Tuinen en Verborgen Hoekjes in Brugge.
Brugge, (durf ik het te zeggen ?) is een pracht van een stad. Wie er woont voelt zich bevoorrecht, ook al is niet alles altijd naar zijn wensen. Die er op bezoek komen, en dat doen ze met honderdduizenden, komen met het verlangen iets van de magische verleidingskracht te ontdekken die van de stad uitgaat. Ontelbaar velen hebben deze stad beschreven, bezongen, uitgebeeld en - de voorbije 150 jaar - gefotografeerd. Ze is "met geen ander te vergelijken" : nihil ad Brugas, schreef de Zeeuws-Leuvense humanist Adrianus Barlandus (1486-1538) en de geboren Bruggeling zal hem antwoorden : "U neemt me de woorden uit de mond". De schoonheid van Brugge - Brugge die Scone - is het gevolg van een samenloop van elementen. De stad heeft in grote mate haar middeleeuwse structuur bewaard, die binnen de strakke afbakening van de omwallingen, de vrucht is van een toevallige stedenbouw, gedicteerd door eigendomsrechten, lichtinval, burenhinder of al dan niet toegepaste gemeentelijke verordeningen. Het aantal en de kwaliteit van de grote en kleine monumenten is aanzienlijk. Ze weerspiegelen zich in de nadrukkelijk aanwezige grachten en waterlopen - de reien -. Binnen het onmiskenbaar Brugs karakter, heeft iedere stadswijk zijn eigen uitzicht, rijk of bescheiden, open of verborgen, heel oud of meer recent. Afgebakend en afgeschermd door haar grachten en omwallingen is Brugge een menselijke schepping die wellicht niet de perfectie bereikt maar minstens de schoonheid uitstraalt van een gelaat waar de ouderdom geen vat op kreeg. Het boekje dat u in de hand hebt, presenteert u een bijzonder en niet zo vaak behandeld aspect van de stad, dat van haar tuinen en van haar "groene" schoonheid. Maar, zoals het past wanneer we een onderwerp aansnijden dat met een historische stad als Brugge te maken heeft, zullen we ons eerst enkele ogenblikken verdiepen in wat de tuinen als geschiedenis hebben, zowat overal in de beschaafde wereld en, sedert ongeveer duizend jaar ook op dit kleine stipje van de wereldbol dat de naam Brugge draagt. "In het begin..." De mens van de prehistorie nam aanvankelijk genoegen met de wilde natuur zoals die zich aan hem aanbood. Ook wij komen nog steeds onder de indruk van het oerwoud in al zijn rijkdom en van de pracht van ongerepte en wilde natuur. De primitieve mens heeft evenwel al vlug de behoefte gevoeld om de natuur naar zijn wil te plooien. Eerst deed hij het uit noodzaak en overlevingsdrang. Maar zodra hij tot een eerste vorm van beschaving kwam deed hij het ook voor zijn plezier, voor de verrukking van de ogen, voor de bedwelming van geuren en parfums, voor de smaak van groenten en vruchten. Het nuttige was hierbij altijd aan het aangename gekoppeld, maar naarmate de eeuwen voortschreden en de beschaving verfijnder vormen aannam, ontstond de tuin die uitsluitend voor plezier en ontspanning was bestemd en die uitgroeide tot een vorm van artistieke uitdrukking : de kunst der tuinen. Om daartoe te komen had de mens eerst de natuurelementen overwonnen. De aarde, de wind, het vuur en het water werden zijn dienaars. De dieren die eerst enkel het wild waren dat tot voedsel diende, werden gaandeweg de hulpkracht, de dienaar en de vriend, met vooraan het paard "de edelste verovering van de mens". Huisdieren bezitten - een hond, een kat, een vogeltje - werd algauw een sociaal fenomeen. Het verging de tuin niet anders. Eerst was hij niets méér dan een stukje geprivatiseerde grond, door de mens in beslag genomen als zijn eigenste onooglijk lapje van de aardbol. Het Germaanse woord "tun" betekende oorspronkelijk een omheining gemaakt met gevlochten wilgentwijgen. Van de omheining evolueerde het woord in het Nederlands naar het omheinde: de tuin. Hij wees hiermee een afgebakende en herkenbare ruimte aan, die de signatuur droeg van de mens, met zijn voorliefden en zijn fantasieën, met zijn goede of slechte smaak, met zijn aanzienlijke of bescheiden middelen. De tuin werd de stille en geborgen getuige van verlangens en gemoedstoestanden of het uitgestalde symbool van succes en levensvreugde. Zo werd hij één van de belangrijkste referentiepunten die toelaat de graad van beschaving - of de afwezigheid van beschaving - te meten. De eerste tuinen Wanneer de Bijbel het Aards Paradijs wilde beschrijven als het voorproefje van de hemel, maakte hij er de Hof van Eden van. In zijn boek Jardins dessinés - Grammaire des jardins, heeft de grote Belgische "tuinier" René Pechère er aan herinnerd dat het perzische woord "ferdows" de dubbele betekenis had van tuin en van paradijs. De Grieken beschreven de "Elyseïsche velden" als verafgelegen tuinen waar de onsterfelijken thuis waren. De meest dramatische en ook meest menselijke episode uit het leven van Jezus, zijn doodsstrijd, speelde zich af in een tuin op de Olijfberg. Men zou trouwens een "tuinachtige" lezing van de Evangelies kunnen doen. De parabels die Jezus hanteerde hadden vaak een landelijk en bucolisch karakter: de onvruchtbare vijgenboom en de vijgenboom in volle bloei; de zaaier en het graanzaadje; de druiventak en de werkers van het elfde uur in de wijngaard; het onooglijk mostaardzaadje dat uitgroeit tot de grote boom waar de vogels in komen nestelen; of ook nog de lelies in het veld "prachtiger dan koning Salomon in al zijn glorie". In de tuin van Bethanië deed Jezus zijn vriend Lazarus uit de doden opstaan, in de tuin van Gethsemani werd hij aangehouden en in de tuin van Jozef van Arimathea werd hij begraven. Van de oudste beschavingen hebben we soms alleen maar hun tuinen in de herinnering bewaard. Met de naam van hun ontwerper, Semiramis en met die van koning Nabuchodonosor die ze na de verwoesting herstelde, zijn de hangende tuinen van Babylon wellicht de enige onmiddellijke beelden die de Summerische beschaving bij ons oproepen. Wat we ons voorstellen van de Arabische en de Moorse beschaving is fel gekleurd door wat de tuinen van het Alhambra er ons over suggereren. En is de Japanse tuin niet de meest geraffineerde uitdrukking van de Japanse cultuur ? De Grieken en hun tuinen Voor Socrates, de grootste onder de filosofen, die onderricht gaf in de open lucht, was de tuin de vanzelfsprekende aula waarin hij zijn leerstoel neerzette. In Phaedra, tractaat gewijd aan de Schoonheid, doet Plato hem zeggen: Ha! Bij Hera, wat een mooie plek om halt te houden! Die plataan is echt even hoog als hij breed uitslaat. En die kuisboom, zo welgeschapen en zo schaduwrijk; in volle bloei zoals hij daar staat, parfumeert hij rondom op de meest aangename manier. En wat zegt u van de bron die onder de plataan doorvloeit, was water ooit charmanter en frisser? Haar klaterend zomerlied begeleidt het krekelenkoor. Maar allerliefst is het grastapijt dat met zijn zachte glooiing uitnodigt er zich op neer te vlijen en er het hoofd op te laten rusten. We kunnen ons enig idee vormen van de Egyptische tuinen door de enkele tekeningen die er in de grafmonumenten van overgebleven zijn, maar het meeste wat we over de antieke tuinen weten danken we aan litteraire bronnen, die dan nog meestal als bij toeval de tuin vermelden. Het boek van de profeet Daniel is daar een voorbeeld van. Naar aanleiding van een door hem beschreven schandaal maken we kennis met de tuin van Joachim van Babylon. Het was een grote tuin, achter de woning gelegen en gans ommuurd. Verschillende poorten verleenden toegang en hij was beplant met eiken en sparren. Dicht struikgewas bood de gelegenheid aan twee oude geilaards om er zich verdekt op te stellen. Midden het groen lag een waterbassin waarin het mooiste ornament van de tuin een bad kwam nemen : de kuise Suzanna. De Griekse literatuur heeft ons ontelbaar veel teksten nagelaten waarin de tuin, het grasland en de open plekken in het bos, verbonden worden met talrijke aspecten van het religieus of filosofisch denken, alsook met erotische of zelfs seksuele elementen uit het leven van de mens of van zijn goden. In De Wolken lezen we bij Aristophanes deze aanspreking tot een jonge atleet : Je zal naar de academie komen waar je, onder de heilige olijfbomen, met een lichte rieten kroon op het hoofd, de wedloop zult inzetten, samen met een jonge vriend. Je zult de geur meedragen van de sarsaparilla, van je onbezorgdheid en van de witte populier die zijn katjes rondstrooit en je zult genieten van de lentesfeer, wanneer de plataan en de iep met elkaar fluisteren. De poëzie van de vezelende, al ruisend converserende bomen herinnert aan het onsterfelijke vers van Nicolaas Beets: De moerbeitoppen ruisten, God ging voorbij... of aan Gezelles’ Ruisen van het ranke riet. In de eerste eeuw voor Christus, beschreef de Griekse dichter Zonas van Sardes de tuin, in zijn grafschrift voor een overleden tuinman : Aarde, onze moeder, neem deze oude man in je op. Ook de Romeinen Uit de rijke en exuberante periode van het laat-Romeinse keizerrijk heeft de schrijver Achilles Tatianus ons een gedetailleerde beschrijving van de tuinen nagelaten : De aanblik van die tuin was bijzonder aangenaam. Een hoge muur omringde hem. Men vond er alle slag van bomen. Ze groeiden krachtig en hun takken vervlochten zich in elkaar; hun bloesems bloeiden d’een naast d’ander, hun bladeren verstrengelden zich en hun vruchten hingen als guirlandes. Rond de grootste boomstronken slingerde de klimop. De winde hechtte zich vast aan de plataan en spreidde haar zachte haardos rondom. Omheen de bomen groeiden de met twijgen ondersteunde wijnranken, ze spreidden er hun bladeren en boden aan de bomen als een haardos van trossen. De bloemen in hun kleurenpracht, stalden hun schoonheid uit: de roos en de narcis, met gelijke bloemkroon maar contrasterende kleur en het viooltje met zijn kleur die herinnert aan die van fonkelend water bij kalme zee. Midden de bloemen stond een vierkant bassin met een opborrelende fontein. Het water diende de bloemen tot spiegel, zodat het park wel dubbel leek. Het schitterend schouwspel van de bloemen wedijverde met dat van de kleurrijke vogels, de zwanen die zich kwamen laven aan de fontein, de papegaaien in hun kooien wiebelend aan de bomen en de pauwen die hun staart uitspreidden. De Romeinse aristocraten koesterden zich in dergelijke tuinen. Keizer Hadrianus (76-138) gaf de voorkeur aan zijn tuinen van Tivoli boven de verstikkende atmosfeer in Rome. Plinius de Jongere (62-114) heeft, zoals menig ander, de vreugden beschreven die zijn tuinen hem verschaften: de bedden met jonge wijnranken, de overvloedige moerbeibomen en vijgenbomen, de rustbedden in de tuin, de groentetuin, het zomer- en het winterterras. Die levenskunst en die tuincultuur verdwenen in het Westen met de ondergang van het Romeinse keizerrijk. De machtige maar barbaarse krijgers hadden geen oog voor wat hun overbodig leek. Wat dichter bij ons Met de opkomst van de christelijke beschaving herrees de tuin weer in zijn volle glorie. De grote Westerse poëzie is niet in te denken zonder het onvermijdelijk decor van de tuin. Denken we maar aan de Roman de la Rose, het meesterwerk van de hoofse dichtkunst of aan de Decamerone, dit hoogtepunt van de Renaissancelitteratuur. Jacob van Maerlant (± 1215-1291) schreef in of rond Brugge zijn Historie van Troyen waarin voor het eerst in het Diets een tuin werd beschreven. Het ging om de tuin waarin koning Priam en zijn vrouw Hecuba, samen met Paris, met de mooie Helena en met "vele andere mooie vrouwen" de oorlogvoering kwamen vergeten, hoewel het vanzelf spreekt dat Maerlant de tuinen van zijn tijd als model nam. Vrouwen ende riddren mede Men hield het evenwel niet bij eenvoudige beschrijvingen. In de met symboliek doordrenkte cultuur waarin onze voorouders leefden, werd de tuin symbool zowel voor erotiek als voor mystieke beleving. Daarbij werd hij ook nog een soort laboratorium en werkplaats die de beschaving en de wetenschap vooruit hielp. De tuin en Eros De band tussen de tuinen en het erotisme is zo oud als de beschaving. Was Aphrodite-Venus immers niet de godin van de aromatische kruiden en van de tuinen nog vóór ze de godin van de liefde werd ? De erotische litteratuur vond in de tuinen - de Tuin der lusten - een onuitputtelijke bron van inspiratie voor haar symbolische variaties, haar allegorische vergelijkingen en haar esoterische metaforen. Lucianus van Samosata (120-180) heeft in zijn Liefdesgesprekken op fijnzinnige wijze de interactie en de correlatie tussen de liefde en de tuin beschreven : We hielden halt in Knidos, bij de tempel van Venus, met het beroemde beeld van de godin door Praxiteles. Bij het betreden van het tempeldomein voelden we de strelende adem van de godin ons tegemoet komen. De omheinde ruimte was niet met bevloering steriel gemaakt maar was gewijd aan de vruchtbaarheid zoals het past bij Venus: de fruitbomen torenden op indrukwekkende hoogte en vormden een dicht gewelf. De myrte, haar lievelingsboom, ontplooide zijn brede takken, met bessen overladen. Nooit hadden zijn bladeren droefheid gekend, altijd baadden zijn jeugdige takken in rijke pracht. Hier en daar stond een steriele boom, een cipres, een plataan of een laurier, maar als vrucht boden ze hun schitterende schoonheid aan. Klimop slingerde zich verliefd rond de bomen en zware trossen hingen van getormenteerde ranken. Venus is toch immers des te aangenamer wanneer ze gekoppeld wordt aan Bacchus ? En daar waar het struikgewas ons de gratie van zijn schaduw verleende, stonden zachte bedden van groen te wachten op hen die er zich neervleiden om zich te goed te doen aan de geneugten van de liefde . De mystiekers en hun tuin De grote mystieke auteurs hebben veel van hun inspiratie gevonden onder het lover in hun tuin. Hadewijch (eerste helft 13de eeuw), Ruusbroeck (1293-1381) of Zuster Bertken (1427-1514) keken vanuit hun cel op hun tuin uit, de hortus conclusus, omringd door het kloosterpand. Hun geestelijke ervaringen drukten ze vaak uit met beelden en vergelijkingen die hen werden gesuggereerd door de tuin, zijn bloemen en zijn bomen. De Middeleeuwen hebben ons de charmante ballade van een anoniem dichter nagelaten : Heer Jezus heeft een hofken De mystieke tuin diende tot decor doorheen de religieuze litteratuur van de Middeleeuwen en de Renaissance. Het hoogtepunt is wellicht te vinden in de beschrijving van de hemel in Dantes’ Divina Commedia. Soms vloeiden het mystiek elan en de erotische bezieling in elkaar. Het Hooglied geeft hiervan wellicht het meest treffende voorbeeld, het meest prestigieuze ook aangezien het deel uitmaakt van de Bijbel en als model werd genomen door de mystiekers. Een kort citaat onderstreept het belang van de tuin in deze majestueuze lyrische ontboezeming : De bruidegom zingt : Gij zijt een besloten hof, o bruid mijn zuster, En de bruid antwoordt : Mijn beminde kome in zijn hof Geneeskrachtige kruiden en exotische planten Verdwenen bij de val van het Romeinse keizerrijk, kwamen de tuinen onvermijdelijk terug. De eerste drijfveer hiervoor was het telen van genezende kruiden. De monniken waren er de eerste promotoren van en moeizaam begonnen ze aan het herstel van een kennis die in grote mate verdwenen was. Uit de in het begin van de zevende eeuw door de heilige Isidorus van Sevilla (560-636) opgestelde "encyclopedie" kunnen we opmaken dat ze toen nog maar aan een pril begin stonden. Bijna twee eeuwen later, onder de regering van Karel de Grote (742-814), had men al heel wat meer kennis teruggewonnen. In het traktaat dat in 793 gewijd werd "aan de regels voor het besturen van het koninkrijk" werd een hoofdstuk gewijd aan de beplantingen die moesten aangemoedigd worden voor de voedselbevoorrading van de bevolking. Bij de ruim honderd vernoemde planten vinden we, naast een aantal fruitbomen, erwten, bonen, uien, look en bieslook, komkommers, salie, biet, fenegriek, watermeloen, veldsla en bij de bloemen -eerder beschouwd als geneeskruid - de roos en de lelie. Abdis Hildegarde van Bingen (1098-1176) heeft de mysterieuze en bovennatuurlijke kracht beschreven van de geneeskrachtige kruiden die ze in haar tuin kweekte, zoals de weegbree, de pimpernel, de maagdenpalm, de netel, de alruin, het ijzerkruid, het kattekruid en natuurlijk ook de roos en de lelie. Hildegarde werd heilig verklaard, hoewel sommige van haar geschriften weinig orthodox en soms zelfs ronduit ketters waren. Dat ze eindigde op de altaren en niet op de brandstapel toont aan dat men in de hogere sferen wellicht maar weinig kennis had van haar geschriften die uiteraard alleen maar in handschrift bestonden. Hoe dan ook, en zoals veel andere tuiniers, heeft Hildegarde bijgedragen tot de ontwikkeling van de geneeskunde en de farmacologie. Wat later, toen de grote periode van de ontdekkingsreizen begon, gingen ook de fanatici van het tuinieren op stap en brachten uit verre landen onbekende planten- en bloemensoorten mee, die de vegetatie verrijkten, de keuze aan geneeskrachtige kruiden vermeerderden en de voedselvoorziening diversifieerden. Denken we maar aan de aardappel, de tomaat of de schorseneer, die eerst als sierplanten werden geteeld alvorens tot de basiselementen van de voeding te gaan behoren. De eerste tuinen in Brugge Zo belanden we in Brugge en in haar tuinen. Aanvankelijk een bescheiden versterkte burcht, gelegen aan een zeearm, was Brugge vanaf de elfde eeuw op weg om één van de belangrijkste steden van Noord-Europa te worden. De oudste tekst in het Nederlands geschreven en die de zucht weergeeft van een door liefdesverdriet gekwelde kopiist, werd in 1932 in Oxford ontdekt, midden in een Latijnse tekst. De West-Vlaming, misschien de Bruggeling die ze omstreeks 1050 neerpende, weeklaagde als volgt : Hebban olla vogala nestas hagunnan (Alle vogels zijn aan hun nesten begonnen, behalve ik en jij, waarop wachten we nog?). Wie vogels en nesten zegt, zegt ook bomen, misschien zelfs tuinen. De graaf van Vlaanderen die zich fier "graaf bij de genade Gods" noemde, was in die tijd zo rijk en machtig dat men zich soms terecht kon afvragen of hij niet over het ganse Franse koninkrijk regeerde, vooral toen de troonopvolger nog minderjarig was en hij het regentschap uitoefende. Brugge, één van de grafelijke residentiesteden, werd zijn hoofdstad. De graaf leefde er omringd door prinselijke pracht en praal, zodat men mag veronderstellen dat zijn versterkte burcht op het Burgplein ook een tuin had. De teksten die uit die tijd tot ons zijn gekomen zeggen er niets over, maar onderstrepen dat de patriciërswoningen alle comfort boden dat men maar kon wensen. Zonder ons al te ver te wagen mogen we derhalve veronderstellen dat in de schaduw van de burcht en aan de boorden van de Reie een bescheiden groene oase de genoegens van de natuur verschafte binnen de goed beschermde perimeter van de grafelijke residentie. Een brief van Gervatius, bisschop van Reims, die dateert van vóór 1067 (hij stierf in dat jaar), beschrijft het florerende Brugge. Hierbij was hij vol lof over de weiden met hun grote kudden, over de boomgaarden en de wijngaarden, en had hij het over de vruchtbaarheid van de grond en over de succesvolle teelten van de landbouwers. Hij vermeldde geen tuinen, maar wellicht beschouwde hij die als een integrerend deel van de boom- en wijngaarden waar hij zoveel goeds over wist. "Gaard" of "boomgaard" was toen immers synoniem voor tuin. De benaming werd veralgemeend, aangezien het nederlandse gaard, dat gebruikt werd in de samenstellingen boomgaard en wijngaard, terug te vinden is in het Franse jardin, in het Duitse Garten, in het Engelse garden, in het Italiaanse giardino en ook nog in het Spaanse jardín. De welvarende Brugse tijden De oudste teksten die wél gewag maken van tuinen in Brugge, dateren uit de twaalfde en dertiende eeuw. Bij de Hoogstraat lag een boomgaard die zo uitgestrekt was dat hij zijn naam gaf aan de straat die er langs liep. Brugge telde weldra niet minder dan acht Boomgaardstraten, die telkens refereerden naar een aldaar gelegen boomgaard. In 1244 werd een terrein dat de naam Den Wijngaard droeg, overgedragen aan de Begijnen, die er zich vestigden. Reeds lang voor die datum was de gunstig gelegen grond als wijngaard bekend. Op twee plaatsen in de stad was er een Berkenstraat, wat aantoont dat die decoratieve boom er geplant was. Er was ook een Kersenboomstraat, een Bollaardstraat, een Koornbloemstraat, een Lindenstraat, een Esseboomstraat, een Balsemboomstraat, een Kastanjeboomstraat en een Rozemarijnstraat. Weldra was Brugge op het hoogtepunt van zijn macht en zijn internationale uitstraling. De rijke handelaars en industriëlen, "poorters" van de stad of "vrijlaten" van het Brugse Vrije heersten over de quasi-onafhankelijke stadstaat, de ganse dertiende en veertiende eeuw door. In de vijftiende eeuw begonnen de hertogen van Bourgondië, als centraliserende soevereinen, de autonomie van de steden aan te tasten. Daarentegen maakten ze van Brugge één van hun geliefkoosde verblijfplaatsen en introniseerden er in het Prinsenhof hun eigen luxueuze levensstijl. Philips de Goede en Karel de Stoute organiseerden er enkele van de meest memorabele feestelijkheden van hun regering. Onder hun bewind namen de tuinen en het tuinieren een hoge vlucht. Ieder groot hotel in Brugge had zijn tuin. De Ravesteins en de Croÿs, de Gruuthuses en de Luxemburgs, de Adornès en de De Baenst, de Uutkerkes en de van Gistels rivaliseerden om ter mooiste tuin. De Italiaanse bankiers, de Rapondis, de Arnolfinis, de Tanis, de de Nigros en de Portinaris, de Spaanse, Italiaanse, Portugese kooplui volgden het voorbeeld. De lokale burgerij bleef niet achter. Allen waren daarin vooraf gegaan door de abdijen en de kloosters die zich vanaf de elfde eeuw talrijk in Brugge waren komen vestigen en elk hun soms aanzienlijke tuin hadden. En dan waren er ook nog de gilden, vooral die van de kruisboog- en handboogschutters, die passende tuinen hadden aangelegd om er hun geliefkoosde sport in te beoefenen. De beroepstuiniers Zoals alle beroepen in de Middeleeuwen groepeerden ook de hoveniers zich in een ambacht. Als patroon namen ze Jezus zelf, die ze uitbeeldden in de klederdracht van de tuinier. Ze hadden hun altaar in de Sint-Jakobskerk, later in de Sint-Gilliskerk. Elk jaar op tweede Paasdag, later op tweede Kerstdag hielden ze hun patroonsfeest. Er bestond ook een aanverwant ambacht, dat van de "fruiteniers" waar zowel fruitkwekers als fruithandelaars toe behoorden. Op het zegel dat van hen bewaard is staat, vanzelfsprekend, een met vruchten beladen boom. De twee corporaties behoorden tot de eersten, al in 1761, om te worden opgeheven, onder de invloed van de nieuwe ideeën over handelsvrijheid. Dit betekende natuurlijk niet de verdwijning van de hoveniers, maar wel dat nu iedereen vrij dit mooi beroep kon gaan uitoefenen. De tuin als symbool De Brugse rederijker Anthonis De Roovere (1430-1482) schreef in 1480 een Nieuwjaarsballade. In zijn dromen werd hij naar een verlaten "heester" of tuin gevoerd, die symbool stond voor de stad Brugge. De zware belastingen die Karel de Stoute had opgelegd voor de financiering van zijn oorlogvoering die op de catastrofe van Nancy uitliep, hadden de stad in grote financiële moeilijkheden gebracht. Maar God waakte. Hij zond over de tuin zes zonnestralen die zich omtoverden in zes wijze mannen (de zes stadsthesauriers aan wie het gedicht was opgedragen). Met grote doorzetting herstelden ze de tuin, dat wil zeggen de stad Brugge, in zijn vroegere glorie. De stadsrekeningen over de periode 1476-1481 tonen inderdaad aan dat talrijke renovatiewerken werden ondernomen aan het wegdek, de bruggen, de kaaimuren, de torens, de poorten, etc. Zo beschreef De Roovere de verwaarloosde tuin van zijn droom : Want de Galerijen, de Heckens, de Glenden, Wat in modern Nederlands luidt : Want de zuilengang, de hekkens, de omtuining, Uit zo een kort vers kunnen we heel wat leren over de vijftiende-eeuwse tuin. Hij paalde aan een woning die er met een zuilengalerij op uit gaf. De ganse tuin was omheind met hekkens en met een "schettewerk" of houten latten. Men kwam er in via een slagboom of barrière. Kleine waterlopen en grachtjes verhoogden de charmes van de tuin en zorgden voor de waterafvoer. De tuin was van fonteinen voorzien en de aanwezigheid van sluizen toont aan dat hij op verschillende niveaus was aangelegd. Er stonden rustbanken opgesteld en er liepen wandelgangen doorheen de tuin, die uit minstens twee afdelingen bestond : de bloementuin met rozen als voornaamste variëteit en een groenten- en fruittuin, waar zelfs een kleine wijngaard toe behoorde. Van die tuinen hebben we prachtige afbeeldingen bewaard die er door miniaturisten en schilders van gemaakt werden. Op veel vijftiende-eeuwse panelen komen grote vergezichten voor met berglandschappen. Hiervoor kon het platte polderlandschap rond Brugge natuurlijk geen model staan. Maar dichter bij het vertrek waar de uitgebeelde hoofdpersonages zich ophielden, gaven de vensters of een zuilengalerij uit op de heel nabije tuin. Jan van Eyck, Hans Memling en anderen laten ons tuinen zien van een verrassende authenticiteit. Als volleerde botanici hebben ze er de bloemen en planten op gedetailleerd die ze in de mooie tuinen konden naschilderen. Zelfs op het gruwelijk tafereel dat Gerard David wijdde aan de ambtsontrouwe rechter die levend werd gevild, heeft hij een opening gemaakt naar een vredige lommerrijke tuin. Eén van de mooiste tuinen vindt men op de retabel met Maria die de Mis voor het feest van Sint Gregorius leest, gemaakt door de Meester van de Sint-Catharinalegende. Men kan het bewonderen in het museum van Granada. De Sint-Jacobskerk in Brugge bewaart een paneel uit 1480 gewijd aan de legende van de Heilige Lucia, met daarop een grasperk, een schattige tuin en op het achterplan een boomgaard. De tuin in zijn volle glorie Over het algemeen was de tuin in de Middeleeuwen en in de Renaissance in vier afdelingen opgedeeld : de groentetuin, de bloementuin, de kruidentuin en de fruittuin. De groentetuin werd in perken verdeeld, om goed het onderscheid tussen de verschillende planten te kunnen maken. Alle zomer- en winterplanten die in ons soms wat onguur klimaat konden gedijen, vonden er een plaatsje. Eerst kwamen de "wortels" : prei, rammenas, knollen, uien, wortelen, look, watereppe en dooierzwam. Daarna kwamen de "groenten": peterselie, spinazie, bloemkool, sla, snijbiet, sjalot, asperges, schorseneer, pompoen, kapper, vennekool, rapunzel, pimpernel, bernage, postelein, grof bieslook, witlof, zuring, raapzaad, kervel. Onder de "vruchten" rangeerde men artisjokken, komkommers, erwten en bonen. In de bloemenparterres was er een al even grote variëteit. Boven alle andere troonden natuurlijk de roos en de lelie. Kwamen daarbij : het lelietje-van-dalen, de sering, de anjelier, de violier, het viooltje, de iris, de egelantier, de margriet, de hanekam, de amarant, de heliotroop, de aardbeiplant, de wonderbloem, de anemoon, de weegbree, de distel, de Turkse lelie, de amaryllis, en tenslotte de fritillaria, een lelievariëteit die ook de "keizerlijke kroon" genoemd werd. Teneinde de bloemen- en groentebedden mooi af te bakenen, omringde men ze met "zoomkruiden" zoals de tijm, het bazielkruid, de venkel, de koriander, de alruin, de absint, de lavendel, de marjolein, de hysop, de truffemande, de rosmarijn, de gewone tijm, de salie, de anijs, de mirte, het boonkruid, de munt en de palma-christi. De derde tuin was die van de geneeskrachtige planten. Eerst waren het er maar enkele maar weldra groeide het aantal planten aan waarvan genezende eigenschappen gewaardeerd werden. Veel van wat in de groenten- en bloementuinen groeide, had eigenlijk ook evengoed in de kruidentuin kunnen staan. De Vlaamse dominicaan Thomas Van Cantimpré (1201-±1270 ) en na hem Jacob van Maerlant beschreven een dertigtal planten waar men geneeskrachtige eigenschappen aan toeschreef. Naast een aantal dat we al vernoemden, hadden ze het onder meer over de kaardedistel, de pioen, de papaver en de jasmijn. Alles kwam trouwens bij de apothicarissen en medecijnmannen van pas. De doodgewoonste netel was al voldoende om ze allerhande brouwsels te doen op punt stellen tegen onder meer bronchitis of pleuris. En tot slot was er dan de fruittuin of boomgaard van het domein. Men vond er perelaars, appelaars, pruimelaars, perzikbomen, tamme en wilde kastanjebomen, moerbeibomen, kerselaars, kriekenbomen, notelaars, vijgenbomen, olijfbomen, mispelaars en vlierbomen. Het Boeck der ambachten dat dateert uit 1370 getuigt ervan dat al deze bomen al in de courante culturen waren opgenomen. Grotere tuinen bevatten daarnaast ook bomen die er ter bescherming en decoratie werden geplaatst: de eik, de populier, de es, de els, de doornboom, de linde, de berk, de waterwilg en de treurwilg. Als de tuinoppervlakte er de mogelijkheid toe bood, werd een grasmat aangelegd, waarop men kon wandelen, met de bal spelen, dansen en zingen. Het gras was bezaaid met wilde bloemen, vergeet-me-nietjes, krokusbloemen, sneeuwklokjes, primula’s, madeliefjes, boterbloemen of ook nog paardebloemen. Op de door mos begroeide banken - de zodenbanken- gingen de dames zitten en vanuit het neerhof kwam de pauw aangewaggeld om zijn staart uit te spreiden en zich te laten bewonderen. Bij mooi weer werden de kooien met papegaaien en andere zeldzame vogels naar buiten gebracht. De voorname heren hielden er ook een dierenpark op na. De stad Brugge bood aan de hertog van Bourgondië regelmatig schapen en geiten aan, om tot voedsel te dienen voor de leeuw die in het Prinsenhof werd gehouden. Alle tuinen, en vooral dan in de stad konden natuurlijk niet al de hier opgesomde elementen bevatten. Mits oordeelkundige aanleg was het evenwel mogelijk om toch aan een maximum ervan een plaatsje te geven. Met uitzondering van de bloemen, en dan nog want ze hadden vaak een medicinale kwaliteit, waren de tuinen in de eerste plaats vanuit hun nuttigheidsgraad aangelegd. Zo had de eigenaar ervan steeds een grote diversiteit aan voedsel en kruiden bij de hand en kon hij heel wat variatie in de bereidingen aanbrengen. Onze voorouders hadden toen al een zwak voor gastronomie. Zorgen komen en gaan, de tuinen blijven Op het plan van de stad Brugge, gezien in vogelperspectief, dat in 1562 door de cartograaf en schilder Marcus Gerards in opdracht van het stadsbestuur werd gemaakt, vindt men het resultaat van vier eeuwen opbouw van rijkdom en welvaart. Elk huis, elk perceel staat er op gedetailleerd, met een zo grote precisie dat we de meeste ook vandaag nog kunnen situeren en herkennen. Aan de grote monumenten en aan de patriciërshuizen besteedde de cartograaf natuurlijk bijzondere zorg. De weergave van de open ruimten en meer bepaald van de tuinen gebeurde iets meer schematisch. Toch plantte de schilder duizenden bomen en besteedde hij aandacht aan de indeling van de grote open terreinen die werden gebruikt voor het bleken en het drogen van de textielproductie. Ook aan enkele tuinen besteedde hij meer aandacht en van sommige tekende hij zelfs de bloembedden. In de zestiende eeuw was de welvaart in Brugge aan het tanen. "Nieuwe" steden, zoals Antwerpen en Amsterdam wedijverden met haar en de godsdienstoorlogen teisterden bijna twee eeuwen lang onze gewesten, die herschapen werden in het "slagveld van Europa". Toch lijkt het leven van de patriciërs, zeker in de eerste helft van die eeuw, niet buitenmatig onder de gebeurtenissen geleden te hebben. In zijn beschrijving van Brugge, gepubliceerd in 1531, schreef de historicus Jacob De Meyere (1491-1552): Overal ziet u prachtige boomgaarden, tuinen en weilanden, lommerrijke bossen en waterlopen. U bemerkt de ongelooflijke rijkdom aan diverse planten, bloemen en struiken, alle in volle wasdom en bloei. Men vindt er ook geneeskrachtige planten, in zo onvoorstelbaar veel variaties dat het de vreemdeling telkens opnieuw verbaast. De Meyere overdreef niet, zoals documenten uit die periode aantonen. Toen de van oorsprong Hongaarse humanist Johannes Sambucus (1531-1584) bij Plantin een boek uitgaf onder de titel Emblemata, wijdde hij een illustratie daarin aan zijn Brugse vriend Marcus Laurinus (1525-1581), die hij voorstelde midden de bloemen in zijn tuin. De familie Laurinus of Lauwereyns behoorde tot de intellectuele "fine-fleur". De oom van Marcus Laurinus, eveneens Marcus Laurinus (1488-1540) genaamd, was deken van de Sint-Donaaskerk en vriend van velen onder de grootste humanisten van zijn tijd. Thomas More, Erasmus, Vivès en anderen kwamen graag bij hem op bezoek. De geleerde gesprekken waren geanimeerd en de tafel was uitstekend. Laurinus had een huishoudster die voor hem en zijn gasten kookte en ze was zo vriendelijk en charmant dat Erasmus het niet kon laten zijn gastheer wat te plagen over die aanwezigheid in het huis van een celibataire priester. Om de heren naar hun wensen te bedienen, beschikte de huishoudster over alles wat ze kon vinden in de tuin van haar meester in de Gouden Handstraat en vooral in die van zijn mooi zomerverblijf vlak buiten de Kruispoort. Dank aan Laurinus, maar ook aan Juan Vivès, aan Jan Fevyn en aan enkele anderen, die hem hier zo gastvrij ontvingen, verleende Erasmus grootmoedig aan Brugge de vleiende titel van "Athene van het Noorden". Ook Vivès droeg bij tot de ontwikkeling van de tuinen. In zijn Institutie voor de christenvrouw moedigde hij de jonge meisjes aan om rozen en viooltjes te kweken. De neven van Laurinus, Guido en Marc junior traden in het voetspoor van hun oom, Marc vooral die relaties onderhield met al wie naam had onder de humanisten en de geleerden. In de middens van de botanici kende hij niet alleen de geneesheer en historiograaf Sambucus (verlatijnste naam die ‘vlierboom’ betekende), maar ook de grote Hollandse botanicus Clusius of Karel van Sluis (1526-1609) en vooral zijn bijna buurman Karel van Saint-Omer, heer van Moerkerke. Een groot botanicus in Brugge Dank aan Karel van Saint-Omer werd in Brugge een hoogtepunt bereikt op het gebied van de botanica. De grote wetenschapper Lobelius (1538-1616) heeft van hem geschreven dat hij zijns ghelijcke niet ghehadt en heeft onder alle de Cruyde-Liefhebbers van Europa om alle de gheslachten van cruyden tzy vremde oft intlandsche te doen naer tleven conterfeyten gheenen cost spaerende. Karel van Saint-Omer, heer van Moerbeke, Dranouter en Moerkerke (1533-1569) was amper 36 jaar toen hij stierf, maar hij had een welgevuld leven geleid, dat hem de hoge achting van zijn collega’s en tijdgenoten opleverde. Rond zijn kasteel in Moerkerke bij Brugge had hij één van de mooie tuinen uit die tijd aangelegd. Luigi Guicciardini vond het de moeite waard om in zijn beschrijving van de Nederlanden ook de tuin van Karel van Saint-Omer te vermelden. En Antonius Sanderus roemde hem in zijn Flandria Illustrata en schreef dat hij als geen ander de kennis van planten en dieren bezat. Had hij alleen maar zijn tuin onderhouden, dan zou de Saint-Omer, die paar citaten niet te na gesproken, letterlijk "in de natuur" verdwenen zijn. Maar hij deed meer, veel meer. Hij nam de Brugse schilder Jacob Van den Coornhuuse in zijn dienst en die maakte voor hem, samen met een paar medewerkers, meer dan 1600 aquarellen, waarvan meer dan 1400 reproducties gaven van de toen bekende planten en bloemen. Karel van Saint-Omer wou hieraan een grote publicatie wijden, waarvoor hij zelfs al een naam had, de Centuriae plantarum rariorum. Clusius verbleef bij hem in Moerkerke om de begeleidende teksten op te stellen. Helaas werd dit plan door de vroegtijdige dood van Saint-Omer gedwarsboomd. Hij had een fortuin besteed aan de realisatie van deze collectie, die thans geldt als één van de voornaamste botanische verzamelingen uit de Renaissance. De collectie was in de zeventiende eeuw in Duitse handen terecht gekomen en men waande ze verloren, tot ze twintig jaar geleden in Krakau te voorschijn kwam. Dank zij de speurzin van de jonge historica Helena Wille kon met zekerheid vastgesteld worden dat het wel degelijk om de collectie ging die door de Saint-Omer werd aangelegd en door Van den Coornhuuse geschilderd. De tuinen in de "ongelukseeuw" Dat ook in de zeventiende eeuw, ten onrechte voor Brugge de "ongelukseeuw" genoemd, de tuinen in eer gehouden werden, kunnen we opmaken uit enkele van de werken van de Brugse schilder Jacob van Oost (1603-1671) en van zijn tijdgenoten en ook uit de rijke productie wandtapijten die in die tijd in Brugge zijn hoogtepunt kende en waarop heel wat tuintaferelen staan afgebeeld. Zoals overal in Europa werd in Brugge meegedaan aan de ‘tulpenrasernie’ of tulpomanie, de onvoorstelbare speculatie op tulpenbollen die in 1636 gans Europa in de ban hield, en die door de instorting van de prijzen het jaar daarop, de ruïnering van heel wat liefhebbers veroorzaakte. Keizerlijk geneesheer Anselmus De Boodt (1550-1632) die in het begin van de eeuw terug in zijn geboortestad kwam wonen, werkte er meer dan twintig jaar aan een tractaat gewijd aan bloemen, planten en fruit. Enkele jaren na zijn dood werd dit werk gepubliceerd door zijn vriend, de Brugse historicus Olivier de Wree, genaamd Vredius (1596-1652). Rond dezelfde tijd en ten laatste in 1670 leverden de West-Vlaamse hofbouwkundigen aan de landbouwers verbeterde aardappelplanten, wat hen toeliet op grote schaal dit basisvoedsel te gaan kweken. Vanuit onze regio zou de aardappel zich stilaan over gans Europa verspreiden. De goede tuinaanleg is een kunst die geen improvisatie duldt. Daarom stichtten enkele Brugse hoge heren in 1651 een gezelschap van amateurs onder de bescherming van de heilige Dorothea, dat in 1701 werd gevolgd door een concurrerende, of misschien zelfs dissidente vereniging. De leden kwamen regelmatig bijeen, discussieerden over de aanleg van hun tuinen, brachten wederzijdse bezoeken, wisselden zeldzame planten of nieuwe kruisingen uit en organiseerden wedstrijden voor wie de mooiste bloemen en planten had. Er kwam zelfs nog een derde genootschap tot stand, onder de aanroeping van de heiligen Agatha en Dorothea, die leden van een bescheidener sociale rang verenigde. Antoine Verhulst was lid van één van die verenigingen. In 1702 deelde hij gratis jonge aardappelplanten uit van een door hem verbeterde soort. Antoine Parmentier, die in Frankrijk de aardappel zou introduceren was nog niet geboren, toen dit basisvoedsel al meer dan een halve eeuw op de groentemarkt in Brugge te koop werd aangeboden. Onze hofbouwkundigen en onze landbouwers bleven in de zogenaamde "ongelukseeuw" niet ten achter ! Nog enkele jaren later, in 1729, werd door de cartograaf J. Blanc een plattegrond van Brugge opgemaakt. De tuinen werden er zorgvuldig op uitgetekend, met hun parterres en hun bomen. Tot op vandaag werden de tuinen op dit plan nog niet aan een onderzoek onderworpen. Ze tonen alleszins aan dat de Bruggeling, ook in moeilijke tijden het tuinieren niet verleerd had. Integendeel wellicht, want de verwoestingen die het platteland teisterden, dwongen er de stadsbewoners toe om in ruime mate zelf in hun bevoorrading te voorzien. Al moest de esthetiek er onder lijden, het nut van de tuinen bleef er niet minder om. In de pruikentijd In de achttiende eeuw vond Brugge de vrede terug die aanmoedigt tot commerciële en industriële activiteiten en kwam er opnieuw een zekere welstand. De gegoede edellieden en de rijke burgers trokken een ganse bevolking mee in de ambitie tot werken en produceren. De statige herenhuizen en de elegante oranjerieën uit die tijd blijven er de getuigen van. De kunstambachten fleurden op. De Brugse edelsmeedkunst was van hoge kwaliteit. De schrijnwerkers en meubelmakers leverden uitstekend werk. De Academie voor schone kunsten, onder de leiding van uitstekende meesters zoals Mathias De Visch en Jan Garemyn, leidden een schare jonge schilders en architecten op. Enkelen onder hen, zoals Jozef Suvée gingen roem oogsten in de Europese hoofdsteden. Henri Pulinx, zelf uitstekend bouwmeester en beeldhouwer, begon Saint-Cloud porselein te fabriceren en zijn opvolger Pieter De Brauwer voegde er Engels porselein aan toe, terwijl Paul-Louis Cyfflé - weliswaar niet heel lang in Brugge - Limogesporselein maakte. De marmerbewerkers vervaardigden elegante schoorsteenmantels, de orgelbouwers Berger, vader en zoon, plaatsten hun mooie instrumenten in Brugge en omstreken, de boekbinders, de glazeniers, de beeldhouwers bleven trouw aan de eeuwenoude Brugse kunsttradities en de kantproductie bereikte artistieke hoogtepunten. In en rond Brugge wedijverden de edelen en burgers om ter mooiste tuin. De bisschop van Brugge, zelf ook lid van de Confrerie van de heilige Dorothea, ontving de tuinliefhebbers op zijn uitstekend onderhouden zomerverblijf Rooigem. De vrijgezel Laurent Van Ockerhout (1746-1815) woonde op zijn "campagne" langs de Diksmuidse heirweg op Sint-Andries en wijdde er zijn leven aan zijn tuin. De Brugse burgemeester Robert Coppieters (1727-1797) ging met vrouw en dochter bij hem op bezoek in de maand juli van het jaar 1789. Hij was in verrukking en schreef in zijn dagboek : "Ik heb de tuin uitermate mooi en goed onderhouden bevonden, met veel variatie en mooie perspectieven, werkelijk van het mooiste dat in het Brugse te vinden is. Ik verkies hem zelfs boven de tuin van de bisschop". En in de binnenstad dan Ook in de historische stad bleef de tuin in ere. We weten het dank zij tekeningen die ervan gemaakt werden en beschrijvingen die we er van terug vinden naar aanleiding van verkopen of in de boedelbeschrijvingen bij nalatenschappen. Het mooiste getuigenis is ongetwijfeld het schilderij, waarschijnlijk van de hand van Jan Garemyn, waar de tuin van het Brugs raadslid François Willaeys en van zijn vrouw Anne-Thérèse Vleys op afgebeeld staat. Gelegen in Groeninge, in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en palend aan de tuin van de Eekhouteabdij, had de tuin van Willaeys alles om te wedijveren met de Franse tuinen. Aangelegd in het verlengde van een moestuin die aan dezelfden toebehoorde, werd de tuin uitgewerkt volgens de richtlijnen van de grote tuiniers van het ogenblik. Hij bestond uit twaalf rechthoekige parterres, sommige met een grasmat, andere met bloembedden of met laagstammige fruitbomen. Kleine monumentjes vrolijkten de tuin op en achterin stond een groot standbeeld in een monumentale nis, omringd door een waterpartij met fontein. De dames koesterden zich in de zon op het grastapijt, de heren wandelden rond of verpoosden op een bank en de tuiniers bemoeiden zich met de goede onderhoud. Rondom verhieven zich de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk, die van de Eekhouteabdij en het Belfort, terwijl het silhouet van de patriciërshuizen langs de Dyver zich op de achtergrond aftekenden. Willaeys was op verre na niet de enige die zich om zijn stadstuin bekommerde. Andries-Lodewijk Van den Bogaerde (1726-1799) die tegelijkertijd burgemeester en tresorier van het Brugse Vrije was, wat hem gezag gaf over een groot deel van het huidige West-Vlaanderen, was ook een groot botanicus. De Rijselse auteur en botanicus François-Joseph Lestiboudois (1759-1815) moedigde als volgt de tuinliefhebbers aan om de tuin te gaan bezoeken die Van den Bogaerde had aangelegd achter zijn woning, de Eikenboom, in de Langestraat : de botanofielen zullen er alles vinden om hun goede smaak en hun bewondering op te hitsen. Tuinieren in de revolutietijd Naast de tuinen van particulieren, waren er ook de kloostertuinen en die van de talrijke stichtingen, zoals de hospitalen en de godshuizen. Veel van die tuinen werden vereeuwigd dank zij de alerte pen van Jan Beerblock (1739-1806) die er nog vlug een aantal in tekening bracht vooraleer ze verdwenen. De opheffing van de meeste kloosterorden en de verkoop en vaak vernieling van hun eigendommen, bracht in veel gevallen de ontmanteling zoniet de verkaveling van de tuinen mee. Dank zij hem kennen we de vroegere tuinen van de Sint-Trudoabdij, en van de kloosters van de Capucinessen, de Carmelieten, de Kartuizers, de Annuntiaten, de Conceptionisten, de Theresianen, de Dominicanen en de Grijze Zusters. Enkele van de door Beerblock getekende tuinen hebben de stormen min of meer overleefd, zoals die van de Eekhouteabdij die in de negentiende eeuw een charmante romantische tuin werd. Van de oorspronkelijke tuin hebben we trouwens nog een andere afbeelding dan die van Beerblock, waarop we de prachtig gesnoeide hagen zien afgebeeld, met hun openingen op de tuin en met hun beelden opgesteld onder gewelven van groen. De tuin van de Minderbroeders werd vanaf 1850 omgetoverd in een publieke botanische tuin, net zoals dit nu enkele jaren geleden met de voormalige tuin van de Grijze Zusters is gebeurd. De tuin van het Engels klooster heeft tot op heden zijn oorspronkelijke eigenaressen behouden en straalt nog steeds een sfeer uit die "very British" aandoet. Van sommige kloosters blijven alleen nog maar fragmenten van de oorspronkelijke tuin over, zoals van de Annuntiaten, van de Dominicanessen, van de Capucinessen of van de Rijke Claren. Die van de Arme Claren verdween recent. Gelukkig zijn dan toch nog enkele tuinen uit het Ancien Régime overeind gebleven, zoals die van de Duinenabdij, van de Sint-Godelieveabdij, van de Discalsen of ook nog die van de "Latijnse school", die sinds 1833 behoort aan de Carmelitessen, genaamd Theresianen. De passie voor de tuinen in de negentiende eeuw Even na 1800 werden de georganiseerde activiteiten van de tuinliefhebbers met nieuwe moed hernomen. Eerst onder de benaming van "Brugse Sociëteit van Flora", daarna onder die van "Genootschap voor landbouw, hofbouw en botanica" en tenslotte - en tot op vandaag - als "Koninklijke Maatschappij voor Fruit- en Hofbouwkunde". Zowel beroepslui als amateurs maakten er deel van uit. Die laatste moesten in vakkennis vaak niet onderdoen voor de professionelen. Allen kweekten bloemen en planten, niet alleen in de open lucht maar ook in verwarmde serres. Georges Chantrell-de Stappens (1795-1867) had zijn serres opgericht naast zijn woning in de Hoogstraat nr 4, met uitzicht op de Steenhouwersdijk. Naast het paleis van het Brugse Vrije gelegen, kan men die serres zien op de talrijke negentiende-eeuwse schilderijen, tekeningen en foto’s die van dit schilderachtig hoekje werden gemaakt. Hij wijdde zich evenzeer aan het tuinieren in zijn "campagne" op Sint-Kruis, het Rooigemkasteel waar voor de revolutie de bisschop van Brugge zijn zomers doorbracht. Chantrell, reder, importeur en exporteur van goederen en gemeenteraadslid van Brugge had de passie voor de botanica goed te pakken. In zijn serres, die hij verwarmde met een systeem van eigen vinding, kweekte hij tropische planten. Hij was de ondervoorzitter van de Flora-sociëteit en geen jaar ging voorbij zonder dat hij een of meerdere prijzen had weggekaapt in één van de vele wedstrijden die gehouden werden. Men roemde zijn rhododendrons, zijn camelias en zijn orchideeën, waarmee hij de professionelen naar de kroon stak. Ook burgemeester Jean-Baptist Coppieters ‘t Wallant (1770-1848) was een gerenommeerd tuinbouwkundige en vaak kreeg hij prijzen voor de mooiste of de meest zeldzame plant, naar aanleiding van provinciale of nationale wedstrijden. De geleverde inspanningen en de onderlinge contacten schiepen het gunstig klimaat waarin de tuinbouw zich verder kon ontwikkelen. Gans de negentiende eeuw door vestigden zich talrijke hofbouwbedrijven, zowel in de binnenstad als in de onmiddellijke omgeving. In de stad gebeurde dit vooral op de Sint-Gillisparochie, waar nog ruime grondvoorrraad aanwezig was. Maar ook op Sint-Anna of in andere wijken van de stad waar nog ruimte was, vestigden zich tuiniers. Eén onder hen was Pieter-Jan Gezelle. Hij kweekte zijn bloemen en planten aan de Rolweg en werkte in de tuinen van het Groot Seminarie en van de Brugse adel. Zo komt het dat de grootste Vlaamse dichter van de negentiende eeuw, zoniet aller tijden, Guido Gezelle, geboren werd en opgroeide tussen de bloemen. Heel wat Brugse families beoefenden de tuinbouw generatieslang, sommigen al vanaf het begin van de achttiende eeuw. Oude Bruggelingen zullen zich nog namen herinneren zoals Blomme, Clyncke, Ryckier, Vanhou, Isselée, Leys, Simoens, Lekens, De Jonghe, Baelde, Cram-Goethals, Maertens-Joossens, Wagner, Walraet, Cortvriendt, Van Eyghen. De laurus nobilis Vanaf de zeventiende eeuw begonnen de Brugse hofbouwkundigen de laurier te kweken. De laurus nobilis draagt terecht zijn naam, want hij kan bogen op oude adelbrieven. Afkomstig uit Klein-Azië, werd hij één van de lievelingsbomen van de Grieken die hem tot symbool maakten van de overwinning en er kransen mee vlochten voor wie zegevierde in de oorlog of in de worstelschool. Met laurieren gekroond of gelauwerd werd de overwinnaar "laureaat". Petrarca beplantte zijn tuin in de Vaucluse met laurieren, de boom wiens naam hem aan zijn geliefde Laura herinnerde. De achttiende-eeuwse geestdrift voor wintertuinen en oranjerieën gaf aan de laurierkweek een zweepslag. En toen in de negentiende eeuw de laurier de geliefkoosde sierboom werd, namen de Brugse bedrijven een hoge vlucht. Tientallen laurierkwekers kwamen zich in en rond Brugge vestigen. Over de ganse wereld werd Brugge bekend als de stad van de laurier. In gans Europa en daarbuiten was er geen paleis of oranjerie meer, die niet zijn collectie Brugse laurieren had. De laurier paarde zijn lange levensduur aan het voordeel in allerlei vormen te kunnen gesnoeid worden. Hij kon tot zeven meter hoog groeien. Zijn cultuur vereiste geduld en financiële middelen. Sommige laurieren werden pas verkocht - aan bijzonder hoge prijzen - wanneer ze de honderd jaar hadden bereikt. Nog altijd geniet Brugge van een wereldreputatie voor zijn laurieren. Het locale microklimaat, beïnvloed door de zeelucht en niet al te onderhevig aan de bijtende noordenwind, biedt de ideale omstandigheden voor het langzaam opgroeien van weelderige, sterke en langlevende laurieren. De grote hofbouwkundigen Onder de vele Brugse hofbouwbedrijven namen er enkele een grote vlucht en ontwikkelden zich tot echte industriële ondernemingen. Zo verging het de Flandria, gegroeid uit een familiezaak die in 1882 werd opgericht door Henri Beernaert (1858-1939) en als naamloze vennootschap opgericht in 1897, dank zij de kapitaalsinbreng van de belangrijke Brugse familie de Brouwer. Ze bezette weldra, net buiten de Katelijnepoort, meer dan tien hectaren waar hoofdzakelijk laurieren en palmbomen gekweekt werden, met daarbij nog vijf hectaren serres voor de cultuur van orchideeën en azalea’s. Weldra groeide ze uit tot een bedrijf met vijfendertig hectaren, waarvan dertien overdekt met serres. Ze kweekte nu ook croton, bromelia, amarant, aralia, schroefpalm en dieffenbachia. Wellicht niet ten onrechte adverteerde ze als " het grootste hofbouwbedrijf ter wereld". Rond 1960 werd het bedrijf opgedoekt. De dood van de twee voornaamste bedrijfsleiders, Richard Dekens (1879-1958) en Emile Van Haecke (1870-1960) bleek onoverkomelijk voor een verderzetting. Daarbij werd een groot deel van de terreinen onteigend voor de aanleg van de ringbaan en werd wat overbleef verkaveld. Vincke-Dujardin Op het gehucht Scheepsdale, langs de vaart Brugge-Oostende werd al sedert mensengeheugnis hofbouw bedreven. Pierre Vincke kwam er zich in 1865 vestigen. Hij was al de vijfde generatie hofbouwkundigen Vincke. Zijn voorzaten en hijzelf hadden in de Brugse binnenstad gewerkt, maar de verhuis naar Scheepsdale betekende het begin van een nieuwe uitbreiding. Weldra kwam zijn zoon Gustave Vincke-Dujardin (1848-1934) aan het hoofd van het bedrijf. Hij was gemeenteraadslid, eerst in Sint-Pieters-op-de-Dijk, daarna in Brugge en maakte van zijn bedrijf één van de voornaamste in België. Naast de onvermijdelijke laurier, kweekte hij chamoerops, lataanbomen, conypha en kentia. Weldra voegde hij er ook nog kokos- en dadelpalmbomen aan toe. Vanaf 1885 kweekte hij ook orchideeën en azalea’s. Het bedrijf hield stand tot in 1955, maar stopte bij gebrek aan opvolgers en onder de druk van de oprukkende urbanisatie. De koning van de orchidee Frederic Sander (1847-1920), de "koning van de orchidee" wilde zich in 1894 op het continent vestigen. Hiervoor kocht hij in Sint-Andries vijftig hectaren aan. Weldra verrezen er vijftig serres waar de vele orchidee-variëteiten werden gekweekt, die Sander overal ter wereld door gespecialiseerde "orchideeënjagers" deed ophalen. Hij reproduceerde ze in grote hoeveelheden en verscheepte ze vanuit Brugge naar zijn ruime klantenkring, onder wie zich de paus bevond, alsook talrijke Europese koningshuizen, de president van de Verenigde Staten, de Rotschilds en nog meer mooi volk. De twee wereldoorlogen deden de Sanders de wijk nemen naar het moederbedrijf in St.-Albans’. Toch hielden zoon en kleinzoon het in Brugge vol tot begin van de jaren zeventig. Maar ook voor hen was er uiteindelijk meer nut om hun gronden, aan de rand van de binnenstad gelegen, aan de stadsontwikkeling over te laten. De openbare ruimte wordt groener De invloed van de maatschappijen voor hofbouwkunde liet zich niet enkel gevoelen door het behoud van grote privé-tuinen en door de toenemende activiteit van de hofbouwbedrijven. Ook de publieke ruimte onderging er de invloed van. In de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste maakten nog heel wat leden van de adel deel uit van de Brugse gemeenteraad. Die heren beschikten allen over tuinen bij hun stadswoning en op hun zomerverblijf. Onvermijdelijk wekte dit hun belangstelling op voor de publieke ruimten die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Op dit gebied waren ze allen bijzonder competent en als ze er over aan het praten sloegen, waren ze niet meer te stuiten. Ettelijke bladzijden van de verslagen van de gemeenteraad zijn gewijd aan de aanleg van openbaar groen. De voornaamste kenner onder hen was graaf Amedée Visart de Bocarmé (1835-1924) die een halve eeuw burgemeester van Brugge bleef en onder meer ook voorzitter was van de Belgische Hoge Raad voor de bossen. Wat goed was voor hun privé-domeinen, kon niet anders dan goed zijn voor het openbaar domein, zo vonden ze. Met lange discussies, soms gedurende vele uren, tijdens dewelke ze wedijverden in kennis en ervaring, droegen deze vroede vaderen op een aanzienlijke wijze bij tot het behoud en de uitbreiding van de groene ruimten waar Brugge thans terecht fier over is. Rond 1850 besliste de stad Brugge de vroegere tuin van de Minderbroeders aan te kopen, die toen al een halve eeuw op de sukkel was en van de ene eigenaar op de andere was gevallen. Er werd een botanische tuin aangelegd, die één van de voornaamste attracties werd voor de zondagswandelaars. In 1935 werd aan dit park de naam van koningin Astrid gegeven. Vooral vanaf 1876, met het aantreden van Visart als burgemeester, werd het werk van lange adem ondernomen om van de Brugse wallen - die al lang hun oorspronkelijk doel van verdedigingsgordel verloren waren - één grote promenade te maken, die de ganse stad met een groene gordel zou omringen. Het werd een groot succes. De raadsleden interesseerden zich ook voor de toegangswegen tot de stad, zelfs al bevonden die zich op het grondgebied van aanpalende gemeenten. Hun voornaamste bekommernis ging uit naar de Steenbrugse wandeling die ze voorzagen van een stevige erewacht van twee dubbele lindenrijen. De weg leidde naar het Brugse kerkhof en moest een waardig kader bieden voor de laatste tocht die de meeste Bruggelingen langs daar ondernamen. Het kerkhof zelf werd een mooi en romantisch park, in passende sfeer om er geliefde afgestorvenen te gedenken. Zo ging men door. Nieuwe boulevards kregen hun bomen en hun bloemperken. Aan de "Bloedput" werd een nieuw park aangelegd dat later de naam van burgemeester Visart kreeg. Toen de spoorlijnen buiten de stad verplaatst werden, kwam een groot terrein vrij dat voortaan als park de verbinding verzekerde tussen het nieuwe station en de binnenstad. De jaren zeventig van deze eeuw werden hoogdagen voor het openbaar groen in Brugge. In de fusiegemeenten werden meer dan 150 hectaren bos en groene ruimten aangekocht. In de historische stad werden bijkomend parken aangekocht en opengesteld : het Minnewaterpark, het park Gilliodts/Sebrechts en de vroegere eigendom De Jonghe. De groendienst De stad Brugge mag zich beroemen op één van de voortreffelijkste plantsoendiensten in dit land. Meer dan tweehonderd medewerkers worden ingezet om voor het goede onderhoud in te staan van meer dan zeshonderd hectaren openbaar gemeentelijk domein. Dit bestaat uit bossen, tuinen en parken, begraafplaatsen, speel- en sportterreinen, tuinwijken en boulevards, dreven, wandelpaden en bermen: werk genoeg! De seizoenvernieuwingen van de bloemendecoratie in de talrijke bloemenbedden die over de stad verspreid zijn, meer bepaald langs de boulevards en de toegangswegen tot de binnenstad, zijn de zichtbare tekens van een werk dat met liefde en met grote beroepsfierheid wordt uitgeoefend. De publieke parken worden natuurlijk met bijzondere zorg behandeld. En dan zijn er nog die "verborgen hoekjes" waarvan er enkele in dit boek voorkomen. Door dit alles is Brugge niet alleen een schitterende historische stad, die met haar middeleeuwse structuur, met haar groot aantal prestigieuze of meer bescheiden monumenten en met de frisheid gebracht door de alomtegenwoordige waterlopen, één van de parels is aan de Europese kroon. Ze is daarbij ook nog een "groene" stad. De omvang maar evenzeer de kwaliteit van de groene ruimten versterken de schoonheid van de historische stad en verhogen de charmes en het aangenaam karakter van de verschillende delen die samen Groot-Brugge vormen. Na er zoveel goeds over gezegd te hebben, zal men het ons wel niet kwalijk nemen er ook een kritische noot aan toe te voegen. De liefde voor bloemen en planten wordt immers niet altijd oordeelkundig beoefend. Zo besliste men ooit dat er op de kaaimuren langs de reien bloembakken zouden opgehangen worden. De wilde flora die zich in de muurvoegen nestelt volstaat nochtans ruim om de oude muren op te vrolijken. Her en der in de stad werden bloembakken in beton neergezet. Alleen kabouters ontbreken er nog bij om de slechte smaak volledig te maken. Al even onoordeelkundig werden bomen geplant op plaatsen die daar niet geschikt voor zijn. Ze hebben vaak moeite om tot wasdom te komen, maar vooral onttrekken ze de monumenten aan het oog waar men ze heeft vóórgezet, terwijl ze meteen ook voor die monumenten schadelijk zijn. De bomen die werden neergezet voor de stadsschouwburg, op de Vismarkt, op het Sint-Amandsplein en vooral voor het Paradijsportaal van de Onze-Lieve-Vrouwkerk zijn een vergrijp tegen de goede smaak. Gelukkig zijn dit maar pekelzonden aan de gevolgen waarvan gemakkelijk te verhelpen is. Men zal zonder twijfel op een mooie dag het beetje moed opbrengen om te beslissen de ongewenste bakken weg te halen en de schadelijke bomen te verplaatsen. Een nieuwe kunst der tuinen De belangstelling voor de tuinen is aan het einde van de twintigste eeuw niet verminderd. Er is zelfs een duidelijke heropleving vast te stellen. De tuinliefhebbers worden steeds groter in aantal, steeds beter met het tuinieren vertrouwd en steeds meer door de passie gebeten. Ons land telt tuinarchitecten van wereldreputatie. René Pechère die men zijn negentig lentes niet aanziet is hun onbetwiste Nestor. Onze landgenoot Jacques Wirtz voltooide onlangs de opdracht voor de heraanleg van de tuinen aan het Caroussel du Louvre en voor de reorganisatie van de tuinen van het Elysée. In Brugge hebben we het voorrecht geïnspireerde "tuiniers" bij de hand te hebben, zoals André Van Wassenhove en Paul Deroose, gevolgd door een schare van collega’s. Ze tonen aan de eigenaars hoe ze hun tuin op zijn best kunnen organiseren, hoe ze schoonheid kunnen koppelen aan economisch beheer en onderhoud. Ze leren ze aan de eigen gewassen de voorkeur te geven boven exotische planten en moedigen de liefde aan voor sinds eeuwen gekweekte bloemen en planten die soms wat uit de mode zijn geraakt. Het is gemeengoed geworden, wanneer een huis gebouwd wordt, groot of bescheiden, onmiddellijk al de tuinaanleg te voorzien. Zo kan men de tuin ontwerpen als het natuurlijk verlengstuk van de woning en niet meer als een toevoegsel waar men moeilijk raad mee weet en die men wel eens als het past, met wat groen zal bekleden. Bekijken we even de tuinen in de randgemeenten. Sint-Kruis, Sint-Andries, Assebroek, Sint-Pieters en Sint-Michiels, zonder Koolkerke, Lissewege en Zeebrugge te vergeten, hebben hun lange en mooie geschiedenis van landelijke gemeenten grotendeels achter zich. Ze zijn het voorwerp geweest - voor goed en voor kwaad - van een urbanisatie in galoptempo. Tot voor enkele decennia telden de grootste onder hen niet méér dan 1000 tot 3000 inwoners. Landbouwgronden en weiden wisselden er af met bosgebieden of tuinbouwbedrijven. De talrijke Brugse adel had er zijn zomerverblijven, en onderhield er naar best vermogen zijn grote parken en tuinen. Op enkele jaren tijd heeft de gestegen welvaart van velen, dit duizendjarig landschap definitief gewijzigd. De vlucht uit de overbevolkte stad en de migratie naar de provinciehoofdplaats brachten een vreedzame invasie van het stedelijk randgebied met zich mee. Ieder van de genoemde gemeenten telde weldra 15 tot 20.000 inwoners. Wat in grote mate de bewoners voor de rand van de stad deed kiezen was de betrachting om bij hun huis van een tuin te kunnen genieten, hun eigen stukje paradijs. Duizenden tuinen werden aangelegd, grote en kleine en alle maten er tussen. Ze zijn natuurlijk niet allen een succes, maar wandelend door die recente woonwijken, of het nu om de welvarende residentiële kwartieren gaat of om meer bescheiden woongebieden rondom de historische stad, kan men achter de zorgvuldig gesneden hagen of onder de eiken, platanen, linden, kastanjebomen of treurwilgen die er bovenuit rijzen, de inspanningen raden van de bewoners die liefdevol hun tuin onderhouden. Enkele van die tuinen gaan door voor waarachtige monumenten. Soms verwelkomt men er bezoekers die vanuit alle hoeken van het land en daarbuiten komen om ze te bewonderen. Het zou een "Tuinen en verborgen hoekjes in Brugge buiten-de-muren" vergen om ze recht te doen wedervaren. De tuinen in de historische stad Voor dit album zijn we de tuinen gaan opzoeken die zich in het historische Brugge bevinden. De ruimte om in het hart van de stad grote tuinen aan te leggen is uiteraard minder voorhanden. Het oude centrum is doorheen de eeuwen een druk en intens bebouwd conglomeraat geworden. Toch zal men er, verborgen achter soms hoge muren, de kleine tuinen aantreffen die met zorg door hun eigenaars worden onderhouden. Op nauwelijks enkele honderden meters van het Belfort, krijgen de tuinen méér ruimte. Tuinen met vijfhonderd, duizend tot zelfs vijfduizend vierkante meter oppervlakte, zijn geen zeldzaamheid. Het zijn groene longen en verademende oasen in volle stad. Dit mag evenwel de talrijke kleine tuinen niet doen vergeten, vaak amper enkele vierkante meters groot, maar soms uitstekend aangelegd. De belangrijkste tuinen, met een hectare en soms méér, behoren nog steeds aan kloosters en abdijen toe. De tuin van de voormalige Duinenabdij, thans Groot Seminarie strekt zich zelfs over verschillende hectaren uit. Dit is het soort tuinen waar men het bij een eenvoudige aanleg houdt. Men schat er een groentetuin naar zijn juiste waarde. Van al die tuinen, openbaar of privé, groot of klein, open of verborgen, rijk of bescheiden, biedt dit album enkele voorbeelden aan. De keuze was moeilijk en naarmate we vorderden in onze opzoekingen vonden we er steeds méér. We hopen dat onze keuze u kijk- en leesgenot zal geven. © Andries Van den Abeele |