De oorsprong van
het christelijk
Monachisme
april 1999)
De vraag naar
de oorsprong van het Christelijk monachisme is een periodiek weerkerende vraag.
Ongetwijfeld omdat het hier gaat om een kwestie waar nooit een volledig bevredigend
antwoord kan op gegeven worden, daar nieuwe ontdekkingen in vele verwante
domeinen haar steeds weer op een andere manier stellen.
Op het einde van de negentiende eeuw, toen de vergelijkende
studie van de godsdiensten tot ontwikkeling kwam, hebben Duitse onderzoekers,
H. Weingarten [i] op kop, gedacht dat
de oorsprong van het christelijk monachisme kon uitgelegd worden als een evolutie
vanuit de oude Egyptische godsdienst. De Christelijke monnik zou de traditie
van de kluizenaars (katochoi) van de tempel van Serapis voortgezet
hebben. Zonder veel moeite konden de katholieke historici het duidelijk Christelijk
karakter van het oude Egyptische monachisme aantonen, zoals zij ook ieder
verband met de heidense cultussen als onbewijsbaar verwierpen. Lange tijd
werden de studies op dit gebied toegespitst op de geschiedenis van de ascetische
praktijken, totdat in 1966, de studie van Peter Nagel, over de motivaties
van die praktijken, daarin een keerpunt bracht[ii].
Deze discussies brachten een vernieuwde interesse op gang
voor de literaire bronnen van het oude monnikendom. Monniken en monialen leerden
weer hun geestelijk voedsel te zoeken in wat men de ‘Monastieke bronnen’ begon
te noemen, dit wil zeggen de werken van het oude monachisme, in het bijzonder
de Apophtegmata, de Levens van Antonius en Pachomius, zonder Cassianus te
vergeten, die als verbindingsteken had gestaan tussen Oost en West.
Na de oorlog werden, in het voetspoor van de vernieuwde
studie van Bijbel en Kerkvaders, tal van goede en nieuwe kritische werken
over het oude monachisme gepubliceerd, die nog maar weinig bekendheid genoten
en waarvan men slechts oude uitgaven kende die niet beantwoordden aan de normen
van de huidige wetenschap. Die uitgaven waren op hun beurt de aanzet om tekstkritiek,
evenals historische en literaire kritiek op die geschriften toe te passen,
welke tot dan toe slechts gediend hadden voor de ‘geestelijke lezing’. De
vraag naar de oorsprong van het monachisme moest op een nieuwe manier gesteld
worden.
Dat Egypte als ‘bakermat van het monachisme’ zou gefungeerd
hebben, van waaruit het zich naar andere landen zou hebben verspreid – eerst
naar het Oosten, maar daarna ook naar het Westen – die mythe kon niet langer
aangehouden worden. Het werd evident dat het monachisme ongeveer overal tegelijk
en in verschillende vormen, ontstaan was, uit de vitaliteit van elke lokale
Kerk, zowel in het Oosten als in het Westen. Het klassieke schema volgens hetwelk Antonius en nog enkele eremieten
de vlucht namen naar de woestijn, vooraleer Pachomius het cenobitisme uitvond
om de nadelen van het eremitisme te verhelpen, klopte helemaal niet met de
realiteit die door de gepubliceerde documenten aan het licht werd gebracht.
Men kwam tot de ontdekking dat het monachisme vanaf het eerste begin zich
in al zijn meest verscheiden vormen vertoond heeft : cenobitisme en eremitisme,
monachisme in de woestijn en monachisme in de steden, enz.
Een andere mythe die evenmin de historische kritiek kon
doorstaan ( al leeft ze nog hardnekkig voort ) situeert het ontstaan van het
monachisme slechts na het Edict van Constantijn, of alleszins na de periode
van de vervolgingen. Enerzijds verlangden vurige christenen naar het martelaarschap dat niet meer in hun
bereik lag, maar dat ze konden verwerven door ascese. Anderzijds zouden zij
zich teruggetrokken hebben in de woestijn als reactie tegen een Kerk die lauw
was geworden. Zulke visie heeft geen enkele
grond, noch in de werkelijkheid, noch in de historische documenten,
die eerder wijzen op de uitbreiding van het monachisme als een vrucht van
de vurigheid van de Kerk, die voortkwam uit het moedig getuigenis van de martelaren.
De studies van Anton Vööbus, en vooral zijn monumentaal
oeuvre over het Christelijk ascetisme in Perzië, Mesopotamië en Syrië[iii],
brachten rond 1960 een hele ‘monastieke’ wereld aan het licht, tot dan onbekend in wetenschappelijke kringen, behalve
dan voor enkele specialisten. Kon men echter spreken van monachisme als het
ging over de Zonen en Dochters van het Verbond die Efrem en Afraat in Nisibus
en Edessa hadden gekend of als men het had over de talrijke vormen van zeer
radicale ascese die de Joods-Christelijke Kerken hadden gekend lang voor Antonius
en Pachomius ? Daar men moeilijk kon ingaan tegen de gevestigde conventie
van de historici, die het ontstaan van het ‘monachisme als dusdanig ‘ op het einde van de derde eeuw situeerden,
begon men toen te spreken over ‘premonachisme’.
Dom J.Gribomont wijst in een uiterst belangrijk artikel,
eigenlijk een recensie van het werk van Vööbus, duidelijk op de nauwe band tussen premonachisme en monachisme[iv].
Het bleek echter steeds evidenter dat er geen discontinuïteit bestond tussen die twee en dat niemand duidelijk
kon zeggen wat het ene van het andere onderscheidde.
In die zelfde periode, en zelfs een beetje vroeger, waren
het Daniélou en anderen die zich interesseerden voor het Joods Christendom[v].
Het was toen duidelijk gebleken dat de ascetische stroming zich in heel haar
strengheid juist in de Joods-Christelijke Kerken had gemanifesteerd in de
loop van de eerste drie Christelijke eeuwen. Vanuit die hoek gezien is het
niet toevallig dat de monastieke traditie zich op bijzondere wijze heeft ontwikkeld
in Egypte.
Ten tijde van Christus bevond zich in Alexandrië de talrijkste
Joodse diaspora. Die Joodse gemeenschap stond bijzonder open voor alle filosofische
en theologische richtingen. Twee eminente vertegenwoordigers van dit Alexandrijns
Judaïsme, Philo en Plotinus, oefenden een markante invloed uit op heel de
Christelijke mystieke traditie, evenals op het Christelijk monachisme, doorheen
Origenes en Evagrius.Een Christelijke gemeenschap kwam tot stand in Alexandrië
onmiddellijk na Pinksteren. In deze rijke context ontwikkelde zich de School
van Alexandrië met Panthenos en Clemens, vooraleer Origenes er met zijn leerlingen
een soort leven kwam leiden dat wij als ‘monastiek’ zouden kunnen bestempelen,
als de conventies van historici het ons niet zouden beletten. Het recente
werk van Samuel Rubenson heeft aangetoond dat Antonius en zijn gezellen helemaal
geen ongeletterden waren, zoals men lang gedacht heeft, maar dat zij doordrongen
waren van de filosofische en theologische leer van de Kerk van Alexandrië
en haar grote leermeesters.
De Essenen en Therapeutoi die bekenden waren voor Flavius
Josephus en Philo hadden twee eeuwen
voor Antonius en Pachomius in Egypte gewoond. Het is dus niet verrassend dat
na de publicatie van de documenten van Qumran en vooral van de Regel van de
Gemeenschap, die een monastieke levenswijze beschrijft die in zijn uitdrukkingswijzen
erg gelijkt op die van de Christelijke monniken, de vraag naar de oorsprong
van het monachisme opnieuw werd gesteld. Zou het Christelijk monachisme geen
voortzetting zijn van het Esseense monachisme ? Of nog : zouden de eerste
Christelijke monniken geen Essenen geweest zijn die zich tot het Christendom
hadden bekeerd? Op die schuchter gestelde vragen werd geantwoord dat de geestelijke
motivaties van het Christelijk monachisme grondig verschilden van die van
de Essenen – wat nogal evident was – en dat er in ieder geval een hiaat van
enkele eeuwen bestond tussen het verdwijnen van de Essenen en het einde van
de derde eeuw in Egypte, dat conventioneel als ‘het begin’ van het Christelijk
monachisme werd beschouwd. Dat was een juist antwoord, maar daarmee was niet
alles gezegd.
In dezelfde jaren dat de handschriften van de Dode Zee werden
ontdekt, werd ook een Koptische bibliotheek aangetroffen in Nag Hammadi, in
Boven-Egypte op de plaats waar zich een van de eerste Pachomiaanse kloosters
bevond. Om verschillende, deels politieke, redenen werden die documenten slechts
verscheidene jaren later gepubliceerd. De vraag naar het verband tussen die
handschriften en het klooster van Pachomius blijft duister[vi],
maar het staat alleszins vast dat de duizenden studies van die Koptische bibliotheek,
de meeste zijn op velerlei gebied gnostisch, ons een onschatbare hoeveelheid
nieuwe kennis hebben aangereikt aangaande de religieuze context van het Egypte
uit de eeuwen die Antonius en Pachomius voorafgingen evenals van de eerste
monniken van de Woestijnen van Nitrië, Skete en de Cellen.
Parallel daarmee breidden zich in diezelfde periode ook
de manicheïstische geschriften geweldig uit. Na de ontdekking van belangrijke
handschriften in Xinjiang in China, begin van de twintigste eeuw, daarna in
Fayoum in 1930, van de Codex Mani in Keulen in 1970, wierpen nieuw
licht op die grote religieuze stroming. Deze was op haar beurt ook zeer levendig
in Egypte in diezelfde periode en had haar eigen vorm van gemeenschapsleven
gekend, die meerderen zonder aarzelen als monastiek beschouwen. Men kwam vooral
tot de ontdekking dat Manes afkomstig was uit een Joods-Christelijke sekte.
Al die nieuwe gegevens zouden de historici van het Christelijk
monachisme hebben moeten aanzetten hun
traditionele theorieën over de oorsprong ervan te herzien, rekening houdend
met de nieuwe kennis van de culturele en religieuze context waarin het zich
had ontwikkeld. Dat was echter niet of weinig het geval, tenzij in enkele
uitstekende maar korte studies, zoals die van Antoine Guillaumont, verzameld
in een klein boekje onder de titel De oorsprong van het Christelijk monachisme[vii].
De historici van het monachisme en de specialisten van de hoger genoemde
religieuze stromingen zetten, spijtig genoeg, over het algemeen nog
steeds hun studies op parallelle wijze voort.
De kwestie van het ontstaan van het monachisme werd echter
opnieuw vanuit een ander oogpunt gesteld, namelijk door een specialist van
de Late Oudheid (Late Antiquity), professor Peter Brown, die
in een reeks studies,te beginnen met de welbekende “The Rise and Function
of the Holy Man in Late Antiquity[viii], en vooral in
de meer recente “The Body and Society. Men, Women and sexual Renunciation
in Early Christianity[ix]” er ons vertrouwd mee gemaakt hebben de fenomenen
van de Christelijke ascese in een veel ruimere context te beschouwen. Het
onderwerp van Peter Brown is veel uitgebreider dan de vraag naar de oorsprong
van het monachisme; maar zijn gewoonte om de belangrijkste ‘acteurs’ van het
oude monachisme elk in zijn eigen milieu te situeren is zeer rijk gebleken.
Daardoor hebben wij, of men het wil of niet, een andere kijk gekregen op de
monastieke geschiedenis.
Verscheidene recente auteurs hebben deze benaderingswijze
van Brown overgenomen, en meer bepaald toegepast op de geschiedenis van het
monachisme, soms echter volgens een heel precies agenda. In Virgins of
God[x]”,
concentreert Susanna Elm zich op het vrouwelijke ascetisme dat dikwijls werd
verwaarloosd in historische studies in het verleden. En zij verzamelt een
aantal belangrijke gegevens die weinig gekend of verspreid waren over weinig
toegankelijke werken. De studie van David Brakke[xi] over de relaties
tussen de Egyptische ascese en de anti-ariaanse politiek van Athanasius is ook een goudmijn
aan gegevens, met grote wetenschappelijke gestrengheid verzameld. Het probleem
met deze werken, de beste onder vele andere die de laatste jaren werden gepubliceerd,
bestaat hierin dat zij met grote strengheid werden samengesteld, wat ongelukkigerwijze
niet altijd het geval is met historische studies over het monachisme, door
monniken geschreven, die expliciet en soms willens en wetens (krachtens een
postmodernistisch a priori) de eigenlijke spirituele dimensie van de monniken
die zij bestuderen niet kennen.
In het spoor van de studies van Peter Brown en al de hoger
genoemde ontdekkingen heeft zich de laatste twintig jaar een nieuwe interesse
gemanifesteerd voor het ascetisme in de oudheid. Het is duidelijk geworden
dat het Christelijk monachisme deel uitmaakt van een veel algemener fenomeen:
dat van het Christelijk ascetisme. En dat dit laatste slechts kan bestudeerd
worden in de meer algemene context
van menselijke ascese en de talrijke uitingen ervan in de maatschappij van
de eerste eeuwen van de Christelijke tijdrekening.
Een groep professoren en onderzoekers is in Amerika samengekomen
in het begin van de jaren tachtig, in de schoot van de American Academy of
Religion, om het fenomeen van het ascetisme onder al zijn facetten te bestuderen.
Een internationale conferentie werd georganiseerd in New York in 1993 onder
het thema :”De ascetische dimensie in religieus leven en cultuur”. Een indrukwekkende
verzameling gegevens uit deze conferentie werd in 1995 gepubliceerd onder
de titel Ascetism[xii]. Sommige
van deze studies tonen begrip voor het Christelijk monachisme.
Andere analyseren het ascetisch fenomeen zonder enige referentie naar
de motivaties die degenen zouden kunnen gehad hebben die het in het verleden
beleefd hebben of die het nu beleven. Verscheidene studies schijnen de ascese
– Christelijke of niet – te reïnterpreteren in het licht van de theorieën
van Michel Foucault.
Columba Stewart – een benedictijn die bedreven is in de
methodes van de academische disciplines, heeft zojuist een werk over Cassianus[xiii]
gepubliceerd dat ongetwijfeld lange tijd als “definitief” zal gelden. Daarin onderlijnde hij onlangs de noodzaak
van een multidisciplinaire benadering om die
kloof te vullen[xiv]. Terwijl studies
van grote methodologische strengheid
falen door de zuiver spirituele dimensie van het monachisme te negeren, zijn
er heel wat geschriften over de monastieke spiritualiteit die de wetenschappelijke
gestrengheid missen die we er in onze dagen terecht van zouden verwachten.
In deze
enkele bladzijden kan er geen sprake van zijn zulke studie te maken of zelfs
maar te schetsen. Daartoe zou de medewerking vereist zijn van verscheidene
specialisten op diverse domeinen. Op het risico af verwaand over te komen,
zou ik toch in grote trekken het beeld willen schetsen van de oorsprong van
het oude Christelijke monachisme, dat volgens mij reeds schijnt op te duiken
uit recente studies.
Raimundo
Panikkar spreekt over het monachisme als over een “menselijk archetype”[xv],
waardoor hij het feit onderlijnt dat er een monastieke dimensie bestaat in
de schoot van ieder menselijk wezen en dat zij die men “monniken” noemt diegenen
zijn die heel hun leven organiseren rond deze diep menselijke dimensie. Dit
verklaart waarom men monachisme aantreft in bijna alle grote religieuze tradities
telkens als zij een zeker niveau van spiritualisering bereiken. De uiterlijke
manifestaties van dit ascetisme zijn niet zo verschillend van de ene traditie
in de andere, of van de ene eeuw in de andere – de menselijke verbeelding
heeft immers haar grenzen. Wat de ene spirituele traditie grondig onderscheidt
van de andere is het nagestreefde doel van de ascese en de ultieme betekenis
die eraan gegeven wordt.
Ten tijde van Christus bestond er in wat men nu het Midden-Oosten
noemt, en meer bepaald in het late judaïsme, een ascetische en mystieke stroming.
Johannes de Doper situeert zich met zijn doop duidelijk in die stroming door
zijn levensstijl en prediking, onafhankelijk van zijn al dan niet toebehoren
tot de Esseense sekte. Jezus heeft deze beweging op zich genomen toen hij
zich door Johannes liet dopen – een gebaar waarvan men niet genoeg het kapitaal
belang kan onderlijnen. En door die
beweging op zich te nemen heeft Hij er een grondig nieuwe zin aan gegeven.
Jezus zelf leefde met zijn leerlingen een bepaalde vorm
van gemeenschapsleven die meer gemeen had met deze traditie dan met die van
de rabbijnen van zijn tijd, of zelfs
met die van de profeten van het Oude Testament. Het is namelijk daarom trouwens
dat de uitdrukking ‘vita apostolica’ in de oude monastieke literatuur
voor alles zal verstaan worden als dit leven van de Apostelen met Jezus. Deze
stelde uiterst radicale eisen aan hen die hem zo wilden volgen. Wanneer dan
na de dood van Jezus sommige Christenen de radicale oproepen van Jezus tot
celibaat, totale onthechting, armoede enz. als permanente levensvorm wilden
aannemen, hadden zijn niet alleen het voorbeeld van Jezus, maar zij vonden
ook in de toenmalige vormen van ascese, en ook in het monastieke archetype
in hun psychè de menselijke uitdrukkingsvormen.
Een uiterst extreem Christelijk ascetisme kwam al vroeg
tot ontwikkeling, meer bijzonder in de Joods-Christelijke Kerken, die gevoeliger
waren voor het radicalisme van de Lukasevangelie en voor de omvormende rol
van de doop in de Geest dan de Kerken onder de invloed van Paulus. Soms was
het de hele Christelijke gemeenschap die op bepaalde momenten in haar Kerken
een “monastiek” bestaan leidde. Slechts beetje bij beetje tekende zich in
de schoot van de kerkgemeenschap het bewustzijn af dat niet allen geroepen
waren om op dezelfde weg Christus na te volgen. En de monastieke weg begon
zich te preciseren en te onderscheiden van die van de rest van de gelovigen.
Wanneer we de geschriften van de Christelijke monniken van
de vierde eeuw lezen wordt het evident dat zij naar de woestijn trokken of
zich hergroepeerden in basiliaanse broederschappen in de stad om Christus
te volgen en om zich te laten omvormen naar het beeld van Christus onder de
werking van de Heilige Geest. Men mag echter niet vergeten dat zij, volgens
de wet van de Incarnatie, geconditioneerd werden door de religieuze en socio-culturele
context waarin zij leefden om hun ‘project’ te realiseren.
De gemeenschappen van de Therapeutoi en de Essenen wier
aanwezigheid in Egypte door Filo vermeld wordt, hadden zoveel gemeen met de
Christelijke gemeenschappen dat de historicus Socrates, die enkele eeuwen
later schreef, zich kon vergissen en hen kon beschouwen als Christelijke groeperingen.
Er is zeker contact en wederzijdse beïnvloeding geweest tussen deze groepen
en de Christelijke gemeenschappen. Het is echter een vergissing zijn
onderlinge afhankelijkheid en historische continuïteit onder hen te zoeken.
Beperken we ons maar tot Egypte :
het is onloochenbaar dat het gnosticisme, die bonte beweging die, naast afwijkende
vormen, ook een grote dorst naar geestelijke ervaring uitdrukte en op gang
bracht, zeer verspreid was in Egypte korte tijd voor het Christelijk monachisme
zich begon te ontwikkelen op het einde van de derde eeuw. Het volstaat niet
te zeggen dat de oorsprong van het Christelijk monachisme niet in het gnosticisme
ligt – dat is evident !
In werkelijkheid tekent zich het beeld af van een grote
geestelijke beweging die zich in de loop van deze eerste eeuwen van onze tijdrekening
heeft ontwikkeld, tegelijk binnen in het Christendom en erbuiten. Deze beweging
bevat zowel sublieme aspecten als afwijkingen. Wederzijdse invloeden, die alle richtingen
uitgaan, zijn aanwijsbaar tussen de verschillende stromingen waaruit het gnosticisme
bestaat. Groeperingen van niet-christelijke oorsprong ondergaan soms een sterke
invloed van het Christendom, terwijl sommige Christelijke bewegingen dusdanige
vreemde invloeden ondergaan dat ze ketterijen worden. De onderscheiding gebeurt
beetje bij beetje in de Kerk doorheen het leven en de ervaring evenzeer als
door de sensus fidei van het Christen volk, totdat de nieuwe situatie,
gecreëerd in de Kerk van Konstantijn, het mogelijk maakte Synodes te houden
waarin de bisschoppen de gewenste autoriteit zullen bezitten
duidelijk onderscheid af te bakenen tussen orthodoxie en heterodoxie.
Wanneer zich uiteindelijk een meer gestructureerde en erkende
Christelijke levensvorm aftekent, die uitdrukkingsvormen gebruikt, gemeenschappelijk
aan alle asceten van alle tijden en alle tradities, maar tevens uitdrukking
van een geestelijke zoektocht geworteld in het Evangelie en beleefd onder
de leiding van de Geest, dan begint men te spreken van “monachisme”. Dit is
het product van een lange evolutie, van wat men vandaag inculturatie zou noemen.
Het Christelijk monachisme is als dusdanig de eerste – en misschien wel de
best geslaagde – vorm van inculturatie. Dit wil zeggen dat het de ontmoeting
is tussen de Evangelische boodschap over het volmaakte leven en een ascetische
traditie van meerdere eeuwen, die uitdrukking is van de diepste aspiraties
van de menselijke ziel die naar Gods beeld geschapen is.
In deze ontmoeting werd die menselijke traditie – geworteld
in een menselijk archetype – verrijkt doordat zij er haar ultieme betekenis
heeft gevonden; de Christelijke boodschap werd trouwens ook verrijkt met een
bijzondere uitdrukkingsvorm. Die ontmoeting en die wederzijdse verrijking
vormen de aard zelf van de inculturatie.
Sedertdien zijn de historische momenten van grote ontwikkeling,
vernieuwing en hervorming van het monachisme die geweest waar monniken en monialen op het
ogenblik van een culturele diepere hervorming
bijzonder gevoelig zijn geweest voor de spirituele aspiraties van mannen
en vrouwen in hun tijd en waar zij doorheen hun leven en in de lijn van de
traditie, antwoorden hebben weten te geven die waardevol waren niet alleen
voor hen maar eveneens voor hun tijdgenoten.
De vraag naar de oorsprong van het Christelijk monachisme
zal ons nooit loslaten, want het monachisme blijft slechts voortbestaan wanneer
het constant opnieuw wordt verwekt.
Armand Veilleux
NOTEN :
[i] H. Weingarten, « Der Urspring des Mönchtums
im nachconstantinischen Zeitalter“, ZKG I (1876) 1-35; 545-574.
[ii] P. Nagel, « Die Motivierung der Askese
in der Alten Kirche un der Ursprung des Mönchtums“, (Texte und Untersuchungen
– 95), Berlin 1966.
[iii] A. Vööbus, History of Asceticism
in het Syrian Orient. A contribution to the History of Culture in het Near
East,T.I. The Origin of Asceticism. Early Monasticism in Persia, T.II Early
monasticism in Mesopotamia and Syria (C.S.O.C.O. 184 ET 197), Leuven 1958
en 1960.
[iv] J. Gribomont,’Le monachisme au sein de l’Eglise en Syrie et en Cappadoce’, Studia Monastica 7 (1965), 12-13.
[v] J. Daniélou, Théologie du Judéo-Christianisme, Doornik 1958.
[vi] A. Veilleux, « Monasticism and Gnosis in Egypt », in Birger A. Pearson and
James E. Goehring, eds., The Roots of Egyptian Christianity”, Fortress Press, Philadelphia, 1986, p.271-306.
[vii] Collectie « Spiritualité orientale », no. 30, Bellefontaine 1979.
[viii] Journal of Roman Studies 61 (1971)
82-101.
[ix] Columbia University Press, New York
1988.
[x] Susanna Elm, « Virgins of
God » : The Making of Asceticism in Late Antiquity. Oxford
Classical Monographs, Oxford 1994.
[xi] David Brakke, « Athanasius
and the Politics of Asceticism”, Oxford Early Christian Studies, Oxford
1995.
[xii] Vincent L. Wimbush and Richard Valantasis,
ed. Ascetism. New York, Oxford University Press, 1995.
[xiii] Columba Stewart, OSB, Cassian the
Monk. (Oxford Studies in Historical Theology). Oxford, Oxford University
Press, 1998.
[xiv] Columba Stewart, OSB, « Ascetism
and Spirituality in Late Antiquity : New Vision, Impasse or Hiatus ? »
in Christian Spirituality Bulletin, Summer 1996, Vol. 4, nr. 1, 11-15.
[xv] Raimundo Panikkar, « Blessed
Simplicity. The Monk as Universal Archetype”, The Seabury Press, New York
1982.