolge van de regressies van de zee, waardoor de schippers te diep landinwaarts moesten gaan en dus een tweede kapel dichter bij de Schelde noodzakelijk werd. Deze nieuwe kapel werd gerechtvaardigd door de vinding van het Heilig Kruis, de Zwarte God.
Vermoedelijk is de visserij toen de belangrijkste economische activiteit van de dorpsbewoners geweest.
In de context van de 'eiland'-theorie speelt de beek die langs de latere Kapelstraat naar de Kille liep een belangrijke rol: ze is een belangrijke bron van zoet water: drinkbaar water dus. Dus belangrijk voor de hoger gelegen woonkern waar later de kapel van hobuechen zal gebouwd worden. Het brongebied van de beek moet voor de pioniers een magische uitstraling gehad hebben. In de buurt van het brongebied zullen ze zeker een tempel of kapel bouwen.
Het Oudnederlands werd geschreven met het Latijnse alfabet. Voor klanken waarvoor geen Latijns grafeem bestond gebruikte men letterkombinaties. Bvb.: de halfvocaal 'w' werd geschreven als 'uu', maar de klank 'kw' als 'qu', de halfvocaal 'j' als 'i'. (van den Toorn et al., 1997:42,43).
De term 'hobuechen' kan ontleed worden in zijn fonetisch-morfologische componenten als : 'ho'+'buech'+'en' (let op: het kan ook anders: 'hob'+'uech'+'en'. Wat de prefix 'ho' betreft: zeer waarschijnlijk is dat een samentrekking van 'hooch'. In samengestelde woorden wordt 'hooch' afgekort tot 'ho'. Maar het kan ook van 'hovet' een afkorting zijn. Bvb 'hobant' = hoofdband (een kledingstuk), en 'hobreede' = breedte van het hoofd van een stuk land dat tegen een dijk aanleunt).
Uit het MiddelNederlandse Woordenboek (1200-1500) van Verdam: "BOEKE (bouke, boucke), znw. vr. Mhd. buoche; mnd. boke; mhd. buche. Zie verder Grimm, Wtb. 2, 469. Beukeboom, beuk. Over het verband tusschen ons boek en beuk, zie Franck, Etym. Wdb. 120; Kluge 41, en vgl. boecstaef. || Fagus ... es een boem dienmen heet boeke, Nat. Bl. VIII, 364. Hier en es boeke no eyke, daer ic mach onder logieren, Limb. X, 68. Eene hole boucke, Amand II, 580. — Ml. wordt het woord gebruikt, ald. 628: Sittende in eenen holen boucke. — Ook de vrucht van den beukeboom. Boekenoot. Misschien ook is de nom. boec, vgl. mnd. bôk. || (Olie) diemen van boeken slaet, Nat. Bl. VIII, 369."
Als de term 'hobuechen' naar een beuk verwijst zou het moeten zijn:
Middelnederlands (1200-1500):
hoboeke,
hobouke,
hoboucke
Middelhoogduits:
hobuoche,
hobuche
Middelnederduits:
hoboke
De oorspronkelijke betekenis van de -en suffix in 'hobuechen' is geen meervoudsvorm maar een verbuigingsvorm. Een hypothetisch voorbeeld van middelnederlandse vervoeging/verbuiging:
beuk = één beukenboom (indien taalkundig mannelijk van geslacht)
beuke = één beukenboom (indien taalkundig vrouwelijk van geslacht)
beuken = meerdere beukenbomen
beuken = van beuk, bvb een beuken tafel
Buche
Fagus sylvatica L.
deutsch:
Buche, Rotbuche
français:
hêtre, foyard
italiano:
faggio
rumantsch:
fau, fo
english:
beech
schweizerdeutsch: Bueche, Böche, Buocha, Buähä, Rotbueche
Hagebuche
Carpinus betulus L.
deutsch:
Hagebuche, Hainbuche, Weissbuche
français:
charme, charmille
italiano:
carpino, carpino bianco
rumantsch:
charpinet, fau alv (alb), fo alv, charpinella
english:
hornbeam
schweizerdeutsch: Hagbueche, Hagelbueche, Bueche, Wyssbueche, Steibueche
Hier valt op dat de spelling 'bueche' nog maar alleen gebruikt wordt in het zwitsersduits, dat ook het meest aanleunt bij het middelhoogduits. Maar waarom zou een franstalige bisschop/monnik deze hoogduitse spelling hanteren? Fonetisch is dat zeker niet te verklaren. Hoe zou 'hobuech' klinken als men het uitspreekt op zijn frans? Meer als 'hoobweg' dan 'hoobuuk', wat meer aanleunt bij een duitse uitspraak.
Er dient rekening gehouden te worden met een kumulerende fonetische interpretatie:
1. van een 'oudnederlands' uitgesproken woord, neergeschreven op zijn franslatijn: dus van bvb 'hoofdweg', in het onl. was dat nog 'hoofwegh', naar 'hobuech'
(de f->b transcripte is vermoedelijk onder spaanse invloed gebeurd),
2. van datzelfde franslatijn geschreven woord, gelezen en uitgesproken door een Vlaming: van 'hobuech' naar 'hoobuuk',
door een Brabander: van 'hobuech' naar 'hooboek'.
Latere fonetische lezingen van het 'franse' KamerijksLatijnse 'hobuechen' zullen in onze Antwerpse contreien vlug geleid hebben tot klank en klinkers veranderingen:
de 'ue' wordt op zijn duits meestal (nu nog) uitgesproken als 'uu'
de 'ch' wordt 'k' onder invloed van de christelijke kerk
Eenmaal 'hobuechen' als 'hobuuken' uitgesproken word, is de interpretatie van 'buuk' als 'beuk' te verwachten.
Het probleem met 'hobuechen' is dat het niet zeker is hoe de 'u' moet gelezen/uitgesproken worden: als een 'v' of als een 'u'. Dit moet bekeken worden vanuit de context van de oorkonde zelf. Met andere woorden, alle 'u''s in die oorkonde moeten eens goed bekeken worden. Een aantal voorbeelden waarin de in de akte geschreven 'u' als een 'v' wordt geïnterpreteerd in de latijnse transcriptie (Dierickx, 1954:358): 'noua', 'inconuulsa', 'uolium', 'uenerantes', 'subuenire', 'prouenire', 'uerbi'. Vooral de laatste 4 voorbeelden zijn interessant: de 'ue' wordt 've' in de latijnse transcriptie!
Er staan in de akte 3 'v's : in 'Antvuerpensi' (noteer dat een kleine kapitaal 'v' niet voorkomt in het latijnse alfabet!); in 'Vincentii' (noteer met hoofdletter 'V'); in 'm.c.xxx.v' (= 1135; dus het cijfer '5').
Jammer genoeg heeft 'ue' geen éénduidige transcriptie in de latijnse transcriptie van Dierickx (1954:358): meestal is het 've', maar soms ook 'ue'.
Dus de onzekerheid blijft.
Als de zaak zuiver statistisch bekeken wordt is de kans het grootst dat 'hobuechen' in het latijn als 'hobvechen'
dient geïnterpreteerd te worden:
4x 'ue' als 've': 'uenerantes', 'subuenire', 'prouenire', 'uerbi'
2x 'ue' als 'ue': 'voluerit', 'resipuerit'; de 'uerit' suffix wijst op een vervoeging van het werkwoord in de voltooid toekomstige tijd, en wordt ook dikwijls als 'verit' genoteerd in transcripties
1x 'vue' als 'vue': 'Antvuerpensi'
De latijnse uitspraak van 'u' in de rol van 'v' is een zachte 'w'. Het latijn kent geen tweeklank 'ue', dus moet de klank worden uitgesproken als 'we'. De 'c' wordt als 'k' uitgesproken. Het latijn kent geen 'ch' klank. De 'h' wordt steeds zacht uitgesproken.
Met een kans van 4 tot 6 op 7 geeft dit dan volgende mogelijke latijnse uitspraak voor 'hobuechen':
'hob-wek-hen' of met zeer zachte 'h' als 'ob-wek-en'. De 'e' in de lettergrepen 'wek' en 'en' is kort.
In de akte komen slechts 2 streekeigen woorden voor: 'Antvuerpensi' en 'hobuechen'. Stel dat de beide 'ue's dan op dezelfde streekeigen manier worden uitgesproken. Dan wordt, in overeenstemming met de uitspraak van 'Antvuerpensi' als 'Antwwerpen', 'hobuechen' uitgesproken als 'hobwekhen'.
Hieruit is te besluiten dat 'hobuuchen' als uitspraak voor 'hobuechen' uitgesloten is.
Dit is natuurlijk een heel strenge interpretatie van de orthografie.
Even streng als de toenmalige scriptors de orthografische regels toepasten.
De 'vu' in 'Antvuerpensi' kan ook een zeldzame transcriptie zijn van een 'w', waarbij
de Latijnse scribenten die de 'w' normaliter niet tegenkomen in het Latijn, dit zo hebben
geïnterpreteerd. In dit geval is 'Antvuerpensi' uitgesproken als 'Antwerpensi'.
'vu' is wel een zeer afwijkende latijnse transcriptie voor een 'w', zeker in 1135.
De 'v' en 'w' maken geen deel uit van het latijnse alfabet. Vóór 1200 wordt de 'v' als 'u', en de 'w' meestal als 'uu' genoteerd. Maar in onze latijnse akte wordt wel een 'v' gebruikt. Op zijn minst is het merkwaardig dat in een latijnse tekst een teken opduikt dat geen deel uitmaakt van de latijnse tekenreeks.
Dit leidt tot de volgende bedenking, gebaseerd op latere alternatieve spellingen zoals bvb. 'Antverpia' of 'Anvers'. Het is dus niet zo ongebruikelijk om op de plaats van de 'w' een 'v' te vinden. Ook in de uitspraak.
Op welke basis kan men nu uitsluiten dat de 'v' in 'Antvuerpensi' niet als een 'v' werdt uitgesproken. De scriptor heeft waarschinlijk bewust het afwijkende 'v'-teken gebruikt om weer te geven dat dit een 'v'-klank is.
Het probleem is dat de klank gevolgd wordt door een 'u'-achtige klank. Moest hij dit genoteerd hebben volgens de geldende regels dan moest hij dit noteren als 'uu'. Maar dit zou kunnen verward worden met de 'w'-klank:
Stel dat de uitspraak met 'w'-klank was. De scriptor noteert dit als 'Antuuerpensi'. Deze transcriptie is ondubbelzinnig.
Stel dat de uitspraak met 'v'-klank was. De scriptor noteert dit als 'Antuerpensi'. Deze transcriptie is echter dubbelzinnig. Ze kan uitgesproken worden als 'Antverpensi', maar ook als 'Antuurpensi'. De scriptor heeft de dubbelzinnige uitspraak trachten te voorkomen door een afwijkende transcriptie te gebruiken: 'Antvuerpensi'.
Met andere woorden, de 'v' in 'Antvuerpensi' is uitgesproken als 'v'.
Van Acker (19??) vermeldt volgende spellingen van 'Antwerpen':
jaar 645 : 'Andouerpenses' en 'Andouerpis' (Vita Eligii episcopi noviomagensis);
eind 7e eeuw : 'Anderpus' (Merovingische gouden treins);
midden 9e eeuw : 'Andwerpa' (Enhardi Fuldensis annales);
(de kopiist Sigisbertus schreef dan weer 'Andoverpum oppidum');
3 zilveren deniers : 2 van Lodewijk de Vrome (814-840) : 'Antuerpis moneta';
1 van Hendrik I de Vogelaar (919-936) : 'Antuerpis civitas'
jaar 941 : in vico 'Anuuerpis' (Liber Traditionum, 10e eeuw);
jaar 980 : 'Andouerpis' castro (brief van bisschop Notker van Luik aan de
abt Womar van Sint-Baafs in Gent);
jaar 1008 : in comitatu ... 'Antwerf' (Diplomata III)
jaar 1010 : 'Anduuerpis' (Translatio prima J. Bavonis; in een latere kopie staat
er een w in plaats van 2 uu's in de originele tekst);
tussen 1019 - 1030 : 'Anduurpensi' (brief abt Othelbold van Sint-Baafs van Gent).
Nog een bedenking: Tot ca 1200 wordt in oudnederlandse woorden, die opgenomen worden in latijnse teksten, de 'v' als 'u' en de 'w' als 'uu' geschreven. Vanaf 1200 worden de vroeger als 'u' geschreven 'v's als 'v' en de vroeger als 'uu' geschreven 'w's als 'w' geschreven. (van den Toorn et al., 1997:28). Dat een 'v' voorkomt in onze akte wijst er misschien op dat de akte die bewaard wordt in het stadsarchief een kopie, opgesteld rond 1200, van de originele akte van 1135 is. Ook Caremans (1992:72-74) heeft er reeds opgewezen dat er problemen zijn met de datering van de akte.
Vermits deze transcriptie slechts éénmaal voorkomt, moet hierop worden voortgegaan om een en ander af te leiden. Stel dat deze éne keer door de scribent toch een fout is geschreven, die niet strookt met de uitspraak. Dat is natuurlijk ook een mogelijkheid. De vraag is dan: wat voor soort fout? Het kan toch geen toevallige schrijffout zijn? Neen, een scriptor is een hooggespecialiseerde functie die een nauwkeurige werkwijze impliceert. Of een lapsus calami? Neen, de scriptor kan moeilijk onbewust een voor de taal vreemd letterteken introduceren. Alles wijst er op dat de scriptor bewust een 'verkeerd' letterteken heeft geschreven.
Immers het speelde geen grote rol of de term 'hobuechen' correct werd geschreven omdat er toch maar één kapel in aanmerking kwam. Alhoewel de eer van de scriptor dan wel op het spel staat. De scriptor kan zich in een diplomatieke akte niet permiteren om een fout tegen de uitspraak te maken: het is immers niet zozeer de schrijfwijze maar de uitspraak die bepaalt of de kapel op unieke wijze zal herkend worden. De spelling moet dus zo goed mogelijk overeenkomen met de uitspraak.
Maar in het geval van 'hobuechen', krijgen we toch een ?typische? transcriptie van een
?'overgangsnaam'? van oudnederlands naar middelnederlands, die dan ook vrij snel zal
evolueren naar 'Hoboken'. Dus 'hobuechen' werd dan als 'hobeuken' uitgesproken.
De 'k' werd toen zeker als een 'c' met een 'h' geschreven, zeker in plaatsnamen???.
1. ?overgangsnaam? Is 'hobuechen' een overgang tussen oudnederlands naar middelnederlands? oudnederlands = tot 1200; middelnederlands = vanaf 1200. De akte valt dus 65 jaar vóór het einde van de oudnederlandse periode. Dus geen overgangsnaam?
Of: de akte is een kopie van na 1200? Zie hiervoor.
Als het een overgangswoord betreft, wat is dan zijn oudnederlandse voorloper?
2. de evolutie van 'hobuechen' naar 'Hoboken' is waarschijnlijk te verklaren op basis van fonologische en morfologische regels die de evolutie van oudnederlands naar middelnederlands beheersen. Dit zoeken we verder op.
3. de associatie 'hoge beuken' - 'Hoboken' is plausibel.
4. de associatie 'hoge beuken' - 'hobuechen' is echter niet zo duidelijk.
5. er is geen enkele causaal verband tussen de 2 associaties; met andere woorden, de associaties kunnen perfect onafhankelijk van elkaar ontwikkelen
6. nog geen fonologische of morfologische regels kunnen vinden die er op wijzen dat vóór 1200 'ch' als 'k' werd uitgesproken.
De schrijfwijze van lange klinkers in het middelnederlands naar enkele de voorbeelden komen uit de tekst van Van Maerlant (13de eeuw).
Blijkbaar schreven onze voorouders lange klinkers op 2 verschillende manieren: 1. door verdubbeling van de klinker, 2. door er een e achter te plaatsen.
Eenzelfde woord word soms op de ene en soms op de andere manier geschreven. Er blijken wel duidelijke regels achter te zitten. Die hebben vooral te maken met het feit dat 1. de lange klinker in een gesloten of open lettergreep past, 2. stemhebbend is of niet is 3. de naamval van het woord en 4. de positie van het woord in de zin.
Bvb.:
In gesloten lettergreep komt 'boem' veel meer voor dan 'boom': (de 'oe' wordt uitgesproken als onze lange 'oo')
'deese boom heete...',
'desen boem ...'
Let op het verschil in naamval.
'bome' is de stamvorm, 'boem' is een verbogen naamvalvorm, 'boom' komt uitzonderlijk ook reeds voor. Die naamvallen zijn in het huidige nederlands verdwenen. Het oud/middelnederlands was dus in staat om fijnere verschillen weer te geven dan het huidige.
In open lettergrepen komt 'bome(n)' meer voor dan 'boeme(n)'
'die bome ...',
'some boeme sijn ...',
'van somen boemen...' (let op de naamval).
Het grafeem 'ue' wordt blijkbaar gebruikt voor verschillende klanken:
Hier klinkt de 'ue' als onze 'ai' zoals in het engelse woord 'air' of het frans woord 'frère':
'die hem van colueren quaet hout'
'siede jenuevere in wine'
'jenuever heet ende droghe van manieren'
'siede jenuevere in wine'
Hieruit blijkt dat de stemhebbende 'è'-klank in open lettergrepen als 'ue' wordt geschreven.
Hier klinkt 'ue' echter als onze lange 'ee':
'doet der maghen wel verduen'
'oec sijnsi goet jeghen spuen'
Hier als onze 'ui':
'entie bloet spuet slutemer mede'
Hier als onze 'oe' zoals in 'groen':
'ende dan ute duen, saelt dieden'
Maar keren we nu even terug naar onze akte van 1135, met onze 2 (oud/middel)nederlandse woorden: 'Antvuerpensi' en 'hobuechen'.
Nemen we voorlopig aan dat de 'ue' in deze woorden klonk als de 'è' (zie hierboven): dat klopt vrij goed met de uitspraak van het franse 'Anvers' en het oost/westvlaamse dialectische uitspraak 'antwèrepe'. Passen we dit toe op 'hobuechen' uitgesproken als 'hobèghen' dan komen we al een stapje dichter bij onze 'eiken' hypothese. Misschien wordt het griekse 'phegos' wel als 'phè'gos' uitgesproken? De aangeblazen 'p' (= de 'ph'), en de doffere 'b' liggen phonetisch dicht bij elkaar.
'hoge eiken' = 'hooche phegos', 'hooche phègos', 'hooche phèghe', 'hooche phèche' kan dan samengesteld geweest zijn tot 'hophèche' en verder verbogen tot 'hobèche' (wat beter op de tong ligt). Volgens de toen geldende regels (open lettergreep, stemhebbend) heeft onze scriptor die 'è' klank dan als 'hobueche' genoteerd.
| Vocalen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Symbool | als in | Symbool | als in | Symbool | als in |
| a | bad | a: | kaal | ä: | boudoir |
| e | bed | e: | keel | ê: | gêne |
| i | pit | i: | kiel | u;: | oeuvre |
| o | pot | o: | kool | u; | de |
| u | mus | u: | kuur | ||
| ë: | bij | e;: | beuk | ||
| ü: | buil | o; | koek | o;: | voet |
| a;: | koud | ||||
| Consonanten | |||||
| Symbool | als in | Symbool | als in | Symbool | als in |
| p | pak | f | fee | m | mat |
| b | bak | v | vee | n | nat |
| t | tak | s | sap | n: | ring |
| d | dak | z | zat | l | lat |
| k | kat | g | gal | r | rat |
| g: | lach | w | wat | ||
| c | champagne | j: | jacquet | j | jong |
| h | hak | ||||
Reconstructie van klankwaarden. Van Bree (1996:72-73) bespreekt enkele regels om uit de spelling de klankwaarden af te leiden: 1. systematische spellingsverschijnselen: systematisch verschillende spellingen van verwante klanken wijzen op een verschil in uitspraak; 2. "foutieve" spellingen: wijzen op een een proces van verandering in uitspraak; 3. transcriptie van woorden en namen van de ene taal in een andere: veronderstellende dat de uitspraak van een woord in éé van de twee talen bekend is; 4. het voorkomen of afwezig zijn van rijmen: wijst op een klankovereenkomst of verschil.
Klankverandering. Klanken van een morfeem (woord of woorddeel) kunnen op drie hoofdposities voorkomen: Anlaut, Inlaut en Auslaut.
| Klankpositie | Er komt een klank bij | Er gaat een klank weg |
|---|---|---|
| Anlaut | prothesis, bvb latijn schola -> frans école | procope or aphaeresis, bvb middelnederlands huus -> zeeuws uus |
| Inlaut | epenthesis, bvb middelnederlands diener -> nederlands diender | syncope, bvb middelnederlands weder -> nederlands weer |
| Auslaut | paragoge, bvb middelnederlands nieman -> nederlands niemand | apocope, bvb middelnederlands tonge -> nederlands tong |
| Stam 'ho:-bu:k' | Stam 'ho:-bo:k' | Stam 'ho:-bo;:k' | Stam 'ho:-be:k' |
|---|---|---|---|
| 1135 hobuechen | |||
| 1235 Hobokel | |||
| 1248 Hoboken | |||
| 1258 Hoboken | |||
| 1259 Hoboken | |||
| 1260 Hoboken | |||
| 1270 Hoboken | |||
| 1270 Hoboke | |||
| 1272 Hoboken | |||
| 1273 Hoboken | |||
| 1274 Hoboken | |||
| 1274 Hoeboke | |||
| 1275 hoboken | |||
| 1278 Hoboke | |||
| 1278 Hoboken | |||
| 1281 Hoboken | |||
| 1284 Hoboken | |||
| 1285 Hobouke | |||
| 1290 Hoboke | |||
| 1290-1455 Hoboken | |||
| 1296 Hoboken | |||
| 12xx Hoeboeken | |||
| 12xx Houbouke | |||
| 1300 Hoboken | |||
| 1306 Hoeboeken | |||
| 1312 Hoeboeken | |||
| 1313 Hoboken | |||
| 1321 Hoboken | |||
| 1326 Hoboken | |||
| 1327 Hoeboeken | |||
| 1327 Hoboken | |||
| 1331 Obouke | |||
| 1331 Hobouke | |||
| 1336 Hoeboken | |||
| 1336 Hoebouke | |||
| 1338 Hoboken | |||
| 1346 Hoeboequen | |||
| 1356 Hoboeken | |||
| 1350 Hoeboucken | |||
| 1350 Hobouken | |||
| 1350-1375 Hombeke | |||
| 1352 Hoeboeken | |||
| 1354 Hoboeken | |||
| 1355 Hoboken | |||
| 1355 hoboeken | |||
| 1355 Hoboeken | |||
| 1355 Hoeboken | |||
| 1356 Oboken | |||
| 1356 Hoboucken (Kuyl, 1866:4) | |||
| 1357 Hoboken | |||
| 1358 Hobouken | |||
| 1372 Hoboken | |||
| 1383 Hoeboken | |||
| 1383 Hoeboeken | |||
| 13xx Houbouke | |||
| 14xx Houbeke | |||
| 1401 Hooboke | |||
| 1406-1423 Hoeboken | |||
| 1409 Hoeboken | |||
| 1417 Hoboken | |||
| 1417 Hoeboeken | |||
| 1417 Hoboeken | |||
| 1421 Hoboken | |||
| 1422 Hoboken | |||
| 1431 Hoboken | |||
| 1435 Hoeboken | |||
| 1436 Hoeboken | |||
| 1438 Houbeke | |||
| 1439 hoeboken | |||
| 1441 Hoboken | |||
| 1441 Hoeboeken (Kuyl, 1866:4) | |||
| 1447 hoeboken | |||
| 1450 Houbeke | |||
| 1460 hoboeken | |||
| 1460 Hoeboecken | |||
| 1460 hoeboeken | |||
| 1461-1489 Hooboken | |||
| 1463 Hoboken | |||
| 1477 Hoboken | |||
| 1481 Hoboken | |||
| 1486 Hoboken | |||
| 1492 Hombeke | |||
| 1493 hoboken | |||
| 1497 Hoboken | |||
| 14xx Hoboken | |||
| 14xx Hocbeken | |||
| 14xx Hombecken | |||
| 1518 Hoboken | |||
| 1518 Hobocquen | |||
| 1526 Hoboken | |||
| 1538 Hoboken | |||
| 1546 Hobboken | |||
| 1561 Hoobocken | |||
| 1569 Hoboocquen | |||
| 1569 Hoboken | |||
| 1572 Hoboken | |||
| 1577 Hoboken | |||
| 1582 Hoboken | |||
| 1586 Hoboken | |||
| 1590 Hoboken | |||
| 1593 Hoboken | |||
| 1599 Hoboken | |||
| 15xx Hoeboeken | |||
| 1601 Hoboken | |||
| 1602 Hoboken | |||
| 1603 Hoboken | |||
| 1607 Hoboken | |||
| 1609 Hoboken | |||
| 1610 Hoboecke | |||
| 1617 Hoboken | |||
| 1624 Hoboke | |||
| 1631 Hoboken | |||
| 1633 Hoboken | |||
| 1633 hoboquen | |||
| 1§37 Hoboken | |||
| 1638 Hoboken | |||
| 1640 Hoboken | |||
| 1652 Hoboken | |||
| 1656 Hoboken | |||
| 1659 Hoboque | |||
| 1696 Hoebocken | |||
| 1701 Hoboken | |||
| 1710 Hoboken | |||
| 1736 Hobocque | |||
| 1746 Hoboken | |||
| 1756 Hoboque | |||
| 1795 Hoboken |