“A remarkable man”

THOMAS FORSTER

Brugge 1842-1852

Andries Van den Abeele

In april 1842[1] kwam Thomas Ignace Marie Forster (1789-1860) vanuit Schaarbeek, samen met zijn vrouw Julia Beaufoy (1794-1870), hun dochter Selena (1819-1904)[2] en drie vrouwen (twee Engelse en één Belgische, waarschijnlijk dienstpersoneel), in Brugge wonen in het huis aan de Dyver C18-40[3]. Buren waren aan de ene kant de Engelse boekhandelaar Ralfe[4] en aan de andere kant Karel Breydel-De Brock[5]. Zijn naaste buren waren evenwel zijn “huisbazen”, leden van de familie van Caloen: Joseph Van Caloen (1776-1848) en zijn echtgenote Marie-Christine de Potter de Drogenwalle (1793-1864) evenals hun zoon Charles van Caloen (1815-1896)[6] en weldra diens echtgenote Savina de Gourcy Serainchamps (1825-1912) en hun jonge kinderen. Het echtpaar Van Caloen – De Potter woonde op Dyver C 18-38 waar de echtgenote bleef wonen tot aan haar dood in 1864[7]. Op het nummer C 18-39, het tweede gedeelte van het extra groot herenhuis, woonde vanaf zijn huwelijk in 1847 het jonge echtpaar Van Caloen – de Gourcy.[8] Het huis C 18-40 had Joseph Van Caloen in 1834 in openbare verkoping aangekocht. Het was onder het Ancien Regime de residentie van de proost van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwkerk[9]. Van Caloen had de eigendom duidelijk aangekocht omdat die langs zij- en achterkant paalde aan zijn woning en dit dus mogelijkheden voor de toekomst inhield[10]. Voorlopig had de familie er evenwel geen eigen gebruik voor en stelde het huis te huur. Na drie opeenvolgende huurders, die het telkens niet lang volhielden, werd met Thomas Forster een huurcontract afgesloten[11].

Forster was “a remarkable man” zoals geschreven staat in het aan hem gewijd artikel in de Dictionary of national biography[12]. Veel van wat we van hem weten komt uit zijn publicaties die vaak autobiografische gegevens bevatten[13].

Hij werd op 9 november 1789 in Londen geboren in een aristocratische familie die in het begin van de achttiende eeuw omwille van haar trouw aan de dynastie van de Stuarts nogal wat te verduren kreeg[14]. Het belette niet dat verschillende leden van de familie een vooraanstaande rol speelden in de handel en het bankwezen, en ook in de intellectuele debatten van hun tijd. In verschillende van zijn werken ging Forster hier uitgebreid op in.

Van zijn vader en zijn grootvader kreeg hij een vrije opvoeding. Beide waren aanhangers van de theorieën van Jean-Jacques Rousseau, wat tot gevolg had dat Thomas in zijn kinderjaren als een “bon sauvage” opgroeide. Hij deelde later hun mening en schreef in één van zijn werken dat “the execrable habit of sending children early to school, destroys their originality and character[15]”. De wat laattijdige schoolopleiding belette niet dat hij later sprak en schreef (onder meer heel wat poëzie) in het Latijn, Grieks, Frans, Duits, Italiaans, Spaans en Welsh, naast uiteraard het Engels en de Schotse variant ervan. Tijdens zijn Brugse periode leerde hij Vlaams en schreef enkele moeizame gedichten[16].

Van zijn oom Benjamin Meggot Forster leerde hij astronomie, mechanica en aërostatica. Hij trok naar Cambridge en behaalde er een diploma van doctor in de geneeskunde. Nog voor hij aan die studies begon werd hij op 5 maart 1811 al tot lid verkozen van één van de meest prestigieuze wetenschappelijke verenigingen in Engeland, de Linnean Society[17]. Zeven vooraanstaande leden traden hiervoor als zijn peters op. Vier waren met het British Museum verbonden: de hoofdbibliothecaris Henry Ellis[18] (1777-1869), William Alexander[19] (1767-1816), conservator van het prentenkabinet, Georges Shaw[20] (1751-1813) en Charles König[21] (1774-1851) conservators van de afdeling natuurkunde. De drie overige peters waren de bloemenschilder en botanicus James Sowerby[22] (1757-1822), de Schotse insectenkenner, hoofd van het Bestuur voor krijgsgevangenen en later koloniaal hoog ambtenaar Alexander Macleay[23] (1767-1848) en de belangrijke botanicus Dawson Turner[24] (1775-1858). Ze geven aan in welke kringen Forster en zijn familie zich bewogen en tonen meteen aan dat zij er geapprecieerd werden.

Een intellectuele duizendpoot

Vanaf 1805 – hij was toen pas zestien - begon Forster met het aanleggen van twee registers, één over natuurfenomenen (in het Latijn) en één, een Journal of the Weather, waarin hij dagelijks de weersomstandigheden noteerde. Hij hield dit voor de rest van zijn leven vol. Die gegevens werden niet gepubliceerd, maar circuleerden wel onder de geïnteresseerde weerkundigen. Hij werd lid van de Astronomical Society en behoorde ook tot de initiatiefnemers voor de oprichting van een Meteorological Society. Deze laatste kwam niet van de grond. In 1819 ontdekte hij een komeet, maar het observatorium van Greenwich deed dezelfde ontdekking op hetzelfde ogenblik, dus veel roem zat er voor Forster niet in. Hij zou ook aangezocht zijn om lid te worden van de Royal Society, de meest prestigieuze onder de Britse wetenschappelijke verenigingen, maar om principiële redenen zou hij geweigerd hebben. Wat die redenen waren heeft hij nooit in zijn geschriften meegedeeld.

In 1808 publiceerde hij een studie over de zwaluwentrek, in 1811 over kometen (een tekst die hij verschillende keren zou herwerken en ook nog in Brugge opnieuw uitgeven)[25], in 1817 over de invloed van de atmosfeer op bepaalde ziekten, en tussendoor publiceerde hij vertalingen van Latijnse en Griekse dichters en Duitse liederen. Het zou ons te ver leiden om hier alle publicaties op te noemen die deze veelschrijver in het licht gaf[26] en waarbij hij zich van langsom meer begaf op het pad van de filosofie en van de spanning tussen het filosofisch denken en het godsdienstig geloof[27].

Als rechtgeaard Engelsman was hij ook geïnteresseerd in geesten, dromen en nachtmerries, en schreef hierover uitvoerig[28]. Als een soort voorloper van de psychoanalytici ontleedde hij dromen en gaf er allerlei verklaringen voor. Hij schreef ook over gotische architectuur in de Gentleman’s Magazine[29]. Voor dit tijdschrift schreef hij trouwens tientallen bijdragen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Verder publiceerde hij veel in The Pamphleteer en in de Philosophical Magazine. De Linnean Society heeft in haar archieven vijf handschriften van hem, met teksten van voordrachten die hij er voor zijn collegae hield. In al zijn geschriften gaf hij blijk van grote belezenheid. Hij citeerde de Bijbel, de Griekse filosofen en de Latijnse schrijvers, de kerkvaders, Lamennais, Erasmus, Goethe, Joseph de Maistre, Thomas à Kempis, de Oosterse filosofen, Ignatius van Loyola, Jacob Cats en  veel andere.

Forster was in zijn jeugd ongelovig geworden, maar had zich rond 1825 tot het katholicisme bekeerd, bij het begin van de beweging die nogal wat protestantse intellectuelen in Engeland en in Duitsland deze stap deed zetten[30]. Het was op het eerste gezicht een enigszins zonderlinge evolutie wat hem betreft, omdat hij nogal wat voorouders, familieleden en vrienden had die tot het ‘Genootschap der Vrienden’ of Quakers behoorden, godsdienstige beweging waar ook zijn vrouw en haar familie lid van waren en die onder meer door zijn non-conformisme en pacifisme iemand zoals Forster kon aanspreken. In het eerste kwart van de negentiende eeuw was de overstap voor een Engelsman naar het katholicisme niet vanzelfsprekend. Afgezien van de Ierse inwijkelingen, vooral in het Noorden, telde Engeland amper 60.000 katholieken. Die hadden sedert 1793 wel opnieuw burgerrechten, maar de politieke rechten werden hen tot in 1829 ontzegd, terwijl strafwetten tegen hen, formeel pas laat in de negentiende eeuw werden afgeschaft. Katholiek worden betekende zich afsluiten van een aantal carrièremogelijkheden aan de universiteit, in de politiek of in overheidsdienst[31].

Over de geopenbaarde Waarheid van de katholieke kerk heeft Forster heel wat geschreven[32]. Het belette hem niet om eerder onorthodoxe paden te bewandelen. Zijn filosofie was “Pythagoriaans[33]” verklaarde hij en hij vond ook dat het Brahmanisme[34] perfect in te passen was in de katholieke leer[35]. Forster geloofde duidelijk in reïncarnatie en was overtuigd dat ook in dieren een ziel aanwezig was.

Frenologie en dierenbescherming

Twee van zijn belangstellingsdomeinen verdienen aandacht. Het eerste was een in Duitsland ontstane theorie, die men tot een wetenschap wilde optillen, en aan wie Forster de naam van frenologie gaf, waarbij geestelijke eigenschappen in verband gebracht werden met de uitwendige schedelvorm. Hierop werden allerlei theorieën gebouwd, onder meer over de invloed van de schedelvorm op de hersenen en op het crimineel gedrag of over de “schedelknobbels” (de wiskundeknobbel bvb.!) waarin speciale hersenen zich nestelden[36]. Hij werkte hiervoor een tijd samen met Johan Spurzheim[37] (1776-1832), de voornaamste discipel van dokter Gall, de stichter van de frenologische theorie. Forster vergat trouwens niet dat hij geneesheer was en schreef ook heel wat over ziekten (onvermijdelijk over één van de plagen van de tijd, de cholera morbus) en over hun oorzaken, die hij vooral in de atmosfeer en de luchtvervuiling meende te vinden. Hij schreef ook medische werken voor het groot publiek[38].

Zijn tweede belangstelling ging uit naar dieren, meer bepaald naar honden. Forster schreef talrijke boeken, artikels, gedichten, waarin hij het leven van zijn trouwe honden “my only real friends” bezong. Hij ging verder en betoogde dat de dieren niet minder tot het Verlossingsplan behoorden dan de mensen en mee naar de Hemel zouden gaan; het was dan ook onaanvaardbaar dat de mens dieren zou slachten, laat staan opeten[39]. Forster werd derhalve vegetariër. Hij werd actief in de door zijn vriend Lewis Gompertz[40] gestichte Society of Animal Friends. Gompertz had in 1824 de (thans nog altijd bestaande en in 1840 Royal geworden) Society for the Prevention of Cruelty to Animals (RSPCA) opgericht[41]. Na enkele jaren kwam er ruzie vanwege enkele dominees die de principes van Gompertz te “Pythagoriaans” vonden. Hij trok als Jood aan het kortste eind en nam ontslag. In 1832 stichtte hij evenwel een concurrerend genootschap, de Society of Animal Friends, dat een grote vlucht nam en gedurende een aantal jaren belangrijker en invloedrijker was dan de SPCA.

Gompertz leidde de activiteiten van de vereniging en was daarnaast nog zeer actief als publicist over allerhande onderwerpen en vooral als uitvinder van talrijke technische verbeteringen, die er vaak op gericht waren het leven van dieren comfortabeler te maken. Aan Forster, die ‘honorary secretary for the exterior’[42] werd, liet hij de taak over om de vereniging in het buitenland te doen kennen en er leden en sponsors te zoeken. Forsters’ liefde voor de dieren beperkte zich niet tot honden. Zo schreef hij onder meer een ode aan twee tamme duiven “who were served up in a sauce for dinner” en een gedicht “On a mouse accidentally killed”, over een muis die vrij door het huis aan de Dyver kon lopen en de kruimels onder de tafel kwam eten, tot het diertje per ongeluk door de meid vertrapt werd[43].

De talrijke opzoekingen die Forster deed over de atmosfeer, brachten hem ertoe in 1816 samen met zijn universiteitsvriend, lord John James Percival in Schotland in de Highlands te gaan klimmen, later ook in de Alpen, en in 1831 een ballonvaart te ondernemen. Dit gaf dan weer aanleiding tot publicaties[44]. Met het bergbeklimmen trad hij in het voetspoor van zijn schoonvader, de specialist in nautische technieken en astronoom Mark Beaufoy (1764-1827), die in 1787 de eerste Engelsman was om de Mont Blanc te beklimmen[45].

Naar het Continent

In 1833 verliet Forster met vrouw en dochter de Britse eilanden om zich quasi permanent op het continent te vestigen[46]. Eerst woonde hij in de Koningsstraat in Brussel, vervolgens een jaar in Italië en daarna in Duitsland waar hij in 1835 een eerste autobiografie publiceerde. In Brussel was hij met andere Engelsen in contact, maar leerde er ook de grote promotor van de industrialisatie in België, Jean-Baptiste Jobard (1792-1861)[47] kennen: “un de plus ingénieux savants de Bruxelles” noemde Forster hem. Op 10 februari 1834 nam Forster deel aan een receptie op het koninklijk paleis[48]. Voordien, kort voor diens dood, kreeg hij ook John Bowring (1792-1833)[49] op bezoek[50], een andere van die “duizendpoten”: linguïst, schrijver, reiziger, filantroop, politicus en raadgever van de Britse en van andere regeringen.

In 1834 in Rome aangekomen, na een reis door Frankrijk en Italië, in de koets die hij hiervoor had aangekocht en speciaal ingericht, knoopte Forster direct contacten aan met Engelse residenten en met Italianen, waaronder astronomen en met een paar kardinalen, zoals Joseph Fesch, de oom van Napoleon, Giuseppe Mezzofanti en vooral Thomas Weld (1773-1837)[51], één van de eerste Engelse bisschoppen uit die periode, die nog vóór Nicolas Wiseman (1802-1865), Henry Newman (1801-1890) en Henry Manning (1808-1892) in het College van kardinalen werd opgenomen. Op 25 mei 1834 werd Forster in privé audiëntie ontvangen door Paus Gregorius XVI[52]. Hij ontmoette ook de gevluchte Portugese regent en troonpretendent Miguel (1802-1866).

In 1836 bezocht hij België opnieuw, ook Brugge (die hij wellicht al in 1819 bezocht had[53]) en het jaar daarop kwam hij, na een verblijf in Duitsland, in de Koningsstraat in Schaarbeek wonen. Hij bleef publiceren, onder meer talrijke geschriften ter ere en ter nagedachtenis van Shags, zijn meest geliefde poedel, die op 23 juni 1838 in Schaarbeek overleed en begraven werd[54].

Rond 1840 werd Forster zwaar ziek en keerde naar Engeland terug, waar de dokters vreesden voor zijn leven, maar na een lange herstelperiode in het kuuroord Tunbridge Wells kwam hij er weer bovenop. Was het om voortaan makkelijker en vlugger het Kanaal te kunnen oversteken dat hij in Brugge kwam wonen? Met de trein naar Oostende en met de pakketboot naar Dover, woonde hij op kortere afstand van Londen – waar hij af en toe heen ging – dan zijn vrienden in Noord-Engeland en in Schotland.

Forster in Brugge

Thomas Forster heeft meer dan tien jaar in Brugge gewoond en dit in omstandigheden die men als die van een welvarend man kan beschrijven. Hij woonde in een aanzienlijk huis, rustig gelegen op een binnenkoer en tuin, afgezonderd van het straatlawaai en met onbelemmerd zicht op de indrukwekkende toren van de Onze Lieve Vrouwkerk. Hij cultiveerde zijn hobby’s, publiceerde vaak in eigen beheer en moest duidelijk niet werken om aan de kost te komen.

Hij integreerde zich niet onaardig in het Brugs leven. Ook al staat hij pas op 17 augustus 1851 ingeschreven in het ledenregister van de Société Littéraire[55], werd hij wellicht al vroeger door vrienden geïntroduceerd, want hij schreef naar aanleiding van de revolutionaire bewegingen in 1848: “…and when we all meet at the Société to read the papers and hear the news, everybody’s face indicates the intense anxiety of his mind[56].”Alhoewel: de “Société” die hij in 1848 bezocht kon ook de “Société Anglaise” in de Steenstraat zijn, als die toen al bestond[57], of het kon bij zijn vroegere buurman en uitgever Ralfe zijn, die een leeskabinet openhield nadat hij naar de Korte Zilverstraat verhuisd was[58].

Op 13 october 1845 werd Forster lid van de Sint-Sebastiaansgilde. Twee jaar voordien had de Gilde het bezoek ontvangen van koningin Victoria en prins-gemaal Albert. Beide waren erelid geworden en hadden geschenken gestuurd naar de gilde, die toen een hoogtepunt bereikte van “Britishness”, zodat Forster zich in de Brits aandoende clubsfeer, met nogal wat Engelsen als leden, helemaal “at home” kon voelen[59].

Forster integreerde zich ook in het Brugs muziekleven. Het is wellicht door de kennismaking met andere musici dat hij de mogelijkheid kreeg om de beiaard in de Halletoren te bespelen[60]. Hij was een groot klokkenliefhebber en had al in zijn jonge jaren de beiaard in Edinburg bespeeld. In welke stad hij ook kwam, beklom hij de voornaamste toren om er de klokken te gaan bekijken en meteen van het vergezicht te genieten. Hij beloofde zelfs een geschiedenis van de beiaarden te schrijven, maar of hij het ook deed is niet duidelijk. Vooral werd hij spelend lid en wellicht stichter van de Société du Progrès Musical. Vanaf 1848 begon hij opnieuw intensief viool te spelen, wat hij in jaren niet gedaan had. Op 22 januari 1849 schreef hij aan zijn vriend Gompertz: “We have now at Bruges many concerts publick and private”. Brugge had inderdaad aan concertuitvoeringen geen tekort. Hiervoor zorgden onder meer de Société Philharmonique, de Concert de la Réunion Musicale, de Société des Choeurs, het koor L’Espérance en verschillende militaire of paramilitaire muziekformaties. Er waren zoveel muzikale mogelijkheden in Brugge dat de Journal de Bruges schreef: “Nous connaissons peu de villes où il serait possible de donner d’aussi beaux concerts qu’à Bruges, avec les ressources artistiques de la localité”[61].

Daarnaast waren er talrijke musici die Brugge op hun rondreizen aandeden. In de eerste maanden van 1849 waren dat bij voorbeeld de orkesten geweest van Batta, Mendi, Leonard, Jaëlle en Persani (allen in de vergetelheid verzwonden)[62], maar vooral het dertig man sterk orkest onder de leiding van grootmeester Johan Strauss, dat op 11 april een wervelend concert ten beste gaf[63]. Hierover vermeldde Forster niets in zijn gepubliceerde brieven en is het dus niet zeker dat hij de razend populaire componist en dirigent ging beluisteren. Van de meeste concerten hield hij niet zo, omdat men vooral “hasty unharmonious modern musick” speelde, daar waar hij het bij voorkeur hield bij Corelli, Purcell of Haendel[64].

Dan maar zelf een orkest oprichten vond hij. Op 9 april 1849 liet hij aan Gompertz weten: “We are forming here at Bruges a Société du Progrès Musical, (we are) just now engaged in its organisation, (and) we hope to bring it to a greater perfection than the generality of what are miscalled concerts”. Nog uitgebreider gaf hij de componisten aan die zijn voorkeur wegdroegen: Corelli, Haendel, Tartini, Purcell, Thomas Arne, Matthew Locke, Mozart en Beethoven[65]. Aan zijn zus Harriet schreef hij dat wanneer hij ’s avonds rond 21 uur terugkwam van de repetities van de Progrès musical, hij de schreeuwen kon horen van zwermen trekvogels die in het donker verloren vlogen, aangetrokken als ze werden door de lichten van de stad[66].

De muziek beoefenen (“my new hobby”) deed hij vooral om wat vrolijker te worden. Hij had immers in de voorbije maanden niet alleen het overlijden moeten betreuren van een oom en een nichtje, maar vooral van zijn geliefde hond Poski. Op 10 juni 1849 liet hij aan Gompertz weten dat hij “foreign secretary” van de muziekvereniging geworden was[67]. Op 10 september 1849 nam de vereniging, samen met de Société des Choeurs, de Saaihalle in huur en onder de leiding van de jonge architect Isidore Alleweireldt, werden onmiddellijk verbouwingswerken aangevat[68]. Wat later, op 21 october 1849 kon Forster met voldoening melden “I have quite a classical orchestra at our Société du Progrès Musical[69]. Op 28 november 1849 meldde de Journal de Bruges dat het orkest voor een talrijk publiek en op voortreffelijke wijze een gevarieerd en intelligent concert had gegeven. De orkestvereniging was blijkbaar al vlug ingeburgerd, want in december van hetzelfde jaar trok ze, samen met een aantal voorname Brugse verenigingen op in de huldestoet ter ere van de Bruggelingen Laureys en Pavot, laureaten van de Kunstacademie in Antwerpen[70].

Muziek en “entertainment”

Forster was met zijn persoonlijke collectie van bijna vijftig violen, in de Brugse muziekmiddens waarschijnlijk iets als een vedette. Hij deelde aan zijn vriend Gompertz alvast mee dat hij tijdens een concert in september op een zeventiende-eeuwse, weliswaar gerestaureerde Stainer gespeeld had die “much admired” geweest was[71]. Hij bleef waarschijnlijk in het orkest meespelen zolang hij in Brugge woonde. Op 20 januari 1850 schreef hij immers dat hij op zijn zestigste de jaren begon te voelen en zijn vier voornaamste bezigheden voortaan waren: “the orchestra, the refectory, the dormitory and the flower garden[72]”: musiceren, eten, slapen en van de tuin genieten. In een biografische nota die hij anoniem en in de derde persoon over zichzelf schreef, vermeldde hij o.m. dat hij verschillende stukken had gecomponeerd voor viool en basso continuo en ook vioolsonates van Corelli had bewerkt[73].

Forster hield zich daarbij ook intens bezig met het verzamelen en publiceren van Schotse liederen en ballades[74], terwijl hij zelf ook veel gedichten schreef en op muziek zette. Eén van die liederen was gewijd aan zijn hond Poski en werd vertaald (door hemzelf, schreef hij), in het Vlaams “pour faire chanter en Belgique”, met als refrein het koor van de honden dat zong:

Bow wow wow wow wow wow wowa
Bow wow wow wow wow wow wowa
Laet hem blaffen als hij wilt
Bow wow wow wow wow wow wowa[75].

Dat er in Brugge ten huize Forster vaak werd gefeest kan uit enkele gegevens opgemaakt worden. Zo opende hij zijn dichtbundel Philosophia Musarum met een lied dat hij maakte en dat gezongen werd op het Nieuwjaarsfeest van 2 januari 1845. Bij een andere gelegenheid werd het afscheid gevierd van de Engelse consul Robert Norry, die van Brugge naar Gent overgeplaatst werd en die tijdens de maaltijd een zelfgemaakt lied zong ter ere van Forster, “the king of Scottish verse[76]”. Dit gebeurde “on one of our Sunday evening’s soirées”, schreef hij, zodat die bijeenkomsten duidelijk een traditie waren in het gezin Forster. En op 27 december 1847 schreef Forster naar zijn zus Harriet: “Tomorrow we have a dinner party and on Sunday evening, one of our large routes[77], here called Soirées: all the world and his wife are coming, and we shall have dancing, music and cards[78]”.

De vrienden en kennissen van Forster in Brugge en daarbuiten.

De vraag wie die “all the world and his wife” wel waren, wie derhalve tot de vriendenkring van Forster in Brugge behoorde, moeten we op de uitzondering na van consul Norry, vooralsnog onbeantwoord laten. Dat hij een aantal mensen in Brugge nader leerde kennen, blijkt duidelijk uit zijn deelname aan het gezelschapsleven. “When we all meet at the Société” schreef hij immers. Waren dit meer dan oppervlakkige kennissen? Had hij vriendschap met John Steinmetz, met de Chantrells, met Octave Delepierre, met Thomas Harper King, met auteur Henry R. Addison, met tandarts Fiske Fay, met Charles en Mary Eyre? Allen woonden immers in dezelfde periode als Forster in Brugge. Wijst het schenken van zijn boeken aan de stadsbibliotheek op een goede relatie met stadsbibliothecaris Pierre Laude? Werd hij bevriend met de toenmalige stadsbeiaardier Louis Hubené? Was er meer dan een zakelijke relatie met zijn uitgevers Ralfe, Van de Casteele en De Moor? Had hij contacten met het Engels klooster, waar nog steeds een Stuartgezinde sfeer heerste, ondanks het bezoek van de Hannoverse koningin Victoria in 1843[79]? Kende hij, als dichter, de dichteres Catherine Napier, schoonmoeder van Delepierre, die haar gedichten bij zijn buurman Ralfe publiceerde[80]?

Hij had zeker een vriendenkring waartoe heel wat dames behoorden, waarschijnlijk echtgenoten of dochters van zijn vrienden. Zo schreef hij een gedicht voor de verjaardag van een “young lady Isabella” die in Brugge was komen wonen[81]. Het lied waar we het al over hadden, dat hij voordroeg op het nieuwjaarsfeest in 1845, was opgedragen aan een aantal vriendinnen, die hij erin bezong. Het ging om Marie-Jean, Annie, Bessie, Sophie en Augusta en in voetnota deelde hij mee dat “the parties complimented were present[82]”. Andere Britse residenten maakten dus zeer waarschijnlijk deel uit van zijn vriendenkring[83]. Trad hij ook op als gastheer voor Engelse bezoekers? Zou hij bij voorbeeld architect A.W.N. Pugin, apostolisch vicaris voor Londen Nicolas Wiseman[84] of natuurkundige Charles Waterton in die periode ontmoet hebben of zelfs te gast gehad hebben?

Hij ontving alvast nu en dan bezoekers met wie hij naar de musea trok. In juni 1844 bezocht hij het museum van het Sint-Janshospitaal samen met twee Engelse geneesheren, een Mr Sauler en een Mr Th. Davies, een rentenierster Miss Wimm en een Miss Wollaston die tekende als “poétesse”[85]. Op 28 mei 1845 begeleidde hij drie Engelse gentlemen, Mr Debay, Mr Robert Reid en scheepskapitein Poulsen[86] naar het zelfde museum. Ongetwijfeld zullen nog andere Engelsen, tijdens hun bezoek aan Brugge, bij hem terecht zijn gekomen[87].

Waar zekerheid over bestaat, is over een aantal van de vrienden en relaties van Forster buiten Brugge, waar hij briefwisseling mee onderhield. We vermeldden net Waterton (1782-1865), die als katholiek vaak naar Brugge kwam en familiale banden had met zuster Charlotte Bedingfield in het Engels klooster[88]. Waterton verwierf in zijn tijd internationale bekendheid als natuurkundige en ontdekkingsreiziger[89]. Forster was voldoende met hem bevriend om hem een opinie te vragen over het dichtwerk van zijn dochter Selena en Waterton stuurde een uitgebreide appreciatie, ook al schreef hij dat niets hem meer verveelde dan brieven te moeten beantwoorden[90].

Minstens een korte periode, in 1836, was Forster in briefwisseling met de Franse priester en filosoof Félicité de la Mennais (1782-1854)[91].

Op een Vrijdag in September 1843 was het Joseph Wolff (1796-1862) die, vanuit het Hotel du Commerce, liet weten dat hij de volgende dag, samen met zijn vrouw Georgina, met plezier zou ingaan op de uitnodiging van Forster om de avond bij hem door te brengen[92]. Wolff was in zijn tijd een bekende personaliteit, onder meer doordat hij zich als jood tot het christendom had bekeerd en met sterke steun van de generaal van de Redemptoristen in Rome katholiek seminarist werd, waarin hij evenwel niet volhardde. Hij werd daarna predikant bij de methodisten en nog later, na zijn huwelijk met Lady Georgina Walpole, anglicaans dominee en missionaris. Zijn boeken werden gretig gelezen en hij verwierf een aanzienlijke reputatie, die mee te danken was aan zijn goede aanleg voor publiciteit. Hij liet zich graag “de protestantse Franciscus Xaverius” noemen. Op het ogenblik van zijn bezoek aan Forster stond hij op het punt opnieuw een zendelingenreis naar Azië te ondernemen[93].

Zoals blijkt uit de brieven en ook uit de gedichten die hij publiceerde, was Forster met nog veel andere intellectuelen in contact. Een jeugdvriend van hem was Basil Montagu (1770-1851)[94]. Deze natuurlijke maar erkende zoon van de aristocraat lord John Montagu, was advocaat, filantroop, en auteur van talrijke geschriften over de meest uiteenlopende onderwerpen. Op dit gebied zowat een gelijke van Forster[95]. William Anderson (1766-1846), die net als Forster Jacobitische antecedenten had, was de conservator van Chelsea Gardens[96]. Godfrey Thomas Vigne (1801-1863) was een wereldreiziger die hierover succesboeken schreef[97]. James Ebenezer Bicheno (1785-1851) was een productief auteur over botanica, maar ook over sociale problemen, armoede of wetgeving[98]. Forster beschouwde hem als een van zijn leermeesters[99]. John Thelwall (1764-1834) was aanvankelijk een aanhanger van de Franse revolutie en zette zich naderhand, samen met zijn vriend Thomas Hardy in voor politieke hervorming in Engeland. Hij stichtte ook een school voor stotteraars, waar hij grote bekendheid door verwierf[100]. William Cobbett (1762-1835) was politicus, essayist en terzelfder tijd ook zeer geïnteresseerd in alles wat met landbouw te maken had[101].

Luke Howard (1772-1864) was één van de stichters van de weerkunde als wetenschappelijk vak. Daarnaast was hij dierenbeschermer en voerde hij onder meer campagne tegen slavenhandel en tegen het vloeken en drinken[102]. William Lambe (1765-1847), vegetariër en armengeneesheer, was vooral bekommerd om de gezondheid van het water, waar hij talrijke opzoekingen over deed en studies over schreef en had briefwisseling met Forster met betrekking tot zijn behandeling van kankergevallen[103]. Lord Peter King[104](1776-1833) was onder meer de biograaf van John Locke. Frederic Herschell [105](1792-1871) (“my learned friend”), was astronoom en voortzetter van het werk van zijn vader, de grote Herschell, die onder meer de planeet Uranus ontdekte. Francis Maseres (1731-1824) (“mon ami le baron”) was mathematicus en historicus[106]. Charles König was één van zijn peters in de Linnean Society geweest. Alsof dit nog niet genoeg was, vermeldt Forsters’ biografische notitie in de Dictionary of national biography dat hij persoonlijk bevriend was met de grote dichter Shelley, met de natuurwetenschapper en botanicus John Gray, met de classicus Richard Porson, met de geneesheer en letterkundige Thomas Peacock en met de mineraloog en geleerde professor in Cambridge William Whewell[107]. Veel van die relaties en vrienden waren, zoals Forster, lid van de Linnean Society.

Forster vermeldde ook onder zijn vrienden Abraham Greenwood “my old friend and patron”, die hem ingewijd had in het verzamelen van instrumenten en een majoor Anstruther die in Brussel woonde en die de heiligenlevens had vertaald, in de twaalfde eeuw geschreven door de monnik Jocelin[108]. Er was ook nog zijn schoonbroer Henry Beaufoy (1786-1851) die in het voetspoor van zijn vader liep en astronoom werd. Forster hield hem in hoge achting, en schonk hem al zijn handschriften, inclusief het manuscript van John Locke’s Essay concerning human understanding, dat hij van zijn vader geërfd had[109].

En tenslotte was er nog de filosofe Lady Mary Shepherd, met wie Forster vriendschap aanknoopte na het lezen van haar Essays on the perception of an External Universe[110]. Aan haar droeg hij zijn voornaamste dichtbundel op, omdat hij in filosofische gesprekken met haar “passed some of the happiest moments of my life”[111]. Mary Shepherd (1777-1847) behoorde tot hoge Schotse adel. Haar vader was Neil Primrose, derde graaf van Rosebery en de familie leverde talrijke parlementsleden, bekleders van hoge ambten en zelfs een eerste minister. Haar man, de jurist Henry Shepherd (1783-1845) behoorde tot een Schotse familie van wetsgeleerden en bekleders van hoge ambten[112]. Zij werd vooral bekend en wordt thans nog bestudeerd omwille van haar kritiek op de Schotse filosoof David Hume[113].

Uit dit alles blijkt duidelijk dat Forster in Brugge niet in afzondering leefde en door zijn intense briefwisseling wellicht evenveel intellectuele contacten en discussies had als zou hij in Engeland, zelfs in Londen gewoond hebben. De meeste van zijn correspondenten zijn thans nog alleen in Britse of Angelsaksische academische kringen bekend, maar zoals de uitgebreide levensberichten in biografische woordenboeken aantonen, waren ze in hun tijd belangrijke en invloedrijke personaliteiten, die door daad en in geschrift invloed op de samenleving uitoefenden en tevens hun bijdrage leverden tot de vooruitgang van de wetenschap. Forster wist wie hij koos om in zijn publicaties als correspondenten of vrienden te worden opgevoerd.

De familiale context

Er dient aan toegevoegd dat Forster in een intellectueel en, zelfs naar Engelse maatstaven, origineel milieu was opgegroeid, waardoor hij een aantal contacten als het ware erfde. Zijn grootvader Edward Forster[114] (1729-1812), beroepshalve bankier, en onder meer gouverneur van de Royal Exchange en bestuurder van de London Docks, onderhield van op zijn landgoed een drukke correspondentie met een aantal intellectuelen, onder meer met de historicus en oudheidkundige Richard Gough[115] (1735-1809). Een aantal van de brieven uit de nalatenschap van zijn grootvader werden door Forster gepubliceerd. Die zelfde grootvader had tijdens zijn bankiersopleiding in Amsterdam een aantal brieven van de filosoof John Locke in zijn bezit gekregen. Ook die werden door Thomas Forster gepubliceerd[116]. De moeder van Edward Forster was de kleindochter van Benjamin Furly, die deel uitmaakte van een groep vrienden, waar John Locke, de Quaker William Penn, stichter van Philadelphia en Pennsylvania en de republikein Algernon Sidney toe behoorden[117]. Ook over deze relaties bestonden brieven die Thomas Forster publiceerde[118].

Zijn vader Thomas Furly Forster[119] (1761-1825) was tekenaar, verzamelaar van schilderijen, boeken en munten en vooral voortreffelijk botanicus. Hij publiceerde een boek over de flora in de omgeving van Tunbridge Wells, dat zijn zoon later opnieuw uitgaf[120]. Hij was ook de fiere bezitter van het origineel manuscript van Locke’s Essay concerning human understanding dat na zijn dood bij zijn zoon Thomas terecht kwam.

En dan waren er ook nog de grootoom en de beide ooms van Thomas. De grootoom Benjamin Forster (1736-1805) leefde in Cornwall als een excentrieke en weinig orthodoxe dominee, wiens honden en katten altijd mee aan tafel aanzaten, zelfs wanneer hij gasten had[121]. De oom Benjamin Meggot Forster[122] (1764-1829) was uitvinder, filosoof, voorvechter van vrouwenemancipatie en veel andere dingen meer: hij was de voornaamste opvoeder van Thomas Forster, die hem vaak tot voorbeeld nam. De tweede oom Edward Forster[123] (1765-1849), was bankier, maar vooral botanicus en werd vice-voorzitter van de Linnean Society[124]. Deze vereniging, bewaarder van de verzamelingen van de grote Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus, was één van de belangrijke centra waar de Engelse geleerde gentlemen mekaar op het einde van de achttiende en in de negentiende eeuw ontmoetten[125]. Ook door zijn afkomst en wat die allemaal betekende, was Forster dus ver van een alledaags man.

Het dagelijks leven van Forster in Brugge

Forster woonde stijlvol, op één van Brugges’ mooiste plekken, in een huis van stand en met geschiedenis, met overweldigend uitzicht op de majestueuze toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk. Als goed katholiek vervulde hij zijn godsdienstige plichten. Zo schreef hij op Kerstdag 1847: “We arose by lamplight and at 6 o’clock Betsy, Peaky, Anna and I went to hear three masses in Notre Dame and in the Cathedral, Julia still lying in bed with a headache[126]”.

Hij beschreef als volgt de dagelijkse routine: “I rise early, light my fire, breakfast at 8, walk, take nothing all day save a cup of tea, which the maid brings me into my room at one, dine at 5 o’clock, then we drink coffee and tea and stargaze[127] or read half the night; or my daughter reads while I sit in my arm chair and smoke my long Turkish pipe.” Veel van de dagelijkse bezigheden draaiden rond de honden: Poski, de setter en Zampa en Anker, de poedels, die op het bed van de meester sliepen, namen heel wat van zijn tijd in beslag, want hij moest dagelijks met hen op wandel[128].

Dit belette niet dat hij op intellectueel vlak een heel actief leven bleef leiden. Hij had in huis zijn privé sterrenwacht en bracht halve nachten door met “stargazing”[129]. Hij noteerde bestendig observaties over vogels, bloemen en planten (hun eerste lenteverschijning bvb.), en stuurde die naar de Koninklijke Academie voor Wetenschappen in Brussel, waarvan hij briefwisselend lid was[130] en die ze samen met andere publiceerde. Verder was hij ook actief in het noteren van de wisselende weersomstandigheden. Dit gaf dan aanleiding tot allerhande publicaties en briefwisseling. Dit laatste nam soms dergelijke proporties aan, dat Forster met schrik de komst van de postbode tegemoet zag, die alweer een heel pak te beantwoorden brieven zou brengen.

In totaal publiceerde hij in zijn Brugse periode een tiental boeken. Die vermeldden als drukker of uitgever: de Albion Library, de drukkerij Van de Casteele-Werbroeck of de drukkerij Corneille De Moor. De Brugse stadsbibliotheek bezit heel wat van de boeken en brochures van Forster en die zijn er waarschijnlijk door hem zelf terecht gekomen. Er zijn er verschillende met de opdracht “A la Bibliothèque de Bruges, de la part de l’auteur (get) T. Forster”. Bij dit alles was hij ook nog botanicus en zorgde voor zijn tuin, die hij bij voorkeur voorzag van “traditionele” bloemen en planten (“Ik ben een volgeling van Clusius en Boerhaave”, schreef hij), liever dan van modieuze nieuwigheden[131].

Forster was ook een verwoed verzamelaar[132]. Hij had uiteraard een aanzienlijke bibliotheek[133]. Hij had een grote collectie speelgoed, onder meer poppen, die hij al vanaf zijn kinderjaren had aangelegd; hij bezat meer dan honderd tollen van alle slag en soort; hij verzamelde ook kleine klokken, lampen, tinnen soldaatjes en vliegers[134]. Zijn voornaamste en meest waardevolle collectie was die van violen. Vooral tijdens zijn verblijf in Brugge groeide de verzameling aanzienlijk, totdat hij veertig violen, vier altviolen en drie cello’s bezat. Hij kocht ze zowat overal, maar de meeste kwamen toch van Arthur Betts in Londen en van Vuillaume[135] in Brussel. Voor zo een goede klant brachten ze persoonlijk de bestellingen naar Brugge. Twee violen kocht hij in Brugge bij een Mr Millet[136]. Behalve een Stradivarius, waren er instrumenten bij van talrijke grote factors: Stainer, Amati, Bergonzo, Guarneri, Regeri, Gagliano, Magini, etc. In de inventaris die hij ervan publiceerde was hij heel precies in het aanduiden bij wie en wanneer hij elk exemplaar gekocht had en in het beschrijven of het om een origineel, een zwaar gerestaureerd origineel of een kopie ging[137]. De verzameling inspireerde hem tot het schrijven van uitgebreide studies over de geschiedenis van de vioolbouw[138]. Na zijn dood werd de verzameling, samen met Forsters’ teleskopen en astronomische instrumenten, bij Christie verkocht[139].

Waar hij in Brugge ook voor bleef werken was de ‘Society of Animal Friends’, waarvan hij de buitenlandse secretaris bleef. De briefwisseling met de voorzitter, zijn vriend Lewis Gompertz, was de meest drukke. Hij adverteerde ook dat men buiten Engeland de financiële steun voor de vereniging kon overmaken aan de Brugse bankiers bij wie hij een rekening had[140]. Nog maar pas in Brugge liet hij in een Brugse Almanak voor het jaar 1843 een lange tekst in het Nederlands opnemen (door hem zelf in die taal geschreven, deelde hij mee), over de manier waarop de mens de hond moest behandelen[141]. In de loop der jaren schreef hij brieven naar allerhande prominenten, onder meer naar paus Pius IX, aan wie hij vroeg zijn invloed te doen gelden om in het katholieke Spanje de stierengevechten te doen verbieden en om in de kerken over gans de wereld jaarlijks op 17 januari, feest van Sint Antonius, een sermoen tegen de dierenmishandeling te houden[142]. Toen de dichter Lamartine, na de revolutie van 1848 minister werd, kreeg hij ook een uitgebreide missive met mededeling van wat de dierenvrienden van hem en zijn regering verwachtten[143].

Forster kwam niet alleen op voor de dieren, maar was ook voorstander van vrouwenemancipatie[144], verdediger van de Ieren[145], tegenstander van adellijke titels[146]en bestrijder van de doodsstraf[147].

Vertrek uit Brugge

Op 24 september 1850 huwde Selena Forster, de enige dochter van het echtpaar Forster-Beaufoy, die net als haar vader dichterlijke aanleg had[148], met kunstschilder Philip Alexander Jules Storms (1817-1856)[149], zoon van het echtpaar Jean Storms-Berenbroek, Brabantse grondeigenaars. Zij was 32, hij was 33[150]. Het kerkelijk huwelijk vond plaats in de Brugse Onze-Lieve-Vrouwkerk. Ze gingen een ruim kasteel bewonen dat aan de ouders Storms toebehoorde, het Hof Vennenburg in Deurne bij Antwerpen[151]. Waarschijnlijk kon Forster haar van een mooie bruidschat voorzien, vooral nadat hij kort daarvoor enig erfgenaam was geworden van zijn kinderloos gestorven oom Edward.

Thomas Forster en zijn vrouw bleven nog twee jaar in Brugge wonen[152]. In december 1852 verhuisden ze naar Elsene en betrokken een huis aan de Waterloolaan[153]. Hun dochter en schoonzoon die één en weldra twee zoontjes hadden, kwamen enkele maanden bij hen inwonen[154]. Eindelijk kreeg Forsters’ echtgenote haar zin: zij die er niets op tegen had dat een hond de ganse nacht blafte, kon in tegenstelling tot haar man, het klokkengelui in Brugge niet uitstaan[155] Forster was tegen die tijd een oude man geworden, die schreef: “My life has been one of almost perpetual labour, in so much that I often felt like a chandelle épuisée[156].

Het huis C 18-40 bleef geruime tijd onbewoond, althans was niemand op dit adres ingeschreven. In 1856 nam vicaris generaal Jan Faict (1813-1894) er zijn intrek. Hij was een jeugdvriend en schoolkameraad van Charles van Caloen, in het Klein Seminarie in Roeselare. Toen Faict in 1864 bisschop werd, kwam vicaris generaal Antoine Wemaer (1812-1875), de mentor “in politicis” van Guido Gezelle, het huis bewonen[157].

Na de verhuis heeft Thomas Forster waarschijnlijk weinig of niets meer gepubliceerd[158]. Hij had nochtans verschillende vervolguitgaven in het vooruitzicht gesteld op zijn Annales d’un physicien voyageur, waarin hij jaar na jaar zijn activiteiten en ervaringen zou meedelen, tot en met zijn Brugse periode. Hij overleed in Elsene op 2 februari 1860. “He was a man of eccentric habits and views and an accomplished linguist” zo herinnerde men zich hem in de Linnean Society[159].

Forster en Brugge

Thomas Forster was een niet onbelangrijk Engelsman, althans in intellectuele milieus en derhalve een interessant lid van de Engelse kolonie in Brugge in het midden van de negentiende eeuw. Hij woonde er in een periode van crisis en ellende[160], maar hierover vinden we niets in zijn gepubliceerde geschriften terug. Woonachtig in het chique centrum van Brugge had hij waarschijnlijk weinig contacten met de arme bevolking uit de volkswijken. Daarbij vond hij dat het hier allemaal nogal meeviel, in vergelijking met Engeland[161]. Zoals wel meer voorkomt bij extreme dierenliefhebbers (moest hij thans leven zou hij waarschijnlijk sympathiseren met Gaia of met de Animals Liberation Army), was hij wellicht iets minder bekommerd om het menselijk leed.

De personaliteit die Forster was, levert een bijkomend element om aan te tonen dat de Engelse kolonie in Brugge niet enkel bestond uit gepensioneerde officieren, oude vrijsters en weduwen of heren “waarvan de financies niet in orde waren“[162], die in Brugge een goedkoop onderdak zochten, maar dat interessante en actieve personen er deel van uitmaakten. Hun reden om op het continent te wonen was vaak te vinden in hun katholieke geloofsovertuiging die ze hier gemakkelijker konden beleven, of in het opzoeken van een gezonder klimaat voor een door ziekten geplaagd lid van het gezin. Dit laatste lijkt, omwille van de zwakke gezondheid van zijn vrouw, de hoofdreden te zijn geweest voor Forster. Ook bij hem kan natuurlijk de drang meegespeeld hebben, aanwezig bij veel Engelsen, vooral onder de intelligentsia, om uit het eiland los te breken, ook al bleven ze, om het even waar ze neerstreken, op en top Englishman. Dat het leven op het Continent voor een aantal zaken goedkoper was dan in Engeland was supplementair een aangename meevaller, ook al kan dit bij Forster, die een hoge huishuur betaalde en op korte tijd een aanzienlijke verzameling kostbare strijkinstrumenten aanlegde, moeilijk een rol gespeeld hebben.

Onze kennismaking met dit tot hiertoe niet in het daglicht gesteld lid van de Engelse diaspora in Brugge, sluiten we af met een tekst van hem, die niet in de verzamelingen met beschrijvingen van onze stad voorkomt en naar onze mening verdient in toekomstige anthologieën te prijken. Die tekst geeft Forsters’ algemene indruk weer over de stad, vooral gekleurd door zijn grote belangstelling voor de vogels, de planten en de bloemen die hij er aantrof. Zijn beschrijving is alvast vriendelijker dan die van zijn Duitse naamgenoot Georg Forster[163], die van de stad alleen maar doodse verlatenheid had onthouden. Men moet in Brugge wonen om de clichés van de haastige bezoeker te overstijgen[164]!

BRIEF VAN THOMAS FORSTER AAN ZIJN ZUSTER HARRIET LLOYD-FORSTER.

Bruges, 27 december 1847.

This is a curious old town: I wish you would come and see it, and us in it. The old city is built in the antient style, the houses with zig zag gable ends towards the streets, at the corners of which stone images or basso relievos of the Virgin and Child, fixed as high as the first story, have lamps or lanterns burning before them. Before these Madonnas few people now kneel, as in Italy.

The churches are clumsy and the steeples prodigiously ugly and grotesque: their huge bells annoy Julia much: for what with their deep tones heard at canonical hours, from 5 in the morning till seven at night, and the ting tang of above 30 convent tintinabulla, together with the musical chimes every quarter of an hour and the carillons at noon, one has scarcely a minute of rest from their sound. Any antiquary might write a Campanologia at Bruges, without ever going beyond the Gates.

Canals and ditches cut the town in various places and also surround it. In these, in summer, the white and yellow water lilies Nymphea Alba, and Nymphea luteum abound, and later, Menianthes Nymphoides adds it yellow, in certain places; while Polygonum amphibium is found in the canal near the Ostende Gate. In the Minnywater, behind the Beggynhoff, grows the Water Soldier, Stratiodes Aloides; the banks have the usual complement of syngenisious blossoms, but in general Bruges is not rich in its Flora.I am speaking, alas, of summer; at this time it is most dreary.

The swallows all leave us at Michelmas and the Swifts about Lammas tide. The Robin, so rare a bird in Belgium, is seen here, but not numerously as in England.

People here rise early and go to mass before breakfast, in winter in the dark, or with Lanterns, like Gudula. Every concert, play or rout in the town, begins about 6 and ends at half after nine.

Priests, Nuns and Friars of Orders Gray walk about the streets, as do barefooted Carmelites.

The figure of the holy Virgin trampling the serpent is seen in every nook, and in many shops candles are burning before her picture: you might indeed fancy you were living in the middle ages, instead of the year 1847, as everything wears the exterior garb of sanctity.

The strangest feature in this place is the Saturday’s market where every article, new and old, belonging to domestick oeconomy is brought to sale in the streets, which are covered with old iron, pots and pans, brooms and all the articles of Rag Fair.

The Fish Market is part under cover, but beside this, and the booths in the Grand Place, all the market is open and the squares are full of bowls, glass, crockery ware and house utensils.

In May we have a general fair, and an equestrian circus; besides, a particular fair for crockery called the Pot Fair, on the Dyver where we live.

Every maried person in West Flanders takes his wife’s name, so that I should be described as Monsieur Forster-Beaufoy and you as Madame Lloyd-Forster.

There is little peculiarly in dress, except the large black cloth cloak and hood which the women wear: our Mimie had one of them: upper servants wearing chapeaux in the street are considered as of a superior sort.

I would fein give you an account of the ornithology of this country, as you are fond of birds. The Robin Redbreast is a rare bird here, though more common here than he is higher up the country: at Bruxelles there are none of them. We have all your favorite Titmice, even the Tailpye at periods: the Blue Tomtit comes to eat at my window with the Sparrows, the Marsh Titmouse and the Green Titmouse are also seen. The Royston Crows come here in the winter and the Jackdaws are numerous all the year about steeples. Rooks are hardly known: the nearest rookery is a hundred miles off.

Crows and ravens are sometimes seen: there is a large heronery about seven miles from hence, the Herons come to it in the Winter, pair, build and rear in the lofty trees and migrate somewhere late in the summer. Storks, who are so common in Holland where they build on tops of the houses, are here only seen occasionally.

Geese are very rare here, Ducks both tame and wild plentiful. But the most remarkable feature in this town consists in the Swans; many hundreds of these magnificent waterfowls are kept on the canals in and about the city; they are housed in hard wintry weather, but they swim about all the rest of the year majestically in our waters.

I need not tell you that we have no Cranes; but sometimes Divers, Peewits, Plovers and other water and sea birds, and even the Little Bastard has been found. Last month two Sea Eagles were taken at Ostende and on the 29th last November I saw an immense bird flying among the Jackdaws around Notre Dame tower which might have been one of this sort. Kestrels are common here, and sometimes the Peregrine Falcon appears on the top of the Halle au Blé. Pheasants are not found here, though Partridges are plentiful, and in the season, at times, come Woodcocks and Snipes. There is a small bird of the Dotterel kind with a white ramp, that flies rapidly along the canal, whose species I cannot make out. In the same canal I often see the Kingfisher, while Zampa and I are taking our mornings walks and I listening to the Cuckoo’s note, full of childhood’s recollections, or tracing the Swifts, Swallows, Martlets and Bank Martins in their manifold ambages and turns over the meadows.

Brugge, 27 december 1847

Dit is een merkwaardige oude stad: ik wenste dat u ze kwam bekijken, met ons er in. Het oude stadscentrum is in historische stijl gebouwd, de huizen met trapgevels aan de straatkant en met op de straathoeken, ter hoogte van de eerste verdieping, stenen beelden of bas reliëfs met de Maagd en het Kind, met ervoor brandende lampen of lantarens. Er wordt voor die Madonna’s weinig geknield, zoals het in Italië nog gebruikelijk is.

De kerken zijn onelegant en de torenspitsen erg lelijk en grotesk. Hun grote klokken werken Julia behoorlijk op de zenuwen. Men hoort hun zwaar geluid op de uren voor de getijden, van 5 uur in de morgen tot 7 uur in de avond, en daarbij komt nog de ting tang van zowat dertig kloosterklokjes. Dit en het muzikaal gebeier om het kwartier en het beiaardspel op de middag, geeft u nauwelijks een moment respijt van het klokkengelui. Een klokkenspeldeskundige zou hier een Campanologie kunnen schrijven, zonder buiten de poorten van de stad te gaan.

Kanalen en grachten verdelen de stad in wijken en lopen ook rondom de stad. In de zomer vindt men overvloedig de witte waterlelie (Nymphea Alba) en de geleplomp (Nymphea luteum) en later op het jaar voegt de watergentiaan (Menianthes Nymphoides) er hier en daar zijn gele kleur aan toe; in het kanaal bij de Ezelpoort vindt men de veenwortel (Polygonum Amphibium). In het Minnewater, achter het Begijnhof groeit de krabbescheer, (Stratiodes Aloides); de oevers zijn begroeid met het gewone complement van spontane bloesems, maar over het algemeen heeft Brugge geen rijke flora. En dan heb ik het helaas over de zomer; op huidig moment is het helemaal oninteressant. De zwaluwen trekken hier weg met Sint-Michiel (29 september) en de gierzwaluwen al met Sint-Pietersbanden (1 augustus). Het roodborstje, zeldzaam in België, is hier te zien, hoewel niet zo talrijk als in Engeland.

De mensen staan hier vroeg op en gaan naar de Mis voor ze ontbijten, ’s winters in het donker, met lantarens zoals Gudula. Ieder concert, theaterstuk of avondfeest begint tegen 6 uur en eindigt om halftien.

Op straat ziet men priesters, nonnen en kapucijnen lopen en ook ongeschoeide karmelieten.

Het beeld van de Heilige Maagd die de slang vertrappelt is op elke hoek te zien, terwijl in heel wat winkels kaarsen branden voor haar beeltenis: je kan je in de Middeleeuwen wanen, in plaats van in het jaar 1847, want alles draagt hier het uitwendig gewaad van heiligheid.

Het meest eigenaardig aspect is hier wel de Zaterdagmarkt waar alles wat nodig is voor het huishouden, nieuw en tweedehands op straat te koop is. Die is letterlijk bezaaid met oud ijzer, potten en pannen, bezems en alle artikelen van een voddenmarkt.

De Vismarkt is gedeeltelijk overdekt, maar behalve dat en de kramen op de Grote Markt verloopt het marktgebeuren in open lucht en staan de pleinen vol met kommen, glaswerk, aardewerk en huisraad.

In de maand Mei is er de algemene kermis met een paardencircus. Daarnaast is er een speciale foor voor aardewerk, de potaarde kermis genaamd, die plaats heeft op de Dyver waar wij wonen.

Ieder gehuwd persoon draagt in West-Vlaanderen ook de naam van zijn vrouw. Ik zou dus Mijnheer Forster-Beaufoy zijn en jij Mevrouw Lloyd-Forster.

De kledij vertoont weinig typische kenmerken, met uitzondering van de brede zwarte mantel en kap die de vrouwen dragen; onze Mimie had er zo een. Hogere bedienden die op straat een hoed dragen worden als superieur beschouwd.

Aangezien je graag vogels ziet zou ik te kort schieten als ik je niets zou melden over de ornithologie in deze streek. Het roodborstje is hier zeldzaam, maar toch minder dan verderop in het land: in Brussel vindt je geen enkel. Al je favoriete mezen zijn hier aanwezig, soms zelfs de staartmees. De pimpelmees komt eten aan mijn venster samen met de mussen, soms met de moerasmees en de groene mees. De Royston kraaien overwinteren hier en de kerkkauwen zijn gans het jaar door talrijk rond de torenspitsen. Roeken zijn zeldzaam: de dichtst bijgelegen roekenkolonie bevindt zich op honderd vijftig kilometer van hier.

Kraaien en raven zie je hier soms. Op tien kilometer van hier is er een reigerhut; de reigers strijken er in de winter neer, paren er, bouwen hun nest en kweken er hun jongen in de hoge bomen. Op het einde van de zomer trekken ze naar elders. Ooievaars die men overal ziet in Holland, waar ze hun nest bouwen op de daken van de huizen, zie je hier maar af en toe.

Ganzen zijn hier zeer zeldzaam, wilde en tamme eenden zijn er daarentegen in overvloed. Het merkwaardigste element in deze stad zijn de zwanen; men houdt honderden van die prachtige watervogels op de grachten in en rond de stad; bij harde winter worden ze binnen gehaald, maar voor het overige glijden ze het ganse jaar majestatisch over onze wateren.

Ik hoef je niet te vertellen dat we hier geen kraanvogels hebben; soms zien we wel duikers, kievieten, pluvieren en andere water- en zeevogels. Zelfs de bastaardnachtegaal werd hier opgemerkt. Vorige maand heeft men twee zeearenden gevangen in Oostende en op 29 november zag ik tussen de kauwen rond de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk een heel grote vogel vliegen, die wellicht van dezelfde soort was. Torenvalken zijn hier talrijk en soms verschijnt de trekvalk op het dak van de Hallen. Fazanten vind je hier niet, wel veel patrijzen en in het seizoen, snippen en houtsnippen. Langs het kanaal zie ik een vogeltje snel voorbijvliegen; het is een soort morinelplevier met een witte buik, maar ik kan niet precies uitmaken welk soort het is. Wanneer ik met Zampa onze ochtendwandeling maak, zie ik vaak de ijsvogel, terwijl ik luister naar de koekoek die zoveel jeugdherinneringen bij me oproept, of terwijl ik de zwaluwen en de torenzwaluwen, de gierzwaluwen en de oeverzwaluwen gadesla in hun onophoudende slingervluchten over de weiden.

Uit:

Epistolarium or the correspondance of the Forster family, letters and essays. Printed for private circulation only. Volume 2, Bruges, printed by C. De Moor, Philipstockstraat, 1850, blz 118-122[165].


[1]  Datum door hem vermeld in: T. FORSTER, Annales d’un physicien voyageur, Brugge, 1851. In de bevolkingsboeken 1830-1846 en 1846-1866 werd hij geregistreerd op 25 juni 1842. In het archief Van Caloen, kasteel Loppem, (IR 76, handboek der goederen) wordt hij als huurder vermeld met ingang op 18 mei 1842.

[2] De geboortedatum van Selena Forster is niet duidelijk: haar vader vermeldt in zijn autobiografie: 1817, haar echtgenoot Philip Storms vermeldt in een notaboekje: 26 januari1818 (datum ook vermeld op de huwelijksakte) en op haar doodsprentje staat: 6 februari 1819.

[3]  Het gaat om de kadasternummers  C 251 (1472 m², C 18-39) en 252 (662 m², C 18-38), eigendom van de familie Van Caloen, thans Dyver 10-11, zetel van het Europa College. Van Caloen bezat ook het nummer  C 253 (thans, samen met C 254 Dyver 9, eveneens Europa College). De eigendommen aan de Dyver, samen met achterliggende eigendommen in Groeninge behoorden in de achttiende eeuw aan Pierre de Potter (1759-1824) en zijn echtgenote Marie Maroucx. Daar woonde tot aan de dood van de echtgenoot in 1824, ook hun zoon Louis De Potter (1786-1859), de bekende revolutionair van 1830. Hoewel hij in 1830 niet meer in Brugge woonde, werd tijdens de septemberdagen een Brabantse vlag voor het huis geplant. In de verdeling van de goederen kwamen de eigendommen aan de Dyver toe aan zijn zuster Marie, gehuwd met Joseph van Caloen. Het dubbelhuis, herbouwd in het eerste kwart van de negentiende eeuw, telde twaalf venstertraveeën met daarbij nog aan weerszijden twee brede poorttraveeën.

[4]  A. VAN DEN ABEELE, The Albion Library, in: Biekorf.

[5] L. SCHEPENS, De provincieraad van West-Vlaanderen 1836-1921, Tielt, 1976, blz 413-415.

[6]  idem, blz 575-576.

[7]  SAB, bevolkingsboeken 1846-1866.

  J. van CALOEN, Histoire généalogique de la maison de Calonne et van Caloen en Tournaisis et au comté de Flandre, Brussel, 1959, blz 308 en volgende.

[8]  Tot in 1856 (tijdstip waarop het kasteel in Loppem gesloopt werd om vervangen te worden door het neogotisch kasteel dat we thans kennen) was het echtpaar van Caloen-de Gourcy wellicht niet op dit adres ingeschreven, maar in Loppem, waar Charles van Caloen burgemeester was. Ze werden althans pas in 1856 in de bevolkingsboeken van Brugge vermeld. Maar het kan evengoed dat het hier om één van de vele slordigheden gaat die in deze registers voorkomen. De kinderen werden immers in het huis aan de Dyver geboren: Marie (1848), Savina (1850), Joseph (1853), Albert (1856), Ernest (1859), wat er op wijst dat het echtpaar minstens een groot deel van het jaar (de wintermaanden) in zijn stadsresidentie woonde. (Zie: J. van CALOEN, a.w., blz 315-330). Bij de aangifte van de geboorte van de kinderen, werd trouwens in de akten van de burgerlijke stand telkens vermeld dat Charles Van Caloen op NR C18-39 gedomicilieerd was.

[9] Minstens van het begin van de 16de eeuw was dit inwaarts gelegen huis de residentie van de proost van het kapittel van de O.L.Vrouwkerk. Het is duidelijk te zien op de kaart van Marcus Gerards. Volgens DUCLOS (Bruges, Histoire et Souvenirs, blz 497) werd het in 1725-1742 en volgens G.F TANGHE, (Panorama der bekende kerkdienaers van Onze Lieve Vrouw te Brugge, blz 46) in 1727 herbouwd door en op kosten van proost de Villegas. L. DE VLIEGHER, De huizen te Brugge, beschrijft enkel de toegangspoort aan de straat, niet het huis zelf. Bij de kadastrale opmetingen van 1811 kreeg het huis het  kadasternummer C 250. Joseph van Caloen kocht de eigendom in openbare verkoping op 2 augustus 1834 van de burgemeester van Sint-Andries Edouard de Nieulant (1792-1872) en zijn echtgenote Sophie van Outryve d’Ydewalle (1789-1878) voor 15.925 fr. De woning bleef eigendom van de familie van Caloen. (Archief van Caloen, kasteel Loppem) tot ze het in de jaren 1960 verkocht aan de stad Brugge. De zetel van de Stedelijke Musea is er gevestigd, terwijl de toegangspoort als hoofdingang tot het Groeningemuseum fungeert.

[10]  Het is op de binnengrond van de samengevoegde eigendommen dat zijn zoon, Louis Van Caloen s.j. in 1877 het gebouw optrok voor de Aartsbroederschap van de H. Franciscus Xaverius, de “Sistjes”, thans eveneens deel uitmakend van het Groeningemuseum. (K. ROTSAERT, De “Cistjes” in West-Vlaanderen en daarbuiten, in: Biekorf, 1984, blz 46-65)

[11]  Archief van Caloen, Kasteel Loppem, dossier IR 76 “Handboek der goederen” en IR 82: “Table des locataires”: het ging om een huur van 3-6-9, waarvoor Forster jaarlijks 1300 fr. betaalde, hetzij 8% op de aankoopprijs, wat in een periode waarin de rente op staatsleningen amper 2%  en die op kasbons 4% bedroeg, een mooie opbrengst betekende. Rond dezelfde periode zou de gemiddelde huurprijs voor een huis met 5 kamers rond de 120 fr per jaar gelegen hebben. Forster betaalde tienmaal meer (R. VAN EENOO, Een bijdrage tot de geschiedenis der arbeidersbeweging te Brugge (1864-1914), Leuven/Parijs, 1959, blz 28).

Forster stond in de bevolkingsboeken eerst ingeschreven op het NR C 18-39 en werd nadien zonder commentaar nogmaals ingeschreven op C 18-40. Het is nochtans uit de gegevens van het archief Van Caloen duidelijk dat hij alleen maar in C 18-40 gewoond heeft. Nog een slordigheid in de bevolkingsboeken.

[12]  Uitgave Oxford Press, Vol. VII blz 462. Zie ook: The Catholic Encyclopedia (1913), lemma Forster T.I.M., te vinden op Internet http://knight.org/advent/cathen/06145a.htm

[13] Vooral: F(orster), Epistolarium or fasciculi of curious letters (…) of the Forster family, Volume I, Brugge, (van de Casteele-Werbrouck),  1845,  z.d., z.u.,  blz 17-32; Epistolarium or the correspondance of the Forster family, Volume II, Brugge, C. De Moor, 1850, blz XVI-XXVIII; Epistolarium Volume III, Brugge, 1852 (boeken gedrukt in zeer kleine oplage, bestemd voor zijn vrienden en niet in de handel verkrijgbaar); T. FORSTER, Recueil de ma vie, ouvrages et pensées, Frankfurt, 1835, Brussel 1836.

[14]  Thomas Forster (1675-1738), één van de voorvaders, was generaal van de Stuart kroonpretendent bij de opstand van 1715 (Dictionary of national biography, Vol VII, blz 448).

[15]  Epistolarium II, a.w. blz XIX.

[16]  T. FORSTER, Philosophia Musarum, Albion Library, Bruges, 1845: “Het kind en de wind” – “Verzoek aan eene jongvrouw om een glas wijn te drinken en om te dansen”.

[17] Inlichtingen verstrekt door Linnean Society, Burlington House, London, Mrs Gina Douglas. (12 april 1999)

[18]  Dictionary of national biography, Vol VI, blz 698.

[19]  idem, Vol I, blz 281.

[20]  idem, Vol XVII, blz 351.

[21]  idem, Vol XI, blz 345.

[22]  idem, Vol XVIII, blz 713.

[23]  idem, Vol XII, blz 649.

[24]  idem, Vol XIX, blz 261.

[25]  T. FORSTER, Essai sur l’influence des comètes sur les phénomènes de la terre. Seconde édition augmentée d’une autre sur les étoiles filantes et de quelques fragments d’essais physiques, Brugge, Van de Casteele-Werbrouck, 1843; ID, Mémoire sur les étoiles filantes ainsi que sur les météores en général, par rapport à leurs causes déterminantes, Brugge, C. De Moor, 1846.

[26]  Bibliographie nationale, Brussel, 1892 vermeldt 68 afzonderlijke drukwerken van Forster.

[27]  T. FORSTER, Onthophilos, ou les derniers entretiens d’un philosophe catholique, Brussel, 1836.

[28]  Epistolarium II, a.w. blz 157-181.

[29]  Epistolarium I, a.w. blz 29.

[30]  Epistolarium I, a.w. Deel 2, blz 29-30.

[31]  Over de moeizame erkenning van de katholieke godsdienst in Engeland, zie: The Victorian Age, op Internet http://www.stg.brown.edu

[32]  O.m. met de redenen voor zijn bekering, in een brochure onder de wat cryptische titel Somatopsychnooligoa.

[33]  wat betekende: geloof in de onsterfelijkheid en de zielsverhuizing, met als middelen tot zuivering: ascese, beoefening van muziek en wetenschap.

[34]  wat betekende: geloof in zielsverhuizing en reïncarnatie, met als levenshouding: strenge ascese en zelfbespiegeling.

[35]  T. FORSTER, Sati, or universal immortality, in: Epistolarium II, blz 80-127.

[36]  T. FORSTER, Sketch of the phrenology of Gall and Spurzheim, Cambridge, 1816.

[37]  Allgemeine Deutsche Biographie,  Vol 35, blz 328.

[38]  T. FORSTER, Medicina simplex, or the Pelgrims Waybook, being a popular guide to a healthy life and a happy old age, founded on rules of diet, simple medecines and a knowledge of the reciprocal influence of the mind and the body on each other, Colchester, 1830.

[39]  Epistolarium I, deel 2, blz 63-79.

[40]  The Dictionary of national biography, Vol XVIII, blz 105.

[41]  Webstek op Internet: http://www.rspca.org

[42]  de term ‘honorary’ heeft in het Engels niet de betekenis van iemand die de eretitel van een niet meer uitgeoefende functie draagt, maar betekent dat iemand de functie daadwerkelijk uitoefent maar er niet voor betaald wordt.

[43]  Philosophia Musarum, a.w., blz 12-16.

[44]  o.m. Epistolarium II, a.w., blz 28-39.

[45]  Dictionary of national biography, Vol II, blz 51.

[46]  Hij schreef bij herhaling over de zwakke gezondheid van zijn vrouw, die hem er toe bracht betere klimaten op te zoeken.

[47]  Biographie Nationale de Belgique, Vol X, col. 493.

[48]  T. FORSTER, Annales d’un physicien voyageur, Brugge, 1851.

[49]  Dictionary of national biography, Vol II, blz 984.

[50]  zie voetnota 48.

[51]  Dictionary of national biography, Vol XX, blz 1072.

[52]  zie voetnota 48.

[53]  In Recueil de ma vie, p. 19: “En octobre 1819 je fis un voyage en Flandre et en Belgique” .

[54]  Epistolarium I, a.w., blz 46.

[55]  Stadsbibliotheek Brugge, Handschrift 604, Ledenlijst Société Littéraire, NR 1170.

[56] Epistolarium II, a.w., blz 173-174.

[57]  J. WEALE, Bruges et ses environs, Brugge, 1862, vermeldt deze club, maar het is niet zeker dat die al in 1848 bestond.

[58]  zie voetnota 3. H.R. Addison (1843) vermeldde in zijn gids Belgium as she is, dat er een “reading room” bestond voor de Engelsen. Dit was wellicht het kabinet van Ralfe.

[59]  H. GODAR, Histoire de la gilde des archers de Saint Sebastien de la ville de Bruges, Bruges, 1947, blz 433-437.

[60]  Epistolarium II, a.w., blz 21.

[61]  Journal de Bruges, 8 mei 1850

[62]  idem, 7 april 1849.

[63]  idem, 12 april 1849.

[64]  Epistolarium II, a.w., blz 188.

[65]  Epistolarium II, a.w., blz 195.

[66]  Epistolarium II, a.w., blz 123.

[67]  Epistolarium II, a.w., blz 156.

[68]  Journal de Bruges, 10 en 15 september 1849. Zie: A. VAN DEN ABEELE,  Isidore Alleweireldt en de negentiende-eeuwse architectuur in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1985, blz 179-199. Waarschijnlijk hielden ze het daar niet vol, want op 6 december 1852 deelde de Journal de Bruges mee dat de Saaihalle in huur genomen was door de nieuwe maatschappij voor de bevordering van de handel, Burgerwelzijn.

[69]  Epistolarium II, a.w., blz 200.

[70]  Journal de Bruges, 8 december 1849.

[71]  Epistolarium II, a.w., blz 202.

[72]  Epistolarium II, a.w., blz 205.

[73] Epistolarium II, a.w., blz XVII.

[74]  T. FORSTER, The Piper’s Wallet, Brugge, 1846.

[75] T. FORSTER, L’âge d’or ou pensées passagères adressées comme discours préliminaire à ceux qui suivent la science dans sa marche d’aujourd’hui vers la perfection de l’avenir, Brugge, Van de Casteele- Werbrouck, 1847.

[76] T. FORSTER, Philosophia Musarum, Brugge, at the Albion Library, 1842 en 45; Harmonia Musarum, Brugge 1844. Het Engels consulaat werd inderdaad vanaf dit tijdstip niet meer vermeld in de Brugse almanakken, waarin de lijst was opgenomen van de consulaten in West-Vlaanderen.

[77]  route in de betekenis van: luidruchtig gezelschap.

[78]  Epistolarium II, a.w., blz 118.

[79]  Sister Aline heeft voor mij het Memoriaal van die tijd nagekeken, maar er zijn naam niet in teruggevonden.

[80] Lori VAN BIERVLIET, De Engelse kolonie in Brugge in de 19de eeuw, in: Biekorf, 1988, blz 150-160 en 261-282; ID, De Engelse Catherine Napier vertaalt Vlaamse legenden en bewondert Carton, in: Biekorf, 1992, blz 268-271.

[81]  Philosophia musarum, a.w. blz 259.

[82]  idem, blz 1.

[83]  A. VIAENE, De Engelse kolonie te Brugge omstreeks 1850, in: Biekorf, 1954, blz 31-32.

[84]  Wiseman kwam onder meer naar de H. Bloedprocessie in mei 1850. Het is niet onmogelijk dat Forster hem in Rome had leren kennen. Wiseman verbleef er toen immers en was nauw bevriend met kardinaal Weld, voor wie hij de rouwrede hield bij diens uitvaart.

[85]  Archief OCMW Brugge, Register bezoekers museum Sint-Janshospitaal, periode 1843-1845, nrs 1083 tot 1087.

[86]  idem, nrs 2872 tot 2875.

[87]  De registratie van bezoekers in het museum van het Sint-Janshospitaal vangt pas aan in september 1843. Eventueel vroegere bezoeken door Forster zijn dus niet na te gaan. In het museum van de Academie (later stedelijke musea) vangt het bezoekersregister pas in 1881 aan.

[88]  L. VAN BIERVLIET, De Engelse kolonie, a.w.

[89]  Dictionary of National Biography, Vol. XX, blz 906.

[90]  Epistolarium II, a.w., blz 23.

[91]  Epistolarium I, a.w., blz 3.

[92]  Epistolarium II, a.w., blz 24.

[93]  Allgemeine Deutsche Biographie, Vol. 44, blz 39; Dictionary of national biography, Vol XXI, blz 777.

[94]  Dictionary of national biography, Vol XX, blz 907.

[95]  Epistolarium I, a.w., blz 16-19

[96]  Dictionary of national biography, Vol I, blz 393.

[97]  Idem, Vol XX, blz 309.

[98]  Idem, Vol II, blz 463.

[99]  Epistolarium I, a.w., deel 2, blz 30-44.

[100]  Dictionary of national biography, Vol XII, blz 590.

[101]  Idem, Vol IV, blz 598.

[102]  Idem, Vol X, blz 51.

[103]  Idem, Vol XI, blz 447; Epistolarium II, a.w. blz 14.

[104]  Idem, Vol VI, blz 147.

[105]  Idem, Vol IX, blz 714.

[106]  Idem, Vol XII, blz 1293.

[107]  Op die vriendschappen heeft Forster evenwel zelf geen allusie gemaakt in zijn geschriften, althans niet in die waarop we de hand konden leggen.

[108]  De Latijnse tekst was in 1840 in het Engels vertaald door T.E. Tomlins en uitgegeven door de Camden Society. (zie: L. VAN BIERVLIET, J.O. Delepierre, in: Handel. Genootschap voor Geschiedenis Brugge, 1981, blz 209.) Vertaalde de majoor deze tekst wellicht in het Frans?

[109]  Epistolarium II, a.w. blz 205. later werden deze documenten door de erfgenamen verkocht aan de Pierpont Morgan Library.

[110]  Epistolarium II, a.w., blz 51-63. Lady Mary SHEPHERD, Essays on the perception of an external universe, J. Hatchard and son, London, 1827, XVI-416 p.

[111]  Philosophia musarum, a.w. : Dedication.

[112]  Dictionary of national biography, Vol XVIII, lemma Samuel Shepherd

[113]  Lady Mary SHEPHERD, An Essay upon the relation of cause and effect, controverting the doctrine of Mr. Hume, concerning the nature of that relation, London, 1824.

P. SUBER, Notes on the Women Philosophers of the 17th and 18th century, Internet http://www.earlham.edu/~peters/courses/re/women. - B. LOGAN, Inclusive review of early modern philosophy, Internet  http://scar.utoronto.ca/~logan.courses.women

[114]  Dictionary of national biography, Vol VII, blz 452.

[115]  Idem, Vol VIII, blz 279.

[116]  T. FORSTER, Original letters of Locke, Shaftesbury and Algernon Sidney, with a metaphysical preface, London, 1830.

[117]  W. HULL, Benjamin Furly and Quaquerism in Rotterdam, in: Swarthmore College monographs on Quaker History, 1941.

[118]  Epistolarium I, a.w., deel 2, blz 1-16.

[119]  Dictionary of national biography, Vol VII, blz 462, Epistolarium I a.w. blz 15-16, Epistolarium II, a.w., blz XII..

[120]   T. FORSTER, Forster’s Flora Tunbrigensis, new edition with a Life of the author, Tunbridge Wells, 1842.

[121]  Dictionary of national biography, Vol VII, blz 451. Epistolarium II, a.w., blz V-XI.

[122]  Idem, Vol VII, blz 452.

[123]  Idem, Vol VII, blz 454.

[124]  Epistolarium I, a.w. blz 3 en  Epistolarium II, a.w. blz XV-XVI. De verkoop van zijn bibliotheek gebeurde bij Sotheby: Catalogue of the botanical and miscellaneous library of the late Edward Forster Esq. of Woodford Essex, (…),sold by auction by Messers  S. Leigh Sotheby & Co at their house 3 Wellingtonstreet, Strand, on Monday, May 1st 1849.

[125]  Ook trouwens vandaag nog, en nog altijd op het zelfde adres: Burlington House in Londen. Ze zijn met een uitgebreide webstek aanwezig op het Internet: http://www.linnaeus.org

[126]  Epistolarium II, a.w., blz 118. Betsy  en Ann waren de inwonende vrouwen (dienstpersoneel?), genaamd Elisabeth Truman en Ann Mary Dugan. (SAB, Bevolkingsboeken). Peaky: misschien een koosnaam voor zijn dochter? Julia was de echtgenote van Forster.

[127]  sterrenkijken.

[128]  Epistolarium II, a.w., blz 119.

[129]  Epistolarium II, a.w., blz 204-205.

[130]  Dit vermeldt hij althans op de titelbladzijde van sommige van zijn boeken.

[131]  Epistolarium I, a.w., blz 38.

[132]  Een gedicht in 1845 tekent hij niet “van op den Dyver” zoals hij vaak deed, maar “ex museo nostro” (Philosophia musarum, a.w. blz 258)

[133]  Dit boekenbezit behoort nog grotendeels tot de bibliotheek op het kasteel Oorbeek. Rond 1950 werden een 150-tal waardevolle boeken uit zijn verzameling verkocht bij Sotheby’s.

[134]  Epistolarium II, a.w., blz 182-184. Een groot deel van de verzameling tollen en klokken berust thans op het familiekasteel Storms in Oorbeek bij Tienen.

[135]  of Guillaume: Forster gebruikt beide namen door elkaar.

[136]  Waarschijnlijk was dit Molhet, pianofactor en instrumentenhandelaar in de Steenstraat.

[137]  Epistolarium II, a.w., blz 153-155, 200-204 en 234-239.

[138]  Epistolarium II, a.w., blz 125-153, 221-233.

[139]  Catalogue of a very fine collection of violins, tenors and violoncellos, by Straduarius, Guarnerius, Amati, Guadagnini, etc., and a collection of telescopes & astronomical instruments, the property of the late Thomas Forster, Esq. of Brussels (…), sold by auction by Messrs Christie, Manson & Woods, 8, King Street, St. James’s Square, May 15, 1860.

[140]  in: L’âge d’or, a.w.

[141]  Epistolarium I, a.w., blz 21-25.  Althans dit liet hij weten aan Gompertz. Noch in de Almanak uitgegeven door J. Fr Bogaert, noch in die van De Moor (zijn drukker) was hiervan evenwel iets te bespeuren. Tenware er misschien nog een andere almanak bestond met “mengelmaren”, waar we de hand niet konden op leggen

[142]  T. FORSTER, L’âge d’or , a.w.

[143]  Epistolarium II, a.w., blz 97-104.

[144]  Epistolarium I, a.w., deel 2, blz 45-51 en II, a.w., blz 115-116.

[145]  Epistolarium II, a.w., blz 197-199.

[146]  Epistolarium II, a.w., blz 105-109.

[147]  Epistolarium I, a.w., blz 17: in een brief aan Basil Montagu herinnert hij er aan hoe ze vroeger samen in een comité tegen de doodstraf zaten.

[148]  Epistolarium II, a.w., blz XXI- XXIV en blz 23; Philosophia Musarum, a.w., blz 252-256, (ze leende o.m. haar pen aan de honden van Forster, voor huldedichten aan hun Meester); SAB, Burg. Stand, huwelijken 1850, NR 303. De getuigen waren: zijn broer Jean Storms, zijn schoonbroer Albert Montens, zijn neef Peter Daly (Oostende) en een vriend van het koppel Alexander Henry (Brugge).

[149]  In de Thieme-Becker en de Benizet vermeld als “peintre d’histoire”. Storms ondertekende zijn schilderwerken met de voornaam Jules.

[150]  Het is niet bekend hoe ze mekaar leerden kennen. Philip Storms had alvast Schotse voorzaten, met name zijn grootmoeder en meter Marie MacEvoy.

[151]  Epistolarium II, a.w., blz XXI; J.B. STOCKMANS, Deurne en Borgerhout, uitg. 1900, herdruk 1975, Deel II, blz 153-156. De Berenbroeks waren grote opkopers van zwart goed, grootvader Antonius (of Arnoldus) Berenbroek was in 1798 lid van de Conseil des Anciens in Parijs. In 1870 ging het kasteel over op de oudste zoon Jean Bartholomeus Storms. Selena Forster die haar man bijna een halve eeuw overleefde, kocht het kasteel van Oorbeek bij Tienen. Eén van de zoons zorgde voor nakomelingen, die nog altijd het kasteel bewonen en er zorg dragen voor de archiefstukken die ze van Thomas en Selena Forster hebben bewaard.

[152]  Archief van Caloen, Kasteel Loppem, IR 76: Forster betaalde zijn laatste huur op 15 mei 1852.

[153]  Kasteel Oorbeek, archief familie Storms, notitieboekje Philip Storms vermeldt dat het was op de Bouevard Extérieur de Waterloo, thans Gulden Vlieslaan.

[154]  Kasteel Oorbeek, archief familie Storms, notitieboekje Philip Storms. Einde 1852 verhuisde het jonge paar naar de rue de l’Astronomie en enkele maanden later naar 33 rue d’Orléans, beide in Elsene.

[155]  Epistolarium II, a.w., blz 196.

[156]  Philosophia musarum, a.w.: Dedication.

[157]  SAB, bevolkingsboeken. Wemaer woonde er tot aan zijn dood. Guido Gezelle is ongetwijfeld vaak bij hem aan huis geweest, al dan niet toen hij onderweg was naar de drukkerij van ‘t Jaer 30, die enkele tientallen meters verder lag. Hij schreef over het huis in Rond den Heerd, 1868-69, blz 202 en vermeldde het als het huis “waer nu Monsignore Wemaer woont”.

[158]  In de Bibliographie Nationale, a.w. staat enkel nog een heruitgave vermeld in 1859 van een vroegere publicatie.

[159]  Linnean Society, London, Linnean Society Journal (Zoologie), Vol. 5., p. XXIII.

[160]  A. VAN DEN ABEELE,  Hongeroproer te Brugge 2 en 3 maart 1847. Een breekpunt tijdens de ‘Ellende der Vlaanders’, in: Handelingen Genootschap voor Geschiedenis Brugge, 1982, blz 131-192.

[161]  Epistolarium II, a.w., blz 240-241.

[162]  F. DEBRABANDERE, Johanna Schopenhauer in Brugge, in: Brugge die Scone, 1999, NR 1, blz 6-7.

[163]  G. FORSTER, Ansichten vom Niederrhein 1791-1794, zie: F. BONNEURE, Brugge beschreven, Brussel, 1984, blz 96.

[164]  Deze bemerking geldt ook nog voor onze tijd. Bewijs hiervan de vele fantaisistische indrukken genoteerd door een aantal “bekende Vlamingen”, aan wie, in het perspectief van Brugge Europese cultuurstad 2002, een weekend in Brugge werd aangeboden op voorwaarde dat ze hierover iets schreven: Omtrent Brugge, Indrukken en gedachten, Brugge, 1999. Veel van die teksten, na een haastig bezoek en het genieten van spijs en drank geschreven, verraden meer over de auteurs ervan dan over Brugge.

[165] Bij de opzoekingen voor dit artikel kreeg ik de hulp van baron Damien van Caloen, barones Veronique van Caloen, Mr. Jeremy Cooper, Mevrouw Thérèse Arnould-Storms, Mr Benoit Storms, Mevrouw Maureen Storms en Mevrouw Gina Douglas (The Linnean Society). Aan allen mijn oprechte dank.