| Hobuechen: Hagepreken in het zuiden van Antwerpen in 1566 |
Frans Janssens, Nachtegaallaan 12 bus 12, B-2660 Hoboken
Raymond Corremans, Vinkenveldenstraat 1, B-2660 Hoboken
Belangrijke opmerking: Deze tekst is in voortdurende revisie.
Sleutelwoorden: Hoboken, hagepreken
![]() |
Dierickx (1954:49) publiceert een mooie afbeelding van de gravure van Frans Hogenbergh uit Mechelen over de hagepreken in de buurt van Antwerpen in 1566. Dierickx situeert de hagepreken in een bos van Hoboken-Wilrijk. van Roosbroeck (1988:91) specifiëert de gewapende hagepreek in de bosjes van Beerschot-Hoboken op de Hoge Weg (= nu St-Bernardsesteenweg) en op blz. 103 wordt de 2de preek gesitueerd vóór de parochiekerk aan de Lage Weg. Welke parochiekerk wordt hier bedoeld? Waarom staat er geen puntdak op de toren van de kerk? Er lijkt zelfs helemaal géén dak op te staan. Gewoon een open toren? Is de kerk misschien afgebrand en nog niet volledig hersteld? Naast de kerk, het dorpsplein staat een soort van tribune met een bijschrift 'Confessi'. Als we nu die Lage Weg naar Antwerpen proberen te volgen op de gravure, dan loopt die van de kerk naar een kapel. Is dat de kapel van Nose? Van hieruit in een bocht naar links loopt de weg langs een galgenveld dat rechts van de weg gelegen is. Dierickx vermeld het galgenveld niet. Waar stonden die galgen? De weg loopt dan door een straatdorp, met links weer een kapel? Hier splitst de weg. Een weg loopt naar links boven tussen enkele windmolens richting Schelde oever. Tot aan de Kronenburgtoren? Een tweede weg loopt rechtdoor naar Antwerpen weer langs andere windmolens. Naar de Keizerspoort? Of is het de St-Jorispoort? Op linker oever bemerkt men nog een klein galgenveldje, waar nu Galgenweel is.
Op een kaart van 1706 van Antwerpen (De Brabander, 1988:85) staat een stukje Kiel afgebeeld aan het Zuidkasteel. Hierop zijn de resten van een oude kerk aan de Lage Weg (le bas chemin) weergegeven.
Prims (1974:48-56) schrijft over de ketterse pastoor Mathijs van het Kiel die in de zomer van 1566 predikte aan de kapel van het Kiel die in 1563 opnieuw ingewijd was.
Hieruit is af te leiden dat de op de gravure afgebeelde kerk niet die van Hoboken is maar die kapel van het Kiel.
Het meest markante in de gravure is het galgenveld dat schijnbaar op het Kiel moet gelegen zijn geweest tussen de bewuste kapel en de stadswallen.
Kimzeke & Demey (1996:25) bespreekt dezelfde gravure opnieuw. De afgebeelde kapel zou de oude Sint-Catharinakapel kunnen zijn. Dit kan kloppen met de oude kaart van 1706.
Nicolaï (1997:5) refereert naar de gravure als 'Hagepreek in Berchembos'.
De magistraat probeert de aandacht van de 'gemeynte' af te leiden door krachtig op te treden tegen de herdopers die toch als vreedzame christenen hun geloof hadden beleden. Velen worden verbrand. Enkele verdronken. Terwijl de walm van de verbrandingen boven de markt in Antwerpen opstijgt of op het Galgeveld de menigte onthaald wordt op een terechtstelling, houdt het bestand van Vaucelles het niet eens een jaar uit en begint de oorlog opnieuw begin 1557. (naar van Roosbroeck, 1988:90). In 1558 zijn er te Antwerpen 23 executies van herdopers, in 1559 ook 23, in 1560 zijn er 17 trieste schouwspelen te bewonderen. Dit gaat zo door tot in 1562. De strafuitvoeringen, hoe wreed ook, hebben echter geen afschrikkingseffect. De herdopers ondergaan de terechstellingen als offerlam, hun liederen en martelaarsboek zullen getuigen. Er worden voortdurend geheime dopen tot zelfs in de stad gehouden. De Calvinistische prediking is nu in volle opgang en wint zijn volgelingen in de kringen van kooplieden en magistraten. Het Lutheranisme was beperkt in hoofdzaak tot de kooplieden van Duitse herkomst en in mindere mate bij een elite van Antwerpse burgers. (naar van Roosbroeck, 1988:91). De aanhang van de wederdopers was groot onder de armste lagen der bevolking en aangezien de macht in Antwerpen ook toen al samenspande met het kapitaal, richtte zich de ketter-vervolging vooral tegen deze wederdopers. De Lutheranen, die gehoorzaamheid hoog in het vaandel hadden staan en die welstellend en van economisch belang waren voor de scheldestad, werden bij de kettervervolginen vrijwel ongemoeid gelaten. Voor 1566 werden slechts 4 á 5 Lutheranen ter dood gebracht, terwijl in de korte tijdsspanne van 1558 - 1566 mar liefst 73 wederdopers gedood werden. (Wursten, 2005).
In een nieuw plakkaat van de koning in 1559 wordt aangedrongen op vervolging van de Wederdopers, maar ook van Lutheranen en Calvinisten. (naar van Roosbroeck, 1988:92). In april 1559 wordt de vrede van Cateau-Cambresis met Frankrijk gesloten. Er heerst terug sociale rust en de handel keert weer. De stadsmagistraat houdt de koning voor dat Antwerpen een oord van devotie is, zonder predikingen of rustverstoorders. De koning heeft echter vertrouwde spionnen in Antwerpen. Politieke verklikking is in de handelswereld georganiseerd. Er blijkt in Antwerpen toch een net van Calvinisten aan het werk te zijn. (naar van Roosbroeck, 1988:93). Het is duidelijk dat het Calvinisme in Antwerpen aan kracht heeft gewonnen. (naar van Roosbroeck, 1988:94).
|
Vermits de traditie de hagepreek steevast naar Hoboken verwezen
heeft, moet die ook op iets berust hebben.
Niet onbelangrijk is het feit dat Willem de Zwijger of
Willem van Oranje (vermoord in Delft), heer van Hoboken is geweest
en in 1559 Hoboken en zijn kasteel verkocht aan Schetz-Ursel (via een
tussenstap).
Willem van Oranje verbleef steeds te Antwerpen als hij naar het zuiden afzakte. Hij had blijkbaar een afspraak met de Antwerpse stadsmagistraat gemaakt, dat in geval van geplande razzia's tegen de ketters, de magistraat Willem 2 dagen op voorhand moest op de hoogte brengen. Opdat die zich dan op tijd uit de voeten kon maken... Wanneer verbleef Willem eigenlijk in zijn kasteel te Hoboken?
Er moet dus ook een calvinistische haard in Hoboken dorp geweest zijn, zodanig zelfs dat de Staatsen (= de calvinisten) ons dorp hebben plat gebrand om niets nuttig (of bewijsmateriaal) in handen van de aanstormende katholieke leider Alexander Farnese over te laten. Er was zeker een calvinistische haard in Antwerpen. Misschien zijn het deze die Hoboken hebben platgebrand onder het motto van 'de verschroeide aarde' om het oprukkende leger van Farnese geen voedselvoorraden, of grondstoffen, of schuilgelegenheden te gunnen. Hoboken werd dus opgeofferd in de hoop van Antwerpen te kunnen redden... Maar Dierickx (1954:71) zegt echter 1. dat de totale verwoesting van Hoboken waarschijnlijk overdreven is, en 2. dat het pas in 1584 is gebeurd, samen met het doorsteken van de dijken. Het meeste kerkelijk bewijsmateriaal was toch reeds vernietigd gedurende de plundertochten van de beeldenstormers op 22 augustus 1566: de kerk en de H. Kruiskapel werden er geteisterd (Dierickx, 1954:48,50). Komende van Antwerpen trokken de beeldenstormers op 23(sic) augustus 1566 door Hoboken naar Hemiksem; de Kruiskapel ontsnapt aan vernieling (Van Honsté, 2006:43). In 1566 werd inderdaad alleen de O.L.Vrouwkerk en de Schipperskapel aangepakt en is de Zwarte God ternauwernood aan vernieling ontsnapt, als we het kerkarchief mogen geloven want kwade tongen beweren dat er een replica na 1566 is gemaakt. |
De magistraat wilde Antwerpen vrij houden van een bisschop en de inquisitie, vermits alleen het woord al de kooplieden zou wegjagen. Dit kon alleen wanneer hij aantoonde dat de Calvinisten geen gevaar vormden. Maar vanaf 1564 worden het jaren van gruwelijke onrust. Het Calvinisme heeft zich doorgezet. De bloedige bestraffing wordt nu zelfs bij katholieken in twijfel getrokken. Het besef ontstaat dat een andere weg moet gevolgd worden om de Roomse Kerk in haar rijke glorie te herstellen. Er onstaat steeds meer oppositie tegen de strenge plakkaten. (naar van Roosbroeck, 1988:95).
In 1563, 1564 en 1565 was de winter ongewoon streng en langdurig. Schaarsheid van koren en de stilstand in de lakenhandel ten gevolge van de moeilijkheden met de Engelsen veroorzaakt werkloosheid en sociale ontevredenheid. De landeigenaren, die vroeger heren waren, voelen zich verlaagd tot knechten, omdat de boeren hun pacht niet meer kunnen betalen. Elk protest tegen de machthebbers geniet nu bijval. Wie nu het evangelie preekt dat liefde, broederlijkheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid voorhoudt, moet gehoor vinden. Lodewijk van Nassau (broer van Willem) vreest dat het gepeupel de bovenhand zal halen. (naar van Roosbroeck, 1988:97,98). De overheid erkent echter de armoede onvoldoende als grond tot onrust. (naar van Roosbroeck, 1988:98).
Aan het eind van de vergaderingen zamelen de predikers aalmoezen in die meteen onder de armen verdeeld worden. De overheid wordt gelaakt en beschuldigd van korruptie. (naar van Roosbroeck, 1988:99). Er wordt stillaan een klimaat geschapen dat zich leent voor extremismen. En dan is er nog de zwetende ziekte, de pest... De onzekerheid, de honger, de opstandigheid, de vrees voor de ziekte, de hoop op het nieuwe bundelt de onrust gestaag. Er wordt fel gepreekt! (naar van Roosbroeck, 1988:100). Terwijl de priesters de inquisitie bij de overheid via geheime verzoeken aanprijst, worden ze op straat door de 'gemeynte' nageroepen en bedreigd. De preken groeien aan en worden openbaar. De preek van de Waalse predikanten in het bos voor de poorten van de stad trekt meer dan 3000 toehoorders en om de Nederlandse predikant te horen klimmen mensen in de bomen. Einde juni wordt door Waalse en Dietse predikanten gepreekt onmiddellijk buiten de stadswallen. Meer dan 6000 toehoorders zijn er aanwezig. Bij de Duytschen, dit zijn de Nederduits of Diets sprekenden, zijn 'het volck van minderen qualiteyte ende slechteren habyte' geweest. Naar de Waalse preek komt de burger die zich de betere voelt en overigens ook Frans spreekt. (naar van Roosbroeck, 1988:101).
De magistraat wil de haagpreken beletten en de predikers vangen. 'Maer 't en baette al niet...' Antwerpen is onmachtig tegen de totale wanorde en onrust. De toeloop wordt steeds groter en menig preekhoorder draagt 'corte wapenen mede, sincroeren en pistoletten'. (naar van Roosbroeck, 1988:102). Op de preken in de bosjes is het niet rustig. Gewapende mannen zijn rond het veld opgesteld en voortdurend hoort men het lossen van schoten. De predikant neemt plaats onder een boom. Hij wordt bewaakt door een aantal kooplieden te paard. Enkele huifwagens staan klaar op een pad, om snel te kunnen vluchten. (naar van Roosbroeck, 1988:103).
De Duitse protestanten van de confessie van Augsburg worden ongerust omdat het Calvinisme de overhand krijgt op het Lutheranisme. Ze willen ook hun preken organiseren. Op het Kiel beginnen de preken van de Lutherse Confessie. Wel 7000 toehoorders zijn aanwezig. De predikant is echter voorzichtig. Hij had voorheen als priester in deze kerk 'evangelisch' gepreekt en was toen door de katholieke geestelijkheid het preken verboden. (naar van Roosbroeck, 1988:104). Kroniekschrijver Godevaert Van Haecht in zijn verslag over de predikatie van de Lutherse 'parochiaan': dat er veel 'canonicken syn, die vuel benificien hebben en houwen hoeren en peerden; en vuele en hebben nou om bij te leven; en sulcx is voertijden ghegeven om d'arme lieden te houwen...' Dit werd echter niet door de Kielse 'parochiaan' gezegd. Integendeel, er had daar een debat plaats met een Leuvens Professor over de Heilige Schriftuur. De spanning wordt in de kroniek blijkbaar overgebracht naar het sociaal vlak. De haat van de kleine man is op de katholieke geestelijke overheid gericht, op de 'papist', de oude orde die de verwachtingen niet heeft ingelost. Wanneer de parochiaan van het Kiel beweert dat enkele protestante sekten de liefdadigheid beter nakomen dan de Katholieken, dan wordt door het gepeupel betoogd tegen de Kerk! (naar van Roosbroeck, 1988:106).
De beeldenstorm waait over vanuit Engeland (juni-juli 1566) naar Steenvoorde (10 augustus), om via Menen (16 augustus) Antwerpen te bereiken rond 20 augustus 1566 (naar van Roosbroeck, 1988:108), meer bepaald op 21 augustus 1566 (Van Dierickx, 1954:48; van Honsté, 1996:19). Daar inspireren vooral de Antwerpse Calvinisten de beeldenstormers zodanig dat die vervolgens door de Kempen, naar Zeeland en Holland oprukken om overal de kerken te gaan plunderen, beelden en kruisen onderweg vernielend. (naar van Roosbroeck, 1988:110-111).
Een maand daarvoor hadden de Calvinisten te Antwerpen alle kerken geplunderd en er de beelden verbrijzeld (de beeldenstorm van 21 augustus) en op 22 augustus zetten de plunderaars hun tocht verder over Hoboken, de kerk en de H. Kruiskapel werden er geteisterd, naar Hemiksem waar ze de St Bernardsabdij in de as legden. (Dierickx, 1954:48-50).
Der alter kirch missbrauch sehr gross
Von Gottes Wordt und lehr gar bloss:
Haben bewegkt die gantze gemein,
Das sei die lehr begerten rein.
Darumb sei auff verscheiden ortt
Lauffen, zuhoren Gottes Wortt.
Wie das Martinus hatt verkhlertt
Auch was dauon Caluinus lhert.
Anno Dñj. M.D.LXVI in Junio. XIIII.
(Dierickx, 1954:49, Fig.12).
Nog verder uit te werken...
Hagepreek te Beerschot, Hoboken rond juni-juli 1566. Voor de parochiekerk aan de Lage Weg bemerkt men een predeking, een andere "hagepreek" vindt plaats in de bosjes, beschermd door gewapende poorters en ruiters. Gravure door F. Hogenbergh, 1566. Stedelijk Prentenkabinet, Antwerpen. Foto archief.
(van Roosbroeck, 1988:101).
Noot: blijkbaar is het van Roosbroeck ontgaan dat het twee hagepreken betreft: een pacifistische 'Walsche' prediking in het bos en een gewapende 'Caluinische' in het open veld.
De prent van Frans Hogenbergh geeft de hagepreek weer van 14 juni 1566 gehouden in het Beerschotbos, dat tegen Hoboken aanleunt (Van Honsté, 1996:19).
Nog verder uit te werken...
Op de gravure van Frans Hogenbergh merkt men in de verte links de Schelde en bovenaan de silhouet van Antwerpen, die binnen haar wallen al meer dan honderduizend inwoners telde. Links op de afbeelding is een gebouwtje getekend, dat wellicht de Sint-Catharinakapel zou kunnen zijn, en waar de Lutherse pastoor Hendrik Mathijs de ketterse godsdienst predikte. (naar Kimzeke & Demey, 1996:25). Volgens het bijschrift op de muur van het gebouwtje zijn hier de 'Confessi' samen. Dit is een aanduiding voor de Lutheranen, die sinds 1555 verenigd zijn in de Augsburgse confessie, ook wel Martinisten genoemd. Dat er voor het kerkje op het Kiel gepreekt wordt, kan historisch verklaard worden omdat de pastoor van 't Kiel, Cornelis Huberti, al vroeg sympathiseerde met Luther en ook zijn opvolger Hendrik Mathijs duidelijk protestantse predikaties hield. (naar Wursten, 2005).
Vanaf mei 1566 predikt de nieuwe rector van de kapel op het Kiel, Frans Alaerts of Alardi, die zichzelf prochiaan van het Kiel noemt, "uit de confessie van Augsburg", op basis van teksten uit boeken van Luther. (Prims, 1974:48-50). Toen de kapelmeesters van het Kiel als de prior der karthuizers dit vernamen, schorste de prior Frans Alaerts, die door de prior van Lier was verkozen. De kapelmeesters stellen de kandidatuur van de heer Mathijs, die van Middelburg kwam en vroeger in de buurt van Leeuwarden in Friesland dienst had gedaan, voor aan de prior van Lier. Terwijl het kapittel van O.L.V. zich tegen die benoeming verzette, nam Mathijs de cure van het Kiel in bezit nadat kerkmeester Cornelis Schot hem zijn eerste aanbetaling deed. In juni 1566 verbood de magistraat aan Mathijs nog te prediken, daar men ketterse strekkingen heeft waargenomen, en de toelating van de bisschop uitbleef. Mathijs vertrekt naar Meersen bij Maastricht waar hij in dienst komt van de Benedictijner abdij. (Prims, 1974:50). Op 14 juli komt de prins van Oranje, goeverneur, terug naar Antwerpen. Vermoedelijk op advies van de magistraat besluit de goeverneur om Mathijs terug te roepen. Midden juli gaat Gijsbrecht Conincx in opdracht van de kapelmeesters Mathijs opzoeken te Meersen. Mathijs keert weer naar het Kiel. Op 23 juli verzoekt stadssecretaris Alexander Grapheus de deken van het kapittel om goedkeuring. Op 24 juli getuigen enkele poorters, waaronder Cornelis Schot, dat Mathijs de mis dient naar de katholieke religie. (Prims, 1974:51).
Hierop begint Mathijs te prediken. Op 25 juli waren er wel 4000 toehoorders op het Kiel, waaronder veel Luthersgezinden. Eind juli weigert het vicariaat de benoeming te bevestigen want Mathijs wordt van ketterij verdacht. Op 8 augustus vertrekt de opperprochiaan van St-Pieters te Leuven, meester Cunerus, in gezelschap van kapelaan Michiel van Thienen, naar Antwerpen. Op zondag 10 augustus ontstond na de preek een rumoerig dispuut tussen Cunerus en Mathijs over de interpretatie van de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs. (Prims, 1974:52). Cunerus moest onder bescherming van de drossaard weggeleid worden. Op 11 augustus reisde hij terug naar Leuven. (Prims, 1974:53). Ondertussen woedde de beeldenstorm door Vlaanderen. Vanuit Poperinge (14 augustus), Ieper (15 augustus), Oudenaarde (18 augustus) naar Antwerpen (19 tot 22 augustus). In de nacht van 21 op 22 augustus plunderen de Calvinisten de St-Joris kerk te Antwerpen. De magistraat roept prochiaan Mathijs om te prediken in de kerk. De kerkmeesters protesteren op 24 augustus. Maar Mathijs blijft prediken in ketterse zin van 25 augustus tot 17 september. (Prims, 1974:54-56).
Korte kroniek van de oude St-Catharinakapel van het Laag Kiel
1542: de kerk der karthuizers brandt af (Prims, 1974:44).
1543: de afgebrande kerk wordt gesloopt; het kerkhof en de oude St-Catharinakapel blijft bestaan (Prims, 1974:44).
1555-1558: de kapel van het Kiel wordt heropgebouwd op de oude gewijde grond (Prims, 1974:46).
1558: op de grond van de oude kerk of op het kerkhof wordt een voorlopige kapel opgetrokken (Prims, 1974:45).
1563: de kapel wordt plechtig ingewijd door de hulpbisschop van Kamerijk, Martinus Cuperus der O.L.V. Broeders (Prims, 1974:46).
1609: de kerk was verlaten gebleven na de oorlogen (Prims, 1974:61).
1622 (of 1624,1625): tijdens de koude winters wordt het strooien dak van de kapel opgestookt door vreemde troepen (oorlogsperiode 1621-1648) (Prims, 1974:65).
1665: het repareren en op de oude fundamenten heropbouwen van de kerk van St-Catharina (Prims, 1974:73).
1682: verzoek om de kapel van St-Catharina waarvan de muren nog 13 of 14 voet hoog stonden te mogen heropbouwen (Prims, 1974:74).
1683: eerste steenlegging van het nieuwe werk (Prims, 1974:75).
Nog verder uit te werken...
![]() |
Het perspectief in de gravure van Frans Hogenbergh is in noord-zuid richting vervormd, meer bepaald verkort. Bovenstaande kaart is in noord-zuid richting 50% samengeperst. Het aldus verkregen beeld komt vrij goed overeen met wat men te zien krijgt vanuit het standpunt van het Berchem Hoff. Dit was gelegen op een hoogte, en vandaar uit had men een goed overzicht van het gebied tot aan de wallen van Antwerpen. In het midden van de gravure herkent men de Steenwegh nae Berchem die van aan de St Joris Poort vertrekt en langs enkele windmolens loopt. Vervolgens herkent men rechts 't Siecken (met toren), en aan de overkant van de straat een rij huizen. Aan het Galgen Velt splitst de weg: links loopt die verder in de richting van de kerk van de Heerlijkheid van Berchem, rechts in de richting van de Wech nae Wilryck. Juist voorbij het Galgen Velt volgen we de weg zuidwaarts richting Schelde oever.
Nog verder uit te werken...
Nog verder uit te werken...
De gravure van Frans Hogenbergh, die gedateerd is op 14 juni 1566, toont, samengevat, op één afbeelding drie verschillende protestantse predikingen :
We hebben geen aanduidingen kunnen vinden dat de hagepreken afgebeeld op de gravure betrekking hebben op preken gehouden op de grens van Beerschot-Hoboken rond rond 1565 (lapsus calami) (naar van Roosbroeck, 1988:91), of preken gehouden op de grens van Hoboken-Wilrijk op 15 september 1566 (naar Dierickx, 1954:48).
De Waalse hagepreek in een bos, afgebeeld in de linker beneden hoek op de gravure, kan nog niet met zekerheid worden gelocaliseerd. Misschien gebeurde die toch in Hoboken? Frans Hogenbergh vermeldt op zijn gravure expliciet dat het een 'Walsche' preek betreft. Waarom zouden de rijke franssprekende Calvin-gezinde Antwerpse poorters Hoboken uitgekozen hebben voor hun hagepreek? Dierickx (1954:48) heeft het over een hagepreek te Hoboken gehouden op 15 september 1566. Dat is dus bijna een maand na de beeldenstorm!
Mogelijk was dit op één van de buitenverblijven van prominente Antwerpenaars, want er waren enkele 'kleurrijk gevederde vogels' neergestreken in Hoboken. Maar Hoboken heeft een bepaalde rol in het midden van de 16e eeuw gespeeld, want de 'Kermis van Hoboken' van Breugel is geen toeval maar de weerslag van een bepaalde activiteit die ook in de literatuur voorkomt. Zie ook het beroemde toneelstuk 'De Spaanse Brabander' van Bredero waarbij de hoofdfiguur 'Jerolimo Rodrigo' in Hoboken is geboren. Deze geboorteplaats moet dus zelfs in Amsterdam een zekere weerklank hebben gehad identiek aan de Kermis van Hoboken.
Nog verder uit te werken...