De universele en Europese Guido Gezelle

Andries Van den Abeele

De honderdste verjaardag van het overlijden van de Vlaamse dichter Guido Gezelle moest en zou gevierd worden. Het zou in hoofdzaak een academische herdenking worden met voordrachten, publicaties en tentoonstellingen.

Een dichter onder stof begraven?

Een wat stoffig gedoe wellicht, in overeenstemming met het feit dat Gezelle stilaan dreigde in de vergetelheid te verdwijnen. Ook al heeft Michel van der Plas enkele jaren terug, met zijn levendige biografie Mijnheer Gezelle, de dichter als mens en als kind van zijn tijd weer in de belangstelling gebracht.

In de loop van mijn schooljaren stonden vanaf de laagste klasjes tot en met de hoogste, elk jaar minstens een paar gedichten van "de heer en de meester" op het programma. Het begon al in het derde studiejaar met het Kruiske (" ’t Eerste dat mijn moeder vragen leerde…") en met het Schrijverke ("O krinkelende, winkelende waterding, met ’t zwarte kabotseke aen…") tot aan de meer mystieke gedichten, zoals Ego flos en Ichtus eis aiei of de romantische liefdesgedichten (Dien avond en die rooze).

Gezelle wordt thans waarschijnlijk nog maar weinig gelezen op school en zeker niet meer, zoals in onze tijd, uit het hoofd geleerd. Ik neem aan dat de lezing voor Nederlanders en over het algemeen voor alle niet West-Vlamingen, niet meer voor de hand ligt. Gezelle dus goed op weg om dezelfde status te verkrijgen als Vondel of Bilderdijk: geciteerd als grote naam, maar buiten een kleine kring van specialisten en "fans" niet meer geapprecieerd.

En plots een grote rel!

De Vlaamse regering verleende dus een bescheiden toelage voor de herdenkingen en vooral de steden die een rol hebben gespeeld in het leven van Gezelle (Brugge, Kortrijk en Roeselare) stelden een interessant hoewel enigszins braaf programma op.

En plots kwam de donderslag van een bijdrage door Benno Barnard in het weekblad Knack, waarin hij de reputatie van Gezelle als dichter met de grond gelijk wilde maken. Direct stond letterminnend Vlaanderen op zijn achterste poten. Tientallen boze brieven werden in de Vlaamse dag- en weekbladen gepubliceerd ter verdediging van de Meester. Een literaire rel zoals men er niet elk jaar één meemaakt. Dat men daarbij lekker even een Hollander de mantel kon uitvegen, was bij sommigen meegenomen. Een geleerde professor schreef in De Standaard dat Barnard nooit het complex was te boven gekomen de zoon te zijn van een begaafde literaire dominee, terwijl drankmisbruik ook wel een bijkomende reden voor zijn uitbarsting moest zijn geweest. Daarop werd de professor weer heel persoonlijk aangevallen door een andere professor en Gezellekenner. Het zat er dus bovenarms op en plots stond Gezelle volop in de actualiteit. Het scheldproza moet de man die één van de scherpste polemisten van zijn tijd was, in het hiernamaals ongetwijfeld doen hebben monkelen!

Of Barnard nu gelijk had of niet, doet minder ter zake dan het feit dat hij met zijn uitval alle stof rond de dichter wegblies. Het Gezellejaar kon niet meer stuk. Dank u dus, Benno.

De veelzijdigheid van Gezelle

Wat bij de vieringen, lezingen en publicaties opvalt, is dat men inspanningen doet om alle aspecten van de figuur Gezelle te belichten, buiten het voor de hand liggend dichterschap. Gezelle was immers ook een vruchtbaar prozaschrijver, vooral dan als journalist. Zowel in Antwerpen, in Brugge als in Kortrijk verleende hij zijn medewerking aan hoogst polemische bladen, waarbij hij in de geest van de tijd de persoonlijke aanvallen allerminst schuwde. Het blijft, ook meer dan honderd jaar later, smeuïge lectuur.

Onlangs is ook een boek verschenen over de humorist Gezelle. Al te vaak werd hij, op basis van een aantal van zijn gedichten en van sommige aspecten in zijn levensloop als een zwaarmoedig, pessimistisch man uitgetekend. Er is meer dan één Gezelle en de guitige, humoristische, sarcastische en soms cynische schrijver en persoon verdient extra belangstelling.

De veelzijdigheid van Gezelle is merkwaardig. Wat die man in zijn leven allemaal al niet presteerde. Naast zijn vele bezigheden als leraar, parochiepriester en zielenherder, was hij de dichter, de historicus, de prozaschrijver en journalist, van wie de productie nauwelijks te overzien valt en die over de voorbije eeuw voorwerp is geweest van een massale hoeveelheid aan onderzoek en publicaties.

De taalgeleerde

Gezelle heeft tijdens zijn ganse levensloop wellicht het meeste tijd en energie besteed aan de studie van de taal. Zo bestond hij het om vanaf 1881 tot aan zijn dood in 1899 een eenmanstijdschrift te publiceren, Loquela genaamd, waarin hij zijn indrukwekkende geleerdheid ten toon spreidde over alles wat met taal te maken had. Dit was de gedrukte weergave van wat Gezelle op steekkaarten had genoteerd. Het waren er uiteindelijk meer dan 100.000 geworden. Ze kenden na de dood van de meester een wat problematisch bestaan en kwamen, na enige omzwervingen, in handen van Stijn Streuvels.

De Woordentas, zoals de taalkundige aantekeningen van Gezelle bekend staan, werd in 1961 door Streuvels in bruikleen gegeven aan de redactie van het Woordenboek der Nederlandse Taal in Leiden. Men heeft er daar dankbaar gebruik van gemaakt. Het indrukwekkend woordenboek eenmaal af, stond niets de terugkeer van de Woordentas in de weg naar de plek waar die eigenlijk thuis hoort, het Gezellearchief in de stadsbibliotheek van Brugge. Wat dan ook in de lente van dit jaar met het nodige decorum is geschied.

De bibliotheek van Gezelle

In diezelfde stadsbibliotheek werd een originele tentoonstelling georganiseerd. Niet het wat sentimenteel herdenken van de persoon Gezelle (dat komt in zijn geboortehuis, het heringericht museum Guido Gezelle, voldoende aan bod) maar het presenteren van de geleerde man is er aan de orde. Reizen in den geest heet die tentoonstelling, gewijd aan de boekenwereld van Guido Gezelle. De bibliotheek van Gezelle was zeer uitgebreid. Een deel ervan schonk hij al bij leven aan de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, waar hij lid van was. Wat hij bij zijn dood aan boeken bezat werd verdeeld onder zijn broer Jozef en zijn neven Cesar Gezelle en Stijn Streuvels. Volgens Streuvels kenden de boeken "een odyssee waar de eind aan verloren is". Toch werd een niet onaardig deel ervan uiteindelijk bijeengebracht, dat in de Brugse stadsbibliotheek wordt bewaard.

De Gezelliaanse boekenverzameling is de uitdrukking van de uitgebreide intellectuele belangstelling die haar bezitter kenmerkte. Hij "reisde in den geest" de ganse wereld rond. Zijn belangstelling ging hierbij in grote mate naar regionale culturen: Friesland, Frans-Vlaanderen, Catalonië en de Provence, maar ook naar meer exotische zoals die in Afrika, in de Caraïben, in de Arabische landen of in het Verre Oosten.

Gezelle en Nederland

Het zou ons te ver voeren om dit in detail te bespreken. De tentoonstelling zal later in het jaar in Nijmegen te zien zijn en de voortreffelijke catalogus levert een uitstekende bijdrage tot de kennis van de intellectuele wereld van Guido Gezelle. We beperken ons hier in de eerste plaats tot het aanduiden van wat in Nederland de dichter interesseerde. Dit was vooral Vondel natuurlijk en Bilderdijk. Gezelle was ook de eerste om Multatuli bij het West-Vlaams publiek te introduceren. Al in 1865 publiceerde hij in zijn weekblad Rond den Heerd, twee delen uit de Max Havelaar, met name De Japansche Steenhouwer en Barbertje. Hij kon het hierbij niet laten de teksten wat te "verwestvlaamsen". De traditionalistische Rooms katholieke priester als promotor van de Hollandse vrijzinnige prozaïst: een verrassend gegeven dat de brede belangstelling van Gezelle onderstreept.

De voornaamste eigentijdse Nederlandse contactpersoon was voor Gezelle evenwel Jozef Alberdingk Thijm, die al in 1859 de jonge Gezelle in Nederland introduceerde. Dat jaar verscheen in de Volks-Almanak van Thym het gedicht O ’t ruischen van het ranke riet. De eerste grote dichtbundel van Gezelle, Gedichten, Gezangen en Gebeden (1862), voorzag hij van een uitgebreide opdracht aan zijn vriend van boven de Moerdijk. Beiden werden in 1887 tijdens dezelfde academische zitting eredoctor aan de katholieke universiteit van Leuven.

Friesland en Gezelle

De belangstelling van Gezelle beperkte zich evenwel niet tot het Nederlands. Friesland en het Fries wekten, minstens vanaf 1870, zijn volle belangstelling op. Dit leidde tot een jarenlange vriendschap met de ‘frisomaan’ en taalkundige Johan Winkler. Die schreef dat het West-Vlaams "onder alle nederduitsche tongvallen de oudste en rijkste mag genoemd worden en verreweg de schoonste tongval van al de onderscheiden dialecten der nederlandsche taal". Dit klonk Gezelle natuurlijk als muziek in de oren.

Naast een drukke briefwisseling, kwam Winkler bij herhaling bij Gezelle op bezoek, tafelde er uitgebreid en verdiepte er zich in de bibliotheek van de Meester. Elk jaar stuurde Gezelle met Nieuwjaar een trommel "Kortrijkse wafelkens" naar zijn vriend die hem op zijn beurt bedacht met hyacintenbollen. De "volbloed geus" zoals Winkler zich in een brief aan Gezelle noemde en de vrome katholiek vonden mekaar in hun belangstelling voor de taal. Zoals Winkler voor het West-Vlaams enthousiast werd, zo werd Gezelle het voor het Fries.

De vriendschap met Winkler opende ook deuren voor Gezelle. Zo kwam hij in contact met Gerrit Jacob Boekenoogen, redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal en met de Friese schrijver Jan van Wageningen Thoe Dekema. Ook dank zij Winkler werd Gezelle in 1890 benoemd tot buitenlands lid van de Maatschappij der Nederlandse Letteren in Leiden. Op de uitvaart van Gezelle in Brugge was de protestant Winkler als stille getuige aanwezig.

Europese belangstelling

Was de literaire belangstelling van Gezelle universeel, ze was dan toch in de eerste plaats Europees en in dit blad met Europese dimensie, moeten we dit natuurlijk aan bod laten komen. Gezelle had een uitgebreide talenkennis. Hij sprak en schreef (en dichtte) vlot in het Frans, het Engels, het Italiaans, het Latijn en had daarbij een passieve kennis van een hele reeks andere talen en dialecten. Zijn boekenbezit weerspiegelde deze meertaligheid. Hij interesseerde zich aan wat er, vooral op taalgebied omging in Duitsland, in Engeland, in Frankrijk, in Scandinavië, in Italië, in Spanje, in Oost-Europa.

Engeland (met Schotland en Ierland) was uiteraard zijn lievelingsland en zijn ganse leven bleef hij de nostalgie koesteren van de onvervulde droom er als missionaris te gaan werken.

Bij zijn belangstelling stond de streektaal vooraan. Zo was hij in nauw contact met Catalaanse dichters die de heropleving van deze taal nastreefden en vertaalde hij in het Vlaams gedichten van Rubio y Ors. Zijn meest actieve belangstelling ging naar het Provençaals en de teksten over deze taal in de verschillende publicaties van Gezelle zijn legio. Hij vertaalde werk van de grote Frederic Mistral en van Joseph Roumamille. Ook met de promotor van de Platduitse literatuur, Klaus Groth, onderhield Gezelle een jarenlange vriendschap.

Het is de paradox van Gezelle. De bescheiden priester die zelden buiten de West-Vlaamse grenzen kwam, was een universele geest die van een uitermate grote belangstelling getuigde voor alle op de aardbol aanwezige culturen. Deze belangstelling bevruchtte meteen zijn studies en opzoekingen over de eigen taal. Zijn werk zal nog veel generaties taalkundigen en vorsers bezig houden, want het is een haast onuitputtelijke bron van gegevens.

Wij in West-Vlaanderen hopen dat ook de grote lyrische kunstenaar in ere gehouden zal worden en dat de nieuwe generaties genot en inspiratie zullen blijven vinden in het werk van hem die toch tot de grootste dichters en taalvirtuozen van de Nederlandse letteren blijft behoren.

www.andriesvandenabeele.net