uit de kalender van Sint-Maarten, Dom te Utrecht
Weerspreuken

Is het donkere lucht op Sint Martijn,
Zo zal het een zachte winter zijn,
Maar is dag van Sint Martijn helder,
De vorst dringt door tot menig kelder.

Blad aan de bomen met Sint Martijn,
Dan zal het een strenge winter zijn.

Al moet Sint Maarten een mantel dragen,
Hij moet toch wandelen in zomerse dagen.

De Misse van Sint Maarten
Brengt ons de winter in ’t herte.

Als het blad niet valt voor Sint Martijn,
Zal ’t een strenge winter zijn.

Staat me Sint Maarten op ’t ijs de gans,
Zo houdt ze Kerstmis in’t water een dans.

Sint Maarten zet zich met veel dank
Bij het haardvuur op de bank.

Is om Sint Maarten nog loof aan de bomen,
Zo moogt ge van een strenge winter dromen.

Als op Sint Maarten de ganzen op het ijs staan,
Moeten ze met Kerstmis door het slijk gaan.

Nevels in de Sint Maartensnacht
Maken de winter kort en zacht

Na het feest van Sint Maarten
Krijgt de winter schone kaarten.

Wolken op Sint Maarten
Geven een onbestendige winter aan.

Sint Martinus warmte en regen,
Brengt het zaad geen grote zegen.

Als het nevelig is met Sint Martijn,
Dan zal de winter niet koud zijn,
Maar heeft de Sint een witte baard,
Dan blijft ons sneeuw noch ijs gespaard.

Rijmpje

Hier woont een rijk man
Die veel geven kan.
Lang zal hij leven, zalig zal hij sterven,
‘t hemelrijk beërven.
Geef mij een appel of een peer,
Ik kom het hele jaar niet meer.

Liedjes
A-B-C-D-E-F-G
We nemen ons lampionnetje mee
En we gaan langs alle deuren
Om een lekker snoepje te zeuren
A-B-C-D-E-F-G
We nemen ons lampionnetje mee (op de melodie van ‘Altijd is Kortjakje ziek’)

Duizend voetjes lopen ’s avonds laat op straat.
Glunderende snoetjes door de hele straat.
Met mijn lampionnetje lijk ik wel een zonnetje.
11 november is de dag die je niet vergeten mag. (op de melodie van ‘Op een grote paddestoel’)

Sint Maarten, Sint Maarten,
De koeien hebben staarten,
De meisjes hebben rokjes aan,
Daar komt Sint Maarten aan.
Sinte Maarten MikMak,
Mijn moeder is een dikzak,
Mijn vader is een dunnetje,
Geef ‘m een pepermunnetje! (op de melodie van ‘Sinterklaas Kapoentje’)

’t Is Sint Maarten,’t Is Sint Maarten,
Heel leuk feest, Heel leuk feest,
Wij kloppen bij u aan
En brengen u een lichtje,
Wij lopen langs de deuren
En zingen nu een liedje.
Speciaal voor u! Speciaal voor u! (op de melodie van ‘Vader Jacob’)

11 november is de dag
dat mijn lichtje, dat mijn lichtje,
11 november is de dag
dat mijn lichtje branden mag. (op de melodie van ‘Daar was laatst een meisje loos’)

Daar komen wij met lichtjes aan.
Het is Sint Maartens feest.
En dat gij ons nu lang laat staan?
Dat is niet goed geweest.
Mijn kaarsje is haast afgebrand.
Zeg nooit: ‘wij geven niets’
Sint-Maarten, ja die brave man,
Die gaf toch altijd iets.
Sinte Sinte Maarten.
De kalv’ren dragen staarten.
De koeien dragen horens?
De kerken dragen torens?
Hier woont een rijke man,
Die veel geven kan.
Veel geven hoef jij niet,
Al is het maar een suikerbiet!
We kijken vanavond geen tv,
We kijken vanavond geen tv,
We lopen met onze lichtjes mee.
We vragen wat voor Sint-Maarten.
We komen maar ene keer.

Uit 'Vlaams verzenboek', samengesteld door Karel Jonckheere (Lannoo 1999)

Sinte, Sinte Maarten,
De kalvers dragen staarten,
De koeien dragen horens,
De kerken dragen torens,
De torens dragen klokken,
Mooie meisjes dragen rokken,
De jongens dragen broeken,
die kruipen in alle hoeken.
Hier komen we voor een rijkemans deur,
Daar hangt een builtje met zemelen veur,
Zo menige zemel, zo menige duit,
Hier hangt de goeie Engel uit.

Sinte Maarten van reine geneugten,
hij al met zijn grijze baard,
juffrouwke, wil ons kabaske vullen,
laat ons hier niet lang meer staan,
want dan kunnen we lustig smullen,
houd u kloek tot't naaste jaar.

Sinte Maarten op de kruk,
geef me een appel of een stuk,
geef me een peer,
geef iets meer,
Sinte Maarten, de babbeleer.

Martinus had goe vrienden,
daar hij barmhartig was,
hij beloofde aan eenieder
dat hij koekebakker was.
In 't fijn, in 't fijn,
zoals koeken moeten zijn.

De kinderen van 't begijnhof,
o burgers van de stad,
die komen om Sint - Maarten,
zij zingen voor u wat.
Hout, hout, burgers, hout!,
mijn voetjes hebben het koud.
Ik zou een vuurtje stoken,
maar ik heb geen klompje hout.
Gigeland, Gigeland,
uit de gouden, leren mand,
geef een brokje van uw dis,
omdat't Sinte-Maarten is.

Sinte Maarten de nieuwe,
de oude is verteerd.
'k Zou gaarne een vuurtje stoken,
ik weet niet wie me dat leert.
Stook vuur,
Maak vuur,
Sinte Maarten is al hier.

Bazin, is er niets te geven?
We zullen ons kleden,
we zullen ons wassen
en 't naaste jaar nog beter oppassen.

Sinte Maarten had een koe,
die moest naar de slachter toe.
Was ze vet of was ze mager,
ze moest even goed naar de slager.
Sinte Maarten heeft het koud,
Geef hem een turfje of wat hout.

Sinte Maarten kruk,
geef mij een appel.
Ik geef je een stuk.
Geef me een hele,
ik zal hem delen.
Geef me een halve,
'k zal hem delven.
Geef me een kwartier,
ik gooi het in 't vier.

Sinte Maarten heeft het koud,
Geef hem een turfje of wat hout
om zich bij te warmen
met zijn blanke armen.
Hier woont een rijke man,
die ons veel geven kan.
Veel zal hij ons geven,
zalig zal hij leven,
zalig zal hij sterven,
de hemel zal hij erven.

Sinte Maarten, stookt wat vuur,
Sinte Maarten woont alhier.
Hij zou zich willen warmen
met zijn blote armen.
Daar kwam een wijfje met krukken,
zij stootte her vuur aan stukken.
Daar kwam een ventje met staken,
het wou het vuurtje weer maken.
Toen kwam de Sint met zijn grote teen
en hij schaarde de kooltjes dicht bijeen.
Geef wat, houd wat,
't naaste jare dan were wat.
Dit jaar een schelling,
't ander jaar een penning,
of een mutserd of een schoof
of de kolen uit uw hof.

Sinte Maartens vogeltje
is met zijn rood kazuiveltje,
gestoven, gevlogen
recht over de Rijn,
waar veel vette varkens zijn.
Goede vrouw, geef wat,
alle hennen leggen wat!
Vrouwtje, loop maar op de trap,
tast diep in de notenzak,
tast er toch niet neven,
wil ons gauw iets geven.
Geef wat, houd wat,
't naaste jaar dan were wat.

Hout, hout, turf en hout,
een turfje of een spaantje,
koekeloerenhaantje.
Hoever zal dat wel vliegen?
Over de markt en over de mijn,
't zal wel een goeie Sint-Maarten zijn!
(als ze niets krijgen):
Ginder aan dat hoge huis
hangt een zak met zemels uit.
Elke zemel wordt een luis,
schop dat wijf in't achterhuis.

Sinte- Maartenavond,
de toren gaat mee naar Gent,
en als mijn moeder koeken bakt,
ik zit er gaarne omtrent.
Er ligt een scheepje in de haven,
geladen met koeken en taarten,
ter ere van Sinte Maarten.
Simanteren,* boele boele boele,
simanteren, Boele.

*Saint-Martin, tevens Chinees lantarentje
terug naar Sint-Maartensparochie naar Sint-Maartenskerk