Inhoudstafel

Startpagina

 

 

19. Het Volk

 

19.1. Historiek en situering

 

19.2. De strips van Het Volk

 

19.3. Thomas Pips

19.3.1. Buth, Flanders en Pips

19.3.2. De Flanders-verhalen : vliegende schotels en Mysteras

19.3.3. Terwijl Pips naar de ronde is

19.3.4. De inbreng van Lod. Lavki

19.3.5. Het wondere wapen van Thomas Pips

19.3.6. De nieuwe ontdekking van Thomas Pips

 

19.4. Bazielken

19.4.1. Rik Clément

19.4.2. Een jongen uit Semmerzake

19.4.3. Bazielken in Amerika

19.4.4. Bazielken redt de frank

19.4.5. Bazielken en het levenselixir

19.4.6. Bazielken, de held van Mato Grosso

19.4.7. La patrie, de prince-régent, Amerikaanse dollars en andere verwijzingen

 

19.5. Tom Poes

19.5.1. Marten Toonder

19.5.2. Tom Poes en de maatschappij

19.5.3. De wereld van Tom Poes

19.5.4. Tom Poes en de talisman, de "uitschuiver"

19.5.5. Politici, Gorganisten en communisten

 

19.6. De komst van Marc Sleen

 

19.7. Ons Kindervolkje

 

19.8. Besluit

 

 

 

19. Het Volk

 

19.1. Historiek en situering

Het Volk is in 1890 als weekblad van antisocialistische verenigingen ontstaan. Toen op het einde van de 19e eeuw de socialistische vakbonden en organisaties doorbraken, gingen de katholieken namelijk hun eigen "antisocialistische" organisaties oprichten. Op 21 juni 1891 werd Het Volk een dagblad, en drie jaar later werd een coöperatieve opgericht om het blad uit te geven. Een blad dat "moest fungeren als hefboom voor de ontwikkeling van de christen-democratie in Vlaanderen".

Na de Tweede Wereldoorlog is Het Volk er terug op 18 december 1944. Door de papierschaarste wel met beperkte omvang en een gebrekkige frequentie. Robert Reyntjens is directeur, terwijl de hoofdredactie vanaf 1944 in handen is van Elie Serruys, die in 1947 opgevolgd wordt door Karel Van Cauwelaert. Vanaf 1949 wordt Marcel de Ceuleneer technisch hoofdredacteur. De nieuwe naoorlogse formule slaat blijkbaar aan bij het publiek, want de krant kent een grote groei. De oplage stijgt van 30 000 in december 1944, over 90 000 in 1945 tot 147 000 in 1950. Nog te vermelden is dat vanaf februari 1949 van start wordt gegaan met de weekendbijlage Ons Zondagsblad.

De krant spreekt zich als christelijke Vlaamse krant uit tegen de "uitwassen van de repressie", en is de eerste die na de vernieling van de IJzertoren een intekenlijst op gang brengt. De krant kan eigenlijk beschreven worden als katholiek, democratisch en Vlaams.[1]

Het Volk verschijnt zeven keer per week, met strips van maandag tot zaterdag. In de beginperiode telt de krant tussen de 8 en de 12 pagina's, een aantal dat in 1950 oploopt tot 12 à 16. En dit op een klein formaat van 30 op 47 cm.

 

19.2. De strips van Het Volk

De eerste strip in Het Volk is van de hand van Anne-Marie Prijs, en is een eenmalige gagstrook, die verschijnt op 1 januari 1946. "Gelukkig Nieuwjaar ! Zander !" luidt de titel van deze ballonstrip.

Daarna is het een maand wachten tot 7 februari 1946, wanneer de gagstroken van Thomas Pips van start gaan. Deze reeks van Buth verschijnt tot  begin januari 1947, en wordt dan opgevolgd door "De Avonturen van M. Subito" van Bozz[2], die zouden lopen tot november 1948.

Op 31 januari 1947 begint dan het eerste vervolgverhaal, geleverd door Opera Mundi : Tim Tyler van Lyman Young[3]. Hoofdpersonage van deze ballonstrip is de jonge Tim Tyler, die samen met enkele andere personages (zijn vriend Spud, de volwassene Clint, de Indiaan Haviksoog), de strijd aangaat tegen de misdaad. Samen of alleen bestrijden ze de "Bende van de Zwarte Spin", rollen ze een valsemuntersbende op, lossen ze een ontvoering op, …

In het laatste verhaal gaan Tim en Spud een zekere Paul Clark vervoegen in Afrika om op ringaloes te jagen, waarvan de pels zeer kostbaar is. Maar natuurlijk verloopt dat allemaal niet van een leien dakje, zodat ze weer in allerlei avonturen terechtkomen. Bij de start van het weekblad Ons Zondagsblad op 26 februari 1949 verhuist Tim Tyler naar deze bijlage, zodat de strip uit de krant zelf verdwijnt.

Van maart tot mei 1947 verschijnt dagelijks de gagstrook "Lou en Liesje…". Auteur van deze Scandinavische[4] reeks, waarvan de dialogen in ondertekst geplaatst worden, is een zekere Hall.

Enkele maanden na het einde van de eerste reeks, komt Thomas Pips terug. Deze keer voor vier vervolgverhalen op scenario van John Flanders. En na een korte interim van nieuwe gagstroken, worden weer eens twee vervolgverhalen afgeleverd, op teksten van jeugdschrijver Lod. Lavki.

Hierna zal deze reeks verder uitgewerkt worden, net als Bazielken van Rik en Tom Poes van Marten Toonder, die van respectievelijk van februari 1949 tot juni 1950 en van juli 1949 tot eind 1950 verschijnen. Zonder natuurlijk de komst van Marc Sleen en zijn Nero te vergeten. En om dit deeltje af te sluiten, moet nog de wekelijkse pagina Ons Kindervolkje vermeld worden, die ook verder uitgebreider zal besproken worden.

 

19.3. Thomas Pips

19.3.1. Buth, Flanders en Pips

Buth is met zijn Thomas Pips sterk aanwezig in Het Volk. Hij werd in 1919 als Leo Debuth geboren in Den Haag. Zijn vader, de kunstschilder Victor De Buth, en zijn moeder, waren omwille van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht. De jonge Leo volgde eerst twee jaar les aan de academie van Gent, waarna hij leerling werd van Frits Van den Berghe (1936-1939). Bij de dood van Van den Berghe nam Buth diens illustratiewerk voor Vooruit over.[5] In deze krant zou Buth tot mei 1965 de illustraties bij de "Brieven van Pierken", van de hand van Richard Minne, blijven verzorgen.[6]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij zijn werk gewoon door, meestal ondertekend met "Leo". Zo publiceerde hij in Vooruit, Volk en Staat, Arbeid en Volk, De Nationaalsocialist, De Jonge Nationaalsocialist, Balming en Ons Rakkersblad. Daarin verscheen zowel "neutraal strip- en tekenwerk" als "zwaar geëngageerde propaganda" zoals anti-joodse en anti-geallieerde cartoons en propagandatekeningen voor het Oostfront. In 1947 zou hij daardoor trouwens veroordeeld[7] worden, maar dat blijkt geen invloed gehad te hebben op zijn publicatie-activiteiten, die hij voortzette onder de naam "Buth".[8]

Na de Oorlog kwam hij terecht bij de krant Het Volk, waar hij de reeks Thomas Pips opstartte, en ze tot allerlei varianten bewerkte. Daarnaast tekende hij voor Het Volk ook cartoons over de Ronde van Frankrijk en werkte hij onder andere mee aan het weekblad Taptoe, het katholieke kindermaandblad Tam Tam en de Averbode-publicatie Zonneland.[9]

De eerste reeks van Thomas Pips (februari 1946 – januari 1947), bestaat uit gagstroken die de lotgevallen vertellen van Papa Pips, zijn vrouw en zijn twee kinderen. Een brave humoristische familiestrip dus. Daar komt met de tweede reeks verandering in. Buth trekt John Flanders aan om de scenario's te schrijven van vervolgverhalen met Pips in de hoofdrol. En Flanders doet de reeks evolueren naar het detectivegenre, met soms vrij gewelddadige, gruwelijke en bloedige verhaallijnen. De inbreng van Flanders blijkt alleszins vrij groot en dirigistisch geweest te zijn. Voor hem was de tekenaar de uitvoerder van zijn richtlijnen, terwijl Buth zijn eigen rol als tekenaar toch wat uitgebreider zag dan het strikt opvolgen van de orders van zijn scenarist.[10] Deze verschillen in visie hebben waarschijnlijk voor het einde van de samenwerking tussen de twee gezorgd.

Ondanks die grote invloed wordt de naam van Flanders bij de publicatie niet vermeld. Hij blijft discreet op de achtergrond, hoewel zijn naambekendheid had kunnen bijdragen tot het succes van de reeks. John Flanders is één van de pseudoniemen van Raymond De Kremer, die op 8 juli 1887 in Gent geboren werd als de zoon van een spoorwegbediende en een onderwijzeres. Na zijn studies in het staatsonderwijs, begon hij vanaf 1904 te publiceren. Het werd al snel een grote productie van gedichten, novellen, revues, artikels, … Vanaf 1913 dook zijn eerste pseudoniem Jean Ray op, er zouden een honderdtal schuilnamen volgen. Als gevolg van een schandaal en een gevangenisstraf nam hij het pseudoniem John Flanders aan en zette hij in de jaren 1930 zijn publicatiedrift voort. Hij publiceerde in La Revue Belge, Ons Land, De Dag, schreef de verhalenreeks Harry Dickson, publiceerde Vlaamse Filmpjes bij Averbode, en schreef onder een ganse hoop pseudoniemen het Vlaamse stripblad Bravo vol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief bij de krant De Dag en publiceerde hij enkele boeken. En na de oorlog vloog de toen al 60-jarige schrijver er weer in : zijn pennenvruchten werden gepubliceerd in een hoop jeugdbladen (Tintin, Kuifje, Ons Volkske, Junior, 't Kapoentje, …), andere weekbladen (Ons Volk, Overal, Ons Zondagsblad, …) en de kranten Het Volk en De Nieuwe Gids.[11]

 

19.3.2. De Flanders-verhalen : vliegende schotels en Mysteras

"Het geheim van de vliegende schotels"[12] begint als Gent op een nacht verrast wordt verrast door "vurige schijven" in de lucht. De kerk en de toren van het belfort worden geraakt, de bevolking slaat in paniek en begint te vluchten. Ondertussen krijgt de redactie van Het Volk een brief, waarin de "man der vliegende schotels" vijftig miljoen eist, zoniet zou Gent vernield worden.

Brigadier Snoek, detective Pips en landloper Sijs onderzoeken de zaak, maar zonder veel resultaat. Het wordt alleen maar erger : Brugge, Ieper, de kust, Antwerpen, Brussel, Leuven, Tongeren krijgen met aanvallen te maken : standbeelden worden vernield, torens worden getroffen, schepen vergaan, … De bevolking roept de hulp van brigadier Snoek in, en zelfs de eerste minister doet een beroep op de diensten van deze wetsdienaar, die als leuze "Aan Vlaanderen wordt niet geraakt zolang Brigadier Snoek er waakt"[13]  heeft. Maar een zekere Professor De Kneukel probeert op meetings de bevolking tegen brigadier Snoek op te zetten, wat ook gedeeltelijk lukt.

De vliegende schotels blijken het werk te zijn van een oude Engelse geleerde, "de man van de atomische kracht". Een mysterieuze bende ging er met zijn uitvinding vandoor. Maar de professor heeft nog ergens een schotel staan. Daarmee gaan hij en Pips achter de bende aan. Een bende die ondertussen ook "schotel nr. 1", gewapend met "vreselijke toestellen", in handen gekregen heeft. Daarmee vliegt de schoteldief, gehuld in zwarte kleding en met een zwarte kap over zijn hoofd, de Atlantische Oceaan over, naar Amerika. Tijdens de overtocht brengt hij enkele schepen tot zinken, en hij heeft blijkbaar grote plannen : "Ha ! Ha ! Amerika ! Het land der dollars ! Met U wil ik afrekenen !"[14]

En inderdaad, Amerika krijgt af te rekenen met een schotelplaag : gebouwen vliegen in brand, bruggen ontploffen. En de gemaskerde weet blijkbaar van geen ophouden : "Mijn masker laat ik niet af alvorens ik de wereld onder de knie heb."[15] Maar uiteindelijk slagen Pips en co er toch in de geheimzinnige te pakken te krijgen, het blijkt niemand minder dan Professor De Kneukel te zijn.

De wereld is dus gered, Bigstone, Pips, Sijs en Snoek worden in triomf door de straten gedragen. Snoek krijgt zelfs de titel van "ere vice-admiraal der Amerikaanse luchtvloot" van de Amerikaanse president. En "met Prof. De Kneukel werd op Amerikaanse manier afgerekend" : hij belandt op de elektrische stoel.

Of tenminste : hij had op de elektrische stoel moeten belanden. Want in het volgende verhaal[16] ontsnapt geschifte professor. Gangsters van de "infra-rode bende" bevrijden hem uit de gevangenis van Sing-Sing. De Amerikaanse vice-president geeft opdracht om brigadier Snoek terug in te schakelen, maar ook de brave politieman valt in handen van de bende.

Ondertussen onderzoeken Pips en Sijs in België de diefstal van de "dathosfeer", een uitvinding van Professor Piekboord, die gestolen werd in opdracht van een zekere Mysterias. Ze nemen de plaats in van twee bendeleden en proberen de zaak te saboteren. Samen slagen Pips, Sijs en Snoek erin de bende op te rollen én een belangrijk document van de Amerikaanse marine te redden. Nadat Snoek nog eens gehuldigd is, keren ze terug naar België.

In de twee volgende verhalen, "Het kasteel der schaduwen"[17] en "In de greep van Mysteras"[18], gaat de strijd tegen Myster(i)as voort. De verhalen zijn echte thrillers, waarin allerlei magische en fantastische elementen aan bod komen.

 

Veel politieke elementen komen aan deze Flanders-verhalen niet te pas. Behalve dan het feit dat één of andere gek door het misbruiken van atoomkracht wilt afrekenen met Amerika en de wereld wilt veroveren. Alleszins ontpoppen de Vlaamse personages zich niet alleen tot bestrijders van de misdaad, maar ook tot de redders van Amerika, iets waarvoor ze terecht gehuldigd worden.

Verder is "duizend atoombommen"[19] één van de uitroepen van Snoek en wordt er verwezen naar de belastingen[20].

 

19.3.3. Terwijl Pips naar de ronde is …

Na de Flanders-verhalen verschijnt Pips weer onder de vorm van gagstroken. "Terwijl Pips naar de ronde is …"[21] vertelt de lotgevallen van de familie Pips en de buren, de familie Laloo, terwijl de familievaders, Thomas Pips en, Lowie Laloo het tegen elkaar opnemen in de Ronde van Frankrijk. Een Ronde die uiteindelijk door Thomas Pips gewonnen wordt. Tegelijkertijd tekent Buth ook Pips-illustraties bij de sportartikels.

 

19.3.4. De inbreng van Lod. Lavki

Op 16 november 1949 start weer een vervolgverhaal van Thomas Pips, deze keer met jeugdschrijver Lod. Lavki als coauteur. Lod. Lavki is het pseudoniem van Ludovic Van Winkel. Deze werd geboren op 10 januari 1893 in de Limburgse gemeente Heks als zoon van christelijke ouders. Na eerst aan het OLV-college van Tongeren gestudeerd te hebben, trok hij naar de kleinseminaries van St. Roch en St. Truiden ; hij werd dus priester. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij brancardier, en ontstond trouwens ook zijn pseudoniem Lavki (Russische vertaling van Van Winkel). In 1920 begon hij les in Germaanse talen te geven aan het St.-Jozefscollege van Hasselt. Een jaar later werd hij tot priester gewijd en nog eens twee jaar later werd hij aalmoezenier van een scoutsgroep[22]. Ondertussen begon hij ook te schrijven : zijn eerste werk "Zes weken Rus" verscheen in 1919, zijn eerste jeugdboek "Kleine Koning" in 1923. Dit betekende het begin van een ganse reeks (een vijftigtal) succesrijke jeugdboeken, waarin de scoutswereld en Limburg een belangrijke rol spelen. Zoals men kan verwachten, hebben zijn verhalen een zekere religieuze en moraliserende inhoud. Hij zou zich ook met "tekenverhalen"[23] beziggehouden hebben, maar dit wordt verder niet gepreciseerd. Lavki kon als schrijver alleszins op veel bijval rekenen : in 1939 kreeg hij de "Prijs der Vlaamse Provinciën voor het beste kinderboek" en Louis Sourie omschrijft hem simpelweg als "onze beste schrijver voor de jeugd".[24]

 

De inbreng van Lavki wordt in de aankondigingen op het verhaal, waarvan er hiernaast één weergeven wordt,  serieus uitgespeeld. Het lijkt wel of de krant haar lezers de toestemming geeft om hun kinderen de strip te laten lezen. Lavki wordt namelijk geprezen om zijn "verbazende kennis van het kindergemoed", en ook zijn kinderboeken worden erbijgehaald : "Zijn prachtige kinderboeken behoren tot het beste dat men onze jongens en meisjes kan aanbieden."[25] Zijn strip kan dan ook moeilijk slecht zijn. Verder wordt nog de "scherpe pen" van de "kunstenaar" Buth geprezen en meegedeeld dat het verhaal speciaal voor Het Volk gemaakt werd.

Deze twee Pips-verhalen op scenario van Lavki zijn vormelijk redelijk speciaal, in die zin dat ze onderteksten combineren met het gebruik van tekstballonnen. In de eerste stroken staat alles in ondertekst, maar geleidelijk (vanaf strook 26) gaan tekstballonnen gebruikt worden voor uitroepen, geblaf, en dergelijke. En vanaf strook 35 komen korte dialogen in ballonvorm in de tekeningen te staan. Deze zijn overgenomen (al dan niet verkort) uit de ondertekst, zodat men zich eigenlijk kan afvragen wat het nut is van zo'n aanpak. Leest men zowel de ondertekst als de ballonnen, dan leest men bepaalde dialogen twee keer. En alleen de ballonnen lezen is zeker niet aangewezen, omdat niet alles op deze manier vermeld wordt. Een hypothese is dat Lavki zich als schrijver niet goed kon vinden in het gebruik van tekstballonnen. Buth zou dan begonnen zijn de onderteksten van Lavki te illustreren, maar kon het na verloop van tijd blijkbaar niet laten toch ballonnen te gebruiken. Vandaar dan deze mengvorm.

Ook op vlak van de inhoud is de invloed van Lavki zeer goed merkbaar. In zijn verhalen wordt Thomas Pips terug de "brave" huisvader uit de gagstroken, die samen met zijn gezin, en dan vooral zijn zoontje Flipke, allerlei avonturen beleeft. Ook ontpoppen de personages zich tot goede katholieken. De schrijver kan het niet laten zijn personages naar de mis[26] te laten gaan, te laten bidden[27], een "kruiske"[28] te laten maken en "Onze Lieve Heer" of God te doen aanroepen[29]. Er wordt zelfs een kapelaan geroepen om een vliegende ketel te zegenen : "… mama brengt een potje wijwater en een palmtakje en de inzegening gebeurt terwijl de familie Pips vroom toekijkt en bidt."[30] De mis wordt trouwens ook als tijdsaanduiding gebruikt.[31]

 

19.3.5. Het wondere wapen van Thomas Pips[32]

Terwijl hij zit te spelen met magneten en een stuk ijzerdraad ontdekt Flipke Pips dat hij er mensen mee kan doen flauwvallen. Papa Pips vindt het blijkbaar plezant en experimenteert verder met zijn zoon. Samen ontdekken ze hoe ze tot het gewenste resultaat kunnen komen. Maar de mama kan blijkbaar haar mond niet goed houden, want de volgende dag staat het nieuws al in de krant.

Vanaf dat moment begint het verhaal pas goed te lopen, met het verschijnen van allerlei buitenlandse spionnen. Want als Flipke de volgende dag naar de mis gaat, wordt hij aangesproken door een man die het toestel voor 1000 frank wilt kopen : Flipke weigert. Maar ondertussen krijgt het hotel "In 't Vliegend Zwaard" bezoek : vier mannen die een vreemde taal spreken vragen een "privaat salon" aan waar ze niet zouden gestoord worden. Enkele valse politieagenten brengen er even later Flipke naartoe. Als hij niet bereid blijkt te zijn op de vragen van deze heren te antwoorden, krijgt hij het volgende te horen : "Luister, jongen, wij zijn agenten van een vreemd land, geheime agenten, zoals ge wel kunt denken, en wij zijn vastbesloten uw geheim te krijgen. Nu willen we het nog doen met een minnelijke schikking, maar als het nodig is zullen we u op de pijnbank leggen, ja, we zullen u en gans uw familie doden, uw huis afbreken om te vinden wat ge verbergt."[33] De mannen bieden nog 100.000 frank aan, maar Flipke kan vluchten.

Als er geld mee gemoeid is, is blijkbaar niemand te vertrouwen, want Lowie Laloo, buurman van de Pipsen, probeert het wapen te stelen om het aan de geheime agenten te verkopen. Die geheime agenten komen voorlopig alleen van een niet nader gepreciseerd "vreemd land", maar verder in het verhaal komen er nieuwe aanwijzingen.

De volgende dag komen "politie-agenten uit Brussel" namelijk Flipke afhalen. Papa Pips ruikt echter onraad, en maar goed ook. Flipke wordt door de zogezegde agenten naar Melsbroek gevoerd : "Er stond een vliegtuig vertrekkensgereed; men was bezig het te laden, het was een buitenlands vliegtuig dat vreemde lettertekens droeg."[34] Vreemde lettertekens die erg op cyrillisch schrift lijken. Maar Thomas Pips slaagt erin zijn zoon te redden. Het Oostblok is dus duidelijk de vijand : een vijand die tot alles in staat blijkt om het "wondere wapen" te bemachtigen : zelfs tot dreiging met moord en ontvoering.

Door wie mag het wapen dan wel gebruikt worden ? Thomas Pips wilt het alleszins aanbieden aan de Benelux : "Ja, Benelux. We moeten iemand vinden die ons dat geheim wilt afkopen voor het grote leger van het Westen."[35]

Voor de volgende dag wordt een afspraak bij de minister geregeld : "Thomas Pips en Flipke waren een beetje verbouwereerd als ze in het prachtige salon van het ministerie binnenstapten. De minister was niet alleen : rondom de tafel zaten verschillende hoge officieren, die hen een beetje uit de hoogte bekeken."[36]

Er wordt een demonstratie gegeven en er wordt onderhandeld over de verkoopprijs. Pips vraagt en krijgt een jaargeld van 100 000 frank voor zijn Flipke, zodat hij zijn onderzoek kan verderzetten. De minister stemt toe en besluit : "Ik ben er ook van overtuigd dat Zijne Majesteit de Koning er ook aan zal houden u beiden een decoratie toe te kennen. U bewijst het land een ontzaglijke dienst."[37]

De aanwezige generaals overleggen nog even in het Frans, en er wordt besloten om onmiddellijk met de productie van 60 000 toestellen te starten. Thuis kunnen de Pipsen ook nog vertellen "dat ze door de Koning zelf ontvangen werden, die hun het Groot Kruis voor Nationale Verdienste op de borst had gespeld. Daarbij kregen ze allebei de ererang van officier en zouden de hoofdingenieurs zijn voor de fabricatie van de nieuwe wapens voor landsverdediging."[38]

De Pipsen staan zelf in voor de productie van de toestellen en mogen de manoeuvers bijwonen waarop de wapens zullen getest worden. Het effect blijft niet uit : het aanvallend leger valt flauw. Een generaal merkt op : "Indien onze Koning wil, zijn we binnen het jaar meester van de ganse wereld." Maar Papa Pips is vredelievender ingesteld en vindt : "wij moeten ons verdedigen en niemand aanvallen."[39]

Ook mama Pips ziet het belang van de uitvinding in : "Indien uw uitvinding, jongen, het leven kan besparen van enige duizenden soldaten, die anders door machinegeweren en kanonnen weggemaaid worden, dan zal ik fier zijn uw moeder genoemd te worden."[40]

Enkele merkwaardigheden moeten hier vermeld worden. Pips wilt het wapen aanbieden aan Benelux, terwijl deze organisatie geen militair doel heeft. Waarschijnlijk zit de toegenomen aandacht voor Benelux door het afsluiten van de zogenaamde "Voor-Unie" in 1949 hier voor iets tussen. Even later blijkt trouwens dat hij het allemaal wat breder ziet : het wapen moet dienen voor het "grote leger van het Westen". Enkele maanden voordien werd het Pact van Brussel getekend, de voorloper van de NAVO, waarmee een basis gelegd werd voor militaire samenwerking in West-Europa. En Pips ziet zijn uitvinding wel in het kader van een westers leger, maar dan alleen defensief. Het wapen mag in geen geval gebruikt worden om macht te verwerven, het is er alleen om zich te verdedigen en bij een oorlog mensenlevens te sparen. Antimilitarist Lavki is hier duidelijk aan het woord.

Een tweede merkwaardigheid gaat over de Koningskwestie. Hoewel het verhaal gepubliceerd wordt terwijl Leopold nog altijd in Zwitserland zit, is er in het verhaal sprake van "de Koning". Thomas en Flipke Pips worden er zelfs door ontvangen, maar dan wel buiten beeld. Dit kan wijzen op het feit dat de auteurs Leopold als het enige echte staatshoofd blijven beschouwen, en dat ze de rol van Regent Karel niet erkennen. En tenslotte wijst het feit dat de generaals even in het Frans moeten overleggen erop, dat besturen en beslissen in België nog altijd in het Frans gebeurt.

 

Het is echter nog niet afgelopen met de spionnen. Het gewone leven herneemt zijn stille gangetje, maar : "Toch waren er mensen die in Flipke belang bleven stellen. Er kwamen nog altijd zonderlinge heren in de stad, op wiens gezicht men onmiddellijk "vreemd" kon lezen. Sommigen van die vreemden kwamen zelfs in het stadje wonen en in sommige kosthuizen waar vroeger één vreemde mijningenieur verbleef, woonden er nu wel drie of vier."[41]

Maar het "gevaar" zou van elders komen : Flipke raakt bevriend met een klasgenoot van Poolse afkomst, Jan Restyza. Deze zoon van een Poolse mijningenieur komt regelmatig bij Flipke spelen en "Hij had Flipke wel eens willen uitvragen maar dat pakte niet."[42] Uitstel is nog geen afstel, op een moment dat Flipke even afwezig is, steelt Restyza de formule van de toestellen, maar Mieke Pips heeft het gezien.

Papa en Flipke Pips trekken naar het huis van de Restyza's, maar Jan loochent alles. Als dan nog blijkt dat Vader Restyza verdwenen is, schakelt Pips de politie in : "… de telefoon en de telegraaf verkondigen dadelijk over het ganse land dat een belangrijk geheim gestolen was. Soldaten, spionnen en doeaniers zetten de grenzen af …"[43]

De volgende dag dringt Flipke binnen bij de Restyza's om zijn uitvinding terug te eisen. Hij heeft zichzelf beschermd met een wand in mika, aangezien hij ontdekt heeft dat die de straling tegenhoudt. Maar ook Jan Restyza heeft een middel ontdekt dat de straling neutraliseert : stijfsel.

Flipke komt echter te laat : "Ge kunt toch wel denken dat op dit ogenblik de hele boel in veiligheid is, wel tien keer afgeschreven en dat wij zoveel machientjes kunnen maken als wij willen."[44] En als Flipke hem vraagt voor wie hij spioneert, antwoordt hij doodgewoon : "Ik ben geen spion, Flipke, maar een contraspion … Vader is Amerikaan en ik ook. We staan echter opgeschreven als Polen, om de Poolse uitwijkelingen in het oog te houden. We zijn van Poolse afkomst en kennen daardoor de taal, maar we zijn echte Amerikanen, dat verzeker ik u. Dat is echter een echt geheim en dat moogt ge niemand zeggen …"[45]

En alles komt blijkbaar in orde, want "Op dat ogenblik kwam Thomas Pips binnen met de vader van Jan, als de twee beste vrienden van de wereld. "Bondgenoten ?" vroeg vader Restyza. Flipke en Jan knikten. "Bondgenoten," zeiden ze lachend."[46]

Thomas Pips heeft het laatste woord : "Ik ben bang dat onze uitvinding niet veel zal uithalen en dat ze integendeel, gelijk alle oorlogsuitvindingen, de boel maar een beetje meer ingewikkeld zal maken. Toekomende oorlog zullen de arme soldaten zich twee of drie keer per dag helemaal met stijfsel moeten insmeren en voor de rest blijft alles 't zelfde …"[47]

En daarmee is dit verhaal ten einde. De Koude Oorlogssfeer en de blokvorming zijn duidelijk aanwezig. Pips en de ordediensten zijn in alle staten als blijkt dat Polen er met de uitvinding vandoor zijn. Als echter blijkt dat het om Amerikaanse contraspionnen gaat, is alles meteen in orde. Pips vindt het dus blijkbaar niet erg dat zijn uitvinding gestolen wordt, als het maar door de Amerikanen gebeurt is.  De Pipsen en de Restyza's worden dan ook bondgenoten, net als België en de VS enkele dagen later door het ondertekenen van het Navo-verdrag.

 

Tot slot moet nog een speciale scène uit het verhaal vermeld worden. Op een nacht overnachten Papa en zoon Pips in een bos, als ze gewekt worden door enkele naderende mannen. De nachtelijke bezoekers hebben het op het geld van Pips gemunt, maar het wapen brengt hen tot andere gedachten : ze worden ineens veel vriendelijker en beginnen te vertellen "dat ze op weg waren om een "zwarte collaborateur" te straffen : ze zouden bij hem inbreken en alles roven wat de moeite waard was. De man was wel vrijgesproken door het gerecht, maar daarmee waren zij niet akkoord enz."[48] "Pips en Flipke gingen natuurlijk mee, "voor 't vaderland", zei Pips en nam even zijn hoed af."[49] Maar aan het huis van de "collaborateur" aangekomen, leggen ze de bende neer. De collaborateurjagers (die trouwens gewapend blijken te zijn met revolvers en grote messen) worden vastgebonden en de bewoners gewaarschuwd. De volgende dag herkent de bewoner de leider van de bende : "zijn aartsvijand, een valse weerstander, die al menig huis en menige hoeve geplunderd had."[50]

Deze scène is een duidelijke kritiek van de auteurs op zulke mensen die van de omstandigheden misbruik maken om op strafexpeditie te gaan of te gaan plunderen. Sommige mensen gaan duidelijk te ver in hun interpretatie van de repressie. Misschien is het feit dat tekenaar Buth zelf veroordeeld werd voor collaboratie daar niet vreemd aan.

 

19.3.6. De nieuwe ontdekking van Thomas Pips[51]

Hierin experimenteert Flipke verder met zijn magneten, zodat hij een ketel van de grond krijgt door de zwaartekracht uit te schakelen. Maar bij een experiment stijgt de ketel op en verliest Flipke de controle over het ding. Op straat ontstaat een enorme paniek, de mensen denken dat het een "vliegende bom" is en vluchten "juist zoals in oorlogstijd" de stad uit. En even later pikt de radio het nieuws op. Het hele land verkeert in onrust, maar de Pipsen worden niet verdacht, ze krijgen alleen even de politie over de vloer om te kijken of alles in orde is "want met al die wegge mensen, kan er veel gestolen worden."[52] Uiteindelijk wordt de ketel door de Engelse oorlogsvloot boven het kanaal neergehaald.

"De volgende morgen gaven de dagbladen voorzichtige berichten over een Oosters land, dat op dat ogenblik grote legermanoeuvers hield. Ze konden, maar wilden dat land niet noemen. Het was misschien mogelijk dat het kon zijn dat misschien dat land in verband kon gebracht worden met de zo gevaarlijke bom die West-Europa gedurende een ganse nacht in spanning had gehouden."

In alle stilte werken Flipke en Papa Pips aan de verbetering van hun uitvinding. Het stil houden is zeer belangrijk, want "als men ons ontdekt moeten wij zeker voor 't internationaal gerechtshof van Den Haag verschijnen."[53] En om de nieuwe vliegende ketel niet meer te laten doorgaan voor een bom, besluiten ze een mast met de Belgische vlag in het midden te planten, en aan de rand van de ketel ballonnen in de "Belgische kleuren" te hangen. Na een testvlucht besluiten de Pipsen de ketel te gebruiken om vier vastgeraakte Franse alpinisten te gaan redden. Ze worden toegejuicht door de bevolking, maar de politie denkt er anders over, zodat ze moeten vluchten. En door manoeuvers om achtervolgende vliegtuigen te ontwijken, raken ze de weg kwijt. Ze landen uiteindelijk op een schip in volle zee. Daar maken ze kennis met de Vlaamse Professor Degraef, die zeer geïnteresseerd is (hij noemt het de grootste uitvinding van de hele mensengeschiedenis) in de uitvinding en voorstelt er een ruimtereis mee te maken.

Samen met Professor Degraef wordt dan een magnetische raket gebouwd, waarmee het drietal naar Venus vliegt. Ze ontdekken daar vreemde dieren op een leefbare planeet, maar keren terug naar de aarde omdat de Ronde van Frankrijk gaat beginnen. Flipke krijgt het slotwoord over Venus : "Ik denk dat O.L.Heer daar een nieuwe wereld aan het voorbereiden is voor 't geval er hier te veel mensen komen of voor 't geval dat de onze versleten is."[54]

 

In dit verhaal wordt verwezen naar de oorlog en naar de dreiging die uitgaat van Oosterse landen. Een vliegende ketel veroorzaakt een enorme volksvlucht, de Engelse vloot wordt ingezet om het ding neer te halen, en de kranten verdenken (zij het met de grootste voorzichtigheid) een Oosters land. En de politie moet een oogje in het zeil houden opdat plunderaars de volksvlucht niet zouden misbruiken.

En ook het Belgisch patriottisme is nooit ver weg, met de vliegende ketel die versierd wordt met de nationale driekleur. En bij de bevrijding van de Franse Alpinisten, maakt Pips duidelijk dat zoiets "une bagatelle pour des belges" is, waarop de Fransen ineens "Vive la Belgique" beginnen te roepen.[55]

Tot besluit van deze Lavki-verhalen kan men zeggen dat de auteurs erin slagen de Koude Oorlog en andere elementen in hun verhalen te verwerken, terwijl de verhalen heel braaf (en soms zelfs moraliserend) blijven en religieuze elementen bevatten. Ook belangrijk is dat elke keer wetenschappelijke ontdekkingen aan de basis van de verhalen liggen.

 

19.4. Bazielken

19.4.1. Rik Clément

Rik, of Henri Clément werd op 24 december 1920 geboren in Sint-Amandsberg. Hij volgde lessen aan de Academie voor Schone Kunsten van Gent en haalde in 1945 een licentiaatsdiploma Kunstgeschiedenis en oudheidkunde aan de RUG. Hij ging op zoek naar werk en kwam in de journalistiek terecht, eerst bij het weekblad Taptoe (uitgegeven door Het Volk), later bij de krant Het Volk en haar bijlage Ons Zondagsblad. Bij Het Volk hield hij zich bezig met het schrijven van artikels (hij specialiseerde zich in kunstkritiek), illustraties en lay-outwerk. In 1949 werd hij hoofdredacteur van Ons Zondagsblad.

In zijn vrije tijd begon hij zich ook nog bezig te houden met het tekenen van stripverhalen. Bazielken werd op die manier geboren en kwam in 1949 in Het Volk terecht. Aangezien hij deze verhalen eigenlijk na zijn uren tekende, moest het vrij snel gaan, of zoals hij eens zelf verklaarde : "strips tekenen doe ik tussen de soep en de petatten."[56] Dit stond blijkbaar het afleveren van een goede strip niet in de weg.[57]

In een interview verklaarde hij eens over Bazielken : "Als mijn geheugen me niet in de steek laat, tekende ik drie episodes, "Het levenselixir", "Bazielken in Amerika" en "De held van Mato Grosso" en hield het dan voor bekeken. Het waren de avonturen van een Vlaams jongetje dat wellicht herinnert aan de figuren uit Nederlandse jongensboeken als "Pietje Bel". Het is duidelijk dat ik naar Hergé had gekeken en zijn lijntjestechniek navolgde."[58]

 

19.4.2. Een jongen uit Semmerzake

Van 21 februari 1949 tot 30 juni 1950 verschijnen vier verhalen van Bazielken in Het Volk. Alleen het laatste verhaal is alleen van de hand van Rik, voor de eerste drie verhalen werden de scenario's geschreven door Pol Ingier. Net als bij Buth en Lod. Lavki, worden de twee auteurs in de titel vermeld.

Bazilius Pletskens, meestal Bazielken genoemd, is een doodgewone jongen uit het Oost-Vlaamse dorp Semmerzake. Doodgewoon, op het eerste zicht, want deze kleine avonturier slaagt er telkens weer in om in de meest onmogelijke situaties terecht te komen en zich er ook uit te redden. In zijn avonturen wordt hij onder andere bijgestaan door de Amerikaanse detective O'Bros, en een hoop andere nevenpersonages. Hierna zullen de vier verhalen apart besproken worden, waarna enkele algemenere elementen zullen behandeld worden.

 

19.4.3. Bazielken in Amerika[59]

De sfeer van het verhaal wordt al gezet bij de publicatie van de aankondiging : "Bazielken in Amerika. Vlaams jongetje beleeft daverende avonturen. Ons nieuw tekenverhaal. Bazielken, het leuke jongetje uit Semmerzake, dat sinds een paar dagen zijn intrede in ons blad deed, zullen we van volgende week af dag aan dag kunnen volgen op zijn avontuurlijke reis in Amerika. Samen met zijn hondje Mops beleeft hij honderd en één daverende avonturen in het land van atoom-energie, gangsters, detectives, bokskampioenen, filmstars, kauwgom, rugby, oliekoningen, wolkenkrabbers en straalvliegtuigen. "Bazielken in Amerika" dat van morgen af verschijnt is een geestige parodie op".[60]

Inderdaad, in het verhaal wordt een zeer stereotiep beeld van de Verenigde Staten opgehangen en wordt er met allerlei (vermeende) eigenschappen van de Amerikanen gelachen.

Maar eerst komen de Oost-Westverhoudingen aan bod. Terwijl hij aan boord van een klein vliegtuigje naar New York vliegt, valt Bazielken uit het toestel. Door zijn paraplu als parachute te gebruiken (en later als bootje) landt hij veilig op de oceaan en komt hij er heelhuis vanaf. Voorlopig, want Bazielken heeft het idee om aan de steel van zijn paraplu een vlag te hangen met het opschrift "Westerse Unie Semmerzake"[61]. Zo hoopt hij een schip te lokken dat hij in de verte ziet. Het schip nadert inderdaad, maar blijkt de Westerse Unie niet zo genegen te zijn. De kapitein roept het uit : "Sapperlotsky ! Westerse Unie ! Hijs het paviljoen … Kanonnen klaar … motoren stilleggen !![62] Soldaten verlaten het zwaar bewapende schip en begeven zich in bootjes naar de paraplu en Bazielken. Onder bedreiging doen het "Westers misbakselowitch"[63] overstappen en brengen hem naar het schip.

Maar de Russische kapitein had zonder de paraplu van Bazielken gerekend. De jongen richt het regenscherm op de kapitein, waarop deze uitroept : "Verdertig ! Het geheim wapen van Benelux !"[64] Bazielken bindt de kapitein vast met "Vlaamse varkenssauciskes" die hij meehad en wordt even later door het vliegtuigje terug opgepikt.

Van waar komt dat schip nu ? De manier waarop ze spreken lijkt te verwijzen naar Russisch, trouwens ook hun manier van vloeken[65]. Aangezien ze Bazielken een Westers misbaksel noemen en iets tegen de Westerse Unie hebben, moeten het Oosterse volkeren zijn. Onder de soldaten naast blanke types ook spleetogen-types aanwezig. Het schip zou dus kunnen bestaan uit een gemengde Russisch-Chinese bemanning, de "Oosterse Unie" ? Hun paviljoen maakt de lezer niet veel wijzer : het bestaat uit twee witte gekruiste zwaarden op een zwarte achtergrond. Een vijandige houding van deze Oosterlingen blijkt alleszins.

De vermelding van instellingen als de Benelux en de Westerse Unie gebeurt dus duidelijk op een humoristische manier, de instellingen zelf komen er totaal niet aan te pas. Wel zal het een komisch effect gehad hebben, aangezien ze toen sterk in het nieuws waren. Verder in het verhaal wordt trouwens ook het Atlantisch Pact vermeld, 17 dagen na het ondertekenen van het NAVO-verdrag.

 

Maar het verhaal gaat door. Uiteindelijk komt Bazielken dan toch in New York aan, en de stad wordt voorgesteld door een hele hoop wolkenkrabbers, een beeld dat aan de "jongen uit Semmerzake" de volgende opmerking ontlokt : "Lieve deugd ! Wat een kolossale hoop boerentorens !!"[66] Als Bazielken op het vliegveld door een fanfare, bloemen en toespraken verwelkomd wordt (eigenlijk een vergissing, het ontvangstcomité was voorzien voor een prins), zegt hij : "Jongens, 'k geloof dat we hier bij raar volk verzeild zijn …"[67]

Hij krijgt met zijn "saucissen" ook nog last aan de douane, want "Hier eten we alleen vlees in dozen."[68] En ons Bazielken wordt trouwens ook het slachtoffer van een experiment met elastische schoenzolen. Geschifte Amerikaanse reclamejongens gooien hem ermee van de 86 verdiepingen van het Empire State Building. En de Amerikaanse agenten die Bazielken door zijn zolen altijd terug naar boven zien springen, zien geen andere oplossing dan hem neerschieten : "Treurig geval, Joe, laten we hem uit zijn lijden helpen …", "Yes, we zullen hem moeten afmaken …", "Hello Joe, couragie, 't is weer een Marshall-lander minder …"[69] Het Marshallplan kost hen blijkbaar iets te veel …

In het eerste deel van het verhaal in Amerika wordt Bazielken ook nog achtervolgd omdat twee oudjes, Mary en Suzy, beweren dat hij hen aangerand heeft. En Amerikanen blijken nogal opvliegend te zijn : gans een bende komt op hem afgestormd al roepend "We gaan hem lynchen ! Slaat hem dood ! Kom hier als ge durft ! Dood !!"[70] Maar Bazielken is hen te vlug af : "Hij is verdwenen !", "We moeten hem vinden", "Waar is hij ?", "Watte ! Meisjes belagen langs de openbare weg", "'t Is gelijk in een cow-boyfilm !", "Petiot", "Landru", "Vampier".[71]

Bij de achtervolging komt Bazielken terecht in "Atoomstad". De stad is volledig verlaten, in een saloon vindt hij nog een droevige en dronken man. De man vertelt : "We hebben een atoombom gemaakt en zij is niet ontploft. Nu moet de ganse stad zoeken naar de oplossing !"[72] Rekenwonder Bazielken biedt zich aan om het probleem op te lossen. Waarop de burgemeester hem voorstelt aan Professor Pikini[73], die blijkbaar de bom ontworpen heeft. Bazielken lost het probleem op. Het succes wordt door de burgemeester aangekondigd op de radio : "Medeburgers, ik hef het glas op de gezondheid van de atoombom en van Baziel !!", waarop deze voortgaat : "Hello, inwoners van Atoomstad. Het Atlantisch Pact is gered dankzij de rekenlessen van de schoolmeesters uit Semmerzake !.."[74]

Een massa volk stroomt naar het stadhuis, Bazielken wordt toegejuicht en krijgt een toga. En even later wordt de ontploffing van de bom voorbereid. Een kogelvormige bom staat op een tafel, en de bevolking van Atoomstad in een kring errond. De burgemeester steekt de bom aan en … BOEM … Dat hadden de Atoomstedelingen blijkbaar niet verwacht. Gebouwen zijn vernield, mensen liggen (dood of gewond ?) op de grond, en de burgemeester en Pikini zitten met gescheurde kleren te klagen : "We zijn ons prestige kwijt !", "Ja, en ons broek ook !"[75] Komt daar nog bij dat de neus van de stedelingen daardoor enorm lang geworden is, zodat ook zij Bazielken gaan achtervolgen.

Op zijn vlucht maakt Bazielken kennis met de detective O'Bros. Deze heeft net van president Truman opdracht gekregen om Sarl Owie, staatsvijand nr 1, te vangen. Deze geheimzinnige bandiet probeert namelijk Amerika zonder water te zetten. Dit wil hij realiseren door de hoofdcentrale in Ohio in de lucht te doen vliegen.

Na een wilde achtervolging en de ontdekking dat er eigenlijk twee Sarl Owies zijn, bereikt iedereen de watertoren. De Sarl Owies blijken de twee bejaarden Mary en Suzy te zijn, die nu wraak willen nemen omdat nooit een man naar hen omgekeken heeft. Bazielken slaagt er natuurlijk in de bomaanslag te verijdelen, zodat hij ineens tot de redder van Amerika uitgeroepen wordt. De president reikt hem de "grootste Amerikaanse onderscheiding"[76] uit. En even later vliegt Bazielken terug naar huis, hij wordt er zelfs lyrisch onder, want hij zingt : "De torens van Vlaanderen ! Hoera ! Ik ben weer thuis ! Mijn Vlaanderen he-e-b ik hart'lijk lief. Mijn Vlaanderen boven al !!'[77]

Dit verhaal is dus zeer interessant voor de beeldvorming over Amerikanen. Zachtjes uitgedrukt, worden ze voorgesteld als een volk dat een beetje raar doet. Ze eten alleen conserven, halen de meest idiote reclamestunts uit, gedragen zich als cowboys die iemand voor het minste willen "lynchen" én zijn geobsedeerd door atoombommen. De atoombom lijkt voor deze mensen meer een prestigesymbool dan iets anders te zijn. Ze beseffen dan ook het gevaar niet : als de bom ontploft en schade aanricht, zijn ze enorm verwonderd. Vandaar waarschijnlijk dat Bazielken zo blij is de "torens van Vlaanderen" terug te zien …

 

19.4.4. Bazielken redt de frank[78]

In dit verhaal gaat Bazielken samen met detective O'Bros op zoek naar een schat. Een Baron heeft hen namelijk de opdracht te geven een verloren schat op te sporen. Er zijn echter kapers op de kust : een zekere "Professor Knak" koestert blijkbaar dezelfde plannen.

In het Gentse Gravensteen vinden Bazielken en O'Bros uiteindelijk de schatkamer. Maar naast de schat blijkt daar ook een ander document van belang te liggen : een "plan van de geheime toegang tot de Nationale Bank te Brussel".

Bazielken reageert onmiddellijk : "Dat is een staatszaak ! We moeten dadelijk de politie waarschuwen ! Kom !"[79] Maar hij en O'Bros haasten zich zo erg om de politie te waarschuwen dat ze de plannen laten liggen. Knak gaat er natuurlijk wel mee vandoor. Het onderwerp van het verhaal wordt dan verrassend ernstig. Vanaf dat hij het verlies van de plannen merkt, roept Bazielken uit dat hij naar de minister van Financiën moet want "de frank is in gevaar !"[80]

Bazielken doet ondertussen het verhaal tegen de Gentse (en sigaarrokende) rijkswachtcommandant, aan wie hij wijze raad geeft : "Als gij graag nog een decoratie zoudt bijverdienen is 't de moment om naar Brussel te telefoneren."[81] Wat de man dan ook doet : "Allo ! De minis' van Financies ? Excellence. 't Is de franc in gruut danger want 't is de goudreserve van de banque nationale van de nacht zijn voet gaan wassen … als gij niet subiet de banque doet bezet en omsingelen !"[82]

De minister van Financiën, die blijkbaar uit zijn bed gebeld wordt, verschijnt in slaapkleed en slaapmuts én met een brilletje op zijn neus.[83] En ook nog niet goed wakker blijkbaar : "Sappristie ! Maar dat is eh eh – de … ik zal zeggen euh … tragisch ! Wat ik zeggen zou, euh, dadelijk … beslissingen nemen ! Laat ons zeggen, euh, dat ik zou zeggen … waar was ik gebleven ? Ha, ja ! Zal dadelijk kabinetshoofd opbellen ! Hij moet er maar zijn plan mee trekken …"[84]

De "gendarmerie" wordt "gemobiliseerd" om de Nationale Bank te omsingelen, maar ondertussen vindt Knak de geheime ingang, die aan de voeten van Manneke Pis ligt. Via een onderaardse gang bereikt hij de goudreserve van de Nationale Bank en haast zich om de kluisdeuren langs binnen vast te branden.

De rijkswacht en snelheid blijken niet echt bij elkaar te horen, want als de Gentse commandant samen met Bazielken en O'Bros Brussel bereikt, krijgt hij van zijn Brusselse collega te horen dat hij hen zo vroeg niet verwacht had. Vooral omdat ze nog niet in actie mogen schieten : "Geduld ! Wij wachten op de bevelen van een commissie die ze nog moeten samenstellen !"[85]

De gendarmerie doet blijkbaar wat ze kan en één van haar goedgedecoreerde leden belt naar de minister : "Hallo, de minister ? Ja ? Excellentie wij kunnen in de kluis niet binnen ! Gesaboteerd ! Nee, we weten niet waar de ingang van de geheime gang is ! Ik, ik vrees ook dat onze frank achter 't pond zal gaan … In orde excellentie ! Het publiek mag er niks van weten ! Ja ! Paniek ! Ja, ik heb verleden maand wat dollars gekocht ! 't Is maar een weet."[86]

En ondertussen worden ook de bedoelingen van Knak duidelijk. Hij is van plan met één van zijn uitvindingen, de azijnstraal, de goudvoorraad te laten "verschrompelen tot waardeloze korreltjes"[87] en dus de frank waardeloos te laten worden. Maar dat wordt gelukkig vermeden : door toedoen van Bazielken en O'Bros, die het optreden van de rijkswacht niet langer wilden afwachten, stort de geheime gang in en wordt de azijnstraal vernietigd.

Een rijkswachter die de instorting gehoord heeft, brengt verslag uit bij zijn commandant : "Mijn commandant we hoorden een ontploffing in de kluis ! Ik vrees dat we zullen te laat zijn … zoals gewoonlijk !"[88] Nu er geen gevaar meer is, ziet de commandant geen enkele reden meer om langer te wachten. De rijkswacht trekt de geheime gang in, maar de commandant vraagt toch aan Bazielken om voorop te lopen en te verwittigen "als ze schieten".

Knak wordt gevangen genomen, en blijkt eigenlijk de Mongoolse geleerde Ling-Lang-Hong te zijn. Hij blijkt ook nog een geheim agent van de Dalai Lama te zijn, "hoofd van een Boedhistische sekte, van wie hij de opdracht kreeg met zijn azijnstraal de goudreserves van de Westerse Banken te vernietigen waarna ze een gemakkelijke prooi van het oosten zouden worden !"[89]

Dankzij Bazielken is de goudvoorraad van de Nationale Bank dus gered. En "s'anderendaags vernemen de edele Belgen hoe hun frank van de ondergang gered werd en achten zich zeer gelukkig dat het bij die devaluatie van 12,34 % bleef."[90]

 

Op 21 september, twee weken vroeger, besliste de regering namelijk tot deze devaluatie over te gaan. Het feit wordt dus zeer snel in het verhaal opgenomen. De auteurs blijken wel het standpunt van de regering te verdedigen, door het allemaal een beetje te relativeren.

De twee belangrijkste thema's van het verhaal zijn de buitenlandse dreiging en het geklungel van de politiek en de ordediensten. Hier blijkt het gevaar niet uit Russische richting te komen, maar uit het Verre Oosten. Het Gele Gevaar duikt dus weer op. Onze gele medemensen willen het Westen veroveren en vinden daarvoor niets beters dan de goudvoorraden van de Westerse landen te vernietigen. Economisch terrorisme dus …

En voor de reacties op het gevaar dat de frank bedreigt, kan geen ander woord gebruikt worden dan geklungel. Allereerst al de Minister van Financiën : met zijn slaapmuts ziet hij er niet al te snugger uit, maar uit zijn telefoongesprek blijkt ook nog dat hij werkelijk zo is. Hij neemt zelf ook geen verantwoordelijkheid, hij schuift de hete kolen liever door naar zijn kabinetschef. En de rijkswacht is al niet veel beter : ze werkt niet alleen zeer traag, ze is ook nog altijd te laat (en de rijkswachters beseffen dat heel goed). Ook lijken de ordediensten totaal hulpeloos als er geen orders van bovenuit gegeven worden, en wordt er zeker niet opgetreden als er het minste gevaar is. Afwachten wat er komt lijkt de boodschap te zijn … En spoken blijken rijkswachters grote schrik in te boezemen. Of de auteurs hiermee gewoon een grappig effect beoogden, of dat ze echt wilden verwijzen naar bestaande toestanden, is moeilijk uit te maken. Maar het beeld van de rijkswacht dat uit dit verhaal voorkomt, is niet zo positief.

 

19.4.5. Bazielken en het levenselixir[91]

Dit verhaal draait rond een levenselixir dat verborgen was in een oud Egyptisch beeldje. Bazielken en O'Bros worden achternagezeten door een geheimzinnige die het drankje in zijn bezit probeert te krijgen. Ze trekken naar het Schots kasteel van Baron van Kiekeborst. Daar maken ze kennis met Professor Sprietgras, die het elixir bij één van zijn opgravingen in Egypte ontdekte.

De te nieuwsgierige O'Bros drinkt van het flesje, waardoor hij terug een baby wordt. Even later wordt hij samen met Professor Sprietgras en het kostbare flesje door de geheimzinnige onbekende ontvoerd. Bazielken achtervolgt hen en komt terecht in Egyptisch versierde onderaardse ruimten in Londen.

Het blijkt om een bende te gaan die onder leiding staat van Professor Knak (dezelfde als uit het vorige verhaal) en die de god "Sjok-o-glassee" aanbidt. Bazielken slaagt erin de bende te overmeesteren, maar Knak kan samen met baby O'Bros vluchten …

 

19.4.6. Bazielken, de held van Mato Grosso[92]

Via een bericht in de krant – Knak vliegt rond met een vliegende theepot en dat gaat niet onopgemerkt voorbij – komen Bazielken en co de Mongoolse geleerde terug op het spoor. Via het geratel van een papegaai komen ze zelfs precies te weten waar hij naartoe is. Knak zit blijkbaar in Brazilië, bij de Witte Indianen uit Mato Grosso, waarvan niemand minder dan "Sjok-o-glacee" de afgod is.  Bazielken en professor Sprietgras besluiten dan ook maar naar Mato Grosso te trekken.

In Brazilië aangekomen, leren ze de gids Pedro kennen. Deze blijkt uit een vorige expeditie nog een plan te beschikken van waar ze naartoe moeten (de stad Atlantis Nuovo), en zo vertrekken ze op expeditie. Maar dat blijkt niet van een leien dakje te lopen : hun jeep wordt gesaboteerd en ze worden overvallen.

Via via komen ze in contact met het Indiaanse meisje Carminha, die hen de weg kan wijzen tijdens hun tocht. Ze steken de Rio das Mortes over en verlaten zo de beschaving. Maar al vlug worden zowel Carminha als Sprietgras door de Chavantes-Indianen ontvoerd. Ze worden alle twee uitgeleverd aan de "blanke Indio's", "het "Herrenfolk" van Atlantis".

Het blijkt er daar in Atlantis nogal "speciaal" aan toe te gaan.  Het land staat onder leiding van een vrouwelijke dictator, de "Ccoya", die over leven en dood beslist. Er worden trouwens linken gelegd met nazi-Duitsland : niet alleen is er sprake van het "Herrenfolk" van Atlantis, de inwoners brengen voor de Ccoya ook een Hitlergroet. Dissidenten worden in het oog gehouden door wachters.

Ze blijken in Atlantis ook over vrij barbaarse gewoonten te beschikken. Zo wordt Sprietgras, die voor een "agent van een vreemde mogendheid" gehouden wordt, "vriendelijk onderhoord"[93], d.w.z. de handen aan het plafond gebonden, bewaakt door twee potige mannen met zwepen en met de volgende antwoordmogelijkheden : "Zijt ge een spion, ja of ja ?"[94]

Trouwens, niet alleen het staatshoofd is er een vrouw, zoals de huisgeleerde van de Ccoya zegt : "Hier regeert de vrouw. De man wast de luiers en de vrouw zit in 't parlement". Waarop Sprietgras opmerkt : "Gelijk bij ons, enfin ! En die soldaten en de beulen ?" Jachachik antwoordt : "Ja, 't vuil werk is natuurlijk voor de mannen !"[95]

Maar die hele situatie zou niet blijven duren. De Witte Indio's plannen namelijk een staatsgreep tegen de Ccoya en haar aanhangers : "… er dreigt een ondergrondse beweging. Den O.F. om het zo te zeggen …"[96] Een eerste poging wordt door het leger nog onderdrukt, maar Bazielken zorgt voor een tweede poging, die wel succesvol eindigt. Met een luchtballon, die moet doorgaan voor de zonnegod, landt hij temidden van het volk en stelt hij de nieuwe leidster voor : het Vlaamse meisje Florke[97], die hij door het volk laat uitroepen tot Ccoya Flora II. Ccoya Pachucrute wordt opgesloten, en haar ontsnappingspoging mislukt door toedoen van een teruggevonden en weer normaal geworden O'Bros.

De volgende dag laat Florke, de nieuwe koningin, het parlement en de edelen samenkomen voor een belangrijke mededeling. In een halfrond met een grote zon op de muur, spreekt ze vanop haar spreekgestoelte de vrouwelijke parlementsleden en de mannelijke edelen toe.

Bazielken bekijkt het hele schouwspel en zegt : "Parlementen zijn overal eender, he !" Waarop O'Bros vraagt : "Wilt ge zeggen dat ze hier ook gaan beginnen zeveren ?"[98] Maar de vrouwelijke parlementsleden reageren dolenthousiast op Florke, die hen toespreekt : "Mijn beste onderdanen en … euh … Atlantisianen … euh … Atlantisiens … euh …"[99], waarop ze vervolgt : "Ik ben Atlantis zo beu als koude pap en ik ga met mijn vrienden terugkeren vanwaar wij gekomen zijn. Carminha stel ik aan tot mijn opvolgster !"[100]

Maar dat was zonder de edelen gerekend, en voor een verbaasde Florke verzetten ze zich tegen "vrouwvolk op de troon". Waarop de vrouwen natuurlijk in de tegenaanval gaan : "Wij dragen de broek ! De man aan de haard ! Gaat doeken wassen."[101]

"Nadat in het parlement, naar beschaafde politieke zeden een gezellig catchpartijtje gehouden werd, kan Florke opnieuw aan het woord komen …"[102] Ze kondigt aan de assemblee blauw-oog-igen het huwelijk van koningin Carminha met de gids Pedro aan en slaagt erin alle partijen te verzoenen.

Carminha geeft nog een slottoespraak : "… en tot viering van deze heuglijke dag bevelen wij : primo ten eerste de afschaffing der belastingen, primo ten tweede de verdubbeling van 't kindergeld, primo ten derde een maand betaald verlof, drie maand congé payé en een 14e maand …"[103] Waarop de wachters en het volk duidelijk hun waardering laten blijken : "'t Is een goei, ze mag blijven !", "Bravo", "Lang zal zij leven in de gloria-a-a !", "Hip, hip, hip !"[104]

Aan Bazielken & co biedt Carminha nog aan om te blijven (met een ministerportefeuille), maar ze wijzen het aanbod af en keren terug naar Vlaanderen.

 

In dit verhaal worden allerlei politieke elementen door elkaar geweven. Waarschijnlijk was het hier totaal de bedoeling niet van de auteur om echt standpunten in te nemen, maar gewoon van grappige knipogen te geven naar allerlei situaties. Zo laat hij Sprietgras zeggen dat de vrouwen in het parlement "gelijk bij ons" is, verwijzend naar het redelijk nieuwe vrouwenstemrecht. Al is het daar in Atlantis wel een heel radicale situatie : de vrouwen aan de macht en de mannen aan de haard. Andere opmerkingen over het parlement zijn dat er veel "gezeverd" wordt en dat een vechtpartij er niet abnormaal is.

Er wordt in het verhaal ook kritiek gegeven op de legerleiding. De generaals die deelnemen aan de opstand zien de overwinning al voor zich, maar Bazielken probeert hen te kalmeren : "Holala ! Maakt u zo dik niet, 't is geen mode ! Generaals zijn er altijd rap bij om oorlog te kraaien, maar … ze riskeren hun vel niet ! Kunt ge mij volgen ?"[105] Florke kan in ieder geval volgen en benoemt Bazilius Pletskens tot Minister van Vredelievende Oorlog.

Tenslotte moet nog vermeld worden dat enkele politici een gastoptreden in het verhaal krijgen, en wel als "raadsvrouwen" van de Ccoya. Bij de eerste opstand vrezen ze voor hun posities en overleggen ze over de maatregelen die genomen kunnen worden. De raadsvrouwen zijn voorzien van een lang gewaad, een hoge hoed en een bloemenkrans rond de hals en ze lijken verdacht veel op Paul Henri Spaak, Albert Devèze[106] en Camille Huysmans. "Devèze" stelt voor een belastingvermindering van 25 % te beloven, terwijl de lange Huysmans het eerder voor de harde middelen heeft en aanraadt er enige dood te doen … Ze worden dus niet al te vleiend voorgesteld. De liberalen worden trouwens nog altijd geassocieerd met dat ene punt uit hun verkiezingsprogramma, want het enige wat "Devèze" kan zeggen, is dat ze kunnen beloven de belastingen met 25 % te verlagen.

 

19.4.7. La patrie, de prince-régent, Amerikaanse dollars en andere verwijzingen

Maar er zijn nog politieke elementen die in één of meerdere verhalen voorkomen. Zo is de taalkwestie nooit ver weg. Als Bazielken en O'Bros in Brussel een politieagent aanspreken, krijgen ze als antwoord "Comprends pas de Vloms, moi !"[107] En als Bazielken in Atoomstad hoort dat het probleem van de atoombom te wijten is aan een rekenfout, zegt hij : "Ha-ha ! Als 't dat maar is ! Ik ben de man ! 'k Was op school de eerste in rekenen … La patrie est sauvée !! Ge moet daar zo niet van verschieten, want als ze bij ons van La Patrie spreken is 't altijd in 't Frans !.."[108] Weer een kritiek op het gebruik van het Frans als het over iets officieel gaat. En Bazielken heeft blijkbaar ook De Leeuw van Vlaanderen gelezen, want bij het ter hulp snellen van een vrouw in nood, roept hij "Vlaanderen de Leeuw !! Wat wals is vals is ! Slaat dood !!"[109]

Ook de Koningskwestie sluipt de verhalen binnen. Bij een achtervolging van Bazielken en O'Bros houdt de Brusselse agent 13 een fietser tegen : "Halt Stopper mon ami ! Au nom du prince régent sla ik uw vélocipede aan !" Waarop de fietser protesteert : "Prince-régent prince-régent …" Maar de agent moet van het geprotesteer niets weten : "Tja-tja ! 'k En kan ik er niet aan doen dat de Koning door den Dotch nog altijd gempecheid is van te gouverneire !"[110] De interim door Regent Karel wordt blijkbaar niet geapprecieerd. In "De held van Mato Grosso" komen Bazielken en co trouwens terecht in het stadje Leopoldina. Onderweg ernaar komen ze een wegwijzer tegen met als opschrift : "Leopoldina 15 boogscheuten".[111]

Redelijk grappig is de scène waarin O'Bros een Brussels restaurant binnenstapt. "Moi American ! Kom eten !", zegt hij. Waarop de kelner onmiddellijk "Dollarkoning !" denkt en alle moeite doet om zijn klant te bedienen : "Mijnheren ! Wat zal ik voor u noteren ? Oeufs à la Russe Soviétique ? Crème d'asperges à la manneke-pis ? Escalopes …" Maar O'Bros onderbreekt hem : "Ta-ta-ta ! Breng twee demi geuze en voor de rest moet ge u niet moe maken ! Wij hebben onze boterhammen bij !" Waarna de kelner tegen zijn baas gaat klagen : "Dat is straffe thee patron ! De Amerikanen brengen ook al hun boterhammen mee als ze naar Brussel komen ! Het toeristisch bedrijf is naar de knoppen !"[112] Het Marshallplan heeft er echt voor gezorgd dat Amerikanen als zeer kapitaalkrachtig gezien worden, geld wordt zelfs onmiddellijk geassocieerd met Marshall. Op een bepaald moment koopt O'Bros een triporteur van een handelaar en zegt "500 dollar voor die rammelkast !", waarop de man antwoordt "Merci, Mr. Marshall !"[113]

Maar Amerikanen hebben natuurlijk ook hun negatieve kanten. Hun harde methodes bijvoorbeeld. Om de plannen van de schat in het Antwerpse Steen in handen te krijgen, raadt Bazielken aan zeer discreet te blijven. O'Bros interpreteert dat op zijn manier : "Natuurlijk ! Zeer discreet ! Zeg ik altijd ! We kunnen een paar bewakers neerboksen, de ruiten van de kast inslaan en met een springlading het oud kot in de lucht laten vliegen om onze aftocht te dekken ! Amerikaanse methode !" Bazielken zet hem echter aan tot matiging :  "Ge zijt hier in Chicago niet !"[114]

We zagen al dat de Belgische rijkswacht niet erg efficiënt is. In Engeland is het niet veel beter. Als de Londense politie op de hoogte gebracht wordt van de ontvoering van O'Bros, zegt de verteller : "Te Londen wordt de politie verwittigd, die dadelijk … belooft er eens aan te denken. 's Avonds blokletteren de bladen het nieuws de wereld in …"[115] En met de Braziliaanse politie is het nog erger gesteld. Bazielken en co gaan daar klacht neerleggen voor het stelen van een portefeuille en de sabotage van hun jeep. De agent stelt een PV op en legt die op een stoffige stapel papier "Klachten tegen onbekenden". Hij is dus niet van plan daar iets aan te doen én : "Klacht tegen bekenden wordt hier nooit ingediend. Mannen regelen dat onder elkaar !"[116]

Andere opmerkingen of verwijzingen zijn er te vinden over de belastingen[117], de H-Bom[118], het bewijs van burgerdeugd[119], de Noord-Zuidverbinding[120], de tram[121] en de impopulariteit van Ministers van Financiën. [122]

Om te besluiten kan gezegd worden dat Bazielken een reeks is die vol staat met verwijzingen naar allerlei actuele politieke en maatschappelijke toestanden, zonder dat een verhaal daar volledig om draait.

 

19.5. Tom Poes

In juli 1949 begint dan de publicatie van Tom Poes van de Nederlander Marten Toonder. Tot eind 1950 zouden acht verhalen gepubliceerd worden. Deze verhalen verschenen oorspronkelijk tussen juni 1947 en juni 1949 in de Nederlandse pers. Hier worden ze in een andere volgorde[123] hernomen.

 

19.5.1. Marten Toonder

Marten Toonder werd op 2 mei 1912 geboren in Rotterdam. Zijn vader was zeeman, en dus stond vooral zijn moeder voor zijn opvoeding in. Na zijn middelbare studies nam zijn vader hem mee op reis naar Zuid-Amerika. Tijdens die reis ontmoette de jonge Marten in Buenos Aires de Amerikaanse tekenaar Jim Davis, die hem in contact bracht met de tekentechniek van Dante Quinterno, een vroegere medewerker van de Disney-studio's.

Vanaf het begin van de jaren 1930 begonnen zijn eerste strips te verschijnen. Van 1933 tot 1939 werkte hij als tekenaar en illustrator bij de "Nederlandse Rotogravure Maatschappij", een vaste job die hij verliet uit ontevredenheid en door een te laag loon.

Een belangrijke ontmoeting kwam er in 1938, toen hij in contact kwam met een zekere F. Gottesman. Deze man, een uit Wenen weggevluchte Jood, was eigenaar van het persbureau "Diana Editions". Hij gaf Toonder een kans en zorgde ervoor dat strips van hem in Argentinië en Tsjechoslowakije gepubliceerd werden.

De oorlog zou voor Toonder, net als voor Hergé trouwens, op beroepsvlak een interessante periode blijken. De oorlogssituatie deed namelijk de toevloed van Amerikaanse strips stilvallen, en de Nederlandse krant "De Telegraaf" kon Mickey Mouse niet verder publiceren. Dan maar Nederlands materiaal : Toonder kreeg een kans met zijn personage Tom Poes, echter op voorwaarde dat het geen ballonstrip zou worden. Hij aanvaardde en op 16 maart 1941 verscheen de eerste aflevering van Tom Poes in De Telegraaf. Het zou tot eind 1944 blijven duren. Toen werd deze krant namelijk overgenomen door de SS, wat Toonder deed besluiten er voorlopig mee op te houden. Hij liet zich daarvoor zelfs manisch-depressief verklaren.[124]

Na de oorlog kreeg De Telegraaf een publicatieverbod opgelegd. Toonder was echter door een contract aan deze krant gebonden en kon niets meer publiceren. Een gerechtelijke uitspraak maakte aan die situatie een eind, zodat de auteur zijn Tom Poes aan twee andere kranten kon aanbieden. Het werden de Nationale Rotterdamsche Courant en De Volkskrant.[125]

Tim Jansens schrijft hierover, op basis van een eigen interview met Toonder : "Volgens eigen zeggen, schreef hij beide kranten aan met het verzoek zijn strip (…) bij hen te mogen laten lopen. Zijn overwegingen hierbij waren enerzijds van meer commerciële aard : met deze twee landelijk verspreide kranten bereikte hij een behoorlijk ruim publiek, en anderzijds van ideologische aard : door een krant van de linkerzijde en een van de rechterzijde van de opiniepers te kiezen, kon hij niet snel van politieke stellingnamen beschuldigd worden."[126]

Tijdens de oorlog waren de Toonderstudio's al opgericht om de activiteiten te kunnen bijhouden. Tientallen mensen werkten aan tekenfilms, "in opdracht van Duitse ondernemingen". Er werd echter nooit iets afgewerkt, en de studio's waren toen vooral een dekmantel voor illegale activiteiten, zoals een illegale drukkerij. Na de oorlog breidden de activiteiten van de studio's zich verder uit. Door het succes van Tom Poes en door de vraag vanwege de kranten werden nieuwe dagstrips gestart. Kappie liep vanaf 27 december 1945 in Het Vaderland en Het Algemeen Dagblad. Panda startte op 23 december 1946 in de Haagsche Courant en Het Nieuwsblad.[127] En Tom Poes kreeg in 1947 een eigen weekblad. Daardoor moesten er weer nieuwe medewerkers aangetrokken worden. De leiding van de studio's lag in handen van Toonder zelf, zijn vader en Anton de Zwaan.[128]

Wat de inbreng van deze studio's in Tom Poes betreft. Op het einde van de jaren 1940 zou Toonder zelf alle definitieve teksten geschreven hebben, op basis van brainstorming met enkele medewerkers. En wat de tekeningen betreft, was Toonder zeker verantwoordelijk voor de aanwijzingen van wat er getekend moest worden en voor het inkten van zijn personages.[129]

 

19.5.2. Tom Poes en de maatschappij

Over de maatschappelijke inhoud van de Bommelverhalen[130] schrijft Jansens het volgende : "Op inhoudelijk gebied is Toonder altijd zo voorzichtig en attent geweest om niemand persoonlijk tegen het hoofd te stoten. Hij neemt precies liever alles en iedereen op de korrel. (…) Anderzijds zal het feit, dat hij nooit een politiek systeem, een maatschappelijk fenomeen of denkwijze die hij bekritiseert, met name noemt en, dat hij dikwijls de indruk geeft de gulden middenweg te propageren, ertoe bijdragen dat sommigen hem een katholiek burgerlijke moraal in de schoenen schuiven. In interviews herhaalt Toonder keer op keer dat hij geen boodschap uitdraagt en in zijn verhalen vinden we zijn afkeer voor instanties die pretenderen de waarheid in pacht te hebben – of het nu om gezagsdragers, wetenschappers of religies gaat, doet er niet toe – in overvloed terug. (…) Samenvattend kunnen we stellen dat Toonder steeds goed het midden heeft weten te houden tussen aan de ene kant het mateloos spuien van kritiek en aan de andere kant de voorwaarden die een krant aan zijn stripmakers moet opleggen."[131]

Over de relatie met Nederland, schrijft Jansens dan weer : "De setting van de Bommelverhalen staat vanzelfsprekend niet los van de wereld zoals wij ze kennen, maar ze blijkt evenmin los te staan van Nederland. In verband met de ruimte, is het mogelijk enkele elementen aan te duiden die verwijzen naar Toonders vaderland. We willen helemaal niet beweren dat het land waarin Rommeldam gelegen is, Nederland is, maar bepaalde gegevens, afgezien van de taal waarin geschreven wordt, verraden toch Toonders nationaliteit."[132]

Toonder verklaarde zelf dat hij in zijn beginperiode op politieke gebeurtenissen inspeelde : "En in het begin, als je pas verhalen maakt, probeer je op de actualiteit aan te sluiten. Wat gebeurt er vandaag. Hoe zit het politiek en zo. En dan na een poosje merk je dat je gedateerde verhalen krijgt …"[133]

 

19.5.3. De wereld van Tom Poes

De verhalen van Tom Poes spelen zich af in en rond het stadje Rommeldam. De meeste personages zijn dieren, die zich echter gedragen zoals mensen. Tom Poes zelf is een intelligente jonge kater die de verhalen in goede banen leidt. En in deze verhalen wordt hij bijgestaan door de beer Ollie B. Bommel, ook wel Heer Bommel genoemd. Bommel is een nogal ambetantig persoontje dat altijd de schuld op de anderen schuift als er iets misloopt. Het is trouwens zeer moeilijk om voor hem iets goed te doen. Hij spreekt zichzelf constant tegen om gelijk te halen ("ik wist het wel"), en als iets goed afloopt, dan is dat natuurlijk vooral aan hemzelf te danken.

Andere personages zijn de slechteriken Hiep Hieper en Bul Super, de geschifte Professor Sickbock, commissaris Bulle Bas, de elitaire Markies De Canteclaer van Barneveldt, en ga zo maar door …

De verhaallijnen zijn zeer verscheiden, Toonder valt in "Tom Poes" alleszins veel minder in herhaling dan met zijn Kappie of Panda. En soms komen er wel eens maatschappelijke opmerkingen of verwijzingen voor. Hieronder zullen enkele verhalen en elementen kort besproken worden, waarna een uitgebreide bespreking volgt van "Tom Poes en de talisman".

In "Tom Poes en het vibreerputje" wordt heel de stad Rommeldam poëtisch door het drinken van het water uit het "vibreerputje", een bron in de tuin van Bommel. De bron wordt een echt voorwerp van verering en Bommel ziet dat allemaal niet zo goed zitten. Vooral als Hiep Hieper en Bul Super de burgemeester aanzetten om van het kasteel van Bommel een hotel te maken en er allerlei tolbarrières opgezet worden op weg naar de waterput. Hieper en Super maken van de poëtische toestand van de bevolking gebruik om zich te verrijken : ze kopen alle levensmiddelen op en verkopen die later dan aan woekerprijzen. Ook in Rommeldam komt dus een zwarte markt tot stand. Door toedoen van Tom Poes, die petroleum in de bron giet, verliest het water haar magische uitwerking en wordt iedereen terug normaal. Op het einde worden Hieper en Super zelf verplicht van het water te drinken, zodat ze met plezier al hun vergaarde voordelen afstaan. Hiep Hieper : "Waarom zou de ene zo veel hebben en de andere zo weinig ? Dat werkt het communisme in de hand !"[134]

In "Tom Poes en de geheimzinnige sleutel", krijgt Bommel van zijn Bankiers te horen dat hij al zijn geld kwijt is, omdat de goudmijn waarvan hij aandelen gekocht is, niet bestaat : pure oplichterij dus. Komt daar nog bij dat hij zijn kasteel moet verkopen om zijn belastingen[135] te kunnen betalen. Maar door de zoektocht naar en het vinden van een schat, is hij terug rijk en koopt hij z'n kasteel terug.

Een zekere Professor Sickbock probeert in "Tom Poes en de grootgroeiers" Bommel geld af te troggelen door chantage : hij laat de dieren in zijn omgeving enorm groeien met een uitvinding van hem, de zogenaamde "grootgroeiers". De volgende dag staat het bericht over de enorme dieren al in de krant : "Hoewel het niet waarschijnlijk is, dat hier direct aan communisten moet gedacht worden, hebben de autoriteiten de zaak in handen."[136] De politie valt binnen bij Sickbock en pakt hem op, maar niet zonder problemen, want de professor verweert zich hevig : "Ge wenst me te arresteren voor het overtreden van een wet, die niet bestaat. Ik weet dat dit tegenwoordig de gewoonte is en ik zal dan ook genoodzaakt zijn mijn stem op de Partij van de Vrijheid[137] uit te brengen."[138] Door de "Bijzondere Rechtspleging" kan Sickbock zeer snel voor de rechtbank geleid worden. Maar dan begint Sickbock met vanalles te dreigen, onder andere met het doorspelen van informatie aan de pers over de toewijzing van auto's aan relaties van hooggeplaatste regeringspersonen.[139] De rechter verklaart tegen het volgend jaar een vooronderzoek te willen beginnen en Sickbock wordt weggeleid.

In "Heer Bommel stuit de vooruitgang" ziet Bommel op een dag landmeters bezig, ze doen opmetingen om een nieuwe weg aan te leggen. Hij begrijpt niet wat er het nut van is : "Dat lijkt me nu zuiver een geval van weggegooide belastingscenten !"[140] Even later zijn de landmeters in zijn kasteel bezig : hij verneemt dat hij onteigend wordt omdat de nieuwe weg er dwars doorheen loopt. Bommel verzet zich, maar er blijkt niets aan te doen te zijn want "de techniek gaat voor ! De vooruitgang is niet te stuiten !"[141] Op de vlucht voor de politie komen Tom Poes en Bommel terecht bij een tovenaar in het bos. Bommel vertelt hem dat hij de vooruitgang wilt stuiten. De tovenaar kan daar wel iets aan doen, vertelt hij, en de man stuurt de twee naar de Middeleeuwen. Daarna komen ze nog terecht in de 17e eeuw en in de toekomst. Uiteindelijk komen ze terug in de eigen tijd terecht, van de weg blijkt geen sprake meer te zijn en alles komt zo terug in orde.

De communisten werden er al bijgesleurd in verband met de grootgroeiers, en ook op andere momenten gebeurt dat. Als Bommel eens een politieman een ganse waslijst strafbare feiten hoort opsommen, vraagt hij "Wie heeft dat allemaal gedaan ? Zijn er weer communisten bezig ?"[142]

Ook de atoombom wordt terloops vermeld. Tom Poes en Bommel ontdekken een oude werkplaats van een alchemist. Tom Poes geeft er uitleg bij, maar Bommel vindt het allemaal onzin : Er kan niets goeds van komen. Goud maken en de steen der wijzen zoeken ! Allemaal onzin ! Ten slotte vind je alleen maar een atoombom en wat heb je daar aan !"[143]

Verder worden nog de woningnood[144], de administratieve rompslomp in een ziekenhuis de zwarte markt[145] en de Verenigde Naties[146] erbij gehaald.

En om te besluiten nog kort iets over de Rommeldamse politie. Net als in de andere verhalen van Toonder, zijn politieagenten zeer ergerlijke personen. Agenten zijn enorm principieel, tegendraads, nemen alle orders letterlijk op en vinden het minste woord een "belediging van een ambtenaar in functie. De politie is eigenlijk meer lastig dan nuttig, zodat Tom Poes wel eens besluit de zaak zelf op te lossen. Trouwens, ook de misdadigers[147] weten dat de politie niet echt een bedreiging voor hen betekent. En in Rommeldam valt het allemaal nog mee. In het Zuid-Amerikaanse land Costa Crica heeft het schillen van aardappelen voorrang op het achtervolgen van misdadigers, en is omkoperij een alledaagse activiteit.[148]

 

19.5.4. Tom Poes en de talisman, de "uitschuiver"

Echt politiek wordt het pas in "Tom Poes en de talisman"[149]. Daarin maken Tom Poes en Heer Bommel kennis met de oplichter Joris Goedbloed[150]. Hij verkoopt aan Bommel een talisman, die de eigenaar in staat stelt wensen te doen. Bommel beseft dat hij hiermee macht in handen heeft, en wens dat hij minister zou worden. Tom Poes probeert hem nog te waarschuwen : "Wat doet U ???! Dat is het gevaarlijkste dat U kan wensen !!" Maar Bommel zet door : "Ik weet wat mijn plicht is ! Wanneer het vaderland roept, kan een Bommel niet achterblijven !"[151]

En zijn wens wordt vervuld, want plots staat een zekere Beutszelaer van Bubbeldaet, afgezant van de regering, voor de deur. Hij vertelt dat de regering in een impasse zit (er werden al een hoop commissies opgericht) en dat ze Bommel vraagt om Minister van Bijzondere Zaken te worden. Vol goede bedoelingen gaat Bommel op het aanbod in : "Vanaf morgen zal alles anders worden ! Het Vaderland is gered !"[152]

Bommel wordt per auto opgehaald en naar een enorm bureau gebracht, waar hij ook een lint en een Napoleon-achtige hoed krijgt. En hij vliegt er meteen in : "Komaan, aan de slag. En even denken … Eerst de oorlog afschaffen, dan de belasting en dan de scholen, dat zal genoeg zijn voor vandaag."[153]

Even later brengen zijn secretarissen een ganse hoop papieren binnen : "Hier is een ontwerp betreffend de wet tot afschaffing van het rookverbod in wachtkamers van referendarissen-tweede–klasse ten departemente"[154] en andere ingewikkeld gemaakte onbenulligheden. Maar dat is allemaal veel te ingewikkeld voor Bommel : hij wilt de oorlog afschaffen én regeren, want "Het vaderland roept"[155].

De positie van Bommel verwekt trouwens jaloezie bij Markies de Canteclaer. De Markies gaat dan ook zijn beklag doen bij de Minister van Justitie : "Deze Bommel is een oplichter ! Vergeef de uitdrukking. Een oplichter ! Hij heeft zich door omkoperij en afpersing in een positie gedrongen die mij toekomt. Hoogst betreurenswaardig. Ik reken erop, dat gij hem zult weten te vinden !"[156]

1

 
De Minister van Justitie, die trouwens een zeer hoogdravende taal spreekt ("uit welken hoofde bekleedt gij deze hoge positie") gaat Bommel opzoeken. En als Bommel spreekt over het afschaffen van de oorlog, reageert hij : "Ik weiger, deze defaitistische, pacifistische tael aan te horen. Gij zijt onder arrest."[157] Bommel wordt weggeleid en opgesloten in de "Bijzondere Gevangenis voor Politieke Twijfelgevallen", waar ook nog 9875 andere van die twijfelgevallen zitten. Hij krijgt van een bewaker een beetje uitleg : "Het zit hier vol met ministers en secretarissen-generaal en procureurs-fiscaal en die worden om beurten vrijgelaten om een poosje te helpen regeren."[158] Bommel krijgt er een idee bij :  hij wil nu ineens ook de gevangenissen afschaffen.

Bommel wordt voor de rechter gebracht (die al even onduidelijk spreekt) : "Bommel O.B. ge wordt beschuldigd van spionnage, subsidiair hoogverraad, subsidiair oplichting van de staat ! Huh ? Klopt dat ?"[159] Bommel reageert geprikkeld : "Ik weet niet, wat je eigenlijk van me wilt ! Maar reken erop, dat ik je zal weten te vinden, goede vriend ! Ik zal je voor de rechtbank slepen ! Er is nog recht in dit land ?" Maar de rechter kan er niet mee lachen : "Bedreiging en belediging van het Hof ! Ik verwijs deze zaak naar het Hof van Buitengewone Rechtspleging ! Over vijf jaar wordt je weer verhoord en in die tussentijd word je verbannen naar een werkkamp ! Je bent een gevaar voor de staat ! Weg met je !"[160]

 

Ondertussen vindt Tom Poes de talisman terug en wenst dat Bommel zou vrijgelaten worden. Dat zou ook gebeuren, maar niet op de manier waarop hij het wenste.

Aan de rand van de weg waar de politiecombi met Bommel voorbijrijdt, staan een aantal mannen die het in hun hoofd gekregen hebben om Bommel vrij te krijgen : "Hij is de "Grote man van onze Revolutie !" Hij is niemand minder dan Kameraad Bommel !"[161] De twee mannen, Kobbe Kuip en Prepr Prolsk, zijn door hun "bovenste raad" namelijk benoemd tot "comittee tot bevrijding van makker Bommel". Prepr Prolsk is duidelijk een buitenlander en spreekt met een verschrikkelijke "rrrrrrrollende r". Ze zijn lid van de Gorganistische Partij en bereiden een revolutie voor.

Bommel reageert enthousiast : "Aha ! Revolutie ! Markiezen wegjagen ! Minister van Justitie ontslaan ! Prachtig ! En ik president, zeg je ? Schitterend ! Dan kan ik dus eindelijk aan het werk gaan ! Regeren ! Het Vaderland roept ! Prachtig !"[162]

Maar het blijft niet zo prachtig. Bommel moet onmiddellijk al zijn geld afgeven : "Dat geld is nu van de partij ! Het is niet goed, dat de een meer heeft dan de ander, vind je wel ? Iedereen evenveel en alles voor de Partij, is 't niet ?" En zijn kasteel moet hij ook afstaan, het moet het hoofdkwartier van de partij worden. En wanneer Bommel niet akkoord lijkt te gaan, wordt hij bedreigd : "Het komt me voor dat je de beginselen van de Partij nog niet goed door hebt."[163]

Maar de politie heeft de Gorganisten in het oog : commissaris Bulle Bas schakelt Tom Poes in om te gaan spionneren, ze worden namelijk te lastig : "Maken herrie ! Zijn niet tevreden met de wereld, zoals die bestuurd wordt, denken, dat ze het zelf beter kunnen. Vat je me ? Hm, goed ! Daar is geen bezwaar tegen, maar de laatste tijd worden ze lastig, vat je ? Ontvoeren allerlei hoge omes, schrijven dreigbrieven, stelen documenten, spionneren, leggen bommen neer en zo ! Maar de politie kan er niet veel aan doen, omdat er een ander land achter zit, voel je wel."[164] Tom Poes begrijpt dat een politie-interventie voor ruzie zou zorgen met dat "andere land" en aanvaardt de opdracht.

Ondertussen krijgt Bommel van de Gorganisten zijn eerste opdracht, een tijdbom gaan leggen in een postkantoor. Door de interventie van Tom Poes wordt een ramp echter vermeden.

Tom Poes probeert te infiltreren, en gaat zich aanbieden bij de partij. Maar de Gorganisten zijn zeer achterdochtig : "We moeten hier voorzichtig zijn en ik mag jouw gezicht niet zo graag ! Je ziet er mij te plutocratisch-kapitalistisch uit, ventje ! Rréactionnairrr ![165]

Tom Poes krijgt een idee : aangezien het ding toch alleen maar ongeluk brengt, biedt hij de talisman aan deze mannen aan. Daarop wensen ze dat hun hoofdkwartier verplaatst zou worden naar slot Bommelstein en willen ze van Tom Poes de "hitman" van hun revolutie maken.

Jantje, de leider van de partij, spreekt zijn "makkers" toe : "Ik ben in het bezit gekomen van de wondersteen waarop de vertegenwoordige fascistisch-kapitalistisch-plutocratisch-imperialistisch-monarchistisch georiënteerde regering zijn macht heeft gegrondvest", waarop hij de anderen vraagt wat ze wensen. De ene roept "Laten we geld nemen ! Dat is altijd gemakkelijk", de andere dan weer "Wapens ! Bommetjes ! Dat is aardig ! Bom !!"[166] Maar leider Jantje heeft een beter idee : "Geen wapens en geen geld – dat maakt maar rommel en ruzie ! Wanneer we eenmaal de macht hebben, kunnen we rustig en kalm iedereen uitroeien en net zoveel geld maken als we willen. Nu, ik weet iets anders ! Ik wens, dat we met regeringsauto's worden afgehaald en in de regeringsgebouwen worden ondergebracht waar we recht op hebben !"[167]

De politie, die ondertussen door Tom Poes gewaarschuwd werd, omsingelt Bommelstein en rekent de ganse bende in op beschuldiging van inbraak. En hun wens komt uit : ze worden door regerings(gevangenis)wagens afgehaald. Als beloning krijgt Bommel nog een medaille van de Minister van Justitie.

En Joris Goedbloed komt zijn talisman terughalen : "heb vastgesteld, dat gij er een slecht gebruik van hebt gemaakt ! Foei. Gij moet u niet met politiek inlaten ! Dat ligt U niet. Uw avonturen moesten zich meer tot het oppervlakkige bepalen !"[168]

 

19.5.5. Politici, Gorganisten en communisten

Niet alleen Joris Goedbloed heeft kritiek op de politieke aspecten van het verhaal. Ook Marten Toonder zou later terughoudend worden ten opzichte van dit verhaal. In het voorwoord van de "Volledige werken" schrijft hij : "Als verhaal moet dit door de vingers bezien worden. Heer Bommel heeft nog steeds zijn eigen karakter niet gevonden, zodat hij zich zelfs met politiek inlaat."[169]

Toonders zoon Eiso heeft voor zijn inleiding op het verhaal zelfs een reactie teruggevonden vanwege "De Waarheid", een "dagblad dat voortkwam uit de communistische verzetsbeweging". Die mensen schreven toen : "Ook Tom Poes maakt de laatste tijd vreemde sprongen in de Volkskrant en de N.R.C. ; Hij bestrijdt een bende uit de onderwereld, die de mond vol heeft over "de partij" en waarvan de aanvoerder, die luistert naar de naam Prebl Prolsk, met tijdbommen in postkantoren opereert. Er is geen dieptepsychologie nodig om de afleiding van de naam Prolsk te vinden, en de rest klopt wonderwel met het beeld van de boze bolsjewiek zoals dat hier en daar gebruikt wordt om kleine kinderen en kinderlijke volwassenen paedagogisch te doen griezelen. Men telle zulke afdwalingen niet te licht. Indrukken uit de kinderjaren kunnen lang beklijven ; en de helden uit zulke nonsensverhalen kunnen in het kinderlijke (en dus ook in het latere) zieleleven een grotere rol spelen dan met hun werkelijke betekenis of zelfs met hun plaats in de krant overeenkomt. Dat onze tekenaars zich houden aan de nonsens ; pogingen om in hun verhalen de politiek te betrekken, leiden blijkbaar maar tot onheil." Eiso vindt het zoveel jaar later zelfs nodig de beschuldigingen te weerleggen : "De auteur van deze beschouwing was kennelijk weinig oplettend. Want er is een groot verschil tussen bolsjewieken en het groepje anarchisten van de heer Prolsk."[170]

 

Dat de toenmalige communisten zich geviseerd voelden, is nogal voor de hand liggend. Allerlei elementen in het verhaal zorgen ervoor dat men de revolutionaire groepering van Prolsk met hen in verband brengt. Er zit een ander land achter de organisatie, Prolsk is zelf een buitenlander, één van zijn medewerkers heet Ivan, ze bereiden een revolutie voor, spreken elkaar aan met "kameraad", … Het beeld dat er op die manier van de communisten gegeven wordt, is dan ook niet zo fraai : alle bezittingen moeten afgestaan worden aan de partij, wie niet luistert wordt bedreigd, de partijleden schijnen geobsedeerd te zijn door bommen en houden zich naast bomaanslagen bezig met ontvoeringen, spionage, het stelen van documenten en het schrijven van dreigbrieven. En daar komt nog bij dat de politie niet officieel durft op te treden uit schrik voor reacties uit het "moederland".

Maar naast de communisten, wordt ook de politiek in het algemeen op de korrel genomen in het verhaal. De regering verkeert in crisis, zodat ze Bommel zomaar minister laat worden, regeerders komen om beurten uit de "Bijzondere Gevangenis voor Politieke Twijfelgevallen", ministers gedragen zich elitair en gebruiken een hoogdravend taaltje. Ze spreken elkaar trouwens aan met "ambtgenoot". Daartegenover staat dan de eenvoudige idealist Bommel die gewoon "in dienst van het vaderland" de belastingen en de oorlog wilt afschaffen.

Ook het gerecht wordt in het verhaal op de korrel genomen. De opgevoerde rechter gedraagt zich zeer elitair en de wachttijden voor processen zijn ontoelaatbaar lang.

 

Het verhaal werd oorspronkelijk gepubliceerd in de Nederlandse pers van 21 juni 1947 tot 9 september 1947. Zoals al in het contextgedeelte uitgelegd werd, kenden ook de Nederlandse communisten na de oorlog een redelijk groot succes. In tegenstelling tot de Belgische situatie werden ze echter nooit in de regering opgenomen. In de opkomende Koude Oorlog kozen ze dan ook heel snel de kant van de Sovjetunie, waardoor ze zich in het politieke landschap totaal isoleerden. Tijdens de publicatie van het verhaal werd het Marshallplan afgesloten, waartegen de Nederlandse communisten zich hevig zouden verzetten.

En Toonder mag dan wel verklaren dat hij geen politieke standpunten inneemt, ten opzichte van de communisten is hij in dit verhaal wel duidelijk.[171] Ze worden afgeschilderd als echte terroristen in dienst van het buitenland, een ideale voorstelling om de bevolking nog meer van de Communistische Partij te laten vervreemden. Wel neemt hij voor de rest geen partijpolitieke standpunten in. Dat kon ook moeilijk, aangezien Tom Poes in Nederland in een linkse en een rechtse krant verscheen. Zijn "kritiek" op de politieke gang van zaken is dus een algemene kritiek, waarbij niemand echt geviseerd wordt. Net zoals de traditionele verwijzingen naar te hoge belastingen dat zijn.

 

19.6. De komst van Marc Sleen

Zoals al gezegd in het deel over De Nieuwe Gids, wordt deze krant in 1950 overgenomen door Het Volk. Dat betekent ook dat de verhalen van Marc Sleen vanaf april 1950 in Het Volk verschijnen. En dat gaat niet onopgemerkt voorbij. Voor de publicatie van het verhaal "De Hoed van Geeraard de Duivel", dat op 3 april 1950 van start gaat, worden niet minder dan veertien (!) aankondigingen gepubliceerd. Een eerste al op 1 maart, eentje op 6 maart en de rest tussen 20 maart en 2 april.

In die eerste aankondiging (met foto van de tekenaar), die hiernaast weergegeven wordt, wordt Marc Sleen voorgesteld als "een onzer beste Vlaamse tekenaars" en zijn verhalen behoren volgens de krant "tot de beste die tot dusver in de Belgische pers werden gepubliceerd".[172]

Op 6 maart wordt een advertentie geplaatst in verband met de vernieuwing van de abonnementen, waarbij ook meegedeeld wordt dat de "tekenbanden" van Marc Sleen vanaf 1 april in Het Volk zouden staan.[173] In de daaropvolgende aankondigingen worden de hoofdpersonages één per één voorgesteld (soms op pagina 1, soms op pagina 3), waarna de nadruk komt te liggen op het nieuwe verhaal, dat voorgesteld wordt als "het beste wat Marc Sleen tot dusver voor het Vlaamse publiek heeft getekend".[174] En bij Het Volk overdrijven ze graag, want tegen het volgende verhaal is Sleen al "de beste striptekenaar van België".[175]

Ook vallen de verhalen erg op in de krant. Dat was, door het kleine formaat van Het Volk, al het geval met de andere strips, maar aangezien er van Nero dagelijks twee stroken verschijnen, neemt deze strip gemakkelijk één derde van een krantenpagina in. Voor de bespreking van de verhalen, verwijs ik naar het deel over De Nieuwe Gids.

 

19.7. Ons Kindervolkje

Tenslotte neemt Het Volk ook nog strips op in de wekelijkse jeugdpagina Ons Kindervolkje, die op donderdag verschijnt. Van juli 1946 tot april 1949 verschijnen zes kortere of langere verhalen, waarvan de meeste Nederlandse ondertekststrips zijn.

Zo worden "Avonturen van Tobias Sloom en Binky in China"[176] van Willy Kuijper en P. Lenty, "Naar zee" van Albert Van Beek en "Het grote avontuur van Peep en Put" gepubliceerd. Van juli tot september 1948 verschijnt dan weer een ballonstrip : "De geheimzinnige fakir", door de Belg Wally Delsey, die ook in Volksgazet en Vooruit publiceert.

En van september 1948 tot april 1949 staan er twee biografieën in Ons Kindervolkje. Deze volledig anonieme ondertekststrips vertellen op een educatieve manier het leven van ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus en schrijver Hans Andersen.[177] Daarna verdwijnen de strips uit deze rubriek.

 

19.8. Besluit

Met een start van de strippublicatie in februari 1946, bevindt Het Volk zich in de middengroep van Belgische kranten. De krant speelt vanaf het begin duidelijk de kaart van het eigen materiaal. En dat zou de volgende vijf jaar zo blijven, met Thomas Pips van Buth, Bazielken van Rik en Van Zwam van Marc Sleen.

Dat betekent echter niet dat de krant geen buitenlands materiaal zou opnemen. Integendeel, het stripaanbod wordt zo uitgebreid met M. Subito, Tim Tyler, Lou en Liesje en Tom Poes, verdeeld door Opera Mundi, PIB en de Toonderstudio's. Elke dag worden op die manier van één tot drie strips aangeboden aan de lezers. Ons Kindervolkje zorgt voor een wekelijks extraatje.

De gepubliceerde genres zijn zeer verscheiden, zowel gagstroken als vervolgverhalen, zowel humoristische als realistische strips, en zowel ballonstrips als ondertekststrips worden opgenomen. Toch is er een duidelijk overwicht aan ballonstrips. Zoals al gezegd, vallen de strips door het kleine formaat van de krant heel erg op.

Wat de auteurs betreft, deze worden meestal in de titels vermeld, ook de tekstschrijvers Pol Ingier en Lod. Lavki. In de aankondigingen krijgen de auteurs niet zoveel aandacht, op uitzondering van Buth, Lod. Lavki en Marc Sleen. Sleen, die trouwens een echt begrip in de toenmalige krantenwereld blijkt te zijn. Veel verhalen worden aangekondigd, met enkele uitschieters zoals "Het wondere wapen van Thomas Pips" en de komst van Marc Sleen.

En tenslotte, wat de politiek betreft, is Het Volk een zeer rijke krant. Het feit dat veel gepubliceerde verhalen van Belgische oorsprong zijn, is daar natuurlijk niet vreemd aan. Thomas Pips komt terecht in een Koude Oorlog-verhaal, Bazielken verkent Amerika, redt de Belgische frank en installeert een vrouwendemocratie in Zuid-Amerika. En ook Tom Poes mengt zich in de politiek, met de ministerbenoeming van Heer Bommel en het opdraven van een bende revolutionairen.

 



[1] De Bens (Els). Op. Cit., p. 274-278 ; Campé (René), Dumon (Marthe) & Jespers (Jean-Jacques). Op. Cit., p. 356-367 ; Durnez (Gaston). Het Volk. In : NEVB, Op. Cit., p. 3527-3528 ; Hugaerts (F.). Het Volk negentig jaar, 1981-1981. Gent, Het Volk, 1981, p. 19-35

[2] Verdeling Opera Mundi, zie Le Soir.

[3] Amerikaans stripauteur, geboren in 1893 en broer van Chick Young (auteur van Blondie). Zijn reeks Tim Tyler's luck startte hij op in 1928. (Gaumer (Patrick)1. Op. Cit., p. 770-771, 849 ; Lyman Young. Op : http://www.lambiek.net/young_l.htm - 12/5/2003)

[4] Ze wordt verdeeld door PIB.

[5] De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 123 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 153 ; Vandamme (Geert). Het stripverhaaloeuvre van Raymond De Kremer. Gent, Vzw de trap, 1995, p. 35-37

[6]  Musschoot (Anne Marie) & T'Sjoen (Yves). De vruchtbare samenwerking tussen Richard Minne en Frits van den Berghe. In : Musschoot (Anne Marie), T'Sjoen (Yves) & De Geest (Joost). Frits van den Berghe en Richard Minne, Stripverhalen 1931-1935. Brussel, Gemeentekrediet, 1996, p. 19

[7] Zes maand gevangenisstraf en levenslang verlies van burgerlijke en politieke rechten. In 1951 wordt de uitspraak herzien tot vijf jaar verlies van rechten. (Smits (Jean)2. Tekenaars in de collaboratiepers : Leo Debuth. In : Brabant Strip Magazine, nr. 59 (1998/6), p. 15) Het gebeurde wel meer dat veroordeelde "collaborateurs" onder pseudoniem of anoniem bleven voortpubliceren. Het meest bekende voorbeeld is misschien wel dat van Jacques Van Melkebeke. (Zie daarvoor : Mouchart (Benoît). A l'ombre de la ligne claire : Jacques Van Melkebeke, le clandestin de la BD. Paris, Vertige Graphic, 2002, 176 p.)

[8] Smits (Jean)2. Op. Cit., p. 14-15

[9] De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 123 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 154 ; Vandamme (Geert). Op. Cit., p. 37-39 ; Smits (Jean)2. Op. Cit., p. 15

[10] De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 124 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 154-160

[11] Verbrugghen (André). Jean Ray. In : Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 14. Brussel, Paleis der Academiën, 1992, kol. 567-575 ; Vandamme (Geert). Op. Cit., p. 8 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 215-230 ; Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde. Amsterdam / Brussel, Elsevier, 1986, p. 140 ; Van Hamme (Jean) (red.). Inleiding tot het Belgische stripverhaal. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1968, p. 19

[12] Buth (& John Flanders). Het geheim van de vliegende schotels. (HV, 1/8/1947 – 29/9/1947)

[13] Idem, str. 1 (HV, 1/8/1947)

[14] Idem, str. 42 (HV, 17/9/1947)

[15] Idem, str. 44 (HV, 19/9/1947)

[16] Buth (& John Flanders). De Infra-Rode Bende. (HV, 30/9/1947 – 1/1/1948)

[17] Buth (& John Flanders). Het Kasteel der Schaduwen. (HV, 3/1/1948 – 12/3/1948)

[18] Buth (& John Flanders). In de greep van Mysteras. (HV, 13/3/1948 – 26/6/1948)

[19] De Infra-Rode Bende, str. 63. (HV, 12/12/1947)

[20] Buth (& John Flanders). Het geheim van de vliegende schotels, str. 8. (HV, 8/8/1947)

[21] Buth. Terwijl Pips naar de ronde is …, gevolgd door De fratsen van Thomas Pips. (HV, 29/6/1948 – 11/11/1948)

[22] "Hoewel hij anti-militarist en –scouting was, aanvaardde hij ter wille van de jongens." (Michiels (G.)2. Lodewijk Lavki. In : Nationaal biografisch woordenboek, deel 5. Brussel, Koninklijke Academie van België, 1972, kol. 517)

[23] "Teksten voor tekenverhalen schreef Lavki aan de lopende band…" (Michiels (G.)1. De jeugdschrijver Lod. Lavki (1893-1954), leven en werk. Hasselt, Lavki-Komittee, s.d., p.  39)

[24] Michiels (G.)2. Op. Cit., kol. 516-519 ; Lod. Lavki. In : Grote Winkler Prins Encyclopedie, deel 14. Amsterdam / Antwerpen, Elsevier, 1992, p. 260 ; Swerts (Lambert). Lod. Lavki, mens en werk. Vlaamse Toeristische Bibliotheek, 1967, p. 1-16 ; Michiels (G.)1. Op. Cit., p. 7-48 ; Sourie (Louis). Vlaams letterkundig lexicon. Komen, 1951, p. 78

[25] HV, aankondiging op 15/11/1948, p. 1

[26] De nieuwe ontdekking van Thomas Pips, str. 29 (HV, 4/5/1949)

[27] Zelfs aan boord van de ruimteraket, waarmee de personages naar Venus vliegen : "Zoals overeengekomen, deden ze samen hun morgengebed voor het grote kruis in hun salon. Het was niet zonder een beetje ontroering dat vader Pips bad van de "Schepper van de werelden", nu dat ze te midden al die heerlijkheden zweefden." (Idem, str. 65 - HV, 16/6/1949)

[28] Idem, str. 9 (HV, 11/4/1949)

[29] Idem, str. 77 (HV, 27/6/1949), str. 78 (HV, 28/6/1949) ; Het Wondere wapen van Thomas Pips, str. 80-82 (HV, 15/2/1949, 17/2/1949 & 18/2/1949)

[30] De nieuwe ontdekking van Thomas Pips,  str. 29 (4/5/1949)

[31] "Voor de mis was hij al aan 't werk" (Idem, str. 8 - HV, 8/4/1949) ; "Zogauw de Hoogmis begonnen is" (Idem, str. 30 - HV, 5/5/1949)

[32] Buth & Lod. Lavki. Het wondere wapen van Thomas Pips. (HV, 16/11/1948 – 30/3/1949)

[33] Idem, str. 20 (HV, 8/12/1948)

[34] Idem, str. 61 (HV, 25/1/1949)

[35] Idem, str. 41 (HV, 1/1/1949)

[36] Idem, str. 92 (HV, 2/3/1949)

[37] Idem, str. 95 (HV, 7/3/1949)

[38] Idem, str. 96 (HV, 8/3/1949). De ontvangst door de koning wordt niet in beeld gebracht en alleen achteraf vermeld.

[39] Idem, str. 103 (HV, 16/3/1949)

[40] Idem, str. 104 (HV, 17/3/1949)

[41] Idem, str. 105 (HV, 18/3/1949)

[42] Idem, str. 106 (HV, 19/3/1949)

[43] Idem, str. 108 (HV, 22/3/1949)

[44] Idem, str. 114 (HV, 29/3/1949)

[45] Idem, str. 115 (HV, 30/3/1949)

[46] Idem, str. 115 (HV, 30/3/1949)

[47] Idem, str. 115 (HV, 30/3/1949)

[48] Idem, str. 71 (HV, 5/2/1949)

[49] Idem, str. 71 (HV, 5/2/1949)

[50] Idem, str. 73 (HV, 8/2/1949)

[51] Buth & Lod. Lavki. De nieuwe ontdekking van Thomas Pips. (HV, 1/4/1949 – 28/6/1949)

[52] Idem, str. 20 (HV, 23/4/1949)

[53] Idem, str. 22 (HV, 26/4/1949)

[54] Idem, str. 78 (HV, 28/6/1949)

[55] Idem, str. 39 (HV, 16/5/1949)

[56] De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 61

[57] De Laet (Danny) & Varende (Yves). Op. Cit., p. 134 ; De Laet (Danny)1. Op. Cit., p. 61-62 ; Mortier (Patrick) & Durf (Jan). De grote Vlaamse tekenaars, 3 : Rik. Koksijde, Comic Events, 1995, p. 16-26 ; Vandamme (Geert). Op. Cit., p. 26

[58] Mortier (Patrick) & Durf (Jan). Op. Cit., p. 22. Rik vergeet hier het vierde verhaal, "Bazielken redt de frank".

[59] Rik & Pol Ingier. Bazielken in Amerika. (HV, 21/2/1949 – 5/10/1949)

[60] HV, aankondiging op 20/2/1949, p. 1. Tekst na "op" afgebroken.

[61] Idem, str. 10 (HV,  3/3/1949)

[62] Idem, str. 11 (HV, 4/3/1949)

[63] Idem, str. 12 (HV, 5/3/1949)

[64] Idem, str. 13 (HV, 7/3/1949)

[65] "Honderd miljoen wodka's" (Idem, str. 12 - HV, 5/3/1949)

[66] Idem, str. 16 (HV, 10/3/1949)

[67] Idem, str. 18 (HV, 12/3/1949)

[68] Idem, str. 19 (HV, 14/3/1949)

[69] Idem, str. 24-25 (HV, 19/3/1949 & 21/3/1949)

[70] Idem, str. 30 (HV, 26/3/1949)

[71] Idem, str. 33 (HV, 30/3/1949). Petiot en Landru zijn de namen van twee bekende seriemoordenaars.

[72] Idem, str. 46 (HV, 14/4/1949)

[73] Niet zonder verwijzing naar het atoomatoll Bikini.

[74] Idem, str. 52 (HV, 21/4/1949)

[75] Idem, str. 55 (HV, 25/4/1949)

[76] Idem, str. 96 (HV, 13/6/1949)

[77] Idem, str. 99 (HV, 16/6/1949)

[78] Rik & Pol Ingier. Bazielken redt de frank. (HV, 21/6/1949 – 5/10/1949)

[79] Idem, str. 68 (HV, 8/9/1949)

[80] Idem, str. 71 (HV, 12/9/1949)

[81] Idem, str. 73 (HV, 14/9/1949)

[82] Idem, str. 73 (HV, 14/9/1949)

[83] Het is blijkbaar geen karikatuur van een bestaande persoon.

[84] Idem, str. 74 (HV, 15/9/1949)

[85] Idem, str. 77 (HV, 19/9/1949)

[86] Idem, str. 82 (HV, 24/9/1949)

[87] Idem, str. 83 (HV, 26/9/1949)

[88] Idem, str. 86 (HV, 29/9/1949)

[89] Idem, str. 91 (HV, 5/10/1949)

[90] Idem, str. 90 (HV, 4/10/1949)

[91] Rik & Pol Ingier. Bazielken en het levenselixir. (HV, 7/10/1949 – 13/2/1950)

[92] Rik. Bazielken, de held van Mato Grosso. (HV, 14/2/1950 – 30/6/1950)

[93] Idem, str. 73 (HV, 9/5/1950)

[94] Idem, str. 73 (HV, 9/5/1950)

[95] Idem, str. 74 (HV, 10/5/1950)

[96] Idem, str. 80 (HV, 17/5/1950)

[97] Florke werd tijdens een verkenningstocht door Bazielken en Pedro in een tempel gevonden. Ze werd bewaard in een glazen bokaal : door deze te breken kwam het meisje terug tot leven.

[98] Idem, str. 114 (HV, 26/6/1950)

[99] Idem, str. 114 (HV, 26/6/1950)

[100] Idem, str. 115 (HV, 27/6/1950)

[101] Idem, str. 115 (HV, 27/6/1950)

[102] Idem, str. 116 (HV, 28/6/1950)

[103] Idem, str. 117 (HV, 29/6/1950)

[104] Idem, str. 117 (HV, 29/6/1950)

[105] Idem, str. 92 (HV, 31/5/1950)

[106] Albert Devèze, Belgische liberale politicus. In de regering-Eyskens (1949-1950) was hij Minister van Landsverdediging.

[107] Frank, str. 2 (HV, 22/6/1949)

[108] Amerika, str. 47 (HV, 15/4/1949)

[109] Idem, str. 62 (HV, 3/5/1949)

[110] Frank, str. 34 (HV, 30/7/1949)

[111] Mato Grosso, str. 31 (HV, 21/3/1950). Negen dagen na de volksraadpleging gepubliceerd, maar wat de preciese betekenis is ?

[112] Frank, str. 2-3 (HV, 22/6/1949  & 23/6/1949)

[113] Idem, str. 35 (HV, 1/8/1949)

[114] Idem, str. 46 (HV, 13/8/1949)

[115] Elixir, str. 106 (HV, 13/2/1949)

[116] Mato Grosso, str. 31 (HV, 21/3/1950)

[117] Pedro over zijn portefeuille die bijna gestolen wordt : "Er zit wel niets in dan belastingbrieven en mijn dopkaart. Maar 't zijn toch soevenirs he !" ; Overvallers van de expeditie willen het plan. Pedro : "Ha! Bedoelt gij 't plan ter veredeling van de belastingontvangers." ; Sprietgras tegen de inspecteur (van de Indianenbescherming) : "Ik heb mijn belastingbrief in Begië al ingevuld." (Mato Grosso, str. 21 – HV, 9/3/1950 ; Idem, str. 38 – HV, 29/3/1950 ; Idem, str. 41 – HV, 1/4/1950)

[118] Bazielken gooit met een beetje dynamiet naar pirhana's en krokodillen, verteller : "De nieuwsoortige handgranaat komt tussen de vissen terecht … Volgt een ontploffing als van een H-Bom …" (Idem, str. 50 – HV, 12/4 /1950)

[119] O'Bros, die terug normaal geworden is en de rest komt bevrijden : "Ik ben weer normaal en werd dus ontslagen uit de kinderkrieb, met bewijs van goed gedrag en zeden en burger – euh – dingens." (Idem, str. 106 – HV, 16/6/1950)

[120] Frank, str. 36 (HV, 2/8/1949)

[121] Bazielken valt uit het vliegtuig, daalt met zijn paraplu en valt dan in de zee (zit dan in zijn paraplu) : "'t Is gelijk in een tram." (Amerika, str. 9 – HV, 2/3/1949)

[122] O'Bros maakt de mensen wijs dat hun achtervolger de Minister van Financiën is. Resultaat : iedereen gaat de "minister" te lijf. (Elixir, str. 23 - HV 5/11/1949)

[123] Verhalen 3 tot 6 staan in de juiste volgorde, de andere verhalen zijn door elkaar geschud. Ook worden bepaalde verhalen overgeslagen.

[124] Jansens (Tim). De Bommelstrip van Marten Toonder. Een historisch analytische studie. Licentieverhandeling communicatiewetenschappen KUL, 1992, p. 15-18 ; Kousemaker (Evelien & Kees). Op. Cit., p. 222 ; Toonder (Eiso). Op. Cit., p. 9. Voor meer details, zie de autobiografie van Marten Toonder : Toonder (Marten)1. Op. Cit., 1173 p.

[125] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 18 ; Toonder (Eiso). Op. Cit., p. 9

[126] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 39

[127] Toonder (Eiso). Op. Cit., p. 9 ; Matla (Hans)1. Op. Cit., p. 221 & 256 ; Toonder (Marten)1. Op. Cit., p. 750 ; Matena (Dick). Interview van Marten Toonder. In : Stripschrift, nr. 289 (jg. 29, nr. 2), p. 8

[128] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 18-19 ; Kousemaker (Evelien & Kees). Op. Cit., p. 222-223

[129] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 52-56

[130] In de eerste verhalen is Tom Poes het belangrijkste personage, zodat de verhalen ook naar hem genoemd worden. Na verloop van tijd zou de titelrol echter overgenomen worden door het personage Heer Bommel, vandaar dat de Tom Poes-verhalen algemeen ook vaak Bommelverhalen genoemd worden.

[131] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 42-43

[132] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 86

[133] Jansens (Tim). Op. Cit., p. 226

[134] Marten Toonder. Tom Poes en het vibreerputje. (HV, 15/11/1949)

[135] Marten Toonder. Tom Poes en de geheimzinnige sleutel. (HV, 23/11/50)

[136] Marten Toonder. Tom Poes en de Grootgroeiers. (HV, 13/4/50)

[137] Kleine partij die de verouderde Liberale Staatspartij wou vernieuwen.

[138] Idem. (HV, 29/4/1950)

[139] Idem. (HV, 2/5/1950)

[140] Marten Toonder. Heer Bommel stuit de vooruitgang. (HV, 14/6/1950)

[141] Idem. (HV, 15/6/1950)

[142] Idem. (HV, 19/6/1950)

[143] Marten Toonder. Tom Poes en Solfertje. (HV, 8/11/1950)

[144] Marten Toonder. Tom Poes en de geheimzinnige sleutel. (HV, 29/11/1949) ; Vooruitgang. (HV, 17/6/1950)

[145] Als Tom Poes een wagen laat repareren en zegt dat hij contant betaalt, reageert de garagist : "Hm ! Dan ben je zeker een zwarte handelaar." (Marten Toonder. Tom Poes en de autokoers – HV, 11/7/1949)

[146] Als Bommel en Tom Poes eens verkeerdelijk opgepakt worden (in Costa Crica), dreigt Bommel met beklag bij de Verenigde Naties. (Sleutel – HV, 26/1/1950)

[147] Slechterik Hiep Hieper : "De politie … laat me niet lachen. De politie heeft het veel te druk met het plaatsen van verkeersborden." (Autokoers – HV, 17/8/1949)

[148] Sleutel. (HV, 21 /1/1950 & 24/1/1950)

[149] Marten Toonder. Tom Poes en de talisman. (HV, 12/8/1950 – 30/10/1950)

[150] Personage uit de reeks Panda van Marten Toonder.

[151] Idem. (HV, 11/9/1950)

[152] Idem. (HV, 13/9/1950)

[153] Idem. (HV, 15/9/1950)

[154] Idem. (HV, 16/9/1950)

[155] Idem. (HV, 18/9/1950)

[156] Idem. (HV, 18/9/1950)

[157] Idem. (HV, 20/9/1950)

[158] Idem. (HV, 22/9/1950)

[159] Idem. (HV, 28/9/1950)

[160] Idem. (HV, 29/3/1950)

[161] Idem. (HV, 2/10/1950)

[162] Idem. (HV, 4/10/1950)

[163] Idem. (HV, 6/10/1950)

[164] Idem. (HV, 9/10/1950)

[165] Idem. (HV, 18/10/1950)

[166] Idem. (HV, 21/10/1950)

[167] Idem. (HV, 23/10/1950)

[168] Idem. (HV, 30/10/1950)

[169] Toonder (Marten)2. Voorwoord. In : Toonder (Marten). Heer Bommel, Volledige werken, De Dagbladpublicaties, Band 5. 's Gravenhage, Panda, 1998, p. 7

[170] Toonder (Eiso). Op. Cit., p. 9-10

[171] Voor de heruitgave van het verhaal in de "Volledige werken", zijn bepaalde elementen gesneuveld, zoals het feit dat de politie niet veel kan doen omdat er een ander land achter zit.

[172] HV, aankondiging op 1/3/1950, p. 3

[173] HV, aankondiging op 6/3/1950, p. 4

[174] HV, aankondiging op 29/3/1950, p. 3

[175] HV, aankondiging op 3/9/1950, p. 1

[176] Hetzelfde verhaal wordt op hetzelfde moment ook in Het Nieuws van den Dag gepubliceerd.

[177] Deze verhalen zijn waarschijnlijk van dezelfde hand als de biografische strips op de jeugdpagina van Het Laatste Nieuws.