Charles François van der Beke de Cringen,

dichter en edelman

1749-1840

Het lange leven van de Bruggeling Charles van der Beke de Cringen heeft een paar flarden aan gegevens nagelaten in genealogische werken [1] . Nergens wordt hierbij vermeld dat hij een actieve auteur was van gelegenheidsdichtwerk. Een aantal van zijn verzen werden door zijn nakomelingen bewaard.

Charles François van der Beke, geboren in Brugge (parochie Sint-Gillis) op 26 juni 1749, was het negende en laatste kind in het gezin van Charles Albert van der Beke (Brugge 1705-1772) en Marie Isabelle Anchemant de Bonnières († 1758). Diens vader, Charles Philippe van der Beke (Gent 1676 – Brugge 1754) stamde uit een ambtsadellijke Gentse familie en kwam zich in Brugge vestigen bij zijn huwelijk met de rijke erfgename Anne Marie van Volden (1681-1717), dochter van de burgemeester van het Brugse Vrije Philippe van Volden, heer van Cringen en Beaupré.

Charles François van der Beke groeide op in Brugge en bracht ongetwijfeld een deel van zijn jeugd door op het Blauw Kasteel, het buitengoed van de familie in Sint-Kruis, geërfd van zijn voorzaten van Volden, dat hij tot op het einde van de achttiende eeuw of het begin van de negentiende eeuw in eigendom behield [2] .

Sint-Elisabethschool

Op 21 februari 1772, tweeëntwintig jaar oud, werd van der Beke voogd of gouverneur van de Sint-Elisabethschool voor arme weesmeisjes, waar hij baron Triest opvolgde en gemeenteraadslid Lievin de la Villette [3] en stadsthesaurier Antoine de Peneranda [4] als collega’s aantrof. Hij was nog burgerlijk minderjarig, maar na de dood van zijn vader in mei 1772, werd hij meerderjarig verklaard [5] .

Het gouverneurschap werd gewoonlijk voor een periode van drie jaar uitgeoefend, maar toen die termijn in 1775 verstreken was, werden Peneranda en van der Beke door het stadsbestuur “met grootte insistantie verzocht om nog enkele jaren volontairlijk te blijven”. Uit de verslagboeken blijkt dat de financiële toestand van de school niet schitterend was, zodat er wellicht moeilijk kandidaten werden gevonden voor de opvolging.

Beide gouverneurs aanvaardden de voortzetting van hun opdracht, maar eisten meer bewegingsvrijheid en beslissingsmacht, wat hen werd toegestaan. Vanaf 1776 trad van der Beke trouwens ook als boekhouder op en was hij voortaan nog inniger met het leven van de school verbonden. Het was onder zijn impuls dat de school in 1782 de gebouwen in de Ezelstraat verkocht en zich in het voormalig college van de Engelse Jezuïeten langs de Spiegelrei ging vestigen. Tot op het einde van het Ancien Regime en ook in de Franse Tijd bleef van der Beke zich actief met de Sint-Elisabethschool bezighouden [6] .

Voorzitter Burgerlijke Godshuizen

Toen de revolutietijd voorbij was, werd van der Beke tot bestuurder benoemd van de Burgerlijke Godshuizen, de nieuwe geseculariseerde instelling die een groot aantal vroegere stichtingen en instituten onder haar beheer kreeg: de hospitalen, het begijnhof, de godshuizen en ook de armenscholen, waaronder de Sint-Elisabethschool. Onder de godshuizen trof hij er verschillende aan (Van Volden, Cobrysse, Gloribus, de Meulenaere) die gesticht waren door zijn Brugse voorouders of hun verwanten.

Zijn aanstelling tot bestuurder gebeurde op 27 prairial Jaar IX (16 juni 1801) en hij bleef de instelling mee besturen tot aan zijn dood op 1 juli 1840, hetzij meer dan 38 jaar. Tot in 1818 was de burgemeester van Brugge ook voorzitter van de Burgerlijke Godshuizen. Minstens vanaf 1814 was Charles van der Beke tweede in bevel en derhalve waarschijnlijk plaatsvervangend voorzitter. In mei 1818 werd hij de effectieve voorzitter en bleef dit tot aan zijn dood.

In de archieven van de Sint-Elisabethschool en nadien van de Burgerlijke Godshuizen, moeten over deze ongewoon lange bestuursperiode ongetwijfeld talrijke gegevens aanwezig zijn, die een evaluatie van zijn persoonlijke inbreng in het bestuur zouden mogelijk maken. Waarschijnlijk ligt hierin materie verscholen voor een uitgebreider biografie, waartoe deze bijdrage slechts een aanzet is.

Politieke loopbaan en verenigingsleven

Op het politiek terrein speelde van der Beke een beperkte rol. Hij was al veertig toen hij, tijdens de Brabantse Omwenteling (1789), schepen van het Brugse Vrije werd. Hij werd in deze functie behouden tijdens de eerste Oostenrijkse Restauratie (1791-92).

In de kortstondige periode van de eerste Franse Overheersing (december 1792 – maart 1793) werd hij tot lid van de voorlopige vertegenwoordiging van het Brugse Vrije verkozen, maar de al te conservatieve samenstelling van dit organisme had tot gevolg dat de bezetter al enkele weken later een nieuw bestuur aanstelde. In februari 1793 werd hij één van de wijkmeesters in het Sint-Janssestendeel.

Tijdens de tweede Oostenrijkse restauratie (1793-94) werd hij één van de laatste burgemeesters van het Vrije en bleef dit tot aan de definitieve afschaffing van dit bestuursorgaan in 1795. Die afschaffing was trouwens al de facto van kracht vanaf juni 1794, zodra de Franse Republiek zich bij ons installeerde en korte metten maakte met alle instellingen uit het Ancien Regime. Van der Beke was niet bijster goed geïnspireerd geweest door helemaal op het einde van de Oostenrijkse tijd nog een prominente functie te aanvaarden. Hij vreesde dan ook dat hij hiervan de nadelige weerslag zou ondergaan en sloeg op de vlucht. Enkele maanden later keerde hij in stilte naar Brugge terug [7] . Nog éénmaal zou hij een bescheiden politieke rol vervullen, door van 1812 tot 1817 gemeenteraadslid van Brugge te zijn [8] .

Gedurende een groot aantal jaren was hij tevens bestuurslid van de Geünieerde Wateringen Eyensluis en Groot-Reygaertsvliet.

Charles van der Beke was duidelijk niet een man van het verenigingsleven. Zijn naam komt niet voor op de ledenlijsten van de schuttersgilden van Sint-Joris en Sint-Sebastiaan en ook niet op die van de Vrije Archiers in Sint-Kruis. Hij was evenmin lid van de Société Littéraire. Wel was hij een aantal jaren bestuurslid of assessor van de Kunstacademie.

Pas in 1819, hij was toen zeventig, werd hij lid van de Edele Confrerie van het H.-Bloed, waarvan hij in 1831 proost werd. Weliswaar had hij al in 1776, samen met zijn zwager le Gillon zijn kandidatuur gesteld, maar toen werd die geweigerd omdat hij vrijlaat was en geen poorter van Brugge [9] .

Het blijft verder op te zoeken of hij in de rederijkerskamers, in de kerkfabrieken of in godvruchtige genootschappen een rol speelde. Hij was alleszins betrokken bij de activiteiten van de rederijkerskamer van de H.-Geest, want in 1829, na de dood van haar hoofdman Charles de Croeser de Berges, ging hij samen met Joseph van Huerne over tot de ontbinding van dit aloud gezelschap [10] .

De edelman

Jonkheer Charles van der Beke behoorde zowel aan vaders- als aan moederszijde tot adellijke families die talrijke generaties opklommen. Zijn voorvader Jan van der Beke, commissaris-generaal van de imposten van het kwartier van Gent, was in 1641 in de adelstand verheven [11] . De Anchemants waren van Bourgondische adel en kwamen zich in het kielzog van Karel de Stoute en Maximiliaan van Oostenrijk in Brugge vestigen. Eén van hen huwde met een dochter uit de familie de Bonnières, heren van Vichte, die al in de zestiende eeuw een riddertitel droegen, in 1598 bevestigd in hoofde van Jan de Bonnières, burgemeester van Brugge [12] . Minstens tot in 1781 tekende Charles van der Beke als van der Beke de Bonnières. Na 1795 vinden we steeds van der Beke de Cringen, of bij uitzondering van der Beke – le Gillon.

In officiële stukken vermeldde hij heel wat méér namen, die verwezen naar heerlijkheden die hij in leen hield: Cringen (Gits en Hooglede), Bonnières (Wijtschate), Hillewalle (Vladslo), Leckermont (Vladslo), Dambrugge (Vladslo), Beaupré (Zaffelaere), Franchimont (Clabecq, prov. Brabant) [13] . Hij was ook de laatste feodale heer van het leengoed Het Proosse in Varsenare, geërfd van de familie van Volden. Tot de verplichtingen van dit leengoed behoorde de jaarlijkse aanbieding op Witte Donderdag, aan de proost, deken en kanunniken van de Sint-Donaaskathedraal, van suikergoed en fruitmoes [14] .

De erkenning van zijn adellijke titel onder het Verenigd Koninkrijk verliep niet rimpelloos. In 1816 werd van der Beke benoemd in de Ridderschap van West-Vlaanderen. Hij weigerde evenwel de eed van trouw aan koning Willem af te leggen, zodat het benoemingsbesluit werd ingetrokken. Tevens weigerde hij een benoeming in de Provinciale Staten. Pas einde 1822 vroeg en verkreeg hij erkenning van adelstand, zonder evenwel zijn opname in de Ridderschap van West-Vlaanderen aan te vragen. Dit vereiste immers het afleggen van de eed op de grondwet hetgeen hij, in tegenstelling tot veel anderen, niet wenste te doen [15]

Toen de onvrede tegenover Willem I begon tot uiting te komen, was van der Beke hierbij niet te bespeuren. Op het Constitutioneel Banket van 9 juli 1829, de eerste publieke uiting van anti-Hollandse gevoelens in Brugge, was hij niet aanwezig. Hoewel hij nog altijd actief was, mag men niet vergeten dat hij toen al tachtig was, terwijl het feit dat hij voorzitter van de Burgerlijke Godshuizen was, hem eventueel van publieke stellingnamen kan weerhouden hebben. Ook burgemeester Veranneman de Watervliet en de schepenen Coppieters ’t Wallant, Van de Male-Denys en De Net, stelden zich bij die gelegenheid terughoudend op. Dat hij een overtuigd Orangist was geworden, is weinig waarschijnlijk. Hij was alvast geen lid, zelfs geen “papieren” lid van de Koninklijke Maatschappij voor Taal- en Letterkunde, noch van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, twee Hollands geïnspireerde verenigingen, waarvan het voor de prominenten fashionable was lid te zijn en waar hij als dichter en rederijker ongetwijfeld zou op zijn plaats zijn geweest.

Gezin en familie

Charles van der Beke huwde in 1774 met Catherine le Gillon de Basseghem (Brugge 1750-1823), dochter van baron Louis le Gillon de Basseghem, schepen en algemeen ontvanger van het Brugse Vrije. Ze hadden twaalf kinderen, waarvan de helft op jonge leeftijd stierf en slechts twee hun vader overleefden. Van zijn acht zonen was er slechts één die in het huwelijk trad en dit huwelijk bleef kinderloos. Het talrijk gezin van Charles van der Beke telde in de volgende generatie, via één van zijn dochters, slechts twee meisjes die de volwassen leeftijd bereikten en in het huwelijk traden.

Charles van der Beke had als schoonbroers, gehuwd met zijn zusters: François en Jacques Wynckelman, heren van het Metersche en Louis le Gillon de Basseghem junior (dubbel zijn schoonbroer, als broer van zijn echtgenote) en als echtgenoten van zijn schoonzusters le Gillon: Jan Baptist van Zuylen van Nyevelt en Anselm van Caloen de Basseghem, de eerste van zijn naam die burgemeester werd van Varsenare [16] .

De twee broers en de zes zusters van Charles van der Beke zorgden evenmin voor afstammelingen, zodat ook met hen de familie van der Beke een eindpunt bereikte. Met Charles’ zoon Pierre van der Beke (Brugge 1792-1871) die kinderloos stierf, doofde de lijn van de naamdragers in Brugge uit.

Enkele nakomelingen zijn te vinden via het huwelijk van Charles’ dochter Catherine met Henri van Caloen. Eén van de afstammelingen, juffrouw Jeanne de Man (Varsenare 1868-1969) [17] was in het bezit van de gedichten geschreven door haar betovergrootvader en zij liet ze over aan ridder Charles van Renynghe de Voxvrie. Ze worden thans zorgvuldig bewaard door diens zoon Louis van Renynghe de Voxvrie.

Charles van der Beke de Cringen woonde vele jaren op de Garenmarkt, in een woning die eigendom was van zijn familieleden Stochove. Rond de eeuwwisseling woonde hij in de Koningsstraat. Bij zijn overlijden woonde hij in zijn eigendom Dyver C18-63/65, het mooie herenhuis dat thans als het Arentshuis bekend staat en één van de stadsmusea is geworden. Hij was er mede-eigenaar van, samen met zijn kinderloze dochter de weduwe Marie le Gillon – van der Beke (1778-1865) [18] .

De patriarch Charles van der Beke overleed in de gezegende ouderdom van 91 jaar. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet op het kerkhof van Sint-Kruis in de kelder van de familie le Gillon.

Grootgrondbezitter

Charles van der Beke was een vermogend man. Hij had van zijn ouders en van ooms en tantes geërfd en stond aan het hoofd van een aanzienlijk patrimonium. Dankzij de aangifte van nalatenschap en de minnelijke verdeling die in 1841 gebeurde tussen zijn twee nog levende kinderen Pieter en Catharina van der Beke en zijn twee kleindochters Prudence en Mathilde van Caloen, kunnen we ons een idee vormen van zijn onroerend vermogen, waarbij dient rekening mee gehouden dat al een verdeling onder de kinderen was gebeurd bij het overlijden van zijn vrouw in 1823 [19] .

In totaal bezat van der Beke méér dan 1100 hectaren landbouw- en hoveniersgrond, met twintig grote en achtentwintig kleine hofsteden en met ongeveer 100 hectaren bos. Deze eigendommen waren gelegen in Koolkerke, Sint-Pieters, Ramskapelle, Klemskerke, Vlissegem, Lapscheure, Moerkerke, Sint-Kruis, Oedelem, Sijsele, Ettelgem, Middelkerke, Leffinge, Slype, Bovekerke, Koekelare, Vladslo, Beerst, Esen, Zwevezele, Wingene, Beveren-Harelbeke, Deerlijk, Hooglede, Wijtschate, Wulveringem, Assebroek, Sint-Michiels, Leke, Keiem, Sint-Pieterskapelle, Koolskamp, Ardooie, Dudzele, Oostkerke, Zevekote en Zwevegem. Verder waren er percelen gelegen in Maldegem en Nederboelare (Oost-Vlaanderen), Pepingen (Brabant), Aardenburg en Ede (Zeeuws Vlaanderen). Enkele hofsteden werden met hun naam vernoemd: L’hermite in Koolkerke, Dambrugge in Vladslo, De Groote Boomgaard in Dudzele-Oostkerke [20] en Ten Broucke in Sint-Kruis [21] . Van der Beke bezat dus een aanzienlijk, heel traditioneel en conservatief ruraal patrimonium.

De omvang ervan – méér dan honderd en twintig verschillende grote en kleine eigendommen, aan bijna even zoveel pachters verhuurd – bracht op zich al een aanzienlijke stroom van activiteiten met zich mee. Van der Beke zou waarschijnlijk in de onmogelijkheid geweest zijn om, naast zijn andere bezigheden, zelf het dagelijks beheer te doen van die talrijke en geografisch zeer verspreide eigendommen. Hij had hiervoor de hulp van een rentmeester of ontvanger. Jacobus de Deurwaerder, de vader van de Brugse raadpensionaris Bernard De Deurwaerder, trad tot aan zijn dood in 1787 als ontvanger op voor van der Beke. Jaarlijks overhandigde hij hem de rekening van inkomsten en uitgaven voor het onroerend patrimonium; dit werd op tientallen bladzijden neergeschreven en keurig ingebonden aan de eigenaar aangeboden [22] .

Als enige eigendom in de stad bezat van der Beke het groot woonhuis op de Dyver C18-63/65, waarvan, na de dood van zijn echtgenote, de helft eigendom werd van zijn dochter. De beschrijving ervan vermeldde o.m. “een tempel met kolommen in de Zuider-oosthoek van den Hof”: het welbekende classicistisch tempeltje in het Arentshof.

Het kasteel Blauw Huis in Sint-Kruis had van der Beke al een hele tijd voor zijn overlijden verkocht aan Joseph van Zuylen en het tweede kasteel dat hij op Sint-Michiels bezat, had hij overgelaten aan zijn kleindochter Mathilde van Caloen en haar man Jules de Serret, burgemeester van die gemeente. Zelf bezat hij nog een landhuis in Oedelem.

Bij de verdeling werd slechts 14.000 fr. aan roerend bezit vermeld: het betrof obligatieleningen van de stad Brugge. Het is niet uitgesloten dat deze vermeld werden omdat ze toch officieel bekend stonden, terwijl daarnaast nog ander roerend patrimonium zonder vermelding werd gelaten. Zeker was ook nog een niet te verwaarlozen hoeveelheid meubelen, schilderijen, juwelen en andere waardevolle bezittingen aanwezig, die onder de erfgenamen verdeeld werd.

Wat in de minnelijke verdeling werd vermeld (900 ha) en door schatter J. Drubbel ongetwijfeld op conservatieve wijze werd gewaardeerd, kreeg de totale waarde van 1.567.866 goudfranken toegewezen: een aanzienlijk vermogen. De totaliteit van de eigendommen (1200 ha.) mag op 600 miljoen à 1 miljard fr. in onze munt worden geschat [23] .

Het is dan ook niet verwonderlijk dat van der Beke na 1830 voorkwam op de exclusieve lijst van Brugse verkiesbaren voor de Senaat, zoals hij ook in de Franse revolutietijd tot de zwaarst getaxeerde Bruggelingen had behoord ter gelegenheid van de “vrijwillige” en hoge oorlogsbelastingen die op de vermogende inwoners werden gelegd. Zoals veel anderen was van der Beke er nochtans in geslaagd het familiepatrimonium zonder al te veel kleerscheuren doorheen de woelige revolutiejaren te loodsen.

De dichter

De te publiceren verzen van Charles van der Beke zijn geen grote dichtkunst, maar anderzijds toch niet zonder enige waarde en zeker niet zonder charme. Het gaat meestal om korte werkjes, waarin een sfeer wordt geschapen. Vaak zijn het luimige, soms spottende en een enkele maal zelfs nogal triviale teksten. De woordenschat is tamelijk gevarieerd en kleurrijk: West-Vlaams en volks. De versritmen zijn in algemene zin goed aangehouden en de rijmwoorden slechts af en toe wat geforceerd. Soms zijn ze bestemd om gezongen te worden op de melodie van bekende Franse chansons.

In vergelijking met de productie van de Brugse rederijkers uit dezelfde periode, die meestal moeizaam zware thema’s in dreunende en onverteerbare alexandrijnen persten, zijn de verzen van Van der Beke lichtvoetig en bereiken ze hier en daar een peil dat aan de humoristische gelegenheidsverzen van Guido Gezelle doet denken. Daarbij was van der Beke ook een ijverig opsteller van jaarschriften. Verschillende gedichten en jaarschriften werden gemaakt voor de Sint-Elisabethschool waar hij zo nauw bij betrokken was.

Geen enkel van de werkjes is ondertekend. De toeschrijving aan van der Beke gebeurt op grond van de verklaringen van zijn nakomelingen, die hierover zeer formeel waren. Een paar van de nagelaten verzen zijn geschreven op de achterkant van brieven die aan Charles van der Beke gericht waren. Het handschrift waarin de meeste verzen geschreven zijn, is dat van Van der Beke, wat een bijkomend en belangrijk element is. Er lijkt alvast weinig of geen twijfel over te bestaan dat de overlevering, binnen een zeer traditiegetrouwe familiekring overgedragen, als juist mag worden aangenomen.

Hierna volgt de beknopte inventaris van de bewaarde dichtwerken:

1.      Jaarschrift op Anna Van de Walle

2.      Fondsenwerving voor de Sint-Elisabethschool

3.      Op de feestdag van Marie De Gruyter

4.      Op de prijswinnende kinderen in de Sint-Elisabethschool

5.      Gezangen in de Sint-Elisabethschool op Sint-Maartensfeest 1778

6.      Idem 1779

7.      Idem 1780

8.      Op de feestdag van apotheker Karel

9.      Lied van de Zwartzusters

10.  Feest bij de zusters Apostolinnen

11.  Bij de kloostergeloften van Anna Cueninck

12.  Feest van de aalmoezenier der Zusters Maricolen

We zullen in volgende bijdragen deze verzen meer in detail behandelen.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in: Biekorf, 1989, blz. 262-271, met hier enkele aanvullingen).

Naschrift

Charles van der Beke de Cringen,

een rechtstreekse voorvader van prinses Mathilde.

De Brugse edelman en vrolijke dichter Charles François van der Beke de Cringen behoort, zoals veel andere leden van de West-Vlaamse adel, tot de rechtstreekse voorvaders van Mathilde d’Udekem d’Acoz, prinses van België.

Hierna volgt de beknopte weergave van deze filiatie.

Charles François van der Beke de Cringen x Catherine le Gillon de Basseghem

                       1749 – 1840                                              1750 – 1823

Catherine van der Beke de Cringen              x Henri van Caloen

                       1776 – 1834                                               1764 – 1824

Marie Mathilde van Caloen                            x Jules de Serret

                       1808 – 1856                                               1805 – 1869

Laurence Caroline de Serret                          x Eugène van Outryve d’Ydewalle

                       1836 – 1910                                                1830 – 1901

Clément van Outryve d’Ydewalle                   x Madeleine de Thibault de Boesinghe

                       1876 – 1942                                                 1876 - 1931

Charles d’Udekem d’Acoz                              x Suzanne van Outryve d’Ydewalle

                        1885 – 1968                                                 1898 – 1983

Patrick d’Udekem d’Acoz                                x Anna Komorowska

                         ° 1936                                                           ° 1946

Mathilde d’Udekem d’Acoz                              x Prins Filip van België

                         ° 1973                                                            ° 1960


[1] J. GAILLIARD, Bruges et le Franc, T. III, Brugge, 1860, blz. 13; J. GAILLIARD, Recherches historiques sur la chapelle du Saint-Sang à Bruges, Brugge, 1846, blz. 304; F. VAN DYCKE, Recueil héraldique de familles nobles et patriciennes de la Ville et du Franconat de Bruges, Brugge, 1851, blz. 36.

[2] F. VAN DYCKE, a.w., blz. 38; M. CAFMEYER, Sint-Kruis, oud en nieuw, Brugge, 1970, blz. 45 en 51; R. DUYCK, Sint-Kruis, geschiedenis van de Brugse rand, Brugge, 1987, blz. 20.

[3] A. VAN DEN ABEELE, In Brugge onder de acacia. De vrijmetselaarsloge “La Parfaite Egalité” en haar leden, Brugge, 1987, blz. 272-278.

[4] E. COPPIETERS DE TER ZAELE en C. VAN RENYNGHE DE VOXVRIE, Histoire professionnelle et sociale de la famille Coppieters, Vol. I, Brugge, 1966, blz. 359.

[5] Rijksarchief Brugge, Staten van Goed Brugse Vrije, 4de reeks, n° 685.

[6] Stadsarchief Brugge, archief Sint-Elisabethschool, resolutieboeken 1738-1771 en 1771-1780; verkoopdocumenten Ezelstraat en aankoopdocumenten Spiegelrei. – Eén van de verzen van Van der Beke is geschreven op de achterkant van door hem bijgehouden boekhoudkundige gegevens over de Sint-Elisabethschool met data 1798-1800.

[7] Y. VAN DEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794), Boekdeel II, Bijlagen, Brussel, 1972, blz. 126 en 164-167; Stadsbibliotheek Brugge, Verzameling Van Huerne, Liste der absente persoonen van de stad Brugge op 6 thermidor An II.

[8] F. SIMON, Reacties van de Bruggelingen tijdens het Voorlopig Bewind en de eerste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1814-1820, licentiaatsverhandeling, Gent, 1965 (niet gepubliceerd).

[9] Archief H.-Bloed, Resolutieboek Confrérie 1759-1849, blz. 35.

[10] F. SIMON, a.w., blz. 48.

[11] L. DUERLOO en P. JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel, Brussel, 1992, lemma van der Beke

[12] idem, lemma Bonnières

[13] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, n° 17879.

[14] L. GILLIODTS – VAN SEVEREN, Coutumes de la prévôté de Bruges, Brussel, 1887; A. FRANCHOO, Varsenare en zijn rijk verleden, Deel II, Brugge, 1978, blz. 116-118.

[15] L. DUERLOO en P. JANSSENS, a.w. lemma van der Beke; F. SIMON, a.w.

[16] F. VAN DYCKE, a.w., blz. 38-41; L. VAN RENYNGHE DE VOXVRIE, Descendance de Jean Bernard van Zuylen van Nyevelt et d’Isabelle du Bois, Brugge, 1964, blz. 46; A. FRANCHOO, a.w., Deel I, blz. 89.

[17] A. FRANCHOO, a.w.

[18] A. JANSSENS DE BISTHOVEN, Geschiedenis van het Arentshuis, in: Catalogus van de Brugse stadsgezichten, Brugge, 1977, blz. 11.

[19] Rijksarchief Beveren Waas, Registratiekantoor Brugge, reeks 187, portef. 478, aangifte 28.12.1840; Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de Reeks, n° 17925, Verkavelinge van immeubele goederen en renten naergelaten door den weledelen heer Jonkheer Charles François van der Beke de Cringen, overleden op eersten juli 1840, onderlinge geliquideert den eersten april 1841.

[20] M. COORNAERT, Dudzele en Sint-Lenaart, Dudzele, 1985, blz. 526, n° 238.

[21] M. CAFMEYER, a.w., blz. 58-59.

[22] Stadsarchief Brugge, Staten van Goed, 2de reeks, nrs. 17879 en 17880.

[23] In de “minnelijke” verdeling werd 900 ha vermeld, terwijl de bij de registratie ingediende successie meer dan 1200 ha opgaf, 300 ha al voordien verdeeld zijnde als afkomstig uit andere recente erfenissen. Voor deze 1200 ha, grotendeels landbouw- en hoveniersgrond, alsook bossen, lijkt een gemiddelde actuele waarde van 500.000 à 700.000 fr. per ha geen overdreven schatting, ook rekening houdend met de talrijke gebouwen die er bij hoorden.