SCHERPRECHTERS IN BRUGGE

I.

Brusselse beul te Brugge in het huwelijksbootje

1840

In de eerste helft van de negentiende eeuw waren in België nog enkele beulen of “scherprechters” actief/ Pas vanaf 1863 werden doodstraffen voor misdaden van gemeenrecht niet meer uitgevoerd, met uitzondering van het halsrechten op de Markt van Veurne van een soldaat-moordenaar op 26 maart 1918.

In Brussel was een beulenfamilie met naam Botquin actief. Ze woonden (“uiteraard” is men geneigd te zeggen) in Sint-Gillis, de gemeente met een grote centrale gevangenis.

In 1840 trad de adjunct-beul Frans Jan Botquin te Brugge in het huwelijk met Sophie Everaert. Ze was een werkmansdochter, afkomstig uit Veurne. Hij was 32 jaar, zij was er 20 ( Burgerlijke Stand Brugge, huwelijken 1840, n° 311). De vader van de bruidegom, Jan Frans Botquin, was ook beul geweest, maar was in 1829 overleden.

Als getuigen traden drie neven Botquin op: Jan, die beul was, Joseph die adjunct-beul was en Pieter waarvan geen nader bepaald beroep werd vermeld had. Naast deze getuigen die ongetwijfeld al heel wat booswichten hadden om de hals gebracht, was – ironisch toeval – de hoedenmaker François Maertens de vierde getuige.

Kwam Botquin in Brugge zijn bruid zoeken omwille van het odium dat op het beroep woog en hem wellicht het vinden van een bruid in Brussel bemoeilijkte? Of oefende hij in die periode zijn beroep in Brugge uit, gezien hij in de akte vermeld werd als in deze stad woonachtig?

Drie beulen samen op het Brugs stadhuis: zou de officier van de burgerlijke stand onder de indruk geweest zijn? In welk beroep zou de beulenfamilie zich na 1863 wel omgeschakeld hebben?

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf, 1985, blz. 365)

II

De beulenfamilies Boutquin en Guisen

Op 11 juli 1992 overleed in Southport (Groot Brittannië) de 87-jarige Albert Pierrepont (1905-1992). Hij was de laatste hangman of beul geweest in Engeland. In 1931 had hij het beroep aangevat als assistent, om in 1946 tot officiële scherprechter te worden benoemd. Hij voerde het doodsvonnis uit op verschillende honderden moordenaars, onder wie Ruth Ellis, de laatste vrouwelijke misdadiger die in Engeland werd opgeknoopt. In 1956, na de afschaffing van de doodstraf, ging hij met pensioen. Later werd hij een uitgesproken tegenstander van de doodstraf.

Pierrepont oefende het beroep uit in opvolging van zijn grootvader, zijn vader en zijn oom. In Engeland ging het dus duidelijk, ook nog in onze eeuw, om een activiteit die binnen een kleine groep, vaak in familieverband, werd uitgeoefend. Ook bij ons was dit het geval.

We hadden het al eens eerder over de beulenfamilie Botquin in België [1] . Hierna enkele bijkomende gegevens, die nog duidelijker de familieband onder de beulen aantonen, evenals hun relaties met Brugge [2] .

Het gaat vooreerst om de beulen met de familienaam Guisen of Gysen. François Guisen woonde in Brussel, alwaar hij op 20 juli 1789 overleed. Hij was gehuwd met Anne-Marie Botquin, dochter uit een in Brugge gevestigde familie van scherprechters. Minstens één zoon trad in zijn voetspoor, de op 10 januari 1776 in Brussel geboren François-Jean Guisen die in 1807 in Brugge in het huwelijk trad met Françoise Maes, dochter van dagloner Jan Maes.

De familie Guisen trad wellicht in het beroep dank zij het huwelijk met een Botquin. De Botquins waren al minstens sedert het begin van de 18de eeuw in tal van steden als scherprechter actief. In 1744 werd een François Botquin in Brugge tot scherprechter benoemd. Hij bracht aanbevelingen mee vanuit steden waar hij al gewerkt had, onder meer Brussel en Leuven en vooral vanuit Gent waar hij geopereerd had in opvolging van Botquin senior, zijn vader [3] .

Wellicht was François Botquin de vader van Anne-Marie Botquin, echtgenote Guisen en ook van Pierre-Jean Botquin, die in Brugge woonde en tegen het einde van de 18de eeuw als particulier op een huwelijksakte voorkomt. Wellicht had hij zich tegen die tijd al uit het beroep teruggetrokken. Hij had alleszins twee zoons die scherprechter werden: Henri (geboren in 1759) en Joseph-Pierre (geboren in 1770).

Op 10 Frimaire An VII huwde Joseph-Pierre Botquin in Brugge met de kantwerkster Marie-Thérèse Vergote (geboren in 1774), dochter van een landbouwer uit Sint-Andries. Hij en zijn oudere broer Henri Botquin werden op de huwelijksakte vermeld als exécuteur de la haute justice. De derde broer, Johannes-Franciscus Botquin werd in die akte als herbergier vermeld.

Er was ook nog een Franciscus-Johannes Botquin, zoon van Jan-Baptist Botquin (1762-1842) die op 4 december 1807 in Brussel geboren was, in Brugge woonde en er op 7 oktober 1840 huwde met Sophie Everaert, de dertien jaar jongere dochter van de uit Veurne afkomstige werkman Petrus Everaert. het is op diens huwelijksakte dat we twee andere beulen aantreffen: Johannes Botquin (geboren in 1793) en Joseph Botquin (geboren in 1801), die als zijn “kozijns” werden genoteerd. het waren dus de zonen van Henri, of meer waarschijnlijk van Joseph-Pierre Botquin.

De beroepen die we op de huwelijksakten aantroffen bij de namen van de bruiden, de vaders en de getuigen, zijn: kantwerkster, landwerker, werkman, wever, kroegbaas (vier maal), hovenier, kleermaker, kuiper, dagloner, hoedenmaker. Dit situeert mede de bescheiden sociale status van de scherprechters.

Uit vier huwelijksakten halen we aldus uit éénzelfde familie niet minder dan acht beulen. Met de namen die te vinden zijn in de bijdrage van Roel Van der Plaetse zijn er dat tien of elf.

Aannemend dat de vader van François Botquin het beroep al in het begin van de 18de eeuw uitoefende en dat de in 1840 gehuwde Franciscus Botquin het bleef uitoefenen tot aan het stopzetten van doodstraffen in 1863, werden door de families Botquin en Guisen gedurende minstens anderhalve eeuw doodsvonnissen voltrokken. Het is niet uitgesloten dat de eerste onder hen ook al uit een beulenfamilie stamde.

Alvast blijkt uit deze enkele gegevens dat de scherprechtersfamilie Botquin vaak in Brugge gevestigd was en dat verschillende Guisens en Botquins in Brugge hun echtgenote kwamen zoeken.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf 1992, blz. 414-416.

III

Twee Botquins als beul in Zeeland

De Jan-Frans Botquin (1781-1829) die Lucien Van Acker aanhaalt [4] , was eerst hulpscherprechter en daarna scherprechter in Middelburg (Zeeland) vanaf 1797 (hij was toen amper 16 jaar) tot 1807, jaar waarin hij zijn vader in dezelfde functie opvolgde in het departement van de Dyle (Brussel). Hij was niet de enige Botquin die in Middelburg fungeerde.

Een oudere neef van hem, Hendrik-Jozef Botquin (1759-1808) ging hem in Middelburg vooraf en was er zijn leermeester. Het is van omstreeks 1795 tot 1798 dat deze Hendrik-Jozef de Middelburgse scherprechter was. Hij begon zijn loopbaan als hulpscherprechter bij zijn vader in Brugge, omstreeks 1780. In 1784 werd hij scherprechter in Gent, maar na enkele weken werd hij wegens wangedrag afgezet. Hij had ghevochten geduerende de kermisse van Sinte-Anna [5] .

Waarschijnlijk keerde hij als helper bij zijn vader terug. In 1790 werd hij, samen met zijn broer Jozef Botquin (1770-1802) en nog vier anderen, benoemd tot scherprechter te velde, bij de legers van de Patriotten. De benoeming dateerde van oktober 1790, zodat de opdracht niet lang kan geduurd hebben [6] .

Wellicht was hij nadien opnieuw bij zijn ouder wordende vader in dienst, tot hij zelfstandig in Middelburg kon werken. In 1798 keerde hij naar Brugge terug en volgde er zijn vader op. Hij was het die in 1798 de roversbende van Salembier een kopje kleiner maakte en op 2 november 1803 Lodewijk Baeckelandt en zijn bende guillotineerde.

Einde 1803 werd hij voor de tweede maal tot scherprechter in Gent benoemd, wat hij bleef tot aan zijn dood in 1808.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Biekorf, 1997, blz. 284.)

IV

Scherprechters in Brugge, een nog onontgonnen terrein.

Na een paar korte bijdragen over 19e-eeuwse Brugse beulen, hoop ik met deze studie het verhaal van de scherprechters in Brugge wat wijder open te trekken.

Vooreerst doe ik het om te kunnen verwijzen naar een verhelderende bijdrage die me voordien niet bekend was en die in 1979 verscheen in Vlaamse Stam: Een scherprechtersgeslacht: Boitquin (Botquin – Boutquin) 1707 – 1892. Ze werd geschreven door Jacques De Vriendt (1911-1993) [7] die een dubbele belangstelling had voor de scherprechters, enerzijds als emeritus ondervoorzitter van de rechtbank van Eerste aanleg in Gent, anderzijds als rechtstreekse afstammeling van een aantal scherprechters. Dit heeft hem niet verhinderd het wat delicate onderwerp objectief te behandelen. Men kan het dan ook  niet meer over de scherprechters hebben, zeker niet over die van de 18de-eeuw, zonder naar zijn accurate studie te verwijzen.

In mijn vorige bijdragen wees ik op de nauwe band die bestond tussen de families Botquin en Guisen of Gysen. De studie van Jacques De Vriendt toont aan dat er ook banden bestonden met de beulenfamilies Straetmans, Hannoff, Hamel, Tillenborg en Tilleman. Die banden waren zelfs zeer talrijk. Ook een Hannoff en een Hamel kwamen het scherprechtersberoep in Brugge uitoefenen.

Brugse scherprechters in de 18de en 19de eeuw.

Op basis van onze gegevens en vooral op die van Jacques De Vriendt, kunnen we een gedeeltelijke lijst opmaken van de scherprechters die in Brugge werden aangesteld. Onder het Ancien Regime gebeurde dit door de stad Brugge en door het Brugse Vrije, vanaf 1795 door de Franse overheid (van toen af werden ze voor het ganse departement aangesteld) en vanaf 1815, respectievelijk 1830 door de centrale overheid van het Verenigd Koninkrijk en het Belgisch Koninkrijk.

Voor de hier behandelde periode waren de opeenvolgende scherprechters in Brugge:

1729 tot 1743: Adriaen Hondermarck (27 december 1743)

1744 tot 1753: Franciscus Botquin (1712-1753)

1753 tot 1798: Pieter-Jan Botquin (1730-1805)

1798 tot 1803: Hendrik-Jozef Botquin (1759-1808)

1803 tot 1809: Franciscus-Josephus Guisen (1776-1818)

1809 tot 1818: Jan-Willem Hannoff

1818 tot 1878: Jan-Baptist Botquin (1793-1878).

Jan-Baptist Botquin woonde op het adres F2/1 Vlamingstraat, thans n° 80, het huis met de 16de-eeuwse erker op de zijmuur aan de Augustijnenrei. Vanaf ongeveer 1840 stond hij op de kiezerslijsten [8] . Na 1856 bleef hij scherprechter voor West-Vlaanderen en dit tot aan zijn dood, maar hij verhuisde naar Brussel omdat hij ingevolge het K. B. van 18 juni 1853, dat het aantal strafuitvoerders voor het gehele land beperkte tot één titularis en twee helpers, ook de provincies Brabant en Henegouwen, en weldra alle overige provincies er bij kreeg. Vanaf 1863 (einde van de terechtstellingen in België, althans buiten oorlogstijd), beperkte zich de taak van de uitvoerder der criminele vonnissen tot het plechtig spijkeren op een paal van de plakbrief die een Assisenvonnis bij verstek aankondigde. P. Claeys deelde mee dat dit in 1892 nog altijd op die wijze gebeurde en dit door de laatste scherprechter in functie, de zeventigjarige Franciscus Hamel, die in Luik woonde en het land afreisde om deze laatst overgebleven taak van zijn ambt uit te voeren. Een paar jaar terug werd dit oude gebruik onder de leiding van de kortstondige en folkloristische Brusselse burgemeester Michel Demarest nog eens hernomen, naar aanleiding van het verstekvonnis tegen een lid van de bende Hamers.

De Brugse scherprechters hadden ook helpers, die ze zelf moesten betalen en die ze in eigen familiekring rekruteerden. We noteerden:

rond 1760 tot 1764: Hendrik Hamel

rond 1760 tot 1784: Hendrik-Jozef Botquin (zie hierboven)

rond 1790 tot 1802: Jozef-Pieter Botquin (1770-1802)

van 1802 tot 1803: Franciscus-Johannes Guisen (zie hierboven)

van 1803 tot 1809: Jan-Willem Hannoff (zie hierboven)

van 1811 tot 1818: Jan-Baptist Botquin (zie hierboven)

tussen 1830 en 1850: Jozef-Franciscus Botquin (1800-1854)

tussen 1830 en 1856: Franciscus-Johannes Botquin (1807-1892).

Zoals men kan vaststellen promoveerden nogal wat helpers tot volwaardig titularis. Alle scherprechters en hulpscherprechters waren met mekaar verwant. Het huwen binnen een zelfde beroep was onder het Ancien Regime meer de regel dan de uitzondering, zodat het niet abnormaal was dat dit ook bij de scherprechters zo was. Wellicht was dit nog iets méér het geval in dit wat bijzonder beroep, dat zich duidelijk apart opstelde.

In een vorige bijdrage heb ik er op gewezen dat huwelijken met partners buiten het familieverband, gebeurden met jongens of meisjes uit de meest bescheiden klassen van de maatschappij. Zelfs als ze tot een zekere welstand waren gekomen, werden de scherprechters blijkbaar niet aanvaard in de wat betere standen. Pas tegen het einde van de 19de eeuw, nadat het beroep opgehouden had te bestaan, werkten sommige nazaten zich stilaan de maatschappelijke ladder op.

Zeker in de 18de en 19de eeuw huwden ze vooral onder elkaar. Zelfs huwelijken met verwante beroepen, zoals bijvoorbeeld gevangenisbewakers, politiesergeanten of andere ondergeschikte bedienaars van de strafrechterlijke macht, kwamen niet voor.

De scherprechters in de Brugse historiografie

Het mag wel verwonderlijk heten dat, voor wat Brugge betreft, tot hiertoe zo weinig onderzoek is gebeurd of gepubliceerd over de scherprechters. Brugge heeft geen tekort gehad aan historici die zich over alle facetten van de Brugse geschiedenis en o.m. ook over de meer menselijke aspecten hebben gebogen. Over de bijzondere figuur en over het ambt en de werkzaamheden van de beul, zal men evenwel maar schaarse gegevens aantreffen.

In de analytische tabel op de Inventaire des Archives de la Ville de Bruges van Louis Gilliodts – Van Severen, komen slechts een vijftal verwijzingen voor naar archiefstukken waarin de “hangman” of “meester van de hooge justicie” vermeld werd. In zijn “Mémoriaux de Bruges” publiceerde Gilliodts enkele korte teksten die met beulen of met folteringen en terechtstellingen te maken hebben.

A. Duclos, Bruges, histoire et souvenirs, vermeldde de hangman terloops (blz. 120) en J. A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge, vernoemde de scherprechter al even terloops (blz. 302, 323, 464). Geïnteresseerden in strafrecht en vooral ook in petite histoire zoals Remi Parmentier, Jos De Smet, Antoon Viaene of Albert Schouteet hebben het beulenonderwerp niet of nauwelijks aangesneden. Ook de in strafrecht beslagen Egied Strubbe heeft er zich niet aan geïnteresseerd.

De belangstelling heeft zich eigenlijk beperkt tot een kort artikel van L. Knapelinck over een 16-eeuwse beul, Meester Wissel Geerts “rechtere metten zweerde der stede van Brugge” (Biekorf, 1939, blz. 70-73), een eveneens korte bijdrage van R. Van der Plaetse, Proeven van bekwaamheid, Brugge 1741-1744 (Biekorf 1982, blz. 332-333), waarin de aanwerving van Franciscus Botquin werd behandeld en enkele zinnen door C. B. (= Antoon Viaene) over De stadsbeul van Brugge als gastbeul (1570) (Biekorf 1973, blz. 333).

Natuurlijk was er in bijdragen van de hierboven vernoemden en van enkele anderen, handelend over strafrecht en rechtspraak, waarbij folteringen, fysische straffen en terechtstellingen te pas kwamen, zijdelings ook sprake van de beul. Hij bleef hierbij evenwel niets méér dan een zwijgzame uitvoerder, waarvan niet eens de naam werd vermeld.

Zo weten we bijvoorbeeld niet wie de beul was die in 1586 zo onhandig tewerk ging dat hij tot driemaal moest herbeginnen om het hoofd af te houwen van de protestantse patriciër Pieter Chantraines dit Broucxault [9] , noch die van de beul die in 1613, om de doodstrijd te verkorten, zo zwaar en onhandig op de schouders ging drukken van de gehangene Pieter Van Wesemaal, dat de koord brak en de veroordeelde het er levend van af bracht [10] .

Dit gebrek aan belangstelling geldt zowel voor de persoon zelf van de beul en zijn maatschappelijke situering, als voor de verschillende aspecten van zijn activiteiten. Op ongeveer geen enkele van de hierna volgende vragen zal men momenteel ergens een antwoord vinden: wie waren de Brugse beulen – door wie werden ze benoemd – hoe werden kandidaten opgeroepen – hoe werden de beulen betaald – wat was hun maatschappelijke status – voor wie en onder welke voorwaarden werkten ze – waar bevonden zich de folterkamers – welke foltermethodes waren in gebruik – hoeveel folteringen, lijfstraffen en terechtstellingen voerden ze jaarlijks uit – oefende ze nog andere activiteiten uit – overleefden ze de wisselende regimes (was het bijvoorbeeld dezelfde beul die in de 16de eeuw eerst protestanten en nadien katholieken martelde) – werden ze bestraft en zo ja, hoe, als ze hun taak niet naar behoren vervulden – tot hoever buiten Brugge werden ze in kleinere steden en gemeenten voor folteringen en terechtstellingen opgevorderd - …?

Dat men zich nauwelijks aan de beulen heeft geïnteresseerd is des te meer bevreemdend, omdat hun activiteiten toch op soms spectaculaire wijze in de Brugse geschiedenis naar voor kwamen. We denken aan “Het oordeel van Cambyses” door Gerard David, waarop men de beulen aan het werk ziet [11] en aan de in de kronieken zo kleurrijk en wreedaardig beschreven folteringen op schout Pieter Lanchals en zijn lotgenoten in 1488. Of de vele martelingen en terechtstellingen zowel van protestanten als van katholieken (o.m. de ophefmakende zaak van de paters franciscanen) in de tweede helft van de 16de eeuw. We denken aan de beul die door de Jacobijn Jean-Antoine van Zuylen de Gaesebeke werd overgehaald om in 1792 de beelden van het stadhuis op de Markt symbolisch te onthoofden. Ook bij de nogal massale terechtstellingen van roversbenden in de Franse tijd, die van Salembier in 1798 en die van Baeckelandt in 1803, bleef de beul, die nochtans een cruciale rol vervulde, volledig op de achtergrond en werd hij nauwelijks en zeker niet bij naam genoemd.

Toch enkele gegevens bekend

Het is weliswaar niet zo dat helemaal niets over de Brugse scherprechters gepubliceerd werd. Zo kunnen we een eerste lijstje opstellen van reeds gepubliceerde namen van beulen:

ong. 1334-1335: Bernard Hauteline [12]

ong. 1338-1339: Jan Buffele [13]

1432: Jan vander Haghe [14]

1454: Karel Diermans [15]

1464: Willem Hurtecamp, hulpscherprechter en hondenslager [16]

1456-1482: Karel vanden Eede [17]

1521-1536: Wissel Geerts [18]

1536: Willem Van der Haghe [19]

1547: Pieter Caens of Canis [20]

1634:Christiaen vande Walle [21]

17de eeuw (?): Andries Desar [22] .

Dit is nog maar een heel beperkt lijstje: geen naam voor de 13de eeuw of vroeger, twee voor de 14de eeuw, vier voor de 15de, drie voor de 16de en twee voor de 17de eeuw. Er is dus nog werk. Over deze enkele met naam gekende scherprechters is ongeveer niets bekend, tenzij dan over Wissel Geerts aan wie Joost de Damhouder in zijn Van de grootdadigheydt der breedtvermaerde regeringhe van de stadt Brugghe een lofrede wijdde. Geerts was volgens Damhouder een vrome en ingoede man, die de patiënten (zoals men de te folteren verdachten noemde) in de cel ging opzoeken om ze moed in te spreken alvorens hij ze folterde en die Missen voor hun zielenzaligheid deed opdragen.

In de door Gilliodts gepubliceerde documenten en ook bij De Damhouder kan men enkele aanduidingen vinden over wat de scherprechters als inkomen hadden. Het bestond in de eerste plaats uit een vaste jaarwedde en woonstvergoeding vanwege de stad Brugge en een jaarwedde vanwege het Brugse Vrije. Voor iedere activiteit (foltering, lijfstraf, halsrechten, oppakken van geestesgestoorden) was er een bijkomende vergoeding. De scherprechter werd ook eigenaar van de klederen die de ter dood veroordeelden droegen [23] . Hij was ook aangesteld voor het uitroeien van de in de stad loslopende honden en dit was, gelet op het groot aantal ervan, een niet te versmaden supplementaire bron van inkomsten [24] .

Daarnaast was de scherprechter houder van tal van rechten, van zeer uiteenlopende en soms curieuze aard. Zo kon hij een vaste taks heffen op:

-          alle voedingswaren zoals vlees, eieren, groenten en fruit die door niet-kopers te koop werden aangeboden op de Markt en in de Steenstraat;

-     brandhout en stro dat door niet-poorters in de stad werd binnengebracht;

-          ieder huwelijk dat in een Brugse parochiekerk werd voltrokken!

-          de kegelbaan die tijdens de Brugse jaarmarkt op de Markt werd uitgebaat (afgeschaft in 1477, mits een vergoeding voor uitwinning).

Dat was nogal wat!

De geheven rechten waren eerder bescheiden. Op de vleeswaren bedroeg het recht 12 mieten, voor de eieren mocht één ei worden genomen voor iedere verkoop van minstens 25 eieren, in de mand met groenten en fruit mocht de scherprechter wekelijks een greepe doen, van het brandhout mocht hij één bussel voor zich houden en op ieder huwelijk kon hij twee groten taks heffen. Het ging dus niet alleen per heffing om eerder kleine bedragen of om bescheiden voordelen in natura, maar daarbij waren het eerder onduidelijk omschreven rechten. Ze gaven dan ook aanleiding tot talrijke betwistingen en vexaties, met als gevolg dat ze in 1550 werden afgeschaft. Als compensatie kreeg de scherprechter een loonstijging van 6 pond, wat een verdubbeling van zijn jaarwedde betekende [25] .

Dit geeft een eerste inzicht op de emolumenten van de scherprechters, althans voor de 15de – 16de eeuw. Het jaarinkomen tijdens en vooral ook na die periode becijferen, is een niet onmogelijke taak, maar zou natuurlijk nog heel wat opzoekingen vergen in de rekeningen van de betrokken besturen. Ook al geeft de veelheid aan inkomsten en rechten de indruk dat de scherprechters heel behoorlijk aan de kost kwamen, is dit toch misschien niet méér dan een indruk. Ze lijken immers niet in die mate welstellend te zijn geworden dat ze het beroep voor een meer eervolle activiteit konden verlaten of dat ze aan hun kinderen de mogelijkheid gaven de maatschappelijke ladder op te klimmen. Ook dit vraagt dus nog om verder onderzoek.

Folteringen in het Stadhuis

Eén van de nog te beantwoorden vragen is, waar in Brugge de foltering van verdachten plaats vond. J. Van Houtte, zich baserend op Gilliodts en Duclos, situeerde de pijnkamer in het Loove, de zetel van de schout, opperste politieverantwoordelijke in ons gewest [26] . Hij kan gelijk hebben, maar waarschijnlijk was dit niet de enige plaats waar de scherprechter zijn activiteiten uitoefende.

P. Claeys publiceerde immers een interessante rekening, opgemaakt door Jacques Gadeyne, conciërge van het stadhuis in Brugge, voor in 1746 door hem geleverde spijs en drank aan de beulen, aan de gefolterden en aan de leden van de stadsmagistraat die de folteringen bijwoonden [27] . Het ligt voor de hand dat, bij folteringen in het Loove, Erasmus Faulte, de conciërge van het Brugse Vrije, hiervoor zou zijn aangesproken. Voor vier dagen waarop gefolterd werd, met name op 21, 22, 23 en 29 maart 1746, leverde Gadeyne, in opdracht van griffier crimineel Maarten Willems:

-          vier maal een bottel warme wijn of een pinte wijn voor de patiënt. Voor zover het niet om dezelfde verdachte ging, werden dus op één week tijd vier personen gefolterd;

-          evenveel maal bier voor de scherprechter en zijn dienaars;

-          evenveel maal Bourgognewijn voor de aanwezige doctoors [28] .

Verder werd ook eten geleverd zowel voor de gefolterde als voor de folteraars en voor de andere aanwezigen. Op 21 en 22 maart 1746 werd ontbijt, middag- en avondmaal geserveerd, wat aantoont dat het om lange sessies ging. Voor 23 en 29 maart werd geen eten vermeld. Tot slot van de rekening werden ook drie flessen Bourgogne aangerekend, die werden geleverd ten behoeve van de griffier crimineel, de doctoors en  de burgemeester van de Commune Jan de la Coste.

Voor onze mentaliteit is het moeilijk zich voor te stellen dat nog in 1746 (en ook nog later, want de folteringen werden pas in 1784 de facto gestopt en pas in 1787 door Jozef II afgeschaft), in de kelders van het stadhuis regelmatig wreedaardige folteringen plaats vonden. Al even moeilijk voorstelbaar is de aanwezigheid hierop van de burgemeester van de Commune, die samen met de griffier crimineel een kijkje kwam nemen, onder het drinken van een paar flessen goede wijn. De prijs van de flessen voor hen was het dubbele van die van de wijn voor de gefolterde.

1784: een galgenmaal op het stadhuis

Wanneer een veroordeelde ter dood werd gebracht, werd dit aangegrepen om een feestje te bouwen, wellicht om de emoties te overkomen. Nog zo laat in de 18de eeuw als 1782, werd na een terechtstelling een maaltijd aangeboden op het stadhuis. Schout, burgemeesters, schepenen en griffiers aten samen in de grote lederkamer, twee paters predikheren – die de gehangene hadden bijgestaan -, de officieren van de schout en twee klerken van de vierschaar aten bij de conciërge en in de groene kamer werd opgediend voor de scherprechter, zijn zoon en helper, vier officieren van justitie en de adjudant van de Burgerlijke wacht. Dit alles op stadskosten [29] .

De naam van het beroep

Men zal in de officiële documenten zelden de naam beul of bourreau aantreffen, die in de omgangstaal werd gebruikt. Nadat men het in de 14de en 15de eeuw vaak had over de kok of de scherpkok, ook nog over de hangeman, werd de meest gebruikte naam die van scherprechter, soms van officier crimineel. In het Frans sprak men van exécuteur de la haute justice of exécuteur des hautes œuvres, in het Nederlands van uitvoerder der hoge werken of van meester (soms ook dienaar) van de hoge justicie of van rechter met den zweerde.

In de documenten door P. Claeys en door L. Gilliodts geciteerd kreeg de scherprechter meestal het predikaat meester voor zijn naam, wat aangeeft dat men hem een niet onbelangrijke status toekende. In Frankrijk sprak men van Monsieur de Paris, Monsieur de Lyon, etc., om de stadsbeulen aan te duiden, wat in onze provincies niet het geval schijnt te zijn geweest. Vanaf 1796 sprak men over de uitvoerder van de criminele arresten van de rechtbank (van het departement). Na 1815 werd het uitvoerder van de criminele arresten.

Over deze ontzagwekkende heren met het ongewone beroep weten we dus voor wat Brugge betreft nog te weinig en formuleren we de hoop dat uit de archieven en documenten over hen in de toekomst meer kan worden opgediept.

Andries Van den Abeele

(gepubliceerd in Brugs Ommeland, 1998, blz. 316-327).


[1] A. VAN DEN ABEELE, Brusselse beul te Brugge in het huwelijksbootje, in: Biekorf, 1985, blz. 365.

[2] Alle gegevens van burgerlijke stand komen uit Stadsarchief Brugge, huwelijksregisters An VIII n° 36, An XII n° 134, 1807 n° 154 en 1840 n° 311.

[3] R. VAN DER PLAETSE, Proeven van bekwaamheid Brugge 1741-1744, in: Biekorf, 1982, blz. 232.

[4] L.V.A., Een Brugse beul Boutquin in Zeeland, in: Biekorf, 1997, blz. 89.

[5] P. CLAEYS, Le bourreau de Gand, in: Le messager des sciences historiques, 1892, blz. 46.

[6] J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1790, f° 469.

[7] R. MORES, Onze kwartierstaat Jacques-Jean-Emile De Vriendt, in: Vlaamse Stam, 1993, blz. 435-441.

[8] SAB, kiezerslijsten en bevolkingsregisters.

[9] A. VIAENE, Halsrechting te Brugge in 1586, in: Biekorf, 1968, blz. 304.

[10] J. MONBALLYU, Een mislukte ontknoping te Brugge in 1613. Mirakel of toeval, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge,1986, blz. 167-181.

[11] Het is waarschijnlijk niet toevallig dat de man die de corrupte rechter uit zijn zetel haalt en twee van de mannen die hem levend villen, een geel kostuum dragen: in de Bourgondische tijd was dit de kleur van de ambtskledij van de beul.

[12] J. GELDHOF, Pelgrims, dulle lieden en vondelingen in Brugge, Brugge, 1975, blz. 115.

[13] L. GILLIODTS, Inventaire, etc. III, blz. 201.

[14] L. GILLIODTS, Mémoriaux de Bruges, blz. 22-23.

[15] idem

[16] idem

[17] L. GILLIODTS, Inventaire, etc., VI, blz. 467 en V, blz. 483.

[18] L. KNAPELINCK, a.w.

[19] idem.

[20] L. GILLIODTS, Mémoriaux de Bruges, blz. 427-428.

[21] D. VANYSACKER, Hekserij in Brugge, blz. 119.

[22] C. VAN DEN HAUTE, Le bourreau public était-il un confrère des chirurgiens à Bruges?, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, Brugge, 1912, blz. 192.

[23] L. GILLIODTS, Mémoriaux de Bruges, blz. 448.

[24] L. KNAPELINCK, a.w.; J. DE DAMHOUDER, a.w., blz 549-555.

[25] L. GILLIODTS, Mémoriaux de Bruges, blz. 427 (Civiele Sentenc. 1546-47, fol. 104) en blz. 21-23 (Civiele Sentenc. 1453-60 fol. 21); L. GILLIODTS, Inventaire, enz., VI, 467-468.

[26] J. VAN HOUTTE, a.w., blz. 301.

[27] P. CLAEYS, a.w., blz. 411-412.

[28] De geneesheren moesten er over waken dat de verdachte niet dood gefolterd werd en moesten, na ieder foltersessie, de toegebrachte verwondingen helen.

[29] J. DE SMET, Rond schavot en galg in de tijd van Maria-Theresia, in: Biekorf, 1939, blz. 22-26